CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • M. Adams
  • B.C. van Beers
  • A.A.L. Beers & K.T. Meijer
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • S.C. van Bijsterveld & B.P. Vermeulen
  • S.C. van Bijsterveld
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard & J. Uzman
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • S. Daniëls
  • J.W.A. Fleuren
  • F. Fleurke
  • J.L.M. Gribnau & M.R.T Pauwels
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • H.G. Hoogers
  • M. Houwerzijl & N. Zekic
  • M. Houwerzijl & F. Vlemminx
  • P. Jacobs
  • E.J. Janse de Jonge
  • S. Jellinghaus & E. Huisman
  • J. Kiewiet & G.F.M. van der Tang †
  • T. Kooijmans en J. van der Ham
  • E.J. Koops
  • G. Leenknegt
  • K.T. Meijer
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • B.M.J. van der Meulen
  • F.C.M.A. Michiels
  • G. Overkleeft-Verburg
  • T. Peters
  • J.C.A. de Poorter
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • G. van der Schyff
  • J. Uzman & G. Boogaard
  • J. Uzman
  • B.P. Vermeulen
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx & A.C.M. Meuwese
  • W.J.M. Voermans
  • B.W.N. de Waard
  • W. van der Woude
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 132a  Caribische openbare lichamen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

Artikel 54 - Verkiezing Tweede Kamer

  1. De leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen ten aanzien van Nederlanders die geen ingezetenen zijn.

  2. Van het kiesrecht is uitgesloten hij die wegens het begaan van een daartoe bij de wet aangewezen delict bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste een jaar en hierbij tevens is ontzet van het kiesrecht.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

G. Leenknegt

ARTIKEL 54 - Verkiezing Tweede Kamer

INHOUD
  1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis
  2. Leeftijdsgrens
  3. Uitsluiting van het actief kiesrecht
  4. Jurisprudentie
  5. Literatuur
  6. Historische versies
   
Editie februari 2016[1]
 

1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis

Op het eerste gezicht is artikel 54 vooral een ‘organisatiebepaling’ die regelt door wie de leden van de Tweede Kamer worden verkozen. De bepaling heeft echter ook een grondrechtelijk karakter: in het verlengde van artikel 4 Grondwet, dat het actief en passief kiesrecht voor leden van de algemeen vertegenwoordigende organen waarborgt, geeft het elke Nederlander vanaf de leeftijd van achttien jaar het recht om de leden van de Tweede Kamer te verkiezen. Beperkingen van het actief kiesrecht voor de Tweede Kamer en uitsluiting daarvan dienen bij de wet te worden bepaald en, voor zover het gaat om uitsluiting, door de rechter uitdrukkelijk als bijkomende straf te worden opgelegd. Daarin komt het fundamentele belang van het kiesrecht tot uitdrukking.

De Grondwet kent – sinds 2008 – geen categorale uitsluitingen, ofwel groepen burgers die per definitie geen kiesrecht hebben. Zo zijn ook gedetineerden niet uitgesloten van het kiesrecht; zij brengen hun stem in beginsel uit bij volmacht.[2] In onder meer het Verenigd Koninkrijk verliezen gedetineerden wel steeds het kiesrecht voor de duur van hun detentie. Ondanks een veroordeling wegens schending van artikel 3 van het Eerste Protocol bij het EVRM[3] houdt het Verenigd Koninkrijk vast aan deze categorale uitsluiting.[4]

Het actief kiesrecht voor de Tweede Kamer der Staten-Generaal komt, volgens het eerste lid van artikel 54, toe aan personen met de Nederlandse nationaliteit, die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt. Dat betekent dat het de wetgever niet is toegestaan dat recht ook toe te kennen aan niet-Nederlanders, noch aan personen jonger dan achttien jaar. De beperking tot het Nederlanderschap is in de huidige tijd van groeiende betekenis. De steeds grotere migratiestromen en de toegenomen internationale arbeidsmobiliteit hebben tot gevolg dat in Nederland grote aantallen mensen verblijven, gedurende kortere of langere tijd, die niet de Nederlandse nationaliteit bezitten. Zij hebben geen kiesrecht voor het hoogste vertegenwoordigende orgaan, dat mede hun belangen geacht wordt te behartigen (zie artikel 50 Grondwet).

