CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • G. Leenknegt
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • A.A.L. Beers en K.T. Meijer
  • B.C. van Beers
  • B.M.J. van der Meulen
  • B.P. Vermeulen
  • B.W.N. de Waard
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • E.J. Janse de Jonge
  • E.J. Koops
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • F. Fleurke
  • F.C.M.A. Michiels
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx en A.C.M. Meuwese
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard en J. Uzman
  • G. Leenknegt
  • G. Overkleeft-Verburg
  • G. van der Schyff en B.M.J. van der Meulen
  • J. Kiewiet en G.F.M. van der Tang †
  • J. Uzman
  • J. Uzman en G. Boogaard
  • J.C.A. de Poorter
  • J.L.M. Gribnau en M.R.T Pauwels
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • J.W.A. Fleuren
  • K.T. Meijer
  • M. Adams
  • Mijke Houwerzijl & Nuna Zekic
  • Mijke Houwerzijl en Frank Vlemminx
  • P. Jacobs
  • S. Daniëls
  • S. Jellinghaus en E. Huisman
  • S.C. van Bijsterveld
  • S.C. van Bijsterveld en B.P. Vermeulen
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • T. Kooijmans
  • T. Peters
  • W. van der Woude
  • W.J.M. Voermans
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

Artikel 90 - Bevordering internationale rechtsorde

De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde.

Artikel 91 - Goedkeuring verdrag

  1. Het Koninkrijk wordt niet aan verdragen gebonden en deze worden niet opgezegd zonder voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. De wet bepaalt de gevallen waarin geen goedkeuring is vereist.

  2. De wet bepaalt de wijze waarop de goedkeuring wordt verleend en kan voorzien in stilzwijgende goedkeuring.

  3. Indien een verdrag bepalingen bevat welke afwijken van de Grondwet dan wel tot zodanig afwijken noodzaken, kunnen de kamers de goedkeuring alleen verlenen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 92 - Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties

Met inachtneming, zo nodig, van het bepaalde in artikel 91, derde lid, kunnen bij of krachtens verdrag aan volkenrechtelijke organisaties bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak worden opgedragen.

Artikel 93 - Verbindende kracht verdrag

Bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 94 - Verdrag boven wet

Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 95 - Bekendmaking verdrag

De wet geeft regels omtrent de bekendmaking van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 96 - Oorlogsverklaring

  1. Het Koninkrijk wordt niet in oorlog verklaard dan na voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal.

  2. De toestemming is niet vereist, wanneer het overleg met de Staten-Generaal ten gevolge van een feitelijk bestaande oorlogstoestand niet mogelijk is gebleken.

  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  4. Het bepaalde in het eerste en het derde lid is van overeenkomstige toepassing voor een verklaring dat een oorlog beëindigd is.

Artikel 97 - Krijgsmacht

  1. Ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk, alsmede ten behoeve van de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde, is er een krijgsmacht.

  2. De regering heeft het oppergezag over de krijgsmacht.

Artikel 98 - Samenstelling krijgsmacht

  1. De krijgsmacht bestaat uit vrijwillig dienenden en kan mede bestaan uit dienstplichtigen.

  2. De wet regelt de verplichte militaire dienst en de bevoegdheid tot opschorting van de oproeping in werkelijke dienst.

Artikel 99 - Gewetensbezwaren militaire dienst

De wet regelt vrijstelling van militaire dienst wegens ernstige gewetensbezwaren.

Artikel 99a - Civiele verdediging

Volgens bij de wet te stellen regels kunnen plichten worden opgelegd ten behoeve van de civiele verdediging.

Artikel 100 - Inlichtingen over krijgsmacht

  1. De regering verstrekt de Staten-Generaal vooraf inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. Daaronder is begrepen het vooraf verstrekken van inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht voor humanitaire hulpverlening in geval van gewapend conflict.

  2. Het eerste lid geldt niet, indien dwingende redenen het vooraf verstrekken van inlichtingen verhinderen. In dat geval worden inlichtingen zo spoedig mogelijk verstrekt.

Artikel 103 - Uitzonderingstoestand

  1. De wet bepaalt in welke gevallen ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid bij koninklijk besluit een door de wet als zodanig aan te wijzen uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd; zij regelt de gevolgen.

  2. Daarbij kan worden afgeweken van de grondwetsbepalingen inzake de bevoegdheden van de besturen van provincies, gemeenten en waterschappen, van de grondrechten geregeld in de artikelen 6, voor zover dit de uitoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen van het in dit artikel omschreven recht betreft, 7, 8, 9, 12, tweede en derde lid, en 13, alsmede van artikel 113, eerste en derde lid.

  3. Terstond na de afkondiging van een uitzonderingstoestand en voorts, zolang deze niet bij koninklijk besluit is opgeheven, telkens wanneer zij zulks nodig oordelen beslissen de Staten-Generaal omtrent het voortduren daarvan; zij beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

F.M.C. Vlemminx

ARTIKEL 90 - Bevordering internationale rechtsorde

INHOUD
1. Inleiding
2. Een korte terugblik
3. De bevoegdheid om verdragen te sluiten en op te zeggen
4. De internationale rechtsorde
5. De Europese rechtsorde
6. De zorgplicht van artikel 90
7. De ‘schaduwzijde’ van de internationale rechtsorde
8. De inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht
9. Slotopmerkingen
10. Jurisprudentie
11. Literatuur
12. Historische versies

Editie maart 2015

1. Inleiding

Op 25 september 2014 sprak minister-president Mark Rutte naar aanleiding van de vliegramp met de MH17 in het oosten van Oekraïne de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (VN) toe. Hij deelde mede dat het Koninkrijk der Nederlanden zich sterk bleef maken voor een volledige verdrijving van extreme armoede in de wereld en ook bleef deelnemen aan internationale vredesoperaties. Naar de stellige overtuiging van de Nederlandse regering konden de grote problemen waarvoor de wereldgemeenschap zich zag gesteld, immers uitsluitend via internationale samenwerking worden aangepakt. De minister-president vestigde de aandacht op artikel 90 Grondwet: ‘The Constitution of the Kingdom of the Netherlands contains a unique article that says: “The Government shall promote the development of the international legal order”. This self-imposed responsibility comes from a long tradition of freedom, respect for the rule of law and our country’s international orientation.’[1] Artikel 90 Grondwet drukt zonder meer een eerbiedwaardige Nederlandse traditie uit. Het is mede aan deze traditie te danken dat de zetel van het Internationaal Gerechtshof in Den Haag werd gevestigd. Hetzelfde geldt voor het Internationaal Strafhof en het Joegoslavië-tribunaal die eveneens in Den Haag zetelen. Het Koninkrijk der Nederlanden streeft al jarenlang internationale ontwikkelingssamenwerking en universele verwezenlijking van de mensenrechten na. Dit betekent overigens niet dat het Koninkrijk zich altijd coöperatief naar internationale organisaties als de VN heeft opgesteld. Zo betwistte in 1947 de Nederlandse vertegenwoordiger in de Veiligheidsraad Van Kleffens naar eigen zeggen ‘duidelijk en krachtig’[2] dat de Veiligheidsraad bevoegd zou zijn om zich te bemoeien met de kwestie-Indonesië. De in deze kolonie gevoerde militaire operaties zouden geen oorlog betreffen maar een binnenlandse aangelegenheid tot herstel van orde en rust.[3]
 

2. Een korte terugblik

Voor een goed begrip van artikel 90 is het noodzakelijk om ook de voorlopers uit verschillende oude versies van de Grondwet in de beschouwing te betrekken. Daarbij moet onderscheid worden gemaakt tussen de competentiekwestie en de programmatische betekenis.
De geschiedenis van de competentiekwestie vangt aan met de Grondwetten van 1814 en 1815 die expliciet bepaalden dat ‘het bestuur der buitenlandsche betrekkingen’ een bevoegdheid vormde van de uitvoerende macht, de Koning. In 1848 werd het woord ‘bestuur’ vervangen door ‘opperbestuur’. Dit gebeurde bij een grondwetsherziening die ook de bepaling omtrent de ministeriële verantwoordelijkheid, dus het huidige artikel 42, tweede lid, introduceerde. Aanvankelijk ontkende de regering dat de ministeriële verantwoordelijkheid betrekking kon hebben op het terrein van de buitenlandse betrekkingen. Dat beleidsterrein zou een prerogatief van de Koning zijn, dat wil zeggen, een recht van de vorst dat de volksvertegenwoordiging zou dienen te respecteren. In de grondwetsbepaling omtrent ‘het opperbestuur der buitenlandse betrekkingen’ werd dus een strikte bevoegdheidsafbakening gelezen. Na de Luxemburgse kwestie uit 1868[4] stond de ministeriële verantwoordelijkheid op het terrein van de buitenlandse betrekkingen echter buiten kijf. In 1919 kwam er in de Tweede Kamer een vaste commissie voor Buitenlandse Zaken en in 1950 gebeurde hetzelfde in de Eerste Kamer. Na de Tweede Wereldoorlog trad de regering steeds vaker op eigen initiatief met de volksvertegenwoordiging in discussie over het buitenlandse beleid en tegenwoordig is de invloed van het parlement op dat beleid onomstreden.[5] De bepaling omtrent ‘het opperbestuur der buitenlandse betrekkingen’ verdween in 1983 uit de Grondwet. Bij de algehele grondwetsherziening werd ze bewust verwijderd omdat ze volgens de regering de indruk zou kunnen wekken dat aan de invloed van de Staten-Generaal ‘een grens wordt gesteld.’ Dat kwam de regering ‘ongewenst’ voor.[6]

