Terug naar overzicht

Leren van empirische kennis over de afwikkeling van massaschade


Lekkende borstimplantaten, schade van omwonenden bij Tata Steel en Chemours, een datahack bij Odido; situaties van massaschade zijn onderdeel geworden van onze moderne maatschappij. Ook de overheid kan als partij betrokken raken bij situaties van massaschade: denk aan de aardbevingen in Groningen en de Toeslagenaffaire. Vaak keert de overheid in dit soort situaties financiële tegemoetkomingen uit aan benadeelden – regelmatig ook zonder dat een juridische verplichting daartoe vaststaat. Hierdoor wordt weleens geopperd dat we in een ‘compensatiestaat’ terecht zijn gekomen.

Vanwege de grote aantallen benadeelden speelt bij de afwikkeling van massaschade steeds een spanningsveld tussen efficiëntie en een rechtvaardige uitkomst. Daarbij staan voor gedupeerden, zo weten we inmiddels uit empirisch onderzoek, niet alleen financiële belangen op het spel, maar ook allerlei immateriële belangen en motieven. Ook is (buiten de context van massaschade) onderzoek gedaan naar de ervaringen van schadeveroorzakers. Hieronder belichten wij welke lessen de praktijk van massaschadeclaims kan trekken uit deze empirische inzichten en welke vragen– die ook van betekenis kunnen zijn voor afwikkeling van massaschade door de overheid – nog openstaan.

Claims resolution facilities

De juridische afwikkeling van massaschadezaken is vaak uiterst ingewikkeld en tijdrovend. Via het in het leven roepen van zogenoemde claims resolution facilities wordt geprobeerd de afwikkeling van massaschade in goede banen te leiden. Hier wordt een breed scala aan activiteiten onder verstaan die vergoedingsaanspraken van benadeelden tegen een potentiële financieringsbron (bv. een aansprakelijke partij; een overheid) afhandelen. Voor de Nederlandse context kunnen we onder dit concept allerhande arrangementen brengen die de schade van veel gedupeerden proberen af te wikkelen. Te denken valt aan bestuursrechtelijke tegemoetkomingsregelingen die de overheid uitvaardigt, maar ook aan fondsvorming en private collectieve schikkingsovereenkomsten (al dan niet goedgekeurd door de rechter).

In Amerika waar – vanwege de introductie van de class action in de jaren zestig – ervaring is opgedaan met het afwikkelen van massaschade, staan deze claims resolution facilities al veel langer in de belangstelling. Daar wordt bovendien sinds de jaren negentig door onder meer de hoogleraren Hensler en McGovern opgeroepen tot empirisch onderzoek naar de werking van deze claims resolution facilities. Met name het gebruikersperspectief wordt daarbij expliciet genoemd. Zo geeft Hensler   (https://www.jstor.org/stable/pdf/1191956.pdf?refreqid=fastly-default%3A361d0d6e4df96288ee81fff2813e2b25&ab_segments=&initiator=&acceptTC=1) al in 1990 aan dat het doel van claims resolution facilities is om aan gedupeerde personen compensatie te bieden, maar dat empirisch onderzoek naar de ervaringen van deze benadeelden met de in het kader van een claims resolution facility doorlopen procedure en de tevredenheid over de bereikte uitkomst, ontbreekt. Ook weten we nauwelijks wat schadeveroorzakers drijft om mee te werken aan de inzet van claims resolution facilities en hoe zij deze ervaren. Veel empirische kennis heeft deze oproep nog niet gebracht. Relatief recent, in 2021, herhaalde Hensler om die reden haar oproep tot meer empirisch onderzoek naar claims resolution facilities nog maar eens (https://scholarship.law.duke.edu/cgi/viewcontent.cgi?article=5004&context=lcp)..

Ervaringen van gedupeerden in Nederlandse massaschadepraktijk

In Nederland staat de empirische bestudering van het recht sinds de eeuwwisseling meer in de belangstelling: er wordt wel gesproken over empirical legal studies of – toegespitst op het civiele recht – civilologie. Onder invloed van deze stroming zien we dat er de laatste jaren empirisch onderzoek naar het recht wordt verricht waarin het gebruikersperspectief centraal staat. Wij hebben daar beide een bijdrage aan geleverd. Zo heeft één van ons onderzocht wat de behoeften van benadeelden bij massaschade in de private context zijn en hoe deze benadeelden het arrangement ter afwikkeling van hun schade hebben ervaren. Deze kennis vult een stukje van de leemte die aanleiding gaf tot de oproep van Hensler.

