#16: Artikel 6:2 BW over redelijkheid en billijkheid als inspiratiebron voor rechtvaardigheid
Op mijn lagere school in Nieuwegein had een klasgenoot voetbalplaatjes gestolen van andere kinderen in de klas. Of ik ook voetbalplaatjes spaarde, betwijfel ik, maar het voorval fascineerde me. Werd hij gelukkig van gestolen voetbalplaatjes? De klasgenoot moest voor de klas komen en kreeg straf, maar was die straf passend? En wat deed de diefstal met onze onderlinge relatie in de klas? En wat was de invloed van de straf daarop?
Fascinatie voor dit soort vraagstukken en een sterk rechtvaardigheidsgevoel zijn voor mij de belangrijkste drijfveer geweest om ooit rechten te gaan studeren en rechter te worden. Dat geldt niet voor mij alleen. Bij veel van mijn collega’s in de rechtbank herken ik een dergelijke drijfveer en niet voor niets is rechtvaardigheid de eerste doelstelling in de visie van de Rechtspraak.
Aan recht en rechtvaardigheid wordt elke dag door vele collega’s in de Rechtspraak en mijzelf hard gewerkt. Helaas realiseren we ons ook, bijvoorbeeld naar aanleiding van de toeslagenaffaire, dat het niet altijd goed gaat.
Hoe kan het beter?
Bij het denken over mijn meest beminde wetsartikelen voor deze serie heb ik me de vraag gesteld hoe we de rechtspraak en daarmee de rechtsstaat beter kunnen laten werken voor burgers en bedrijven in Nederland. Een van de pijlers van de rechtsstaat is dat iedereen gehouden is zich aan de wet te houden, ook de overheid. Maar als de uitwerking van regels zodanig hard is dat die evident op gespannen voet staat met rechtvaardigheid, wat is dan een inspiratiebron bij het vinden van een oplossing?
Het signaleren van knelpunten die om een structurele oplossing vragen, zoals we vanuit de rechtbank Amsterdam doen met onze maatschappelijke reflectie, is belangrijk, maar hoe kunnen we gevoelens van rechtvaardigheid argumentatieve kracht geven en met kennis van het recht werken aan manieren om verandering te realiseren? In die zoektocht voel ik me aangemoedigd door Paul van Tongeren als Denker des Vaderlands.
Inspiratiebronnen: EVRM en Grondwet
Bij beminde artikelen denk ik uiteraard aan het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Een belangrijk verdrag. Het is niet voor niets dat de rechtbanken Amsterdam en Midden-Nederland en het gerechtshof Amsterdam vorig jaar hebben deelgenomen aan Pride Amsterdam ter gelegenheid van het feit dat het 75 jaar geleden was dat het EVRM in Straatsburg werd ondertekend. Sinds die ondertekening heeft het verdrag veel betekend voor de rechtsontwikkeling. Bijvoorbeeld bij de toetsing van bewijs in het strafprocesrecht, de toegang tot de rechter en de gelijke behandeling in het familierecht.
Ook het relatief nieuwe artikel 17, eerste lid, van de Grondwet vormt een belangrijke inspiratiebron. Dat artikel vormt de basis voor de rechtsstaatgedachte dat een ieder bij de onafhankelijke rechter terecht moet kunnen om ervoor te zorgen dat iedereen, inclusief de overheid, zich aan de wet houdt. Het artikel garandeert bovendien het recht op een eerlijk proces, een belangrijke voorwaarde voor rechtvaardige rechtspraak.
Inspiratiebron: evenredigheid
In 2022 is het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4, tweede lid, Awb een bemind artikel geworden. In februari van dat jaar bepaalde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat de bestuursrechter toetst 1. of het besluit geschikt is om het doel te bereiken, 2. of het een noodzakelijke maatregel is of dat met een minder vergaande maatregel kon worden volstaan en 3. of de maatregel in het concrete geval evenwichtig is. Dat gebeurde in een zaak over een woningsluiting in Harderwijk, waarin de burgemeester bij de belangenafweging te weinig aandacht had besteed aan de belangen van de huurder en zijn kinderen.
In een reeks van uitspraken heeft de Afdeling vervolgens bepaald in welke gevallen de bestuursrechter een besluit kan toetsen aan het evenredigheidsbeginsel en met een uitspraak van 26 maart 2024 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven het beoordelingskader verder uitgewerkt. Advocatenkantoor Stibbe heeft de aldus vormgegeven evenredigheidstoetsing in een visual samengevat.
Deze jurisprudentie leidt, bijvoorbeeld bij woningsluitingen, tot een genuanceerder overheidsoptreden, waarbij meer recht wordt gedaan aan de belangen van onder meer kinderen. Tegelijkertijd is mijn vraag of dit soort jurisprudentie de complexiteit van het bestuursrecht en het openbaar bestuur niet vergroot, terwijl complexiteit nu al een groot probleem is.