Bij de programmatische betekenis zijn de beide Wereldoorlogen van grote invloed geweest. De verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog leidden in 1922 tot de invoering van een nieuwe grondwetsbepaling: ‘De Koning tracht geschillen met vreemde mogendheden op te lossen door rechtspraak en andere vreedzame middelen.’ Dat rechtspraak apart als eerste middel werd genoemd was omdat kort daarvoor het Internationaal Gerechtshof in Den Haag werd gevestigd.[7] In 1953, dus na de Tweede Wereldoorlog, werd de tekst veranderd in ‘Hij bevordert de ontwikkeling der internationale rechtsorde.’ Die tekst werd bij de algehele grondwetsherziening van 1983 met een enkele grammaticale aanpassing van ondergeschikte betekenis neergelegd in artikel 90.
 

3. De bevoegdheid om verdragen te sluiten
    en op te zeggen

Omdat het voorschrift omtrent ‘het opperbestuur der buitenlandse betrekkingen’ in 1983 bewust uit de Grondwet werd geschrapt wordt algemeen aangenomen dat de regering op zich geen bevoegdheden aan artikel 90 ontleent.[8] Er is echter een belangrijke uitzondering. Uit de combinatie met artikel 91 Grondwet wordt voor de regering de bevoegdheid afgeleid verdragen te sluiten en op te zeggen.[9] Het sluiten kan ook namens de regering geschieden. Sedert 1 mei 1950 is de minister van Buitenlandse Zaken gemachtigd, op grond van een kabinetsrescript van 6 maart 1950, nr. 53, verdragen die niet hoeven te worden bekrachtigd, ‘zelf te sluiten of krachtens door hem gegeven machtiging te doen sluiten’.[10]Ten aanzien van de bevoegdheid verdragen te sluiten of op te zeggen is voor rechterlijke inmenging geen plaats.[11]

Het volkenrecht geeft eigen regels omtrent het sluiten van verdragen door staten. Volkenrechtelijke binding aan een verdrag ontstaat via ondertekening door een vertegenwoordiger van de staat en artikel 7, tweede lid, onder a, Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht (Verdrag van Wenen) bepaalt dat zowel de regeringsleider (minister-president) als de minister van Buitenlandse Zaken alleen al op grond van hun functies als vertegenwoordigers worden aangemerkt. Op dit punt doet zich dus een discrepantie voor met het nationale recht. Wanneer deze ministers onverhoopt hun nationaalrechtelijke bevoegdheden te buiten gaan, is het Koninkrijk volkenrechtelijk toch gebonden. Dit vloeit voort uit de artikelen 27 en 46 van het Verdrag van Wenen. Volgens deze bepalingen mag een staat zich niet beroepen op nationaal recht om het niet ten uitvoer leggen van een verdrag te rechtvaardigen. Deze regel geldt in beginsel ook voor het nationale recht betreffende de bevoegdheid tot het sluiten van verdragen. Bovendien laat artikel 120 Grondwet de nationale rechter niet veel ruimte om een verdrag op zijn grondwettigheid te beoordelen. Aanvullende informatie over de verdragssluiting is te vinden in paragraaf 3 van het commentaar op artikel 91 Grondwet.
 

4. De internationale rechtsorde

Vanwege haar zakelijke inhoud en stijl werd de huidige moderne Grondwet nog niet zo lang geleden getypeerd als ‘kaal’.[12] De Staatscommissie Grondwet die in 2010 een rapport uitbracht over herziening van de Grondwet, heeft voorgesteld om een algemene bepaling aan de Grondwet toe te voegen waarin wordt verklaard dat het Koninkrijk een democratische rechtsstaat vormt waarin de overheid de menselijke waardigheid, de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen eerbiedigt.[13] Hoe verdienstelijk dit voorstel ook moge zijn,[14] tegelijkertijd lijkt niet helemaal te worden gewaardeerd hoezeer in artikel 90 via de simpele woorden ‘internationale rechtsorde’ al fundamentele waarden, idealen en aspiraties besloten liggen. Bij de algehele grondwetsherziening van 1983 gaf de regering aan dat het begrip ‘internationale rechtsorde’ diende ‘te worden verstaan in de ruime zin van een internationaal bestel gebaseerd op universeel geldende rechtsnormen (…).’[15] Daarbij gaf zij de volgende toelichting: ‘Sinds de Tweede Wereldoorlog heeft de Regering bij herhaling uitdrukking gegeven aan de overtuiging, dat een internationaal stelsel van geheel soevereine staten niet meer past bij de vraagstukken waarmee de huidige wereld zich geconfronteerd ziet en dat het daarom gewenst is dit stelsel om te bouwen tot een nieuwe wereldorde waarin nationale belangen zonodig ondergeschikt gemaakt kunnen worden aan meer omvattende belangen. De tegen de achtergrond van deze overtuiging (…) in 1953 in de Grondwet opgenomen bepaling inzake bevordering der internationale rechtsorde doet dan ook in de eerste plaats uitkomen, dat in het Nederlandse constitutionele bestel de nationale soevereiniteit niet als een absolute norm wordt beschouwd. Tegelijkertijd omvat het streven naar een op universeel geldende rechtsnormen gebaseerd internationaal stelsel ook naar onze mening het bevorderen van universele verwezenlijking van de rechten van de mens, en wel in de breedste zin van het woord, dat wil zeggen zowel de burgerrechten en politieke rechten als de economische, sociale en culturele rechten.’[16]

Door zich via artikel 90 Grondwet te committeren aan de bevordering van alle universele mensenrechten, dus van alle rechten zoals neergelegd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESCR) en het Europees Sociaal Handvest (ESH) alsmede allerlei specifieke verdragen in het kader van de VN en de Raad van Europa verkondigt het Koninkrijk de menselijke waardigheid, klassieke en sociale grondrechten en fundamentele rechtsbeginselen als de toegang tot de rechter te eerbiedigen en te waarborgen en er een democratisch staatsbestel op na te houden waarbij de overheid is gebonden aan het recht. Wat in artikel 90 en verder in de Grondwet in het algemeen aan verheven taal en plechtige formuleringen wordt gemist kan ruimschoots worden gevonden in de preambules van deze internationale mensenrechtendocumenten. De Grondwet geeft slechts aan dat in die preambules en verdragsbepalingen waarden, idealen en directieven te vinden zijn die het Koninkrijk ten volle onderschrijft. Hetzelfde geldt voor de preambule van het Handvest van de VN die opnieuw het vertrouwen bevestigt in de fundamentele rechten van de mens, in de waardigheid en de waarde van de menselijke persoon en in gelijke rechten voor mannen en vrouwen en die uitspreekt dat gerechtigheid, verdraagzaamheid en vrede worden nagestreefd. Gaat van de nuchtere en bedaarde verwijzing naar zulke documenten die acht jaar na de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog in de Grondwet werd opgenomen, niet voldoende kracht en richting uit? Natuurlijk geldt wel als voorwaarde dat men bereid is om de boodschap in artikel 90 te lezen. Gelukkig is de Nederlandse rijksoverheid de instructie van artikel 90 allesbehalve vergeten: http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/internationale-vrede-en-veiligheid/internationale-rechtsorde. Ook geeft ze met klem te kennen dat het Koninkrijk probeert om de mensenrechten over de hele wereld te beschermen en te bevorderen: http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/mensenrechten. Mensenrechten zijn zelfs een hoeksteen van het Nederlandse buitenlandse beleid: http://www.rijksoverheid.nl/nieuws/2013/06/14/mensenrechten-hoeksteen-buitenlands-beleid-nederland.html.

