CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • G. Leenknegt
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • A.A.L. Beers en K.T. Meijer
  • B.C. van Beers
  • B.M.J. van der Meulen
  • B.P. Vermeulen
  • B.W.N. de Waard
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • E.J. Janse de Jonge
  • E.J. Koops
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • F. Fleurke
  • F.C.M.A. Michiels
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx en A.C.M. Meuwese
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard en J. Uzman
  • G. Leenknegt
  • G. Overkleeft-Verburg
  • G. van der Schyff en B.M.J. van der Meulen
  • J. Kiewiet en G.F.M. van der Tang †
  • J. Uzman
  • J. Uzman en G. Boogaard
  • J.C.A. de Poorter
  • J.L.M. Gribnau en M.R.T Pauwels
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • J.W.A. Fleuren
  • K.T. Meijer
  • M. Adams
  • Mijke Houwerzijl & Nuna Zekic
  • Mijke Houwerzijl en Frank Vlemminx
  • P. Jacobs
  • S. Daniëls
  • S. Jellinghaus en E. Huisman
  • S.C. van Bijsterveld
  • S.C. van Bijsterveld en B.P. Vermeulen
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • T. Kooijmans
  • T. Peters
  • W. van der Woude
  • W.J.M. Voermans
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

HOOFDSTUK 1

Grondrechten

INLEIDING

Artikel 1 - Gelijke behandeling

Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Artikel 2 - Nederlandschap en vreemdelingen

  1. De wet regelt wie Nederlander is.
  2. De wet regelt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen.
  3. Uitlevering kan slechts geschieden krachtens verdrag. Verdere voorschriften omtrent uitlevering worden bij de wet gegeven.
  4. Ieder heeft het recht het land te verlaten, behoudens in de gevallen, bij de wet bepaald.

Artikel 3 - Gelijke benoembaarheid

Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.

Artikel 4 - Kiesrecht

Iedere Nederlander heeft gelijkelijk recht de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen alsmede tot lid van deze organen te worden verkozen, behoudens bij de wet gestelde beperkingen en uitzonderingen.

Artikel 5 - Petitierecht

Ieder heeft het recht verzoeken schriftelijk bij het bevoegd gezag in te dienen.

Artikel 6 - Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging

  1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 7 - Vrijheid van meningsuiting

  1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- of televisieuitzending.
  3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar regelen ter bescherming van de goede zeden.
  4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.

Artikel 8 - Recht tot vereniging

Het recht tot vereniging wordt erkend. Bij de wet kan dit recht worden beperkt in het belang van de openbare orde.

Artikel 9 - Recht tot vergadering en betoging

  1. Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 10 - Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer

  1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.
  2. De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens.
  3. De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.

Artikel 11 - Onaantastbaarheid van het lichaam

Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.

Artikel 12 - Binnentreden woning

  1. Het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen.
  2. Voor het binnentreden overeenkomstig het eerste lid zijn voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden vereist, behoudens bij de wet gestelde uitzonderingen.
  3. Aan de bewoner wordt zo spoedig mogelijk een schriftelijk verslag van het binnentreden verstrekt. Indien het binnentreden in het belang van de nationale veiligheid of dat van de strafvordering heeft plaatsgevonden, kan volgens bij de wet te stellen regels de verstrekking van het verslag worden uitgesteld. In de bij de wet te bepalen gevallen kan de verstrekking achterwege worden gelaten, indien het belang van de nationale veiligheid zich tegen verstrekking blijvend verzet.

Artikel 13 - Vertrouwelijke communicatie

  1. Het briefgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, op last van de rechter.
  2. Het telefoon- en telegraafgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, door of met machtiging van hen die daartoe bij de wet zijn aangewezen.

Artikel 14 - Onteigening

  1. Onteigening kan alleen geschieden in het algemeen belang en tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander naar bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.
  2. De schadeloosstelling behoeft niet vooraf verzekerd te zijn, wanneer in geval van nood onverwijld onteigening geboden is.
  3. In de gevallen bij of krachtens de wet bepaald bestaat recht op schadeloosstelling of tegemoetkoming in de schade, indien in het algemeen belang eigendom door het bevoegd gezag wordt vernietigd of onbruikbaar gemaakt of de uitoefening van het eigendomsrecht wordt beperkt.

Artikel 15 - Vrijheidsontneming

  1. Buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen.
  2. Hij aan wie anders dan op rechterlijk bevel zijn vrijheid is ontnomen, kan aan de rechter zijn invrijheidstelling verzoeken. Hij wordt in dat geval door de rechter gehoord binnen een bij de wet te bepalen termijn. De rechter gelast de onmiddellijke invrijheidstelling, indien hij de vrijheidsontneming onrechtmatig oordeelt.
  3. De berechting van hem aan wie met het oog daarop zijn vrijheid is ontnomen, vindt binnen een redelijke termijn plaats.
  4. Hij aan wie rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, kan worden beperkt in de uitoefening van grondrechten voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt.

Artikel 16 - Nulla poena

Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.

Artikel 17 - Wettelijk toegekende rechter

Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent.

Artikel 18 - Rechtsbijstand

  1. Ieder kan zich in rechte en in administratief beroep doen bijstaan.
  2. De wet stelt regels omtrent het verlenen van rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen.

Artikel 19 - Werkgelegenheid en arbeidskeuze

  1. Bevordering van voldoende werkgelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de rechtspositie van hen die arbeid verrichten en omtrent hun bescherming daarbij, alsmede omtrent medezeggenschap.
  3. Het recht van iedere Nederlander op vrije keuze van arbeid wordt erkend, behoudens de beperkingen bij of krachtens de wet gesteld.

Artikel 20 - Bestaanszekerheid

  1. De bestaanszekerheid der bevolking en spreiding van welvaart zijn voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de aanspraken op sociale zekerheid.
  3. Nederlanders hier te lande, die niet in het bestaan kunnen voorzien, hebben een bij de wet te regelen recht op bijstand van overheidswege.

Artikel 21 - Milieubescherming

De zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu.

Artikel 22 - Volksgezondheid en woongelegenheid

  1. De overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid.
  2. Bevordering van voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  3. Zij schept voorwaarden voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding.

Artikel 23 - Onderwijs

  1. Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.
  2. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.
  3. Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld.
  4. In elke gemeente wordt van overheidswege voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal openbare scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven, al dan niet in een openbare school.
  5. De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.
  6. Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.
  7. Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.
  8. De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten-Generaal.
HOOFDSTUK 2

Regering INLEIDING

Artikel 24 - Koningschap

Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau.

Artikel 25 - Erfopvolging

Het koningschap gaat bij overlijden van de Koning krachtens erfopvolging over op zijn wettige nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft, met plaatsvervulling volgens dezelfde regel. Bij gebreke van eigen nakomelingen gaat het koningschap op gelijke wijze over op de wettige nakomelingen eerst van zijn ouder, dan van zijn grootouder, in de lijn van erfopvolging, voor zover de overleden Koning niet verder bestaand dan in de derde graad van bloedverwantschap.

Artikel 26 - Status ongeboren kind Koning

Het kind, waarvan een vrouw zwanger is op het ogenblik van het overlijden van de Koning, wordt voor de erfopvolging als reeds geboren aangemerkt. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

Artikel 27 - Afstand koningschap

Afstand van het koningschap leidt tot erfopvolging overeenkomstig de regels in de voorgaande artikelen gesteld. Na de afstand geboren kinderen en hun nakomelingen zijn van de erfopvolging uitgesloten.

Artikel 28 - Afstand koningschap door huwelijk

  1. De Koning, een huwelijk aangaande buiten bij de wet verleende toestemming, doet daardoor afstand van het koningschap.
  2. Gaat iemand die het koningschap van de Koning kan beërven een zodanig huwelijk aan, dan is hij met de uit dit huwelijk geboren kinderen en hun nakomelingen van de erfopvolging uitgesloten.
  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake van een voorstel van wet, strekkende tot het verlenen van toestemming, in verenigde vergadering.

Artikel 29 - Uitsluiting troonopvolging

  1. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden daartoe nopen, kunnen bij een wet een of meer personen van de erfopvolging worden uitgesloten.

  2. Het voorstel daartoe wordt door of vanwege de Koning ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 30 - Benoemde Koning

  1. Wanneer vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal ontbreken, kan deze worden benoemd bij een wet. Het voorstel wordt door of vanwege de Koning ingediend. Na de indiening van het voorstel worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  2. Indien bij overlijden van de Koning of bij afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt, worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers komen binnen vier maanden na het overlijden of de afstand in verenigde vergadering bijeen ten einde te besluiten omtrent de benoeming van een Koning. Zij kunnen een opvolger alleen benoemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 31 - Erfopvolging benoemde koning

  1. Een benoemde Koning kan krachtens erfopvolging alleen worden opgevolgd door zijn wettige nakomelingen.

  2. De bepalingen omtrent de erfopvolging en het eerste lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op een benoemde opvolger, zolang deze nog geen Koning is.

Artikel 32 - Inhuldiging Koning

Nadat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen, wordt hij zodra mogelijk beëdigd en ingehuldigd in de hoofdstad Amsterdam in een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Hij zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt. De wet stelt nadere regels vast.

