CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • M. Adams
  • B.C. van Beers
  • A.A.L. Beers & K.T. Meijer
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • S.C. van Bijsterveld & B.P. Vermeulen
  • S.C. van Bijsterveld
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard & J. Uzman
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • S. Daniëls
  • J.W.A. Fleuren
  • F. Fleurke
  • J.L.M. Gribnau & M.R.T Pauwels
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • H.G. Hoogers
  • M. Houwerzijl & N. Zekic
  • M. Houwerzijl & F. Vlemminx
  • P. Jacobs
  • E.J. Janse de Jonge
  • S. Jellinghaus & E. Huisman
  • J. Kiewiet & G.F.M. van der Tang †
  • T. Kooijmans en J. van der Ham
  • E.J. Koops
  • G. Leenknegt
  • K.T. Meijer
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • B.M.J. van der Meulen
  • F.C.M.A. Michiels
  • G. Overkleeft-Verburg
  • T. Peters
  • J.C.A. de Poorter
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • G. van der Schyff
  • J. Uzman & G. Boogaard
  • J. Uzman
  • B.P. Vermeulen
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx & A.C.M. Meuwese
  • W.J.M. Voermans
  • B.W.N. de Waard
  • W. van der Woude
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 132a  Caribische openbare lichamen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

Artikel 40 - Uitkering koninklijk huis

  1. De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het Rijk uitkeringen naar regels bij de wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het koninklijk huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen.

  2. De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, zijn vrij van persoonlijke belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of zijn vermoedelijke opvolger krachtens erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van het koninklijk huis vrij van de rechten van successie, overgang en schenking. Verdere vrijdom van belasting kan bij de wet worden verleend.

  3. De kamers der Staten-Generaal kunnen voorstellen van in de vorige leden bedoelde wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

G. Leenknegt

ARTIKEL 40 - Uitkering koninklijk huis

INHOUD
  1. Uitkeringen aan de Koning en andere leden van het koninklijk huis
  2. Vrijstelling van belastingen
  3. Versterkte meerderheid
  4. Literatuur
  5. Historische versies
   
Versie oktober 2015[1]

1. Uitkeringen aan de Koning en andere leden van het koninklijk huis

Het koningschap is het hoogste ambt in de staat. De Koning behoort in een positie te zijn die het hem mogelijk maakt zich volledig op de uitoefening van zijn ambt te richten, vrij van beïnvloeding door financiële belangen, en op een representatieve wijze. Daarom ontvangt de Koning ten laste van de Rijksbegroting een inkomen en vergoedingen voor de kosten van zijn hofhouding, die hem bij de uitoefening van zijn taken financieel onafhankelijk maken. Naast de Koning en diens echtgenoot ontvangen ook de troonopvolger, de Koning die afstand heeft gedaan en de echtgenoten daarvan een inkomen en verschillende vergoedingen. Er wordt wel beweerd dat de monarchie daardoor een erg kostbaar instituut is, vergeleken met landen die een president als staatshoofd hebben. Vaak wordt dan vergeten dat in veel republieken een president eveneens een aanzienlijk inkomen ontvangt, aangevuld met verschillende vergoedingen en bijkomende faciliteiten; oud-presidenten houden vaak de beschikking over enig personeel, een inkomen en andere voorzieningen.
 
Sinds 1814 regelt de Grondwet de uitkeringen aan de Koning en sommige andere leden van het koninklijk huis, zoals de vermoedelijke troonopvolger. Aanvankelijk werden de bedragen van de uitkeringen die vanwege het Rijk aan de Koning en aan andere leden van het koninklijk huis worden uitgekeerd, steeds in de Grondwet zelf vastgelegd. Sinds 1972 vermeldt de Grondwet zelf niet langer deze bedragen. Onder meer door de snelle geldontwaarding bleek opneming van concrete bedragen in de moeilijk te wijzigen Grondwet steeds minder zinnig, zodat er in 1972 voor werd gekozen in de Grondwet slechts de hoofdlijnen van de materie te regelen en de vaststelling van de bedragen aan de wetgever over te laten.
 
In de eerste plaats draagt artikel 40 Grondwet de wetgever op te bepalen welke leden van het koninklijk huis een uitkering ten laste van het Rijk krijgen en deze uitkeringen te regelen. Deze regeling is te vinden in de Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis van 22 november 1972.[2] De wet kent op dit moment bepalingen over uitkeringen aan de Koning en diens echtgenoot of echtgenote, aan de vermoedelijke troonopvolger (vanaf de leeftijd van achttien jaar) en diens echtgenoot of echtgenote, en aan de Koning die afstand heeft gedaan van het koningschap en diens echtgenoot of echtgenote.
 