Al bij de voorbereiding van de algehele grondwetsherziening van 1983 stelden verschillende fracties in de Tweede Kamer dat het actief kiesrecht voor de Tweede Kamer ook zou moeten kunnen worden toegekend aan ingezetenen die niet de Nederlandse nationaliteit bezitten. De regering hield echter vast aan de sinds 1848 geldende eis van Nederlanderschap. Het belangrijkste argument hiervoor was dat in de Staten-Generaal vele zaken aan de orde komen waaraan internationale aspecten kleven. In dergelijke situaties kunnen de Nederlandse belangen conflicteren met de belangen van andere landen. De regering vond dat niet-Nederlanders op de besluitvorming in dergelijke zaken geen invloed behoren te hebben, ‘...omdat zij naast de verbondenheid met Nederland ook nog een binding zullen hebben met het land waarvan zij onderdaan zijn.’ Er zou dan een loyaliteitsconflict kunnen ontstaan.[5] De regering voegde direct toe dat men overigens vrij was zich tot Nederlander te laten naturaliseren, waarmee men wel actief kiesrecht zou verkrijgen. Daarnaast achtte de regering actief kiesrecht voor niet-Nederlanders het meest zinvol op gemeentelijk niveau, omdat daar de specifieke belangen van allochtonen het best behartigd konden worden.[6] Niet-Nederlandse ingezetenen hebben onder voorwaarden wel actief kiesrecht voor de verkiezing van de leden van gemeenteraden.[7]

In de jaren negentig van de vorige eeuw gingen opnieuw stemmen op om bepaalde categorieën in Nederland woonachtige niet-Nederlanders ook het actief kiesrecht voor de Tweede Kamer en voor provinciale staten toe te kennen.[8] De argumenten die hiervoor werden aangevoerd, betroffen vooral het tamelijk arbitraire karakter van het onderscheid tussen het kiesrecht voor gemeenteraden en dat voor de overige vertegenwoordigende lichamen en de toenemende pluriformiteit van de Nederlandse samenleving. Met betrekking tot de uitbreiding van het actief kiesrecht voor provinciale staten tot niet-Nederlanders werd in 1996 een initiatiefwetsvoorstel bij de Tweede Kamer aanhangig gemaakt;[9] dat voorstel kon echter op weinig steun rekenen en werd in maart 2005 ingetrokken.[10]

Vooralsnog geldt onverkort de eis van Nederlanderschap voor verkiezing van de leden van de Tweede Kamer. Deze nationaliteit moet men bezitten op de dag van de kandidaatstelling;[11] dat wil zeggen ten minste drieënveertig dagen voor de stemming.[12]

De Grondwet vereist niet meer dat men in Nederland woonachtig is om actief kiesrecht te hebben. Tot 1983[13] stelde de Grondwet wel die voorwaarde, uitgaande van de gedachte dat buiten Nederland wonende Nederlanders een te geringe betrokkenheid zouden hebben bij de Nederlandse politiek. Maar in de aanloop naar de herziening van 1983 won de overtuiging terrein dat ook buiten Nederland woonachtige Nederlanders belang konden hebben bij het Nederlandse politieke debat en de besluitvorming op nationaal niveau, bijvoorbeeld omdat hun verblijf in het buitenland van tijdelijke aard zou zijn. Daarbij maken moderne media en communicatiemiddelen het mogelijk ook in het buitenland goed op de hoogte te blijven van de situatie in Nederland. De regering achtte het daarom niet langer te rechtvaardigen de eis van ingezetenschap te stellen.[14]

Met het vervallen van de eis van ingezetenschap werd een bevoegdheid voor de wetgever in artikel 54 opgenomen om bepaalde categorieën niet-ingezetenen van het kiesrecht uit te sluiten. Dit werd met name nodig geacht om te kunnen voorkomen dat inwoners van de toenmalige Nederlandse Antillen dubbel actief kiesrecht zouden krijgen, te weten zowel voor de Antilliaanse Staten als voor de Tweede Kamer der Staten-Generaal.[15] Tegenwoordig sluit de Kieswet Nederlanders die ingezetenen zijn van Aruba, Curaçao en Sint Maarten – de drie Caribische landen in het Koninkrijk – uit van het kiesrecht voor de Tweede Kamer,  om te voorkomen dat zij kiesrecht zouden hebben voor zowel de Staten van het betreffende land als de Tweede Kamer.[16] Deze uitzondering geldt echter niet voor degenen die ten minste tien jaar ingezetene van Nederland zijn geweest.[17]

