CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • G. Leenknegt
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • A.A.L. Beers en K.T. Meijer
  • B.C. van Beers
  • B.M.J. van der Meulen
  • B.P. Vermeulen
  • B.W.N. de Waard
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • E.J. Janse de Jonge
  • E.J. Koops
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • F. Fleurke
  • F.C.M.A. Michiels
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx en A.C.M. Meuwese
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard en J. Uzman
  • G. Leenknegt
  • G. Overkleeft-Verburg
  • G. van der Schyff en B.M.J. van der Meulen
  • J. Kiewiet en G.F.M. van der Tang †
  • J. Uzman
  • J. Uzman en G. Boogaard
  • J.C.A. de Poorter
  • J.L.M. Gribnau en M.R.T Pauwels
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • J.W.A. Fleuren
  • K.T. Meijer
  • M. Adams
  • Mijke Houwerzijl & Nuna Zekic
  • Mijke Houwerzijl en Frank Vlemminx
  • P. Jacobs
  • S. Daniëls
  • S. Jellinghaus en E. Huisman
  • S.C. van Bijsterveld
  • S.C. van Bijsterveld en B.P. Vermeulen
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • T. Kooijmans
  • T. Peters
  • W. van der Woude
  • W.J.M. Voermans
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

HOOFDSTUK 1

Grondrechten

INLEIDING

Artikel 1 - Gelijke behandeling

Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Artikel 2 - Nederlandschap en vreemdelingen

  1. De wet regelt wie Nederlander is.
  2. De wet regelt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen.
  3. Uitlevering kan slechts geschieden krachtens verdrag. Verdere voorschriften omtrent uitlevering worden bij de wet gegeven.
  4. Ieder heeft het recht het land te verlaten, behoudens in de gevallen, bij de wet bepaald.

Artikel 3 - Gelijke benoembaarheid

Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.

Artikel 4 - Kiesrecht

Iedere Nederlander heeft gelijkelijk recht de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen alsmede tot lid van deze organen te worden verkozen, behoudens bij de wet gestelde beperkingen en uitzonderingen.

Artikel 5 - Petitierecht

Ieder heeft het recht verzoeken schriftelijk bij het bevoegd gezag in te dienen.

Artikel 6 - Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging

  1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 7 - Vrijheid van meningsuiting

  1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- of televisieuitzending.
  3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar regelen ter bescherming van de goede zeden.
  4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.

Artikel 8 - Recht tot vereniging

Het recht tot vereniging wordt erkend. Bij de wet kan dit recht worden beperkt in het belang van de openbare orde.

Artikel 9 - Recht tot vergadering en betoging

  1. Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 10 - Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer

  1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.
  2. De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens.
  3. De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.

Artikel 11 - Onaantastbaarheid van het lichaam

Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.

Artikel 12 - Binnentreden woning

  1. Het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen.
  2. Voor het binnentreden overeenkomstig het eerste lid zijn voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden vereist, behoudens bij de wet gestelde uitzonderingen.
  3. Aan de bewoner wordt zo spoedig mogelijk een schriftelijk verslag van het binnentreden verstrekt. Indien het binnentreden in het belang van de nationale veiligheid of dat van de strafvordering heeft plaatsgevonden, kan volgens bij de wet te stellen regels de verstrekking van het verslag worden uitgesteld. In de bij de wet te bepalen gevallen kan de verstrekking achterwege worden gelaten, indien het belang van de nationale veiligheid zich tegen verstrekking blijvend verzet.

Artikel 13 - Vertrouwelijke communicatie

  1. Het briefgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, op last van de rechter.
  2. Het telefoon- en telegraafgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, door of met machtiging van hen die daartoe bij de wet zijn aangewezen.

Artikel 14 - Onteigening

  1. Onteigening kan alleen geschieden in het algemeen belang en tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander naar bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.
  2. De schadeloosstelling behoeft niet vooraf verzekerd te zijn, wanneer in geval van nood onverwijld onteigening geboden is.
  3. In de gevallen bij of krachtens de wet bepaald bestaat recht op schadeloosstelling of tegemoetkoming in de schade, indien in het algemeen belang eigendom door het bevoegd gezag wordt vernietigd of onbruikbaar gemaakt of de uitoefening van het eigendomsrecht wordt beperkt.

Artikel 15 - Vrijheidsontneming

  1. Buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen.
  2. Hij aan wie anders dan op rechterlijk bevel zijn vrijheid is ontnomen, kan aan de rechter zijn invrijheidstelling verzoeken. Hij wordt in dat geval door de rechter gehoord binnen een bij de wet te bepalen termijn. De rechter gelast de onmiddellijke invrijheidstelling, indien hij de vrijheidsontneming onrechtmatig oordeelt.
  3. De berechting van hem aan wie met het oog daarop zijn vrijheid is ontnomen, vindt binnen een redelijke termijn plaats.
  4. Hij aan wie rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, kan worden beperkt in de uitoefening van grondrechten voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt.

Artikel 16 - Nulla poena

Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.

Artikel 17 - Wettelijk toegekende rechter

Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent.

Artikel 18 - Rechtsbijstand

  1. Ieder kan zich in rechte en in administratief beroep doen bijstaan.
  2. De wet stelt regels omtrent het verlenen van rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen.

Artikel 19 - Werkgelegenheid en arbeidskeuze

  1. Bevordering van voldoende werkgelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de rechtspositie van hen die arbeid verrichten en omtrent hun bescherming daarbij, alsmede omtrent medezeggenschap.
  3. Het recht van iedere Nederlander op vrije keuze van arbeid wordt erkend, behoudens de beperkingen bij of krachtens de wet gesteld.

Artikel 20 - Bestaanszekerheid

  1. De bestaanszekerheid der bevolking en spreiding van welvaart zijn voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de aanspraken op sociale zekerheid.
  3. Nederlanders hier te lande, die niet in het bestaan kunnen voorzien, hebben een bij de wet te regelen recht op bijstand van overheidswege.

Artikel 21 - Milieubescherming

De zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu.

Artikel 22 - Volksgezondheid en woongelegenheid

  1. De overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid.
  2. Bevordering van voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  3. Zij schept voorwaarden voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding.

Artikel 23 - Onderwijs

  1. Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.
  2. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.
  3. Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld.
  4. In elke gemeente wordt van overheidswege voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal openbare scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven, al dan niet in een openbare school.
  5. De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.
  6. Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.
  7. Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.
  8. De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten-Generaal.
HOOFDSTUK 2

Regering INLEIDING

Artikel 24 - Koningschap

Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau.

Artikel 25 - Erfopvolging

Het koningschap gaat bij overlijden van de Koning krachtens erfopvolging over op zijn wettige nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft, met plaatsvervulling volgens dezelfde regel. Bij gebreke van eigen nakomelingen gaat het koningschap op gelijke wijze over op de wettige nakomelingen eerst van zijn ouder, dan van zijn grootouder, in de lijn van erfopvolging, voor zover de overleden Koning niet verder bestaand dan in de derde graad van bloedverwantschap.

Artikel 26 - Status ongeboren kind Koning

Het kind, waarvan een vrouw zwanger is op het ogenblik van het overlijden van de Koning, wordt voor de erfopvolging als reeds geboren aangemerkt. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

Artikel 27 - Afstand koningschap

Afstand van het koningschap leidt tot erfopvolging overeenkomstig de regels in de voorgaande artikelen gesteld. Na de afstand geboren kinderen en hun nakomelingen zijn van de erfopvolging uitgesloten.

Artikel 28 - Afstand koningschap door huwelijk

  1. De Koning, een huwelijk aangaande buiten bij de wet verleende toestemming, doet daardoor afstand van het koningschap.
  2. Gaat iemand die het koningschap van de Koning kan beërven een zodanig huwelijk aan, dan is hij met de uit dit huwelijk geboren kinderen en hun nakomelingen van de erfopvolging uitgesloten.
  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake van een voorstel van wet, strekkende tot het verlenen van toestemming, in verenigde vergadering.

Artikel 29 - Uitsluiting troonopvolging

  1. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden daartoe nopen, kunnen bij een wet een of meer personen van de erfopvolging worden uitgesloten.

  2. Het voorstel daartoe wordt door of vanwege de Koning ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 30 - Benoemde Koning

  1. Wanneer vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal ontbreken, kan deze worden benoemd bij een wet. Het voorstel wordt door of vanwege de Koning ingediend. Na de indiening van het voorstel worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  2. Indien bij overlijden van de Koning of bij afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt, worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers komen binnen vier maanden na het overlijden of de afstand in verenigde vergadering bijeen ten einde te besluiten omtrent de benoeming van een Koning. Zij kunnen een opvolger alleen benoemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 31 - Erfopvolging benoemde koning

  1. Een benoemde Koning kan krachtens erfopvolging alleen worden opgevolgd door zijn wettige nakomelingen.

  2. De bepalingen omtrent de erfopvolging en het eerste lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op een benoemde opvolger, zolang deze nog geen Koning is.

Artikel 32 - Inhuldiging Koning

Nadat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen, wordt hij zodra mogelijk beëdigd en ingehuldigd in de hoofdstad Amsterdam in een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Hij zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt. De wet stelt nadere regels vast.

Artikel 33 - Koningschap en meerderjarigheid

De Koning oefent het koninklijk gezag eerst uit, nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

Artikel 34 - Ouderlijk gezag minderjarige Koning

De wet regelt het ouderlijk gezag en de voogdij over de minderjarige Koning en het toezicht daarop. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 35 - Buiten staat verklaring

  1. Wanneer de ministerraad van oordeel is dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, bericht hij dit onder overlegging van het daartoe gevraagde advies van de Raad van State aan de Staten-Generaal, die daarop in verenigde vergadering bijeenkomen.

  2. Delen de Staten-Generaal dit oordeel, dan verklaren zij dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen. Deze verklaring wordt bekend gemaakt op last van de voorzitter der vergadering en treedt terstond in werking.

  3. Zodra de Koning weer in staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, wordt dit bij de wet verklaard. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Terstond na de bekendmaking van deze wet hervat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag.

  4. De wet regelt zo nodig het toezicht over de persoon van de Koning indien hij buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 36 - Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag

De Koning kan de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk neerleggen en die uitoefening hervatten krachtens een wet, waarvan het voorstel door of vanwege hem wordt ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 37 - Uitoefening koninklijk gezag door regent

  1. Het koninklijk gezag wordt uitgeoefend door een regent:
    a. zolang de Koning de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt;
    b. indien een nog niet geboren kind tot het koningschap geroepen kan zijn;
    c. indien de Koning buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen;
    d. indien de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk heeft neergelegd;
    e. zolang na het overlijden van de Koning of na diens afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt.

  2. De regent wordt benoemd bij de wet. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  3. In de gevallen, genoemd in het eerste lid onder c en d, is de nakomeling van de Koning die zijn vermoedelijke opvolger is, van rechtswege regent indien hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

  4. De regent zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt, in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal. De wet geeft nadere regels omtrent het regentschap en kan voorzien in de opvolging en de vervanging daarin. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  5. Op de regent zijn de artikelen 35 en 36 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38 - Uitoefening koninklijk gezag door RvS

Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk gezag is voorzien, wordt dit uitgeoefend door de Raad van State.

Artikel 39 - Lidmaatschap koninklijk huis

De wet regelt, wie lid is van het koninklijk huis.

Artikel 40 - Uitkering koninklijk huis

  1. De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het Rijk uitkeringen naar regels bij de wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het koninklijk huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen.

  2. De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, zijn vrij van persoonlijke belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of zijn vermoedelijke opvolger krachtens erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van het koninklijk huis vrij van de rechten van successie, overgang en schenking. Verdere vrijdom van belasting kan bij de wet worden verleend.

  3. De kamers der Staten-Generaal kunnen voorstellen van in de vorige leden bedoelde wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 41 - Inrichting huis Koning

De Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis in.

Artikel 42 - Ministeriële verantwoordelijkheid

  1. De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.

  2. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.

Artikel 43 - Regering en ministers

De minister-president en de overige ministers worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.

Artikel 44 - Ministeries

  1. Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.

  2. Ook kunnen ministers worden benoemd die niet belast zijn met de leiding van een ministerie.

Artikel 45 - Ministerraad

  1. De ministers vormen te zamen de ministerraad.

  2. De minister-president is voorzitter van de ministerraad.

  3. De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid.

Artikel 46 - Staatssecretarissen

  1. Bij koninklijk besluit kunnen staatssecretarissen worden benoemd en ontslagen.

  2. Een staatssecretaris treedt in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister.

Artikel 47 - Ondertekening en contraseign

Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.

Artikel 48 - Ontslag en benoeming ministers

Het koninklijk besluit waarbij de minister-president wordt benoemd, wordt mede door hem ondertekend. De koninklijke besluiten waarbij de overige ministers en de staatssecretarissen worden benoemd of ontslagen, worden mede door de minister-president ondertekend.

Artikel 49 - Ambtseed minister en staatssecretaris

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de ministers en de staatssecretarissen bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.
HOOFDSTUK 3

Staten-Generaal INLEIDING

Artikel 50 - Vertegenwoordiging

De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk.