De typering die de regering in haar toelichting op artikel 90 van de internationale rechtsorde geeft, stemt overeen met de visie die in de literatuur aan de dag wordt gelegd. Het internationale recht is meer dan ‘just a random collection of rules’. Het heeft ‘the characteristics of a system’ waarbij vervolgens wel wordt aangetekend dat het systeem vanuit institutioneel oogpunt niet volmaakt is. Zo ontbreekt ‘a legislature with universal authority’ en geldt in beginsel een ‘consensual basis for judicial jurisdiction’.  Daarom berust de internationale rechtsorde nog steeds goeddeels op vrijwillige samenwerking tussen staten.[17] Niettemin verschaft het internationale recht ‘a normative structure for a rules-based system of international society.’[18] Sinds de Tweede Wereldoorlog wint die normatieve structuur bovendien sterk aan kracht doordat er een zeker proces van constitutionalisering aan de gang is. Met ‘constitutionalisering’ wordt hier gedoeld op pogingen ‘to translate to the international plane concepts that were traditionally reserved for domestic constitutions.’[19] Er is een streven om de internationale rechtsorde, net als een nationale rechtsorde, van een constitutionele basis te voorzien. Drie elementen spelen in het bijzonder een rol: ‘a hierarchy of norms, enforceable individual rights, and judicial review.’[20] Hoe verhouden deze elementen zich tot elkaar? Van de ene kant staat ieder element op zichzelf, met een geheel eigen toepassingsbereik. Zo valt bij de normenhiërarchie die zich binnen de internationale rechtsorde begint af te tekenen, te wijzen op artikel 103 Handvest van de VN. Volgens deze bepaling hebben verplichtingen ingevolge het Handvest voorrang boven verplichtingen die voortvloeien uit andere internationale overeenkomsten en artikel 30, eerste lid, Verdrag van Wenen bevestigt dat nog eens. Van de andere kant bestaat er vanuit het perspectief van de universele mensenrechten tussen de drie elementen een onmiskenbare samenhang. Bij de rechten in de universele en regionale mensenrechtenverdragen is van belang dat het gaat om ‘enforceable individual rights’, rechten die niet alleen theoretische en abstracte betekenis hebben maar door het individu ook concreet in de praktijk kunnen worden ingeroepen. Het vraagstuk van de ‘judicial review’ verdient daarbij bijzondere aandacht. Per slot van rekening laat bijvoorbeeld het EVRM er via artikel 6 geen twijfel over bestaan dat het recht op een eerlijk proces en het recht op toegang tot de rechter[21] zelf ook tot die mensenrechten behoren. Verder wordt binnen de internationale normenhiërarchie voor mensenrechten een bijzondere plaats ingeruimd. Dat gebeurt mede dankzij ‘the inspirational role of in particular Article 1(3) of the UN Charter’.[22] In artikel 1, derde lid, Handvest van de VN wordt de totstandbrenging van ‘[i]nternationale samenwerking bij (…) het bevorderen en stimuleren van eerbied voor de rechten van de mens en voor fundamentele vrijheden voor allen’ als doelstelling van de VN aangemerkt. In de toelichting die de regering op artikel 90 geeft, klinkt dat door.[23] Volgens de regering is de ontwikkeling van de internationale rechtsorde onlosmakelijk verbonden met de universele verwezenlijking van de mensenrechten. De prominente plaats van de mensenrechten binnen de internationale normenhiërarchie blijkt verder bijvoorbeeld uit het gegeven dat universele en regionale mensenrechtenverdragen een erga omnes effect hebben naar alle andere staten die deze verdragen hebben ondertekend.[24] Bij de rechtsfiguur van de erga omnes verplichtingen waarvan de bakermat ligt in de jurisprudentie van het Internationaal Gerechtshof,[25] gaat het om verplichtingen ten opzichte van de internationale gemeenschap als geheel. Alle staten hebben een juridisch belang bij de nakoming ervan. In General Comment No. 31 uit 2004 waarin wordt uiteengezet wat voor algemene verplichting wordt opgelegd door de burgerrechten en de politieke rechten van het IVBPR, merkt het Human Rights Committee op: ‘[R]ules concerning the basic rights of the human person are erga omnes obligations’. Vervolgens wijst het erop dat uit artikel 1, derde lid, Handvest van de VN de plicht voortvloeit ‘to promote universal respect for, and observance of, human rights and fundamental freedoms.’[26]

Er is bij de bespreking van artikel 90 Grondwet reden om kort stil te staan bij de erga omnes doctrine en het leerstuk van de universele mensenrechten. Centraal staan dan niet zozeer de burgerrechten en de politieke rechten als wel de economische, sociale en culturele rechten alsmede specifieke kinder- of vrouwenrechten in de sociaaleconomische sfeer. In haar toelichting op artikel 90 benadrukt de regering nog eens extra dat ook van dergelijke rechten de universele verwezenlijking dient te worden bevorderd. Nu valt het op dat het Koninkrijk de laatste jaren vanuit de VN stevige kritiek krijgt omdat het aan dergelijke rechten nog steeds over nagenoeg de hele linie rechtstreekse werking onthoudt. Het VN Comité inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten dringt er bij het Koninkrijk met klem op aan om ervoor te zorgen dat de rechten van het IVESCR in rechte afdwingbaar worden.[27] Zie hierover paragraaf 1 van het commentaar op artikel 93 en paragraaf 3 van het commentaar op artikel 94. Het CEDAW Comité dat toeziet op de naleving van het VN Vrouwenverdrag is en blijft zeer bezorgd over de status van het Vrouwenverdrag in het Nederlandse rechtssysteem en in het bijzonder over het feit dat de regering de mening lijkt toegedaan dat niet alle inhoudelijke bepalingen van het verdrag rechtstreeks van toepassing zijn.[28] Meer informatie betreffende de nationale jurisprudentie over het Vrouwenverdrag is te vinden in paragraaf 3 van het commentaar op artikel 94. Het Koninkrijk doet er goed aan om de kritiek van deze VN Comités ter harte te nemen. De reserve die ten aanzien van de afdwingbaarheid van dit soort rechten aan de dag wordt gelegd, kan afbreuk doen aan het erga omnes effect van de rechten. Er mag niet de situatie ontstaan dat het Koninkrijk zich weliswaar inzet voor de verwezenlijking en afdwingbaarheid van deze rechten in andere landen en dan vooral ontwikkelingslanden, maar wanneer het op de eigen tekortkomingen wordt aangesproken, niet thuis geeft.[29] De ontwikkeling van de internationale rechtsorde wordt dan immers eerder afgeremd of belemmerd dan bevorderd.[30]

Bovendien vertoont de internationale rechtsorde een zekere innerlijke samenhang die zich juist op het vlak van de universele mensenrechten sterk manifesteert. De mensenrechtenverdragen zijn onderling verweven. Zoals nader wordt uiteengezet in paragraaf 13 van het commentaar op artikel 94 Grondwet vloeit uit artikel 31, derde lid, onder c, Verdrag van Wenen voort dat bij de interpretatie van een mensenrechtenverdrag acht moet worden geslagen op andere mensenrechtenverdragen. Zo gebruikt het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) de sociale en economische rechten in verdragen als het ESH bij de uitleg van het EVRM.[31]Er is geen ‘water-tight division’, zegt het EHRM al in 1979,[32]en in 2008 geeft het nog eens een bijzonder principiële toelichting.[33]‘All human rights are universal, indivisible and interdependent and interrelated’, aldus de slotverklaring van de Wereldconferentie die op besluit van de Algemene Vergadering van de VN in 1993 te Wenen plaatsvond.[34] Daarom kan een staat onmogelijk afwijzend staan tegenover sociale en economische rechten en ondertussen burgerrechten en politieke rechten volledig omarmen.Beide categorieën rechten zijn te verstrengeld, niet alleen qua fundamenten maar ook als het gaat om de uitwerking in allerlei leerstukken. De Nederlandse rechter maakt daar handig gebruik van wanneer hij een bepaalde schending van sociale rechten en kinderrechten oplost via het EVRM. Ontegenzeglijk verbindt hij consequenties aan de sterke onderlinge verwevenheid die de internationale rechtsorde bij de mensenrechten dicteert. In paragraaf 6 komt deze fraaie jurisprudentie van de nationale rechter opnieuw aan bod en meer informatie hierover is te vinden in de paragrafen 12 en 13 van het commentaar op artikel 94 Grondwet.
 

