Terug naar overzicht

#6: Menselijke waardigheid of menselijke feilbaarheid? Over het fundament van onze rechtsorde


Art. 1(1) Grundgesetz für die Bundesrepublik Deutschland: Die Würde des Menschen ist unantastbar. Sie zu achten und zu schützen ist Verpflichtung aller staatlichen Gewalt

(Vertaald: de menselijke waardigheid is onaantastbaar. Het is de plicht van alle staatsoverheden om deze te eerbiedigen en te beschermen)

Anders dan de Nederlandse Grondwet begint het Duitse Grundgesetz niet met een abstractie (gelijkheid) of een negatief recht (non-discriminatie). Maar met een positieve bevestiging van waar het recht om draait: onaantastbare menselijke waardigheid. Verandering van dit artikel is verboden: het wordt beschermd door een zogenaamde eeuwigheidsclausule.

Omdat menselijke waardigheid vooropstaat, aldus het Grundgesetz, ‘bekent het Duitse volk zich tot onschendbare en onvervreemdbare mensenrechten als grondslag voor ieder menselijk samenleven en voor vrede en gerechtigheid in de wereld.’ Pas op deze basis komen constitutionele rechten aan bod (neem bijvoorbeeld het hoe en wat van de machtenscheiding), die wél veranderd mogen worden.

Voor het thema van deze zomer – Beminde en onbeminde wetsartikelen – kies ik dit befaamde Duitse artikel. Want ik koester er een diepe én kritische bewondering voor. De vraag die ik stel is: is menselijke waardigheid te beschouwen als fundament voor de rechtsstaat – de Duitse lijn? Of is het andersom: is de klassieke rechtsstaat (met gedachten van machtsinperking, machtenscheiding en bescherming tegen overheidsmacht) eerder te beschouwen als een fundament voor menselijke waardigheid?

De implicaties van het antwoord op deze probleemstelling kunnen groot zijn. In public interest litigation zaken zoals Urgenda kan het uitmaken of menselijke waardigheid (met in het kielzog: gepositiveerde mensenrechten) voorop staan of eerder constitutionele beginselen als de machtenscheiding (is deze zaak bijvoorbeeld wel aan de rechter?).

De Duitse lijn – menselijke waardigheid als fundament voor de rechtsorde

Laat ik beginnen met mijn bewondering voor het artikel. De kracht ervan komt voort uit de geschiedenis en de wijsgerige ethiek. Post-Nazi Duitsland wist één ding zeker: nooit meer. Nooit meer ontmenselijking (vooral van Joden): gaskamers, euthanasie van gehandicapten, rassenwetten of Über– versus Untermenschen. Vóór alles komt menselijke waardigheid, aldus de Duitse grondwetgever in 1949.

De nooit meer-gedachte leefde natuurlijk niet alleen in Duitsland. De gruwelen van de Tweede Wereldoorlog vormden het startpunt van de internationale ontwikkeling van een stelsel van mensenrechten, waaronder de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) uit 1948.

Daarmee kom ik bij de ethische wortels. Een van de architecten van de UVRM, de invloedrijke Libanese academicus, diplomaat, filosoof en politicus Charles Malik bepleitte dat menselijke waardigheid ten grondslag moet liggen aan de idee van de rechtsorde. Hij beriep zich daartoe op een ‘internationale echo’ van oude ethische tradities:

The deepest formulation of the significance of the present international activity in the field of human rights is that it is a faint echo, on the international plane, of a spiritual reaction against the modern dissolution of the human soul. We are trying in effect, knowingly or unknowingly, to go back to the Platonic-Christian tradition which affirms man’s original, integral dignity and immortality.

De filosofisch geverseerde lezer heeft in het Duitse grondwetsartikel ongetwijfeld al de handtekening herkend van een van Duitslands beroemdste filosofen, Immanuel Kant (1724-1804), in wie de door Malik genoemde “Platoons-Christelijke traditie” misschien wel het sterkst samenkomt vanwege zijn categorisch vooropstellen van menselijke waardigheid.

