CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • G. Leenknegt
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • A.A.L. Beers en K.T. Meijer
  • B.C. van Beers
  • B.M.J. van der Meulen
  • B.P. Vermeulen
  • B.W.N. de Waard
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • E.J. Janse de Jonge
  • E.J. Koops
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • F. Fleurke
  • F.C.M.A. Michiels
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx en A.C.M. Meuwese
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard en J. Uzman
  • G. Leenknegt
  • G. Overkleeft-Verburg
  • G. van der Schyff en B.M.J. van der Meulen
  • J. Kiewiet en G.F.M. van der Tang †
  • J. Uzman
  • J. Uzman en G. Boogaard
  • J.C.A. de Poorter
  • J.L.M. Gribnau en M.R.T Pauwels
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • J.W.A. Fleuren
  • K.T. Meijer
  • M. Adams
  • Mijke Houwerzijl & Nuna Zekic
  • Mijke Houwerzijl en Frank Vlemminx
  • P. Jacobs
  • S. Daniëls
  • S. Jellinghaus en E. Huisman
  • S.C. van Bijsterveld
  • S.C. van Bijsterveld en B.P. Vermeulen
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • T. Kooijmans
  • T. Peters
  • W. van der Woude
  • W.J.M. Voermans
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

HOOFDSTUK 1

Grondrechten

INLEIDING

Artikel 1 - Gelijke behandeling

Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Artikel 2 - Nederlandschap en vreemdelingen

  1. De wet regelt wie Nederlander is.
  2. De wet regelt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen.
  3. Uitlevering kan slechts geschieden krachtens verdrag. Verdere voorschriften omtrent uitlevering worden bij de wet gegeven.
  4. Ieder heeft het recht het land te verlaten, behoudens in de gevallen, bij de wet bepaald.

Artikel 3 - Gelijke benoembaarheid

Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.

Artikel 4 - Kiesrecht

Iedere Nederlander heeft gelijkelijk recht de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen alsmede tot lid van deze organen te worden verkozen, behoudens bij de wet gestelde beperkingen en uitzonderingen.

Artikel 5 - Petitierecht

Ieder heeft het recht verzoeken schriftelijk bij het bevoegd gezag in te dienen.

Artikel 6 - Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging

  1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 7 - Vrijheid van meningsuiting

  1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- of televisieuitzending.
  3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar regelen ter bescherming van de goede zeden.
  4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.

Artikel 8 - Recht tot vereniging

Het recht tot vereniging wordt erkend. Bij de wet kan dit recht worden beperkt in het belang van de openbare orde.

Artikel 9 - Recht tot vergadering en betoging

  1. Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 10 - Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer

  1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.
  2. De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens.
  3. De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.

Artikel 11 - Onaantastbaarheid van het lichaam

Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.

Artikel 12 - Binnentreden woning

  1. Het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen.
  2. Voor het binnentreden overeenkomstig het eerste lid zijn voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden vereist, behoudens bij de wet gestelde uitzonderingen.
  3. Aan de bewoner wordt zo spoedig mogelijk een schriftelijk verslag van het binnentreden verstrekt. Indien het binnentreden in het belang van de nationale veiligheid of dat van de strafvordering heeft plaatsgevonden, kan volgens bij de wet te stellen regels de verstrekking van het verslag worden uitgesteld. In de bij de wet te bepalen gevallen kan de verstrekking achterwege worden gelaten, indien het belang van de nationale veiligheid zich tegen verstrekking blijvend verzet.

Artikel 13 - Vertrouwelijke communicatie

  1. Het briefgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, op last van de rechter.
  2. Het telefoon- en telegraafgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, door of met machtiging van hen die daartoe bij de wet zijn aangewezen.

Artikel 14 - Onteigening

  1. Onteigening kan alleen geschieden in het algemeen belang en tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander naar bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.
  2. De schadeloosstelling behoeft niet vooraf verzekerd te zijn, wanneer in geval van nood onverwijld onteigening geboden is.
  3. In de gevallen bij of krachtens de wet bepaald bestaat recht op schadeloosstelling of tegemoetkoming in de schade, indien in het algemeen belang eigendom door het bevoegd gezag wordt vernietigd of onbruikbaar gemaakt of de uitoefening van het eigendomsrecht wordt beperkt.

Artikel 15 - Vrijheidsontneming

  1. Buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen.
  2. Hij aan wie anders dan op rechterlijk bevel zijn vrijheid is ontnomen, kan aan de rechter zijn invrijheidstelling verzoeken. Hij wordt in dat geval door de rechter gehoord binnen een bij de wet te bepalen termijn. De rechter gelast de onmiddellijke invrijheidstelling, indien hij de vrijheidsontneming onrechtmatig oordeelt.
  3. De berechting van hem aan wie met het oog daarop zijn vrijheid is ontnomen, vindt binnen een redelijke termijn plaats.
  4. Hij aan wie rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, kan worden beperkt in de uitoefening van grondrechten voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt.

Artikel 16 - Nulla poena

Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.

Artikel 17 - Wettelijk toegekende rechter

Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent.

Artikel 18 - Rechtsbijstand

  1. Ieder kan zich in rechte en in administratief beroep doen bijstaan.
  2. De wet stelt regels omtrent het verlenen van rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen.

Artikel 19 - Werkgelegenheid en arbeidskeuze

  1. Bevordering van voldoende werkgelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de rechtspositie van hen die arbeid verrichten en omtrent hun bescherming daarbij, alsmede omtrent medezeggenschap.
  3. Het recht van iedere Nederlander op vrije keuze van arbeid wordt erkend, behoudens de beperkingen bij of krachtens de wet gesteld.