5. De Europese rechtsorde

Is het zinvol om artikel 90 aan te vullen met de ontwikkeling van de Europese rechtsorde met inbegrip van het recht van Europese Unie (EU)? Een voorstel in die richting werd gedaan in een onderzoeksrapport dat in het najaar van 2002 naar aanleiding van de aanvaarding van de motie-Jurgens c.s. in de Eerste Kamer[35] tot stand kwam.[36] In 2010 bleek ook de Staatscommissie Grondwet een voorstander. In het voorstel van de Staatscommissie zou artikel 90 als volgt komen te luiden: ‘De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale en de Europese rechtsorde.’ De Staatscommissie gaf de volgende toelichting: ‘De Europese rechtsorde en het recht dat deze orde omvat, in het bijzonder het recht van de Europese Unie en het recht dat verband houdt met de Raad van Europa (onder andere het EVRM), zijn zo belangrijk voor het Koninkrijk dat de Europese rechtsorde naar het oordeel van de Staatscommissie uitdrukkelijke vermelding verdient naast de internationale rechtsorde in het algemeen.’[37] Voor een aparte vermelding pleit dat de Europese rechtsorde volledig deel uitmaakt van de nationale rechtsorde van de lidstaten. Toch voelt de regering er weinig voor, want de huidige taakstelling ‘omsluit het streven van de regering dat ook de Europese verhoudingen (zowel in het kader van de Europese Unie als de Raad van Europa) gegrondvest zijn op het recht.’[38] Voor het standpunt van de regering valt ook het nodige te zeggen. In het bijzonder is het enigszins verwarrend om de internationale rechtsorde en de Europese rechtsorde zo nadrukkelijk naast elkaar te zetten. Er wordt een tegenstelling gesuggereerd die er niet is. De Europese rechtsorde maakt immers evenzeer volledig deel uit van de internationale rechtsorde. Zo benadrukt het EHRM dat het EVRM niet geïnterpreteerd kan worden in een ‘vacuüm’[39] maar integendeel zoveel mogelijk geïnterpreteerd moet worden in overeenstemming met ‘the other principles of international law of which it forms a part (…).’[40] Ook de EU is niet alleen volledig ingebed in de internationale rechtsorde[41] maar zij speelt bovendien een belangrijke rol bij de vorming van internationaal recht.[42]
 

6. De zorgplicht van artikel 90

Artikel 90 is duidelijk verwant aan de sociale grondrechten in hoofdstuk 1 van de Grondwet. Op die verwantschap werd bij de algehele grondwetsherziening van 1983 vanuit het parlement gewezen. Aanvankelijk stelde de regering voor om de opdracht aan de regering helemaal te laten vervallen. De bepaling zou overbodig zijn omdat de traditie van het Koninkrijk om mee te werken aan de bevordering van de internationale rechtsorde ongetwijfeld ook zonder een dergelijke opdracht zou worden voortgezet.[43] De Tweede Kamer kon zich niet in het voorstel van de regering vinden, waarbij onder meer werd opgemerkt hoe ongerijmd het was om in hoofdstuk 1, bijvoorbeeld op het vlak van de werkgelegenheid of de bescherming en verbetering van het leefmilieu, allerlei zorgplichten op te nemen en tegelijkertijd deze zorgplicht te schrappen.[44] Bij nader inzien vond de regering het niet passend om ook maar ‘enige ruimte’ te laten ‘voor het misverstand, nationaal of internationaal, dat de traditie (…) niet zou worden voortgezet.’[45] Daarom introduceerde zij alsnog de expliciete zorgplicht op het vlak van de internationale rechtsorde.[46] De verwantschap met de sociale grondrechten is des te sterker omdat artikel 90 zich bij het verstrekken van de opdracht aan de regering net als het recht op arbeid van artikel 19, eerste lid, het recht op gezondheid van artikel 22, eerste lid, en het recht op huisvesting van artikel 22, tweede lid, bedient van de term ‘bevorderen’. In zeker opzicht wordt de opdracht in artikel 90 bijzonder krachtig verwoord. Het artikel verplicht de regering niet alleen om de internationale rechtsorde te eerbiedigen en te waken over haar instandhouding maar ook om te streven naar verdere ‘ontwikkeling’, dus naar vervolmaking.

In de jurisprudentie kan de opdracht in artikel 90 een bepaalde functie vervullen. Zo ziet de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zich in 1999 voor de vraag gesteld of (weigering van) legalisatie van een buitenlands document zoals een geboorteakte aan te merken valt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht. Volgens de Afdeling ontbreekt in het onderhavige geval weliswaar een specifieke publiekrechtelijke wettelijke grondslag maar is er wel sprake van een volkenrechtelijke rechtsgrond die in het interne recht doorwerkt omdat ‘de regering, ingevolge art. 90 Gw, de ontwikkeling van de rechtsorde bevordert (…).’ Kortom, de Afdeling las in artikel 90, maar dan wel indirect, de bevoegdheid van de minister van Buitenlandse Zaken om buitenlandse documenten voor echt te verklaren zodat zij tot de Nederlandse rechtsorde kunnen worden toegelaten.[47] Om redenen die buiten artikel 90 om gingen, werd deze jurisprudentie later herzien. Toen oordeelde de Afdeling dat legalisatie noch verificatie aan te merken is als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, Awb waartegen bezwaar en beroep kan worden ingesteld.[48]

In 2004 wordt de Hoge Raad de vraag voorgelegd of de civiele rechter de Nederlandse Staat kan gelasten om zich, mede gelet op het geweldverbod van artikel 2, vierde lid, Handvest van de VN, te distantiëren van bepaalde militaire acties van de Verenigde Staten van Amerika. De Hoge Raad vindt van niet: ‘Art. 90 Gr.w. (…) behelst (…) een instructie aan de regering de internationale rechtsorde te bevorderen, maar noch dit noch enig ander artikel bepaalt op welke wijze hieraan uitvoering moet worden gegeven. In dit verband merkt de Hoge Raad op dat de onderhavige vorderingen (…) betrekking hebben op vragen betreffende het beleid van de Staat op het gebied van buitenlandse politiek en defensie, welk beleid in sterke mate zal afhangen van politieke afwegingen in verband met de omstandigheden van het geval. Het is, ook waar het het geweldverbod betreft, niet aan de burgerlijke rechter om deze politieke afwegingen te maken en op verlangen van een burger de Staat (de regering) bepaalde handelingen ter uitvoering van politieke besluitvorming op het gebied van buitenlands beleid of defensie te verbieden of hem te gelasten op dit gebied een bepaalde gedragslijn te volgen.’[49]

Uit het arrest van de Hoge Raad mag niet worden geconcludeerd dat artikel 90 nooit als maatstaf bij een beoordeling kan fungeren. Of en in hoeverre een rechter of een andere onafhankelijke instantie kan vaststellen dat aan de plicht van artikel 90 onvoldoende invulling wordt gegeven, is sterk afhankelijk van de concrete context. Zo laat het artikel er geen twijfel over bestaan dat de regering zich moet beijveren voor de verdere ontwikkeling van de internationale rechtsorde en wanneer de regering het verzoek bereikt om met het oog op een dergelijke verdere ontwikkeling voor de hand liggende consequenties te verbinden aan stappen die het Koninkrijk zelf eerder uit eigen beweging heeft gezet, lijkt – daargelaten of het aan de rechter is, zich hierover uit te spreken – een afwijzende houding lastig met het artikel te verenigen. In dit verband valt te denken aan het uitblijven van de ratificatie van mensenrechtenverdragen die het Koninkrijk heeft gesloten. Een voorbeeld is het VN Verdrag inzake de rechten van mensen met een beperking van 13 december 2006 dat op 3 mei 2008 in werking is getreden maar door het Koninkrijk nog steeds niet is geratificeerd. Het lijkt zinloos om in dit kader de rechter te benaderen. Maar in het Koninkrijk zijn ook andere onafhankelijke instanties actief zoals het College voor de rechten van de mens dat ingevolge artikel 3 Wet College voor de rechten van de mens onder meer tot taak heeft om aan te sporen tot de ratificatie van mensenrechtenverdragen.[50] Het College heeft het streven naar de ratificatie van het Verdrag inzake de rechten van mensen met een beperking in zijn strategisch plan (p. 11) als een uiterst belangrijke taak aangemerkt.[51] Ook de ratificatie van het Facultatieve Protocol bij het IVESCR dat individuen het recht verleent om klachten in te dienen bij het VN Comité inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten en dat op 5 mei 2013 in werking trad, blijft almaar uit. Op 1 november 2012 deelde de regering de Tweede Kamer mede dat ze aarzelingen heeft over de vraag hoe beslissingen van het Comité zullen doorwerken in het nationale recht.[52]

Nu mag de weigering om het Facultatieve Protocol te bekrachtigen lastig met artikel 90 te verenigen zijn, het lijkt in ieder geval beter dan het internationale toezicht op sociale en economische mensenrechten gewoon te aanvaarden en vervolgens af te haken bij de naleving van de oordeelsvorming. Het Koninkrijk heeft geaccepteerd dat het Europees Comité voor Sociale Rechten (ECSR) zich buigt over groepsklachten die betrekking hebben op een schending van het ESH. Het spreekt voor zich dat naleving van de oordeelsvorming van het ECSR de ontwikkeling van de internationale rechtsorde bevordert en dat het zich moeilijk met artikel 90 verdraagt wanneer de regering die oordeelsvorming naast zich neerlegt zonder dat dwingende argumenten daartoe nopen. Toch leek dat te gebeuren toen het ECSR in 2009 oordeelde dat de Nederlandse overheid het ESH schond door kinderen van uitgeprocedeerde asielzoekers op straat te zetten.[53] Het Tweede Kamerlid Spekman vroeg de regering of ze het oordeel ging naleven. Bij brief van 15 maart 2010 antwoordde de regering dat het oordeel juridisch niet bindend was zolang het Comité van Ministers zich niet had uitgesproken en dat de regering vraagtekens zette bij de interpretatiemethode van de personele reikwijdte op grond waarvan het ECSR tot zijn oordeel kwam.[54] Op 7 juli 2010 nam het Comité van Ministers van de Raad van Europa een resolutie aan waarin het zich achter het ECSR schaarde en de opdracht gaf om de schending op te heffen.[55]Ondertussen sorteerde het oordeel van het ECSR echter al effect doordat de Nederlandse rechter, zoals wordt toegelicht in de paragrafen 12 en 13 van het commentaar op artikel 94 Grondwet, het standpunt innam dat door het op straat zetten van de kinderen niet alleen het ESH maar ook het EVRM werd geschonden.[56]

