Zonder nadeel geen claim. Waarom de nieuwste claim op de Koenigscollectie nauwelijks kans maakt
In Nederland is sinds 2001 de Restitutiecommissie werkzaam die verzoeken behandelt met betrekking tot zogeheten nazi-roofkunst. In de afgelopen vijfentwintig jaar heeft deze commissie blijkens haar website ruim 180 verzoeken afgewikkeld. In een groot aantal gevallen constateerde de Restitutiecommissie na onderzoek dat er sprake was geweest van ‘onvrijwillig bezitsverlies’ voor, doorgaans, Joodse eigenaren in verband met de oorlogsomstandigheden en gaf zij het advies de kunstwerken aan de nazaten van de oorspronkelijke eigenaren terug te geven. Deze adviezen zijn steeds overgenomen door de Nederlandse regering, waarna teruggave van de kunstwerken volgde.
Bij de behandeling van teruggaveverzoeken van kunstvoorwerpen die tijdens de Tweede Wereldoorlog werden verloren, ligt de maatschappelijke sympathie – terecht – bij de claimanten. Dat neemt niet weg dat er soms zaken zijn waarbij de context van de zaak tot een negatieve uitkomst voor de aanvragers kan leiden. Ook een dergelijk resultaat is onderdeel van een restitutiebeleid dat belooft eerlijk en rechtvaardig te zijn en, zonder strikt vast te houden aan juridische voorschriften en kaders, recht te doen aan de omstandigheden van het geval.
NRC besteedde recentelijk veel aandacht aan de claim van nazaten van aandeelhouders van de bank Lisser & Rosenkranz op de uiterst waardevolle Koenigscollectie die zich grotendeels in de collectie van Museum Boijmans Van Beuningen bevindt. Volgens sommige experts zou het museum ten onrechte weigeren de zaak aan de Restitutiecommissie voor te leggen. In deze berichtgeving bleef onderbelicht dat het om een betrekkelijk kansloze zaak gaat, omdat de bank Lisser & Rosenkranz destijds niet door de verkoop van de Koenigs-collectie aan D.G. Van Beuningen blijkt te zijn benadeeld.
De niet-joodse Duitse zakenman en kunstverzamelaar Franz Koenigs had begin jaren dertig kapitaal nodig en was daarom een grote lening aangegaan bij de bevriende bank Lisser & Rosenkranz voor een bedrag van, uiteindelijk, ongeveer 1,7 miljoen gulden. Als zekerheid voor deze lening diende zijn kunstcollectie, waarvan de belangrijke verzameling tekeningen zich vanaf 1934 in bruikleen bij het Museum Boijmans bevond. Eind jaren dertig werd duidelijk dat Koenigs zijn schuld bij Lisser & Rosenkranz niet meer kon afbetalen, terwijl de Joodse eigenaren van deze bank vanwege de dreigende oorlog en Jodenvervolging inmiddels overwogen uit Nederland te vertrekken en hun geld uit de bank te halen.
Vanaf 1939 probeerde Franz Koenigs daarom via de kunsthandelaar Jacques Goudstikker zijn collectie te verkopen aan zakenman D.G. van Beuningen, een belangrijke donateur en latere (mede-)naamgever van het museum Boijmans. Dat diende een tweeledig doel. Ten eerste kon uit de opbrengst Koenigs’ schuld aan Lisser & Rosenkranz worden afgelost. Ten tweede zou daarmee Koenigs’ grote wens worden vervuld zijn collectie in een publiekscollectie bij elkaar te houden, bij voorkeur in Rotterdam. Maar Van Beuningen hapte niet meteen toe.
Dat veranderde in april 1940, dus kort voor de Duitse inval. Op 2 april 1940 ging de bank Lisser & Rosenkranz in liquidatie, waardoor de schuld van Koenigs aan de bank direct opeisbaar werd. Koenigs liet het museum weten dat hij de eigendom van zijn ‘verzameling teekeningen, welke ik U destyds in bruikleen heb gegeven’ ter betaling van zijn schuld aan de bank had overgedragen. Onder druk van het acute verlies van deze verzameling voor het museum, kwam Van Beuningen nu wél in beweging.
Na onderhandelingen waarin de bank aangaf, overeenkomstig de wensen van Koenigs, ‘tegenover het museum Boymans wat den prijs betreft de grootst mogelijke tegemoetkoming (te) willen betrachten’, kwam er op 9 april een deal tot stand waarbij Van Beuningen de verzameling tekeningen en nog twaalf schilderijen kocht voor één miljoen gulden. Een aantal schilderijen bleef buiten deze verkoop. Deze werden later nog verkocht, waarbij Koenigs zelf de onderhandelingen voerde. Voor vier schilderijen vond hij – via Goudstikker – twee particuliere kopers, terwijl hij in juni 1940 nog 31 schilderijen verkocht aan de Duitse kunsthandelaar Alois Miedl, voor een bedrag van ongeveer acht ton (zie Ariëtte Dekker e.a., Omstreden Verleden, Rotterdam 2018, p. 55).