2. Leeftijdsgrens

De Grondwet bepaalt sinds 1983 zelf op welke leeftijd men kiesgerechtigd wordt. In de periode tussen 1887 en 1983 gaf de Grondwet steeds de minimumleeftijd aan (aanvankelijk 23 jaar, in 1963 verlaagd tot 21 jaar en in 1972 tot 18 jaar), maar liet het aan de wetgever over hier de uiteindelijke beslissing te nemen. Tot 1946 eiste de Kieswet steeds een hogere leeftijd dan het grondwettelijk minimum; nu de Grondwet zelf vaststelt dat men op achttienjarige leeftijd kiesgerechtigd wordt, is dat niet langer mogelijk. De kiesgerechtigde leeftijd moet men overigens bereikt hebben op de dag van de stemming.[18]


3. Uitsluiting van het actief kiesrecht

Het kiesrecht is een van de fundamentele rechten van elke burger in een democratische rechtsstaat. Maar het is ook van groot belang voor het functioneren van de hoogste staatsorganen. Dit betekent in de opvatting van de grondwetgever dat van burgers mag worden verwacht dat zij bij de uitoefening van dat recht handelen in het besef van de verantwoordelijkheid die zij daarmee dragen voor het functioneren van het staatsgezag. In dat licht is het nodig dat burgers die dat verantwoordelijkheidsbesef klaarblijkelijk missen, moeten kunnen worden uitgesloten van deelname aan het democratische proces van het kiezen van de volksvertegenwoordiging.[19]

Het tweede lid van artikel 54 sluit personen die veroordeeld zijn tot een hechtenis van minstens een jaar en als bijkomende straf ontzetting van het kiesrecht hebben opgelegd gekregen, uit van het kiesrecht. Voor de toepassing van deze bepaling of van de wettelijke voorschriften die er uitvoering aan geven, is altijd de tussenkomst van de rechter vereist. Daarmee is gewaarborgd dat in elk concreet geval afzonderlijk wordt beoordeeld of de zware sanctie van ontzetting van het kiesrecht gerechtvaar­digd is.[20]

Voorbeelden van delicten die als bijkomende straf ontzetting van het kiesrecht kunnen meebrengen, zijn onder meer te vinden in het Wetboek van Strafrecht. Volgens artikel 106 is ontzetting van het kiesrecht mogelijk bij veroordeling wegens het beramen of plegen van een aanslag tegen de Koning of de regering, bij een (poging tot) staatsgreep en bij verschillende vormen van landverraad (strafbaar gesteld in de artikelen 92-103 van het Wetboek van Strafrecht). De artikel 121-124 en 129 verbinden straf aan zaken als het gewelddadig verstoren van vergaderingen van vertegenwoordigende organen en het bedreigen van de voorzitter of leden daarvan; artikel 130 bepaalt vervolgens dat bij veroordeling wegens een van die misdrijven een of meer van de bijkomende straffen kunnen worden opgelegd die artikel 28 van dezelfde wet vermeldt. Een daarvan is het ontzetten van het recht de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen.[21]

Een ander voorbeeld biedt de Kieswet. De artikelen Z1 tot en met Z4 stellen onder meer de vervalsing van stembiljetten, het stemmen met valse papieren en omkoping ter verkrijging van volmachten strafbaar. Op grond van artikel Z5 van de Kieswet is ontzetting van het kiesrecht (met verwijzing naar artikel 28 van het Wetboek van Strafrecht) als bijkomende straf mogelijk.[22]