De uitkeringen aan elk van deze personen bestaan steeds uit een A-component (het inkomensbestanddeel) en een B-component (een vergoeding voor personele en materiële uitgaven). De personele uitgaven hebben betrekking op de salariskosten van het personeel dat dagelijks in de directe nabijheid van de betreffende leden van het koninklijk huis zijn werkzaamheden verricht – de ‘hofhouding’. Het bedrag dat de wet vermeldt voor het inkomensbestanddeel wordt jaarlijks aangepast, in de verhouding waarin de bezoldiging van de vice-president van de Raad van State in dat jaar afwijkt van diens bezoldiging in het jaar 2007. De B-component wordt voor de helft aangepast in de verhouding waarin de bezoldiging van het burgerlijk rijkspersoneel in een bepaald jaar afwijkt van de bezoldiging in het jaar 2007; voor de andere helft is het bedrag aangepast aan de ontwikkeling van het algemeen prijspeil ten opzichte van de maand juni van het jaar 2007. De uiteindelijke bedragen voor elk van deze uitkeringen worden jaarlijks in de vorm van een raming in de Rijksbegroting opgenomen.

In de Rijksbegroting voor 2016 zijn de volgende bedragen opgenomen: voor de Koning een inkomensbestanddeel van €866.000 en een vergoeding voor personele en materiële kosten van €4.540.000 (totaal €5.406.000); voor koningin Máxima respectievelijk €343.000 en €591.000 (totaal €934.000); voor prinses Beatrix respectievelijk €489.000 en €975.000 (totaal €1.464.000). Het begrote totaal aan uitkeringen aan leden van het koninklijk huis bedraagt voor 2016 derhalve €7.804.000.[3]
 
Dat zijn overigens nog lang niet alle kosten die gemoeid zijn met de monarchie. Naast de genoemde uitkeringen zijn er functionele uitgaven die samenhangen met de uitoefening van het koningschap. Die uitgaven worden op declaratiebasis ten laste van de Rijksbegroting gebracht. Ook daarin worden een personele en een materiële component onderscheiden, alsmede enkele specifieke uitgaven voor de inzet van luchtvaartuigen, het onderhoud van de Groene Draeck (het zeilschip van prinses Beatrix) en de uitgaven voor reis- en verblijfkosten voor bezoeken aan de Caribische delen van het Koninkrijk. Het totaal daarvan zal in 2016 naar verwachting nog eens €27.076.000 bedragen.
 
Daarnaast zijn ook op andere begrotingshoofdstukken uitgaven geraamd die verband houden met de monarchie. Zo is op de begroting voor Buitenlandse Zaken een post opgenomen voor de bekostiging van uitgaande staatsbezoeken (€2.400.000),[4] en zijn op de begroting voor Wonen en Rijksdienst de kosten geraamd die gemoeid zijn met het gebruik en onderhoud van de koninklijke paleizen (€15.104.000).[5]
 
De Wet financieel statuut leden van het Koninklijk Huis bepaalt dat aan de Koning paleizen ten laste van het Rijk beschikbaar worden gesteld. Welke paleizen dat zijn is in een op de wet gebaseerd koninklijk besluit bepaald:[6] het Paleis Noordeinde te ’s-Gravenhage, het Paleis Huis ten Bosch te ’s-Gravenhage en het Paleis op de Dam te Amsterdam.

2. Vrijstelling van belastingen

In de tweede plaats verleent de bepaling vrijstelling van verschillende belastingen. Leden van het koninklijk huis die een uitkering ten laste van het Rijk ontvangen, behoeven inkomstenbelasting noch vermogensbelasting te betalen. De Koning en diens vermoedelijke opvolger zijn daarnaast ook vrijgesteld van erfbelasting en schenkbelasting aangaande hetgeen zij erven of door schenking verkrijgen van leden van het koninklijk huis.[7] De bedoeling van deze bepaling is de geleidelijke afkalving van het oorspronkelijke vermogen van de Koning door dergelijke belastingen te voorkomen en zo diens financieel onafhankelijke positie te waarborgen.[8] Bij wet kunnen verdere vrijstellingen worden verleend.
 
