#4: Artikel 29c VW 2000 en het kerngezin: juridische afbakening van gezinshereniging
Het kabinet Rutte IV viel in juli 2023, nadat de coalitiepartijen het niet eens werden over aanvullende asielmaatregelen. Reden voor de val was onder meer de vermeende problematiek van de zogenoemde nareis-op-nareis. Vermeend, omdat een jaar later bleek dat nareis-op-nareis nauwelijks voorkwam. Het daaropvolgende kabinet beloofde ‘het strengste asielbeleid ooit’. Ook de Europese Unie zat het afgelopen decennium niet stil. Op 12 juni 2026 traden het Europees Asiel- en Migratiepact en de Wet invoering tweestatusstelsel in werking. In het kader van de zomerreeks Beminde of onbeminde wetsartikelen staat het nieuwe artikel 29c Vreemdelingenwet 2000 centraal: de relevante bepaling voor nareis waarin belangrijke aanscherpingen zijn neergelegd. Wat houden deze regels precies in? En belangrijker: belooft dit wetsartikel beminnelijk te zijn?
Wat is nareis?
Het begrip nareis speelt een prominente rol in het politieke debat over migratie. Het kabinet Jetten besloot begin juni 2026 om 47 Gazaanse studenten actief te helpen om de Gazastrook te verlaten. Nog dezelfde dag waarschuwde coalitiepartner VVD dat deze groep mogelijkerwijs asiel zou aanvragen en vervolgens gebruik zou maken van ‘nareis’ om familieleden naar Nederland te halen.
Nareis is zodoende uitgegroeid tot een begrip dat regelmatig de krantenkoppen én talkshowtafels haalt. Dat is opvallend, omdat nareis niet als zodanig terugkomt als juridisch begrip in het Europees migratierecht. De Europese richtlijn 2003/86/EG (de Gezinsherenigingsrichtlijn) spreekt uitsluitend over gezinshereniging. Zoals politicologe Bonjour opmerkt, kan het gebruik van de term nareis ertoe bijdragen dat de aandacht verschuift van familiebanden naar migratie- en verblijfsprocedures. Het begrip familie raakt daardoor volgens haar minder zichtbaar in het politieke debat over gezinshereniging en vluchtelingen (zie p. 71 van Bonjours artikel). Deze terminologische keuze verlegt de nadruk van familierelatie naar het moment waarop het gezinslid de statushouder naar Nederland volgt. Nareis kan daarom worden begrepen als een Nederlandse juridische en beleidsmatige aanduiding voor gezinshereniging van familieleden van statushouders.
Het wetgevingsproces
Het nieuwe artikel 29c Vw 2000 bepaalt welke gezinsleden aanspraak kunnen maken op het recht op gezinshereniging. De regering kiest daarbij, binnen de ruimte die artikel 4 van de Gezinsherenigingsrichtlijn biedt, voor het zogenoemde ‘kerngezin’. Volgens het eerste lid van artikel 29c Vw behoren tot het kerngezin de meerderjarige echtgenoot (sub a), het biologische of geadopteerde kind (sub b), de ouders van een alleenstaande minderjarige vreemdeling (amv’er) (sub c) of de minderjarige broer of zus van de amv’er (sub d). Door de wetswijziging komen ongehuwde partners, meerderjarige kinderen en pleegkinderen niet langer in aanmerking voor nareis op grond van de Vreemdelingenwet 2000.
De regering verantwoordde de wetswijzing in de Memorie van Toelichting (MvT) met het argument dat de nareisbeperking ervoor zorgt dat minder mensen naar Nederland komen en Nederland als bestemmingsland minder aantrekkelijk wordt (p. 6). Daarbij wordt gesteld dat een lagere instroom leidt tot minder druk op de IND en de asielopvang en daarmee ook op huisvesting, zorg en onderwijs (p. 4). Zoals verschillende auteurs eerder al hebben aangekaart, is het niet duidelijk op welke gegevens de minister deze verwachtingen baseert (p. 3188).
Tijdens de consultatieperiode uitten onder andere de Raad voor de rechtspraak (Rvdr) en de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) zorgen over de nareisbeperking. Volgens de Rvdr worden de drempels voor gezinsleden – bijvoorbeeld ongehuwde partners en partners die niet mogen trouwen in het land van herkomst – verhoogd. De NOvA benadrukte dat de nareisbeperking voor ongehuwden tegen de huidige tijdsgeest ingaat (p. 9). In reactie hierop stelde de regering dat gezinsleden een beroep kunnen doen op het recht op familie- en gezinsleven uit artikel 8 EVRM (p. 21). Daarmee blijft echter onzeker of met de beoogde beperking het wetgevingsdoel, namelijk grip op migratie en minder instroom, wordt bereikt. Een definitief antwoord hierop is nog niet te geven, maar zowel de Rvdr (p. 6) als de NOvA (p. 6) voorzien dat de nareisbeperking zal leiden tot een groter aantal beroepszaken bij de rechtbanken over artikel 8 EVRM. Bovendien noemt de Rvdr deze toets complexer dan de nareistoets, nu het een afweging vereist van de individuele omstandigheden van het geval tegen het belang van de Nederlandse Staat (p. 6).
Het kerngezin?
De kanttekeningen bij het wetgevingsproces brengen ons vervolgens bij de kern van het nieuwe wetsartikel: de keuze om gezinshereniging te beperken tot het kerngezin. Maar wat is een kerngezin eigenlijk? En is dit begrip wel zo vanzelfsprekend als de wetgever doet voorkomen?