Artikel 20 - Bestaanszekerheid

  1. De bestaanszekerheid der bevolking en spreiding van welvaart zijn voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de aanspraken op sociale zekerheid.
  3. Nederlanders hier te lande, die niet in het bestaan kunnen voorzien, hebben een bij de wet te regelen recht op bijstand van overheidswege.

Artikel 21 - Milieubescherming

De zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu.

Artikel 22 - Volksgezondheid en woongelegenheid

  1. De overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid.
  2. Bevordering van voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  3. Zij schept voorwaarden voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding.

Artikel 23 - Onderwijs

  1. Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.
  2. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.
  3. Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld.
  4. In elke gemeente wordt van overheidswege voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal openbare scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven, al dan niet in een openbare school.
  5. De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.
  6. Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.
  7. Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.
  8. De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten-Generaal.
HOOFDSTUK 2

Regering INLEIDING

Artikel 24 - Koningschap

Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau.

Artikel 25 - Erfopvolging

Het koningschap gaat bij overlijden van de Koning krachtens erfopvolging over op zijn wettige nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft, met plaatsvervulling volgens dezelfde regel. Bij gebreke van eigen nakomelingen gaat het koningschap op gelijke wijze over op de wettige nakomelingen eerst van zijn ouder, dan van zijn grootouder, in de lijn van erfopvolging, voor zover de overleden Koning niet verder bestaand dan in de derde graad van bloedverwantschap.

Artikel 26 - Status ongeboren kind Koning

Het kind, waarvan een vrouw zwanger is op het ogenblik van het overlijden van de Koning, wordt voor de erfopvolging als reeds geboren aangemerkt. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

Artikel 27 - Afstand koningschap

Afstand van het koningschap leidt tot erfopvolging overeenkomstig de regels in de voorgaande artikelen gesteld. Na de afstand geboren kinderen en hun nakomelingen zijn van de erfopvolging uitgesloten.

Artikel 28 - Afstand koningschap door huwelijk

  1. De Koning, een huwelijk aangaande buiten bij de wet verleende toestemming, doet daardoor afstand van het koningschap.
  2. Gaat iemand die het koningschap van de Koning kan beërven een zodanig huwelijk aan, dan is hij met de uit dit huwelijk geboren kinderen en hun nakomelingen van de erfopvolging uitgesloten.
  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake van een voorstel van wet, strekkende tot het verlenen van toestemming, in verenigde vergadering.

Artikel 29 - Uitsluiting troonopvolging

  1. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden daartoe nopen, kunnen bij een wet een of meer personen van de erfopvolging worden uitgesloten.

  2. Het voorstel daartoe wordt door of vanwege de Koning ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 30 - Benoemde Koning

  1. Wanneer vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal ontbreken, kan deze worden benoemd bij een wet. Het voorstel wordt door of vanwege de Koning ingediend. Na de indiening van het voorstel worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  2. Indien bij overlijden van de Koning of bij afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt, worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers komen binnen vier maanden na het overlijden of de afstand in verenigde vergadering bijeen ten einde te besluiten omtrent de benoeming van een Koning. Zij kunnen een opvolger alleen benoemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 31 - Erfopvolging benoemde koning

  1. Een benoemde Koning kan krachtens erfopvolging alleen worden opgevolgd door zijn wettige nakomelingen.

  2. De bepalingen omtrent de erfopvolging en het eerste lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op een benoemde opvolger, zolang deze nog geen Koning is.

Artikel 32 - Inhuldiging Koning

Nadat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen, wordt hij zodra mogelijk beëdigd en ingehuldigd in de hoofdstad Amsterdam in een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Hij zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt. De wet stelt nadere regels vast.

Artikel 33 - Koningschap en meerderjarigheid

De Koning oefent het koninklijk gezag eerst uit, nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

Artikel 34 - Ouderlijk gezag minderjarige Koning

De wet regelt het ouderlijk gezag en de voogdij over de minderjarige Koning en het toezicht daarop. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 35 - Buiten staat verklaring

  1. Wanneer de ministerraad van oordeel is dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, bericht hij dit onder overlegging van het daartoe gevraagde advies van de Raad van State aan de Staten-Generaal, die daarop in verenigde vergadering bijeenkomen.

  2. Delen de Staten-Generaal dit oordeel, dan verklaren zij dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen. Deze verklaring wordt bekend gemaakt op last van de voorzitter der vergadering en treedt terstond in werking.

  3. Zodra de Koning weer in staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, wordt dit bij de wet verklaard. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Terstond na de bekendmaking van deze wet hervat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag.

  4. De wet regelt zo nodig het toezicht over de persoon van de Koning indien hij buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 36 - Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag

De Koning kan de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk neerleggen en die uitoefening hervatten krachtens een wet, waarvan het voorstel door of vanwege hem wordt ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 37 - Uitoefening koninklijk gezag door regent

  1. Het koninklijk gezag wordt uitgeoefend door een regent:
    a. zolang de Koning de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt;
    b. indien een nog niet geboren kind tot het koningschap geroepen kan zijn;
    c. indien de Koning buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen;
    d. indien de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk heeft neergelegd;
    e. zolang na het overlijden van de Koning of na diens afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt.