Met enige regelmaat wordt in de Tweede Kamer voorgesteld de Koning (en de troonopvolger) niet langer vrij te stellen van inkomens- en vermogensbelasting.[9] De gedachte achter die voorstellen is dat de Koning aan dezelfde belastingregels onderworpen zou moeten zijn als andere Nederlanders. Daarvoor zou echter de Grondwet moeten worden gewijzigd, nu daarin de vrijstellingen zijn vastgelegd. Vooralsnog voelt de regering er niet voor een dergelijke wijziging voor te stellen.[10]

3. Versterkte meerderheid

Het derde lid van artikel 40 bepaalt dat de wetsvoorstellen waarbij de financiële positie van de Koning en van de leden van het koninklijk huis wordt geregeld, met een tweederde meerderheid in de Staten-Generaal dienen te worden aangenomen. Dat is verklaarbaar, omdat tot 1972 de bedragen in de Grondwet zelf waren opgenomen. Voor wijziging daarvan waren dus steeds een behandeling in twee lezingen en een tweederde meerderheid in de tweede lezing vereist. Daarmee werd beoogd te garanderen dat de financiële positie van de Koning een breed draagvlak in de Staten-Generaal had. Door voor aanname van de wetsvoorstellen waarmee tegenwoordig de uitkeringen en vergoedingen worden vastgesteld een tweederde meerderheid te eisen, wordt in feite hetzelfde bereikt.  
 
Overigens wordt de Rijksbegroting, waarin de jaarlijks uit te keren bedragen staan, met een gewone meerderheid aangenomen. De uitgangspunten voor de berekening daarvan – de basisbedragen voor inkomen en vergoedingen, alsmede de wijze van berekening van de jaarlijkse aanpassingen – zijn echter vastgelegd in de Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis. De Rijksbegroting maakt alleen de middelen vrij die volgens die berekening nodig zijn.