Artikel 33 - Koningschap en meerderjarigheid

De Koning oefent het koninklijk gezag eerst uit, nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

Artikel 34 - Ouderlijk gezag minderjarige Koning

De wet regelt het ouderlijk gezag en de voogdij over de minderjarige Koning en het toezicht daarop. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 35 - Buiten staat verklaring

  1. Wanneer de ministerraad van oordeel is dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, bericht hij dit onder overlegging van het daartoe gevraagde advies van de Raad van State aan de Staten-Generaal, die daarop in verenigde vergadering bijeenkomen.

  2. Delen de Staten-Generaal dit oordeel, dan verklaren zij dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen. Deze verklaring wordt bekend gemaakt op last van de voorzitter der vergadering en treedt terstond in werking.

  3. Zodra de Koning weer in staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, wordt dit bij de wet verklaard. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Terstond na de bekendmaking van deze wet hervat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag.

  4. De wet regelt zo nodig het toezicht over de persoon van de Koning indien hij buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 36 - Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag

De Koning kan de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk neerleggen en die uitoefening hervatten krachtens een wet, waarvan het voorstel door of vanwege hem wordt ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 37 - Uitoefening koninklijk gezag door regent

  1. Het koninklijk gezag wordt uitgeoefend door een regent:
    a. zolang de Koning de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt;
    b. indien een nog niet geboren kind tot het koningschap geroepen kan zijn;
    c. indien de Koning buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen;
    d. indien de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk heeft neergelegd;
    e. zolang na het overlijden van de Koning of na diens afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt.

  2. De regent wordt benoemd bij de wet. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  3. In de gevallen, genoemd in het eerste lid onder c en d, is de nakomeling van de Koning die zijn vermoedelijke opvolger is, van rechtswege regent indien hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

  4. De regent zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt, in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal. De wet geeft nadere regels omtrent het regentschap en kan voorzien in de opvolging en de vervanging daarin. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  5. Op de regent zijn de artikelen 35 en 36 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38 - Uitoefening koninklijk gezag door RvS

Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk gezag is voorzien, wordt dit uitgeoefend door de Raad van State.

Artikel 39 - Lidmaatschap koninklijk huis

De wet regelt, wie lid is van het koninklijk huis.

Artikel 40 - Uitkering koninklijk huis

  1. De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het Rijk uitkeringen naar regels bij de wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het koninklijk huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen.

  2. De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, zijn vrij van persoonlijke belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of zijn vermoedelijke opvolger krachtens erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van het koninklijk huis vrij van de rechten van successie, overgang en schenking. Verdere vrijdom van belasting kan bij de wet worden verleend.

  3. De kamers der Staten-Generaal kunnen voorstellen van in de vorige leden bedoelde wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 41 - Inrichting huis Koning

De Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis in.

Artikel 42 - Ministeriële verantwoordelijkheid

  1. De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.

  2. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.

Artikel 43 - Regering en ministers

De minister-president en de overige ministers worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.

Artikel 44 - Ministeries

  1. Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.

  2. Ook kunnen ministers worden benoemd die niet belast zijn met de leiding van een ministerie.

Artikel 45 - Ministerraad

  1. De ministers vormen te zamen de ministerraad.

  2. De minister-president is voorzitter van de ministerraad.

  3. De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid.

Artikel 46 - Staatssecretarissen

  1. Bij koninklijk besluit kunnen staatssecretarissen worden benoemd en ontslagen.

  2. Een staatssecretaris treedt in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister.

Artikel 47 - Ondertekening en contraseign

Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.

Artikel 48 - Ontslag en benoeming ministers

Het koninklijk besluit waarbij de minister-president wordt benoemd, wordt mede door hem ondertekend. De koninklijke besluiten waarbij de overige ministers en de staatssecretarissen worden benoemd of ontslagen, worden mede door de minister-president ondertekend.

Artikel 49 - Ambtseed minister en staatssecretaris

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de ministers en de staatssecretarissen bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.
HOOFDSTUK 3

Staten-Generaal INLEIDING

Artikel 50 - Vertegenwoordiging

De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk.

Artikel 51 - Eerste en Tweede Kamer

  1. De Staten-Generaal bestaan uit de Tweede Kamer en de Eerste Kamer.

  2. De Tweede Kamer bestaat uit honderdvijftig leden.

  3. De Eerste Kamer bestaat uit vijfenzeventig leden.

  4. Bij een verenigde vergadering worden de kamers als één beschouwd.

Artikel 52 - Zittingsduur

  1. De zittingsduur van beide kamers is vier jaren.
  2. Indien voor de provinciale staten bij de wet een andere zittingsduur dan vier jaren wordt vastgesteld, wordt daarbij de zittingsduur van de Eerste Kamer in overeenkomstige zin gewijzigd.

Artikel 53 - Evenredige vertegenwoordiging

  1. De leden van beide kamers worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  2. De verkiezingen worden gehouden bij geheime stemming.

Artikel 54 - Verkiezing Tweede Kamer

  1. De leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen ten aanzien van Nederlanders die geen ingezetenen zijn.

  2. Van het kiesrecht is uitgesloten hij die wegens het begaan van een daartoe bij de wet aangewezen delict bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste een jaar en hierbij tevens is ontzet van het kiesrecht.

Artikel 55 - Verkiezing Eerste Kamer

De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten. De verkiezing wordt, behoudens in geval van ontbinding der kamer, gehouden binnen drie maanden na de verkiezing van de leden van provinciale staten.

Artikel 56 - Vereisten voor lidmaatschap

Om lid van de Staten-Generaal te kunnen zijn is vereist dat men Nederlander is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.

Artikel 57 - Incompatibiliteiten

  1. Niemand kan lid van beide kamers zijn.

  2. Een lid van de Staten-Generaal kan niet tevens zijn minister, staatssecretaris, lid van de Raad van State, lid van de Algemene Rekenkamer, Nationale ombudsman of substituut-ombudsman, of lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij de Hoge Raad.

  3. Niettemin kan een minister of staatssecretaris, die zijn ambt ter beschikking heeft gesteld, dit ambt verenigen met het lidmaatschap van de Staten-Generaal, totdat omtrent die beschikbaarstelling is beslist.

  4. De wet kan ten aanzien van andere openbare betrekkingen bepalen dat zij niet gelijktijdig met het lidmaatschap van de Staten-Generaal of van een der kamers kunnen worden uitgeoefend.

Artikel 57a - Zwangerschap en ziekte

De wet regelt de tijdelijke vervanging van een lid van de Staten-Generaal wegens zwangerschap en bevalling, alsmede wegens ziekte.

Artikel 58 - Geloofsbrieven

Elke kamer onderzoekt de geloofsbrieven van haar nieuwbenoemde leden en beslist met inachtneming van bij de wet te stellen regels de geschillen welke met betrekking tot de geloofsbrieven of de verkiezing zelf rijzen.

Artikel 59 - Kiesrecht en verkiezingen

Alles, wat verder het kiesrecht en de verkiezingen betreft, wordt bij de wet geregeld.

Artikel 60 - Ambtsaanvaarding

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de leden van de kamers bij de aanvaarding van hun ambt in de vergadering een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

Artikel 61 - Voorzitter en griffier

  1. Elk der kamers benoemt uit de leden een voorzitter.

  2. Elk der kamers benoemt een griffier. Deze en de overige ambtenaren van de kamers kunnen niet tevens lid van de Staten-Generaal zijn.

Artikel 62 - Verenigde vergadering

De voorzitter van de Eerste Kamer heeft de leiding van de verenigde vergadering.

Artikel 63 - Geldelijke voorzieningen

Geldelijke voorzieningen ten behoeve van leden en gewezen leden van de Staten-Generaal en van hun nabestaanden worden bij de wet geregeld. De kamers kunnen een voorstel van wet ter zake alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 64 - Ontbinding Kamers

  1. Elk der kamers kan bij koninklijk besluit worden ontbonden.

  2. Het besluit tot ontbinding houdt tevens de last in tot een nieuwe verkiezing voor de ontbonden kamer en tot het samenkomen van de nieuw gekozen kamer binnen drie maanden.

  3. De ontbinding gaat in op de dag waarop de nieuw gekozen kamer samenkomt.

  4. De wet stelt de zittingsduur van een na ontbinding optredende Tweede Kamer vast; de termijn mag niet langer zijn dan vijf jaren. De zittingsduur van een na ontbinding optredende Eerste Kamer eindigt op het tijdstip waarop de zittingsduur van de ontbonden kamer zou zijn geëindigd.

Artikel 65 - Troonrede

Jaarlijks op de derde dinsdag van september of op een bij de wet te bepalen eerder tijdstip wordt door of namens de Koning in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal een uiteenzetting van het door de regering te voeren beleid gegeven.

Artikel 66 - Openbaarheid vergaderingen

  1. De vergaderingen van de Staten-Generaal zijn openbaar.

  2. De deuren worden gesloten, wanneer een tiende deel van het aantal aanwezige leden het vordert of de voorzitter het nodig oordeelt.

  3. Door de kamer, onderscheidenlijk de kamers in verenigde vergadering, wordt vervolgens beslist of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd en besloten.

Artikel 67 - Quorum

  1. De kamers mogen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering alleen beraadslagen of besluiten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden ter vergadering aanwezig is.

  2. Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen.