Artikel 51 - Eerste en Tweede Kamer

  1. De Staten-Generaal bestaan uit de Tweede Kamer en de Eerste Kamer.

  2. De Tweede Kamer bestaat uit honderdvijftig leden.

  3. De Eerste Kamer bestaat uit vijfenzeventig leden.

  4. Bij een verenigde vergadering worden de kamers als één beschouwd.

Artikel 52 - Zittingsduur

  1. De zittingsduur van beide kamers is vier jaren.
  2. Indien voor de provinciale staten bij de wet een andere zittingsduur dan vier jaren wordt vastgesteld, wordt daarbij de zittingsduur van de Eerste Kamer in overeenkomstige zin gewijzigd.

Artikel 53 - Evenredige vertegenwoordiging

  1. De leden van beide kamers worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  2. De verkiezingen worden gehouden bij geheime stemming.

Artikel 54 - Verkiezing Tweede Kamer

  1. De leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen ten aanzien van Nederlanders die geen ingezetenen zijn.

  2. Van het kiesrecht is uitgesloten hij die wegens het begaan van een daartoe bij de wet aangewezen delict bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste een jaar en hierbij tevens is ontzet van het kiesrecht.

Artikel 55 - Verkiezing Eerste Kamer

De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten. De verkiezing wordt, behoudens in geval van ontbinding der kamer, gehouden binnen drie maanden na de verkiezing van de leden van provinciale staten.

Artikel 56 - Vereisten voor lidmaatschap

Om lid van de Staten-Generaal te kunnen zijn is vereist dat men Nederlander is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.

Artikel 57 - Incompatibiliteiten

  1. Niemand kan lid van beide kamers zijn.

  2. Een lid van de Staten-Generaal kan niet tevens zijn minister, staatssecretaris, lid van de Raad van State, lid van de Algemene Rekenkamer, Nationale ombudsman of substituut-ombudsman, of lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij de Hoge Raad.

  3. Niettemin kan een minister of staatssecretaris, die zijn ambt ter beschikking heeft gesteld, dit ambt verenigen met het lidmaatschap van de Staten-Generaal, totdat omtrent die beschikbaarstelling is beslist.

  4. De wet kan ten aanzien van andere openbare betrekkingen bepalen dat zij niet gelijktijdig met het lidmaatschap van de Staten-Generaal of van een der kamers kunnen worden uitgeoefend.

Artikel 57a - Zwangerschap en ziekte

De wet regelt de tijdelijke vervanging van een lid van de Staten-Generaal wegens zwangerschap en bevalling, alsmede wegens ziekte.

Artikel 58 - Geloofsbrieven

Elke kamer onderzoekt de geloofsbrieven van haar nieuwbenoemde leden en beslist met inachtneming van bij de wet te stellen regels de geschillen welke met betrekking tot de geloofsbrieven of de verkiezing zelf rijzen.

Artikel 59 - Kiesrecht en verkiezingen

Alles, wat verder het kiesrecht en de verkiezingen betreft, wordt bij de wet geregeld.

Artikel 60 - Ambtsaanvaarding

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de leden van de kamers bij de aanvaarding van hun ambt in de vergadering een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

Artikel 61 - Voorzitter en griffier

  1. Elk der kamers benoemt uit de leden een voorzitter.

  2. Elk der kamers benoemt een griffier. Deze en de overige ambtenaren van de kamers kunnen niet tevens lid van de Staten-Generaal zijn.

Artikel 62 - Verenigde vergadering

De voorzitter van de Eerste Kamer heeft de leiding van de verenigde vergadering.

Artikel 63 - Geldelijke voorzieningen

Geldelijke voorzieningen ten behoeve van leden en gewezen leden van de Staten-Generaal en van hun nabestaanden worden bij de wet geregeld. De kamers kunnen een voorstel van wet ter zake alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 64 - Ontbinding Kamers

  1. Elk der kamers kan bij koninklijk besluit worden ontbonden.

  2. Het besluit tot ontbinding houdt tevens de last in tot een nieuwe verkiezing voor de ontbonden kamer en tot het samenkomen van de nieuw gekozen kamer binnen drie maanden.

  3. De ontbinding gaat in op de dag waarop de nieuw gekozen kamer samenkomt.

  4. De wet stelt de zittingsduur van een na ontbinding optredende Tweede Kamer vast; de termijn mag niet langer zijn dan vijf jaren. De zittingsduur van een na ontbinding optredende Eerste Kamer eindigt op het tijdstip waarop de zittingsduur van de ontbonden kamer zou zijn geëindigd.

Artikel 65 - Troonrede

Jaarlijks op de derde dinsdag van september of op een bij de wet te bepalen eerder tijdstip wordt door of namens de Koning in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal een uiteenzetting van het door de regering te voeren beleid gegeven.

Artikel 66 - Openbaarheid vergaderingen

  1. De vergaderingen van de Staten-Generaal zijn openbaar.

  2. De deuren worden gesloten, wanneer een tiende deel van het aantal aanwezige leden het vordert of de voorzitter het nodig oordeelt.

  3. Door de kamer, onderscheidenlijk de kamers in verenigde vergadering, wordt vervolgens beslist of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd en besloten.

Artikel 67 - Quorum

  1. De kamers mogen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering alleen beraadslagen of besluiten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden ter vergadering aanwezig is.

  2. Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen.

  3. De leden stemmen zonder last.

  4. Over zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, wanneer één lid dit verlangt.

Artikel 68 - Inlichtingenplicht bewindslieden

De ministers en de staatssecretarissen geven de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat.

Artikel 69 - Aanwezigheid bewindslieden

  1. De ministers en de staatssecretarissen hebben toegang tot de vergaderingen en kunnen aan de beraadslaging deelnemen.

  2. Zij kunnen door de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn.

  3. Zij kunnen zich in de vergaderingen doen bijstaan door de personen, daartoe door hen aangewezen.

Artikel 70 - Recht van enquête

Beide kamers hebben, zowel ieder afzonderlijk als in verenigde vergadering, het recht van onderzoek (enquête), te regelen bij de wet.

Artikel 71 - Parlementaire onschendbaarheid

De leden van de Staten-Generaal, de ministers, de staatssecretarissen en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging, kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergaderingen van de Staten-Generaal of van commissies daaruit hebben gezegd of aan deze schriftelijk hebben overgelegd.

Artikel 72 - Reglement van orde

De kamers stellen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering een reglement van orde vast.

HOOFDSTUK 4

Adviesorganen INLEIDING

Artikel 73 - Taak Raad van State

  1. De Raad van State of een afdeling van de Raad wordt gehoord over voorstellen van wet en ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur, alsmede over voorstellen tot goedkeuring van verdragen door de Staten-Generaal. In bij de wet te bepalen gevallen kan het horen achterwege blijven.

  2. De Raad of een afdeling van de Raad is belast met het onderzoek van de geschillen van bestuur die bij koninklijk besluit worden beslist en draagt de uitspraak voor.

  3. De wet kan aan de Raad of een afdeling van de Raad de uitspraak in geschillen van bestuur opdragen.

Artikel 74 - Rechtspositie leden

  1. De Koning is voorzitter van de Raad van State. De vermoedelijke opvolger van de Koning heeft na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar van rechtswege zitting in de Raad. Bij of krachtens de wet kan aan andere leden van het koninklijk huis zitting in de Raad worden verleend.

  2. De leden van de Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  3. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  4. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Raad worden geschorst of ontslagen.

  5. De wet regelt overigens hun rechtspositie

Artikel 75 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Raad van State.

  2. Bij de wet kunnen aan de Raad of een afdeling van de Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 76 - Algemene rekenkamer

De Algemene Rekenkamer is belast met het onderzoek van de ontvangsten en uitgaven van het Rijk.

Artikel 77 - Rechtpositie leden rekenkamer

  1. De leden van de Algemene Rekenkamer worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Hoge Raad worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 78 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Algemene Rekenkamer.

  2. Bij de wet kunnen aan de Algemene Rekenkamer ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 78a - Nationale ombudsman

  1. De Nationale ombudsman verricht op verzoek of uit eigen beweging onderzoek naar gedragingen van bestuursorganen van het Rijk en van andere bij of krachtens de wet aangewezen bestuursorganen.
  2. De Nationale ombudsman en een substituut-ombudsman worden voor een bij de wet te bepalen termijn benoemd door de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Tweede Kamer der Staten-Generaal worden geschorst of ontslagen. De wet regelt overigens hun rechtspositie.
  3. De wet regelt de bevoegdheid en werkwijze van de Nationale ombudsman.
  4. Bij of krachtens de wet kunnen aan de Nationale ombudsman ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 79 - Vaste colleges van advies

  1. Vaste colleges van advies in zaken van wetgeving en bestuur van het Rijk worden ingesteld bij of krachtens de wet.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van deze colleges.

  3. Bij of krachtens de wet kunnen aan deze colleges ook andere dan adviserende taken worden opgedragen.

Artikel 80 - Openbaarmaking advies

  1. De adviezen van de in dit hoofdstuk bedoelde colleges worden openbaar gemaakt volgens regels bij de wet te stellen.

  2. Adviezen, uitgebracht ter zake van voorstellen van wet die door of vanwege de Koning worden ingediend, worden, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen, aan de Staten-Generaal overgelegd.

HOOFDSTUK 5

Wetgeving en bestuur INLEIDING

Artikel 81 - Wetgevende macht

De vaststelling van wetten geschiedt door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk.

Artikel 82 - Indienen wetsvoorstel

  1. Voorstellen van wet kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Voorstellen van wet waarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en, voor zover de betreffende artikelen van hoofdstuk 2 dit toelaten, door de verenigde vergadering.

  3. Voorstellen van wet, in te dienen door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering, worden bij haar door een of meer leden aanhangig gemaakt.

Artikel 83 - Toezending wetsvoorstel TK

Voorstellen van wet, ingediend door of vanwege de Koning, worden gezonden aan de Tweede Kamer of, indien daarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, aan deze vergadering.

Artikel 84 - Wijziging wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet, ingediend door of vanwege de Koning, niet door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering is aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en vanwege de regering worden gewijzigd.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden gewijzigd.

Artikel 85 - Toezending wetsvoorstel EK

Zodra de Tweede Kamer een voorstel van wet heeft aangenomen of tot indiening van een voorstel heeft besloten, zendt zij het aan de Eerste Kamer, die het voorstel overweegt zoals het door de Tweede Kamer aan haar is gezonden. De Tweede Kamer kan een of meer van haar leden opdragen een door haar ingediend voorstel in de Eerste Kamer te verdedigen.

Artikel 86 - Intrekking wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet niet door de Staten-Generaal is aangenomen, kan het door of vanwege de indiener worden ingetrokken.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden ingetrokken.

Artikel 87 - Aanneming en bekrachtiging

  1. Een voorstel wordt wet, zodra het door de Staten-Generaal is aangenomen en door de Koning is bekrachtigd.

  2. De Koning en de Staten-Generaal geven elkaar kennis van hun besluit omtrent enig voorstel van wet.

Artikel 88 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de wetten. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 89 - Algemene maatregel van bestuur

  1. Algemene maatregelen van bestuur worden bij koninklijk besluit vastgesteld.

  2. Voorschriften, door straffen te handhaven, worden daarin alleen gegeven krachtens de wet. De wet bepaalt de op te leggen straffen.

  3. De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de algemene maatregelen van bestuur. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

  4. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op andere vanwege het Rijk vastgestelde algemeen verbindende voorschriften.

Artikel 90 - Bevordering internationale rechtsorde

De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde.

Artikel 91 - Goedkeuring verdrag

  1. Het Koninkrijk wordt niet aan verdragen gebonden en deze worden niet opgezegd zonder voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. De wet bepaalt de gevallen waarin geen goedkeuring is vereist.

  2. De wet bepaalt de wijze waarop de goedkeuring wordt verleend en kan voorzien in stilzwijgende goedkeuring.

  3. Indien een verdrag bepalingen bevat welke afwijken van de Grondwet dan wel tot zodanig afwijken noodzaken, kunnen de kamers de goedkeuring alleen verlenen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 92 - Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties

Met inachtneming, zo nodig, van het bepaalde in artikel 91, derde lid, kunnen bij of krachtens verdrag aan volkenrechtelijke organisaties bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak worden opgedragen.

Artikel 93 - Verbindende kracht verdrag

Bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 94 - Verdrag boven wet

Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 95 - Bekendmaking verdrag

De wet geeft regels omtrent de bekendmaking van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 96 - Oorlogsverklaring

  1. Het Koninkrijk wordt niet in oorlog verklaard dan na voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal.

  2. De toestemming is niet vereist, wanneer het overleg met de Staten-Generaal ten gevolge van een feitelijk bestaande oorlogstoestand niet mogelijk is gebleken.

  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  4. Het bepaalde in het eerste en het derde lid is van overeenkomstige toepassing voor een verklaring dat een oorlog beëindigd is.

Artikel 97 - Krijgsmacht

  1. Ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk, alsmede ten behoeve van de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde, is er een krijgsmacht.

  2. De regering heeft het oppergezag over de krijgsmacht.

Artikel 98 - Samenstelling krijgsmacht

  1. De krijgsmacht bestaat uit vrijwillig dienenden en kan mede bestaan uit dienstplichtigen.

  2. De wet regelt de verplichte militaire dienst en de bevoegdheid tot opschorting van de oproeping in werkelijke dienst.

Artikel 99 - Gewetensbezwaren militaire dienst

De wet regelt vrijstelling van militaire dienst wegens ernstige gewetensbezwaren.

Artikel 99a - Civiele verdediging

Volgens bij de wet te stellen regels kunnen plichten worden opgelegd ten behoeve van de civiele verdediging.