4. Literatuur

 - www.politiekcompendium.nl/id/vh4vaipeaczm/kosten_koninklijk_huis

5. Historische versies

Eerste lid:
Art. 12, eerste zinsnede, Gw 1814: De Souvereine Vorst geniet een jaarlijksch inkomen van vijftien maal honderd duizend gulden, op de wijze bij de twee volgende artikelen bepaald.
Art. 13 Gw 1814: Bij de wet kan worden bepaald, dat aan den Souvereinen Vorst, des verkiezende, tot gedeeltelijke voldoening van het gemelde jaarlijksch inkomen, in vollen eigendom, als patrimonieel goed, zal worden overgegeven zoo veel domeinen, als een zuiver inkomen van vijf tonnen gouds of daaromtrent opbrengen.
Art. 14 Gw 1814: Het overige gedeelte van dat jaarlijksch inkomen wordt gevonden uit het vruchtgebruik van daartoe nader te bestemmen goederen, of uit de eerste en gereedste penningen van den Lande.
Art. 18 Gw 1814: De Erfprins ontvangt in deze hoedanigheid uit 's Lands kas eene jaarlijksche som van honderd duizend gulden, te rekenen van den tijd, dat Hij den ouderdom van achttien jaren zal hebben bereikt.
Art. 30 Gw 1815: De Koning geniet uit 's Lands kas, een jaarlijksch inkomen van ƒ 2.400.000. (art. 29 Gw 1840, behoudens dat i.p.v. `ƒ 2.400.000.' wordt gelezen `ƒ 1.500.000.').
Art. 31 Gw 1815: Bij de wet kan worden bepaald, dat aan den tegenwoordigen Koning Willem Frederik van Oranje Nassau, des verkiezende, tot gedeeltelijke voldoening van het gemelde jaarlijksch inkomen, in vollen eigendom als patrimonieel goed zullen worden overgegeven zoo veel domeinen, als een zuiver inkomen van vijf tonnen gouds opbrengen (art. 30 Gw 1840).
Art. 32 Gw 1815: Den Koning worden tot deszelfs gebruik zomer  en winterverblijven in gereedheid gebragt, voor welker onderhoud echter niet meer dan ƒ 100.000 jaarlijks, ten laste van den lande kunnen worden gebragt (art. 31 Gw 1840, behoudens dat i.p.v. `ƒ 100.000' wordt gelezen `ƒ 50.000'; art. 28 Gw 1848; art. 25 Gw 1887; art. 23 Gw 1922).
Art. 35 Gw 1815: Eene Koningin weduwe geniet, gedurende haren weduwelijken staat, uit `s Lands kas, een jaarlijksch inkomen van ƒ 150.000 (art. 34 Gw 1840).
Art. 37 Gw 1815: De Prins van Oranje geniet als zoodanig uit `s Lands kas een jaarlijksch inkomen van ƒ 100.000, te rekenen van den tijd dat hij den ouderdom van achttien jaren zal hebben vervuld; dit inkomen wordt gebracht op ƒ 200.000 na het voltrekken van een huwelijk, overeenkomstig art. 13 dezer grondwet (art. 36 Gw 1840, behoudens dat i.p.v. `art. 13' wordt gelezen `art. 12').
Art. 27 Gw 1848: Behalve het inkomen uit de domeinen, door de wet van den 26sten Augustus 1822 afgestaan en in 1848 door den Koning tot kroondomeinen aan den Staat teruggegeven, geniet Koning Willem II een jaarlijksch inkomen van één millioen gulden uit 's Lands kas.
Bij elke nieuwe troonsbeklimming wordt het inkomen der Kroon door de wet geregeld.
Art. 31 Gw 1848: Het jaarlijksch inkomen eener Koningin weduwe, gedurende haren weduwelijken staat, uit `s Lands kas is ƒ 150.000 (art. 28 Gw 1887, behoudens dat i.p.v. `ƒ 150.000' wordt gelezen `ƒ 300.000').
Art. 33 Gw 1848: De Prins van Oranje geniet als zoodanig uit `s Lands kas een jaarlijksch inkomen van ƒ 100.000, te rekenen van den tijd dat hij den ouderdom van achttien jaren zal hebben bereikt; dit inkomen wordt gebragt op ƒ 200.000, na het voltrekken van een huwelijk, overeenkomstig art. 12 dezer Grondwet (art. 30 Gw 1887, behoudens dat i.p.v. `overeenkomstig art. 12 dezer Grondwet' wordt gelezen `waartoe bij de wet toestemming is verleend').
Art. 24 Gw 1887: Behalve het inkomen uit de domeinen door de wet van 26 Augustus 1822 afgestaan en in 1848 door wijlen Koning Willem II tot kroondomein aan den Staat teruggegeven, geniet de Koning een jaarlijksch inkomen uit 's Lands kas, waarvan het bedrag bij elke troonsbeklimming door de wet wordt vastgesteld.
Art. 22 Gw 1922: Behalve het inkomen uit de domeinen, door de wet van 26 Augustus 1822 afgestaan, en in 1848 door wijlen Koning Willem II tot Kroondomein aan den Staat teruggegeven, geniet de Koning een jaarlijksch inkomen ten laste van 's Rijks kas van ƒ 1 200 000.
Binnen twee jaren na eene troonsbeklimming kan dit bedrag voor den duur van de regeering van den Koning, die den troon heeft beklommen, bij de wet worden gewijzigd (art. 22 Gw 1938, behoudens dat i.p.v. `ƒ 1.200.000' wordt gelezen `ƒ 1.000.000').
Art. 28 Gw 1922: De Prins van Oranje en de dochter des Konings, die de vermoedelijke erfgenaam is van de Kroon, genieten als zoodanig uit `s Rijks kas een jaarlijksch inkomen van ƒ 200.000, te rekenen van den tijd, dat zij den ouderdom van achttien jaren hebben vervuld; dit inkomen wordt gebracht op ƒ 400.000 na het voltrekken van een huwelijk, waartoe bij de wet toestemming is verleend.
De Prinses behoudt haar inkomen, ingeval later een Prins van Oranje geboren wordt.
Art. 28 Gw 1938: De Prins van Oranje geniet uit `s Rijks kas een jaarlijksch inkomen van ƒ 200.000, te rekenen van den tijd, dat hij den ouderdom van achttien jaren heeft vervuld.
Dit inkomen wordt gebracht op ƒ 400.000 na het aangaan van een huwelijk, waartoe bij de wet toestemming is verleend.
Na het overlijden van den Prins van Oranje geniet de Prinses Weduwe uit `s Rijks kas een jaarlijksch inkomen van ƒ 200.000 gedurende haar weduwlijken staat.
Art. 22, eerste lid, eerste en tweede volzin, Gw 1972: De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het Rijk uitkeringen naar regels bij de wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het Koninklijk Huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen.
 
