Klimaatverandering: politiek negeert het recht
Hoewel onze eigen Grondwet zwijgt over klimaatverandering en het sociale grondrecht op bescherming van het leefmilieu van artikel 21 hopeloos verouderd is, bestaat er toch een rechtstatelijke plicht voor de overheid om de burgers te beschermen tegen klimaatverandering. Die plicht volgt uit de artikelen 2 en 8 van het EVRM, respectievelijk het recht op leven en het recht op privacy en gezinsleven. Dat is zowel door de Hoge Raad, in de Urgenda-zaak, als het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, in de KlimaSeniorinnen-zaak, bevestigd. Deze verplichting betreft zowel het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen (mitigatie) als het aanpassen van de samenleving aan het veranderende klimaat (adaptatie). Dat laatste aspect van het klimaatbeleid wordt ook voor Nederland steeds belangrijker zoals deze zomer, met zijn opeenvolgende hittegolven en extreme droogte liet zien. Dat daar nog het nodige werk te verrichten is, bleek eerder dit jaar al, uit de uitspraak van de Rechtbank Den Haag in de Bonaire-zaak. De rechter stelde vast dat de Staat onrechtmatig handelde door onvoldoende tijdige en passende maatregelen te nemen om de inwoners van Bonaire te beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering. Nu de gevolgen van klimaatverandering ook in het Europese deel van Nederland steeds heftiger worden, kan deze uitspraak ook hier juridische consequenties hebben.
De reeks aan hittegolven en de extreme droogte van de zomer van 2026 in Nederland maakten ook nog eens duidelijk dat klimaatverandering onverminderd voortdendert. Het Joint Research Center van de Europese Commissie laat in het laatste rapport uit 2026 over mondiale emissies zien dat deze nog altijd stijgen. Van de grootste uitstoters (China, VS, India, de EU, Rusland en Indonesië, in die volgorde; samen goed voor 50,1% van de wereldbevolking en 62% van de mondiale broeikasgasemissies) dalen alleen de emissies van de EU substantieel.
Als we met deze kennis naar het recht kijken dan kan er zowel een negatieve als een positieve conclusie worden getrokken. De negatieve conclusie betreft de onmacht van het internationale recht. Het VN-Klimaatverdrag is alweer 34 jaar oud en dat verdrag verplichtte staten tot het stabiliseren van broeikasgasemissies. Maar het duurde nog tot het vaststellen van de Overeenkomst van Parijs in 2015, voordat de meeste staten echt werk begonnen te maken van hun klimaatbeleid. Dat gold ook voor Nederland, waar in 2015 nog drie nieuwe kolengestookte energiecentrales werden geopend. De besluitvorming daarover vond plaats ná de ondertekening van het VN-Klimaatverdrag in 1992. Maar ook de naleving van de Overeenkomst van Parijs zit in het slop. Het genoemde rapport van de Europese Commissie laat niet alleen zien dat de mondiale emissies sinds 1990 met 68% zijn gestegen, ook uit een overzicht van de uitstoot per sector van 1970 tot 2025 blijkt bovendien dat voor vrijwel alle sectoren de stijging ook na 2015 onverminderd doorgaat. De alarmerende en aan duidelijkheid niets te wensen overlatende uitspraak van het Internationaal Gerechtshof over de verplichtingen van staten inzake klimaatverandering uit 2025 lijkt staten vooralsnog niet aan te zetten tot extra inspanningen. De conclusie kan niet anders zijn dan dat het internationale recht tot dusver onvoldoende bij machte is gebleken om een bij uitstek internationaal vraagstuk als klimaatverandering aan te pakken.