  3. De leden stemmen zonder last.

  4. Over zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, wanneer één lid dit verlangt.

Artikel 68 - Inlichtingenplicht bewindslieden

De ministers en de staatssecretarissen geven de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat.

Artikel 69 - Aanwezigheid bewindslieden

  1. De ministers en de staatssecretarissen hebben toegang tot de vergaderingen en kunnen aan de beraadslaging deelnemen.

  2. Zij kunnen door de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn.

  3. Zij kunnen zich in de vergaderingen doen bijstaan door de personen, daartoe door hen aangewezen.

Artikel 70 - Recht van enquête

Beide kamers hebben, zowel ieder afzonderlijk als in verenigde vergadering, het recht van onderzoek (enquête), te regelen bij de wet.

Artikel 71 - Parlementaire onschendbaarheid

De leden van de Staten-Generaal, de ministers, de staatssecretarissen en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging, kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergaderingen van de Staten-Generaal of van commissies daaruit hebben gezegd of aan deze schriftelijk hebben overgelegd.

Artikel 72 - Reglement van orde

De kamers stellen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering een reglement van orde vast.

HOOFDSTUK 4

Adviesorganen INLEIDING

Artikel 73 - Taak Raad van State

  1. De Raad van State of een afdeling van de Raad wordt gehoord over voorstellen van wet en ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur, alsmede over voorstellen tot goedkeuring van verdragen door de Staten-Generaal. In bij de wet te bepalen gevallen kan het horen achterwege blijven.

  2. De Raad of een afdeling van de Raad is belast met het onderzoek van de geschillen van bestuur die bij koninklijk besluit worden beslist en draagt de uitspraak voor.

  3. De wet kan aan de Raad of een afdeling van de Raad de uitspraak in geschillen van bestuur opdragen.

Artikel 74 - Rechtspositie leden

  1. De Koning is voorzitter van de Raad van State. De vermoedelijke opvolger van de Koning heeft na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar van rechtswege zitting in de Raad. Bij of krachtens de wet kan aan andere leden van het koninklijk huis zitting in de Raad worden verleend.

  2. De leden van de Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  3. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  4. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Raad worden geschorst of ontslagen.

  5. De wet regelt overigens hun rechtspositie

Artikel 75 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Raad van State.

  2. Bij de wet kunnen aan de Raad of een afdeling van de Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 76 - Algemene rekenkamer

De Algemene Rekenkamer is belast met het onderzoek van de ontvangsten en uitgaven van het Rijk.

Artikel 77 - Rechtpositie leden rekenkamer

  1. De leden van de Algemene Rekenkamer worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Hoge Raad worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 78 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Algemene Rekenkamer.

  2. Bij de wet kunnen aan de Algemene Rekenkamer ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 78a - Nationale ombudsman

  1. De Nationale ombudsman verricht op verzoek of uit eigen beweging onderzoek naar gedragingen van bestuursorganen van het Rijk en van andere bij of krachtens de wet aangewezen bestuursorganen.
  2. De Nationale ombudsman en een substituut-ombudsman worden voor een bij de wet te bepalen termijn benoemd door de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Tweede Kamer der Staten-Generaal worden geschorst of ontslagen. De wet regelt overigens hun rechtspositie.
  3. De wet regelt de bevoegdheid en werkwijze van de Nationale ombudsman.
  4. Bij of krachtens de wet kunnen aan de Nationale ombudsman ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 79 - Vaste colleges van advies

  1. Vaste colleges van advies in zaken van wetgeving en bestuur van het Rijk worden ingesteld bij of krachtens de wet.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van deze colleges.

  3. Bij of krachtens de wet kunnen aan deze colleges ook andere dan adviserende taken worden opgedragen.

Artikel 80 - Openbaarmaking advies

  1. De adviezen van de in dit hoofdstuk bedoelde colleges worden openbaar gemaakt volgens regels bij de wet te stellen.

  2. Adviezen, uitgebracht ter zake van voorstellen van wet die door of vanwege de Koning worden ingediend, worden, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen, aan de Staten-Generaal overgelegd.

HOOFDSTUK 5

Wetgeving en bestuur INLEIDING

Artikel 81 - Wetgevende macht

De vaststelling van wetten geschiedt door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk.

Artikel 82 - Indienen wetsvoorstel

  1. Voorstellen van wet kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Voorstellen van wet waarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en, voor zover de betreffende artikelen van hoofdstuk 2 dit toelaten, door de verenigde vergadering.

  3. Voorstellen van wet, in te dienen door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering, worden bij haar door een of meer leden aanhangig gemaakt.

Artikel 83 - Toezending wetsvoorstel TK

Voorstellen van wet, ingediend door of vanwege de Koning, worden gezonden aan de Tweede Kamer of, indien daarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, aan deze vergadering.

Artikel 84 - Wijziging wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet, ingediend door of vanwege de Koning, niet door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering is aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en vanwege de regering worden gewijzigd.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden gewijzigd.

Artikel 85 - Toezending wetsvoorstel EK

Zodra de Tweede Kamer een voorstel van wet heeft aangenomen of tot indiening van een voorstel heeft besloten, zendt zij het aan de Eerste Kamer, die het voorstel overweegt zoals het door de Tweede Kamer aan haar is gezonden. De Tweede Kamer kan een of meer van haar leden opdragen een door haar ingediend voorstel in de Eerste Kamer te verdedigen.

Artikel 86 - Intrekking wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet niet door de Staten-Generaal is aangenomen, kan het door of vanwege de indiener worden ingetrokken.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden ingetrokken.

Artikel 87 - Aanneming en bekrachtiging

  1. Een voorstel wordt wet, zodra het door de Staten-Generaal is aangenomen en door de Koning is bekrachtigd.

  2. De Koning en de Staten-Generaal geven elkaar kennis van hun besluit omtrent enig voorstel van wet.

Artikel 88 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de wetten. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 89 - Algemene maatregel van bestuur

  1. Algemene maatregelen van bestuur worden bij koninklijk besluit vastgesteld.

  2. Voorschriften, door straffen te handhaven, worden daarin alleen gegeven krachtens de wet. De wet bepaalt de op te leggen straffen.

  3. De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de algemene maatregelen van bestuur. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

  4. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op andere vanwege het Rijk vastgestelde algemeen verbindende voorschriften.

Artikel 90 - Bevordering internationale rechtsorde

De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde.

Artikel 91 - Goedkeuring verdrag

  1. Het Koninkrijk wordt niet aan verdragen gebonden en deze worden niet opgezegd zonder voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. De wet bepaalt de gevallen waarin geen goedkeuring is vereist.

  2. De wet bepaalt de wijze waarop de goedkeuring wordt verleend en kan voorzien in stilzwijgende goedkeuring.

  3. Indien een verdrag bepalingen bevat welke afwijken van de Grondwet dan wel tot zodanig afwijken noodzaken, kunnen de kamers de goedkeuring alleen verlenen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 92 - Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties

Met inachtneming, zo nodig, van het bepaalde in artikel 91, derde lid, kunnen bij of krachtens verdrag aan volkenrechtelijke organisaties bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak worden opgedragen.

Artikel 93 - Verbindende kracht verdrag

Bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 94 - Verdrag boven wet

Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 95 - Bekendmaking verdrag

De wet geeft regels omtrent de bekendmaking van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 96 - Oorlogsverklaring

  1. Het Koninkrijk wordt niet in oorlog verklaard dan na voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal.

  2. De toestemming is niet vereist, wanneer het overleg met de Staten-Generaal ten gevolge van een feitelijk bestaande oorlogstoestand niet mogelijk is gebleken.

  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  4. Het bepaalde in het eerste en het derde lid is van overeenkomstige toepassing voor een verklaring dat een oorlog beëindigd is.

Artikel 97 - Krijgsmacht

  1. Ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk, alsmede ten behoeve van de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde, is er een krijgsmacht.

  2. De regering heeft het oppergezag over de krijgsmacht.

Artikel 98 - Samenstelling krijgsmacht

  1. De krijgsmacht bestaat uit vrijwillig dienenden en kan mede bestaan uit dienstplichtigen.

  2. De wet regelt de verplichte militaire dienst en de bevoegdheid tot opschorting van de oproeping in werkelijke dienst.

Artikel 99 - Gewetensbezwaren militaire dienst

De wet regelt vrijstelling van militaire dienst wegens ernstige gewetensbezwaren.

Artikel 99a - Civiele verdediging

Volgens bij de wet te stellen regels kunnen plichten worden opgelegd ten behoeve van de civiele verdediging.

Artikel 100 - Inlichtingen over krijgsmacht

  1. De regering verstrekt de Staten-Generaal vooraf inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. Daaronder is begrepen het vooraf verstrekken van inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht voor humanitaire hulpverlening in geval van gewapend conflict.

  2. Het eerste lid geldt niet, indien dwingende redenen het vooraf verstrekken van inlichtingen verhinderen. In dat geval worden inlichtingen zo spoedig mogelijk verstrekt.

Artikel 101 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 20 juli 1995

Artikel 102 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 22 juni 2000

Artikel 103 - Uitzonderingstoestand

  1. De wet bepaalt in welke gevallen ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid bij koninklijk besluit een door de wet als zodanig aan te wijzen uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd; zij regelt de gevolgen.

