Terug naar overzicht

Rechtsstatelijkheid begint waar het ongemakkelijk wordt. Reactie op het pleidooi voor een rechtsstatelijk weerbare advocatuur


Iris van Domselaar pleitte onlangs pleitte onlangs voor het opnemen van rechtsstatelijkheid als zesde kernwaarde van de advocatuur. Dat pleidooi juich ik toe. Sterker: het is laat, maar niet te laat. De advocaat is geen gewone juridische dienstverlener. Hij heeft een publieke functie, juist omdat hij partijdig is. Zijn onafhankelijkheid, geheimhouding en procesvrijheid zijn geen privileges voor de beroepsgroep, maar waarborgen voor de burger.

Dat Van Domselaar juist Louis Brandeis noemt, raakt mij persoonlijk. Ik ben als partner verbonden aan bureau Brandeis. Brandeis, de people’s lawyer, herinnert eraan dat het recht niet is ontworpen om instituties comfortabel te houden. Het recht is er om burgers te beschermen, vooral wanneer zij tegenover macht staan. Een naam op de gevel betekent niets als zij niet zichtbaar wordt in houding, taal en handelen.

Van Domselaars scherpste observatie is wat mij betreft niet haar voorstel om rechtsstatelijkheid in de gedragsregels op te nemen, maar haar diagnose van de blinde vlek daaronder. De advocatuur kijkt voor rechtsstatelijke dreiging vrijwel altijd naar de Staat, en zoekt de oplossing daar ook, aldus Van Domselaar. Zij wijst er terecht op dat de advocatuur, als professionele waakhond van de rechtsstaat, daarmee één centrale actor over het hoofd dreigt te zien: zichzelf.

Die zelfkritiek wil ik uitbreiden. Want als wij onszelf eerlijk in de ogen kijken, mogen wij ook eerlijk zijn over wat wij in de ogen van anderen zien. Rechtsstatelijkheid is niet iets wat alleen advocaten zich behoren aan te trekken, en niet iets wat alleen bij de Staat als geheel speelt. Iedere togadrager zou zich bij zijn handelen moeten afvragen of het bijdraagt aan rechtsstatelijkheid. Is het antwoord nee, dan moet hij het niet doen.

Rechtsstatelijkheid is ook de toon waarop een voorzitter een moeder aanspreekt in een artikel 12-procedure. Zij is de vraag die een rechter stelt aan een vrouw die doodsangsten heeft. Zij is de houding van een advocaat die een slachtoffer in een zedenzaak ondervraagt.

De rechtsstaat verdwijnt zelden in één dramatisch moment. Veel vaker erodeert zij in kleine zinnen.

Wat is nou eigenlijk uw belang om dit door te zetten?

Het was niet fraai.

U moet leren met uw angstgevoelens om te gaan.

Als u nu eens niet over kinderalimentatie en uw nieuwe partner spreekt, dan kunnen de kinderen toch wel weer naar vader?

Zulke zinnen zijn niet alleen ongelukkig. Zij verraden een blikrichting. Wie wordt bevraagd? Wie moet zich verklaren? Wie moet zich beheersen? Wie moet begrip opbrengen? En wie verdwijnt ondertussen uit beeld?

Blikrichting bepaalt of een burger zich erkend voelt. En erkenning is niet hetzelfde als geloven en evenmin hetzelfde als bewijzen. Het is een derde grootheid, die in onze juridische cultuur onderbelicht blijft: de erkenning dat wat iemand vertelt serieus wordt genomen, dat de procedure haar of hem niet bij voorbaat wegzet, dat het instituut zijn eigen verantwoordelijkheid voelt.

Erkenning hoeft niet te wachten op een juridisch oordeel. Zij kan er al zijn in de toon van een eerste gesprek bij de politie, in de opstelling van het Openbaar Ministerie, in de vragen die een rechter stelt, in de manier waarop een advocaat zijn cliënt — of de wederpartij — bejegent. En zij kan er ook ontbreken, op precies dezelfde plekken. De drie zaken die hieronder volgen — alle uit mijn eigen praktijk —, gaan ieder niet over een falende bewijswaardering of verkeerde uitkomst. Zij gaan over erkenning die uitbleef.

