Terug naar overzicht

Zomerreeks Bijzondere juristen #4: Wie durft? Over de moed van Abel J. Herzberg (1893-1989) en Lodewijk E. Visser (1871-1942)


De ingrediënten, nodig voor het bestaan van een (democratische) rechtsstaat, kennen we allemaal wel, al lopen de gegeven omschrijvingen soms wat uiteen. Ik zou die kenmerken als volgt willen karakteriseren: een staatsstructuur op basis van de Trias Politica op democratische grondslag – ik laat nu even daar wat voor dit laatste precies nodig is –, erkenning van de rule of law, het waarborgen van fundamentele rechten en het bestaan van onafhankelijke rechtspraak. Maar is dat ook voldoende?

We kunnen het erover eens zijn dat de aanwezigheid van een constitutie die al deze kenmerken heeft, niet volstaat. Papier is immers geduldig. De geschiedenis, maar ook het heden, leren dat ook onder een grondwet die aan al deze vereisten voldoet, een staat alle of vele trekken kan vertonen van een autocratie. Wie zou Rusland (nog) als een rechtsstaat willen betitelen? En zijn de rechtsstatelijke kenmerken van Hongarije en Polen niet aan het afbrokkelen?

Met een variant op de bekende zegswijze kan worden gezegd: de rechtsstaat komt te voet en gaat te paard. De opbouw van een rechtsstaat kost tijd – de Westerse democratieën hebben er eeuwen over gedaan – en inspanning, terwijl het bouwwerk in zeer korte tijd tot de grond toe kan worden afgebroken, ook door toedoen van de democratie zelve, met als een van de meest pregnante voorbeelden de Duitse verkiezingen van januari 1933 en wat daarop is gevolgd.

De rechtsstaat heeft daarom vastberaden verdedigers nodig. Vooral wanneer er zwaar weer op komst is.

Tijdens de hevigste storm die de rechtsstaten in Europa heeft getroffen, de storm die in 1933 opstak en zich tussen 1942 en 1945 heeft ontwikkeld tot een orkaan die alles op zijn weg verwoestte, waren er gelukkig sterke karakters die de vlam nooit geheel lieten doven. Ik noem hier twee van hen, die, elk op zijn eigen wijze, de beginselen van de rechtsstaat hebben weten hoog te houden.

In de eerste plaats mr. Abel J. Herzberg (1893-1989), die met zijn echtgenote via Westerbork medio januari 1944 naar concentratiekamp Bergen-Belsen gedeporteerd was, van waaruit hij, met enkele duizenden anderen, op 10 april 1945 door de nazi’s per trein is geëvacueerd om op 23 april, na een helse reis, door de Russen nabij Tröbitz (gelegen in de driehoek Berlijn-Leipzig-Dresden) te worden bevrijd. Herzberg heeft zich grote faam verworven met de, al in 1946, verschenen bundel van enkele opstellen over zijn ervaringen in Bergen-Belsen, getiteld Amor Fati, en met de uitgebreidere herinneringen aan die kamptijd in Tweestromenland, verschenen in 1950. Hij toont zich daarin, en dat nog wel zo kort na de letterlijk onbeschrijfelijke ervaringen, een welhaast bovenmenselijk objectief en nuchter waarnemer met haarscherpe analyses van zijn lotgenoten en van zijn beulen.

Maar waar het mij hier om gaat, is zijn beschrijving van een fenomeen in het kamp waarover men met verbijstering en bewondering leest en waarvan Hans Goedkoop in zijn indringende 4-meilezing van dit jaar ook gewag maakte. In beide boeken beschrijft hij hoe de gevangenen een systeem van rechtspleging in het leven hadden geroepen. In die hel van volslagen onrecht, ontmenselijking, honger, dorst, tyfus en dood, te midden van stof, modder en, naarmate de tijd verstreek, onvoorstelbare overbevolking, besloten enkele, juridisch geschoolde, gevangenen een rechtbank (de ‘Rechtskommission’) in het leven te roepen ter berechting van medegevangenen die zich bijvoorbeeld aan het schaarse, letterlijk van levensbelang zijnde, voedsel van anderen hadden vergrepen. Er werden in het openbaar zittingen gehouden en ook straffen opgelegd: detentie in de ‘Bünker’, een cel om een gevangene gevangen te zetten. De rechtbank velde vonnissen die niet meer waren dan adviezen aan de ‘Lagerälteste’, die daadwerkelijk straffen kon opleggen. Niet dat iemand de illusie had dat daarmee blijvend een halt zou kunnen worden toegeroepen aan de in wanhoop en uit lijfsbehoud gepleegde misdrijven. Maar, zo vertelt Herzberg, acht, tien, twaalf dagen na zo’n uitspraak werd er geen enkele diefstal gemeld. Waarna het lieve leventje van voren af aan begon. De werkelijke betekenis van het bestaan van deze rechtspraak was intussen dat er tenminste ergens in de absolute rechteloosheid van de wereld van het kamp “praktisch naar Recht en niets dan Recht werd gezocht en Recht en niets dan Recht werd toegepast”. “Wij hadden uit de verloren vrijheid het gevoel meegebracht de dragers te zijn van een beschavingsfactor, die juist onder de meest barbaarse omstandigheden en juist temidden der mensen, die vochten om een lepel soep, gehandhaafd worden moest.”