Waar juristen geneigd zijn zich vooral te richten op het bereiken van financiële compensatie voor slachtoffers van massaschade, blijkt uit dit onderzoek dat voor henzelf veel vaker immateriële motieven leidend zijn bij het indienen van een claim. Vaak staat de behoefte aan erkenning en gehoord willen worden voorop, speelt de behoefte iemand ter verantwoording te willen roepen, is informatie over wat er gebeurd is en staat te gebeuren van belang en willen benadeelden voorkomen dat een ander hetzelfde overkomt. Ook financiële compensatie kan een belangrijke behoefte zijn, met name als de financiële bestaanszekerheid bedreigd wordt. In andere situaties is een geldbedrag vooral van symbolische betekenis. Omstandigheden die kenmerkend zijn voor een massaschadecontext – de benadeelde is niet de enige met schade, hetgeen aandacht in de media en maatschappij en van lotgenoten oplevert – kunnen ook bijdragen aan het vervullen van immateriële behoeften. Het feit dat individuele benadeelden een gemiddeld schadebedrag krijgen dat past bij de groep van benadeelden waartoe zij behoren is vaak niet problematisch, juist vanwege de veelal symbolische betekenis die zij eraan toekennen. Het leed is sowieso niet in een geldbedrag te vangen. De wijze van totstandkoming van de verdeelsleutel voor het uitkeren van schadevergoedingen, goede uitleg hierover, hulp bij het indienen van een aanvraag tot een vergoeding en de bewoordingen van een beslissing hierover, zijn des te meer van belang.

Ervaringen van schadeveroorzakers in de Nederlandse (reguliere) letselschadepraktijk

De ander van ons heeft onderzoek gedaan naar het perspectief van de schadeveroorzaker, in zaken van medische en verkeersaansprakelijkheid. Hoewel de schadeveroorzakers in dit onderzoek natuurlijke personen zijn (zorgverleners resp. ongevalsveroorzakers) die in een private context (medische behandeling; deelname aan het verkeer) schade berokkenden aan een of enkele personen, levert het wel bevindingen op die ook interessant zijn voor situaties van massaschade.

Zo kan bij letselveroorzakers bereidheid bestaan om op een of andere manier bij te dragen aan herstel bij de benadeelde. Letselveroorzakers kunnen dus een morele verantwoordelijkheid voelen tegenover de benadeelde. Die kan zich bijvoorbeeld uiten in de bereidheid (of zelfs: behoefte) om excuses aan te bieden, of om vragen te beantwoorden. Tegelijkertijd blijkt dat het moeilijk kan zijn om invulling te geven aan die ervaren verantwoordelijkheid. Zo leeft onder artsen vaak nog de gedachte dat ‘sorry’ zeggen gelijkstaat aan erkenning van aansprakelijkheid. Dat ligt juridisch veel genuanceerder, maar deze (verkeerde) veronderstelling kan een open en transparante communicatie tussen arts en patiënt wel belemmeren. De vrees voor juridische consequenties staat dus in de praktijk vaak op gespannen voet met wat benadeelden uit moreel oogpunt verwachten van een veroorzaker, namelijk dat deze open en proactief verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen en de gevolgen daarvan.

Hier is naar ons idee een parallel te trekken met de context van massaschadeclaims. Uit een interviewstudie door Claeys & Opgenhaffen  https://www.researchgate.net/publication/352397601_Changing_Perspectives_Managerial_and_Legal_Considerations_Regarding_Crisis_Communication naar crisiscommunicatie in het bedrijfsleven, blijkt bijvoorbeeld dat communicatieprofessionals en bedrijfsjuristen van organisaties waarbij zich een crisissituatie voordoet, zich in hun communicatiestrategie (naar het algemene publiek én naar getroffenen) vooral laten leiden door de (veronderstelde) reputationele en juridische belangen van de organisatie. Deze belangen kunnen onderling conflicteren. Waar het uit reputatieoogpunt belangrijk kan zijn om proactief verantwoordelijkheid te nemen en – bijvoorbeeld – excuses aan te bieden, wordt uit juridisch oogpunt gevreesd voor de aansprakelijkheidsrechtelijke consequenties ervan. Met als gevolg dat de bewoordingen in communicatieve uitingen heel zorgvuldig worden gekozen. Soms wellicht zó zorgvuldig dat wat als ‘het aanbieden van excuses’ wordt gepresenteerd, in wezen beperkt is tot een uiting van medeleven en geen uiting is van (juridische) verantwoordelijkheid. Een opvallend detail uit de studie van Claeys & Opgenhaffen: geen van de geïnterviewden maakte melding van ethische afwegingen in de communicatiestrategie, dus van handelen vanuit een ervaren morele verantwoordelijkheid.

