CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • M. Adams
  • B.C. van Beers
  • A.A.L. Beers & K.T. Meijer
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • S.C. van Bijsterveld & B.P. Vermeulen
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard & J. Uzman
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • S. Daniëls
  • J.W.A. Fleuren
  • F. Fleurke
  • J.L.M. Gribnau & M.R.T Pauwels
  • M.M. Groothuis
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • H.G. Hoogers
  • M. Houwerzijl & N. Zekic
  • M. Houwerzijl & F. Vlemminx
  • P. Jacobs
  • N.M.C.P. Jägers & J.P. Loof
  • E.J. Janse de Jonge
  • S. Jellinghaus & E. Huisman
  • J. Kiewiet & G.F.M. van der Tang †
  • T. Kooijmans en J. van der Ham
  • E.J. Koops en R. Passchier
  • G. Leenknegt
  • K.T. Meijer
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • B.M.J. van der Meulen
  • F.C.M.A. Michiels
  • T. Peters
  • J.C.A. de Poorter
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • G. van der Schyff
  • J. Uzman & G. Boogaard
  • J. Uzman
  • B.P. Vermeulen
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx & A.C.M. Meuwese
  • W.J.M. Voermans
  • B.W.N. de Waard
  • W. van der Woude
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buitenstaatverklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Aanstelling burgemeester en commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 132a  Caribische openbare lichamen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

Artikel 90 - Bevordering internationale rechtsorde

De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde.

Artikel 91 - Goedkeuring verdrag

  1. Het Koninkrijk wordt niet aan verdragen gebonden en deze worden niet opgezegd zonder voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. De wet bepaalt de gevallen waarin geen goedkeuring is vereist.

  2. De wet bepaalt de wijze waarop de goedkeuring wordt verleend en kan voorzien in stilzwijgende goedkeuring.

  3. Indien een verdrag bepalingen bevat welke afwijken van de Grondwet dan wel tot zodanig afwijken noodzaken, kunnen de kamers de goedkeuring alleen verlenen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 92 - Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties

Met inachtneming, zo nodig, van het bepaalde in artikel 91, derde lid, kunnen bij of krachtens verdrag aan volkenrechtelijke organisaties bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak worden opgedragen.

Artikel 93 - Verbindende kracht verdrag

Bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 94 - Verdrag boven wet

Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 95 - Bekendmaking verdrag

De wet geeft regels omtrent de bekendmaking van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 96 - Oorlogsverklaring

  1. Het Koninkrijk wordt niet in oorlog verklaard dan na voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal.

  2. De toestemming is niet vereist, wanneer het overleg met de Staten-Generaal ten gevolge van een feitelijk bestaande oorlogstoestand niet mogelijk is gebleken.

  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  4. Het bepaalde in het eerste en het derde lid is van overeenkomstige toepassing voor een verklaring dat een oorlog beëindigd is.

Artikel 97 - Krijgsmacht

  1. Ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk, alsmede ten behoeve van de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde, is er een krijgsmacht.

  2. De regering heeft het oppergezag over de krijgsmacht.

Artikel 98 - Samenstelling krijgsmacht

  1. De krijgsmacht bestaat uit vrijwillig dienenden en kan mede bestaan uit dienstplichtigen.

  2. De wet regelt de verplichte militaire dienst en de bevoegdheid tot opschorting van de oproeping in werkelijke dienst.

Artikel 99 - Gewetensbezwaren militaire dienst

De wet regelt vrijstelling van militaire dienst wegens ernstige gewetensbezwaren.

Artikel 99a - Civiele verdediging

Volgens bij de wet te stellen regels kunnen plichten worden opgelegd ten behoeve van de civiele verdediging.

Artikel 100 - Inlichtingen over krijgsmacht

  1. De regering verstrekt de Staten-Generaal vooraf inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. Daaronder is begrepen het vooraf verstrekken van inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht voor humanitaire hulpverlening in geval van gewapend conflict.

  2. Het eerste lid geldt niet, indien dwingende redenen het vooraf verstrekken van inlichtingen verhinderen. In dat geval worden inlichtingen zo spoedig mogelijk verstrekt.