Ondanks veel en gedetailleerde regelgeving is voor burgers en bedrijven, maar ook voor de overheid zelf, vaak niet duidelijk waar men aan toe is. De juridische fictie dat een burger wordt geacht de wet te kennen, staat steeds meer onder druk. Een goed functionerende rechtsstaat vraagt niet alleen om wet- en regelgeving die zorgvuldig wordt vastgesteld, maar ook om regels die daadwerkelijk kunnen worden nageleefd en gehandhaafd.
Vanuit die gedachte was uitvoerbaarheid van wet- en regelgeving dit jaar het onderwerp van de preadviezen van de Nederlandse Juristenvereniging. In zijn preadvies beschrijft Kees van der Staaij dat onstuitbare regeldrift en micro-management moeten worden beteugeld en dat professionals die dicht bij de problemen van mensen staan, veilige ruimte en steun moet worden geboden voor praktische oplossingen.
Meest beminde artikel: redelijkheid en billijkheid
Een artikel dat zeer generiek is geformuleerd, in potentie vele toepassingen kent en onrechtvaardige uitkomsten van procedures voorkomt, is artikel 6:2, tweede lid, BW.
Dit artikel bepaalt dat een tussen partijen geldende regel niet van toepassing is, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. In de jurisprudentie is dit artikel gebruikt om de hardheid van regels te verzachten waar dat evident op gespannen voet staat met een rechtvaardige uitkomst. Daarbij denk ik bijvoorbeeld aan de doorbrekingsleer in situaties waar honorering van een beroep op verjaring tot evident onrechtvaardige uitkomsten zou leiden.
Doorbrekingsleer bij verjaring
Verjaringstermijnen bepalen hoelang een partij de mogelijkheid heeft om een vordering op te eisen. De rechtszekerheid is daarbij gebaat, maar in sommige situaties, bijvoorbeeld als de schade niet bekend was en/of sprake is van historisch onrecht, kan dat op gespannen voet staan met de wens van een rechtvaardige oplossing.
In het arrest Van Hese/De Schelde uit 2000 creëert de Hoge Raad ruimte om de toepassing van de verjaringstermijn te doorbreken in een asbestzaak waar een werknemer meer dan dertig jaar na blootstelling aan asbest pas ziek is geworden. Formeel is de vordering verjaard, maar de Hoge Raad formuleert een lijst van gezichtspunten aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of een verjaringstermijn kan worden doorbroken.
Inmiddels wordt ook bij situaties van ‘historisch onrecht’ verkend in hoeverre absolute verjaringstermijnen kunnen worden doorbroken. Hierbij gaat het om situaties waarin, vele jaren na dato, langs juridische weg gezocht wordt naar erkenning en genoegdoening voor leed dat in het verleden is toegebracht aan (groepen) mensen hier en elders.
Denk daarbij aan het leed van Javaanse weduwen na de executie van Javaanse mannen uit het dorp Rawagadeh in 1947. In een vonnis van 14 september 2011 heeft de rechtbank Den Haag bepaald dat het beroep van de staat op verjaring, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is ten aanzien van de weduwen en de mannen die bij de executies gewond zijn geraakt. De staat heeft vervolgens schikkingen getroffen met de weduwen die die procedure aanhangig hebben gemaakt.
Dergelijke voorbeelden brengen tot uitdrukking dat een generiek artikel als 6:2 BW de rechter in bijzondere situaties de mogelijkheid geeft om onrechtvaardige uitkomsten van procedures te voorkomen. Dat maakt 6:2 BW mijn meest beminde artikel. Het artikel is algemeen en aansprekend geformuleerd, behoeft geen visual van een advocatenkantoor en biedt professionals ruimte en steun om tot praktische oplossingen te komen.
Zou een dergelijk overkoepelend rechtsbegrip, mede gezien artikel 3:12 en 3:15 BW, niet breder dan in het verbintenissenrecht van betekenis kunnen zijn? Daarbij kan artikel 6:2 BW mogelijk de wetgever, maar ook elke professional die bij de uitvoering betrokken is, tot inspiratie zijn.
Ter inspiratie: terug naar mijn jeugd
Als kind was Thea Beckman mijn lievelingsschrijfster. Mijn favoriete boek was Stad in de storm, dat gaat over de storm in 1674 waarbij het middenschip van de Utrechtse Domkerk instort. Het speelt zich af in de regio waar ik ben opgegroeid.
Haar boek Kinderen van moeder aarde, dat ik onlangs las op voorspraak van de ombudsman van de metropool Amsterdam, gaat over het fictieve land Thule en de partnerkeuze van de zoon van de leidster van het land. De vraag is of zijn liefde voor een meisje van het volk een verboden liefde moet blijven. De vrouwenraad besluit na een uitgebreide discussie om de regels te wijzigen. Daarbij spreekt één van de leden van de vrouwenraad de volgende wijze woorden: ‘Een ijzeren wet die een eerlijk gevoel in de weg staat, kan nooit een goede wet zijn.’
Met dit soort wijsheden blijft Thea Beckman sinds mijn jeugd een inspiratiebron om manieren te zoeken om aan rechtvaardigheid en eerlijkheid kracht van argument te geven en het recht juist dat te laten realiseren. Redelijk en billijk, zoals dat heet.
Reacties