Artikel 100 - Inlichtingen over krijgsmacht

  1. De regering verstrekt de Staten-Generaal vooraf inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. Daaronder is begrepen het vooraf verstrekken van inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht voor humanitaire hulpverlening in geval van gewapend conflict.

  2. Het eerste lid geldt niet, indien dwingende redenen het vooraf verstrekken van inlichtingen verhinderen. In dat geval worden inlichtingen zo spoedig mogelijk verstrekt.

Artikel 101 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 20 juli 1995

Artikel 102 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 22 juni 2000

Artikel 103 - Uitzonderingstoestand

  1. De wet bepaalt in welke gevallen ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid bij koninklijk besluit een door de wet als zodanig aan te wijzen uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd; zij regelt de gevolgen.

  2. Daarbij kan worden afgeweken van de grondwetsbepalingen inzake de bevoegdheden van de besturen van provincies, gemeenten en waterschappen, van de grondrechten geregeld in de artikelen 6, voor zover dit de uitoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen van het in dit artikel omschreven recht betreft, 7, 8, 9, 12, tweede en derde lid, en 13, alsmede van artikel 113, eerste en derde lid.

  3. Terstond na de afkondiging van een uitzonderingstoestand en voorts, zolang deze niet bij koninklijk besluit is opgeheven, telkens wanneer zij zulks nodig oordelen beslissen de Staten-Generaal omtrent het voortduren daarvan; zij beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 104 - Belastingheffing

Belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet. Andere heffingen van het Rijk worden bij de wet geregeld.

 
 

Artikel 105 - Recht van begroting

  1. De begroting van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt bij de wet vastgesteld.

  2. Jaarlijks worden voorstellen van algemene begrotingswetten door of vanwege de Koning ingediend op het in artikel 65 bedoelde tijdstip.

  3. De verantwoording van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt aan de Staten-Generaal gedaan overeenkomstig de bepalingen van de wet. De door de Algemene Rekenkamer goedgekeurde rekening wordt aan de Staten-Generaal overgelegd.

  4. De wet stelt regels omtrent het beheer van de financiën van het Rijk.

Artikel 106 - Geldstelsel

De wet regelt het geldstelsel.

Artikel 107 - Codificatie

  1. De wet regelt het burgerlijk recht, het strafrecht en het burgerlijk en strafprocesrecht in algemene wetboeken, behoudens de bevoegdheid tot regeling van bepaalde onderwerpen in afzonderlijke wetten.

  2. De wet stelt algemene regels van bestuursrecht vast.

Artikel 108 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 25 februari 1999

Artikel 109 - Rechtspositie ambtenaren

De wet regelt de rechtspositie van de ambtenaren. Zij stelt tevens regels omtrent hun bescherming bij de arbeid en omtrent medezeggenschap.

 

Artikel 110 - Openbaarheid van bestuur

De overheid betracht bij de uitvoering van haar taak openbaarheid volgens regels bij de wet te stellen.

 

Artikel 111 - Ridderorden

Ridderorden worden bij de wet ingesteld.
HOOFDSTUK 6

Rechtspraak INLEIDING

Artikel 112 - Civiele en administratieve rechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is opgedragen de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen.

  2. De wet kan de berechting van geschillen die niet uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, opdragen hetzij aan de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren. De wet regelt de wijze van behandeling en de gevolgen van de beslissingen.

Artikel 113 - Strafrechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van strafbare feiten.

  2. Tuchtrechtspraak door de overheid ingesteld wordt bij de wet geregeld.

  3. Een straf van vrijheidsontneming kan uitsluitend door de rechterlijke macht worden opgelegd.

  4. Voor berechting buiten Nederland en voor het oorlogsstrafrecht kan de wet afwijkende regels stellen.

Artikel 114 - Doodstraf

De doodstraf kan niet worden opgelegd.

Artikel 115 - Administratief beroep

Ten aanzien van de in artikel 112, tweede lid, bedoelde geschillen kan administratief beroep worden opengesteld.

Artikel 116 - Rechterlijke macht

  1. De wet wijst de gerechten aan die behoren tot de rechterlijke macht.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de rechterlijke macht.

  3. De wet kan bepalen, dat aan rechtspraak door de rechterlijke macht mede wordt deelgenomen door personen die niet daartoe behoren.

  4. De wet regelt het toezicht door leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast uit te oefenen op de ambtsvervulling door zodanige leden en door de personen bedoeld in het vorige lid.

Artikel 117 - Rechtspositie leden rechterlijke macht

  1. De leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal bij de Hoge Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet bepaald kunnen zij door een bij de wet aangewezen, tot de rechterlijke macht behorend gerecht worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 118 - Hoge Raad

  1. De leden van de Hoge Raad der Nederlanden worden benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. De Hoge Raad is in de gevallen en binnen de grenzen bij de wet bepaald, belast met de cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van het recht.

  3. Bij de wet kunnen aan de Hoge Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 119 - Ambtsmisdrijven

De leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreden terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.

Artikel 120 - Toetsingsverbod

De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.

Artikel 121 - Openbaarheid terechtzittingen

Met uitzondering van de gevallen bij de wet bepaald vinden de terechtzittingen in het openbaar plaats en houden de vonnissen de gronden in waarop zij rusten. De uitspraak geschiedt in het openbaar.

Artikel 122 - Gratie

  1. Gratie wordt verleend bij koninklijk besluit na advies van een bij de wet aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.

  2. Amnestie wordt bij of krachtens de wet verleend.

HOOFDSTUK 7

Decentralisatie INLEIDING

Artikel 123 - Instelling provincies en gemeenten

  1. Bij de wet kunnen provincies en gemeenten worden opgeheven en nieuwe ingesteld.

  2. De wet regelt de wijziging van provinciale en gemeentelijke grenzen.

Artikel 124 - Autonomie en medebewind

  1. Voor provincies en gemeenten wordt de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake hun huishouding aan hun besturen overgelaten.

  2. Regeling en bestuur kunnen van de besturen van provincies en gemeenten worden gevorderd bij of krachtens de wet.

Artikel 125 - Organen decentrale besturen

  1. Aan het hoofd van de provincie en de gemeente staan provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad. Hun vergaderingen zijn openbaar, behoudens bij de wet te regelen uitzonderingen.

  2. Van het bestuur van de provincie maken ook deel uit gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning, van het bestuur van de gemeente het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester.

Artikel 126 - Ambtsinstructie commissaris koning

Bij de wet kan worden bepaald, dat de commissaris van de Koning wordt belast met de uitvoering van een door de regering te geven ambtsinstructie.

Artikel 127 - Vaststelling verordening

Provinciale staten en de gemeenteraad stellen, behoudens bij de wet of door hen krachtens de wet te bepalen uitzonderingen, de provinciale onderscheidenlijk de gemeentelijke verordeningen vast.

Artikel 128 - Toekenning bevoegdheden

Behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 123, kan de toekenning van bevoegdheden, als bedoeld in artikel 124, eerste lid, aan andere organen dan die, genoemd in artikel 125, alleen door provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad geschieden.

Artikel 129 - Verkiezing vertegenwoordigend orgaan

  1. De leden van provinciale staten en van de gemeenteraad worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders, tevens ingezetenen van de provincie onderscheidenlijk de gemeente, die voldoen aan de vereisten die gelden voor de verkiezing van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Voor het lidmaatschap gelden dezelfde vereisten.
  2. De leden worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  3. De artikelen 53, tweede lid, en 59 zijn van toepassing. Artikel 57a is van overeenkomstige toepassing.
  4. De zittingsduur van provinciale staten en de gemeenteraad is vier jaren, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen.
  5. De wet bepaalt welke betrekkingen niet gelijktijdig met het lidmaatschap kunnen worden uitgeoefend. De wet kan bepalen, dat beletselen voor het lidmaatschap voortvloeien uit verwantschap of huwelijk en dat het verrichten van bij de wet aangewezen handelingen tot het verlies van het lidmaatschap kan leiden.
  6. De leden stemmen zonder last.

Artikel 130 - Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders

De wet kan het recht de leden van de gemeenteraad te kiezen en het recht lid van de gemeenteraad te zijn toekennen aan ingezetenen, die geen Nederlander zijn, mits zij tenminste voldoen aan de vereisten die gelden voor ingezetenen die tevens Nederlander zijn.

Artikel 131 - Benoeming commissaris Koning

De commissaris van de Koning en de burgemeester worden bij koninklijk besluit benoemd.

Artikel 132 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen

  1. De wet regelt de inrichting van provincies en gemeenten, alsmede de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen.

  2. De wet regelt het toezicht op deze besturen.

  3. Besluiten van deze besturen kunnen slechts aan voorafgaand toezicht worden onderworpen in bij of krachtens de wet te bepalen gevallen.

  4. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden bij koninklijk besluit wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

  5. De wet regelt de voorzieningen bij in gebreke blijven ten aanzien van regeling en bestuur, gevorderd krachtens artikel 124, tweede lid. Bij de wet kunnen met afwijking van de artikelen 125 en 127 voorzieningen worden getroffen voor het geval het bestuur van een provincie of een gemeente zijn taken grovelijk verwaarloost.

  6. De wet bepaalt welke belastingen door de besturen van provincies en gemeenten kunnen worden geheven en regelt hun financiële verhouding tot het Rijk.

Artikel 133 - Waterschappen

  1. De opheffing en instelling van waterschappen, de regeling van hun taken en inrichting, alsmede de samenstelling van hun besturen, geschieden volgens bij de wet te stellen regels bij provinciale verordening, voor zover bij of krachtens de wet niet anders is bepaald.

  2. De wet regelt de verordenende en andere bevoegdheden van de besturen van de waterschappen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen.

  3. De wet regelt het provinciale en overige toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 134 - Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

  1. Bij of krachtens de wet kunnen openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere openbare lichamen worden ingesteld en opgeheven.

  2. De wet regelt de taken en de inrichting van deze openbare lichamen, de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen. Bij of krachtens de wet kan aan hun besturen verordenende bevoegdheid worden verleend.

  3. De wet regelt het toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 135 - Gemeenschappelijke regelingen

De wet geeft regels ter voorziening in zaken waarbij twee of meer openbare lichamen zijn betrokken. Daarbij kan in de instelling van een nieuw openbaar lichaam worden voorzien, in welk geval artikel 134, tweede en derde lid, van toepassing is.

Artikel 136 - Geschillen

De geschillen tussen openbare lichamen worden bij koninklijk besluit beslist, tenzij deze behoren tot de kennisneming van de rechterlijke macht of hun beslissing bij de wet aan anderen is opgedragen.
HOOFDSTUK 8

Herziening grondwet INLEIDING

Artikel 137 - Grondwetswijziging

  1. De wet verklaart, dat een verandering in de Grondwet, zoals zij die voorstelt, in overweging zal worden genomen.

  2. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, een voorstel voor zodanige wet splitsen.

  3. Na de bekendmaking van de wet, bedoeld in het eerste lid, wordt de Tweede Kamer ontbonden.

  4. Nadat de nieuwe Tweede Kamer is samengekomen, overwegen beide kamers in tweede lezing het voorstel tot verandering, bedoeld in het eerste lid. Zij kunnen dit alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  5. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen een voorstel tot verandering splitsen.

Artikel 138 - Aanpassing niet gewijzigde bepalingen

  1. Voordat de in tweede lezing aangenomen voorstellen tot verandering in de Grondwet door de Koning worden bekrachtigd, kunnen bij de wet:

    a. de aangenomen voorstellen en de ongewijzigd gebleven bepalingen van de Grondwet voor zoveel nodig aan elkaar worden aangepast;

    b. de indeling in en de plaats van hoofdstukken, paragrafen en artikelen, alsmede de opschriften worden gewijzigd.

  2. Een voorstel van wet, houdende voorzieningen als bedoeld in het eerste lid onder a, kunnen de kamers alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 139 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De veranderingen in de Grondwet, door de Staten-Generaal aangenomen en door de Koning bekrachtigd, treden terstond in werking, nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 140 - Handhaving bestaande regelgeving

Bestaande wetten en andere regelingen en besluiten die in strijd zijn met een verandering in de Grondwet, blijven gehandhaafd, totdat daarvoor overeenkomstig de Grondwet een voorziening is getroffen.

Artikel 141 - Bekendmaking herziene Grondwet

De tekst van de herziene Grondwet wordt bij koninklijk besluit bekendgemaakt, waarbij hoofdstukken, paragrafen en artikelen kunnen worden vernummerd en verwijzingen dienovereenkomstig kunnen worden veranderd.