Artikel 103 - Uitzonderingstoestand

  1. De wet bepaalt in welke gevallen ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid bij koninklijk besluit een door de wet als zodanig aan te wijzen uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd; zij regelt de gevolgen.

  2. Daarbij kan worden afgeweken van de grondwetsbepalingen inzake de bevoegdheden van de besturen van provincies, gemeenten, openbare lichamen als bedoeld in artikel 132a en waterschappen, van de grondrechten geregeld in de artikelen 6, voor zover dit de uitoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen van het in dit artikel omschreven recht betreft, 7, 8, 9, 12, tweede en derde lid, en 13, alsmede van artikel 113, eerste en derde lid.
  3. Terstond na de afkondiging van een uitzonderingstoestand en voorts, zolang deze niet bij koninklijk besluit is opgeheven, telkens wanneer zij zulks nodig oordelen beslissen de Staten-Generaal omtrent het voortduren daarvan; zij beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

F.M.C. Vlemminx

ARTIKEL 90 - Bevordering internationale rechtsorde

INHOUD

 

1. Inleiding                                                                                            
2. De grondwetsherziening van 1922                                                    
3. De grondwetsherziening van 1953                                                    
4. Ontwikkeling van de internationale rechtsorde en defensietaken      
5. Betekenis voor diverse rechtsgebieden                                            
7. Internationale en Europese rechtsorde                                            
8. Literatuur                                                                                         
9. Historische versies                                                                           

 

1. Inleiding

 

Artikel 90 positioneert het Nederlandse constitutionele bestel in het ruimere kader van de internationale rechtsorde. Daarmee onderscheidt onze Grondwet zich van naar binnen gekeerde, de nationale staat boven alles plaatsende politieke tradities. Dit is, zoals we zullen toelichten aan de hand van de genealogie van deze bepaling, het resultaat van definiërende momenten in de Nederlandse constitutionele geschiedenis. Artikel 90 is een van de weinige grondwetsbepalingen, naast de artikelen 1, 50 en 81, die met de kracht van een klaroenstoot duidelijk maken waar de Nederlandse constitutionele orde voor staat.

 

Sinds 1953 bevat de Grondwet deze bepaling (destijds artikel 58, tweede lid), maar ze had een betekenisvolle voorgeschiedenis sinds 1922. Ze kreeg een plaats in het hoofdstuk “Van de Koning”, zesde afdeling “van de macht des Konings”, dat in de toenmalige systematiek niet alleen het Koningschap regelde, maar ook de bevoegdheden van de Koning, die werd gezien als personificatie van de regering. Deze afdeling betrof verschillende bevoegdheden waaraan de wetgevende macht (daarover ging Hoofdstuk III, Vijfde afdeling) in beginsel niet te pas hoefde te komen; tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw werd door behoudende duiders van de Grondwet de opvatting verdedigd dat het hier om “koninklijke prerogatieven” ging, ook al konden zij niet eraan voorbijgaan dat de ministeriële verantwoordelijkheid zich sinds 1848 ook tot deze bevoegdheden uitstrekte.

 

Een van deze bevoegdheden van de Koning was geregeld in (laatstelijk) artikel 58, eerste lid, van de Grondwet: “De Koning heeft het opperbestuur der buitenlandse betrekkingen.” Aan die bepaling werd in 1953 de bevordering van de ontwikkeling van de internationale rechtsorde als tweede lid aangehaakt, maar ontdaan van de connotaties als koninklijk prerogatief zei het eerste lid alleen nog maar dat de regering belast was met het buitenlands beleid. Ervan uitgaande dat de minister van Buitenlandse Zaken, ook al heeft hij of zij het voortouw, niet op eigen houtje de koers van de buitenlandse politiek kan bepalen, was deze bepaling een open deur geworden, die bij de algehele grondwetsherziening van 1983 als “overbodig”[1] kon worden geschrapt. Het - in de vorm van het nieuwe, zelfstandige artikel 90 - gehandhaafde tweede lid vertoont intussen nog steeds de sporen van de vroeger eraan voorafgaande bepaling: het draagt  de bevordering van de ontwikkeling der internationale rechtsorde immers op aan de regering, en niet bijvoorbeeld aan de staat (het Koninkrijk der Nederlanden, hierna kortweg aangeduid als Nederland), hoewel het de staat is die als volkenrechtelijk rechtssubject internationale betrekkingen onderhoudt, vertegenwoordigd door de regering of een minister.