Overigens kende de Grondwet tot 1983 meerdere categorieën uitsluitingen. Zo werden gedetineerden, personen die krachtens een rechterlijke uitspraak wilsonbekwaam waren verklaard en de beschikking of het beheer over hun goederen hadden verloren, en personen die van de ouderlijke macht of de voogdij over een of meer van hun kinderen waren ontzet, in het algemeen uitgesloten van het kiesrecht. Verder kon de wetgever het tijdelijke of blijvende verlies van het kiesrecht verbinden aan een veroordeling tot een vrijheidsstraf van meer dan een jaar, aan een veroordeling wegens bedelarij of landloperij en aan herhaalde veroordelingen wegens openbare dronkenschap.[23] De betreffende bepaling werd bij de grondwetsherziening van 1983 geschrapt, met uitzondering van de uitsluiting van personen die krachtens een rechterlijke uitspraak handelingsonbekwaam zijn verklaard (onder curatele gesteld); deze bleef na uitgebreide parlementaire bespreking gehandhaafd, in het tweede lid van het huidige artikel 54.[24]

In 2008 werd ook die laatste categorie geschrapt. De regering verwees ter onderbouwing onder meer naar veranderende opvattingen over het kiesrecht als zodanig en over de maatschappelijke positie van onder curatele gestelde personen.[25] De directe aanleiding was een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uit 2003, waarin de vraag aan de orde was of personen die onder curatele zijn gesteld, per definitie uitgesloten mogen worden van het kiesrecht.[26] Volgens de Afdeling was een categorale uitsluiting van deze personen van het kiesrecht in het algemeen niet strijdig met artikel 25 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,[27] maar kon die uitsluiting in een concreet geval desondanks onredelijk zijn.

De regering besloot daarop de algemene uitsluiting van onder curatele gestelde personen geheel uit artikel 54 te schrappen.[28] Als voornaamste argument voerde zij aan dat onder curatele gestelde personen vaak een relatief lichte geestelijke stoornis hebben. Mensen met een zwaardere stoornis worden gewoonlijk niet onder curatele gesteld, omdat zij door hun stoornis überhaupt niet deelnemen aan het maatschappelijk verkeer en vaak zijn opgenomen in een zorginstelling; zij bezitten echter wel het kiesrecht. De regering besloot daarom de  ‘lichtere categorie’ onder curatele gestelde personen het kiesrecht niet langer te willen onthouden. Een toetsing door de rechter in individuele gevallen werd daarbij niet wenselijk geacht.[29] Daarmee hebben onder curatele gestelde personen actief (en passief) kiesrecht onder gelijke voorwaarden als andere Nederlanders.


4. Jurisprudentie

- ABRvS 29 oktober 2003, AB 2003/463, ECLI:NL:RVS:2003:AM5435
- EHRM 6 oktober 2005 (GK), nr. 74025/01, EHRC 2005, 115 (Hirst t. Verenigd Koninkrijk).


5. Literatuur

- D.J. Elzinga, H.R.B.M. Kummeling, J. Schipper-Spanninga, Het Nederlandse kiesrecht, Deventer: Kluwer 2012
- R. de Jong (red.), Strafbepalingen in het verkiezingsproces. Ontstaan, functioneren en toekomst, Onderzoek in opdracht van de Kiesraad, Den Haag: Kiesraad, 2015
- R. De Lange, Kiesrechtuitsluiting van gedetineerden in het Verenigd Koninkrijk: een tussenstand, in: TvCR 2014, nr. 1, p. 61-82