Op zoek naar gemeenschappelijke belangen

Wanneer we deze empirische kennis combineren, levert dat het inzicht op dat er in de behoeften van benadeelden (of dit nu in individuele gevallen is, of bij massaschade) en individuele schadeveroorzakers een gemeenschappelijke kern te vinden is: voor benadeelden is – kort gezegd – van belang dat de veroorzaker in woord en daad verantwoordelijkheid neemt voor (de gevolgen van) zijn handelen; bij de schadeveroorzaker kan bereidheid (soms zelfs) behoefte bestaan om het goed te maken en op enigerlei wijze van betekenis te zijn voor de benadeelde. Over hoe deze wisselwerking tussen slachtoffer- en veroorzakerbehoeften precies werkt in de context van massaschadezaken, is nog nauwelijks iets bekend. Meer kennis op dit vlak is voor claims resolution facilities op vele terreinen relevant: voor de private afwikkelingsarrangementen, maar ook voor de tegemoetkomingsregelingen die de overheid uitvaardigt.

Interessant is bijvoorbeeld de vraag of de gemeenschappelijke kern aan behoeften ook aanwezig is als de schadeveroorzakers rechtspersonen zijn, hetgeen vaak het geval is in situaties van massaschade. Voorstelbaar is ook dat de dynamieken en afwegingen die spelen in crisiscommunicatie een rol spelen in de juridische context van afwikkeling van massaschadezaken. Voelt een rechtspersoon (of eigenlijk: voelen de functionarissen van die rechtspersoon) zich wellicht minder betrokken en is het voor een rechtspersoon gemakkelijker verantwoordelijkheid af te schuiven? Nader onderzoek zou moeten aanwijzen hoe (functionarissen van) aansprakelijkgestelde organisaties in die fase omgaan met hun eigen reputationele en juridische belangen. Interessant is vooral ook om te onderzoeken in hoeverre meer ethische afwegingen (‘wat is het juiste om te doen?’) daarin een rol spelen. Zijn schadeveroorzakers zich wel bewust van de immateriële motieven van benadeelden die schuilgaan achter het indienen van een claim? En maakt het hierbij nog verschil of het om een commercieel bedrijf gaat of een overheidsorgaan? Dat is relevant voor de insteek van de vele tegemoetkomingsregelingen die van overheidswege worden opgesteld.

Vragen genoeg om verder onderzoek naar te doen en het gebruikersperspectief van claims resolution facilities invulling te geven. Juist omdat massaschade gepaard gaat met grote aantallen hetgeen de afwikkeling complex maakt, is het des te meer nodig om op zoek te gaan naar onderliggende belangen van betrokken partijen: waar zijn die gemeenschappelijk/complementair en waar ‘bijten’ die elkaar? Deze empirische kennis zal ook de overheid als schadeveroorzaker, verantwoordelijke of betrokken partij helpen bij het vormgeven van compensatiebeleid. Compensatiebeleid dat beter aansluit bij de daadwerkelijke behoeften van benadeelden, dat de overheid laat reflecteren op haar eigen rol en handelen in het ontstaan van schade en waarmee ook aan haar belangen tegemoetgekomen wordt. Op deze manier kan meer empirische kennis daadwerkelijk bijdragen aan herstel van de relatie tussen overheid en benadeelde burgers.

Over de auteurs

Karlijn van Doorn

Karlijn van Doorn, universitair hoofddocent aansprakelijkheidsrecht, Tilburg University

Femke Ruitenbeek-Bart

Femke Ruitenbeek-Bart, hoogleraar privaatrecht i.h.b. aansprakelijkheidsrecht, Vrije Universiteit Amsterdam

Reacties

Recente blogs
Zomerreeks 2026: Beminde en onbeminde wetsartikelen
#5: Artikel 120 Grondwet als voorwerp van aanhoudende discussie
Zomerreeks 2026: Beminde en onbeminde wetsartikelen
#4: Artikel 29c VW 2000 en het kerngezin: juridische afbakening van gezinshereniging
Kabinetsbrief demonstraties: alleen nog demonstreren op het Tweede Malieveld in Noordoost-Groningen?