 

De in 1953 in de Grondwet opgenomen bepaling over de internationale rechtsorde kwam in de plaats van een in 1922 in de Grondwet opgenomen bepaling dat de Koning, dat wil zeggen de regering, moet trachten “geschillen met vreemde Mogendheden op te lossen door rechtspraak en andere vreedzame middelen.” Ook al was de wijziging van 1953 een belangrijke vernieuwing, toch scheelde het rond 1980 maar een haartje, of de in 1953 ingevoerde bepaling was alweer uit de Grondwet verdwenen. Al versoberend meenden het kabinet-Den Uyl en het eerste kabinet-Van Agt deze bepaling te kunnen missen; er zijn immers, zo redeneerden zij, nog zoveel andere doeleinden van buitenlands beleid.[2] De Raad van State rekende de bepaling tot de weg te laten “overbodige details” [3] Pas na aandringen vanuit de Tweede Kamer nam de regering deze alsnog in het voorstel voor de herziene Grondwet op, waarna een amendement van het toenmalige CDA-Kamerlid, de latere minister van Buitenlandse Zaken Hans van den Broek tot de huidige strakke redactie leidde.[4] Het nastreven van duurzame internationale vrede, het bevorderen van universele verwezenlijking van de rechten van de mens, met inbegrip van economische, sociale en culturele grondrechten, en mondiale solidariteit werden door de regering uitdrukkelijk aangemerkt als uitvloeisel van die bevordering van de internationale rechtsorde.[5]{NOOT]

 

De grondwetsbepalingen inzake buitenlandse betrekkingen en defensie gelden ingevolge artikel 3 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden voor het gehele Koninkrijk, dus niet slechts voor Nederland. Wijzigingen van die bepalingen moeten ingevolge artikel 11 van het Statuut bij Rijkswet geschieden en ingevolge artikel 14 in rijkswetten en algemene maatregelen van rijksbestuur worden uitgewerkt, tenzij het gaat om regels die alleen in Nederland gelden. 

 

2. De grondwetsherziening van 1922  

In het laatste kwart van de negentiende eeuw en het eerste decennium van de twintigste eeuw had Nederland een belangrijke rol gespeeld in de ontwikkeling van de internationale rechtsorde. Internationalisme was in die fase nog vooral een Europees fenomeen.#!6!# Tobias Asser ontving voor zijn bijdrage daaraan in 1911 de Nobelprijs voor de Vrede. In die jaren waren de vernietigende krachten van het nationalisme echter nog te sterk, wat leidde tot de ongekende wreedheden van de Eerste Wereldoorlog. Na het einde daarvan kreeg vooral door de betrokkenheid van de Verenigde Staten het internationalisme vanaf 1919 een betekenis die verder reikte dan het Europese continent,[7] zij het vooralsnog zonder een eind te maken aan het kolonialisme.

 

Nederland stond bij de vredesconferenties die op de Eerste Wereldoorlog weliswaar aan de zijlijn, maar kon toch zijn rol als geprefereerde vestigingsplaats van internationaal-juridische instellingen hernemen. Het behoorde vanaf de oprichting tot de lidstaten van de in 1919 op Amerikaans initiatief gevormde Volkenbond (waarvan de VS zelf als gevolg van binnenlands-politieke strubbelingen geen lid werden). Een van de organen daarvan was het in 1920 gevormde Permanent Hof van Internationale Justitie, dat in het Vredespaleis in Den Haag werd gevestigd. De eerste President van het Hof was de Nederlander B.C.J. Loder, en de installatie ervan vond in 1922 plaats in aanwezigheid van koningin Wilhelmina.

