Terug naar overzicht

#17: Aren lezen en naharken: de rechtsstaat is ook een sociale staat


Het oude Belgische Veldwetboek, dat uit 1886 dateert en zo amper iets jonger is dan de Belgische Werkliedenpartij, die in 1885 werd opgericht, bevat een merkwaardige bepaling:

“Alleen bejaarden, gebrekkigen, vrouwen en kinderen beneden twaalf jaar mogen van zonsopgang tot zonsondergang aren lezen en naharken in de plaatsen waar zulks gebruikelijk is en slechts in niet-omheinde, op het grondgebied van hun gemeente gelegen velden waar de oogst geheel ingezameld en weggehaald is. Aren lezen mag slechts met de hand geschieden; naharken met behulp van een hark met ijzeren tanden is verboden.”

Naharken en aren lezen (de etymologie van dat lezen is overigens fascinerend, maar stof voor een ander blogbericht) zijn ongetwijfeld in de wet opgenomen als een vorm van liefdadigheid. Het beeld dat spontaan opkomt, is dat van een tafereel van Pieter Bruegel de Oude: boerenleven en vergeten spreekwoorden.

Maar we zijn veel later in de tijd, en het tableau is veel minder feestelijk en bruegeliaans. De negentiende-eeuwse nachtwakersstaat, met vooral in het geïndustrialiseerde België haar uitwassen die de leefwereld van Zola en Buysse evoceren, toont zich in deze bepaling van haar sociaalste kant. Bejaarden, gebrekkigen (sic), vrouwen en kinderen onder de twaalf mogen zich letterlijk de kruimels van het veld toe-eigenen. Daarbij mogen ze zich wel niet bedienen van al te gesofisticeerde hulpmiddelen. Wie een ijzeren hark bezit, is vermoedelijk al te welstellend om sociale bescherming te genieten.

Pas in 2024 werd deze bepaling in het Vlaamse Gewest opgeheven. Maar in de andere gewesten schijnt ze nog geheel van kracht te zijn. Uiteraard gaat het om een historisch relict, dat op zich geen enkele praktische relevantie heeft, wellicht eerder overleeft vanwege onachtzaamheid van de wetgever en omdat het nu eenmaal eenvoudiger is om nieuwe wetgeving te maken, dan oude wetgeving op te heffen. Al moet gezegd dat de Senaat in 2013 een poging ondernam om de bepaling af te schaffen, maar dat door de ontbinding van de Kamers in 2014 en de erop volgende aandacht voor de staatshervorming het blijkbaar niet meer prioritair was om het initiatief later weer nieuw leven in te blazen.

De anekdotiek van de bepaling, laat toe twee bedenkingen te formuleren.

Ten eerste wordt op een impliciete manier helder gemaakt hoezeer de sociale dimensie van de grondrechtenbescherming, zo lijkt het wel, nog altijd niet als volwaardig aangezien wordt. Want het mag toch duidelijk zijn dat op het ogenblik dat de sociale bescherming vorm krijgt, eerst timide, maar na beide oorlogen veel uitgesprokener, met verankering van de sociale rechten in internationale verdragen en de Grondwet, een bepaling over aren lezen en naharken alle betekenis verliest. Regels over bestaansminima, menselijke waardigheid, maatschappelijke solidariteit zouden elk recht tot restjes schrapen overbodig gemaakt moeten hebben. Maar de bepaling bleef lang bestaan. Onachtzaamheid? Wellicht. Het gevoel dat er wel belangrijkere prioriteiten zijn, zeer zeker! Wettelijk verankerde solidariteit heeft paternalistische liefdadigheid niet volledig uit onze wetgeving uitgevlakt.

Ten tweede moeten we het over de taal en opvatting van het geformuleerde recht hebben. Normaal ben ik een groot liefhebber van archaïsche sedimenten in ons wetgevend arsenaal. De aanslijkingen en gorzingen, de konijnen in hun warandes, de dijkgraven van de sluis van Veurne-ambacht, het misdrijf van de moeskopperij: wie wilde, vond taalkundige pareltjes in het gortdroge juridisch materiaal. (De invoering van het nieuwe Burgerlijk Wetboek in België is in dat opzicht een taalkundige kaalslag gebleken.) Het Veldwetboek, zie het jaar van invoering, is in dat opzicht nog altijd notoir resistent. Maar hier zou het toch geen kwaad kunnen, mocht de wetgever eens even met de blik van de mensenrechten en democratische rechtsstaat naar de bepaling kijken. Je moet toch niet bijzonder woke angehaucht zijn om vast te stellen dat de term “gebrekkige” anno 2026 wel erg choquerend is. Maar nog los van die taalkundige bedenking, lijkt het toch amper voor discussie vatbaar dat dit artikel, hoezeer het misschien ook uitgelegd kan worden als een minimale vorm van liefdadigheid, vandaag onverenigbaar is met het gelijkheidsbeginsel. Waarom zou juist bepaalde categorieën burgers, die geïdentificeerd worden met ernstige behoeftigheid, de mogelijkheid gegeven worden om de restjes van het veld te verzamelen, terwijl anderen, die zich in een gelijkaardige fase van nooddruft kunnen bevinden, dit recht ontzegd wordt? Dat valt niet uit te leggen, en mocht het Grondwettelijk Hof zich ooit moeten uitspreken over deze bepaling, zou ze naar mijn aanvoelen niet overeind blijven.