Voor de niet-filosofisch geverseerde lezer: de analyse van Kant verloopt kort gezegd als volgt. Kant was geobsedeerd door het a priori: wat kun je als filosoof zeggen over de werkelijkheid door er alleen over na te denken (in Kants woorden: in de noumenale wereld, ofwel de zuivere denkwereld). Het is de droom van veel academici: de werkelijkheid (in Kants woorden: de fenomenale wereld) – of in onze taal: de rechtspraktijk – niet nodig te hebben om er toch iets normatiefs over te kunnen zeggen. Ethiek als noumenale wetenschap. Zuiverder wordt het niet.

Kant betoogt vervolgens dat ieder menselijk handelen categorisch moet kunnen worden getoetst. Niet fenomenaal (door naar de gevolgen te kijken of naar door anderen opgelegde wetten), maar noumenaal (door simpelweg na te denken). Hiervoor ontwikkelde hij zijn befaamde ‘categorische imperatieve’ toets:

Handel alleen volgens die maxime waardoor je tegelijkertijd zou kunnen willen dat zij een algemene wet wordt.

Wie denkt dat hij mag willen moorden, liegen of stelen, komt volgens Kant a priori met zichzelf in tegenspraak wanneer dit een algemene wet wordt (want niemand zou zelf vermoord, belogen of bestolen willen worden). Kortom, reeds denkend kun je op een dergelijk willen geen rechtsorde bouwen (met algemeen geldende wetten) – dus mag het niet. Volgens Kant heb je geen fenomenale wereld nodig om dit te begrijpen: vandaar het a priori karakter van dit ethische uitgangspunt.

Dan maakt Kant zijn befaamde sprong naar menselijke waardigheid. Omdat mensen redelijke wezens zijn, argumenteert Kant, staat de bovengenoemde categorische imperatief gelijk aan:

Handel zo dat jij het menszijn, zowel in eigen persoon als in de persoon van ieder ander, altijd tegelijk als doel, nooit louter als middel gebruikt.

Dit drukt, volgens Kant, een absolute waardigheid uit: de redelijke mens moet zichzelf – en daarmee ieder ander redelijk wezen – altijd respecteren als autonoom (zelf-wetgevende) persoon.

Door te argumenteren dat menselijke waardigheid (namelijk van ieder redelijk mens als zelf-wetgever) de categorische toets is voor ieder ethisch denken, heeft Kant een ferme en onmisbare basis gelegd voor het huidige denken over mensenrechten.

En na de Tweede Wereldoorlog heeft de Duitse grondwetgever deze categorische toets van Kant constitutioneel gestalte gegeven met de eeuwigheidsclausule. Geen denken over rechten of plichten – of zelfs maar over de rechtsorde – zonder de toets van menselijke waardigheid.

Andersom – éérst de rechtsorde, dan menselijke waardigheid

Het lijkt anno 2026 bijna niet voorstelbaar – na ruim 75 jaar UVRM – om een dergelijke gedachte niet te onderschrijven: wat is een rechtsstaat waard zonder fundament van menselijke waardigheid?

Toch zijn daar goede argumenten voor te maken.

In haar – prachtige en terecht met een cum laude bekroonde – proefschrift Towards a Theory of Militant Constitutionalism (2026), betoogt Jorieke Manenschijn dat in tijden van constitutionele crisis de constitutie voorafgaat aan de vraag naar menselijke waardigheid.

The idea of militant constitutionalism, which focuses on limited government through effective checks and balances, rests on a relatively thin form of constitutionalism. It does not encompass a broad range of human rights and values, such as human dignity.

Ze argumenteert dat, juist in tijden van polarisatie, ‘gevulde’ begrippen zoals menselijke waardigheid beter thuishoren in de democratische arena in plaats van de rechtsstatelijke:

Due to the changing nature of human rights, they are not very well suited to form the boundaries of the democratic arena. Not only are they too broad and vague, paving the way for abuse, but there is also a broad range of ‘reasonable agreement’ possible over the interpretation of human rights.

Het ankerbegrip in de democratische arena is zelfcorrectie, het kernbegrip in de rechtsstatelijke arena is machtsinperking, aldus Manenschijn. Waar het mis dreigt te gaan met democratie, moet dus eerst worden gekeken naar het vermogen van de samenleving om de eigen fouten in te zien. Waar het mis dreigt te gaan met de rechtsstaat, moet eerst gekeken worden naar de inperking van macht.