  2. De regent wordt benoemd bij de wet. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  3. In de gevallen, genoemd in het eerste lid onder c en d, is de nakomeling van de Koning die zijn vermoedelijke opvolger is, van rechtswege regent indien hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

  4. De regent zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt, in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal. De wet geeft nadere regels omtrent het regentschap en kan voorzien in de opvolging en de vervanging daarin. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  5. Op de regent zijn de artikelen 35 en 36 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38 - Uitoefening koninklijk gezag door RvS

Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk gezag is voorzien, wordt dit uitgeoefend door de Raad van State.

Artikel 39 - Lidmaatschap koninklijk huis

De wet regelt, wie lid is van het koninklijk huis.

Artikel 40 - Uitkering koninklijk huis

  1. De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het Rijk uitkeringen naar regels bij de wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het koninklijk huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen.

  2. De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, zijn vrij van persoonlijke belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of zijn vermoedelijke opvolger krachtens erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van het koninklijk huis vrij van de rechten van successie, overgang en schenking. Verdere vrijdom van belasting kan bij de wet worden verleend.

  3. De kamers der Staten-Generaal kunnen voorstellen van in de vorige leden bedoelde wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 41 - Inrichting huis Koning

De Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis in.

Artikel 42 - Ministeriële verantwoordelijkheid

  1. De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.

  2. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.

Artikel 43 - Regering en ministers

De minister-president en de overige ministers worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.

Artikel 44 - Ministeries

  1. Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.

  2. Ook kunnen ministers worden benoemd die niet belast zijn met de leiding van een ministerie.

Artikel 45 - Ministerraad

  1. De ministers vormen te zamen de ministerraad.

  2. De minister-president is voorzitter van de ministerraad.

  3. De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid.

Artikel 46 - Staatssecretarissen

  1. Bij koninklijk besluit kunnen staatssecretarissen worden benoemd en ontslagen.

  2. Een staatssecretaris treedt in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister.

Artikel 47 - Ondertekening en contraseign

Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.

Artikel 48 - Ontslag en benoeming ministers

Het koninklijk besluit waarbij de minister-president wordt benoemd, wordt mede door hem ondertekend. De koninklijke besluiten waarbij de overige ministers en de staatssecretarissen worden benoemd of ontslagen, worden mede door de minister-president ondertekend.

Artikel 49 - Ambtseed minister en staatssecretaris

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de ministers en de staatssecretarissen bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.
HOOFDSTUK 3

Staten-Generaal INLEIDING

Artikel 50 - Vertegenwoordiging

De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk.

Artikel 51 - Eerste en Tweede Kamer

  1. De Staten-Generaal bestaan uit de Tweede Kamer en de Eerste Kamer.

  2. De Tweede Kamer bestaat uit honderdvijftig leden.

  3. De Eerste Kamer bestaat uit vijfenzeventig leden.

  4. Bij een verenigde vergadering worden de kamers als één beschouwd.

Artikel 52 - Zittingsduur

  1. De zittingsduur van beide kamers is vier jaren.
  2. Indien voor de provinciale staten bij de wet een andere zittingsduur dan vier jaren wordt vastgesteld, wordt daarbij de zittingsduur van de Eerste Kamer in overeenkomstige zin gewijzigd.

Artikel 53 - Evenredige vertegenwoordiging

  1. De leden van beide kamers worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  2. De verkiezingen worden gehouden bij geheime stemming.

Artikel 54 - Verkiezing Tweede Kamer

  1. De leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen ten aanzien van Nederlanders die geen ingezetenen zijn.

  2. Van het kiesrecht is uitgesloten hij die wegens het begaan van een daartoe bij de wet aangewezen delict bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste een jaar en hierbij tevens is ontzet van het kiesrecht.

Artikel 55 - Verkiezing Eerste Kamer

De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten. De verkiezing wordt, behoudens in geval van ontbinding der kamer, gehouden binnen drie maanden na de verkiezing van de leden van provinciale staten.

Artikel 56 - Vereisten voor lidmaatschap

Om lid van de Staten-Generaal te kunnen zijn is vereist dat men Nederlander is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.

Artikel 57 - Incompatibiliteiten

  1. Niemand kan lid van beide kamers zijn.

  2. Een lid van de Staten-Generaal kan niet tevens zijn minister, staatssecretaris, lid van de Raad van State, lid van de Algemene Rekenkamer, Nationale ombudsman of substituut-ombudsman, of lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij de Hoge Raad.

  3. Niettemin kan een minister of staatssecretaris, die zijn ambt ter beschikking heeft gesteld, dit ambt verenigen met het lidmaatschap van de Staten-Generaal, totdat omtrent die beschikbaarstelling is beslist.

  4. De wet kan ten aanzien van andere openbare betrekkingen bepalen dat zij niet gelijktijdig met het lidmaatschap van de Staten-Generaal of van een der kamers kunnen worden uitgeoefend.

Artikel 57a - Zwangerschap en ziekte

De wet regelt de tijdelijke vervanging van een lid van de Staten-Generaal wegens zwangerschap en bevalling, alsmede wegens ziekte.

Artikel 58 - Geloofsbrieven

Elke kamer onderzoekt de geloofsbrieven van haar nieuwbenoemde leden en beslist met inachtneming van bij de wet te stellen regels de geschillen welke met betrekking tot de geloofsbrieven of de verkiezing zelf rijzen.

Artikel 59 - Kiesrecht en verkiezingen

Alles, wat verder het kiesrecht en de verkiezingen betreft, wordt bij de wet geregeld.

