#2: Het bestaansrecht van vogels en vlinders: de intrinsieke waarde van de natuur in artikel 1.3 van de Omgevingswet
Waarom zouden mensen zich inspannen, of zich iets ontzeggen, omwille van vlinders, vleermuizen of veldleeuweriken? De meest fundamentele reden om dat te doen is de overtuiging dat de natuur, in al haar diversiteit, een eigen waarde heeft. Een eigen bestaansrecht. De Omgevingswet, die zich richt op het beschermen en verbeteren van het leefmilieu, doet dit volgens artikel 1.3 van de wet dan ook mede “vanwege de intrinsieke waarde van de natuur”. Deze wettelijke erkenning is bepaald geen kleinigheid, en er is alle reden om artikel 1.3 in het zonnetje te zetten.
Een fundamenteel maar mysterieus begrip
De intrinsieke waarde van de natuur wordt ook in de nationale wetgeving van vele andere landen beleden, alsmede op internationaal niveau. De aanhef van het Verdrag van Bern inzake natuurbehoud in Europa van 1979, bijvoorbeeld, verkondigt de intrinsieke waarde van wilde flora en fauna. Het wereldwijde Biodiversiteitsverdrag uit 1992 trapt af met de erkenning van de intrinsieke waarde van biologische diversiteit, een begrip dat niet alleen soortenrijkdom omvat, maar ook de verscheidenheid aan ecosystemen waarvan al die soorten onderdeel uitmaken en de genetische variatie binnen soorten.
Maar wat wordt nu precies bedoeld met het begrip intrinsieke waarde? Een kernachtige omschrijving is te vinden in het Wereldhandvest voor de Natuur dat in 1982 werd aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties: “Elke levensvorm is uniek en verdient respect ongeacht zijn waarde voor de mens.” Intrinsieke waarde is de tegenpool van instrumentele waarde, zoals de economische waarde van hout of kabeljauw, of de esthetische waarde van een landschap. Zij staat geheel los van de waarde die de natuur heeft voor mensen, en van waarderen door mensen.
Oftewel, als deze intrinsieke waarde van de natuur inderdaad bestaat, dan bestond zij al lang voordat het eerste menselijke document dit erkende, en zal zij onveranderd voortbestaan nadat de laatste mens tot stof is weergekeerd. Intrinsieke waarde is, welbegrepen, dus geen menselijk construct, maar hooguit een ontdekking. Waar deze waarde dan wél vandaan komt is een vraag die niet voor iedereen even gemakkelijk te beantwoorden zal zijn. Dat is uiteindelijk een kwestie van wereldbeeld. Deze fundamentele kwestie parkeren we voor nu, maar belangstellende lezers verwijs ik graag naar een recent artikel hierover in het Journal of International Wildlife Law & Policy of de korte samenvatting ervan in Trouw.
De intrinsieke waarde van de natuur is lange tijd in het geheel niet of slechts mondjesmaat erkend. De redenen die de afgelopen eeuwen voor natuurbescherming zijn aangedragen betroffen vooral de waarde van de natuur voor de mens. Een schoolvoorbeeld is de (titel van de) Convention on the Conservation of Birds Useful to Agriculture uit 1902. Pas in de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw kwam hierin enige verandering. Intrinsieke waarde is weliswaar expliciet erkend in de zojuist aangehaalde preambules van het Verdrag van Bern en het Biodiversiteitsverdrag, maar wel naast een lange rij van instrumentele (en relationele) waarden waarbij de mens centraal staat, zoals economische, sociale, culturele, recreatieve, wetenschappelijke en esthetische waarde. In de meeste andere natuurbeschermingsverdragen wordt de intrinsieke waarde van de natuur in het geheel niet genoemd, en dat geldt eveneens voor EU-natuurwetgeving zoals de Habitatrichtlijn en de Natuurherstelverordening.
Eigenbelang ineffectief als drijfveer voor natuurbehoud
Hoe erg is het dat de intrinsieke waarde van de natuur ook vandaag de dag nog vaak een ondergeschoven kind is? Het is maar hoe je het bekijkt. Wie een overwegend antropocentrisch wereldbeeld aanhangt, waarin de mens en zijn belangen de doorslag geven, zal met de huidige stand van zaken weinig problemen hebben. Natuurbescherming is dan gerechtvaardigd voor zover dit nodig of gewenst is voor het bevredigen van menselijke behoeften. Wie wel geeft om natuur als zodanig, moet echter vaststellen dat het argument van eigenbelang onvoldoende werkt als drijfveer voor het beschermen en herstellen van biodiversiteit.
In algemene zin klopt het natuurlijk dat de mensheid zonder een enigszins functionerende biosfeer geen toekomst heeft. Water, voedsel, grondstoffen, bouwmaterialen, het zijn uiteindelijk allemaal natuurproducten. De natuur levert ‘ecosysteemdiensten’, heet het ook wel, zoals het bestuiven van gewassen, het zuiveren van water en het vastleggen van koolstof. Daarnaast kun je van natuurschoon genieten en is het in natuurgebieden prettig recreëren. Een groene omgeving blijkt de mentale gezondheid ten goede te komen. Ook uitgedrukt in keiharde euro’s vallen de maatschappelijke kosten van investeren in het behoud en herstel van ecosystemen in het niet bij de baten, en bij de schade die het gevolg is van niets doen. Aldus bijvoorbeeld ook de ‘impact assessment’ inzake de EU-Natuurherstelverordening die in 2024 door Berenschot en Arcadis werd opgesteld in opdracht van de minister van Natuur en Stikstof.