 

Deze herpositionering van Nederland in de internationale betrekkingen vormde het decor voor de grondwetsherziening van datzelfde jaar. De in 1922 in de Grondwet opgenomen eerste volzin van artikel 57 luidde: “De Koning tracht geschillen met vreemde Mogendheden op te lossen door rechtspraak en andere vreedzame middelen.” Deze bepaling was niet alleen de voorloper van het huidige artikel 90, maar gaf als nieuwe norm voorafgaand aan de bepaling over de oorlogsverklaring uitdrukking aan een fundamentele verandering in het denken over oorlog en vrede. De oorlogsverklaring was tot 1922 een zelfstandige bevoegdheid van de Koning (de regering), waarover de Staten-Generaal enkel hoefden te worden geïnformeerd (artikel 58 in de tekst van 1887), maar werd nu aan twee beperkingen gebonden: een inhoudelijke, door de voorrang voor vreedzame geschillenbeslechting, en een procedurele, door voortaan voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal te eisen.[8]
 

3. De grondwetsherziening van 1953[9]

 

De internationaal-politieke situatie was bij de grondwetsherziening van 1953 wederom drastisch veranderd.[10] Die jaren stonden onvermijdelijk in het teken van een herbezinning op de plaats van Nederland in de wereld na de rampspoed van de Tweede Wereldoorlog, die een eind had gemaakt aan de illusie van veiligheid door neutraliteit. Een fundamentele verandering van de Nederlandse positie en zelfbeeld was verder de onafhankelijkheid van Indonesië na een bloedige strijd (1945-1949). De nog overgebleven rijksdelen overzee (Suriname en de Nederlandse Antillen) werden eveneens gedekoloniseerd, maar bleven als autonome landen deel uitmaken van het constitutionele verband dat was geregeld in het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (1954). 

 

Dit had ingrijpende gevolgen voor de rol van Nederland in de internationale rechtsorde en zijn begrip van de eigen identiteit. Aansluiting - als een van de oprichtende staten - bij de Verenigde Naties en het nieuwe stelsel van conflictpreventie (de Veiligheidsraad als ordenend orgaan naast de geschillenbeslechting door het Internationaal Gerechtshof) en integratie in het westelijke bondgenootschap van de NAVO waren de enige zinvolle keuze ten overstaan van de dreiging van een nieuwe wereldoorlog. Naast de Koude Oorlog met het door de USSR geleide communistische machtsblok werd de Koreaanse oorlog (1950-1953) uitgevochten, die in feite ook een conflict was met het Sovjetblok. Bij de internationale en Europese verankering van mensenrechten (onder andere in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 1950) was Nederland een stuwende kracht. Voortbouwend op het internationale engagement van missie en zending werden Nederlandse NGO’s toonaangevende actoren in de ontwikkelingssamenwerking, naast een deels eveneens op het koloniale verleden voortbouwende rol in de internationale handel.

 

In de herziening van de grondwetsbepalingen over de buitenlandse betrekkingen lag de nadruk op de invoeging van de Nederlandse rechtsorde in het grotere geheel van de internationale – waaronder de Europese – rechtsorde. De grondwetsbepalingen over verdragen gaven daar ook uitdrukking aan, met name het toepassingsprimaat van verdragsbepalingen die zich hiervoor lenen (zie het commentaar bij de artikelen 93 en 94). Dat de grondwetsherziening van 1953 voornamelijk de buitenlandse betrekkingen betrof, komt voort uit de fasering van de werkzaamheden van de in 1950 ingestelde staatscommissie onder voorzitterschap van de toenmalige vice-minister-president mr. J.R.H. van Schaik, die begin 1954 voorstellen deed voor een veel omvattende herziening. De internationale betrekkingen waren al in haar interimrapport van juli 1951 besproken, in aansluiting op de voorstellen van de  Commissie nopens de samenwerking tussen Regering en Staten-Generaal inzake het buitenlandse beleid (de Commissie-Van Eysinga) in 1950 aan de Regering had uitgebracht. Dat wat nu artikel 90 is, was door de commissie-Van Eysinga op enigszins anders wijze geredigeerd: “Hij bevordert zoveel mogelijk de ontwikkeling der internationale rechtsgemeenschap.” De staatscommissie vond de woorden “zoveel mogelijk” te afhoudend en liet deze in haar voorstel weg.