  2. Daarbij kan worden afgeweken van de grondwetsbepalingen inzake de bevoegdheden van de besturen van provincies, gemeenten en waterschappen, van de grondrechten geregeld in de artikelen 6, voor zover dit de uitoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen van het in dit artikel omschreven recht betreft, 7, 8, 9, 12, tweede en derde lid, en 13, alsmede van artikel 113, eerste en derde lid.

  3. Terstond na de afkondiging van een uitzonderingstoestand en voorts, zolang deze niet bij koninklijk besluit is opgeheven, telkens wanneer zij zulks nodig oordelen beslissen de Staten-Generaal omtrent het voortduren daarvan; zij beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 104 - Belastingheffing

Belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet. Andere heffingen van het Rijk worden bij de wet geregeld.

 
 

Artikel 105 - Recht van begroting

  1. De begroting van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt bij de wet vastgesteld.

  2. Jaarlijks worden voorstellen van algemene begrotingswetten door of vanwege de Koning ingediend op het in artikel 65 bedoelde tijdstip.

  3. De verantwoording van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt aan de Staten-Generaal gedaan overeenkomstig de bepalingen van de wet. De door de Algemene Rekenkamer goedgekeurde rekening wordt aan de Staten-Generaal overgelegd.

  4. De wet stelt regels omtrent het beheer van de financiën van het Rijk.

Artikel 106 - Geldstelsel

De wet regelt het geldstelsel.

Artikel 107 - Codificatie

  1. De wet regelt het burgerlijk recht, het strafrecht en het burgerlijk en strafprocesrecht in algemene wetboeken, behoudens de bevoegdheid tot regeling van bepaalde onderwerpen in afzonderlijke wetten.

  2. De wet stelt algemene regels van bestuursrecht vast.

Artikel 108 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 25 februari 1999

Artikel 109 - Rechtspositie ambtenaren

De wet regelt de rechtspositie van de ambtenaren. Zij stelt tevens regels omtrent hun bescherming bij de arbeid en omtrent medezeggenschap.

 

Artikel 110 - Openbaarheid van bestuur

De overheid betracht bij de uitvoering van haar taak openbaarheid volgens regels bij de wet te stellen.

 

Artikel 111 - Ridderorden

Ridderorden worden bij de wet ingesteld.
HOOFDSTUK 6

Rechtspraak INLEIDING

Artikel 112 - Civiele en administratieve rechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is opgedragen de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen.

  2. De wet kan de berechting van geschillen die niet uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, opdragen hetzij aan de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren. De wet regelt de wijze van behandeling en de gevolgen van de beslissingen.

Artikel 113 - Strafrechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van strafbare feiten.

  2. Tuchtrechtspraak door de overheid ingesteld wordt bij de wet geregeld.

  3. Een straf van vrijheidsontneming kan uitsluitend door de rechterlijke macht worden opgelegd.

  4. Voor berechting buiten Nederland en voor het oorlogsstrafrecht kan de wet afwijkende regels stellen.

Artikel 114 - Doodstraf

De doodstraf kan niet worden opgelegd.

Artikel 115 - Administratief beroep

Ten aanzien van de in artikel 112, tweede lid, bedoelde geschillen kan administratief beroep worden opengesteld.

Artikel 116 - Rechterlijke macht

  1. De wet wijst de gerechten aan die behoren tot de rechterlijke macht.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de rechterlijke macht.

  3. De wet kan bepalen, dat aan rechtspraak door de rechterlijke macht mede wordt deelgenomen door personen die niet daartoe behoren.

  4. De wet regelt het toezicht door leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast uit te oefenen op de ambtsvervulling door zodanige leden en door de personen bedoeld in het vorige lid.

Artikel 117 - Rechtspositie leden rechterlijke macht

  1. De leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal bij de Hoge Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet bepaald kunnen zij door een bij de wet aangewezen, tot de rechterlijke macht behorend gerecht worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 118 - Hoge Raad

  1. De leden van de Hoge Raad der Nederlanden worden benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. De Hoge Raad is in de gevallen en binnen de grenzen bij de wet bepaald, belast met de cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van het recht.

  3. Bij de wet kunnen aan de Hoge Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 119 - Ambtsmisdrijven

De leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreden terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.

Artikel 120 - Toetsingsverbod

De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.

Artikel 121 - Openbaarheid terechtzittingen

Met uitzondering van de gevallen bij de wet bepaald vinden de terechtzittingen in het openbaar plaats en houden de vonnissen de gronden in waarop zij rusten. De uitspraak geschiedt in het openbaar.

Artikel 122 - Gratie

  1. Gratie wordt verleend bij koninklijk besluit na advies van een bij de wet aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.

  2. Amnestie wordt bij of krachtens de wet verleend.

HOOFDSTUK 7

Decentralisatie INLEIDING

Artikel 123 - Instelling provincies en gemeenten

  1. Bij de wet kunnen provincies en gemeenten worden opgeheven en nieuwe ingesteld.

  2. De wet regelt de wijziging van provinciale en gemeentelijke grenzen.

Artikel 124 - Autonomie en medebewind

  1. Voor provincies en gemeenten wordt de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake hun huishouding aan hun besturen overgelaten.

  2. Regeling en bestuur kunnen van de besturen van provincies en gemeenten worden gevorderd bij of krachtens de wet.

Artikel 125 - Organen decentrale besturen

  1. Aan het hoofd van de provincie en de gemeente staan provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad. Hun vergaderingen zijn openbaar, behoudens bij de wet te regelen uitzonderingen.

  2. Van het bestuur van de provincie maken ook deel uit gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning, van het bestuur van de gemeente het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester.

Artikel 126 - Ambtsinstructie commissaris koning

Bij de wet kan worden bepaald, dat de commissaris van de Koning wordt belast met de uitvoering van een door de regering te geven ambtsinstructie.

Artikel 127 - Vaststelling verordening

Provinciale staten en de gemeenteraad stellen, behoudens bij de wet of door hen krachtens de wet te bepalen uitzonderingen, de provinciale onderscheidenlijk de gemeentelijke verordeningen vast.

Artikel 128 - Toekenning bevoegdheden

Behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 123, kan de toekenning van bevoegdheden, als bedoeld in artikel 124, eerste lid, aan andere organen dan die, genoemd in artikel 125, alleen door provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad geschieden.

Artikel 129 - Verkiezing vertegenwoordigend orgaan

  1. De leden van provinciale staten en van de gemeenteraad worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders, tevens ingezetenen van de provincie onderscheidenlijk de gemeente, die voldoen aan de vereisten die gelden voor de verkiezing van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Voor het lidmaatschap gelden dezelfde vereisten.
  2. De leden worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  3. De artikelen 53, tweede lid, en 59 zijn van toepassing. Artikel 57a is van overeenkomstige toepassing.
  4. De zittingsduur van provinciale staten en de gemeenteraad is vier jaren, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen.
  5. De wet bepaalt welke betrekkingen niet gelijktijdig met het lidmaatschap kunnen worden uitgeoefend. De wet kan bepalen, dat beletselen voor het lidmaatschap voortvloeien uit verwantschap of huwelijk en dat het verrichten van bij de wet aangewezen handelingen tot het verlies van het lidmaatschap kan leiden.
  6. De leden stemmen zonder last.

Artikel 130 - Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders

De wet kan het recht de leden van de gemeenteraad te kiezen en het recht lid van de gemeenteraad te zijn toekennen aan ingezetenen, die geen Nederlander zijn, mits zij tenminste voldoen aan de vereisten die gelden voor ingezetenen die tevens Nederlander zijn.

Artikel 131 - Benoeming commissaris Koning

De commissaris van de Koning en de burgemeester worden bij koninklijk besluit benoemd.

Artikel 132 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen

  1. De wet regelt de inrichting van provincies en gemeenten, alsmede de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen.

  2. De wet regelt het toezicht op deze besturen.

  3. Besluiten van deze besturen kunnen slechts aan voorafgaand toezicht worden onderworpen in bij of krachtens de wet te bepalen gevallen.

  4. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden bij koninklijk besluit wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

  5. De wet regelt de voorzieningen bij in gebreke blijven ten aanzien van regeling en bestuur, gevorderd krachtens artikel 124, tweede lid. Bij de wet kunnen met afwijking van de artikelen 125 en 127 voorzieningen worden getroffen voor het geval het bestuur van een provincie of een gemeente zijn taken grovelijk verwaarloost.

  6. De wet bepaalt welke belastingen door de besturen van provincies en gemeenten kunnen worden geheven en regelt hun financiële verhouding tot het Rijk.

Artikel 133 - Waterschappen

  1. De opheffing en instelling van waterschappen, de regeling van hun taken en inrichting, alsmede de samenstelling van hun besturen, geschieden volgens bij de wet te stellen regels bij provinciale verordening, voor zover bij of krachtens de wet niet anders is bepaald.

  2. De wet regelt de verordenende en andere bevoegdheden van de besturen van de waterschappen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen.

  3. De wet regelt het provinciale en overige toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 134 - Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

  1. Bij of krachtens de wet kunnen openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere openbare lichamen worden ingesteld en opgeheven.

  2. De wet regelt de taken en de inrichting van deze openbare lichamen, de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen. Bij of krachtens de wet kan aan hun besturen verordenende bevoegdheid worden verleend.