Het andere licht in de duisternis dat ik hier wil noemen is mr. Lodewijk E. Visser (1871-1942). Deze briljante jurist was in 1915, slechts 43 jaar oud, benoemd tot raadsheer in de Hoge Raad, waarvan hij in 1933 vicepresident was geworden en in juni 1939 benoemd tot president, de eerste jood in die functie. Dat was de bezetter een jaar later uiteraard een doorn ik het oog. Nadat Visser in november 1940 ‘uit de waarneming van zijn functie was ontheven’, is hij per 1 maart 1941 door de Reichskommissar ontslagen.

Hij bleef zich in de vijftien maanden die hem, na zijn gedwongen defungeren, restten tot hij, op 17 februari 1942, aan een hersenbloeding bezweek, met grote moed en volharding inzetten voor de belangen van de steeds verder in het nauw gedreven Joodse burgers. Hij deed dit als voorzitter van de begin 1941 vanuit de Joodse gemeenschap opgerichte Joodse Coördinatie Commissie, die tien maanden later door de bezetter werd opgeheven, ten gunste van de door de Duitsers ingestelde Joodse Raad. Visser heeft ook het werk voor de JCC beginselvast uitgevoerd, bijvoorbeeld door nooit rechtstreeks contact met de Duitse bezetter te onderhouden, maar uitsluitend met Nederlandse ambtenaren.

In de laatste weken van zijn leven heeft Visser zijn vertrouwen in de rechtsstaat op monumentale wijze tot uitdrukking gebracht door te beschrijven hoe hij zich het naoorlogs rechtsherstel voorstelde. Stelt je voor: de wederrechtelijk ontslagen, 70-jarige, joodse president van de Hoge Raad, zuchtend onder de terreur van een destijds onoverwinnelijk lijkende bezetter, die met hem en zijn lotgenoten het ergste voorheeft, een man dus zonder enig perspectief op een waardige en rustige levensavond, laat staan op het herstel van de rechtsstaat, noteert kort voor zijn overlijden hoe de ontrechting van met name het joodse volksdeel na die bezetting ongedaan zou moeten worden gemaakt. Wat een optimisme, wat een vertrouwen in het herstel van de rechtsstaat!

Herzberg en Visser – zij leren ons dat tot de onmisbare ingrediënten van de rechtsstaat ook behoren: geloof in de alles overheersende rol van het recht en de moed en vastberadenheid het recht te laten zegevieren.

Over de auteurs

Ernst J. Numann

Ernst J. Numann is voormalig vicepresident van de Hoge Raad der Nederlanden

Reacties

Andere blogs uit deze reeks
Bijzondere juristen
Lawrence M. Friedman: een (te?) vrolijke rechtswetenschapper
Bijzondere juristen
P.J. Oud: constitutioneel denker én doener
Bijzondere juristen
Zomerreeks Bijzondere juristen #8: Ernst-Wolfgang Böckenförde, Carl Schmitt en het waagstuk van de democratie
Bijzondere juristen
Zomerreeks Bijzondere juristen #7: Ben Telders – geslappt avant la lettre
Bijzondere juristen
Zomerreeks Bijzondere juristen #6: Paul Scholten en het geweten van de rechter
Bijzondere juristen
Zomerreeks Bijzondere juristen #5: Chief Justice Marshall: De ‘founding father’ van constitutionele toetsing
Bijzondere juristen
Zomerreeks Bijzondere juristen #3: ‘When there are nine’: Ruth Bader Ginsburg en de ‘least dangerous branch’
Bijzondere juristen
Zomerreeks Bijzondere juristen #2: Yoram Hazony (1964-). Over conservatieve en liberale democratie
Bijzondere juristen
Zomerreeks Bijzondere juristen #1: De fossiele industrie moet eraan gehouden worden correcte en volledige informatie te verstrekken over de oorzaken van global warming