Artikel 60 - Ambtsaanvaarding

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de leden van de kamers bij de aanvaarding van hun ambt in de vergadering een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

Artikel 61 - Voorzitter en griffier

  1. Elk der kamers benoemt uit de leden een voorzitter.

  2. Elk der kamers benoemt een griffier. Deze en de overige ambtenaren van de kamers kunnen niet tevens lid van de Staten-Generaal zijn.

Artikel 62 - Verenigde vergadering

De voorzitter van de Eerste Kamer heeft de leiding van de verenigde vergadering.

Artikel 63 - Geldelijke voorzieningen

Geldelijke voorzieningen ten behoeve van leden en gewezen leden van de Staten-Generaal en van hun nabestaanden worden bij de wet geregeld. De kamers kunnen een voorstel van wet ter zake alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 64 - Ontbinding Kamers

  1. Elk der kamers kan bij koninklijk besluit worden ontbonden.

  2. Het besluit tot ontbinding houdt tevens de last in tot een nieuwe verkiezing voor de ontbonden kamer en tot het samenkomen van de nieuw gekozen kamer binnen drie maanden.

  3. De ontbinding gaat in op de dag waarop de nieuw gekozen kamer samenkomt.

  4. De wet stelt de zittingsduur van een na ontbinding optredende Tweede Kamer vast; de termijn mag niet langer zijn dan vijf jaren. De zittingsduur van een na ontbinding optredende Eerste Kamer eindigt op het tijdstip waarop de zittingsduur van de ontbonden kamer zou zijn geëindigd.

Artikel 65 - Troonrede

Jaarlijks op de derde dinsdag van september of op een bij de wet te bepalen eerder tijdstip wordt door of namens de Koning in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal een uiteenzetting van het door de regering te voeren beleid gegeven.

Artikel 66 - Openbaarheid vergaderingen

  1. De vergaderingen van de Staten-Generaal zijn openbaar.

  2. De deuren worden gesloten, wanneer een tiende deel van het aantal aanwezige leden het vordert of de voorzitter het nodig oordeelt.

  3. Door de kamer, onderscheidenlijk de kamers in verenigde vergadering, wordt vervolgens beslist of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd en besloten.

Artikel 67 - Quorum

  1. De kamers mogen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering alleen beraadslagen of besluiten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden ter vergadering aanwezig is.

  2. Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen.

  3. De leden stemmen zonder last.

  4. Over zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, wanneer één lid dit verlangt.

Artikel 68 - Inlichtingenplicht bewindslieden

De ministers en de staatssecretarissen geven de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat.

Artikel 69 - Aanwezigheid bewindslieden

  1. De ministers en de staatssecretarissen hebben toegang tot de vergaderingen en kunnen aan de beraadslaging deelnemen.

  2. Zij kunnen door de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn.

  3. Zij kunnen zich in de vergaderingen doen bijstaan door de personen, daartoe door hen aangewezen.

Artikel 70 - Recht van enquête

Beide kamers hebben, zowel ieder afzonderlijk als in verenigde vergadering, het recht van onderzoek (enquête), te regelen bij de wet.

Artikel 71 - Parlementaire onschendbaarheid

De leden van de Staten-Generaal, de ministers, de staatssecretarissen en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging, kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergaderingen van de Staten-Generaal of van commissies daaruit hebben gezegd of aan deze schriftelijk hebben overgelegd.

Artikel 72 - Reglement van orde

De kamers stellen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering een reglement van orde vast.

HOOFDSTUK 4

Adviesorganen INLEIDING

Artikel 73 - Taak Raad van State

  1. De Raad van State of een afdeling van de Raad wordt gehoord over voorstellen van wet en ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur, alsmede over voorstellen tot goedkeuring van verdragen door de Staten-Generaal. In bij de wet te bepalen gevallen kan het horen achterwege blijven.

  2. De Raad of een afdeling van de Raad is belast met het onderzoek van de geschillen van bestuur die bij koninklijk besluit worden beslist en draagt de uitspraak voor.

  3. De wet kan aan de Raad of een afdeling van de Raad de uitspraak in geschillen van bestuur opdragen.

Artikel 74 - Rechtspositie leden

  1. De Koning is voorzitter van de Raad van State. De vermoedelijke opvolger van de Koning heeft na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar van rechtswege zitting in de Raad. Bij of krachtens de wet kan aan andere leden van het koninklijk huis zitting in de Raad worden verleend.

  2. De leden van de Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  3. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  4. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Raad worden geschorst of ontslagen.

  5. De wet regelt overigens hun rechtspositie

Artikel 75 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Raad van State.

  2. Bij de wet kunnen aan de Raad of een afdeling van de Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 76 - Algemene rekenkamer

De Algemene Rekenkamer is belast met het onderzoek van de ontvangsten en uitgaven van het Rijk.

Artikel 77 - Rechtpositie leden rekenkamer

  1. De leden van de Algemene Rekenkamer worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Hoge Raad worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 78 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Algemene Rekenkamer.

  2. Bij de wet kunnen aan de Algemene Rekenkamer ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 78a - Nationale ombudsman

  1. De Nationale ombudsman verricht op verzoek of uit eigen beweging onderzoek naar gedragingen van bestuursorganen van het Rijk en van andere bij of krachtens de wet aangewezen bestuursorganen.
  2. De Nationale ombudsman en een substituut-ombudsman worden voor een bij de wet te bepalen termijn benoemd door de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Tweede Kamer der Staten-Generaal worden geschorst of ontslagen. De wet regelt overigens hun rechtspositie.
  3. De wet regelt de bevoegdheid en werkwijze van de Nationale ombudsman.
  4. Bij of krachtens de wet kunnen aan de Nationale ombudsman ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 79 - Vaste colleges van advies

  1. Vaste colleges van advies in zaken van wetgeving en bestuur van het Rijk worden ingesteld bij of krachtens de wet.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van deze colleges.