In 2014 speelde de kwestie van artikel 11, tweede lid, aanhef en onder b, VN Vrouwenverdrag dat vrouwen het recht op zwangerschapsverlof toekent. Toen de wetgever een bestaande publieke regeling voor zwangerschapsverlof voor zelfstandigen introk zonder in een nieuwe regeling te voorzien, werd daarover tot aan de Hoge Raad geprocedeerd. Zoals nader wordt uiteengezet in paragraaf 3 van het commentaar op artikel 94 stelde de Hoge Raad zich in 2011 op het standpunt dat deze verdragsbepaling geen rechtstreekse werking bezat aangezien niet werd voorgeschreven welke modaliteiten een verlof wegens bevalling moest hebben.[57] Volgens de Hoge Raad was het dus niet aan de rechter om te controleren of de verdragsbepaling werd nageleefd. Daarop werd een klacht ingediend bij het CEDAW Comité dat toeziet op de naleving van het Vrouwenverdrag, en in februari 2014 oordeelde dit Comité dat de verdragsbepaling was geschonden en gaf het de aanbeveling om vrouwelijke zelfstandigen die de dupe waren van de intrekking, met terugwerkende kracht aanspraak op een zwangerschapsuitkering te verlenen.[58] Zie over dit oordeel: http://www.mensenrechten.nl/toegelicht/vrouwelijke-zzpers-met-terugwerkende-kracht-recht-op-zwangerschapsuitkering. Bij brief van 19 september 2014 berichtte de regering aan de Tweede Kamer dat ze geen gehoor ging geven aan het oordeel. Anders dan het Comité vindt de regering dat artikel 11, tweede lid, aanhef en onder b, geen betrekking heeft op zelfstandigen maar uitsluitend op vrouwen die werkzaam zijn in loondienst.[59]
Bij de affaires rond het ESH en het Vrouwenverdrag verschilt de regering met het toezichthoudende Comité van mening over de interpretatie van het verdrag, maar juist op het punt van de uitleg ten aanzien van reikwijdte of inhoud van de verdragsbepaling valt afwijzing van een oordeel nauwelijks overtuigend te onderbouwen. Er kunnen te sterke tegenargumenten worden aangedragen. Naast de instructie die uitgaat van artikel 90, alsmede het gegeven dat de consequenties van de erkenning van het klachtrecht bij voorkeur moeten worden aanvaard, valt te wijzen op het gezag dat zulke toezichthoudende Comités binnen de internationale gemeenschap genieten. In dergelijke gevallen spreekt het EHRM bijvoorbeeld van ‘interpretation by a particularly well-qualified committee’.[60] Zulke Comités zijn uitdrukkelijk belast met de interpretatie van de betreffende verdragsbepalingen, in welk kader zij ook General Comments (algemene commentaren) uitvaardigen. Daar komt nog bij dat artikel 26 Verdrag van Wenen het Koninkrijk de plicht oplegt om verdragen te goeder trouw ten uitvoer te leggen. Bij de interpretatie van de verdragsbepaling moet het nationale perspectief waarbij nationale belangen vooropstaan, daarom al snel wijken voor het internationale perspectief dat deze Comités hanteren, een perspectief waarbij het erga omnes karakter van de mensenrechten zwaar meeweegt en wordt verdisconteerd dat de bepaling in kwestie ook voor alle andere lidstaten geldt.
 

7. De ‘schaduwzijde’ van de internationale rechtsorde

De Grondwet heeft een ‘zeer volkenrechtsvriendelijk’[61] karakter en artikel 90 staat model voor deze omarming van het internationale recht. Nu wordt de laatste jaren wel geopperd dat allerlei ontwikkelingen in het internationale recht juist rechtsstatelijke en democratische waarborgen zouden (kunnen) aantasten. De Grondwet zou dan bescherming moeten bieden tegen die aantasting. Bij zulke uiteenzettingen wordt met de beschuldigende vinger naar het recht van de EU gewezen, maar meteen moet worden opgemerkt dat de ontwikkeling van deze ‘autonome’ Europese rechtsorde zich voor een aanzienlijk deel voltrok via jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) waarvoor de basis al in de jaren zestig van de vorige eeuw werd gelegd in de bekende arresten Van Gend en Loos[62] en Costa/ENEL.[63] De ontwikkeling geschiedde los van eventuele barrières die werden opgeworpen door de constituties van de deelnemende staten en ook in de visie van de Nederlandse rechter heeft het recht van de EU buiten de artikelen 93 en 94 Grondwet om gelding binnen de Nederlandse rechtsorde.[64] Het is dus maar de vraag of de Grondwet tekortschoot. Tegelijkertijd is het de vraag of en zo ja, in hoeverre de Grondwet een (verdere) Europese eenwording nog serieus kan afremmen of beïnvloeden. Hoe dan ook, in 2006 werd in de Tweede Kamer het initiatiefvoorstel Van der Staaij c.s. aanhangig gemaakt dat beoogt voor de goedkeuring van verdragen ter grondvesting van de EU in het parlement voortaan het vereiste van ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen te laten gelden.[65] Zie hierover nader paragraaf 4 van het commentaar op artikel 91 Grondwet. Het is echter bovenal de vraag of, en zo ja, in hoeverre de groei van de EU daadwerkelijk een bedreiging vormt voor democratische en rechtsstatelijke waarborgen. Doordat het Europese Parlement steeds meer bevoegdheden verwerft is er een Europees democratiseringsproces aan de gang terwijl het Handvest van de grondrechten van de EU en de jurisprudentie van het HvJ EU de basis vormen van een serieuze grondrechtenbescherming.[66] Volgens het EHRM heeft deze bescherming in beginsel een niveau dat te vergelijken valt met de bescherming die het zelf verleent onder het EVRM.[67]

Maar ook los van de EU zou het open karakter van de Grondwet voor problemen (kunnen) zorgen. Volgens Van Emmerik lijkt het erop ‘dat bij de doorwerking van internationaal recht (…) lang niet altijd de eisen van de democratische rechtsstaat (…) in voldoende mate in acht worden genomen.’[68] Als illustratie dienen de zogenaamde ‘terreurlijsten’ die werden uitgevaardigd door de Veiligheidsraad van de VN.[69] Van Emmerik stelt voor om via een grondwetsherziening te bewerkstelligen dat internationaal recht voortaan uitsluitend in onze rechtsorde doorwerkt ‘voor zover dit niet in strijd is met fundamentele rechtsstatelijke normen’.[70] De zorgen van Van Emmerik worden gedeeld door de helft van de Staatscommissie Grondwet. Deze commissieleden vinden het wenselijk om in de Grondwet vast te leggen dat internationaal recht niet wordt toegepast indien de toepassing niet verenigbaar is met de algemene grondwetsbepaling die de Staatscommissie voorstelt,[71] dus de bepaling waarin, zo bleek in paragraaf 4, wordt verklaard dat het Koninkrijk een democratische rechtsstaat vormt waarin de overheid de menselijke waardigheid, de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen eerbiedigt. Nu wordt de effectiviteit van zulke oplossingen in ernstige mate belemmerd door artikel 120 Grondwet: een rechter mag verdragen niet toetsen aan de Grondwet. Hoewel artikel 120 hierover zwijgt, mag ervan worden uitgegaan dat de rechter dit toetsingsverbod evenzeer van toepassing zal achten op besluiten van volkenrechtelijke organisaties. De verklaringswet-Halsema die strekt tot een wijziging van artikel 120 en de invoering van een (gedeeltelijke) constitutionele toetsing,[72] biedt geen soelaas, want die opent alleen de mogelijkheid om een wet aan de Grondwet te toetsen. Daarom zal tegelijkertijd ook artikel 120 Grondwet moeten worden aangepast. Verder neemt een grondwettelijke ‘veiligheidsklep’ niet weg dat het Koninkrijk gehouden blijft de internationale verplichting na te komen. Paragraaf 3 liet zien dat een staat zich volgens het Verdrag van Wenen niet kan beroepen op nationaal recht om het niet ten uitvoer leggen van een verdrag te rechtvaardigen. Van Emmerik en de (betreffende helft van de) Staatscommissie beseffen dat uiteraard ook.[73] In het licht van artikel 90 Grondwet is het bovendien charmanter om bij het zoeken van een oplossing zoveel mogelijk gebruik te maken van datzelfde internationale recht. De Staatscommissie wijst er terecht op dat nationale constitutionele normen zoals grondrechten eveneens zijn neergelegd in regionale en universele mensenrechtenverdragen.[74] Wanneer de tenuitvoerlegging van een verdrag of volkenrechtelijk besluit zich niet met nationale fundamentele normen verdraagt, is er daarom tevens sprake van een verdragsconflict.[75] Volgens de Hoge Raad staat geen enkele regel van Nederlands recht ‘eraan in de weg dat de Nederlandse rechter onderzoekt of een (…) verdrag strijdig is met andere verdragen of andere volkenrechtelijke normen.’[76] Botst de naleving van een internationaalrechtelijke verplichting met de naleving van een mensenrechtenverdrag dan kan de rechter, rekening houdend met ‘alle omstandigheden van het geval’, overgaan tot de ‘afweging van de betrokken belangen’ met inbegrip van ‘de nationale en internationale belangen die bij de nakoming van beide verdragsverplichtingen betrokken zijn’.[77] De rechter kan dan het mensenrechtenverdrag laten voorgaan. Zo voorkwam de Hoge Raad al meer dan twintig jaar geleden dat iemand in strijd met het Zesde Protocol bij het EVRM werd blootgesteld aan de doodstraf en de kans liep om van het leven te worden beroofd.[78] Bij een dergelijke belangenafweging kan de rechter bovendien extra profijt trekken van de internationale rechtsorde door principiële betekenis toe te kennen aan de normenhiërarchie die zich in de internationale rechtsorde begint af te tekenen, en de cruciale rol die artikel 1, derde lid, Handvest van de VN[79] en de mensenrechten[80] daarbij spelen.
 