Artikel 142 - Aanpassing Grondwet aan Statuut

De Grondwet kan bij de wet met het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in overeenstemming worden gebracht. De artikelen 139, 140 en141 zijn van overeenkomstige toepassing.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

F.M.C. Vlemminx en A.C.M. Meuwese

ARTIKEL 93 - Verbindende kracht verdrag

INHOUD
  1. Het jurisprudentiële monisme
  2. De grondwetsherzieningen van 1953 en 1956
  3. De identieke uitleg
  4. De leer van de normadressaat
  5. Abstracte versus concrete duiding
  6. Regering versus rechter
  7. De bekendmaking
  8. De waarborgfunctie van artikel 93 bij de identieke uitleg
  9. Artikel 93 als rechtsstatelijke toepassingsregel
  10. Het ongeschreven volkenrecht
  11. Het EU-recht
  12. Historische versies
 

Editie april 2013

1. Het jurisprudentiële monisme

Algemeen wordt aangenomen dat een staat ten aanzien van de receptie van het verdragsrecht in wezen slechts twee houdingen kan aannemen. Er kan worden gekozen voor dualisme en er kan worden gekozen voor monisme.[1] Dualisme houdt in dat tussen de nationale en de internationale rechtsorde een strikte scheiding bestaat met als gevolg dat internationale normen slechts bindend zijn binnen de nationale rechtsorde wanneer zij eerst in die rechtsorde worden opgenomen. Dat kan geschieden door incorporatie of transformatie. Bij incorporatie worden de internationale normen als zodanig uitdrukkelijk overgeheveld naar de nationale rechtsorde. Bij transformatie worden de internationale normen via wetgeving omgezet in nationale normen. Monisme houdt in dat tussen de nationale en de internationale rechtsorde geen scheiding bestaat. Dat betekent dat internationale rechtsnormen automatisch deel gaan uitmaken van de nationale rechtsorde en uit dien hoofde binnen die rechtsorde ook meteen bindend zijn. Nu wordt de term ‘monisme’ hier niet helemaal zuiver gebruikt. Bij een absoluut monisme zou het volkenrecht zelf al dicteren dat het verdragsrecht zonder transformatie binnen de nationale rechtsorde doorwerkt, maar in tegenstelling tot het EU-recht bepaalt het volkenrecht zoiets niet. Aan het feit dat het nationale constitutionele recht het monisme regelt en het dus ook weer kan afschaffen, kleeft daarom een licht ‘dualistisch’ aspect. Niettemin wordt hierna gewoon van ‘monisme’ gesproken. Iedere staat is dus vrij in zijn keuze tussen monisme of dualisme. Volkenrechtelijk geldt slechts de in art. 26 Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht neergelegde eis dat een verdrag te goeder trouw ten uitvoer wordt gelegd en dat kan zowel via monisme als dualisme geschieden. Zo heeft het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland een dualistisch en Frankrijk een monistisch systeem. Welk systeem hanteert Nederland?

Iedereen is het erover eens dat art. 93 ten aanzien van bepalingen ‘die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden’ een fundamenteel voorschrift bevat dat samenhangt met een monistisch stelsel. Maar zodra er tot een nadere invulling wordt overgegaan ontstaat er verwarring. Volgens een visie die vooral vroeger her en der werd verdedigd, legt art. 93 de grondslag voor het monistische systeem,[2] zodat dan uitsluitend ‘een ieder verbindende’ bepalingen in de zin van dit artikel in de Nederlandse rechtsorde doorwerken. Bepalingen die niet als ‘een ieder verbindend’ kunnen worden aangemerkt, zijn binnen de nationale rechtsorde niet bindend; zij verplichten louter op het internationale vlak, dus tussen de staten. In dit verband hanteert men dan de term ‘beperkt monisme’. Tegenwoordig wordt deze visie nauwelijks nog serieus aangehangen maar toch is de gedachte dat het Nederlandse monisme zou worden getemperd, allesbehalve verdwenen. De gedachte is aantrekkelijk vanwege haar eenvoud en ontleent aan die eenvoud een bedrieglijke overtuigingskracht. Ze wordt vooral van stal gehaald in een betoog dat erop is gericht om toetsing door de rechter buiten de deur te houden. Dat die rechter buiten spel staat wordt in zo’n betoog gepresenteerd als een soort natuurlijk gegeven dat dient te worden aanvaard. Er zou weinig tegen te doen zijn want het Nederlandse monisme is nu eenmaal beperkt. Een recent voorbeeld. In het slotcommentaar dat het VN Comité inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten op 19 november 2010 uitbracht over de vierde en vijfde rapportage van Nederland, uit het Comité stevige kritiek op de omstandigheid dat de rechter categorisch weigert om rechten uit het IVESCR direct toe te passen:[3] ‘Gezien het feit dat de Verdragsstaat een monistisch systeem heeft waarbij internationale verdragen rechtstreeks van toepassing zijn, herhaalt het Comité zijn bezorgdheid over het feit dat sommige bepalingen van het Verdrag geen directe werking hebben en niet afdwingbaar zijn in de Verdragsstaat noch door de rechter ter staving van wettelijke vorderingen betreffende economische, sociale en culturele rechten zijn toegelaten. Het Comité herhaalt zijn aanbeveling dat de Verdragsstaat de verplichting heeft om de rechten in dit Verdrag tot gelding te laten brengen op elk deel van zijn grondgebied zodat individuen de handhaving van hun rechten voor de nationale rechter kunnen afdwingen. Bovendien verzoekt het Comité de Verdragsstaat dringend, vanwege de talrijke uitspraken van de rechter van de Verdragsstaat met de strekking dat de bepalingen van het Verdrag geen directe werking hebben en dus niet bindend zijn volgens de artikelen 93 en 94 van de Grondwet van de Verdragsstaat, om alle wettelijke en andere maatregelen te overwegen om ervoor te zorgen dat de rechten uit het Verdrag in alle constituerende landen van het Koninkrijk der Nederlanden van toepassing en in rechte afdwingbaar zijn. In dit verband wijst het Comité de Verdragsstaat op Algemene Aanbeveling nr. 9 over de nationale toepassing van het Verdrag (1998). Het Comité verzoekt de Verdragsstaat eveneens om in diens periodieke rapporten gedetailleerde informatie te blijven geven over de jurisprudentie van zijn hele grondgebied met betrekking tot de implementatie van het Verdrag.’ Op 1 juni 2011 reageert het kabinet als volgt op deze kritiek:[4] ‘Voor wat betreft de doorwerking van internationale verdragen heeft Nederland in zijn constitutie bewust gekozen voor een gematigd monistisch stelsel. Uit de artikelen 93 en 94 van de Nederlandse Grondwet vloeit voort dat bepalingen van verdragen weliswaar rechtstreeks inroepbaar kunnen zijn door justitiabelen, maar dat dit slechts het geval is voor zover het gaat om verdragsbepalingen die een ieder kunnen verbinden. Verdragsbepalingen die primair een opdracht inhouden voor de Nederlandse wetgever en administratie worden door de Nederlandse rechter niet als “een ieder verbindend” beschouwd; dergelijke bepalingen krijgen in de Nederlandse rechtsorde hun werking via de wetgevende en uitvoerende maatregelen die tot stand zijn gebracht teneinde de Nederlandse situatie in conformiteit met die verdragsbepalingen te doen zijn. Een dergelijk stelsel komt ook in andere landen dan Nederland voor.’ Het standpunt dat het kabinet hier in reactie op de kritiek inneemt is erg troebel. Wordt inderdaad het monisme als zodanig gematigd door het gegeven dat uitsluitend ‘een ieder verbindende’ bepalingen bij de rechter kunnen worden ingeroepen? Dit standpunt valt niet vol te houden. Bij een dergelijke beperkt-monistische opvatting moet ten aanzien van verdragsbepalingen die niet als ‘een ieder verbindend’ kunnen worden gekwalificeerd, een dualistisch stelsel worden gehanteerd. Aangezien een grondwettelijk incorporatiestelsel ontbreekt, betekent dit dat transformatie is vereist. Er is echter dit probleem dat er in het Nederlandse recht ten aanzien van niet-‘een ieder verbindende’ bepalingen geen transformatiewetgeving wordt aangetroffen; er bestaat wel implementatiewetgeving. Het verschil bestaat daaruit dat bij transformatie de internationaalrechtelijke opdracht wordt omgezet in een nationaalrechtelijke, terwijl bij implementatie de opdracht wordt uitgevoerd. De begrippen ‘implementatie’ en ‘transformatie’ mogen niet door elkaar worden gehaald. Dit betekent dat bij een beperkt-monistische visie niet-‘een ieder verbindende’ bepalingen helemaal geen effecten sorteren binnen de Nederlandse rechtsorde en er dus voor wetgever of bestuur geen enkele verplichting van uitgaat. Dat is hoogst merkwaardig. Bovendien vindt de beperkt-monistische opvatting geen steun in de jurisprudentie. Er is bijvoorbeeld door de Centrale Raad van Beroep een reeks uitspraken gewezen waarin het ‘een ieder verbindende’ karakter van de verdragsbepaling uitdrukkelijk in het midden werd gelaten. Er werd gewoon getoetst en geconstateerd dat er zich geen strijd voordeed.[5] Hoe kan de rechter tot toetsing overgaan als het ‘een ieder verbindende’ karakter een voorwaarde vormt voor doorwerking in de Nederlandse rechtsorde? Ook valt te wijzen op jurisprudentiële beslissingen waarbij een verdragsbepaling weliswaar niet als ‘een ieder verbindend’ werd beschouwd maar toch de gemeentelijke overheid bond[6] of toch een doelstelling vormde waarnaar een schoolbestuur diende te streven.[7] Zulke overwegingen vallen vanuit de beperkt-monistische invalshoek niet te verklaren. Verreweg de meeste staatsrechtsgeleerden stellen zich thans dan ook op het standpunt dat in Nederland geen beperkt maar een volledig monistisch systeem geldt.[8] De gelding van dit systeem werd reeds aan het begin van deze eeuw in de rechtspraak bevestigd.[9] Naderhand, in 1953, is het huidige art. 93 in de Grondwet gekomen. Of een bepaling als ‘een ieder verbindend’ in de zin van dit artikel kan worden aangemerkt is voor de doorwerking niet relevant. Ook niet-‘een ieder verbindende’ bepalingen werken door en zijn binnen de nationale rechtsorde bindend. Deze benadering kan worden aangeduid als het jurisprudentiële monisme. Kortom, art. 93 geeft dan niet de grondslag voor de doorwerking maar regelt iets anders.

Wat regelt art. 93 dan? Deze grondwetsbepaling heeft een dubbele functie. Enerzijds waarborgt art. 93 de rechtszekerheid en dat is vooral van belang wanneer een verdragsbepaling plichten voor burgers in het leven roept en tegelijkertijd zo nauwkeurig is geformuleerd dat deze plichten burgers zonder tussenkomst van de wetgever kunnen worden tegengeworpen. De rechtszekerheid vereist dat zulke verdragsbepalingen eerst worden gepubliceerd voordat ze worden toegepast, een aangelegenheid die in het nationale recht moet worden geregeld omdat het volkenrecht aan de inwerkingtreding van een verdrag geen voorwaarde van voorafgaande bekendmaking verbindt. In dit opzicht vormt art. 93 dus een heldere bevestiging van het jurisprudentiële monisme. Tegenwoordig trekt deze waarborgfunctie van art. 93 niet de meeste aandacht maar de functie werd bij de algehele grondwetsherziening van 1983 wel opnieuw benadrukt.[10] Anderzijds dient art. 93 tevens als een definitiebepaling[11] met het oog op art. 94 Grondwet, de bepaling waarin de voorrangsregel is neergelegd: nationale wettelijke voorschriften mogen alleen buiten toepassing worden gelaten indien toepassing onverenigbaar is met ‘een ieder verbindende’ bepalingen. Tegenwoordig treedt deze functie van art. 93 veel meer op de voorgrond dan de waarborgfunctie. Wanneer de verdragsluitende staten niets zijn overeengekomen omtrent de mogelijkheid om de verdragsbepaling direct toe te passen, is volgens de Hoge Raad in het klassieke Spoorwegstakingsarrest van 1986 ‘naar Nederlands recht enkel de inhoud van de bepaling zelf beslissend’, een standpunt dat de Hoge Raad in 2011 nog eens expliciet bevestigt.[12] Deze nadrukkelijke verwijzing naar ‘de inhoud’ is gebaseerd op artikel 93. Op zich is het opmerkelijk dat art. 93 een dubbele functie vervult en dan ook nog eens twee functies waarvan niet meteen duidelijk is of ze met elkaar samenhangen en hoe ze dan met elkaar samenhangen. Het lijkt erop dat het grondwetsartikel ooit als kapstok heeft gediend om er een extra leerstuk aan op te hangen. Wanneer de rechtshistorie van de bepaling wordt overzien blijkt dat ook inderdaad het geval te zijn. De aandacht gaat dan uit naar twee grondwetsherzieningen die zich kort achter elkaar in het midden van de vorige eeuw voltrokken.

2. De grondwetsherzieningen van 1953 en 1956

De verwarring rond art. 93 hangt samen met de grondwetsgeschiedenis. Artikel 93 vormt een onderdeel van een systeem dat in de Grondwet werd neergelegd. Dit systeem bestrijkt mede art. 94 en 95. Anders gezegd, de functie van art. 93 en de inhoud van de clausule ‘die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden’ kunnen slechts worden doorgrond wanneer ook art. 94 en 95 in de beschouwing worden betrokken. Deze artikelen bevatten immers essentiële onderdelen van het systeem en bepalen dus mede de betekenis van art. 93.

Artikel 93 kwam bij de grondwetsherziening van 1953 in de Grondwet. De bepaling werd opgenomen om de rechtszekerheid van de burgers te waarborgen. De regering stelde in de eerste lezing van deze grondwetsherziening:[13] ‘De rechtszekerheid van het individu is een kostbaar goed, en aantasting daarvan moet in hoge mate bedenkelijk worden geacht. Indien een nationale Regering nalaat de burgers in kennis te stellen van het bestaan van internationale regels, die ook voor de burgers bindend zijn, moet uitsluitend deze nalatige Regering hiervoor aansprakelijk worden gesteld, zonder dat de onderdanen slachtoffer moeten worden van dit verzuim.’ Zoals gezegd werd bij de grondwetsherziening van 1983 nog eens onderstreept dat art. 93 als waarborg dient voor burgers.[14] Het huidige art. 95, dat het stellen van nadere regels omtrent de bekendmaking aan de wetgever opdraagt, vormde tot 1983 een onderdeel van art. 93. Bij de grondwetsherziening van 1983 werd van art. 95 een zelfstandige bepaling gemaakt.