Met haar pleidooi voor machtsbeperking als conceptueel fundament voor de rechtsstaat kan ook zij bogen op een lange traditie. Niet die van verlichte Platoonse of christelijke vorsten (althans de Platoons-Christelijke traditie van Charles Malik of Immanuel Kant), maar juist van Aristoteles’ machtsinperkende staatsvormen, de Magna Carta, constitutionele monarchieën en niet te vergeten de leer van de machtenscheiding of de trias politica van Montesquieu.

Overigens betekent dit in haar analyse niet dat mensenrechten van de baan zijn. Deze volgen op of uit de idee van machtsinperking. Machtsinperking zonder vrijheid van meningsuiting, (het mede in de Magna Carta opgenomen recht op) habeas corpus, of vrijheid van vergadering acht zij bijvoorbeeld ondenkbaar.

Haar analyse prikkelt en biedt, mijns inziens, kritische vragen die niet mogen worden genegeerd. Aan de ene kant is met de groei van mensenrechten immers ook de kritiek daarop gegroeid: deze zouden te veel ruimte laten voor interpretatie, zouden te vatbaar zijn voor politisering en zouden te ver zijn komen af te staan van waar zij post WO-II voor zijn bedoeld – bescherming tegen overheidsmacht. En aan de andere kant staat in veel landen de idee van machtenscheiding onder druk en bemoeien politici zich op ongeoorloofde wijze met de rechterlijke macht (of, volgens sommigen, andersom).

Inhoudelijk wijst zij erop dat bij menselijke waardigheid, vanwege het poli-interpretabele karakter daarvan, het gevaar schuilt van ‘abuse’. Arthur Schopenhauer (1788-1860), altijd goed voor een gestrekt been tegen Kant, schreef het volgende over Kants idee van menselijke waardigheid (mijn vertaling):

Deze uitdrukking “menselijke waardigheid”, door Kant een keer uitgesproken, is een sjibbolet geworden voor radeloze- en gedachteloze moralisten. Die hun gebrek aan een werkelijk – of ten minste nog iets zeggend – fundament van de moraal achter deze imponerende uitdrukking “menselijke waardigheid” verstoppen. En er slim op rekenen dat ook hun lezers graag met deze waarde aangedaan worden en zich daarmee tevreden laten stellen.

Kortom: volgens Schopenhauer is menselijke waardigheid een verlegenheidsbegrip. Mensen lopen ermee weg zonder zich af te vragen wat het betekent. Het leent zich daarom, volgens hem, niet voor een fundament van de moraal, laat staan voor een rechtsorde. Hij vraagt zich ook af of we het begrip nodig hebben. Is het, aldus Schopenhauer, niet voldoende om te benadrukken dat een mens zich niet alleen om zichzelf maar ook om anderen moet bekommeren?

Menselijke waardigheid als faint echo?

Manenschijn heeft een krachtig punt. Machtsinperking is zo vanzelfsprekend nog niet. De Magna Carta uit 1215 – die machtsinperking bewerkstelligde van de Engelse vorst – was destijds zwaarbevochten. Maar de huidige Engelse vorst Charles III sprak begin 2026 vol lof over dit historische staaltje machtsinperking in zijn rede voor president Trump en het Amerikaanse Congres. Een duidelijk signaal aan wie het tegenwoordig met machtsinperking niet serieus neemt. En we kijken ook niet met onverdeeld genoegen terug op absolute machtshebbers, of dit nu Plato’s hoogopgeleide koning of Europa’s verlichte christelijke vorsten betreft. Waar weliswaar hoge idealen zegevierden, maar machtsinperking gebrekkig was. Misschien toch liever eerst checks and balances voordat we inhoudelijk beginnen over fundamenten van menswaardigheid?

Maar betekent dit dan dat menselijke waardigheid niet behouden kan blijven als voorwaarde voor ieder rechtsstatelijk denken?

Terug naar Kant, die (hoewel hij soms anders suggereert) allerminst een ‘vol’ begrip van menselijke waardigheid aanhing. Voor Kant is het uiteindelijk vooral een negatief begrip: mensen mogen niet louter middellijk worden beschouwd, maar moeten altijd doel-op-zich-blijven. Dat is wat we a priori weten.