8. De inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht

In zijn toespraak bij de VN vertelde minister-president Mark Rutte de Algemene Vergadering dat de instructie van artikel 90 mede betrekking heeft op het inzetten van de Nederlandse krijgsmacht bij internationale vredesoperaties. Voorbeelden zijn de operaties in Afghanistan, Mali en Irak. Aparte vermelding verdient de veiligheidstaak die Dutchbat, een VN-bataljon van Nederlandse militairen, in de jaren negentig van de vorige eeuw tijdens de Joegoslavische burgeroorlog uitoefende. In Srebrenica vermoordden Bosnisch-Servische troepen meer dan 7000 mannelijke moslims die formeel onder de bescherming van Dutchbat stonden. De val van Srebrenica had ook binnen Nederland zelf dramatische gevolgen. Het verschijnen van het rapport hierover van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie bewerkstelligde in 2002 het aftreden van het tweede kabinet-Kok. In 2013 nam de Hoge Raad aansprakelijkheid van de Nederlandse staat aan omdat enkele slachtoffers door Dutchbat van de compound waren weggestuurd.[81] In 2014 oordeelde de rechtbank Den Haag dat de Nederlandse staat aansprakelijk was vanwege de medewerking die Dutchbat verleende aan de deportatie van mannelijke vluchtelingen die vervolgens door de Bosnische Serven werden gedood.[82] De inzet van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde vormt het onderwerp van artikel 100 Grondwet. Zie voor meer informatie het commentaar op dit artikel.
 

9. Slotopmerkingen

Artikel 90, het product van een eerbiedwaardige traditie, kwam in 1953 in de Grondwet terecht omdat het Koninkrijk lering wenste te trekken uit de Tweede Wereldoorlog: de weg naar vrede, veiligheid en gerechtigheid zowel hier als elders in de wereld liep via de waarborging van universele mensenrechten, hechte internationale samenwerking en tempering van de nationale soevereiniteit. Bij de algehele grondwetsherziening van 1983 meende de regering aanvankelijk dat artikel 90 best gemist kon worden, maar, wakker geschud door het parlement, besloot ze bij nader inzien om de les van de Tweede Wereldoorlog toch maar opnieuw te beklemtonen. Dat was een verstandige beslissing. In het huidige tijdsgewricht waarin vreemdelingenhaat op de loer ligt,[83] de roep om versterking van de soevereiniteit steeds luider lijkt te klinken en het min of meer in zwang is geraakt om vraagtekens te zetten bij de jurisprudentie van een internationale rechter als het EHRM,[84] is de norm van artikel 90 ineens weer bijzonder actueel.
 

10. Jurisprudentie

Pres.Rechtbank ’s-Gravenhage 21 mei 1984, AB 1985, 12
EHRM 21 februari 1975, 4451/70 (Golder v. the United Kingdom)
Barcelona Traction, Light and Power Company Ltd case (Belgium v. Spain), ICJ Reports 1970, p. 3 e.v.
EHRM 9 oktober 1979, 6289/73 (Airey v. Ireland)
EHRM 12 november 2008, 34503/97, AB 2009, 297 m.nt. Frank Vlemminx (Demir and Baykara v. Turkey)
EHRM 21 november 2001, 35763/97 (Al-Adsani v. the United Kingdom)
EHRM 4 februari 2005, 46827/99 (Mamatkulov and Askarov v. Turkey)
HvJ EU Zaak C-162/96, Racke, Jur. 1998, p. I-3655
ABRvS 18 februari 1999, AB 1999, 143
HR 6 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8071
Hof ’s-Gravenhage 25 maart 2004, ECLI:NL:GHSGR:2004:AU4443
Rechtbank ’s-Gravenhage 26 oktober 2001, ECLI:NL:RBSGR:2001:AD4855
ECSR 27 oktober 2009, 47/2008 (DCI v. the Netherlands), NTM/NJCM-Bull. 2010, p. 205-219 m.nt. Antoine Buyse
Rechtbank Utrecht 6 april 2010, ECLI:NL:RBUTR:2010:BM0846
HR 21 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5328
HR 1 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3044 (Artikel 11 Vrouwenverdrag)
CEDAW Comité 17 februari 2014, 36/2012 (De Blok et al. v. the Netherlands), CEDAW/C/57/D/36/2012
EHRM 21 februari 2006, 28602/95 (Tüm Haber Sen and Çinar)
HvJ EG 5 februari 1963, Zaak 26-62, Jur. 1963, p. 8, AA 1963/1964, 12
HvJ EG 15 juli 1965, Zaak 6/64, Jur. 1964, p. 1199, AA 196419/65, p. 155
HR 2 november 2004, NJ 2005, 80
EHRM 30 juni 2005, 45036/98 (Bosphorus Airlines v. Ireland)
HR 10 november 1989, NJ 1991, 248 (Kruisraketten)
HR 30 maart 1991, NJ 1991, 249 (Short)
HR 15 september 2006, NJ 2007, 277
HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ:9228
Rechtbank Den Haag 16 juli 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:8562
 

11. Literatuur

- L.F.M. Besselink, H.R.B.M. Kummeling, R. de Lange, P. Mendelts en S. Prechal, De Nederlandse Grondwet en de Europese Unie, European Law Publishing, Groningen 2002.
- M.G. Boekhorst, Artikel 90, in: Akkermans/Koekkoek, De Grondwet, p. 831-837.
- M.D. Bogaarts, Parlementaire geschiedenis van Nederland na 1945, De periode van het kabinet-Beel, 3 juli 1946-7 augustus 1948, Band D, Eerste helft, Nederlands Indië (a), Nijmegen 1995.
- Brownlie’s Principles of Public International Law, Oxford University Press 2012.
- Fons Coomans (ed.), Justiciability of Economic and Social Rights, Experiences from Domestic Systems, Antwerpen-Oxford 2006.
- Yvonne Donders en Marjolijn Olde Monnikhof, Het College voor de Rechten van de Mens belicht, bewaakt, beschermt en bevordert mensenrechten in Nederland, NTM/NJCM-Bull. 2012, p. 693-713.
- P.J. Drooglever en M.J.B. Schouten, Nederlands-Indonesische betrekkingen 1945-1969, Deel 10, 21 juli-31 augustus 1947.
- M.L. van Emmerik, De Nederlandse Grondwet in een veellagige rechtsorde, Rechtsgeleerd Magazijn THEMIS 2008, p. 145-161.
- Dimitry Kochenov and Fabian Amtenbrink (ed.), The European Union’s Shaping of the International Legal Order, Cambridge University Press 2014.
- J.B. Mus, Verdragsconflicten voor de Nederlandse rechter, Zwolle 1996.
- Van der Pot, Handboek van het Nederlandse staatsrecht, bewerkt door D.J. Elzinga, R. de Lange en H.G. Hoogers, Deventer 2014.
- T.P. Spijkerboer, Het debat over het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, NJB 2012, p. 254-262
Rapport Staatscommissie Grondwet, ’s-Gravenhage 2010.
- A.M. Stuyt, Formeel tractatenrecht, ’s-Gravenhage 1966.
- Frank Vlemminx, De januskop van Nederland en de convergentie van mensenrechten onder het EVRM, NJB 2008, p. 1572-1573.
- F.M.C. Vlemminx, Het moderne EVRM, Den Haag 2013.
- R.A. Wessel, De Europese Unie in de internationale rechtsorde, http://www.utwente.nl/mb/pa/research/wessel/wessel27.pdf
- R.A. Wessel, The Invasion by International Organizations, De toenemende samenhang tussen de mondiale, Europese en nationale rechtsorde, oratie Universiteit Twente 2006.
- Erika de Wet, The Constitutionalization of Public International Law, in: Michel Rosenfeld and András Sajó (ed.), The Oxford Handbook of Comparative Constitutional Law, Oxford University Press 2012, p. 1209-1230.
- Katharine G. Young, Constituting Economic and Social Rights, Oxford University Press 2014.
 