6. Historisch overzicht

Eerste lid:
Art. 56 Gw 1814: De vergadering der Staten Generaal bestaat uit vijf en vijftig leden. Deze worden benoemd door de Staten der bovengemelde Provincien of Landschappen in de volgende evenredigheid: Uit
[…]
Art. 58 Gw 1814: Het blijft aan den Souvereinen Vorst voorbehouden, om in het vervolg eene wet voor te dragen, waardoor aan de Edelen of Ridderschappen uit elke Provincie of Landschap een zeker evenredig aandeel onder het getal der leden van de Staten-Generaal wordt verzekerd, ten minste een vierde van het geheele getal.
Art. 85 Gw 1814: Aan de Staten der Provincien of Landschappen wordt opgedragen het verkiezen der Leden van de vergadering der Staten-Generaal, in of buiten hun midden, en zoo veel doenlijk, uit alle de oorden van hunne Provincie of Landschap.
Art. 79 Gw. 1815: Eene dier kamers bestaat uit 110 leden, benoemd door de Staten der Provincien, te weten: voor
[…]
Art. 144 Gw 1815: Aan de Staten der Provincien wordt opgedragen het verkiezen van leden voor de tweede kamer der Staten‑Generaal in of buiten hun midden, en zoo veel doenlijk uit alle oorden van hunne Provincie (art. 142 Gw 1840).
Art. 81 Gw 1840: Eene dier Kamers bestaat uit acht en vijftig leden, benoemd door de Staten der provincien, te weten, voor:
[…]
Art. 76 Gw 1848: De leden der Tweede Kamer worden in de kiesdistricten, waarin het Rijk verdeeld wordt, gekozen door de meerderjarige ingezetenen, Nederlanders, in het volle genot der burgerlijke en burgerschapsregten, en betalende in de directe belastingen, eene som, die, overeenkomstig met de plaatselijke gesteldheid, doch niet beneden het bedrag van ¦20, noch boven dat van ¦160, in de kieswet zal worden vereischt.
Art. 80, eerste lid, Gw 1887: De leden der Tweede Kamer worden regtstreeks gekozen door de mannelijke ingezetenen, tevens Nederlanders, die door de kieswet te bepalen kenteekenen van geschiktheid en maatschappelijken welstand bezitten en den door die wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en twintig jaren mag zijn, hebben bereikt.
Art. 80, eerste lid, Gw 1917: De leden der Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door de mannelijke ingezetenen, tevens Nederlanders of door de wet als Nederlandsche onderdanen erkend, die den door de wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en twintig jaren mag zijn, hebben bereikt en door de vrouwelijke ingezetenen, die aan gelijke voorwaarden voldoen, indien en voor zoover de wet haar, niet uit hoofde van aan het bezit van maatschappelijken welstand ontleende redenen, kiesbevoegd verklaart. Ieder kiezer brengt slechts ééne stem uit.
Art. 81, eerste lid, Gw 1922: De leden der Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door de ingezetenen, tevens Nederlanders of door de wet als Nederlandsche onderdanen erkend, die den door de wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en twintig jaren mag zijn, hebben bereikt. Ieder kiezer brengt slechts ééne stem uit (art. 83, eerste lid, Gw 1938; art. 90, eerste lid, Gw 1953; art. 90, eerste lid, Gw 1963, behoudens dat i.p.v. ‘drie en twintig jaren’ wordt gelezen ‘twintig jaren’; art. 90, eerste lid, Gw 1972, behoudens dat i.p.v. ‘twintig jaren’ wordt gelezen ‘achttien jaren’).
Tweede lid:
Art. 80, derde lid, Gw 1887: Van de uitoefening van het kiesregt zijn uitgesloten zij, wien dat regt bij regterlijke uitspraak is ontzegd; zij die in gevangenschap of hechtenis zijn; zij die bij regterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over hunne goederen hebben verloren; zij die in het burgerlijk jaar, voorafgaande aan de vaststelling der kiezerslijsten, van eene instelling van weldadigheid of van een gemeentebestuur onderstand hebben genoten en, voor zoover de kieswet, hetzij zeker bedrag van den aanslag in eene of meer Rijks directe belastingen, hetzij het bezit van een of meer grondslagen van zoodanigen aanslag als vereischte van kiesbevoegdheid stelt, zij die hun aanslag in die belasting of belastingen niet hebben voldaan.
Art. 80, derde lid, Gw 1917: Van de uitoefening van het kiesrecht zijn uitgesloten zij, wien dat recht bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is ontzegd; zij die rechtens van hunne vrijheid zijn beroofd; zij die krachtens onherroepelijke rechterlijke uitspraak wegens krankzinnigheid of zwakheid van vermogens, de beschikking of het beheer over hunne goederen hebben verloren en zij die van de ouderlijke macht of de voogdij over een of meer hunner kinderen ontzet zijn. Aan onherroepelijke veroordeling tot eene vrijheidsstraf van meer dan een jaar of wegens bedelarij of landlooperij, zoomede aan meer dan twee, binnen een door de wet te bepalen tijdperk vallende, onherroepelijke rechterlijke uitspraken openbare dronkenschap vaststellende, verbindt de wet tijdelijk of blijvend verlies van kiesrecht (art. 81, derde lid, Gw 1922; art. 83, derde lid, Gw 1938; art. 90, derde lid, Gw 1953).
Art. 54, tweede lid, Gw 1983: Van het kiesrecht is uitgesloten:
a. hij die wegens het begaan van een daartoe bij de wet aangewezen delict bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste een jaar en hierbij tevens is ontzet van het kiesrecht;
b. hij die krachtens onherroepelijke rechterlijke uitspraak wegens een geestelijke stoornis onbekwaam is rechtshandelingen te verrichten.