  3. Bij of krachtens de wet kunnen aan deze colleges ook andere dan adviserende taken worden opgedragen.

Artikel 80 - Openbaarmaking advies

  1. De adviezen van de in dit hoofdstuk bedoelde colleges worden openbaar gemaakt volgens regels bij de wet te stellen.

  2. Adviezen, uitgebracht ter zake van voorstellen van wet die door of vanwege de Koning worden ingediend, worden, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen, aan de Staten-Generaal overgelegd.

HOOFDSTUK 5

Wetgeving en bestuur INLEIDING

Artikel 81 - Wetgevende macht

De vaststelling van wetten geschiedt door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk.

Artikel 82 - Indienen wetsvoorstel

  1. Voorstellen van wet kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Voorstellen van wet waarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en, voor zover de betreffende artikelen van hoofdstuk 2 dit toelaten, door de verenigde vergadering.

  3. Voorstellen van wet, in te dienen door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering, worden bij haar door een of meer leden aanhangig gemaakt.

Artikel 83 - Toezending wetsvoorstel TK

Voorstellen van wet, ingediend door of vanwege de Koning, worden gezonden aan de Tweede Kamer of, indien daarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, aan deze vergadering.

Artikel 84 - Wijziging wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet, ingediend door of vanwege de Koning, niet door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering is aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en vanwege de regering worden gewijzigd.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden gewijzigd.

Artikel 85 - Toezending wetsvoorstel EK

Zodra de Tweede Kamer een voorstel van wet heeft aangenomen of tot indiening van een voorstel heeft besloten, zendt zij het aan de Eerste Kamer, die het voorstel overweegt zoals het door de Tweede Kamer aan haar is gezonden. De Tweede Kamer kan een of meer van haar leden opdragen een door haar ingediend voorstel in de Eerste Kamer te verdedigen.

Artikel 86 - Intrekking wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet niet door de Staten-Generaal is aangenomen, kan het door of vanwege de indiener worden ingetrokken.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden ingetrokken.

Artikel 87 - Aanneming en bekrachtiging

  1. Een voorstel wordt wet, zodra het door de Staten-Generaal is aangenomen en door de Koning is bekrachtigd.

  2. De Koning en de Staten-Generaal geven elkaar kennis van hun besluit omtrent enig voorstel van wet.

Artikel 88 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de wetten. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 89 - Algemene maatregel van bestuur

  1. Algemene maatregelen van bestuur worden bij koninklijk besluit vastgesteld.

  2. Voorschriften, door straffen te handhaven, worden daarin alleen gegeven krachtens de wet. De wet bepaalt de op te leggen straffen.

  3. De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de algemene maatregelen van bestuur. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

  4. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op andere vanwege het Rijk vastgestelde algemeen verbindende voorschriften.

Artikel 90 - Bevordering internationale rechtsorde

De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde.

Artikel 91 - Goedkeuring verdrag

  1. Het Koninkrijk wordt niet aan verdragen gebonden en deze worden niet opgezegd zonder voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. De wet bepaalt de gevallen waarin geen goedkeuring is vereist.

  2. De wet bepaalt de wijze waarop de goedkeuring wordt verleend en kan voorzien in stilzwijgende goedkeuring.

  3. Indien een verdrag bepalingen bevat welke afwijken van de Grondwet dan wel tot zodanig afwijken noodzaken, kunnen de kamers de goedkeuring alleen verlenen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 92 - Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties

Met inachtneming, zo nodig, van het bepaalde in artikel 91, derde lid, kunnen bij of krachtens verdrag aan volkenrechtelijke organisaties bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak worden opgedragen.

Artikel 93 - Verbindende kracht verdrag

Bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 94 - Verdrag boven wet

Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 95 - Bekendmaking verdrag

De wet geeft regels omtrent de bekendmaking van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 96 - Oorlogsverklaring

  1. Het Koninkrijk wordt niet in oorlog verklaard dan na voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal.

  2. De toestemming is niet vereist, wanneer het overleg met de Staten-Generaal ten gevolge van een feitelijk bestaande oorlogstoestand niet mogelijk is gebleken.

  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  4. Het bepaalde in het eerste en het derde lid is van overeenkomstige toepassing voor een verklaring dat een oorlog beëindigd is.

Artikel 97 - Krijgsmacht

  1. Ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk, alsmede ten behoeve van de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde, is er een krijgsmacht.

  2. De regering heeft het oppergezag over de krijgsmacht.

Artikel 98 - Samenstelling krijgsmacht

  1. De krijgsmacht bestaat uit vrijwillig dienenden en kan mede bestaan uit dienstplichtigen.

  2. De wet regelt de verplichte militaire dienst en de bevoegdheid tot opschorting van de oproeping in werkelijke dienst.

Artikel 99 - Gewetensbezwaren militaire dienst

De wet regelt vrijstelling van militaire dienst wegens ernstige gewetensbezwaren.

Artikel 99a - Civiele verdediging

Volgens bij de wet te stellen regels kunnen plichten worden opgelegd ten behoeve van de civiele verdediging.

Artikel 100 - Inlichtingen over krijgsmacht

  1. De regering verstrekt de Staten-Generaal vooraf inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. Daaronder is begrepen het vooraf verstrekken van inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht voor humanitaire hulpverlening in geval van gewapend conflict.