12. Historische versies

Art. 38, tweede volzin, Gw. 1814: aan Hem behoort dienvolgens het bestuur der buitenlandsche betrekkingen mitsgaders het benoemen en herroepen van Gezanten en Consuls.
Art. 56, eerste volzin, Gw. 1815: De Koning heeft het bestuur der buitenlandsche betrekkingen (art. 55, eerste volzin, Gw. 1840; art. 57 Gw. 1887; art. 56 Gw. 1922; art. 58 Gw. 1938).
Art. 57, eerste volzin, Gw. 1922: De Koning tracht geschillen met vreemde Mogendheden op te lossen door rechtspraak en andere vreedzame middelen.
Art. 58, tweede lid, Gw. 1953: Hij bevordert de ontwikkeling der internationale rechtsorde.
 

Noten

  1. http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/toespraken/2014/09/26/toespraak-minister-president-rutte-in-de-algemene-vergadering-van-de-verenigde-naties.html.
  2. P.J. Drooglever en M.J.B. Schouten, Nederlands-Indonesische betrekkingen 1945-1969, Deel 10, 21 juli-31 augustus 1947, nr. 128, Vertegenwoordiger in de Veiligheidsraad (Van Kleffens) aan minister van buitenlandse zaken (Van Boetzelaer van Oosterhout), 2 augustus 1947, p. 191.
  3. M.D. Bogaarts, Parlementaire geschiedenis van Nederland na 1945, De periode van het kabinet-Beel, 3 juli 1946-7 augustus 1948, Band D, Eerste helft, Nederlands Indië (a), Nijmegen 1995, p. 2841 en 2847.
  4. Zie over deze kwestie Van der Pot, Handboek van het Nederlandse staatsrecht, bewerkt door D.J. Elzinga, R. de Lange en H.G. Hoogers, Deventer 2014, p. 147-148.
  5. Wel is er nog een debat gaande over de wijze waarop de Tweede en de Eerste Kamer zijn betrokken bij beslissingen omtrent de inzet van de krijgsmacht. Zie hierover het commentaar op de artikelen 96 en 100.
  6. Kamerstukken II 1977/78, 15 049 (R 1100), nr. 3, p. 9.
  7. Van der Pot, Handboek van het Nederlandse staatsrecht, p. 702-703.
  8. Bijvoorbeeld Rapport Staatscommissie Grondwet, ’s-Gravenhage 2010, p. 105.
  9. Anders dan artikel 60 van de Grondwet van 1956 en nog oudere versies van de regeling bepaalt het huidige artikel 91 niet aan welk orgaan verdragsluitende bevoegdheid toekomt. Daarom vormt artikel 90 een hulpmiddel bij de interpretatie van artikel 91. Zie M.G. Boekhorst, Artikel 90, in: Akkermans/Koekkoek, De Grondwet, p. 836.
  10. A.M. Stuyt, Formeel tractatenrecht, ’s-Gravenhage 1966, p. 46-47. Een kabinetsrescript is een schrijven van (de Directeur van) het Kabinet des Konings, een instelling waarvan de Koning zich sinds 1840 bedient om bijvoorbeeld schriftelijk in overleg te treden met ministers. Deze instelling mag niet worden verward met het ‘kabinet’ in de zin van ministers en staatssecretarissen.
  11. Bijvoorbeeld Pres. Rechtbank ’s-Gravenhage 21 mei 1984, AB 1985, 12; in dit vonnis wordt overigens ten onrechte gesteld dat de bevoegdheid om een verdrag te sluiten toekomt aan regering èn Staten-Generaal.
  12. J.Th.J. van den Berg, De Grondwet weer tot leven brengen: hoe doen wij dat?, De Gids 2014, nr. 2, p. 11.
  13. Rapport Staatscommissie Grondwet, p. 40.
  14. De regering zag aanvankelijk weinig heil in een dergelijke algemene bepaling en deelde de Eerste Kamer mede geen grondwetsherziening in gang te zullen zetten; Kamerstukken I 2013/2014, 31 570 I. Inmiddels is het concept opgesteld van een Wetsvoorstel algemene bepaling Grondwet waarin de bepaling als volgt zou komen te luiden: ‘De Grondwet waarborgt de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten.’ Zie: http://www.internetconsultatie.nl/algemene_bepaling_grondwet2.
  15. Kamerstukken II 1979/80, 15 049 (R 1100), nr. 7, p. 5.
  16. Kamerstukken II 1979/80, 15 049 (R 1100), nr. 7, p. 5.
  17. Brownlie’s Principles of Public International Law, Oxford University Press 2012, p. 16.
  18. Brownlie’s Principles of Public International Law, p. 19.
  19. Erika de Wet, The Constitutionalization of Public International Law, in: Michel Rosenfeld and András Sajó (ed.), The Oxford Handbook of Comparative Constitutional Law, Oxford University Press 2012, p. 1213.
  20. De Wet, The Constitutionalization of Public International Law, p. 1213.
  21. EHRM 21 februari 1975, 4451/70 (Golder v. the United Kingdom).
  22. De Wet, The Constitutionalization of Public International Law, p. 1225.
  23. Kamerstukken II 1979/80, 15 049 (R 1100), nr. 7, p. 5.
  24. De Wet, The Constitutionalization of Public International Law, p. 1216.
  25. Barcelona Traction, Light and Power Company Ltd case (Belgium v. Spain), ICJ Reports 1970, p. 3 e.v.
  26. Human Rights Committee, General Comment No. 31, Nature of the General Legal Obligation Imposed on States Parties to the Covenant, CCPR/C/21/Rev. 1/Add. 13, par. 2.
  27. E/C.12/NDL/CO/4-5, par. 6.
  28. CEDAW/C/NLD/CO/4, par. 11; zie ook CEDAW Comité 17 februari 2014, 36/2012 (De Blok et al. v. the Netherlands), CEDAW/C/57/D/36/2012, par. 8.5.
  29. Frank Vlemminx, De januskop van Nederland en de convergentie van mensenrechten onder het EVRM, NJB 2008, p. 1572-1573.
  30. Informatie over hoe in diverse andere staten tegen (de afdwingbaarheid van) economische, sociale en culturele rechten wordt aangekeken is te vinden in Fons Coomans (ed.), Justiciability of Economic and Social Rights, Experiences from Domestic Systems, Antwerpen-Oxford 2006. Zie ook Katharine G. Young, Constituting Economic and Social Rights, Oxford University Press 2014.
  31. F.M.C. Vlemminx, Het moderne EVRM, Den Haag 2013, p. 103-109.
  32. EHRM 9 oktober 1979, 6289/73 (Airey v. Ireland), par. 26.
  33. EHRM 12 november 2008, 34503/97, AB 2009, 297 m.nt. Frank Vlemminx (Demir and Baykara v. Turkey).
  34. A/Conf. 157/23, part 1, par. 5.
  35. Kamerstukken I 2000/01, 26 200 VI, nr. 65, EK nr. 37b.
  36. L.F.M. Besselink, H.R.B.M. Kummeling, R. de Lange, P. Mendelts en S. Prechal, De Nederlandse Grondwet en de Europese Unie, European Law Publishing, Groningen 2002, p. 15-52.
  37. Rapport Staatscommissie Grondwet, p. 108.
  38. Kamerstukken I, 2011/12, 31 570 A, p. 22.
  39. EHRM 21 november 2001, 35763/97 (Al-Adsani v. the United Kingdom), par. 55.
  40. EHRM 4 februari 2005, 46827/99 (Mamatkulov and Askarov v. Turkey), par. 111.
  41. Zo besliste het HvJ EU in de Zaak C-162/96, Racke, Jur. 1998, p. I-3655 dat bepalingen van internationaal gewoonterecht deel uitmaken van de rechtsorde van de EU. Zie ook R.A. Wessel, De Europese Unie in de internationale rechtsorde, http://www.utwente.nl/mb/pa/research/wessel/wessel27.pdf
  42. Dimitry Kochenov and Fabian Amtenbrink (ed.), The European Union’s Shaping of the International Legal Order, Cambridge University Press 2014.
  43. Kamerstukken II 1977/78, 15 049 (R 1100), nr. 3, p. 9.
  44. Kamerstukken II 1977/78, 15 049 (R 1100), nr. 6, p. 6.
  45. Kamerstukken II 1977/78, 15 049 (R 1100), nr. 7, p. 5.
  46. Kamerstukken II 1977/78, 15 049 (R 1100), nr. 8.
  47. ABRvS 18 februari 1999, AB 1999, 143.
  48. ABRvS 8 september 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AQ9960 en ECLI:NL:RVS:2004:AQ9959.
  49. HR 6 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8071; in dezelfde zin : Hof ’s-Gravenhage 25 maart 2004, ECLI:NL:GHSGR:2004:AU4443. Eerder liet rechtbank ’s-Gravenhage 26 oktober 2001, ECLI:NL:RBSGR:2001:AD4855 in dit soort zaken nog ruimte. De rechtbank oordeelde dat de betreffende militaire acties van de VS niet in strijd konden worden geacht met dwingende beginselen en regels van volkenrecht zodat steun aan die acties evenmin in strijd was met artikel 90 Grondwet.
  50. http://www.mensenrechten.nl/
  51. http://mensenrechten.nl/sites/default/files/2013-02-14_Strategisch_Plan.pdf Zie ook: Yvonne Donders en Marjolijn Olde Monnikhof, Het College voor de Rechten van de Mens belicht, bewaakt, beschermt en bevordert mensenrechten in Nederland, NTM/NJCM-Bull. 2012, p. 708.
  52. http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2012/11/01/beantwoording-kamervragen-over-het-vn-mensenrechtenexamen.html
  53. ECSR 27 oktober 2009, 47/2008 (DCI v. the Netherlands), NTM/NJCM-Bull. 2010, p. 205-219 m.nt. Antoine Buyse.
  54. Handelingen TK 2009-2010, Aanhangsel 2035, p. 1-2.
  55. Resolution CM/ResChS(2010)6.
  56. Rechtbank Utrecht 6 april 2010, ECLI:NL:RBUTR:2010:BM0846; naderhand bijvoorbeeld ook HR 21 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5328.
  57. HR 1 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3044 (Artikel 11 Vrouwenverdrag).
  58. CEDAW Comité 17 februari 2014, 36/2012 (De Blok et al. v. the Netherlands), CEDAW/C/57/D/36/2012.
  59. http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2014/09/19/kamerbrief-opvattingen-cedaw-over-zwangerschaps-en-bevallingsuitkering-voor-vrouwelijke-zelfstandigen.html
  60. EHRM 21 februari 2006, 28602/95 (Tüm Haber Sen and Çinar), par. 39.
  61. M.L. van Emmerik, De Nederlandse Grondwet in een veellagige rechtsorde, Rechtsgeleerd Magazijn THEMIS 2008, p. 147.
  62. HvJ EG 5 februari 1963, Zaak 26-62, Jur. 1963, p. 8, AA 1963/1964, 12.
  63. HvJ EG 15 juli 1965, Zaak 6/64, Jur. 1964, p. 1199, AA 196419/65, p. 155.
  64. HR 2 november 2004, NJ 2005, 80.
  65. Kamerstukken II 2006/07, 30 874 (R 1818), nr. 1-2.
  66. In dezelfde zin Van Emmerik, De Nederlandse Grondwet in een veellagige rechtsorde, p. 152.
  67. EHRM 30 juni 2005, 45036/98 (Bosphorus Airlines v. Ireland).
  68. Van Emmerik, De Nederlandse Grondwet in een veellagige rechtsorde, p. 145.
  69. Van Emmerik, De Nederlandse Grondwet in een veellagige rechtsorde, p. 145 en 154. De problematiek wordt uitgebreid beschreven in R.A. Wessel, The Invasion by International Organizations, De toenemende samenhang tussen de mondiale, Europese en nationale rechtsorde, oratie Universiteit Twente 2006, p. 5-13.
  70. Van Emmerik, De Nederlandse Grondwet in een veellagige rechtsorde, p. 159.
  71. Rapport Staatscommissie Grondwet, p. 130.
  72. Wet van 25 februari 2009, Stb. 120.
  73. Van Emmerik, De Nederlandse Grondwet in een veellagige rechtsorde, p. 159 en Rapport Staatscommissie Grondwet, p. 128.
  74. Rapport Staatscommissie Grondwet, p. 127.
  75. Zie hierover J.B. Mus, Verdragsconflicten voor de Nederlandse rechter, Zwolle 1996.
  76. HR 10 november 1989, NJ 1991, 248 (Kruisraketten).
  77. HR 30 maart 1991, NJ 1991, 249 (Short). Zie ook HR 15 september 2006, NJ 2007, 277.
  78. HR 30 maart 1991, NJ 1991, 249 (Short).
  79. Vloeit de internationale verplichting die tot aantasting van een mensenrecht leidt, voort uit het Handvest van de VN zelf, zoals bij de zogenaamde ‘terreurlijsten’, uitgevaardigd door de Veiligheidsraad, dan zal de rechter artikel 103 Handvest van de VN moeten laten wijken voor artikel 1, derde lid. In de literatuur bestaat verschil van mening over de vraag welke bepaling dient te prevaleren. Zie hierover De Wet, The Constitutionalization of Public International Law, p. 1218-1219.
  80. In het onwaarschijnlijke geval dat de tenuitvoerlegging van een internationale verplichting tot schending van het folterverbod, het slavernijverbod of het verbod op rassendiscriminatie leidt, laat het internationale recht geen enkele ruimte voor een belangenafweging. Deze fundamentele rechten gelden als dwingende normen van algemeen volkenrecht in de zin van artikel 53 Verdrag van Wenen zodat iedere internationale norm die ermee in strijd komt rechtsgeldigheid ontbeert. Zie hierover De Wet, The Constitutionalization of Public International Law, p. 1215.
  81. HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ:9228.
  82. Rechtbank Den Haag 16 juli 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:8562.
  83. Zie bijvoorbeeld http://nos.nl/artikel/341000-xenofobie-in-nederland-alarmerend.html of http://www.nederlandbekentkleur.nl/ .
  84. T.P. Spijkerboer, Het debat over het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, NJB 2012, p. 254-262, geeft een overzicht met verdere verwijzingen.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    F.M.C. Vlemminx, Commentaar op artikel 90 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2017 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Bevordering internationale rechtsorde