 

De herziening van 1953 reikte echter verder. De meest fundamentele constitutionele ontwikkeling was dat ze constitutioneel ruimte maakte voor de eerste stappen naar Europese eenheid – de oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de op het nippertje mislukte vorming van een Europese Defensiegemeenschap – door in artikel 63 (nu artikel 91, derde lid) de mogelijkheid te openen dat in een verdrag dat met 2/3 meerderheid in beide Kamers wordt goedgekeurd wordt afgeweken van de Grondwet, en in artikel 67 (nu artikel 92) te bepalen dat aan volkenrechtelijke (=internationaal-publiekrechtelijke) organisaties bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak kunnen worden opgedragen. Duynstee expliciteerde in zijn commentaar op de grondwetsherziening van 1953 dat het bij de vorming van de EGKS ging om het daadwerkelijk afstaan van overheidsmacht aan supranationale instellingen.[11]
 

4. Ontwikkeling van de internationale rechtsorde en defensietaken

 

Opvallend is dat de bevordering van de internationale rechtsorde rond de eeuwwisseling naderhand als norm voor extern optreden van de krijgsmacht vorm kreeg. Bij de grondwetsherziening van 2000 werd de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde zowel een doelstelling van het bestaan van de krijgsmacht (artikel 97) als een grond voor extraterritoriaal militair optreden (artikel 100).

 

Veiligheidsbeleid is naar huidig inzicht niet meer alleen een verschansing om het eigen land te verdedigen, maar nauw verbonden met het bestaan, de handhaving en de bevordering van de verdere ontwikkeling van de internationale rechtsorde. Dit komt zowel in diplomatieke, internationaal-politieke en rechtvormende activiteiten tot uiting, als in feitelijk, deels militaire preventie en actie. Ook over de eigen grenzen en die van de NAVO-bondgenoten heen moeten oorzaken van onveiligheid worden weggenomen. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid adviseerde in 2017 om de toekomstige taken op het gebied van defensie, buitenlandbeleid en ontwikkelingssamenwerking te ontwikkelen vanuit een geïntegreerde veiligheidsstrategie die zich behalve op traditionele veiligheidsvraagstukken ook richt op  ‘flow security’ van grondstoffen en data, en op ‘human security’[12]


5. Betekenis voor diverse rechtsgebieden

 

De bevordering van de internationale rechtsorde is niet alleen een doelstelling van buitenlandse politiek, maar vooral een streven naar inbedding van de Nederlandse constitutionele orde in een meer omvattende constitutionele ordening van vrede en vrijheid. Wanneer daarvoor aanleiding is, bijvoorbeeld bij het verwerven van steun voor internationale zetels en functies, verwijzen Nederlandse ambtsdragers met trots naar deze in internationale vergelijking heel bijzondere grondwetsbepaling.[13] De bevordering van de ontwikkeling van de internationale rechtsorde omvat niet alleen internationale activiteiten van politiek of diplomatiek fase. Op vele, zo niet alle gebieden van het recht is de ontwikkeling van de internationale rechtsorde relevant: inzake het arbeidsrecht bijvoorbeeld in het kader van de in 1919 naast de Volkenbond opgerichte International Labour Organization, op het gebied van de internationale handel in de World Trade Organization met haar geschillenbeslechtingsprocedures, en op het gebied van het strafrecht door de oprichting van internationale tribunalen en strafhoven, maar ook de verplichting tot interstatelijke strafrechtelijke samenwerking bij de vervolging van internationale misdrijven. Nederlandse bijstand bij het opleiden van functionarissen bij politie, openbaar ministerie en rechterlijke macht in landen in transitie zijn een ander voorbeeld. Het mede door de Nederlandse regering aanvaarde doel van An end to impunity (een eind maken aan feitelijk straffeloosheid van juist de ernstigste misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven,[14] is een verbijzondering van de norm van artikel 90.

7. Internationale en Europese rechtsorde

 

Als algemene bepaling die de artikelen 91-100 inleidt, heeft artikel 90 nu dus de betekenis dat het Koninkrijk der Nederlanden zich in relatie tot andere staten situeert als gezamenlijk onderworpen aan het internationale recht, met inbegrip van het recht van internationale organisaties, en zich daarmee onderwerpt aan vreedzame geschillenbeslechting tussen staten. De bepalingen in dit deel van de Grondwet creëren tevens het kader voor de Nederlandse deelneming aan de ontwikkeling g van de Europese rechtsorde.[15] Een vergelijkbare algemene bepaling over de ontwikkeling van de Europese rechtsorde bevat onze grondwet niet.