  2. Het eerste lid geldt niet, indien dwingende redenen het vooraf verstrekken van inlichtingen verhinderen. In dat geval worden inlichtingen zo spoedig mogelijk verstrekt.

Artikel 101 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 20 juli 1995

Artikel 102 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 22 juni 2000

Artikel 103 - Uitzonderingstoestand

  1. De wet bepaalt in welke gevallen ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid bij koninklijk besluit een door de wet als zodanig aan te wijzen uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd; zij regelt de gevolgen.

  2. Daarbij kan worden afgeweken van de grondwetsbepalingen inzake de bevoegdheden van de besturen van provincies, gemeenten en waterschappen, van de grondrechten geregeld in de artikelen 6, voor zover dit de uitoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen van het in dit artikel omschreven recht betreft, 7, 8, 9, 12, tweede en derde lid, en 13, alsmede van artikel 113, eerste en derde lid.

  3. Terstond na de afkondiging van een uitzonderingstoestand en voorts, zolang deze niet bij koninklijk besluit is opgeheven, telkens wanneer zij zulks nodig oordelen beslissen de Staten-Generaal omtrent het voortduren daarvan; zij beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 104 - Belastingheffing

Belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet. Andere heffingen van het Rijk worden bij de wet geregeld.

 
 

Artikel 105 - Recht van begroting

  1. De begroting van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt bij de wet vastgesteld.

  2. Jaarlijks worden voorstellen van algemene begrotingswetten door of vanwege de Koning ingediend op het in artikel 65 bedoelde tijdstip.

  3. De verantwoording van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt aan de Staten-Generaal gedaan overeenkomstig de bepalingen van de wet. De door de Algemene Rekenkamer goedgekeurde rekening wordt aan de Staten-Generaal overgelegd.

  4. De wet stelt regels omtrent het beheer van de financiën van het Rijk.

Artikel 106 - Geldstelsel

De wet regelt het geldstelsel.

Artikel 107 - Codificatie

  1. De wet regelt het burgerlijk recht, het strafrecht en het burgerlijk en strafprocesrecht in algemene wetboeken, behoudens de bevoegdheid tot regeling van bepaalde onderwerpen in afzonderlijke wetten.

  2. De wet stelt algemene regels van bestuursrecht vast.

Artikel 108 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 25 februari 1999

Artikel 109 - Rechtspositie ambtenaren

De wet regelt de rechtspositie van de ambtenaren. Zij stelt tevens regels omtrent hun bescherming bij de arbeid en omtrent medezeggenschap.

 

Artikel 110 - Openbaarheid van bestuur

De overheid betracht bij de uitvoering van haar taak openbaarheid volgens regels bij de wet te stellen.

 

Artikel 111 - Ridderorden

Ridderorden worden bij de wet ingesteld.
HOOFDSTUK 6

Rechtspraak INLEIDING

Artikel 112 - Civiele en administratieve rechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is opgedragen de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen.

  2. De wet kan de berechting van geschillen die niet uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, opdragen hetzij aan de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren. De wet regelt de wijze van behandeling en de gevolgen van de beslissingen.

Artikel 113 - Strafrechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van strafbare feiten.

  2. Tuchtrechtspraak door de overheid ingesteld wordt bij de wet geregeld.

  3. Een straf van vrijheidsontneming kan uitsluitend door de rechterlijke macht worden opgelegd.

  4. Voor berechting buiten Nederland en voor het oorlogsstrafrecht kan de wet afwijkende regels stellen.

Artikel 114 - Doodstraf

De doodstraf kan niet worden opgelegd.

Artikel 115 - Administratief beroep

Ten aanzien van de in artikel 112, tweede lid, bedoelde geschillen kan administratief beroep worden opengesteld.

Artikel 116 - Rechterlijke macht

  1. De wet wijst de gerechten aan die behoren tot de rechterlijke macht.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de rechterlijke macht.

  3. De wet kan bepalen, dat aan rechtspraak door de rechterlijke macht mede wordt deelgenomen door personen die niet daartoe behoren.

  4. De wet regelt het toezicht door leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast uit te oefenen op de ambtsvervulling door zodanige leden en door de personen bedoeld in het vorige lid.

Artikel 117 - Rechtspositie leden rechterlijke macht

  1. De leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal bij de Hoge Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet bepaald kunnen zij door een bij de wet aangewezen, tot de rechterlijke macht behorend gerecht worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 118 - Hoge Raad

  1. De leden van de Hoge Raad der Nederlanden worden benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. De Hoge Raad is in de gevallen en binnen de grenzen bij de wet bepaald, belast met de cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van het recht.

  3. Bij de wet kunnen aan de Hoge Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 119 - Ambtsmisdrijven

De leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreden terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.

Artikel 120 - Toetsingsverbod

De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.

Artikel 121 - Openbaarheid terechtzittingen

Met uitzondering van de gevallen bij de wet bepaald vinden de terechtzittingen in het openbaar plaats en houden de vonnissen de gronden in waarop zij rusten. De uitspraak geschiedt in het openbaar.

Artikel 122 - Gratie

  1. Gratie wordt verleend bij koninklijk besluit na advies van een bij de wet aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.

