Terug naar overzicht

#9: Art. 29b Wfpp: democratie is niet te koop


Het brengt je allicht niet in vervoering. Artikel 29b van de Wet financiering politieke partijen is een combinatie van letters en cijfers waar gemakkelijk overheen gelezen kan worden. Nu wordt wetgeving niet geschreven ter vermaak: het gaat om de inhoud, en deze bepaling is aan te merken als de neerslag van een democratie die zichzelf normeert. Het is mijns inziens daarmee eentje in de categorie ‘beminde artikelen’ – al kan het nog wel wat liefdevolle zorg gebruiken. Het luidt (ingekort) als volgt:

Artikel 29b

  1. Indien een politieke partij, haar neveninstellingen of kandidaten geplaatst op de kandidatenlijst van die partij, alleen of gezamenlijk van een gever in een kalenderjaar een geldelijke bijdrage van in totaal meer dan € 100.000 of een bijdrage in natura met een waarde van in totaal meer dan € 100.000 ontvangen, draagt de politieke partij er zorg voor dat het gedeelte dat het bedrag of de tegenwaarde van € 100.000 te boven gaat, zo spoedig mogelijk teruggegeven wordt aan de gever, voor zover van toepassing naar rato van de hoogte van de door elk van de ontvangers ontvangen bijdrage. […]

Alledaags gezegd: politieke partijen mogen geen giften van meer dan een ton ontvangen in hetzelfde jaar van één gever, ook niet in termijnen. Het staat er nog niet eens zo lang, sinds 1 januari 2023 om precies te zijn, en markeert een trendbreuk voor de Nederlandse wetgever die erom bekendstaat weinig op te hebben met partijregulering en wat betreft geldstromen goed van vertrouwen is.

Terughoudendheid troef

Neem bijvoorbeeld het voornemen van minister Dijkstal halverwege de jaren negentig om een wettelijke openbaarmakingsplicht voor donaties te introduceren (overigens zonder enige vorm sanctionering). Dit kon rekenen op verzet van politieke partijen en in plaats daarvan werd een convenant gesloten dat welbeschouwd las als niet veel meer dan een aanbeveling om giften boven het (voor die tijd forse) bedrag van f 10.000 openbaar te maken.

De wetgeving over partijfinanciering die rond de eeuwwisseling vervolgens op gang kwam, regelde vooral subsidiëring en slechts in zeer beperkte mate openbaarheid. Nadat Nederland verscheidene malen door de Europese corruptiewaakhond GRECO op de vingers was getikt, kwam hierin verandering met de huidige Wfpp uit 2013. Daarin staat een iets serieuzer te nemen transparantieregime, maar ook in 2019 werd Nederland nog het “Wilde Westen van partijfinanciering” genoemd door politicoloog André Krouwel; “Nederlandse partijen zijn zo gevoelig voor fraude en omkoperij.”

En inderdaad, wat partijen mochten aannemen, was op dat moment nog generlei wijze begrensd. Toen de wet in 2018 werd geëvalueerd door de commissie-Veling werd dit niet nodig geacht, maar wel geadviseerd “om hier de vinger aan de pols te houden.” Hollanders waren vooralsnog van zichzelf al zuinig genoeg, zo was kennelijk het sentiment. Dit veranderde toen in de campagne van 2021 on-Nederlandse bedragen werden overgemaakt (CDA en D66 ieder zo’n miljoen, PvdD drieënhalf ton). Volgens Kars Veling, voorzitter van de Wfpp-evaluatiecommissie, was daarmee de emmer overgelopen en zou de tijd rijp zijn om in te grijpen.

Bij de daaropvolgende wetswijziging wilde de regering er nog steeds niet aan, maar het was de Tweede Kamer die bij amendement een maximum van een honderdduizend euro invoerde. Indiener Renske Leijten wilde “dat financiering van politieke partijen met belastinggeld te verdedigen is met het argument dat partijen mee moeten kunnen doen aan verkiezingen, zonder dat zij afhankelijk zijn of worden van bedrijven of particulieren die met giften politieke invloed en macht kopen.” Een ruime meerderheid nam het aan. Aldus begrensde de politiek hier zichzelf en brak zo met het verleden van non-interventionisme op dit gebied.

Waterdicht wetgeven

Met papier alleen ben je er echter nog niet. In de VS heeft een zéér omvangrijke campagnefinancieringsregulering niet weten te voorkomen dat verkiezingen tot geldsmijtwedstrijden zijn verworden. Reden daarvoor is dat political action committees oftewel (super)PACs door het Hooggerechtshof zijn uitgezonderd van de wetgeving. Te onzent gaan er geen miljarden mee gemoeid en is er in die zin geen sprake van Amerikaanse toestanden, maar er zijn wel mazen in de huidige Wfpp. De VVD ontving bijvoorbeeld in 2023 in totaal tweehonderdduizend euro aan  donaties van een drietal individuen – toevallig alle drie bestuurders van eenzelfde bedrijf. Als je niet goed oplet, is de regeling dus al gauw zo lek als een mandje.