Het begrip kerngezin (nuclear family) is geen neutrale beschrijving van een bestaande sociale werkelijkheid, maar een cultureel en juridisch concept dat bepaalt welke relaties voor gezinshereniging relevant worden geacht. Zoals Leijten uiteenzet, dient het begrip mede om de reikwijdte van gezinshereniging af te bakenen. Het wetsartikel sluit, binnen de ruimte die de Gezinsherenigingsrichtlijn biedt, aan bij het traditionele gezinsideaal van een huwelijk en minderjarige kinderen. Leijten benadrukt echter ook, onder verwijzing naar het boek de Mythe van het gezin van Lotte Houwink ten Cate, dat beargumenteerd kan worden dat dit gezinsideaal niet meer volledig past bij de diverse manieren waarop we samenleven.
Bonjour en Diepenmaat laten zien dat familie in het migratierecht niet als een vanzelfsprekend gegeven wordt behandeld. Welke relaties als gezinsband worden erkend, is mede afhankelijk van de wijze waarop de staat het begrip familie juridisch afbakent. Daarbij onderscheiden zij ‘familie als formeel-juridische status’ (family-as-being) en ‘familie als relationele en zorgpraktijk’ (family-as-doing) (p. 538-541). Vanuit dat perspectief vallen feitelijke gezinsrelaties niet altijd samen met de wettelijke categorieën die artikel 29c Vw 2000 hanteert voor gezinshereniging. In de huidige maatschappij bestaan meer gezinsvormen, waaronder duurzame partnerrelaties en familieverbanden waarin andere familieleden een centrale verzorgende rol vervullen. Daardoor vallen bepaalde gezinsvormen nu buiten het toepassingsbereik van artikel 29c Vw 2000. Zo komen ongehuwde partners, waaronder homoseksuele stellen uit landen waar zij niet mogen trouwen, niet langer in aanmerking voor nareis en zijn zij aangewezen op de individuele toets aan artikel 8 EVRM. Hierin schuilt een uitdaging voor juristen: een juridisch begrip moet afgebakend en werkbaar zijn, maar tegelijkertijd ook aansluiten bij de maatschappelijke werkelijkheid. Juist omdat gezinsvormen diverser zijn geworden, kan worden betwijfeld of artikel 29c Vw 2000 nog voldoende aansluit bij de maatschappelijke werkelijkheid.
Daarmee rijst de vraag hoe deze verschuiving zich verhoudt tot het oorspronkelijke doel van gezinshereniging: het beschermen van de eenheid van het gezin. Ook de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) heeft in haar uitvoeringstoets gewezen op juridische kwetsbaarheden. Die zien op ongehuwde partners, personen die in het land van herkomst niet erkend kunnen trouwen en situaties waarin een afwijzing niet volledig wordt getoetst aan artikel 8 EVRM (p. 36-37 van de uitvoeringstoets). Deze juridische kwetsbaarheden raken niet alleen het recht op gezinsleven, maar kunnen in sommige gevallen spanning opleveren met het recht op gelijke behandeling.
Zoals de Afdeling Advisering van de Raad van State al opmerkte in haar eerste advies, kan de nareisbeperking tot het ‘kerngezin’ discriminatoire gevolgen hebben, bijvoorbeeld wanneer “vreemdelingen wegens hun geaardheid niet mogen trouwen in hun land van herkomst” (p. 22). De Afdeling Advisering heeft nadien opnieuw verzocht te verduidelijken hoe de beperking zich verhoudt tot het verbod op discriminatie (p. 51). Ook de Tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing adviseerde de regering om uit te leggen hoe het recht op gelijke behandeling zich verhoudt tot de nareisbeperking (p. 5). De regering gaf in haar reactie aan dat “zij ervan uit mag gaan dat het optimaal benutten van de ruimte die de Gezinsherenigingsrichtlijn biedt, niet in strijd komt met artikel 14 van het EVRM (red.: verbod van discriminatie) of artikel 21 van het Handvest van de Grondrechten van de EU (red.: non-discriminatie)” (p. 23).
Hoewel het Unierechtelijk kader ruimte biedt voor de nareisbeperking tot het kerngezin, bestaat het risico dat de uitsluiting van bepaalde gezinsleden juist kan leiden tot meer procedures op grond van artikel 8 EVRM. In dat geval wordt gezinsmigratie niet zozeer beperkt, maar verschuift de beoordeling van gezinshereniging van de nareisregeling naar de complexere individuele belangenafweging uit artikel 8 EVRM.
Afsluitende overdenking
Het nieuwe artikel 29c Vw 2000 beoogt duidelijkheid te scheppen door gezinshereniging te beperken tot het kerngezin. Het wetsartikel sluit daarmee aan bij de ambitie van de afgelopen kabinetten om meer grip op migratie te krijgen en de instroom te beperken. Juist daardoor kan worden betwijfeld of de bepaling gezinsmigratie daadwerkelijk beter beheersbaar maakt, of vooral leidt tot extra juridische procedures over de vraag welke personen als gezinslid kwalificeren. Zoals in de inleiding al zichtbaar werd in het spanningsveld tussen politieke beeldvorming en juridische realiteit rond “nareis”, laat ook deze bepaling zien dat het recht leeft: de betekenis ervan wordt uiteindelijk niet uitsluitend door de wetgever bepaald, maar krijgt vorm in de toepassing in concrete gevallen en in rechterlijke toetsing. Daarmee kan worden geconcludeerd dat artikel 29c Vw 2000 vooralsnog een onbemind wetsartikel is.
Reacties