Toch heeft een groot deel van de wilde flora en fauna bijzonder weinig aan het argument van menselijk eigenbelang. Vele soorten kunnen door de mensheid prima worden gemist, al dan niet als kiespijn. Ook uit Nederland zijn inmiddels talloze planten en dieren verdwenen zonder schokkende gevolgen voor de mens. Sommige werden als lastig of overbodig naar de uitgang verwezen, onder het motto ‘opgeruimd staat netjes’. Andere soorten verdwenen stilletjes, als bijkomend effect van menselijke activiteiten – hun aanwezigheid en vervolgens afwezigheid nauwelijks opgemerkt.
Vele honderdduizenden jaren werden de Lage Landen bewoond door diverse soorten olifanten en neushoorns, totdat die in het late Pleistoceen samen met tientallen andere grote zoogdieren door onze verre voorouders naar de eeuwige jachtvelden werden geholpen. Het was een vroeg begin van een trend die tot op heden niet meer is gestopt. In de middeleeuwen bijvoorbeeld verdwenen bruine beer, eland en kroeskoppelikaan uit onze regionen. In de voorbije eeuw volgden onder andere het zonnetjesbaardmos en de schitterende moerasparelmoervlinder. Inmiddels staan ook ‘gewone’ soorten onder druk, zoals veldleeuwerik, grutto en dagvlinders als groot koolwitje en bruin zandoogje. Zelfs de algehele insectenstand is aan het kelderen. Op weinig plaatsen ter wereld is de biodiversiteit zo uitgemergeld als in Nederland anno nu. Nochtans lijken onze middenstand en levensverwachting daar niet onder te lijden, en de sfeer op Lowlands evenmin.
Eigenbelang als drijfveer ook moreel dubieus
Dat er recentelijk, tegen het tij in, ook enkele verdwenen soorten in het Nederlandse landschap zijn teruggekeerd – zoals kraanvogel, zeearend, oehoe en otter – is niet primair te danken aan hun nut voor de mens. Het is vooral een reflectie van de toegenomen erkenning van de intrinsieke waarde van natuur. Ook de thuiskomst van de wolf werd bepaald niet gedreven door het argument van menselijk eigenbelang.
Het gewicht van de intrinsieke waarde van de natuur, althans ons besef daarvan, is de afgelopen decennia behoorlijk toegenomen als gevolg van voortschrijdend wetenschappelijk inzicht in de aard van onze niet-menselijke buren. Het gedierte des velds, het gevogelte des hemels en de vissen der zee blijken geen gevoelloze, voorgeprogrammeerde robots te zijn, maar het nodige gemeen te hebben met de mens. Ook zij zijn behept met gevoelens en herinneringen, verlangens en angsten, en individuele karakters en eigenaardigheden. Daar wist u wellicht al iets van dankzij wijlen Jane Goodall of Frans de Waal. Misschien ook heeft u in een recente bestseller gelezen over de nieuwsgierigheid van hazen, of bijgeleerd over gruttotaal en lepelaarvriendschap dankzij het boek ‘Wondervogels’.
De exponentieel groeiende stapels wetenschappelijke studies en boeken over deze thematiek laten overtuigend zien dat veel andere wezens weliswaar anders zijn dan mensen, maar ten diepste net zo goed personen. Al die personen en persoontjes zijn niet minder druk met hun eigen zaken dan wij met de onze, zo constateerde John Muir, de grondlegger van de Amerikaanse nationale parken, al. “Everything is really everyone,” zo vatte James Bridle het onlangs samen. Ook Henry Beston had een punt toen hij een eeuw geleden schreef dat al die niet-menselijke soorten, welbeschouwd, andere volkeren zijn. Die volkeren leven met elkaar en door elkaar heen in complexe, diverse, wonderlijke samenlevingen die we ecosystemen noemen.
Ook in moreel opzicht schieten instrumentele en relationele argumenten dus duidelijk tekort om de waarde van de natuur te duiden. Wie de positie van de vrouw wil verbeteren doet dat in de regel ook niet door te wijzen op haar grote nut voor de man, haar schoonheid, of de betekenisvolle relaties die mannen met vrouwen kunnen aangaan. Zelfs als bijkomende argumenten zijn die aspecten eerder schofferend dan behulpzaam. Het begint langzaam te dagen dat dit voor niet-menselijke personen en collectieven niet radicaal anders ligt.
Huidige inzichten vragen erom de natuur te zien als volwaardig ander, of optelsom van volwaardige anderen. Dat is wat het erkennen van intrinsieke waarde behelst. Antropocentrische wereldbeelden worden zo steeds lastiger te verdedigen.