 

De eerste zaak: een sepot, een zitting en een vraag die niet had mogen worden gesteld

In een artikel 12-procedure speelde het beklag van een moeder van twee jonge kinderen tegen de sepotbeslissing van het Openbaar Ministerie in een onderzoek naar seksueel misbruik. Beide kinderen hadden daarover gesproken, niet alleen tegen hun moeder maar ook in andere contexten. De kinderrechter had de kinderen afzonderlijk gesproken. In de civiele procedure werd uiteindelijk ingrijpend beslist: geen fysieke omgang en beëindiging van gezamenlijk gezag. De civiele rechter zag dus voldoende reden om de kinderen in hun veiligheid en ontwikkeling te beschermen.

In de artikel 12-stukken werd namens de moeder aangevoerd dat het dossier ernstige lacunes vertoonde en voor de hand liggende onderzoekshandelingen waren nagelaten: beklaagde was niet als verdachte gehoord, het broertje en de speltherapeut niet als getuigen, en beschikbare gegevensdragers waren niet onderzocht.

Dat is geen detailkritiek. Dat raakt de kern van de rechtsstaat. Niet iedere verdenking hoeft tot vervolging te leiden, maar ernstige signalen — zeker over mogelijk seksueel misbruik — moeten wel zorgvuldig worden onderzocht. Niet omdat de verdachte minder rechten heeft, maar omdat het recht op een eerlijk proces ook betekent dat de waarheid niet bij voorbaat wordt opgegeven.

Internationale verplichtingen — onder meer uit de Verdragen van Istanbul en Lanzarote en uit het EVRM — vragen om serieus, effectief en grondig onderzoek naar meldingen van seksueel misbruik. Een sepot staat op gespannen voet met die verplichtingen wanneer het dossier onbenutte aanknopingspunten voor nader onderzoek bevat.

Beslissingen op een artikel 12-klacht worden weliswaar meervoudig genomen, maar de zitting wordt steeds vaker door slechts één raadsheer behandeld. De andere beslissers zien klager dan niet en moeten afgaan op wat hun collega ervan vindt. Het onmiddellijkheidsbeginsel — dat ervan uitgaat dat wie beslist ook hoort en ziet — staat met deze praktijk op gespannen voet. Juist daarom komt het in zo’n procedure des te meer aan op de houding van de zittingsraadsheer. Wanneer de enige rechter die de klager ziet en hoort, geen blijk geeft  werkelijk te luisteren, raakt dat niet alleen de beleving van de klager, maar ook het rechtsstatelijk gezag van de procedure.

Een voorbeeld. Aan het eind van de inhoudelijke behandeling van het artikel 12-verzoek vroeg de voorzitter aan de moeder wat nu eigenlijk haar belang was om dit door te zetten.

Die vraag kán technisch bedoeld zijn als procesvraag. Maar taal leeft niet alleen in de bedoeling van wie spreekt; zij landt bij wie haar ontvangt. Bij een moeder die al jaren vraagt om bescherming van haar kinderen, klinkt zo’n vraag niet als neutraliteit. Zij klinkt als een uitnodiging zich te verantwoorden — terwijl het de Staat is die dat zou moeten doen.

De rechtsstatelijke vraag had een andere moeten zijn. Niet: wat is uw belang? Maar: waarom heeft de Staat hier niet beter onderzocht? Niet: waarom zet moeder door? Maar: waarom eindigt een dossier waarin jonge kinderen verklaren, waarin een civiele rechter ingrijpend beslist en waarin uiterst simpele onderzoeksmogelijkheden niet zijn benut, in een sepot zonder dat wezenlijke vragen zijn beantwoord?

Ook de houding van de advocaat-generaal verdient aandacht. Wanneer na een inhoudelijk betoog niet wordt ingegaan op de gestelde concrete tekortkomingen, maar slechts wordt gezegd dat er geen reden is om af te wijken van het standpunt, verwordt de procedure tot een ritueel. Dan is er weliswaar een rechtsgang, maar geen rechtsstatelijke ontmoeting.

 

De tweede zaak: wie de koninlijke weg bewandelt, moet niet worden terugverwezen naar zichzelf

Een vrouw liet een vonnis ten uitvoer leggen via een overheidsdienst die daarvoor bij wet is aangewezen: het LBIO. Zij deed precies wat de rechtsstaat van burgers vraagt. Geen eigenrichting. Geen escalatie. Geen dreiging. Zij gebruikte het instrument waarin de wet voorziet.