Uit de opbrengsten van deze verschillende verkopen kon de volledige schuld van Koenigs aan de bank Lisser & Rosenkranz worden afbetaald. En met de delging van deze schuld vervielen ook de aanspraken van de bank op de kunstcollectie van Koenigs. Een schuldeiser mag zich naar toenmalig en huidig Nederlands recht in principe alleen verhalen op de verkoopopbrengst van het tot zekerheid overgedragen of in pand gegeven goed tot het bedrag dat de schuld beloopt. Met andere woorden, als de totale verkoopopbrengst de hoogte van de schuld te boven gaat, komt het meerdere toe aan de debiteur, in dit geval dus aan Franz Koenigs. Weliswaar had Koenigs, na het opeisbaar worden van zijn schuld, zijn collectie op 2 april 1940 ‘in vollen en vrijen eigendom’ aan de bank overgedragen, zoals ook NRC vermeldt, maar daarbij hadden partijen het beding gemaakt dat het uitsluitend de bedoeling van deze transactie was om de betaling van de schuld van Koenigs aan de bank zeker te stellen en niet om daarmee nog een extra voordeel aan de bank te verschaffen. Mochten de verkoopopbrengsten hoger uitvallen dan de vordering van de bank op Koenigs, dan verplichtte de bank zich jegens Koenigs om het meerdere aan Koenigs af te dragen. Mochten de verkoopopbrengsten lager uitvallen, dan was Koenigs jegens de bank gehouden het restant te betalen door een schilderij te verkopen dat hij zelf nog in bezit had.
Ook het gedrag van partijen na 2 april 1940 maakt duidelijk dat zij de transactie van 2 april op deze manier begrepen. Hoewel op 2 april formeel de eigendom van de collectie aan de bank was overgedragen, kreeg Koenigs van de bank na 2 april nog alle ruimte om bepalende invloed uit te oefenen op de vraag aan wie en voor welke prijs (delen van) de collectie werd (werden) verkocht, en speelde hij ook in de onderhandelingen die daarover plaatsvonden een grote rol. Als het de bedoeling was geweest om de eigendomsoverdracht van de collectie in de plaats te laten komen van het aflossen van Koenigs’ schuld, zou een dergelijke betrokkenheid van Koenigs bij de transacties na 2 april 1940 onbegrijpelijk zijn geweest. De grote bemoeienis van Koenigs bij de verkopen na 2 april laat zien dat de bank niet zelf in de kunstcollectie was geïnteresseerd, die immers volgens de gemaakte afspraak uitsluitend tot zekerheid bleef dienen voor de aflossing van de financiële schuld van Koenigs.
Omdat Lisser & Rosenkranz niet door de transacties in april 1940 blijkt te zijn benadeeld, is er ten opzichte van de bank mijns inziens ook geen sprake van ‘onvrijwillig bezitsverlies’, het criterium dat door de Restitutiecommissie wordt gehanteerd bij de beoordeling van restitutieverzoeken. Als er iemand mogelijk is benadeeld door de verkoop van de tekeningencollectie en enkele schilderijen aan Van Beuningen, is het Franz Koenigs. Koenigs was begin april 1940 bereid flink te zakken met de prijs om de collectie bij elkaar te houden in het Rotterdamse museum, maar Van Beuningen zou een deel van de tekeningen begin 1941 doorverkopen aan de Duitser Hans Posse voor het geplande museum van Hitler in Linz.
De Koenigsclaim is sinds 2003 echter al driemaal door de Restitutiecommissie inhoudelijk behandeld, waarbij alle aspecten en omstandigheden uitvoerig door deskundigen zijn toegelicht en door de commissie zijn meegewogen. Keer op keer luidde het advies van de Restitutiecommissie dat uit de feiten en omstandigheden niet kon worden afgeleid dat van onvrijwillig bezitsverlies sprake was geweest.
In dit licht verbaast het mij niet dat Museum Boijmans Van Beuningen niet meteen bereid is om met de vereffenaar van de – op verzoek van nazaten van aandeelhouders heropgerichte – bank Lisser & Rozenkranz naar de Restitutiecommissie te stappen om deze claim te laten beoordelen en daar veel geld en middelen voor vrij te maken. Omdat de claim juridisch complex is, maar materieel gezien nauwelijks kans maakt, is het begrijpelijk dat het museum nu eerst de uitkomst wil afwachten van de al lopende zaak van Lisser & Rosenkranz over kunstwerken uit de Koenigscollectie die tot de NK-collectie (de collectie van de Nederlandse staat) behoren.
Een sterk verkorte versie van deze bijdrage verscheen op 8 augustus 2026 in NRC
Reacties