Artikel 94 kwam via de eerste lezing van de grondwetsherziening van 1953 in de Grondwet terecht en wel doordat de Tweede Kamer het amendement-Serrarens aannam. De regering had art. 94 niet in het oorspronkelijke wetsvoorstel opgenomen, want het leek haar beter ‘de verdere ontwikkeling der rechtsopvattingen hieromtrent af te wachten’.[15] Artikel 94 bevatte in 1953 nog niet de clausule ‘een ieder verbindende’ bepalingen en verder stonden de artikelen 93 en 94 in de omgekeerde volgorde.

In 1956 onderging het systeem zoals dat in de Grondwet was neergelegd een inhoudelijke verandering. De grondwetsherziening werd voorbereid door de commissie-Kranenburg, die de opdracht had gekregen louter redactionele wijzigingen voor te stellen zonder het systeem als zodanig te veranderen. Het oog was louter gericht op wat de minister van Binnenlandse Zaken in zijn toespraak bij de installering van de commissie aanduidde als ‘een technische verbetering van de in 1953 afgekondigde grondwetsherziening.’[16] Verschillende commissieleden hadden echter bezwaren tegen de grondwettelijke regeling die in 1953 in aansluiting op het jurisprudentiële monisme tot stand was gekomen. Brouwer werpt op dat er zich binnen de commissie waarschijnlijk ‘twee stromingen’ voordeden. Enerzijds was er onder aanvoering van Duynstee een stroming die er op uit was om het monisme in te dammen, en anderzijds was er onder leiding van Van Panhuys een stroming die de mogelijkheden voor de rechter om internationaal recht direct toe te passen aan banden wilde leggen.[17] Het resultaat was in ieder geval dat de commissie wijzigingen voorstelde waarin ook een beperkt monisme kon worden gelezen. Zo werd geopperd om de volgorde van art. 93 en 94 om te keren. De regering volgde dit voorstel, maar rechtvaardigde de omdraaiing van de nummering toch weer op haar eigen manier en, naar het zich laat aanzien, meer in de geest van de grondwetsherziening van 1953.[18] Daarom valt geenszins uit te sluiten dat de regering vasthield aan de in 1953 vigerende en straks te bespreken opvatting dat art. 93 louter betrekking heeft op verdragsbepalingen die de burgers plichten opleggen, toen ze stelde:[19] ‘Eerst dient de Grondwet aan te geven in hoeverre overeenkomsten die het Koninkrijk volkenrechtelijk binden ook voor de burgers verbindend zijn, om daarna aan te geven welke haar verhouding is tot de intern wettelijke voorschriften.’ De commissie stelde bovendien voor de clausule ‘een ieder verbindend’ in de tekst van art. 94 in te voegen. Ook dit voorstel werd door de regering overgenomen. In de visie van de regering maakte de clausule duidelijk dat de rechter de benodigde terughoudendheid diende te betrachten.[20] Maar waarom daartoe de woorden ‘een ieder verbindend’ werden gekozen is hoogst onduidelijk. De regering volgde klakkeloos de commissie. Ook de beweegredenen van de commissie waren allesbehalve helder.[21]

Door bij de grondwetsherziening van 1956 de voorstellen van de adviescommissie-Kranenburg over te nemen werd helaas wél gesleuteld aan het systeem zoals dat in 1953 gestalte had gekregen. De omkering van de volgorde van art. 93 en 94 en de invoeging van de woorden ‘een ieder verbindend’ in art. 94 nodigden ertoe uit de clausule ‘die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden’ voortaan anders uit te leggen. Het lag voor de hand bij de uitleg niet alleen rekening te houden met de functie van art. 93 maar ook met die van art. 94. Een lastig punt is echter dat art. 94 een heel andere functie heeft dan art. 93. Artikel 94 strekt er niet toe de rechtszekerheid van burgers te waarborgen maar geeft een voorschrift omtrent de mogelijkheden van de rechter (en het bestuur) om verdragsrecht toe te passen.

Vanwege deze geschiedenis zijn er, voortbouwend op het jurisprudentiële monisme, twee interpretaties mogelijk van de clausule ‘die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden’ in art. 93. Die twee interpretaties hangen samen met de dubbele functie die art. 93 sinds de grondwetsherziening van 1956 vervult.

De eerste interpretatie waarbij art. 93 als een definitiebepaling voor art. 94 wordt beschouwd, neemt het systeem zoals dat in 1956 werd veranderd als uitgangspunt. De clausule ‘die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden’ in art. 93 en de woorden ‘een ieder verbindend’ in art. 94 worden identiek uitgelegd. De interpretatie is dus mede gebaseerd op de functie van art. 94 en op deze functie wordt zelfs de klemtoon gelegd. De clausule ‘die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden’ in art. 93 strekt zich dan grofweg uit over zowel rechten als plichten van burgers. Deze identieke uitleg wordt algemeen aanvaard en dat is begrijpelijk. Het ligt voor de hand om de termen in de twee grondwetsartikelen op gelijke wijze uit te leggen. Een andere benadering doet enigszins gekunsteld aan. Daar staat echter tegenover dat er bij deze identieke uitleg uit rechtsstatelijk oogpunt, dus gelet op de waarborgen die burgers worden verschaft, serieuze gebreken kleven aan het grondwettelijke systeem van de artikelen 93, 94 en 95 Grondwet.

Deze gebreken doen zich niet voor bij de tweede interpretatie. Deze alternatieve interpretatie grijpt exclusief terug op de oorspronkelijke waarborgfunctie van artikel 93 en neemt het systeem zoals dat in 1953 in de Grondwet werd neergelegd als uitgangspunt. Tegelijkertijd wordt benadrukt dat men dat systeem bij de grondwetsherziening van 1956 niet heeft willen veranderen. De clausule ‘die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden’ in art. 93 en de woorden ‘een ieder verbindend’ in art. 94 worden dan apart uitgelegd en wel tegen de achtergrond van de verschillende functies die de artikelen 93 en 94 toekomen. Bij deze interpretatie wordt dus niet de functie van art. 94 maar juist die van art. 93 beklemtoond. Het artikel wordt opgevat als een rechtsstatelijke toepassingsregel. Het strekt zich niet uit over rechten van burgers maar heeft louter betrekking op plichten die aan burgers worden opgelegd. Deze tweede alternatieve interpretatie strekt er vooral toe de rechtsstatelijke gebreken die aan de identieke uitleg kleven, aan het licht te brengen. Ze dient als waarschuwing. Het lijkt niet erg verstandig om de oorspronkelijke betekenis van de clausule ‘die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden’ in art. 93 zonder meer aan de vergetelheid prijs te geven. Het verdient de voorkeur om een historisch-restrictieve interpretatie achter de hand te houden zodat die, als de nood aan de man komt, de identieke uitleg opzij kan schuiven. 

In de paragrafen die nu volgen wordt eerst de identieke uitleg besproken. Dan worden de gebreken die aan deze benadering kleven, doorgelicht en vervolgens komt de opvatting van art. 93 als rechtsstatelijke toepassingsregel aan bod. Tot slot zal aandacht worden besteed aan het ongeschreven volkenrecht en het EU-recht.

3. De identieke uitleg

Artikel 93 stelt aan de verbindende kracht als voorwaarde dat er eerst tot bekendmaking wordt overgegaan en aangezien de bekendmaking in handen is van de regering, neemt de regering in het kader van art. 93 een cruciale positie in. Het is voor haar van groot belang wanneer er bepalingen ‘die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden’ in de zin van art. 93 aan de orde zijn. Bij de identieke uitleg kunnen zulke bepalingen burgers zowel rechten verlenen als plichten opleggen. Onder ‘plichten’ vallen zowel strafrechtelijk te handhaven plichten als privaatrechtelijke plichten jegens medeburgers. Als standaardvoorbeeld voor strafrechtelijke plichten dienen de misdrijven tegen de vrede, te vinden in de Overeenkomst van Londen van 8 augustus 1945 waarbij tevens het Internationaal Militair Tribunaal van Neurenberg werd ingesteld. In Nederland werden de Bijzondere Gerechtshoven en Bijzondere Raad van Cassatie met de berechting belast. Maar er staan bijvoorbeeld ook strafrechtelijke plichten in de ‘Europese Overeenkomst nopens de arbeidsvoorwaarden voor de bemanningen van motorrijtuigen in het internationale vervoer over de weg’.[22] Voorbeelden van privaatrechtelijke plichten worden gevonden in verdragen die materieel privaatrecht regelen zoals het Weens Koopverdrag. De art. 30-65 van dit verdrag behelzen diverse verplichtingen voor de koper en de verkoper bij de koop van roerende zaken. Onder ‘rechten’ vallen privaatrechtelijke rechten al dan niet jegens medeburgers, en natuurlijk rechten jegens de overheid. Bij deze laatste rechten valt met name te denken aan de mensenrechten.

Maar niet alle bepalingen die rechten en plichten behelzen zijn automatisch bepalingen ‘die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden’. De categorie wordt ingeperkt aan de hand van verschillende criteria. Strafrechtelijke en privaatrechtelijke plichten die nadere uitwerking behoeven door de wetgever, vallen er bijvoorbeeld buiten. Hetzelfde geldt voor privaatrechtelijke rechten die door de wetgever nader moeten worden uitgewerkt. Wat de mensenrechten betreft is het verschil tussen enerzijds de vrijheidsrechten en anderzijds de rechten op overheidsprestaties (prestatieplichten of positieve verplichtingen voor de overheid) van belang, want mensenrechten die ‘implementatie’ behoeven vallen in beginsel buiten de categorie. Bij vrijheidsrechten is implementatie zelden of nooit noodzakelijk, bij rechten op prestaties van overheidswege altijd. Soms dient dan de wetgever tot implementatie over te gaan en soms het bestuur.

Anderzijds is het ‘wel/geen implementatie behoeven’ geenszins doorslaggevend. Er wordt immers vooral gelet op de functie van art. 94 en dat betekent dat aandacht moet worden besteed aan de mogelijkheden die de rechter ten dienste staan en de visie die de rechter zelf daarop aan de dag legt. In dat kader worden weer andere criteria opgevoerd. Om aangemerkt te kunnen worden als bepalingen ‘die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden’ moeten de rechten zich dan bijvoorbeeld lenen voor ‘toepassing’ door de rechter. Aan dergelijke criteria, die ook weer de nodige vragen oproepen, zal aandacht worden besteed bij de bespreking van art. 94 en dan wordt van (een deel) van deze warrige jurisprudentie een overzicht gegeven. Een van de redenen waarom de rechter niet over de gehele linie tot heldere en overtuigende jurisprudentie kan komen is dat hij zich niet zuiver kan concentreren op de functie die art. 94 vervult. Het begrip ‘een ieder verbindend’ in dit artikel dient immers op gelijke wijze te worden uitgelegd als de clausule ‘die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden’. Voor de rechter vormt art. 93 dus weer een struikelblok. Hij wordt als het ware voor de voeten gelopen door de regering die in het kader van art. 93 over de bevoegdheid beschikt om een oordeel te geven. Al met al moet worden geconcludeerd dat de identieke uitleg het zicht op zowel de clausule ‘die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden’ in art. 93 als het begrip ‘een ieder verbindend’ in art. 94 aanzienlijk vertroebelt.

In de nu volgende paragrafen wordt de identieke uitleg tegen de achtergrond van de functie van art. 93 onder de loep genomen. Daarbij verdienen de volgende punten aandacht: de leer van de normadressaat, de methode aan de hand waarvan wordt vastgesteld of bepalingen ‘naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden’, de competentiestrijd tussen de regering en de rechter en tot slot de vraag of er een plicht geldt om bepalingen ‘die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden’, bekend te maken. Steeds zal blijken dat het systeem van de identieke uitleg haperingen vertoont. Soms gaat het om problemen waar relatief gemakkelijk overheen kan worden gestapt omdat ze zich dankzij de gehanteerde praktijk niet of nauwelijks voordoen. Maar soms, zoals bij de competentiestrijd tussen regering en rechter, gaat het om de kern van de problematiek die zich al decennia lang rond art. 93 en 94 Grondwet aftekent.