Daarna werd zij bedreigd. In de stukken staat dat vader, nadat het LBIO hem had geïnformeerd over loonbeslag, moeder telefonisch onder druk zette en bedreigde. Toen het LBIO vervolgens besloot geen loonbeslag te leggen maar de inning van kinderalimentatie wel op zich te nemen, escaleerde het verder. Er werden doodsbedreigingen geuit richting moeder, haar huidige echtgenoot en de kinderen. Daarbij werd verwezen naar een recent spraakmakend geval waarin een vader zichzelf en zijn kinderen om het leven bracht. Ook was gezegd dat hij zich tot het uiterste getergd voelde en klaar was voor de volgende stap.

Dat is geen omgangsruis of miscommunicatie tussen ex-partners. Dat is dreiging in een context waarin kinderen afhankelijk zijn van volwassenen.

De voorzieningenrechter zag voldoende reden om de omgang voor de duur van een jaar op te schorten. Maar ter zitting gebeurde iets dat vanuit rechtsstatelijk perspectief minstens zo belangrijk is als de uitkomst. De man verscheen zonder advocaat. Hij vertelde dat het allemaal niet goed was, maar dat hij emotioneel was omdat het LBIO was ingeschakeld en omdat zijn ex met zijn beste vriend verder was gegaan. Vervolgens richtte de rechter zich tot de vrouw: “als u nu eens niet over kinderalimentatie en uw nieuwe partner meer spreekt, dan kunnen de kinderen toch wel weer naar vader?”

Daar wringt iets fundamenteels. Deze moeder bewandelt de koninklijke weg, wordt daarna bedreigd, en krijgt vervolgens het impliciete verwijt dat de sleutel tot veiligheid in háár gedrag zou liggen.

Toen ik daartegen bezwaar maakte en benoemde dat de rechter zich tot het slachtoffer richtte in plaats van tot de bedreiger, volgde de reactie dat zij toch al had gezegd dat wat de man had gedaan ‘niet fraai’ was.

Niet fraai.

Een doodsbedreiging is niet ‘niet fraai’. Een verwijzing naar een vader die zichzelf en zijn kinderen om het leven bracht, is dat evenmin. Bovendien: een moeder die in doodsangst verkeert terwijl haar kinderen die spanning voelen, bevindt zich niet in een etiquettekwestie. Juist hier moet rechtsstatelijkheid meer zijn dan procedurele correctheid: zij vraagt om morele helderheid in juridische taal.

Wie de-escalatie wil, moet niet doen alsof dreiging een reactie is op gedrag van het slachtoffer dat zij beter had kunnen vermijden. Wie daarop ingrijpt als raadsman, krijgt al snel te horen dat de rechter “in gesprek is met de cliënt”.

Dat ingrijpen is geen rebellie. Dat is precies waarvoor de raadsman er is: het moment waarop tegen cliënte gesproken wordt op een manier die haar tot onderwerp van het verwijt maakt, is het moment waarop de raadsman tussen haar en de rechtbank moet gaan staan. Niet om de rechter te overstemmen, wel om de blikrichting te corrigeren.

 

De derde zaak: mediation met degene voor wie je bang bent

Hetzelfde patroon zie ik in zaken waarin vrouwen die jarenlang zijn mishandeld richting mediation worden geduwd met degene voor wie zij bang zijn. Alsof communicatie het probleem is. Alsof een mediator en twee stoelen tegenover elkaar de machtsverhouding neutraliseren.

In rapportages van instanties duikt soms de gedachte op dat de vrouw moet leren omgaan met haar angstgevoelens. Dat klinkt professioneel. Therapeutisch zelfs. Maar het kan rechtsstatelijk volkomen verkeerd uitpakken. Natuurlijk kunnen angst en trauma behandeling vragen. Maar wanneer een vrouw bang is omdat een man haar heeft mishandeld, bedreigd of dwingend gecontroleerd, begint échte rechtsstatelijke analyse niet bij haar emotieregulatie. Zij begint bij zijn gedrag.

De vraag is dan niet: hoe leert zij met haar angst om te gaan? De vraag is: wat moet hij doen om aantoonbaar veiligheid te creëren?

Dat verschil is niet semantisch. Het is de kern van bescherming. Wie de angst van het slachtoffer centraal stelt zonder het gedrag van de veroorzaker centraal te stellen, psychologiseert onveiligheid. Dan wordt gevaar een beleving. En zodra gevaar een beleving wordt, is het slachtoffer degene met het probleem.