  2. Amnestie wordt bij of krachtens de wet verleend.

HOOFDSTUK 7

Decentralisatie INLEIDING

Artikel 123 - Instelling provincies en gemeenten

  1. Bij de wet kunnen provincies en gemeenten worden opgeheven en nieuwe ingesteld.

  2. De wet regelt de wijziging van provinciale en gemeentelijke grenzen.

Artikel 124 - Autonomie en medebewind

  1. Voor provincies en gemeenten wordt de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake hun huishouding aan hun besturen overgelaten.

  2. Regeling en bestuur kunnen van de besturen van provincies en gemeenten worden gevorderd bij of krachtens de wet.

Artikel 125 - Organen decentrale besturen

  1. Aan het hoofd van de provincie en de gemeente staan provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad. Hun vergaderingen zijn openbaar, behoudens bij de wet te regelen uitzonderingen.

  2. Van het bestuur van de provincie maken ook deel uit gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning, van het bestuur van de gemeente het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester.

Artikel 126 - Ambtsinstructie commissaris koning

Bij de wet kan worden bepaald, dat de commissaris van de Koning wordt belast met de uitvoering van een door de regering te geven ambtsinstructie.

Artikel 127 - Vaststelling verordening

Provinciale staten en de gemeenteraad stellen, behoudens bij de wet of door hen krachtens de wet te bepalen uitzonderingen, de provinciale onderscheidenlijk de gemeentelijke verordeningen vast.

Artikel 128 - Toekenning bevoegdheden

Behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 123, kan de toekenning van bevoegdheden, als bedoeld in artikel 124, eerste lid, aan andere organen dan die, genoemd in artikel 125, alleen door provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad geschieden.

Artikel 129 - Verkiezing vertegenwoordigend orgaan

  1. De leden van provinciale staten en van de gemeenteraad worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders, tevens ingezetenen van de provincie onderscheidenlijk de gemeente, die voldoen aan de vereisten die gelden voor de verkiezing van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Voor het lidmaatschap gelden dezelfde vereisten.
  2. De leden worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  3. De artikelen 53, tweede lid, en 59 zijn van toepassing. Artikel 57a is van overeenkomstige toepassing.
  4. De zittingsduur van provinciale staten en de gemeenteraad is vier jaren, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen.
  5. De wet bepaalt welke betrekkingen niet gelijktijdig met het lidmaatschap kunnen worden uitgeoefend. De wet kan bepalen, dat beletselen voor het lidmaatschap voortvloeien uit verwantschap of huwelijk en dat het verrichten van bij de wet aangewezen handelingen tot het verlies van het lidmaatschap kan leiden.
  6. De leden stemmen zonder last.

Artikel 130 - Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders

De wet kan het recht de leden van de gemeenteraad te kiezen en het recht lid van de gemeenteraad te zijn toekennen aan ingezetenen, die geen Nederlander zijn, mits zij tenminste voldoen aan de vereisten die gelden voor ingezetenen die tevens Nederlander zijn.

Artikel 131 - Benoeming commissaris Koning

De commissaris van de Koning en de burgemeester worden bij koninklijk besluit benoemd.

Artikel 132 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen

  1. De wet regelt de inrichting van provincies en gemeenten, alsmede de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen.

  2. De wet regelt het toezicht op deze besturen.

  3. Besluiten van deze besturen kunnen slechts aan voorafgaand toezicht worden onderworpen in bij of krachtens de wet te bepalen gevallen.

  4. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden bij koninklijk besluit wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

  5. De wet regelt de voorzieningen bij in gebreke blijven ten aanzien van regeling en bestuur, gevorderd krachtens artikel 124, tweede lid. Bij de wet kunnen met afwijking van de artikelen 125 en 127 voorzieningen worden getroffen voor het geval het bestuur van een provincie of een gemeente zijn taken grovelijk verwaarloost.

  6. De wet bepaalt welke belastingen door de besturen van provincies en gemeenten kunnen worden geheven en regelt hun financiële verhouding tot het Rijk.

Artikel 133 - Waterschappen

  1. De opheffing en instelling van waterschappen, de regeling van hun taken en inrichting, alsmede de samenstelling van hun besturen, geschieden volgens bij de wet te stellen regels bij provinciale verordening, voor zover bij of krachtens de wet niet anders is bepaald.

  2. De wet regelt de verordenende en andere bevoegdheden van de besturen van de waterschappen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen.

  3. De wet regelt het provinciale en overige toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 134 - Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

  1. Bij of krachtens de wet kunnen openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere openbare lichamen worden ingesteld en opgeheven.

  2. De wet regelt de taken en de inrichting van deze openbare lichamen, de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen. Bij of krachtens de wet kan aan hun besturen verordenende bevoegdheid worden verleend.

  3. De wet regelt het toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 135 - Gemeenschappelijke regelingen

De wet geeft regels ter voorziening in zaken waarbij twee of meer openbare lichamen zijn betrokken. Daarbij kan in de instelling van een nieuw openbaar lichaam worden voorzien, in welk geval artikel 134, tweede en derde lid, van toepassing is.

Artikel 136 - Geschillen

De geschillen tussen openbare lichamen worden bij koninklijk besluit beslist, tenzij deze behoren tot de kennisneming van de rechterlijke macht of hun beslissing bij de wet aan anderen is opgedragen.
HOOFDSTUK 8

Herziening grondwet INLEIDING

Artikel 137 - Grondwetswijziging

  1. De wet verklaart, dat een verandering in de Grondwet, zoals zij die voorstelt, in overweging zal worden genomen.

  2. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, een voorstel voor zodanige wet splitsen.

