De crisis rond Ongehoord Nederland
Het is lang geleden dat een minister in de Tweede Kamer ter verantwoording werd geroepen vanwege de onzedelijkheid van een televisie-uitzending. De laatste voorbeelden dateren uit de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw: de naakte Phil Bloom in het programma ‘Hoepla’ (1967) en de spruitjes schillende koningin Juliana in de ‘Barend Servet Show’ (1972). Beide programma’s werden uitgezonden door de VPRO. De minister voor cultuur kon toen nog sancties opleggen krachtens artikel 10, tweede lid, (oud) van de voormalige Omroepwet: ‘De uitzendingen mogen niets bevatten dat gevaar oplevert voor de veiligheid van de Staat, de openbare orde en de goede zeden’. De mogelijke sancties varieerden indertijd van een berisping tot het permanent intrekken van zendtijd. Bij wet van 1 september 1978, Stb. 665, werd de bepaling uit de Omroepwet geschrapt. De voornaamste reden was om de uitingsvrijheid binnen de omroep meer op één lijn te stellen met de vrijheid van de geschreven pers. Toen in 1988 de Mediawet in werking trad, kwam de minister verder op afstand te staan doordat het toezicht op de naleving van de wet grotendeels werd overgeheveld naar het zelfstandige bestuursorgaan Commissariaat voor de Media.
Het mondelinge vragenuur van 1 september 2026 was daarom opmerkelijk. Veel Kamerleden maakten aan minister Letschert van OCW duidelijk dat zij het helemaal gehad hadden met de omroep Ongehoord Nederland (ON). Aan de minister werd gevraagd de voorlopige erkenning, waarmee de vereniging in 2022 toegang kreeg tot het publieke bestel, in te trekken. Steens des aanstoots was de online video ‘Let’s Twist Again’, die ON eind juli 2026 op het internet had geplaatst. Hierin was een historisch fragment getoond waarin Adolf Hitler sprak over een ‘kleine ontwortelde internationale kliek’. Hoofdredacteur Niemöller gaf daarop als commentaar dat Hitler bepaalde dingen ‘gewoon heel goed zei’. Minister Letschert stelde in de Kamer voorop dat ook zij het fragment verwerpelijk en schandalig vond. Later in het debat verduidelijkte ze dat ze gebonden was aan de wet. Artikel 2.33 van de Mediawet omschrijft limitatief de gevallen waarin de minister een erkenning kan intrekken. Afschuw over de inhoud van uitzendingen – laat staan één specifieke uitzending – valt daar niet onder. Zij beloofde het dossier zorgvuldig te gaan bestuderen.
In een brief van 8 september 2026 aan de Tweede Kamer kondigde de minister aan dat zij met toepassing van artikel 4:8 van de Awb een procedure wilde starten tot intrekking van de voorlopige erkenning. ON krijgt dus nog de kans een zienswijze naar voren te brengen. De uitzending met het Hitler-fragment wordt in de brief niet meer genoemd. In plaats daarvan beschrijft de minister een reeks problemen van de afgelopen jaren. In deze blog is al eens geschreven over de vergeefse poging van de stichting NPO in 2023 om ON uit het bestel verwijderd te krijgen. Ging het toen vooral om overtredingen van de journalistieke code, nu wijst de minister op drie argumenten die elk afzonderlijk een intrekking kunnen rechtvaardigen:
1. Artikel 2.33, eerste lid Mediawet. Financieel wanbeheer. Intrekking is verplicht.
2. Artikel 2.33, tweede lid Mediawet. Herhaalde overtredingen van de Mediawet, blijkend uit minstens twee bestuurlijke sancties door het Commissariaat voor de Media binnen één jaar. Intrekking is een bevoegdheid.
3. Artikel 2.33, vierde lid Mediawet. Gebrekkige samenwerking met de andere publieke omroepen, blijkend uit een verzoek van de NPO. Intrekking is een bevoegdheid.
De eerste twee argumenten zijn niet de sterkste. Voor een verplichte intrekking zal de bedrijfsvoering hopeloos mislukt moeten zijn. Een minder ver gaande stap is namelijk dat het Commissariaat een aanwijzing tot verbetering geeft, waartoe artikel 7.16a van de Mediawet de bevoegdheid geeft. Dat is echter nooit gebeurd, waardoor de vraag rijst of het wanbeheer echt zo ernstig was. Het tweede argument verliest aan kracht wanneer men bedenkt dat de twee opgelegde sancties van het Commissariaat dateren van september en oktober 2025. Had de minister dan niet eerder in actie kunnen komen? Het echte kantelpunt was naar mijn mening de brief van NPO aan de minister d.d. 7 september 2026, inhoudende een verzoek als bedoeld in artikel 2.33, vierde lid, van de Mediawet. Nadat haar eerdere verzoek in december 2023 was afgewezen door de toenmalige staatssecretaris van OCW, heeft de NPO lang verondersteld dat zij niet zou mogen verwijzen naar schendingen van de journalistieke code. Eind augustus 2026 liet minister Letschert aan de NPO echter weten dat zij de Mediawet anders uitlegde. Een patroon van structurele schendingen van de code zou wel degelijk een bewijs kunnen zijn van een gebrekkige samenwerking.
Vast staat dat toetreding tot het publieke bestel niet alleen rechten, maar ook plichten impliceert. Artikel 2.1, tweede lid onder e, van de Mediawet eist dat de publieke omroep moet voldoen aan hoge journalistieke en professionele kwaliteitseisen. De vraag blijft echter welke instantie tot taak heeft deze normen uit te leggen en te handhaven. Moet het voortouw liggen bij het Commissariaat voor de Media, dat in het algemeen toezicht houdt op de Mediawet? Of bij de NPO, die moet bewaken dat de samenwerking tussen de publieke omroepen goed verloopt? In een brief aan de Tweede Kamer van 11 september 2026 verzuchtte minister Letschert: Er is op dit moment geen mechanisme dat effectief corrigerend werkt als er structurele problemen zijn met de journalistieke kwaliteit binnen de publieke omroep. De brief gaf een samenvatting van een conceptwetsvoorstel tot hervorming van de landelijke publieke omroep, waarover die dag een internetconsultatie van start ging. In het conceptwetvoorstel wordt mijns inziens terecht gekozen voor zelfregulering als uitgangspunt. De nieuwe ‘omroephuizen’ krijgen als wettelijke taak een journalistieke code op te stellen en afspraken te maken over wat te doen als één van hen de code structureel zou overtreden. Pas als de zelfregulering definitief faalt, zal het Commissariaat voor de Media als laatste redmiddel een ‘aanwijzing’ kunnen geven.
Als ik op mijn glazen bol mag vertrouwen, zal ON dat niet meer meemaken. Zij zal vermoedelijk uit het publieke bestel zijn verdwenen voordat de bestaande omroepen zich moeten hergroeperen in vier omroephuizen. Misschien was die noodzakelijke fusie wel de belangrijkste reden om haast te maken met de verwijdering.
Reacties