Tweede lid:
Art. 15 Gw 1814: De Souvereine Vorst en de Prinsen en Prinsessen van den Huize genieten vrijdom van alle personele lasten en beschreven middelen, met uitzondering van de verponding.
De gebouwen echter tot Derzelver gebruik of woning bestemd, blijven ontheven van alle reële lasten. Geene exemptien van comsumtive middelen zullen door Hen noch Hunne hofhoudingen genoten worden.
Art. 33 Gw 1815: De Koning, mitsgaders de Prinsen en Prinsessen van zijn huis, zijn vrij van alle personeele lasten en beschreven middelen, met uitzondering van de verponding. De gebouwen tot hunne woning of gebruik bestemd, zijn van de verponding ontheven (art. 32 Gw 1840).
Art. 29 Gw 1848: De Koning en de Prins van Oranje zijn vrij van alle personele lasten.
Geen vrijdom van eenige andere belasting wordt door hen genoten (art. 26 Gw 1887).
Art. 24 Gw 1922: De Koning, de Prins van Oranje, de dochter des Konings, die de vermoedelijke erfgenaam is van de Kroon, zoomede de Koningin Weduwe, gedurende haren weduwlijken staat, zijn vrij van alle personeele lasten.
Geen vrijdom van eenige andere belasting wordt door Hen genoten.
Art. 22, eerste lid, derde vijfde volzin, Gw 1972: De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, zijn vrij van persoonlijke belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of de vermoedelijke erfgenaam van de Kroon krachtens erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van het Koninklijk Huis vrij van de rechten van successie, overgang en schenking. Verdere vrijdom van belasting kan bij de wet worden verleend.
 
Derde lid:
Art. 22, tweede lid, Gw 1972: De Kamers der Staten Generaal kunnen ontwerpen van in de vorige leden bedoelde wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.
 

Noten

  1. Dit commentaar is een bewerking en aanvulling van het commentaar bij dezelfde bepaling in: A.K. Koekkoek, (red.), De Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar, 3de druk, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink, 2000, eveneens van de hand van G. Leenknegt.
  2. Stb. 1972, 701.
  3. Kamerstukken II 2015/16, 34 300, I, nrs. 1 en 2.
  4. Kamerstukken II 2015/16, 34 300, V, nr. 1.
  5. Kamerstukken II 2015/16, 34 300, XVIII, nr. 1.
  6. Besluit aanwijzing paleizen ex art. 4 Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis van 15 juli 1980, Stb. 435.
  7. Zie hierover ook: www.politiekcompendium.nl/id/vh4vaipeaczm/kosten_koninklijk_huis.
  8. Bijl. Hand. II 1969/70, 10 683, nr. 3, p. 7 (Nng 8, p. 14-16).
  9. Zie bijvoorbeeld Kamerstukken II 2015/16, 34 300 I, nr. 5 (motie-Van Raak); zie ook nos.nl/artikel/2042349-pvda-wil-dat-koningspaar-gewoon-belasting-betaalt.html; http://www.nrc.nl/nieuws/2015/10/27/kamer-roept-kabinet-op-koning-zwaarder-te-belasten.
  10. Zie nos.nl/artikel/2042325-kabinet-ziet-niets-in-belastingheffing-koningspaar.html.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    G. Leenknegt, Commentaar op artikel 40 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2019 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Uitkering koninklijk huis

Verschillende leden van het koninklijk huis ontvangen een uitkering ten laste van het rijk. De regels daarover zijn te vinden in de Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis. Volgens die wet ontvangen de Koning, de echtgenote van de Koning, de vermoedelijke opvolger van de Koning – vanaf de leeftijd van 18 jaar –, de echtgenoot van de vermoedelijke opvolger van de Koning, de Koning die afstand van het koningschap heeft gedaan en diens echtgenoot een uitkering. Verder bepaalt de wet dat aan de Koning paleizen ter beschikking worden gesteld en dat de Koning het uitsluitende recht heeft om te jagen in de gebieden die behoren of hebben behoord tot de privébezittingen van de Koning.
 
Leden van het koninklijk huis die een uitkering ten laste van het rijk ontvangen, hoeven geen inkomstenbelasting of vermogensbelasting te betalen. De Koning en diens vermoedelijke opvolger zijn daarnaast ook vrijgesteld van belastingen over hetgeen zij erven of door schenking verkrijgen van leden van het koninklijk huis. De bedoeling van deze bepaling is de geleidelijke afkalving van het oorspronkelijke vermogen van de Koning door dergelijke belastingen te voorkomen en zo diens financieel onafhankelijke positie te waarborgen.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Uitkering koninklijk huis

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Uitkering koninklijk huis

Over dit artikel zijn ons geen belangrijke en ‘klassieke’ rechterlijke uitspraken bekend.

Recente rechtspraak

Uitkering koninklijk huis

Over dit artikel zijn ons geen recente rechterlijke uitspraken bekend.

Politiek

Uitkering koninklijk huis

Video
Blogs
IN DE WERELD
Blogs

Uitkering koninklijk huis

In de wereld

Uitkering koninklijk huis