Noten

  1. Dit commentaar is een bewerking en aanvulling van het commentaar bij dezelfde bepaling in: A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar, 3de druk, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink, 2000, eveneens van de hand van G. Leenknegt.
  2. Artikel B6 van de Kieswet.
  3. EHRM 6 oktober 2005 (GK), nr. 74025/01, EHRC 2005, 115 (Hirst t. Verenigd Koninkrijk).
  4. Hierover: R. De Lange, Kiesrechtuitsluiting van gedetineerden in het Verenigd Koninkrijk: een tussenstand, in: TvCR 2014, nr. 1, p. 61-82. Zie verder par. 3.
  5. Kamerstukken II 1978/79, 14 223, nr. 6, p. 5 (Nng IIIa, p. 174).
  6. Kamerstukken II 1978/79, 14 223, nr. 6, p. 6 (Nng IIIa, p. 175).
  7. Art. 130 Gw jo. art. B3 van de Kieswet; zie ook het commentaar bij art. 130 Gw. Voor niet-Nederlandse EU-burgers vloeit het recht om deel te nemen aan de gemeenteraadsverkiezingen voort uit art. 40 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
  8. Zie o.a. D.J. Elzinga, Uitbreiding kiesrecht niet-Nederlanders onafwendbaar, Stcrt. 1995, 250 en J. Koopman, Kiesrecht voor niet-Nederlanders: logische stap, Migrantenrecht 1996, nr. 2, p. 40-41.
  9. Kamerstukken II 1995/96, 24 803, nrs. 1-3.
  10. Kamerstukken II 2004/05, 24 803, nr. 7.
  11. Art. B1 van de Kieswet.
  12. Art. J1 van de Kieswet.
  13. Opmerking verdient dat reeds in 1977 Nederlanders die in het buitenland in Nederlandse openbare dienst werkzaam waren, actief kiesrecht verkregen door een wijziging van de Kieswet: wet van 5 maart 1977, Stb. 113.
  14. Kamerstukken II 1978/79, 14 223, nr. 6, p. 6 (Nng IIIa, p. 175). Art. D3 van de Kieswet bepaalt dat niet-ingezetenen na een schriftelijk verzoek aan burgemeester en wethouders van Den Haag worden geregistreerd als kiesgerechtigd voor de verkiezing van de Tweede Kamer; de art. K7 en K8 regelen de procedure van stemming.
  15. Kamerstukken II 1978/79, 14 223, nr. 6, p. 6 (Nng IIIa, p. 175).
  16. Art. B1 van de Kieswet.
  17. Artikel B1, tweede lid, van de Kieswet.
  18. Art. B1 van de Kieswet.
  19. Kamerstukken II 1978/79, 14 223, nr. 6, p. 9 (Nng IIIa, p. 178).
  20. Hier zij echter gewezen op art. 15, vierde lid, Gw, dat vergaande beperkingen van alle rechten van gedetineerden, dus ook het kiesrecht, mogelijk maakt. Zie het commentaar bij die bepaling.
  21. Art. 28, eerste lid, 3º, eerste zinsnede, Sr.
  22. Voor een uitgebreide studie naar de relevante strafbepalingen in zowel de Kieswet als het Wetboek van Strafrecht, zie: R. de Jong (red.), Strafbepalingen in het verkiezingsproces. Ontstaan, functioneren en toekomst, Onderzoek in opdracht van de Kiesraad, Den Haag 2015.
  23. Art. 80, derde lid, Gw 1917.
  24. Kamerstukken II 1976/77, 14 223, m.b.t. artikel 3.1.5; zie ook het advies daaromtrent van de Kiesraad, in: Staatscourant 5 augustus 1983, nr. 148.
  25. Kamerstukken II 2005/06, 30 471, nr. 3, p. 2.
  26. ABRvS 29 oktober 2003, AB 2003/463, m.nt. PJS, ECLI:NL:RVS:2003:AM5435.
  27. Het EHRM achtte in 2005 de categorische uitsluiting van gedetineerden in het Verenigd Koninkrijk echter wel in strijd met artikel 3, Eerste Protocol, EVRM: EHRM 6 oktober 2005 (GK), nr. 74025/01, EHRC 2005, 115 (Hirst t. Verenigd Koninkrijk).
  28. Wet van 27 juni 2008 tot verandering in de Grondwet, strekkende tot het vervallen van de bepaling over het uitsluiten van wilsonbekwamen van het kiesrecht, Stb. 2008, 272. Voor de parlementaire behandeling, zie Kamerstukken 30 471 (eerste lezing) en Kamerstukken 31 012 (tweede lezing).
  29. Kamerstukken II 2005/06, 30 471, nr. 3, p. 5-7.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    G. Leenknegt, Commentaar op artikel 54 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2019 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Verkiezing Tweede Kamer