Dat is geen neutraliteit. Dat is het probleem verplaatsen naar degene die bescherming vroeg.

 

Ook de advocatuur moet in deze spiegel kijken

In alle drie de patronen — het onderzoek dat niet werd verricht, de rechter die zich tot het slachtoffer richtte in plaats van tot de bedreiger, en de mediation die de mishandelde vrouw bij haar belager zette — verschuift de blik van de dader of het instituut naar degene die bescherming zocht. Dat is geen toeval. Het is een tendens.

Van Domselaar heeft gelijk dat de advocatuur niet alleen naar buiten moet wijzen. Wij zijn niet slechts hoeders van de rechtsstaat wanneer wij procederen tegen de overheid. Wij kunnen de rechtsstaat ook beschadigen wanneer wij, onder het mom van partijdigheid, bijdragen aan publieke vernedering, victim blaming of het bewust vertroebelen van het onderscheid tussen geloofwaardigheid en bewijsbaarheid.

Recente, in de media breed uitgemeten zedenzaken hebben zichtbaar gemaakt hoe snel het debat ontspoort wanneer bewijsbaarheid en geloofwaardigheid door elkaar gaan lopen. In het strafrecht kan een verklaring oprecht, consistent en geloofwaardig zijn, terwijl het wettelijk bewijsminimum niet wordt gehaald. Omgekeerd kan een rechter pas veroordelen als er voldoende wettig en overtuigend bewijs is. Die bewijsdrempel beschermt de verdachte. Terecht. Maar de manier waarop advocaten, officieren, rechters en media over die drempel spreken, bepaalt mede of een slachtoffer een vrijspraak ervaart als juridisch oordeel of als maatschappelijke beschuldiging. Dat is precies de plek waar erkenning — los van wat het bewijsrecht uiteindelijk toelaat — wel of niet wordt gegeven. Een vrijspraak hoeft niet te ontkennen dat een aangever serieus is genomen; een veroordeling is geen garantie dat dat ook is gebeurd. Het zijn aparte categorieën, en zij verdienen ieder hun eigen zorg.

Een verdachte heeft recht op een krachtige verdediging. Dat recht is niet onderhandelbaar. Maar krachtige verdediging is niet hetzelfde als onnodige karaktermoord. Kritisch toetsen is niet hetzelfde als vernederen. Doorvragen is niet hetzelfde als suggereren dat trauma zich altijd gedraagt als een stenografisch verslag.

Rechtsstatelijke advocatuur vraagt om precisie. De advocaat hoeft niet minder partijdig te zijn. Hij moet wel precies weten wat hij doet: juridisch, menselijk en rechtsstatelijk. Juist de advocaat die het onderscheid tussen geloofwaardigheid en bewijsbaarheid zuiver houdt, dient zowel de verdachte als de rechtspleging.

En precies hier moet ook de advocatuur eerlijk zijn over zichzelf. In zedenzaken zien wij soms een verdedigingsstijl waarin de publieke beschadiging van de aangever onderdeel wordt van de strategie. De geloofwaardigheid van het slachtoffer wordt in twijfel getrokken niet omdat het bewijsrecht dat vergt, maar omdat pers, sociale media en podcasts worden ingezet om het proces buiten de zittingszaal te beïnvloeden — en de aangever beschadigd uit het strijdperk te laten komen, of de strafrechtelijke uitkomst nu volgt of niet. Dat is niet altijd verboden. Maar het is, zeker bij herhaling, niet zonder gevolgen voor de rechtsstaat. Het verhoogt de drempel om aangifte te doen en vergroot het wantrouwen tegen het strafproces.

 

Een ethische infrastructuur is niet alleen iets voor grote kantoren

Daar raakt mijn reactie aan het tweede voorstel van Van Domselaar: een ethische infrastructuur op de werkvloer. Dat is geen modieuze managementterm. Het is de vraag of jonge advocaten, senior advocaten, partners en medewerkers binnen een kantoor de ruimte hebben om ongemakkelijke vragen te stellen. Niet alleen: mogen wij dit juridisch doen? Maar ook: wat doet dit met de rechtspleging? Wat doet dit met kwetsbare mensen? Wat betekent onze proceshouding voor het vertrouwen in het recht?