  3. De wet regelt het toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 135 - Gemeenschappelijke regelingen

De wet geeft regels ter voorziening in zaken waarbij twee of meer openbare lichamen zijn betrokken. Daarbij kan in de instelling van een nieuw openbaar lichaam worden voorzien, in welk geval artikel 134, tweede en derde lid, van toepassing is.

Artikel 136 - Geschillen

De geschillen tussen openbare lichamen worden bij koninklijk besluit beslist, tenzij deze behoren tot de kennisneming van de rechterlijke macht of hun beslissing bij de wet aan anderen is opgedragen.
HOOFDSTUK 8

Herziening grondwet INLEIDING

Artikel 137 - Grondwetswijziging

  1. De wet verklaart, dat een verandering in de Grondwet, zoals zij die voorstelt, in overweging zal worden genomen.

  2. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, een voorstel voor zodanige wet splitsen.

  3. Na de bekendmaking van de wet, bedoeld in het eerste lid, wordt de Tweede Kamer ontbonden.

  4. Nadat de nieuwe Tweede Kamer is samengekomen, overwegen beide kamers in tweede lezing het voorstel tot verandering, bedoeld in het eerste lid. Zij kunnen dit alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  5. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen een voorstel tot verandering splitsen.

Artikel 138 - Aanpassing niet gewijzigde bepalingen

  1. Voordat de in tweede lezing aangenomen voorstellen tot verandering in de Grondwet door de Koning worden bekrachtigd, kunnen bij de wet:

    a. de aangenomen voorstellen en de ongewijzigd gebleven bepalingen van de Grondwet voor zoveel nodig aan elkaar worden aangepast;

    b. de indeling in en de plaats van hoofdstukken, paragrafen en artikelen, alsmede de opschriften worden gewijzigd.

  2. Een voorstel van wet, houdende voorzieningen als bedoeld in het eerste lid onder a, kunnen de kamers alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 139 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De veranderingen in de Grondwet, door de Staten-Generaal aangenomen en door de Koning bekrachtigd, treden terstond in werking, nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 140 - Handhaving bestaande regelgeving

Bestaande wetten en andere regelingen en besluiten die in strijd zijn met een verandering in de Grondwet, blijven gehandhaafd, totdat daarvoor overeenkomstig de Grondwet een voorziening is getroffen.

Artikel 141 - Bekendmaking herziene Grondwet

De tekst van de herziene Grondwet wordt bij koninklijk besluit bekendgemaakt, waarbij hoofdstukken, paragrafen en artikelen kunnen worden vernummerd en verwijzingen dienovereenkomstig kunnen worden veranderd.

Artikel 142 - Aanpassing Grondwet aan Statuut

De Grondwet kan bij de wet met het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in overeenstemming worden gebracht. De artikelen 139, 140 en141 zijn van overeenkomstige toepassing.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

E.J. Janse de Jonge

ARTIKEL 71 - Parlementaire onschendbaarheid

INHOUD
1            Historische ontwikkeling en actuele betekenis
2            De omvang vande parlementaire immuniteit
3            De Europese dimensie van immuniteit
4            Jurisprudentie
5            Literatuur
6            Historische versies
 
Editie februari 2016
 

1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis[1]


Parlementaire immuniteit is een belangrijk en structurerend element in onze democratische rechtsstaat: een lid van het parlement kan niet door de rechter worden vervolgd voor wat hij zegt tijdens een parlementaire vergadering. Dit beginsel van immuniteit, ook wel aangeduid als parlementaire onschendbaarheid, is in 1848 in de Grondwet ingevoerd. De gedachte achter deze onschendbaarheid is dat parlementariërs alle ruimte krijgen voor een ongehinderd debat en het vrijelijk geven van hun mening, in woord en geschrift. Ook al is er sprake van belediging, smaad, godslastering of majesteitsschennis; de parlementariër kan daarvoor door het Openbaar Ministerie niet worden vervolgd. Het beginsel geldt in gelijke mate voor leden van gemeenteraden, provinciale staten, waterschappen en het Europees Parlement.[2]

Vanuit het oude, Engelse staatsrecht kennen wij een aantal fundamentele waarborgen voor de onschendbaarheid van volksvertegenwoordigers. Allereerst is er sprake van de “Freedom of speech”, een traditie die in de loop van de 15eeeuw onderdeel werd van de parlementaire privileges in Engeland. Tweede element werd de “freedom from arrest”, dat vanaf 1340 is ingevoerd en de bescherming van parlementariërs tegen vervolging door de rechter waarborgde.[3] Het laatste betreft bescherming van parlementsleden tegen civielrechtelijke vervolging, echter niet tegen strafrechtelijke vervolging. Deze Engelse opvatting is dus een beperktere van de parlementaire onschendbaarheid ten opzichte van ons land. Een ander verschil met ons land is dat in Engeland niet-parlementsleden die getuigen voor een parlementaire commissie wél beschermd worden tegen mogelijke vervolging voor wat zij een parlementscommissie meedelen in woord en/of geschrift. Deze rechten (privileges) dienen beschouwd te worden als een belangrijk onderdeel van het (parlementaire) recht en kan niet worden uitgelegd als een regeling die beoogt parlementsleden boven de wet te stellen.[4] Deze rechten maken onderdeel uit van de doctrine van de “sovereignty of Parliament” die inhoudt dat het parlement - lees: de wetgever (“The Queen in Parliament”) -  besluiten kan nemen die niet door enig ander orgaan van de staat kan worden aangetast of getoetst.[5] Tevens betekent dit leerstuk dat het parlement niet gebonden is aan zijn eerdere beslissingen. Dat betekent overigens niet dat het parlement almachtig is; zijn bevoegdheden zijn over de jaren ingeperkt door allerlei vormen van wetgeving tot en met de Europese wetgeving zoals de European Union Act van 2011. Binnen dit kader bleek het recht van immuniteit historisch bezien een belangrijk element in de machtsverschuiving van de vorst naar het parlement.

De grondslag en het karakter van de parlementaire immuniteit is in de loop van de parlementaire geschiedenis veranderd. Zo kende de Republiek der Verenigde Nederlanden (1588-1795) al een regeling betreffende de parlementaire onschendbaarheid, namelijk in de `Acte van Indemniteit', die destijds was vastgesteld door de Staten van Holland.[6] De Staatsregeling van 1798 bevatte een regeling van vrijwaring ten aanzien van de vrijheid van spreken. In de Grondwetten van 1801 en 1805, en die van 1814/1815 en 1840 was de parlementaire onschendbaarheid weer verdwenen. Slechts een zekere vorm van vrijwaring werd vermeld, maar die was weer afhankelijk van het verlof van de gehele vergadering van de Staten-Generaal.[7]

Pas bij de integrale herziening van de Grondwet in 1848 werd in artikel 92 bepaald dat kamerleden niet vervolgbaar waren voor hun adviezen. De `adviezen' hadden echter alleen betrekking op redevoeringen en geschreven stukken; niet op bijvoorbeeld interrupties of hetgeen in de secties voorviel (dus geen vrijheid van meningsuiting).[8] Deze situatie veranderde bij de herziening van de grondwet in 1887. Artikel 97 Grondwet 1887 bepaalde dat kamerleden parlementaire onschendbaarheid genoten voor al hetgeen zij tijdens de vergadering zeiden of aan haar schriftelijk hadden overgelegd. Er was geen verband meer met het onderwerp van de beraadslaging, een verruiming van de onschendbaarheid derhalve. Bij de daaropvolgende herziening van 1922 werd de kring van personen die bescherming genoten verder uitgebreid met andere politieke ambtsdragers die geen lid van de Staten-Generaal waren. Bedoeld werden bewindslieden en hun adviseurs- lees: ambtenaren.[9] In 1948 werden de staatssecretarissen hieraan toegevoegd (artikel 79 Grondwet 1948). Reeds in 1937 maakte het Hof Arnhem duidelijk dat de “burgerrechtelijke aanstotelijkheid” tevens viel onder de parlementaire onschendbaarheid.[10]

De huidige grondwettelijke immuniteit strekt ertoe de deelnemers aan de parlementaire beraadslagingen een optimale uitlatingsvrijheid te gunnen, zonder de vrees dat een of andere uitlating hen in aanraking met de rechter zou kunnen brengen.[11] Artikel 71 Grondwet ziet dan ook op iedere vorm van gerechtelijke toetsing, zowel strafrechtelijke, (publiekrechtelijk) tuchtrechtelijke als civielrechtelijke.[12] De ratio van deze immuniteit wordt gevormd door het feit dat parlementsleden, naast andere activiteiten, een controlerende functie hebben ten aanzien van de handelingen van de regering. Om die functie optimaal te kunnen uitoefenen is het noodzakelijk dat zij zowel de regering, het regeringsbeleid, als elkaar vrij onder kritiek kunnen stellen. De grenzen die aan het grondrecht op vrije meningsuiting zijn gesteld, zijn hierbij in hun algemeenheid te beperkend.
 