 

Sinds de jaren negentig van de vorige eeuw heeft de Europese Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht (artikel 3, tweede lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, Titel V van het Derde Deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie) zich ontwikkeld naast en in samenhang met de op de vier economische vrijheden gebaseerde Europe interne markt; hun  gemeenschappelijke normatieve kader wordt gevormd door de grondrechten, thans neergelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Ook deze ordening is een facet van de overeenkomstig artikel 90 na te streven ontwikkeling van de internationale rechtsorde. De Ruimte van vrede, veiligheid en recht en de rechtsstatelijkheid in Europees verband doen sterk denken aan wat binnen staten wordt nagestreefd, maar in verhouding tot de Europese geschiedenis is nog steeds van belang hoe hiermee de verhouding tussen de staten is veranderd. Europa heeft immers een eeuwenlange geschiedenis van steeds gewelddadiger onderlinge oorlogen gekend, die verbonden waren met revoluties, nationalistische en imperialistische staatsvorming, en koloniale expansie. De Europese Unie heeft hiermee gebroken door de vorming van een gemeenschappelijke rechtsorde waarin geen plaats meer is voor oorlogen tussen staten.[16] Zo zijn vrede en recht op internationaal en Europees niveau met elkaar ten diepste verbonden.

 8. Literatuur

-   L.F.M. Besselink, H.R.B.M. Kummeling, R. de Lange, P. Mendelts en S. Prechal, De Nederlandse Grondwet en de Europese Unie, European Law Publishing, Groningen 2002.

-   F.M.C. Vlemminx, Commentaar op artikel 90 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2015 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).

-   Leonard Besselink & Monica Claes, ‘The Netherlands: The Pragmatics of a Flexible, Europeanised Constitution’, Anneli Albi 7 Samo Bardutzky (eds.), National Constitutions in European and Global Governance: Democracy, Rights, the Rule of Law (National Reports), Vol. I, The Hague: Asser Press / Springer Open 2019, p. 179-219.


9. Historische versies

Art. 38, tweede volzin, Gw. 1814: aan Hem behoort dienvolgens het bestuur der buitenlandsche betrekkingen mitsgaders het benoemen en herroepen van Gezanten en Consuls.

Art. 56, eerste volzin, Gw. 1815: De Koning heeft het bestuur der buitenlandsche betrekkingen (art. 55, eerste volzin, Gw. 1840; art. 57 Gw. 1887; art. 56 Gw. 1922; art. 58 Gw. 1938).

Art. 57, eerste volzin, Gw. 1922: De Koning tracht geschillen met vreemde Mogendheden op te lossen door rechtspraak en andere vreedzame middelen.

Art. 58, tweede lid, Gw. 1953: Hij bevordert de ontwikkeling der internationale rechtsorde.

 

 

Noten

  1. Kamerstukken II 1977-1978, 15049 (R 1100), nr. 3, p. 9.
  2. T.a.p..
  3. Kamerstukken II 1977-1978, 15049 (R 1100), nr. 4, p. 17.
  4. Zie achtereenvolgens Kamerstukken II 1978-1979, 15049 (R 1100), nr. 6, p. 6-8; 1979-1980, 15049 (R 1100), nr. 7, p. 4-5, nr. 8 en nr 15.
  5. Kamerstukken II 1979-1980, 15049 (R 1100), nr. 7, p. 4-5
  6. Akira Iriye, ‘The International Order’, in: Richard W. Bulliet, ed., The Columbia History of the 20th Century, New York: Columbia University Press 1998, p. 229-247 (235-236).
  7. Irye, a,w,, p. 237.
  8. De in artikel 57 vervatte veranderingen waren bepleit en in een amendement neergelegd door het SDAP-kamerlid J.H.A. Schaper. Zie J.Th.J. van den Berg en J.J. Vis, De eerste honderdvijftig jaar: Parlementaire geschiednis van Nederland, 1796-1946, Amsterdam: Bert Bakker 2013, p. 608.
  9. Zie F.J.F.M. Duynstee, Grondwetsherziening 1953: De nieuwe bepalingen omtrent de buitenlandse betrekkingen in de Grondwet, Deventer: Kluwer 1954.
  10. Daarover Wouter van Dis, ‘1953: Van kolonialisme naar mondiale soevereiniteit’, in: Lex Heerma van Voss, Marjolein ’t Hart e.a. (red.), Wereldgeschiedenis van Nederland, 602-607.
  11. Ad art. 63, p. 40-41, ad art. 67, p. 9, p. 17.
  12. Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, Veiligheid in een wereld van verbindingen. Een strategische visie op het defensiebeleid (Rapport 98), Den Haag: WRR 2017.
  13. Een voorbeeld daarvan, ontleend aan een toespraak van minister-president Rutte, is vermeld in de vorige editie van dit commentaar van de hand van Frank Vlemminx (2015), dat op www.Nederlandrechtsstaat.nl kan worden geraadpleegd.
  14. Zie het Diplomatic Statement van 16 juli 2018 https://www.government.nl/documents/diplomatic-statements/2018/07/16/the-long-road-to-ending-impunity-we-can’t-get-there-without-the-icc
  15. Leonard Besselink & Monica Claes, ‘The Netherlands: The Pragmatics of a Flexible, Europeanised Constitution’, Anneli Albi 7 Samo Bardutzky (eds.), National Constitutions in European and Global Governance: Democracy, Rights, the Rule of Law (National Reports), Vol. I, The Hague: Asser Press / Springer Open 2019, p. 179-219 (187-191).
  16. Dieter Langewiesche, Der gewaltsame Lehrer: Europas Kriege in der Moderne. München: C.H. Beck, p. 417.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    F.M.C. Vlemminx, Commentaar op artikel 90 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2020 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Bevordering internationale rechtsorde