Een kantoor dat rechtsstatelijkheid serieus neemt, moet die vragen organiseren. In intervisie, opleiding en in dossierbesprekingen. In de manier waarop wordt gesproken over slachtoffers, verdachten, cliënten, wederpartijen, rechters en officieren. De ethische infrastructuur van de advocatuur begint niet bij een complianceprotocol. Zij begint bij de vraag of iemand aan tafel durft te zeggen: moeten wij het zo willen doen?

 

Publieke verantwoording: niet als boetedoening maar als onderhoud

Het derde voorstel van Van Domselaar, meer publieke verantwoording, is eveneens belangrijk. De advocatuur spreekt vaak over de fouten van anderen. Die van de overheid, het OM, rechters, toezichthouders, instellingen. Soms terecht, soms reflexmatig. Alleen wie anderen de rechtsstatelijke maat neemt, moet zelf óók kunnen uitleggen hoe hij met macht omgaat.

Daarbij gaat het niet om het prijsgeven van vertrouwelijkheid of processtrategie. De geheimhoudingsplicht blijft essentieel. Het gaat om zaaksoverstijgende verantwoording. Hoe gaan wij om met slachtoffers? Wanneer wordt stevige verdediging destructief? Hoe voorkomen wij dat het recht wordt gebruikt als pressiemiddel tegen kwetsbare burgers? Hoe zorgen wij dat commerciële druk of reputatiedrang niet sterker wordt dan professionele moed?

Vertrouwen is geen luxe voor de rechtsstaat. Het moet worden verdiend, en daarna onderhouden. Publieke verantwoording is geen boetedoening, maar onderdeel van dat onderhoud. Wordt het vertrouwen beschadigd, dan blijft de procedure weliswaar over, maar met steeds minder gezag.

 

Rechtsstatelijkheeid als kernwaarde voor iedere togadrager

De kernvraag is telkens: waar richt het systeem zijn blik op? Op de moeder die bescherming zoekt, of op het onderzoek dat niet is verricht? Op de vrouw die het LBIO inschakelt, of op de man die haar daarna bedreigt? Op de aangever die geen perfect dossier in haar geheugen heeft, of op de vraag welk steunbewijs beschikbaar is en welk onderzoek nog nodig is?

Rechtsstatelijkheid is niet hetzelfde als vriendelijkheid voor slachtoffers. Zij is ook niet hetzelfde als het gelijkschakelen van slachtofferschap aan doorslaggevend bewijs. De rechtsstaat vraagt juist het tegendeel: bescherming zonder vooringenomenheid, waarheidsvinding zonder vernedering, verdediging zonder ontmenselijking, neutraliteit zonder morele blindheid.

Daarom steun ik het voorstel om rechtsstatelijkheid als kernwaarde toe te voegen aan de advocatuur, maar de rechtsstaat is meer dan alleen de advocatuur. Rechtsstatelijkheid is geen eretitel. Zij is een toets die altijd gehaald moet worden. Een toets is pas iets waard wanneer het handelen van alle betrokkenen — de politie, de deurwaarder, de Raad voor de Kinderbescherming en iedere togadrager die in naam van het recht handelt — daaraan moet voldoen. En wie het antwoord schuldig blijft of concludeert dat de toets niet wordt gehaald, zou de toga misschien niet moeten dragen.

Want zolang de moeder uit de eerste zaak moet uitleggen wát haar belang is, de vrouw uit de tweede zaak te horen krijgt wat zíj beter had kunnen vermijden, en mishandelde vrouwen naar de tafel worden geduwd waar degene voor wie zij vrezen aan de overkant zit, is de vraag niet of de rechtsstaat formeel nog bestaat. Dan is de vraag of hij nog wordt vertrouwd door degenen voor wie hij het hardst nodig is.

En precies daar begint rechtsstatelijkheid: niet waar wij haar plechtig formuleren, maar waar het ongemakkelijk wordt.

Over de auteurs

Richard Korver

Richard Korver is advocaat en partner bij Bureau Brandeis. Hij is medeoprichter en voorzitter van het Landelijk Advocaten Netwerk Gewelds en Zeden Slachtoffers (LANGZS)

Reacties

Recente blogs
Externe dreiging, interne opgave: naar een rechtsstatelijk weerbare advocatuur
Another One Bites the Dust? Britse bestuurscrisis sleept voort: systemische problemen dreigen Whitehall te verlammen
Bouche du magistrat