Grote gevolgen en grote vragen
De potentiële praktische gevolgen van dit dagende inzicht zijn niet voor de poes. Het kan derhalve verleidelijk zijn om ervan weg te kijken, de kop in het zand te steken en zo lang mogelijk volle kracht vooruit te gaan – of achteruit, het is maar hoe je het bekijkt – met business-as-usual. Dat is niet de benadering van de Omgevingswet. Die zegt in artikel 1.3 dat alles wat onder de vlag van deze wet aan behoud, verbetering en herstel van de fysieke leefomgeving geschiedt, mede gebeurt met het oog op het eigen bestaansrecht, de intrinsieke waarde, van de natuur.
Dat deze erkenning van intrinsieke waarde in de Omgevingswet geen triviale kwestie is, zal hopelijk duidelijk zijn. Of die erkenning afdoende is om er daadwerkelijk voor te zorgen dat aan de intrinsieke waarde van de natuur ook in de praktijk voldoende betekenis wordt toegekend, is een andere vraag. Afgaand op de staat van de natuur en op het geringe belang dat doorgaans aan de natuur wordt toegekend in overheidsbeleid en concrete besluitvorming, luidt het antwoord op die vraag ontkennend.
Klaarblijkelijk is de Nederlandse rechtsstaat nog niet zodanig toegerust dan wel ingericht dat ook de stemmen van niet-menselijke medelanders het gewicht krijgen dat ze verdienen. Daar is nog veel belangrijk werk te verzetten, en met het oog op de feiten is dit een klus van het urgente soort. Uiteenlopende kwesties vragen hierbij om aandacht. Bijvoorbeeld, wat (of wie) zijn precies de dragers van intrinsieke waarde? Zijn dat collectieven als populaties, soorten en ecosystemen, of juist (ook) individuele organismen, net als bij gehouden dieren? Wat die laatste betreft wordt intrinsieke waarde in artikel 1.3 van de Wet dieren omschreven als “de eigen waarde van dieren”, waarmee “ten volle rekening gehouden” dient te worden. Wanneer dat ook voor wilde dieren zou gelden, wat is dan de aangewezen weg bij een botsing van belangen tussen een individu en het overkoepelende ecologische collectief? En hoe dienen belangen van verschillende soorten – inclusief de mens – tegen elkaar te worden afgewogen?
Wolven die van zichzelf zijn?
Een andere grote en veel besproken vraag is, ten slotte, of we het sowieso kunnen redden met het klassieke natuurbeschermingsrecht, oftewel met menselijke verplichtingen ten aanzien van de natuur. In theorie lijkt er weinig te zijn dat niet op deze wijze bereikt zou kunnen worden. Sterker nog, wanneer ‘simpelweg’ het nu geldende internationale, Europese en nationale natuurbeschermingsrecht van harte zou worden uitgevoerd, zouden we grotendeels uit de brand zijn. Dan zou de natuur veel meer de ruimte krijgen, zouden drukfactoren – vermesting, verdroging, vervuiling, versnippering, verstoring – effectief worden aangepakt, en zou ambitieus worden geïnvesteerd in het herstellen van ecosystemen naar iets wat in de buurt komt van hun volle glorie.
Hoe fraai zou het zijn als deze weg van morele plichten, vertaald in juridische verplichtingen, inderdaad te goeder trouw zou worden bewandeld. Als zodanig lijkt die route meer dan geschikt om recht te doen aan de intrinsieke waarde van wadden, wulpen en wolven. Ook conceptueel en breder bezien lijkt een maatschappij waarin mensen primair worden gedreven door eigen plichtsbesef richting de ander, te verkiezen boven een wereld waarin het vooral draait om het opkomen voor eigen rechten. Het lijkt me er in ieder geval stukken gezelliger.
Maar als we eenmaal leven in een wereld van rechten – en dat doen we – dan is er veel voor te zeggen om die rechten niet te beperken tot mensen en menselijke maaksels zoals bedrijven. In het licht van de hierboven besproken inzichten is de krachtige en groeiende beweging die zich richt op het wettelijk erkennen en verankeren van ‘rechten van de natuur’ een logisch fenomeen. Ook daar vragen te over wat betreft het praktische hoe en wat, maar net als bij mensenrechten hoeven die vragen niet in de weg te staan aan het doorhakken van de knoop zelf. Dat blijkt wel uit de ontwikkelingen in het buitenland, waar rechten van de natuur al op allerhande manieren en niveaus handen en voeten hebben gekregen. Ook in Nederland schieten her en der initiatieven uit de grond. Zo zijn er inmiddels bomen en bossen die ‘van zichzelf’ zijn.
Kortom, enerzijds is de erkenning van de intrinsieke waarde van de natuur in artikel 1.3 van de Omgevingswet een cruciale stap. Anderzijds lijkt er veel voor te zeggen om de positie van niet-menselijke Nederlanders en de wonderlijke gemeenschappen waarin zij samenleven nog veel beter in de wet en wellicht de Grondwet, te verankeren. Zeker ook voor juristen ligt hier een schone taak.
Reacties