4. De leer van de normadressaat

In het kader van art. 93 wordt uit de eerste lezing van de grondwetsherziening van 1953 de leer van de normadressaat gedestilleerd. Volgens de regering zijn bepalingen ‘die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden’, gericht tot ‘private personen’,[23] dat wil zeggen, burgers met inbegrip van privaatrechtelijke rechtspersonen. Dat binnen de oorspronkelijke context van art. 93, dus binnen de waarborgfunctie van deze grondwetsbepaling, als argument voor het ‘een ieder verbindende’ karakter geldt dat een verdragsbepaling grammaticaal de burger als adressaat neemt, ligt voor de hand. Waarborging van de rechtszekerheid is immers eerst en vooral aangewezen bij plichten die zonder tussenkomst van de wetgever door verdragsbepalingen aan de burgers worden opgelegd en dus bij verdragsbepalingen die zich direct tot de burgers richten. Hoe zit het met art. 94 en de bevoegdheid van de rechter (en het bestuur) om verdragsrecht toe te passen? Bij de grondwetsherziening van 1956 werd de leer van de normadressaat ook bij art. 94 binnengesmokkeld toen de regering opmerkte dat de invoeging van het begrip ‘een ieder verbindend’ in art. 94 duidelijk moest maken dat de rechter zich niet bezig dient te houden met een verdragsbepaling die ‘zich uitsluitend richt tot de wetgevende of executieve organen van de Staat, dus niet tevens tot de burgers (…).’[24] Vervolgens heeft de rechter in de adressaat van een verdragsbepaling (mede) een reden gezien om de bepaling ‘een ieder verbindende’ kracht te onthouden. Een berucht voorbeeld is het stakingsrecht van artikel 8, eerste lid, onder d, IVESCR. Het ontbreken van ‘een ieder verbindende’ kracht, aldus de Hoge Raad in 1983, ‘volgt reeds uit de tekst zelf van genoemd artikel, hetwelk - naar luid van de Engelse tekst – bepaalt: “The States Parties to the present Covenant undertake to ensure: (…) d. The right to strike, provided that it is exercised in conformity with the laws of the particular country.”’[25] De woorden ‘The States Parties to the present Covenant undertake to ensure’ staan hier aan het ‘een ieder verbindende’ karakter in de weg want de bepaling richt zich tot de (organen van de) verdragsstaten en niet tot de burgers. Dat artikel 8 IVESCR voor de rest op dezelfde wijze is geredigeerd als bijvoorbeeld de vrijheidsrechten in het IVBPR en dat hier evident een vrijheidsrecht in het geding is, legt geen gewicht meer in de schaal.[26] Ook de jurisprudentie van de bestuursrechter getuigt van de leer van de normadressaat. In 2000 onderbouwde de Centrale Raad van Beroep bijvoorbeeld het ontbreken van ‘een ieder verbindende’ kracht bij artikel 11, eerste lid, onder a-c, Vrouwenverdrag niet alleen met de woorden ‘gelet op de beleidsvrijheid alsmede op de bepaling van het derde lid’ maar allereerst met het argument ‘dat dit artikel slechts een instructienorm bevat voor overheden om beschermende maatregelen te treffen’.[27] Van de andere kant is het volkomen onduidelijk waarom een rechter een verdragsbepaling niet zou kunnen toepassen, louter en alleen omdat de bepaling zich grammaticaal niet tot de burger richt. Terecht wijst Fleuren er op dat het ‘afhankelijk van de toevallige redactie’ is wie als adressaat in het beeld verschijnt.[28] Het gaat niet aan om aan zo’n toevallige redactie zulke enorme consequenties te verbinden. De rechter is zich dat bewust en blijkt ook toepassing te geven aan verdragsbepalingen die naar de letter niet tot de burgers maar tot de overheid zijn gericht. Een goed voorbeeld vormt de jurisprudentie rond het discriminatieverbod. Ondanks de twijfelachtige redactie werd art. 26 IVBPR al jaren geleden ‘een ieder verbindend’ verklaard.[29] Hoewel art. 14 EVRM vanwege de woorden ‘Het genot van de rechten (…) moet worden verzekerd’ op de keper beschouwd nog meer vragen oproept dan artikel 26 IVBPR wordt aan het ‘een ieder verbindende’ karakter van deze bepaling evenmin getwijfeld.[30] Het discriminatieverbod van artikel 2, eerste lid, Kinderrechtenverdrag laat in dit opzicht helemaal te wensen over. Het opent met de woorden ‘De Staten die partij zijn bij dit Verdrag, eerbiedigen en waarborgen’. Niettemin acht de Centrale Raad van Beroep de bepaling ‘een ieder verbindend’:[31] ‘Naar het oordeel van de Raad vormt artikel 2, eerste lid, van het IVRK een eenieder verbindende verdragsbepaling in de zin van artikel 94 van de Grondwet. Het gaat hier om een onvoorwaardelijk en nauwkeurig bepaalbaar subjectief recht op non-discriminatie, op één lijn te stellen met de in artikel 14 van het EVRM en artikel 26 van het IVBPR neergelegde non-discriminatiebepalingen, welke bepalingen rechtstreekse werking hebben.’ In 2004 reageert de Afdeling bestuursrechtspraak in het kader van de Europese Overeenkomst inzake internationale hoofdverkeerswegen van 15 november 1975 als volgt op het verweer van de minister:[32] ‘Dat, zoals verweerder betoogt, de Overeenkomst alleen verplichtingen zou opleggen aan staten betekent niet zonder meer dat deze niet als een ieder verbindend kan worden aangemerkt.’ Het criterium van de normadressaat speelt de laatste jaren in de jurisprudentie van de Afdeling geen noemenswaardige rol[33] en de Afdeling lijkt bijvoorbeeld geen speciale moeite te hebben met het beroep van de gemeente Tubbergen op het Europese Handvest inzake lokale autonomie.[34] Samen met Fleuren kan worden geconcludeerd dat de leer van de normadressaat in het kader van art. 94 niet ‘bruikbaar’ is.[35] Bij art. 93 blijft de leer daarentegen uitermate zinvol omdat helder wordt aangegeven dat wanneer burgers direct met plichten worden belast, voorafgaande bekendmaking een absolute voorwaarde dient te zijn.

5. Abstracte versus concrete duiding

Ook bij de methode aan de hand waarvan wordt vastgesteld of bepalingen ‘naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden’ doet zich een knelpunt voor. In beginsel kunnen er twee methoden worden gehanteerd: er wordt een abstract oordeel gegeven, dat wil zeggen, onafhankelijk van een voorliggende casus, of er wordt concreet of, zoals het ook wel wordt aangeduid, contextueel te werk gegaan, in welk geval aan de voorliggende casus juist groot gewicht wordt gehecht. De beide methoden kunnen wezenlijk verschillende resultaten opleveren: bij de abstracte is een bepaling over de hele linie hetzij wel, hetzij niet ‘een ieder verbindend’, en bij de concrete kan het sterk per geval variëren of kunnen er zich heel goed uitzonderingen voordoen. Kortmann stelt dat het ‘een ieder verbindende’ karakter van een verdragsbepaling zich ‘vaak niet in abstracto’ laat vaststellen, waarmee hij bedoelt dat het afhangt van (rechterlijke) uitleg.[36] Brouwer spreekt zich zelfs ronduit voor de concrete benadering uit.[37] Beiden benadrukken art. 94. In het kader van art. 93 rijst vervolgens de vraag hoe nu tevoren kan worden beoordeeld of een verdragsbepaling al dan niet bekend moet worden gemaakt. Is de concrete benadering daarvoor wel geschikt? Moeten er dan casusposities worden bedacht? Aangezien de werkelijkheid altijd rijker is dan de fantasie, zijn er weinig garanties voor een goede uitkomst. De beslissing of er al dan niet tot bekendmaking moet worden overgegaan kan dan ook niet anders dan in abstracto worden genomen. Niet zonder reden benadrukt art. 93 dat er gelet dient te worden op de inhoud van de verdragsbepaling. Kortom, binnen het systeem van de identieke uitleg gelden er strikt genomen twee methoden van vaststelling, hetgeen onverhoopt tot discrepanties kan leiden.

6. Regering versus rechter

Wie beslist of een bepaling aangemerkt dient te worden als ‘een ieder verbindend’ in de zin van art. 93 en 94? Zoals Kortmann opmerkt, rijzen er bij de identieke uitleg problemen in de sfeer van de competentie-afbakening.[38] Wanneer het om de bekendmaking gaat dient immers de regering en dan in het bijzonder de minister van Buitenlandse Zaken een oordeel te geven. Gaat het daarentegen om de rechterlijke toepassing dan dient de rechter de knoop door te hakken. Omdat in Nederland reeds anderhalve eeuw een toetsingsverbod heerst in plaats van een traditie van constitutionele toetsing blijkt de rechter in de praktijk echter soms moeilijk zijn houding te kunnen bepalen met betrekking tot dergelijk ‘een ieder verbindend' verdragsrecht. Een onafhankelijke stellingname wordt bovendien bemoeilijkt door het feit dat de regering, ofschoon erkend wordt dat de rechter beslist welke verdragsbepalingen aangemerkt kunnen worden als ‘een ieder verbindend’ in de zin van art. 94, soms duidelijk laat blijken dat naar haar mening aan bepaalde verdragsbepalingen helemaal niet behoort te worden getoetst. Een voorbeeld ter verduidelijking. In 1996 oordeelde de Centrale Raad van Beroep dat twee bepalingen uit Verdrag 102 van de Internationale Arbeidsorganisatie aangemerkt moesten worden als ‘een ieder verbindend’.[39] De regering reageerde hierop met een poging een ander verdrag waarin vergelijkbare bepalingen waren neergelegd, op te zeggen en motiveerde dat als volgt:[40] ‘Evenmin als Verdrag nr. 102 kent de code naar ons oordeel rechtstreeks rechten toe aan burgers. Beide verdragen leggen minimumnormen vast, waarbij de invulling aan partijen wordt overgelaten. Tot nog toe werd deze visie blijkens de jurisprudentie door de rechter gedeeld.’ Het wetsvoorstel ter goedkeuring van de opzegging van het verdrag werd overigens door de Tweede Kamer verworpen.[41] Verdrag 118 van de Internationale Arbeidsorganisatie verging het enkele jaren later slechter. Toen de Centrale Raad van Beroep in 2003 ‘een ieder verbindende’ kracht toekende aan een bepaling uit dit verdrag en ook nog eens een schending vaststelde,[42] diende de regering bij het parlement wederom een wetsvoorstel ter goedkeuring van een opzegging in.[43] Bij wet van 9 december 2004, Stb. 2004, 715 werd de opzegging goedgekeurd en wat betreft het “kernonderdeel” zelfs met terugwerkende kracht tot de datum van de uitspraak, 14 maart 2003! Kortom, de regering en de rechter staan soms lijnrecht tegenover elkaar en dan schrikt de regering er niet voor terug om de rechter in te scherpen dat er naar haar mening volkomen ten onrechte een toets werd verricht en strijd werd vastgesteld. Nu stelt Kortmann weliswaar dat de rechter steeds de beslissende stem heeft, maar mocht de regering besluiten bepaalde verdragen die rechten aan burgers toekennen, niet bekend te maken omdat deze naar haar mening niet ‘een ieder verbindend’ zijn, dan valt er voor de rechter binnen het systeem van de identieke uitleg weinig te toetsen. Overigens geldt bij gemengde verdragen (verdragen waarbij zowel de EU als de lidstaten partij zijn) dat als de Europese Unie op basis van zo’n verdrag al regelgevend is opgetreden, het aan het Hof van Justitie van de Europese Unie is om te bepalen of een norm uit een dergelijk verdrag ‘een ieder verbindend’ is, oftewel ‘rechtstreeks werkt’.[44] Indien dit nog niet het geval is, staat het de nationale rechter vrij om op grond van zijn nationale constitutionele recht al dan niet de rechtstreekse werking in zijn nationale rechtsorde te erkennen.[45]

7. De bekendmaking

Geldt er dan geen plicht tot bekendmaking? Op grondwettelijk niveau wijst niets in deze richting. Artikel 93 stelt voorafgaande bekendmaking enkel als voorwaarde. Artikel 95 draagt de wetgever weliswaar op regels te stellen omtrent de bekendmaking maar laat de inhoud van die regels volledig aan het oordeel van de wetgever over. De Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen die aan deze opdracht uitvoering geeft, biedt op de keper beschouwd evenmin houvast. Zoals zal worden aangegeven bij de bespreking van art. 95 is de Rijkswet weliswaar gestoeld op de gedachte dat verdragen die rechten en plichten van burgers behelzen, bekend worden gemaakt, maar een bepaling die als waarborg kan fungeren ontbreekt. Nu gaat er echter wat betreft de plichten die aan burgers worden opgelegd, van art. 93 een zekere dwingende werking uit. Wil de regering deze plichten (laten) effectueren, dan dient ze die eerst bekend te maken. Van zo’n dwingende werking is evenwel geen sprake voor zover aan burgers rechten jegens de overheid worden verleend. Dit betekent dat de regering strikt genomen burgers deze rechten kan onthouden door bekendmaking achterwege te laten. Dat is merkwaardig. Het volkenrecht dwingt niet tot deze uitkomst, want voor de inwerkingtreding van verdragen vormt voorafgaande bekendmaking geen voorwaarde. Hierin verschillen verdragen van (nationale) wetgeving en juist om deze reden is art. 93 in 1953 als waarborg voor burgers in de Grondwet opgenomen. Wanneer onder bepalingen ‘die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden’ alleen plichten en geen rechten van burgers worden begrepen, is dit probleem opgelost. Burgers kunnen de rechten die hun worden verleend dan zelf proberen te effectueren. Zij kunnen zich tegenover de rechter op deze rechten beroepen en betogen dat ze als ‘een ieder verbindend’ in de zin van art. 94 Grondwet dienen te worden beschouwd.