2. De omvang van de parlementaire immuniteit[13]

Tijdens de integrale grondwetsherziening van 1983 zijn er tekstuele veranderingen aangebracht in artikel 71 die niet slechts als redactionele wijzigingen kunnen worden aangemerkt. Met de term `aangesproken' in artikel 71 wordt tot uitdrukking gebracht dat ook civielrechtelijke aansprakelijkheid voor hetgeen in vergaderingen van de Staten-Generaal naar voren is gebracht, is uitgesloten.[14] Onder het regime van de oude grondwetsteksten was hierover verschil van mening mogelijk.· In de huidige tekst van artikel 71 is voorts uitdrukkelijk  bepaald dat de immuniteit ook de vergaderingen van de kamercommissies omvat. De immuniteit heeft alleen betrekking op wat tijdens de vergadering of commissievergadering is gezegd of aan deze schriftelijk is overgelegd. Slechts de aanwezigheid van een kamerlid in de vergaderzaal, is dus niet voldoende. Er moet daadwerkelijk een vergadering gaande zijn, waaraan de desbetreffende persoon in de uitoefening van zijn functie deelneemt.

De vraag wanneer een vergadering wordt aangemerkt als een vergadering van de kamer of een commissie van de kamer, wordt aan de beoordeling van de kamers zelf overgelaten. Dit wordt geregeld in de reglementen van orde van beide kamers en de verenigde vergadering.[15] Het gegeven dat de onschendbaarheid zich uitstrekt tot de leden van een kamercommissie, brengt overigens niet mee dat ook degenen die door een dergelijke commissie worden gehoord de immuniteit zouden genieten. Ook onderzoekers in dienst van het parlement zijn niet beschermd.[16] Dit is dus een verschil met het Angelsaksische systeem (zie onder 1). Zij blijven gerechtelijk vervolgbaar voor hun strafbare of onrechtmatige uitlatingen, ook al zijn die tijdens de vergadering gedaan. Voor de goede orde: fractievergaderingen, of andere niet-formele vergaderingen van commissies worden niet beschouwd als vergaderingen in de zin van artikel 71 Grondwet.[17] De uitbreiding van artikel 71 tot “andere personen” in 1983 betekent dat de kamers voortaan zélf bepalen wie, behalve leden, in overeenstemming met dit artikel aan de beraadslagingen kunnen deelnemen.[18] Hier ligt weer een verband met de “sovereignty of Parliament”. Verder moet aangenomen worden dat de voorschriften van parlementaire immuniteit ook gelden bij bijzondere bijeenkomsten zoals de jaarlijkse bijeenkomst ter gelegenheid van Prinsjesdag en de bijeenkomst in Amsterdam bij de inhuldiging van de Koning op 30 april 2013.[19]

De discussie over de omvang en reikwijdte van artikel 71 Grondwet is al bijna zou oud als het artikel zelf. Honderd jaar geleden en ook thans, gingen stemmen op om de parlementaire onschendbaarheid af te schaffen dan wel aan banden te leggen.[20] Aan het begin van de 19eeeuw ging men ervan uit dat er geen noodzaak meer bestond voor een (algehele) immuniteit voor leden van de Staten-Generaal. Argument hierbij was dat de positie van kamerleden bij volledige immuniteit zo sterk wordt dat men zelfs misbruik van dit recht kon verwachten.[21] Argument hierbij was tevens dat de kamers zelf over onvoldoende middelen beschikten om effectief tegen dit misbruik op te treden.[22] Tegen deze stelling werd naast het principiële vrijwaringsargument, het praktische bezwaar ingebracht dat het nog steeds in het belang van zowel de volksvertegenwoordiging als de rechterlijke macht is, dat de laatste niet geroepen wordt om te oordelen over uitlatingen van kamerleden en andere politieke ambtsdragers gedaan tijdens de vergadering van de Staten-Generaal, omdat het gevaar dat dergelijke processen een politieke tint krijgen niet denkbeeldig is.[23] Bovendien komt deze mogelijke betrokkenheid van de rechter in strijd met de machtenscheiding. De rechter heeft zich aangesloten bij deze uitleg. In de zaak betreffende een parlementslid in Aruba, heeft de Hoge Raad in zijn uitspraak in 2011 aangeven onverkort achter het beginsel van immuniteit van artikel 71 te staan. Het betrof de uitlating van een minister van Aruba die een parlementslid van de oppositie tijdens een vergadering van de Staten van Aruba, meerdere malen voor pedofiel uitmaakte.[24]

Recent is discussie gevoerd over uitbreiding van de immuniteit.[25] Kernvraag was of kamerleden ook buiten het parlement al dan niet vervolgbaar zijn voor wat zij als standpunt innemen in het debat.[26] Dit  debat ook weer op naar aanleiding van diverse uitlatingen van het kamerlid Wilders van de PVV over islamieten en de Koran.[27] De rechter sprak Wilders vrij. In 2016 volgt wederom een rechtszaak omtrent uitlatingen van Wilders over “minder Marokkanen”. Alle uitspraken werden overigens buiten het parlement gedaan.

Toegevoegd kan worden dat de locatie geen criterium is bij de al dan niet toepassing van de parlementaire onschendbaarheid. Dit betekent dat bijvoorbeeld parlementaire enquêtecommissies kunnen vergaderen op elke locatie is ons land zonder dat dit leidt tot verlies van de parlementaire immuniteit.[28]

De kans dat door misbruik van de bescherming van artikel 71 belangen worden geschaad, is altijd aanwezig. Die kans zal echter tegenover de voordelen van het bestaande systeem afgewogen moeten worden. Essentieel is dat leden van het parlement vrijuit moeten kunnen spreken en schrijven over alle onderwerpen die publiek belang raken. Het risico van rechterlijke toetsing dient daarbij uitgesloten te worden.[29] De uitbreiding van de kring van de personen die deze onschendbaarheid genieten tijdens de grondwetsherziening van 1983 illustreert dit.

Er zijn echter ook grenzen aan de onschendbaarheid van kamerleden. Beide kamers beschikken, als het gaat om misbruik van de bescherming van artikel 71 te voorkomen, over tuchtrechtelijke bevoegdheden. In de reglementen van orde van beide kamers vindt men een aantal bevoegdheden, waarover de voorzitter beschikt om een lid dat beledigende uitlatingen gebruikt, de orde verstoort of zijn plicht tot geheimhouding schendt, tot de orde te roepen.[30] Opvallend is dat het Reglement van Orde voor de Verenigde Vergadering der Staten-Generaal geen tuchtrechtelijke voorschriften bevat.[31] Ten aanzien van ministers, en nemen we aan ook staatssecretarissen en andere personen, die aan de beraadslaging deelnemen, bestaan dezelfde sanctiemogelijkheden.[32] In 2001 is overigens de mogelijkheid om woorden uit de Handelingen te schrappen, beëindigd.[33]

Vanaf de invoering van deze tuchtrechtelijke bevoegdheden in 1919 heeft zich een aantal incidenten voorgedaan. Meest opvallend was de verwijdering van leden uit de (Tweede) Kamer vanwege het uiten van beledigingen. Dit is vijfmaal voorgekomen. De laatste keer dat een kamerlid uit de Tweede Kamer gezet moest worden was in 1950. Het communistische kamerlid Wagenaar gebruikte weinig parlementaire woorden toen de voorzitter spreektijdbeperking oplegde bij de behandeling van een wetsvoorstel. Daarop besloot kamervoorzitter Kortenhorst de recalcitrante parlementariër met harde hand te laten verwijderen. Met vier politiemannen sterk werd de geachte afgevaardigde onder groot tumult de vergaderzaal uitgedragen.[34]De andere incidenten hadden ook betrekking op het uiten van onparlementaire taal in een vergadering van de Tweede Kamer.

Sinds 2002 is het aantal incidenten rond de toepassing van artikel 71 in de Tweede Kamer toegenomen. Herhaaldelijk is het voorgekomen dat de voorzitter van de Tweede Kamer een lid van de kamer (vaak een lid van de LPF of PVV) het woord moest ontnemen vanwege “onparlementair woordgebruik”. Voorbeeld is fractievoorzitter Wilders van de PVV die in 2006 in een debat in de kamer de minister van Wonen, Wijken en Integratie, Vogelaar, “knettergek” noemde. Helaas greep de voorzitter niet in toen Wilders weigerde deze woorden terug te nemen.[35] Eens soortgelijk incident deed zich in 2015 voor toen een kamerlid voor de PVV het Nederlandse parlement omschreef als een “nepparlement”. Ook toen greep de voorzitter niet in.[36] Dezelfde uiting tijdens een debat in 2015 in de Eerste Kamer leidde daarentegen wél tot ingrijpen van haar voorzitter.[37]

Recent heeft de Tweede Kamer zich nogmaals uitgesproken over een aantal voorschriften betreffende de regels voor integriteit voor leden van de Tweede Kamer. Deze integriteitsregelingen beogen samenhang aan te brengen als het gaat om de zuiveringseed of –belofte, incompatibiliteiten, het opgeven van nevenfuncties en -inkomsten, geheimhoudingsplichten, vertrouwelijkheid van stukken en “onheuse gedragingen”.[38]
 