Helemaal afschaffen dan maar?

Als jurist zeg ik ja. Maar als burger zou ik toch graag hebben dat ze blijft voortleven in onze herinnering. De geciteerde bepaling illustreert hoe ons rechtssysteem de levensbehoeften van wie kwetsbaar was, meende te moeten waarborgen. Met schamele kruimels. Het is goed daar nog even aan te denken, wanneer de aanval op de sociale grondrechten wordt ingezet.

Tegelijk is het artikel ook een machtige illustratie van het denken over kwetsbaarheid. Wie zijn de mensen, aan wie de laat-negentiende-eeuwse wetgever denkt? Vrouwen, mensen met een handicap, bejaarden en kinderen onder de twaalf. Kunnen anderen niet evenzeer in bepaalde omstandigheden in grote nood verkeren? De wetgever neemt daarover in deze bepaling geen positie in, maar geeft impliciet de boodschap mee dat zij maar zelf moeten instaan voor hun harde overleven. Met de ogen van vandaag dus ook kinderen boven de twaalf… het stemt tot denken. Ook mannen kunnen maar beter volledig zelfredzaam zijn. De stereotypische opvatting van een tijdperk vonden moeiteloos de weg naar het Veldwetboek. Ook inzake de klassieke grondrechten en de rol van het gelijkheidsbeginsel heeft de democratische rechtsstaat dus een flinke weg afgelegd.

Eerst mochten sommige behoeftigen een graantje meepikken. Uiteindelijk garandeert het recht vandaag ieders menswaardig bestaan. Die evolutie is het verhaal van de twintigste-eeuwse sociale strijd en van de evolutie in het rechtsdenken. We hadden er omzeggens een eeuw voor nodig. Eén kleine, vergeten bepaling uit het Veldwetboek herinnert ons hieraan.

Hang it in the Louvre.

 

Over de auteurs

Koen Lemmens

Koen Lemmens is hoogleraar publiekrecht KU Leuven

Reacties

Andere blogs uit deze reeks
Zomerreeks 2026: Beminde en onbeminde wetsartikelen
#16: Artikel 6:2 BW over redelijkheid en billijkheid als inspiratiebron voor rechtvaardigheid
Zomerreeks 2026: Beminde en onbeminde wetsartikelen
# 15: Autonoom of uitvoeringsloket? Over de positie van gemeenten in het Huis van Thorbecke
Zomerreeks 2026: Beminde en onbeminde wetsartikelen
#13: Art 1 Grundgesetz als inspiratie voor een waardengestuurd staats- én bestuursrecht
Zomerreeks 2026: Beminde en onbeminde wetsartikelen
#12: Het (on)beminde artikel 23 Grondwet
Zomerreeks 2026: Beminde en onbeminde wetsartikelen
#11: Wijzig artikel 61a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990!
Zomerreeks 2026: Beminde en onbeminde wetsartikelen
#10: Artikel 142 van de Belgische Grondwet: het fort van onze democratie
Zomerreeks 2026: Beminde en onbeminde wetsartikelen
#9: Art. 29b Wfpp: democratie is niet te koop
Zomerreeks 2026: Beminde en onbeminde wetsartikelen
#8: Klagen zonder bestuursorgaan
Zomerreeks 2026: Beminde en onbeminde wetsartikelen
#7: Wat ons ooit scheidde, en ons nu verbindt: de vrijheid van vereniging
Zomerreeks 2026: Beminde en onbeminde wetsartikelen
#6: Menselijke waardigheid of menselijke feilbaarheid? Over het fundament van onze rechtsorde
Zomerreeks 2026: Beminde en onbeminde wetsartikelen
#5: Artikel 120 Grondwet als voorwerp van aanhoudende discussie
Zomerreeks 2026: Beminde en onbeminde wetsartikelen
#4: Artikel 29c VW 2000 en het kerngezin: juridische afbakening van gezinshereniging
Zomerreeks 2026: Beminde en onbeminde wetsartikelen
#3: De bewijsstandaard in het strafrecht: de rechtsstatelijke zwakte van artikelen 338 Sv en 4.3.7 NSv
Zomerreeks 2026: Beminde en onbeminde wetsartikelen
#2: Het bestaansrecht van vogels en vlinders: de intrinsieke waarde van de natuur in artikel 1.3 van de Omgevingswet
Zomerreeks 2026: Beminde en onbeminde wetsartikelen
#1: Het onbeminde art. 5 WVW. Angst voor risico’s en behoefte aan controle
Zomerreeks 2026: Beminde en onbeminde wetsartikelen
Zomerreeks 2026: Beminde en onbeminde wetsartikelen