8. De waarborgfunctie van artikel 93 bij de
    identieke uitleg

Bij de identieke uitleg komt de waarborgfunctie van art. 93, voor zover het rechten van de burger jegens de overheid betreft, niet uit de verf. Integendeel, art. 93 werkt averechts: burgers kunnen hetzij opzettelijk hetzij uit achteloosheid rechten worden onthouden. Dat problemen van deze aard zich niet of nauwelijks voordoen hangt samen met de bestaande praktijk. Ook verdragen waaraan burgers eventueel rechten zouden kunnen ontlenen, plegen netjes bekend te worden gemaakt. Het grondwettelijke regime van art. 93 heeft daarmee weinig van doen. Bij nogal wat van zulke verdragen is het voor de regering vrijwel onmogelijk om te voorspellen of de rechter al dan niet tot toepassing in de zin van art. 94 zal overgaan. Vanwege het ontbreken van een bekendmakingsplicht wordt de bescherming van de rechten van burgers bovendien in geen enkel opzicht verhoogd. Burgers zijn zelfs beter af wanneer rechten jegens de overheid niet onder de werking van art. 93 vallen want dan kan de rechter aan zulke rechten, ook wanneer ze onverhoopt niet mochten zijn bekendgemaakt, consequenties verbinden omdat hij de rechten in ieder geval als ‘een ieder verbindend’ in de zin van art. 94 aanmerkt. Kortom, de identieke uitleg zorgt niet alleen voor verwarring maar herbergt op het punt van de rechten jegens de overheid louter gevaren. Zo komt ook de machtenscheiding in de knel. Artikel 93 verschaft de regering immers een constitutioneelrechtelijk argument om zich te mengen in de discussie welke rechten de rechter als ‘een ieder verbindend’ in de zin van art. 94 zou mogen beschouwen, hetgeen in het licht van de voortschrijdende betekenis van het internationale recht een serieus probleem zou kunnen worden.

De bezwaren die hier met betrekking tot art. 93 zijn geschetst spelen evenzeer bij de figuur van de voorlopige toepassing. Ingevolge art. 15, derde lid, Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen geldt voor de voorlopige toepassing van een verdrag met bepalingen die ‘naar het oordeel van de regering naar hun inhoud een ieder kunnen verbinden’, als voorwaarde dat eerst zowel de verdragstekst als het feit dat het verdrag voorlopig zal worden toegepast, worden bekendgemaakt. Wanneer ook rechten jegens de overheid onder de werkingssfeer van art. 15, derde lid, worden gebracht, verkeert de waarborgfunctie van dit artikel in haar tegendeel. De regering kan dan de voorlopige toepassing van zulke rechten tegenhouden.

Het gevaar dat politieke organen als de regering de toepassing van bepaalde ‘een ieder verbindende’ rechten door de rechter zouden willen frustreren is allesbehalve denkbeeldig. Ten eerste zij hier herinnerd aan de affaires rond de Verdragen 102 en 118 van de Internationale Arbeidsorganisatie die hierboven bij de bespreking van de bevoegdheidsafbakening tussen regering en rechter aan de orde kwamen. Ten tweede spreekt een politieke bereidheid om de rechter desgewenst buiten spel te zetten openlijk uit het initiatiefvoorstel voor grondwetsherziening dat het VVD-Kamerlid Taverne op 12 september 2012 met steun van zijn fractie bij de Tweede Kamer aanhangig heeft gemaakt.[46] Dit voorstel-Taverne wil niet alleen de rechter de in art. 94 vervatte bevoegdheid ontnemen om wetgeving in formele zin vanwege onverenigbaarheid met ‘een ieder verbindend’ verdragsrecht buiten toepassing te laten, maar wil bovendien aan art. 93 als clausule toevoegen ‘behoudens voor zover bij de wet anders is bepaald’. Wordt art. 93 in deze zin gewijzigd dan kan de rechter weliswaar nog steeds vaststellen dat verdragsbepalingen ‘naar hun inhoud een ieder kunnen verbinden’ maar beschikt de wetgever over de bevoegdheid om te verhinderen dat zij daadwerkelijk ‘verbindende kracht’ krijgen, dat wil zeggen, als zodanig kunnen worden toegepast. De reacties op het voorstel-Taverne vanuit de wetenschap waren bijna onverminderd negatief. Deze varieerden van de vaststelling dat het zou gaan om ‘een van de meest ingrijpende wijzigingen van het constitutioneel bestel sinds mensenheugenis’ tot een onderbouwd betoog dat de rechtstreekse werking van verdragen positief uitpakt voor Nederland.[47]

Mocht het ooit zover komen, dat de wetgever formeel gezien de bevoegdheid heeft bij wet verdragsbepalingen die ‘naar hun inhoud een ieder kunnen verbinden’ verbindende kracht te ontzeggen, dan zou de rechter wel eens een passend weerwoord kunnen hebben. Zo valt te verdedigen dat wanneer de wetgever zulke obstakels opwerpt, de rechter analoog aan het bekende arrest Francovich uit het EU-recht[48] tot schadeplichtigheid van de staat kan concluderen. Deze mogelijkheid dient zich aan omdat  ‘een ieder verbindende’ rechten dan vanwege het jurisprudentiële monisme hun gelding binnen de nationale rechtsorde behouden - een situatie die zich ook voordoet wanneer niet aan de voorwaarde van bekendmaking wordt voldaan[49] - terwijl de inhoud van die rechten zich bovendien prima laat vaststellen. Maar het valt natuurlijk vooral te hopen dat de Tweede Kamer zich in deze kwestie even wijs betoont als toen de regering vanwege de toets die de rechter aan Verdrag 102 van de Internationale Arbeidsorganisatie verrichtte, naar het wapen van de opzegging greep.

9. Artikel 93 als rechtsstatelijke toepassingsregel

Wanneer art. 93 wordt opgevat als een rechtsstatelijke toepassingsregel strekt het zich slechts uit over plichten die aan burgers worden opgelegd. De uitleg van de clausule ‘die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden’ stoelt dan op de grondwetsherziening van 1953 en bij voorkeur op de eerste lezing toen art. 94 nog niet in het herzieningsvoorstel was ingevoegd. Zoals uit het eerder gegeven citaat van de regering blijkt, komt de waarborgfunctie van art. 93 dan het zuiverst naar voren. Bij de tweede lezing heeft de regering het reeds in één adem over ‘rechtstreeks alle burgers verbinden’ èn ‘deze daaraan (...) subjectieve rechten ontlenen’,[50] maar dan gaat het om art. 93 èn art. 94 gezamenlijk. De regering gaat in op de positie van de rechter. Overigens is het veelzeggend dat de regering in deze tweede lezing de uitdrukking ‘rechtstreeks alle burgers verbinden’ naast de term ‘subjectieve rechten ontlenen’ plaatst.

Bij deze interpretatie geven de parlementaire stukken van de grondwetsherziening van 1953 aan dat art. 93 zich niet uitstrekt over de rechten van burgers. Volkomen in overeenstemming met de grammaticale lezing van de tekst heeft het artikel uitsluitend betrekking op plichten voor burgers en strekt de bepaling ertoe de rechtszekerheid veilig te stellen. Aan de leer van de normadressaat van art. 93 kan daarom in beginsel de hand worden gehouden. Onder ‘plichten’ vallen strafrechtelijk te handhaven alsmede privaatrechtelijke plichten, althans voor zover ze direct door de verdragsbepaling worden opgelegd. Wanneer de wetgever de plichten dient uit te werken wordt de rechtszekerheid reeds langs andere weg gewaarborgd. Wettelijke regelingen dienen altijd eerst bekend te worden gemaakt alvorens zij in werking kunnen treden. Zie op dit punt vooral art. 88 Grondwet.

De vraag kan worden opgeworpen wanneer nu precies wettelijke uitwerking vereist is. Op dit punt verschaft het legaliteitsbeginsel helderheid. Ingevolge dit beginsel moet een wetsbepaling met een zekere nauwkeurigheid zijn geformuleerd, wil ze als rechtmatige grondslag kunnen fungeren voor plichten die aan burgers worden opgelegd, of voor andere ingrepen in vrijheden van burgers. De vereiste nauwkeurigheid varieert per rechtsgebied. Gelet op bijvoorbeeld de verplichtingen van de koper en de verkoper zoals geregeld in het Weens Koopverdrag is hier ook het privaatrecht relevant. In het privaatrecht zijn echter open normen meer toegestaan dan in het straf- en het bestuursrecht. Artikel 93 stelt vergelijkbare eisen als het legaliteitsbeginsel maar dan ten aanzien van verdragsbepalingen. In die zin zijn art. 93 en het legaliteitsbeginsel complementair aan elkaar. Artikel 93 vormt dan een soort ‘internationaalrechtelijk legaliteitsbeginsel’.[51]

De clausule ‘die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden’ wordt conform de woorden ‘naar haar inhoud’ abstract uitgelegd, zodat de voorwaarde van voorafgaande bekendmaking haar waarborgfunctie volledig behoudt.[52] De minister van Buitenlandse Zaken die vanwege het ontbreken van een expliciete bekendmakingsplicht in de Grondwet of de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen als de ‘beslissende’ instantie optreedt, kan de vraag of er op basis van een concrete benadering sprake kan zijn van een ‘een ieder verbindend’ karakter in de zin van art. 94 volledig laten rusten. Deze vraag dient door de rechter te worden beantwoord. Regering en rechter blijven dus uit elkaars vaarwater. Bovendien levert het ontbreken van een bekendmakingsplicht geen problemen op. Verdragsbepalingen waaraan burgers rechten jegens de overheid kunnen ontlenen, kunnen ook zonder dat zij bekend zijn gemaakt, door de rechter als ‘een ieder verbindend’ in de zin van art. 94 worden aangemerkt en toegepast.

In het kader van de voorlopige toepassing wordt eenzelfde benadering voorgestaan. Artikel 15, derde lid, Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen hanteert exact dezelfde bewoordingen als art. 93, zij het dat het ouderwets aandoende bezittelijke voornaamwoord ‘haar’ vervangen is door het modernere ‘hun’.

In dit licht van de parallellie met het legaliteitsbeginsel valt overigens te verdedigen dat art. 93 zich, net als het legaliteitsbeginsel, dient uit te strekken over verdragsbepalingen die de overheid, zonder dat wettelijke uitwerking vereist is, de bevoegdheid verlenen belastend voor burgers op te treden. Zo wordt in een arrest van de Hoge Raad uit 1969 uitsluitend op basis van een verdragsbepaling die louter verplichtingen tussen staten bevat, tot uitlevering overgegaan.[53] De Hoge Raad past de verdragsbepaling overigens gewoon toe zonder zich uit te spreken over het ‘naar haar inhoud een ieder verbindende’ karakter. Het is duidelijk dat in het kader van een uitbreiding van de werkingssfeer van art. 93 met dergelijk belastend overheidsoptreden de leer van de normadressaat moet worden losgelaten. Centraal staat dan immers de vraag naar de bevoegdheid van de overheid. Evenzeer is echter duidelijk dat bij dit soort ingrepen in de vrijheden van burgers de behoefte aan rechtszekerheid even groot is als wanneer burgers direct met verplichtingen worden opgezadeld.

Aansluitend verdient de problematiek van de afwikkeling van een bestuursrechtelijke aanvraag nog enige aandacht. Mag een verdragsbepaling uitsluitend worden aangegrepen om de aanvraag af te wijzen of te honoreren wanneer die bepaling zonder wettelijke uitwerking kan worden toegepast en bovendien naar behoren is gepubliceerd? Deze vraag die nog niet zo gemakkelijk te beantwoorden valt, is allesbehalve theoretisch. In 2000 constateerde de rechtbank Rotterdam bijvoorbeeld expliciet dat Bijlage 14 bij het Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart pas na de verlening van de kapvergunning op de voorgeschreven wijze werd bekendgemaakt zodat ten tijde van het nemen van het besluit niet aan de voorwaarde van art. 93 werd voldaan. Niettemin werd Bijlage 14 die de overheid verplichtte tot het obstakelvrij houden van een baan, de ‘Vereniging Bewonersgroep Tegen Vliegtuigoverlast’ die zich tegen de kapvergunning keerde, tegengeworpen.[54] In 2008 riep de rechtbank Rotterdam art. 18, eerste lid, van de Radio Regulations, die de status hebben van een verdrag tussen de bij de International Telecommunication Union (ITU) aangesloten staten en voorts naar behoren bekend zijn gemaakt, in teneinde, geheel buiten de Telecommunicatiewet om, de afwijzing van de aanvraag van een frequentievergunning voor een in een Belgische enclave gelegen lokale omroep overeind te houden. De rechtbank besteedde geen aandacht aan de vraag naar het ‘naar haar inhoud een ieder verbindende’ karakter[55] en de uitspraak werd in hoger beroep bevestigd.[56] Heel anders verliep het toen de rechtbank ’s-Gravenhage in 2010 voor de vraag werd gesteld of de minister aan art. 55, eerste lid, van het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen de bevoegdheid kon ontlenen om een paspoort te weigeren. Volgens de rechtbank kon de verdragsbepaling de weigering niet schragen want zij bevatte geen ‘direct toepasbare, een ieder verbindende, bepaling’.[57]

10. Het ongeschreven volkenrecht

Hoe zit het met het ongeschreven volkenrecht? Artikel 93 bevat hieromtrent geen enkel voorschrift. Op dit punt geldt louter het jurisprudentiële monisme.[58] Zo stelde de civiele rechter in 1925 ‘dat het nationale burgerlijke recht (...) mede beheerst wordt door de algemeen erkende beginselen van volkenrecht.’[59]

11. Het EU-recht

Het recht van de Europese Unie werkt geheel los van het nationale constitutionele recht door in de nationale rechtsorde van de lidstaten. Reeds in het befaamde arrest Van Gend en Loos uit 1963[60] stelt het Hof van Justitie ‘dat de Gemeenschap in het volkenrecht een nieuwe rechtsorde vormt ten bate waarvan de Staten, zij het op een beperkt terrein, hun soevereiniteit hebben begrensd’ en ‘dat het gemeenschapsrecht derhalve, evenzeer als het, onafhankelijk van de wetgeving der Lid-Staten, ten laste van particulieren verplichtingen in het leven roept, ook geëigend is rechten te scheppen welke zij uit eigen hoofde kunnen geldig maken’. Hiermee roept het Hof van Justitie ten aanzien van het unierecht een monistisch systeem in het leven en wel in de ware zin des woords: lidstaten met inbegrip van lidstaten die op grond van hun eigen constitutionele recht een dualistisch stelsel hanteren, kunnen zich niet aan dit monisme onttrekken. Deze visie is door de Hoge Raad recentelijk nog bevestigd.[61] 

Een geheel ander punt is ook hier de vraag naar de zogenaamde ‘directe werking’, dat wil zeggen, de vraag naar wat de nationale rechter met het EU-recht kan aanvangen. Dit onderwerp zal worden behandeld bij art. 94.