Het belang van de internationale rechtsorde is sinds de Tweede Wereldoorlog en vooral de laatste decennia enorm gegroeid. Het bevorderen van de ontwikkeling van die internationale rechtsorde is een taak van de regering. Dat houdt veel meer in dan alleen het onderhouden van buitenlandse betrekkingen: de regering moet actief streven naar een internationale gemeenschap die niet is gegrond op machtspolitiek, uitbuiting en agressie, maar op respect voor het internationaal recht.
 
Dat betekent onder meer dat de regering ervoor zorg draagt dat ons land toetreedt tot verbanden die tot doel hebben de internationale rechtsorde te versterken, zoals de Verenigde Naties, de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) en de Raad van Europa. Verder is Nederland partij bij uiteenlopende mensenrechtenverdragen, waaronder het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBP) en een groot aantal verdragen die sociaaleconomische rechten beschermen en allerlei vormen van discriminatie verbieden.
 
Hoewel de Grondwet de term ‘Europa’ nergens noemt – wat wel een gemis mag worden genoemd – is ook de actieve en stimulerende rol van Nederland in de Europese Unie onderdeel van de taak van de regering om de internationale rechtsorde te versterken.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Bevordering internationale rechtsorde

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Bevordering internationale rechtsorde

Recente rechtspraak

Bevordering internationale rechtsorde

Politiek

Bevordering internationale rechtsorde

Oud-premier Van Agt betoogt dat het Nederlandse tolereren van de Israëlische bezetting van Palestijnse gebieden in strijd is met de Grondwet. Dit artikel behandelt Van Agts toelichting van de petitite die hij overhandigde aan de Tweede Kamer.
Video
Blogs
IN DE WERELD
Video

Bevordering internationale rechtsorde

  • Nederland en de internationale rechtsorde
André Nollkaemper
Nederland en de internationale rechtsorde
27-11-2006
In deze editie van Maagdenhuis op maandag bespreekt hoogleraar Internationaal publiek recht André Nollkaemper de in zijn ogen ambigue positie van Nederland in de internationale rechtsorde. Zijn lezing ontleedt deze schijnbare tegenstrijdigheid tussen het Nederlandse geloof in 'internationaal recht als recht' en de praktijk van 'internationaal recht als politiek'.
Blogs

Bevordering internationale rechtsorde

Een pleidooi van de krijgswetenschapper Anne Tjepkema om te investeren in het ministerie van Defensie zodat de doelstelling om de internationale rechtsorde te bevorderen niet uit het oog verloren raakt.

Arjan Vliegenthart betoogt dat het kabinet Balkenende IV het artikel 90 van Grondwet schond door de oorlog in Irak te steunen.
In de wereld

Bevordering internationale rechtsorde

De toespraak van minister-president Rutte op 25 september 2014 in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (VN) in New York.