lns:o="urn:schemas-microsoft-com:office:office" xmlns:w="urn:schemas-microsoft-com:office:word" xmlns:m="http://schemas.microsoft.com/office/2004/12/omml" xmlns="http://www.w3.org/TR/REC-html40">Om de leden van de Tweede Kamer te kunnen verkiezen – het actief kiesrecht – moet men de Nederlandse nationaliteit hebben. De gedachte hierachter is dat niet-Nederlandse ingezetenen mogelijk een sterkere loyaliteit voelen met het land waarvan zij onderdaan zijn dan met Nederland; zij dienen daarom geen invloed te hebben op de samenstelling van de volksvertegenwoordiging. Nederlanders die niet in Nederland wonen hebben daarentegen wel actief kiesrecht. Moderne communicatiemiddelen maken het hen mogelijk ook in den vreemde een band met Nederland te behouden. Ook de burgers van drie Caribische eilanden, te weten Bonaire, Sint Eustatius en Saba, hebben kiesrecht voor de Tweede Kamer. Binnen het Koninkrijk der Nederlanden maken die eilanden als bijzondere openbare lichamen deel uit van het Nederlandse staatsbestel.
 
De leeftijdsgrens van achttien jaar komt overeen met de wettelijke meerderjarigheid (artikel 233 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek).
 
De Grondwet maakt het mogelijk burgers van het kiesrecht uit te sluiten. Bij sommige misdrijven bepaalt de wet dat de rechter als bijkomende straf, naast de sanctie die aan het gepleegde misdrijf is verbonden, ontzetting van het kiesrecht kan opleggen. Een voorbeeld biedt de Kieswet. Volgens deze wet zijn onder meer de vervalsing van stembiljetten, het stemmen met valse papieren en omkoping ter verkrijging van volmachten strafbaar. Op grond van artikel Z5 van de Kieswet kunnen burgers die wegens overtreding van die bepalingen worden veroordeeld als bijkomende straf van het kiesrecht worden ontzet.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Verkiezing Tweede Kamer

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Verkiezing Tweede Kamer

Over dit artikel zijn ons geen belangrijke en ‘klassieke’ rechterlijke uitspraken bekend.

Recente rechtspraak

Verkiezing Tweede Kamer

Over dit artikel zijn ons geen recente rechterlijke uitspraken bekend.

Politiek

Verkiezing Tweede Kamer

Video
Blogs
IN DE WERELD
Video

Verkiezing Tweede Kamer

  • Regeringsverklaring nieuw kabinet Drees (1951)
  • Kabinet Van Beel beëdigd (1946)
  • Kabinet De Jong beëdigd (1967)
  • Verkiezinginsdebat 1994
  • Verkiezingen 1977
  • Verkiezingen 1959
  • Verkiezingen Tweede Kamer 2012
Regeringsverklaring nieuw kabinet Drees (1951)
Blogs

Verkiezing Tweede Kamer

In de wereld

Verkiezing Tweede Kamer