12. Historische versies

Art. 66 Gw. 1953: De wet geeft regels omtrent de bekendmaking van overeenkomsten. De overeenkomsten verbinden een ieder, voor zover zij zijn bekend gemaakt.
Art. 67, tweede lid, Gw. 1953: Ten aanzien van besluiten van volkenrechtelijke organisaties zijn de artikelen 65 en (...) van overeenkomstige toepassing.
Art. 65, eerste lid, Gw. 1956: Bepalingen van overeenkomsten, welke naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben deze verbindende kracht nadat zij zijn bekend gemaakt.
Art. 67, tweede lid, Gw. 1956: Ten aanzien van besluiten van volkenrechtelijke organisatie zijn de artikelen 65 en (...) van overeenkomstige toepassing.

Noten

  1. Bijvoorbeeld J.W.A. Fleuren, Een ieder verbindende bepalingen van verdragen, Den Haag 2004, p. 10-11 of James Crawford, Brownlie’s Principles of Public International Law, Oxford University Press 2012.
  2. Bijvoorbeeld D.H.M. Meuwissen, Grondrechten, Utrecht 1984, p. 132; H.H.M. Sondaal, De Nederlandse verdragspraktijk, ’s-Gravenhage 1986, p. 114-115; recent nog A.D. Belinfante/J.L. de Reede, Beginselen van het Nederlands staatsrecht, Deventer 2012, p. 195.
  3. E/C.12/NDL/CO/4-5, par. 6. Het slotcommentaar is te vinden op de website van het College voor de Rechten van de Mens www.mensenrechtenkwesties.nl. In de tussenrapportage uit 2006 sprak het Comité ook al zijn ernstige bezorgdheid uit; zie hierover Frank Vlemminx, De januskop van Nederland en de convergentie van mensenrechten onder het EVRM, NJB 2008, p. 1572.
  4. Kamerstukken II 2010/11, 26 150, nr. 100, p. 3. De brief aan de Tweede Kamer is eveneens te vinden op de website van het College voor de Rechten van de Mens www.mensenrechtenkwesties.nl.
  5. Bijvoorbeeld CRvB 22 april 1997, JB 1997, 158.
  6. KB 19 februari 1993, AB 1993, 385.
  7. HR 7 mei 1993, NJ 1995, 259.
  8. Bijvoorbeeld J.G. Brouwer, Verdragsrecht in Nederland, Zwolle 1992, p. 269-274; H.R.B.M. Kummeling, Internationaal recht in de Nederlandse rechtsorde. Over een onduidelijke grondwet(gever) en verwarrende jurisprudentie, in: J.B.J.M. ten Berge e.a. (red.), De Grondwet als voorwerp van aanhoudende zorg (Burkensbundel), Zwolle 1995, p. 371-372; J.B. Mus, Verdragsconflicten voor de Nederlandse rechter, Zwolle 1996, p. 13-14; C.A.J.M. Kortmann, Constitutioneel recht, Deventer 2012, 1997, p. 170; J.W.A. Fleuren, Een ieder verbindende bepalingen van verdragen, Den Haag 2004, p. 19.
  9. HR 25 mei 1906, W 1906, 8383, en HR 3 maart 1919, NJ 1919, p. 371 (Grenstractaat Aken); J.W.A. Fleuren, Een ieder verbindende bepalingen van verdragen, Den Haag 2004, p. 19 en 109-111.
  10. Kamerstukken II 1977/78, 15 049 (R 1100), nr. 7, p. 17.
  11. F.M.C. Vlemminx, De autonome rechtstreekse werking van het EVRM, Preadvies voor de NVVR, Deventer 2002, p. 33.
  12. HR 30 mei 1986, NJ 1986, 688 (Spoorwegstaking) en HR 1 april 2011, LJN BP3044 (Artikel 11 Vrouwenverdrag).
  13. Bijl. Hand. II 1951/52, 2 374, nr. 10, p. 32.
  14. Kamerstukken II 1977/78, 15 049 (R 1100), nr. 7, p. 17.
  15. Bijl. Hand. II 1951/52, 2 374, nr. 3, p. 3.
  16. Kamerstukken II, 1955/56, 4 133 (R 19), nr. 4, p. 19; J.W.A. Fleuren, Een ieder verbindende bepalingen van verdragen, Den Haag 2004, p. 145-146.
  17. J.G. Brouwer, Verdragsrecht in Nederland, Zwolle 1992, p. 173 en 178.
  18. J.G. Brouwer, Verdragsrecht in Nederland, Zwolle 1992, p. 175.
  19. Bijl. Hand. II 1955/56, 4 133 (R 19), nr. 3, p. 4-5.
  20. Bijl. Hand. II 1955/56, 4 133 (R 19), nr. 3, p. 5.
  21. J.G. Brouwer, Verdragsrecht in Nederland, Zwolle 1992, p. 178-179.
  22. Zie bijvoorbeeld HR 24 juni 1997, NJ 1998, 70.
  23. Bijl. Hand. II 1951/52, 2 374, nr. 3, p. 7.
  24. Bijl. Hand. II 1955/56, 4 133 (R 19), nr. 3, p. 5.
  25. HR 6 december 1983, NJ 1984, 557.
  26. F. Vlemminx, Een nieuw profiel van de grondrechten; een analyse van de prestatieplichten ingevolge klassieke en sociale grondrechten, Den Haag 2002, p. 209.
  27. CRvB 4 januari 2000, LJN AA4301.
  28. J.W.A. Fleuren, Een ieder verbindende bepalingen van verdragen, Den Haag 2004, p. 271.
  29. Bijvoorbeeld CRvB 5 januari 1988, RSV 1988, 199 en 7 december 1988, AB 1989, 10.
  30. Bijvoorbeeld HR 12 mei 1999, BNB 1999, 271 (Arbeidskostenforfait).
  31. CRvB 24 januari 2006, LJN AV0197.
  32. ABRvS 15 september 2004, JB 2004/358 m.nt. F.M.C. Vlemminx en M.G. Vlemminx-Boekhorst.
  33. F.M.C. Vlemminx en M.G. Vlemminx-Boekhorst, Recente rechtspraak van de Raad van State over het begrip een ieder verbindend, JBPlus 2005, p. 34.
  34. ABRvS 17 juli 2002, LJN AE5462.
  35. J.W.A. Fleuren, Een ieder verbindende bepalingen van verdragen, Den Haag 2004, p. 271.
  36. C.A.J.M. Kortmann, Constitutioneel recht, Deventer 2012, p. 172, noot 159.
  37. J.G. Brouwer, Verdragsrecht in Nederland, Zwolle 1992, p. 284 e.v.
  38. C.A.J.M. Kortmann, Constitutioneel recht, Deventer 2012, p. 173.
  39. CRvB 29 mei 1996, RSV 1997, 9, m.nt. Frank Vlemminx.
  40. Kamerstukken II 1996/97, 25 524, nr. 3, p. 3.
  41. Hand. II 1997/98, p. 4381; de affaire wordt uitgebreid besproken in F. Vlemminx, Een nieuw profiel van de grondrechten; een analyse van de prestatieplichten ingevolge klassieke en sociale grondrechten, Den Haag 2002, p. 217-219.
  42. CRvB 14 maart 2003, LJN AF5937.
  43. Zie over deze affaire F.J.L. Pennings, De betekenis van internationale normen voor de Nederlandse sociale zekerheid, Deventer 2004, p. 38-42.
  44. Zie voor het verband tussen beide uitdrukkingen het commentaar bij art. 94 Grondwet.
  45. HvJ EG 14 december 2000, gev. zaken C-300/98 en C-302/98 (Parfums Christian Dior/Tuk, Assco/Layher), na conclusie Cosmas, Jur. 2000, p. I-11307. Geannoteerd door: J. Heliskoski, CMLR 2002, 39, p. 159-174 en J. Vanhamme, SEW 2001, 11, p. 396-398. Zie ook HR 4 februari 2011, LJN BN7160, Hoge Raad, BNB 2011, 151 m.nt. R.J. de Vries, NTFR 2011, 392 m.nt. Korving.
  46. Kamerstukken II 2011/12, 33 359 (R 1986), nrs. 1-3.
  47. Joseph Fleuren en Joke de Wit, Het voorstel-Taverne; schrapping van de rechterlijke bevoegdheid om wetten aan verdragen te toetsen, NJB 2012, p. 2812-2818; K. Brölman en J. Nijman, Rechtstreekse werking verdragen goed voor Nederland, Openbaar Bestuur 2012, p. 13-15.
  48. HvJ EG 19 november 1991, SEW 1993, p. 87 (Francovich).
  49. J.W.A. Fleuren, Een ieder verbindende bepalingen van verdragen, Den Haag 2004, p. 19.
  50. Bijvoorbeeld Bijl. Hand. I 1952/53, 2 700, nr. 63a, p. 3.
  51. Zie ook P.J. Huisman en N. Jak, Bevoegdheidsgrondslagen voor Awb-besluiten in internationaal en Europees recht, NTB 2010, p. 121 waarin de vraag wordt gesteld in hoeverre internationaal recht een bevoegdheidsbasis kan leveren voor besluiten in de zin van de Awb.
  52. Dat de voorwaarde van bekendmaking ook in de praktijk betekenis toekomt moge blijken uit HR 24 juni 1997, NJ 1998, 70, waarin een strafrechtelijke plicht alleen in de Engelse en Franse tekst was gepubliceerd. De Hoge Raad achtte geen strijd met art. 93 aanwezig omdat dit artikel geen bekendmaking in het Nederlands voorschrijft, maar constateerde wel strijd met art. 16 Grondwet.
  53. HR 3 juni 1969, NJ 1969, 382.
  54. Rechtbank Rotterdam 27 juni 2000, LJN AA7335.
  55. Rechtbank Rotterdam 21 augustus 2008, LJN BG0281.
  56. CBb 16 juli 2009, LJN BJ3150 en AB 2009, 380 m.nt. G.J.M. Cartigny.
  57. Rechtbank ’s-Gravenhage 8 december 2010, LJN BO9842.
  58. Zie ook Kamerstukken II 1977/78, 15 049 (R 1100), nr. 3, p. 12.
  59. Hof ’s-Gravenhage 5 januari 1925, NJ 1925, 402.
  60. HvJ EG 5 februari 1963, AA 1963/1964, 12.
  61. HR 2 november 2004, LJN AR1797 (Verplichte rusttijden). Zie ook T. Barkhuysen, H. Griffioen en W. Voermans, Artikelen 93 en 94 Grondwet volgens Hoge Raad niet van belang voor doorwerking EG-recht, NJB 2004, p. 2289-2290.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    F.M.C. Vlemminx en A.C.M. Meuwese, Commentaar op artikel 93 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2017 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Verbindende kracht verdrag

Verdragen worden gewoonlijk bekendgemaakt zodra ze zijn gesloten, door de tekst – eventueel met een vertaling in het Nederlands – te plaatsen in het Tractatenblad. Men kan zich niettemin voorstellen dat sommige verdragen en besluiten niet worden bekendgemaakt, bijvoorbeeld omdat geheimhouding noodzakelijk is voor de bestrijding van het internationale terrorisme en de bescherming van de veiligheid van de staat. Verdragen en besluiten die niet worden bekendgemaakt, zijn naar internationaal recht toch bindend voor de betreffende staten.
 
Onze Grondwet verplicht niet tot publicatie van alle gesloten verdragen en besluiten van internationale organisaties, maar biedt wel de rechtsstatelijke garantie dat de overheid ongepubliceerde verdragen en besluiten niet aan haar burgers kan tegenwerpen. De overheid kan burgers alleen houden aan regels waarvan die burgers kunnen weten dat zij bestaan. Verdragen en besluiten van internationale organisaties zijn, net als wetten, pas bindend voor burgers na hun bekendmaking; ze hebben dus ook geen terugwerkende kracht.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Verbindende kracht verdrag

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Verbindende kracht verdrag

Recente rechtspraak

Verbindende kracht verdrag

Politiek

Verbindende kracht verdrag

Voorstel wijziging Grondwet

Tweede Kamerlid Joost Taverne heeft een voorstel ingediend tot wijziging van de Grondwet. 

Video
Blogs
IN DE WERELD
Video

Verbindende kracht verdrag

  • Video over het Europese verdrag inzake de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Video over het Europese verdrag inzake de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Blogs

Verbindende kracht verdrag

In de wereld

Verbindende kracht verdrag