3. De Europese dimensie van immuniteit

De mensenrechtencommissaris van de Raad van Europa heeft een aantal jaren geleden Nederland op de vingers getikt naar aaleiding van de zaak Wilders (zie hiervoor). De Commissaris bepleitte het opheffen van het verschil tussen datgene wat door kamerleden binnen en buiten het parlement wordt gezegd. Hij bepleitte tevens de instelling van een parlementaire commissie die beslist of en wanneer de parlementaire onschendbaarheid van toepassing is.[39] Hij verwees daarbij naar het stelsel in de Verenigde Staten.[40] De opmerking van deze Commissaris heeft overigens niet geleid tot verdere actie.[41] In de diverse landen in Europa wordt verschillend gedacht over de omvang en reikwijdte van de immuniteit van parlementariërs. In veel democratische landen bestaat een (grondwettelijke) waarborg voor parlementaire immuniteit. Er zijn in onderlinge vergelijking wel accentverschillen. Aangegeven is al dat Engeland deze bescherming ruim opvat. Ook in de Verenigde Staten wordt in artikel I, sectie 6 van de Constitutie de immuniteit van leden van het Congres gewaarborgd (de Speech or Debate Clause). Herhaaldelijk heeft de rechter in de VS aangegeven dat dit gondwetsartikel ruim opgevat dient te worden met het oog op de bescherming van het proces van zorgvuldige wetgeving en de onafhankelijkheid van leden van het Congres. Het Congres houdt deze rechten zelf scherp in het oog. Daar valt echter ook de bescherming van stafleden en medewerkers onder, en dat zijn er heel wat op Capitol Hill. De VS kennen dus een ruimere bescherming dan in Nederland.[42] In Duitsland kent men de term Immunität en in Frankrijk inviolabilité.

De lijn van de meeste landen is dat uitlatingen van parlementariërs in het parlement tijdens vergaderingen en andere overleggen maximaal worden beschermd, maar dat uitlatingen van parlementariërs buiten het parlement niet expliciet worden beschermd tegen rechterlijke vervolging.[43] Dat betekent ook dat contacten met de pers, kiezers, persberichten, nieuwsbrieven, tweets en speeches niet vallen onder de bescherming van de parlementaire immuniteit.[44] Soms ressorteren fractievergaderingen in het parlementsgebouw onder deze bescherming, zoals in België. Een andere uitzondering is Duitsland, waar laster niet valt onder de bescherming van immuniteit. In dit laatste geval moet het parlement overigens wel expliciet toestemming geven voor vervolging van een van haar leden.[45]

Het Europees Parlement pleegt in het algemeen ruimhartig te zijn als het gaat om de bescherming van haar leden die door een lidstaat voor de rechter zijn gedaagd. het Europese Hof van Justitie heeft in 2011 Echter uitgemaakt dat er in voorkomende gevallen wel sprake dient te zijn van een direct verband tussen het gestelde en de directe parlementaire verantwoordelijkheid van de leden van het EP.[46] Het Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg trok in 2003 eenzelfde conclusie ten aanzien van het stelsel in Italië en dat leverde strijd op met artikel 6 EVRM.[47] Uit de beperkte jurisprudentie van het EHRM kan worden afgeleid dat de rechters grote moeite hebben met een ruime interpretatie van de parlementaire onschendbaarheid van de landen van de Raad van Europa, maar het in meerderheid vooralsnog tolereren, mits het valt binnen de directe taken van een parlementslid (in stricto sensu).[48]
 

4. Jurisprudentie

Hof Arnhem, 18 maart 1937, NJ 1937, nr. 171;
EHRM 17 december 2002, A. tegen het Verenigd Koninkrijk (35373/97)
Hoge Raad 28 juni 2002, NJ 2002, 577, de zaak van de criminoloog Fijnaut
EHRM 30 januari 2003, Cordova tegen Italie 1 en 2 (40877/98 en 45649/99
HR 17 juni 2011, Rechtspraak.nl, RvdW 2011/775 (AB 2012/78 met annotatie van S.A.J. Munneke
HvJEU, 6 september 2011, Case C-163/10 Patriciello NJB 2011, 1337)
 

5. Literatuur

W.A.E. van Os, De gerechtelijke onvervolgbaarheid der Volksvertegenwoordigers, Groningen 1910
R.H. baron de Vos van Steenwijk, Parlementaire immuniteit, in: Staatsrechtelijke opstellen (Krabbe bundel), deel 2, 's Gravenhage 1927
J.G. Pippel, Het Reglement van Orde van de Tweede Kamer der Staten Generaal, 's Gravenhage 1950, p. 336 337, 615 616
P.P.T. Bovend’Eert en H.R.B.M. Kummeling, Van Raalte’s, Het Nederlandse Parlement, 11edruk, Deventer 2010
E.C.M. Jurgens, Een gedurfde stelling, in: Tijdschrift voor Constitutioneel recht, jrg. 1, nr. 3, 2010, p.322-326
A.J. Nieuwenhuis, Tussen grondwettelijke vrijheid en parlementaire onschendbaarheid: de vrijheid van meningsuiting van de parlementariër, in: Tijdschrift voor Constitutioneel recht, jrg. 1, nr. 1, 2010, p. 21 e.v.
J.A. Peters, Immuniteit ook buiten het parlementaire debat, in: Tijdschrift voor Constitutioneel recht, jrg. 1, nr. 3, 2010, p. 327-330
R. Nehmelman, P.E de Morree en S. Sottiaux, Parlementaire immuniteit vanuit een Europese context bezien, Nijmegen 2010
J. van Sintmaartensdijk, ‘Een parlementariër en zijn vrijheid van meningsuiting’, in: Nederlands Juristenblad 2011, Afl. 31, p. 2089
Mr. E.C. Drexhage, Drie misverstanden over de parlementaire immuniteit, in: Digitale publicatiereeks Recht en Overheid 2012, www.acwet.nl
Hansko Broeksteeg, Parlementaire immuniteit: niet voor scheldpartijen, maar wel op Twitter?, www.actioma.eu, 22 mei 2013
Van der Pot, Handboek van het Nederlandse staatsrecht, zestiende druk, bewerkt door D.J. Elzinga, R. de Lange, H.G. Hoogers, Kluwer Deventer 2014.
 

6. Historische versies

Art. 92 Gw 1848: De leden der Kamers zijn niet geregtelijk vervolgbaar wegens de advijzen, door hen in de vergadering uitgebragt.
Art. 97 Gw 1887: De leden der Staten‑Generaal zijn niet geregtelijk vervolgbaar voor hetgeen zij in de vergadering hebben gezegd of aan haar schriftelijk hebben overgelegd.
Art. 98 Gw 1922: De leden der Staten‑Generaal, alsmede de ministers, de commissarissen bedoeld in artikel 111, tweede lid, en de ambtenaren, bedoeld in artikel 95, eerste lid, zijn niet gerechtelijk vervolgbaar voor hetgeen zij in de vergadering hebben gezegd of aan haar schriftelijk hebben overgelegd (art. 100 Gw. 1938, behoudens dat i.p.v. 'artikel 111' en 'artikel 95' wordt gelezen 'artikel 113' en 'artikel 97'; artikel 107 Gw. 1953, behoudens dat i.p.v. 'artikel 111' en 'artikel 95' wordt gelezen 'artikel 120' en 'artikel 104').