De positieve conclusie is dat de EU laat zien dat het ook anders kan. Tegenover de 68% stijging van mondiale emissies sinds 1990, staat een daling van 35,6% in de EU. Die daling kan grotendeels worden toegeschreven aan de sterke en brede, georkestreerde, juridische aanpak van klimaatverandering die de EU sinds 2003 volgt. In dat jaar werd de ETS-richtlijn vastgesteld waarmee het systeem van handel in broeikasgasemissies van start ging. Tal van andere richtlijnen en verordeningen werden aangenomen, gericht op de terugdringing van de uitstoot van allerlei sectoren en op de transitie van ons energiesysteem naar een op hernieuwbare energie gebaseerd systeem. Hierdoor werden de emissies substantieel teruggebracht, ook bij een groeiende economie en dito energieconsumptie. Wel lijkt het succes van de energietransitie nu wat te haperen, onder andere als gevolg van de enorm toegenomen vraag naar energie van datacenters. Een recent rapport laat zien dat het met het huidige beleid onmogelijk is om én economische groei te realiseren, én mee te doen aan de AI-race, én de klimaatdoelstellingen te realiseren. Benieuwd welke van deze drie het onderspit gaat delven?
Meer donkere wolken pakken zich samen boven dit succesverhaal. De veranderde politieke wind in de EU heeft nieuwe wetsinitiatieven laten sneuvelen en bestaande wetten doen afzwakken. In december 2025 presenteerde de Europese Commissie een pakket aan maatregelen om de bestaande EU-milieuregelgeving te versoberen, het zogenaamde Omnibus VIII pakket. Daarnaast werden bestaande plannen voor nieuwe regelgeving ingetrokken. Zo werd in maart 2026 een streep gezet door de voorgestelde Verordening voor Duurzame Voedselsystemen. Ook de “van boer tot bord”-strategie voor een eerlijk, gezond en milieuvriendelijk voedselsysteem uit 2020, waarmee eindelijk een begin zou worden gemaakt met het terugdringen van de broeikasgasemissies uit ons voedselsysteem, verdween in een la. Het voedselsysteem is verantwoordelijk voor meer dan één derde van de broeikasgasemissies, veruit de grootste bron na energieproductie. Het nieuwe beleid, zoals de Visie voor Landbouw en Voedsel (2025) en de EU Veehouderijstrategie (2026), noemen de “van boer tot bord”-strategie niet eens meer en gaan vooral over de economische positie van de sector. De genoemde Veehouderijstrategie zet enkel in op technologische maatregelen om broeikasgasemissies terug te dringen (met als doel een magere 16% reductie in 2040), terwijl deze sector meer dan 10% van alle broeikasgasemissies in de EU voor zijn rekening neemt – en dat is nog zonder indirecte emissies uit de verbouwing van veevoer in ontboste gebieden meegerekend.
In Nederland is al een aantal jaren dezelfde afzwakking van klimaatbeleid zichtbaar. In de Klimaat- en Energieverkenning 2026 concludeert het Planbureau voor de Leefomgeving dat realisering van de klimaatdoelstellingen van 2030, 2040 en 2050 uit beeld is geraakt. Het Planbureau constateert dat er een ‘grote kloof tussen ambitie en beleid’ bestaat. Als ik, als jurist, had mogen meeschrijven aan deze verkenning, had ik hier niet het woord ‘ambitie’, maar het woord ‘recht’ gebruikt. Die doelstellingen zijn immers juridisch verankerd in onze eigen Klimaatwet, in EU-regelgeving, in de Overeenkomst van Parijs, en in uitspraken van rechters (ik noemde hierboven uitspraken van de Hoge Raad, het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, en het Internationaal Gerechtshof). Hier staat dus niet alleen het klimaatbeleid ter discussie, maar ook de rechtsstaat.
De redactie legde mij de vraag voor wat de mogelijkheden in en van het klimaatrecht zijn om de klimaatramp de komende decennia en eeuwen nog af te wenden. Mijn antwoord op die vraag is dat het klimaatrecht die mogelijkheden wel biedt, maar dat de politiek, in Nederland, de EU, en daarbuiten, dat recht negeert of zelfs afbreekt.
Reacties