Het belang van de internationale rechtsorde is sinds de Tweede Wereldoorlog en vooral de laatste decennia enorm gegroeid. Het bevorderen van de ontwikkeling van die internationale rechtsorde is een taak van de regering. Dat houdt veel meer in dan alleen het onderhouden van buitenlandse betrekkingen: de regering moet actief streven naar een internationale gemeenschap die niet is gegrond op machtspolitiek, uitbuiting en agressie, maar op respect voor het internationaal recht.
 
Dat betekent onder meer dat de regering ervoor zorg draagt dat ons land toetreedt tot verbanden die tot doel hebben de internationale rechtsorde te versterken, zoals de Verenigde Naties, de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) en de Raad van Europa. Verder is Nederland partij bij uiteenlopende mensenrechtenverdragen, waaronder het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBP) en een groot aantal verdragen die sociaaleconomische rechten beschermen en allerlei vormen van discriminatie verbieden.
 
Hoewel de Grondwet de term ‘Europa’ nergens noemt – wat wel een gemis mag worden genoemd – is ook de actieve en stimulerende rol van Nederland in de Europese Unie onderdeel van de taak van de regering om de internationale rechtsorde te versterken.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Bevordering internationale rechtsorde

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Bevordering internationale rechtsorde

Recente rechtspraak

Bevordering internationale rechtsorde

Politiek

Bevordering internationale rechtsorde

Oud-premier Van Agt betoogt dat het Nederlandse tolereren van de Israëlische bezetting van Palestijnse gebieden in strijd is met de Grondwet. Dit artikel behandelt Van Agts toelichting van de petitite die hij overhandigde aan de Tweede Kamer.
Video
Blogs
IN DE WERELD
Video

Bevordering internationale rechtsorde

  • Nederland en de internationale rechtsorde
André Nollkaemper
Nederland en de internationale rechtsorde
27-11-2006
In deze editie van Maagdenhuis op maandag bespreekt hoogleraar Internationaal publiek recht André Nollkaemper de in zijn ogen ambigue positie van Nederland in de internationale rechtsorde. Zijn lezing ontleedt deze schijnbare tegenstrijdigheid tussen het Nederlandse geloof in 'internationaal recht als recht' en de praktijk van 'internationaal recht als politiek'.
Blogs

Bevordering internationale rechtsorde

Een pleidooi van de krijgswetenschapper Anne Tjepkema om te investeren in het ministerie van Defensie zodat de doelstelling om de internationale rechtsorde te bevorderen niet uit het oog verloren raakt.

Arjan Vliegenthart betoogt dat het kabinet Balkenende IV het artikel 90 van Grondwet schond door de oorlog in Irak te steunen.
In de wereld

Bevordering internationale rechtsorde

De toespraak van minister-president Rutte op 25 september 2014 in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (VN) in New York.