Maar hoeveel weten we dan precies? Kants filosofie wordt zwakker naarmate hij begint met toepassen. Het wordt uiteindelijk allemaal weinig concreet: mag je martelen om aanslagen te voorkomen? Mag je liegen om onderduikers te beschermen? Mag je doden in oorlogssituaties of uit zelfverdediging? Mag je zelfmoord (of euthanasie laten) plegen? Hoe werkt de categorische toets in deze gevallen? Kan daar a priori over worden beslist of heb je dan toch de fenomenale werkelijkheid nodig? Kants voorbeelden zijn uiteindelijk weinig overtuigend.

Maar het gebrek aan concreetheid hoeft geen zwakte te zijn. De basisintuïtie van Kant is dat mensen wellicht verschillende (morele) opvattingen hebben, maar in de kern genomen allemaal mensen zijn en daarin gerespecteerd moeten worden. Het is dan ook aanlokkelijk om mee te gaan met Malik wanneer hij zegt dat de rechtsorde het moet doen met een faint echo. Een beginsel dat altijd ergens moet resoneren.

Maar hoe meer contouren deze echo krijgt, hoe eerder groepen worden uitgesloten (althans, hoe problematischer het wordt om een moreel pluriforme samenleving te behouden). Is menselijke waardigheid dan een soort muziek dat altijd op de achtergrond moet aanstaan, maar ook weer niet te hard? Menselijke waardigheid als achtergrondmuziek van de rechtsorde?

Een alternatief – menselijke feilbaarheid

Misschien ligt de kracht van menselijke waardigheid niet zozeer in het woord waardigheid, maar in het woord menselijkheid.

Menselijkheid, door Kant fier geroemd om haar redelijkheid en daarom verheven in de hoogste waardigheid, kent ook een schaduwzijde. Zo redelijk zijn mensen immers niet altijd. Bovendien doen mensen al duizenden jaren een gooi naar de juiste invulling van het ‘goede’ – het publieke belang, het moreel juiste, de waarheid en de waardigheid. Maar telkens blijkt dat deze invullingen mensen ook tegenover elkaar kunnen opzetten. Kortom: de werkelijkheid lijkt weerbarstiger dan de categorisch denkende wetenschapper Kant kon bevroeden (die overigens weinig van de werkelijkheid zag, want hij is zijn leven lang niet buiten de stadsgrenzen gekomen).

Wat mij betreft, kan daarom, liever dan waardigheid, menselijke feilbaarheid ten grondslag liggen aan de rechtsstaat. Waar het gaat om het ‘goede’ hebben historische fouten nog steeds niet geleid tot de nodige zelfrelativering. In plaats daarvan blijken mensen nog steeds te gemakkelijk de mens achter de buren, instanties, geloofsgemeenschappen, bedrijven, overheden of landen uit het oog te verliezen. Met menselijke feilbaarheid als fundament staat openheid voor deze feilbaarheid centraal. Draait het juist om het besef van het steeds weer gebleken onvermogen om andere mensen in hun waardigheid te zien. En dan geven Manenschijns minimalistisch ogende begrippen als zelfcorrectie en machtsinperking onze democratische rechtsstaat ineens een menselijk gezicht.

Over de auteurs

Jonathan Soeharno

Prof. mr. dr. J.E. Soeharno is verbonden aan de Universiteit van Amsterdam en tevens werkzaam als advocaat bij de Brauw Blackstone Westbroek

Reacties

Andere blogs uit deze reeks
Zomerreeks 2026: Beminde en onbeminde wetsartikelen
#5: Artikel 120 Grondwet als voorwerp van aanhoudende discussie
Zomerreeks 2026: Beminde en onbeminde wetsartikelen
#4: Artikel 29c VW 2000 en het kerngezin: juridische afbakening van gezinshereniging
Zomerreeks 2026: Beminde en onbeminde wetsartikelen
#3: De bewijsstandaard in het strafrecht: de rechtsstatelijke zwakte van artikelen 338 Sv en 4.3.7 NSv
Zomerreeks 2026: Beminde en onbeminde wetsartikelen
#2: Het bestaansrecht van vogels en vlinders: de intrinsieke waarde van de natuur in artikel 1.3 van de Omgevingswet
Zomerreeks 2026: Beminde en onbeminde wetsartikelen
#1: Het onbeminde art. 5 WVW. Angst voor risico’s en behoefte aan controle
Zomerreeks 2026: Beminde en onbeminde wetsartikelen
Zomerreeks 2026: Beminde en onbeminde wetsartikelen