Misschien moet art. 29b dan ook vooral als startschot worden gezien om nu eindelijk eens fundamenteel na te denken over de rol van geld in de politiek en daarbij passende en geschikte maatregelen te nemen. Dat treft, want het moment kan eigenlijk niet beter: ergens dit jaar zal dan toch de langverwachte en veelbesproken Wet op de politieke partijen (Wpp) in het parlement worden behandeld, die beoogt bestaande en nieuwe regels met betrekking tot partijen op één plek te bundelen. Gesproken zal onder meer worden over het partijverbod, het al dan niet invoeren van een ledenplicht (wat slecht nieuws zou zijn voor Geert Wilders’ PVV) en financieringsregels. Dat laatste onderwerp dreigt allicht onder te sneeuwen, enerzijds vanwege de ‘spannendere’ andere onderwerpen en anderzijds omdat bij de voornoemde herziening van de Wfpp er een paar jaar geleden relatief uitvoerig over gesproken is.

Toch is herbezinning broodnodig. Het Nederlandse recht is namelijk niet afdoende toegerust gebleken om vraagstukken met betrekking tot politieke corruptie te adresseren. ’s Lands bekendste lokale politicus Richard de Mos (Groep de Mos/Hart voor Den Haag) werd in twee instanties vrijgesproken van corruptie, maar de rechter, zeker in eerste aanleg, liet merken niet goed uit de voeten te kunnen met wat hem door de wetgever in dezen is aangereikt. “Het ontbreken van deugdelijke (regels over) partijfinanciering moet niet worden opgelost met het strafrecht”, aldus de Rotterdamse rechtbank vooruitwijzend naar de op stapel staande maar toen (2023) nog niet ingediende Wpp. Ook het Openbaar Ministerie riep mede naar aanleiding van de zaak-De Mos op tot een beter kader inzake politieke beïnvloeding. Dat zou dit grijze gebied tussen het quid en het quo beter moeten inkleuren.

Democratisch prijsplafond?

De bal ligt dus bij de wetgever. Als die toch bezig is, biedt dat ook gelegenheid om voort te bouwen op art. 29b Wfpp en onze verkiezingen nog een stukje eerlijker te maken. In dat verband kan geopteerd worden om niet alleen de inkomsten aan banden te leggen, maar juist ook de uitgaven. Partijen zouden dan gefixeerde bedragen aan hun campagne mogen spenderen, zoals in het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk reeds het geval is. De Franse ex-president Nicolas Sarkozy werd zelfs tot vijf jaar cel veroordeeld voor onrechtmatige campagnefinanciering (te danken aan zijn vriend, de Libische dictator Muamar Kadhafi).

Met het optuigen van een dergelijk regime en de handhaving gaat, toegegeven, behoorlijk wat administratie gemoeid, maar een democratie mag zich die moeite willen getroosten. Een ‘prijsplafond’ kan helpen voorkomen dat verkiezingen te koop zijn. Op die manier beginnen partijen met een smalle beurs niet met een achterstand en zal men bovendien minder snel in de verleiding komen om de schijn van belangenverstrengeling op zich te laden. De Tweede Kamer liet zich met het amendement-Leijten van haar beste kant zien en dat smaakt naar meer: op naar 29c!

Over de auteurs

Sam Maasbommel

Sam Maasbommel is universitair docent aan de Rijksuniversiteit Groningen (sectie Staatsrecht, Bestuursrecht en Bestuurskunde)

Reacties

Andere blogs uit deze reeks
Zomerreeks 2026: Beminde en onbeminde wetsartikelen
#8: Klagen zonder bestuursorgaan
Zomerreeks 2026: Beminde en onbeminde wetsartikelen
#7: Wat ons ooit scheidde, en ons nu verbindt: de vrijheid van vereniging
Zomerreeks 2026: Beminde en onbeminde wetsartikelen
#6: Menselijke waardigheid of menselijke feilbaarheid? Over het fundament van onze rechtsorde
Zomerreeks 2026: Beminde en onbeminde wetsartikelen
#5: Artikel 120 Grondwet als voorwerp van aanhoudende discussie
Zomerreeks 2026: Beminde en onbeminde wetsartikelen
#4: Artikel 29c VW 2000 en het kerngezin: juridische afbakening van gezinshereniging
Zomerreeks 2026: Beminde en onbeminde wetsartikelen
#3: De bewijsstandaard in het strafrecht: de rechtsstatelijke zwakte van artikelen 338 Sv en 4.3.7 NSv
Zomerreeks 2026: Beminde en onbeminde wetsartikelen
#2: Het bestaansrecht van vogels en vlinders: de intrinsieke waarde van de natuur in artikel 1.3 van de Omgevingswet
Zomerreeks 2026: Beminde en onbeminde wetsartikelen
#1: Het onbeminde art. 5 WVW. Angst voor risico’s en behoefte aan controle
Zomerreeks 2026: Beminde en onbeminde wetsartikelen
Zomerreeks 2026: Beminde en onbeminde wetsartikelen