Noten

  1. Zie tevens W.J.M. Voermans, Artikel 71, in: P.W.C. Akkermans, A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar, Deventer 1992 p. 673-676
  2. R. Nehmelman, P.E. de Morree en S. Sottiaux, Parlementaire immuniteit vanuit een Europese context bezien, Nijmegen 2010.
  3. Erskine May’s, Treatise on The Law, Privileges, Proceedings and Usage of Parliament, 24th ed., Malcolm Jack, London 2011, p. 70 e.v. Deze rechten zijn later opgenomen in artikel IX van de Bill of Rights van 1689 (“That the freedom of speech and debates or proceedings in Parliament ought not to be impeached or questioned in any court or place out of Parliament”).
  4. Zie uitvoerig: Parliamentary Privilege. Presented to Parliament by the Leader of the House of Commons and Lord Privy Seal by Command of Her Majesty, April 2012 (Cm 8318), m.n p. 10 en 17. (www.gov.uk/government/uploads/system/uploads/attachment_data/file/79390/consultation.pdf)
  5. De klassieke opvatting is te vinden bij het standaardwerk van A.V. Dicey, An Introduction to the Study of the Law of the Constitution, tenth edition with introduction bij E.C.S. Wade, London 1982, p. 39 e.v.
  6. W.A.E. van Os, De gerechtelijke onvervolgbaarheid der Volksvertegenwoordigers, Groningen 1910, p. 62 e.v..
  7. Artikel 177 Grondwet 1815 en artikel 175 Grondwet 1840.
  8. A.F. De Savornin Lohman, Onze Constitutie, Utrecht 1901, p. 372. Alleen Buijs meende dat de meningsuiting wel viel onder de bescherming van “advijzen”, zie Buijs, De Grondwet, deel I, Arnhem 1883,p. 540.
  9. R.H. Baron de Vos van Steenwijk, Parlementaire immuniteit, in: Staatsrechtelijke opstellen (Krabbe bundel), deel 2, 's Gravenhage 1927, p. 104.
  10. Hof Arnhem, 18 maart 1937, NJ 1937, nr. 171. Zie ook Hof Amsterdam, 10 januari 1934.
  11. Van der Pot, Handboek van het Nederlandse staatsrecht, zestiende druk, bewerkt door D.J. Elzinga, R. de Lange, H.G. Hoogers, Kluwer Deventer 2014 , p. 580.
  12. Kamerstukken II 1976-1977, 14 224, nr. 3, p. 7 8 (Nng, IIIa, p. 242 243).
  13. Zie uitvoerig, D.J. Elzinga, Parlementaire onschendbaarheid voor volksvertegenwoordigers. Verouderd instituut of onmisbare bescherming, in: De Staat van het Recht, Zwolle, 1990, p. 116-134.
  14. Kamerstukken II 1976-1977, 14 224, nr. 3, p. 7 8 (Nng, IIIa, p. 242 243).
  15. Kamerstukken II 1978-1979, 14 224, nr. 6, p. 10 (Nng, IIIa, p. 265). Een schorsing van de vergadering leidt dus tot opheffing van de parlementaire onschendbaarheid.
  16. Zie de zaak van onderzoeker C. Fijnaut in Hoge Raad 28 juni 2002, NJ 2002, 577.
  17. Kamerstukken II 1978-1979, 14 224, nr. 6, p. 10 (Nng, IIIa, p. 265).
  18. Kamerstukken II 1978-1979, 14 224, nr. 8 (Nng, IIIa, p. 271).
  19. D.J. Elzinga a.w. (noot 13) p, 124.
  20. Van Os 1910 a.w., (noot 5), p. 137 e.v.; R. Kranenburg, Het Nederlandsche Staatsrecht, eerste deel, Haarlem 1933, p. 299-301; P.J. Oud, Het Constitutioneel recht van het Koninkrijk der Nederlanden, deel I, Zwolle 1967, p. 600-603 en meer recent P.P.T. Bovend’Eert en H.R.B.M. Kummeling, Van Raalte’s , Het Nederlandse Parlement, 11e druk, Deventer 2010, p. 13.
  21. Van Os 1910 (noot 5), p. 137 e.v.; Kranenburg 1958 (noot 18), p. 189 en R. Nehmelman, P.E. De Morree, S. Sottiaux (noot 2), p.2-29.
  22. Van Os 1910 (noot 5), p. 139.
  23. Kranenburg 1958 (noot 19), p. 188.
  24. Hoge Raad 17 juni 2011, Mediaforum 2011-9, jurisprudentie nr. 22, p. 261-267 met noot van Van den Berg.
  25. Zie met name het debat tussen Peters en Jurgens: J.A. Peters, Immuniteit ook buiten het parlementaire debat, in: Tijdschrift voor Constitutioneel recht, jrg. 1, nr. 3, 2010, p. 327-330 en E.C.M. Jurgens, Een gedurfde stelling, in: Tijdschrift voor Constitutioneel recht, jrg. 1, nr. 3, 2010, p.322-326.
  26. Voor een goed overzicht van de discussie: Paulien de Morree, parlementair immuniteit: discutabel privilege of onmisbaar instrument? In: R. Nehmelman, P.E de Morree en S. Sottiaux, Parlementaire immuniteit vanuit een Europese context bezien, Nijmegen 2010, p. 25-48.
  27. Rechtbank Amsterdam 23-6-2011 (ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ9001).
  28. Hand. II, 1978-1979, 14 224, nr. 6 p. 10.
  29. Van der Pot, Handboek van het Nederlandse staatsrecht, zestiende druk, bewerkt door D.J. Elzinga, R. de Lange, H.G. Hoogers, Kluwer Deventer 2014 , p. 580.
  30. Zie artikel 58 e.v. RvOTK en artikel 94 e.v. RvOEK.
  31. Artikel 47 RvOVV bepaalt echter wel dat de voorzitter van de verenigde vergadering, in overleg met de voorzitter van de Tweede Kamer, zowel het bepaalde in het RvO II als het bepaalde in het RvO I van overeenkomstige toepassing kan verklaren ten behoeve van de bijeenkomst van de verenigde vergadering. Deze procedure lijkt wel omslachtig.
  32. Zie bv. artikel 58, tweede lid RvOTK.
  33. Kamerstukken II 2000-2001, 27 741, nrs. 1-3 (vervallen van artikel 61 RvOTK). Het argument van de Commissie voor de werkwijze luidde: “Naar de mening van de commissie heeft deze bevoegdheid als sanctie geen enkele betekenis meer of werkt zij zelfs averechts. De bevoegdheden van de Voorzitter neergelegd in de artikelen 59 (ontnemen van het woord, uitsluiten van de beraadslagingen) en 60 (uitsluiten van de vergadering) zijn voldoende tegen leden die beledigende of onwelgevoeglijke uitdrukkingen gebruiken”.
  34. http://www.digibron.nl/search/detail/012e98677cdebddad22d736c/de-sterke-arm-van-meneer-de-voorzitter.
  35. Handelingen II, 2006-2007, p. 5168.
  36. Handelingen II, 2015-2016, nr. 11.
  37. https://www.eerstekamer.nl/stenogramdeel/20151013/voortzetting_algemene_politieke
  38. Kamerstukken II 2012-2013, 28 844, nr. 69 (motie van de leden Heijnen (PvdA), Litjens (VVD), van Toorenburg (CDA) en Klein (50PLUS), d.d. 6 maart 2013) en Handelingen II 2014-2015, nr. 19, Stemmingen.
  39. Report by the Commissioner for Human Rights mr. Thomas Hammarberg on his vist tot he Netherlands 21-25 september 2008, CommDH (2009) 2, Straatsburg 2009. Zie ook Kamerstukken II 2009-2010, 31 700 V, nrs. 85 en 95 en 32 123 V, nr. 90.
  40. Een dergelijke commissie is overigens niet bekend.
  41. Kamerstukken II 2009-2010, 31 700 V, nrs. 85 en 95 en 32 123 V, nr. 90.
  42. zie inclusief de relevante jurisprudentie: Louis Fisher, Katy J. Harriger, American Constitutional Law, Durham North Carolina, 2011, p. 245-246.
  43. Zie verder uitvoerig: E.C. Drexhage, Drie misverstanden over de parlementaire immuniteit, in: Digitale publicatiereeks Recht en Overheid 2012, p. 6-13, www.acwet.nl
  44. Hansko Broeksteeg, Parlementaire immuniteit: niet voor scheldpartijen, maar wel op Twitter?, in: Actioma, 22 mei 2013.
  45. Anlage 6 - Beschluß des Deutschen Bundestages betr. Aufhebung der Immunität von Mitgliedern des Bundestages (https://www.bundestag.de/bundestag/aufgaben/rechtsgrundlagen/go_btg/anlage6/245194).
  46. HvJEU, 6 september 2011, Case C-163/10 Patriciello, r.o. 35.
  47. EHRM 30 januari 2003, Cordova tegen Italië 1 en 2 (40877/98 en 45649/99).
  48. Zie met name EHRM17 december 2002, A. tegen het Verenigd Koninkrijk (35373/97), ook gepubliceerd in EHRC 2003/16, met noot van Hansko Broeksteeg.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    E.J. Janse de Jonge, Commentaar op artikel 71 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2017 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Parlementaire onschendbaarheid

De leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen genieten immuniteit tijdens de vergaderingen van de Staten-Generaal. Zij kunnen niet strafrechtelijk worden vervolgd of civielrechtelijk aansprakelijk worden gesteld voor de opvattingen die zij in de vergaderingen uiten. Juist in het parlement moet vrijelijk van gedachten kunnen worden gewisseld en moet alles kunnen worden gezegd. Dat kan betekenen dat kritiek wordt geuit, of dat afwijkende meningen en zelfs beledigende of schokkende opvattingen worden verkondigd. De dreiging van strafrechtelijke of civielrechtelijke sancties zou de vrije gedachtewisseling kunnen hinderen.
 
In de reglementen van orde van de kamers zijn wel bepalingen opgenomen over beledigende uitlatingen, het oproepen tot onwettig handelen en het schenden van een geheimhoudingsplicht door kamerleden. De kamervoorzitter kan een lid vragen bepaalde woorden terug te nemen en, als het lid weigert, hem het woord ontnemen of van de rest van de vergadering uitsluiten.
 
De grondwettelijke immuniteit beschermt alleen uitlatingen die worden gedaan tijdens de plenaire vergaderingen en de vergaderingen van kamercommissies; ook schriftelijke bijdragen aan die vergaderingen zijn beschermd. Tijdens andere bijeenkomsten, zoals fractievergaderingen of informeel overleg in de wandelgangen of in een werkkamer, geldt geen immuniteit.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Parlementaire onschendbaarheid

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Parlementaire onschendbaarheid

Over dit artikel zijn ons geen belangrijke en ‘klassieke’ rechterlijke uitspraken bekend.

Recente rechtspraak

Parlementaire onschendbaarheid

Over dit artikel zijn ons geen recente rechterlijke uitspraken bekend.

Politiek

Parlementaire onschendbaarheid

Video
Blogs
IN DE WERELD
Blogs

Parlementaire onschendbaarheid

Prof. mr. Verhey schrijft over de vraag of parlementaire onschendbaarheid ook zou moeten gelden voor uitlatingen gedaan biuten vergaderingen van het parlement. 

In de wereld

Parlementaire onschendbaarheid

Een (Engels) artikel in der spiegel over aanklager Boccassini en haar juridische gevecht tegen Silvio Berlusconi.