  3. Na de bekendmaking van de wet, bedoeld in het eerste lid, wordt de Tweede Kamer ontbonden.

  4. Nadat de nieuwe Tweede Kamer is samengekomen, overwegen beide kamers in tweede lezing het voorstel tot verandering, bedoeld in het eerste lid. Zij kunnen dit alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  5. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen een voorstel tot verandering splitsen.

Artikel 138 - Aanpassing niet gewijzigde bepalingen

  1. Voordat de in tweede lezing aangenomen voorstellen tot verandering in de Grondwet door de Koning worden bekrachtigd, kunnen bij de wet:

    a. de aangenomen voorstellen en de ongewijzigd gebleven bepalingen van de Grondwet voor zoveel nodig aan elkaar worden aangepast;

    b. de indeling in en de plaats van hoofdstukken, paragrafen en artikelen, alsmede de opschriften worden gewijzigd.

  2. Een voorstel van wet, houdende voorzieningen als bedoeld in het eerste lid onder a, kunnen de kamers alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 139 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De veranderingen in de Grondwet, door de Staten-Generaal aangenomen en door de Koning bekrachtigd, treden terstond in werking, nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 140 - Handhaving bestaande regelgeving

Bestaande wetten en andere regelingen en besluiten die in strijd zijn met een verandering in de Grondwet, blijven gehandhaafd, totdat daarvoor overeenkomstig de Grondwet een voorziening is getroffen.

Artikel 141 - Bekendmaking herziene Grondwet

De tekst van de herziene Grondwet wordt bij koninklijk besluit bekendgemaakt, waarbij hoofdstukken, paragrafen en artikelen kunnen worden vernummerd en verwijzingen dienovereenkomstig kunnen worden veranderd.

Artikel 142 - Aanpassing Grondwet aan Statuut

De Grondwet kan bij de wet met het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in overeenstemming worden gebracht. De artikelen 139, 140 en141 zijn van overeenkomstige toepassing.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

F.M.C. Vlemminx

ARTIKEL 92 - Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties

INHOUD
  1. Inleiding
  2. Omarming van het internationale recht
  3. Internationale wetgeving met voorwaardelijke binding
  4. Internationale wetgeving met onvoorwaardelijke binding
  5. Acht varianten van internationale rechtspraak
  6. Internationale toezichthoudende comités
  7. De incorporatietheorie
  8. Drie categorieën internationale bestuurshandelingen
  9. Samenhang met het besluitbegrip in de artikelen 93 en 94 Grondwet
  10. Internationale en nationale bevoegdheden
  11. Artikel 92 en het volkenrecht
  12. Jurisprudentie
  13. Literatuur
  14. Historische versies
 
Editie juli 2015
 

1.     Inleiding

Tekstuele wijzigingen alsmede de verwijzing naar artikel 91, derde lid, daargelaten, stamt artikel 92 uit 1953. Bij deze grondwetsherziening werd al gesteld dat de bepaling op de keper beschouwd niet nodig was omdat de mogelijkheid om bevoegdheden aan volkenrechtelijke organisaties op te dragen reeds besloten lag in de bevoegdheid om verdragen te sluiten. Per slot van rekening had het Koninkrijk der Nederlanden al eerder herhaaldelijk bevoegdheden opgedragen.[1] Toch vormt de bepaling niet louter de constitutionalisering van een praktijk. Ze werd kort na de Tweede Wereldoorlog opgenomen ‘teneinde het nodige reliëf te geven aan’ internationale rechtsvormen waarvan, ‘gezien het toenemende streven naar internationale bindingen en integratie’, viel te voorzien dat ze in de toekomst ‘veelvuldig toepassing’ zouden vinden.[2] Bij de algehele grondwetsherziening van 1983 merkt de regering op dat deze overweging ‘thans zeker niet minder van belang [is] dan in 1953.’[3] Net als artikel 90 Grondwet heeft de bepaling dus tevens tot doel het belang van internationale samenwerking te beklemtonen.
 

2.     Omarming van het internationale recht

Bij de algehele grondwetsherziening van 1983 stelt de C.P.N.-fractie in de Tweede Kamer zich op het standpunt dat ‘in de Grondwet de nodige garanties moeten zijn ingebouwd dat daarmee niet de wetgevende en andere bevoegdheden van het Nederlands parlement ondermijnd worden.’[4] Tegelijkertijd zetten diverse andere fracties in de Tweede Kamer vraagtekens bij de mogelijkheid om ook ‘krachtens’ verdrag bevoegdheden op te dragen.[5] Die mogelijkheid zou immers betrokkenheid van de Staten-Generaal uitsluiten, een gegeven dat Tweede Kamerleden al bij de grondwetsherziening van 1953 zorgen baarde.[6] De regering antwoordt dat de voorgestelde bepaling naar haar oordeel ‘een toereikende garantie voor de bevoegdheden van het Nederlandse parlement inhoudt.’[7] Er valt wel wat af te dingen op de geruststellende woorden van de regering en dat niet alleen vanwege de tamelijk vage clausule ‘krachtens verdrag’. Het begrip ‘volkenrechtelijke organisatie’ behelst evenmin waarborgen. Het valt nauwelijks af te bakenen. Pogingen daartoe lijken bovendien zinloos, want gelet op het advies van de Raad van State inzake de kruisrakettenproblematiek en de instemmende reactie van de regering[8] moet ervan worden uitgegaan dat er zelfs bevoegdheden aan andere staten kunnen worden opgedragen. Dan is er nog de verwijzing naar het derde lid van artikel 91 die in 1956 in de grondwetsbepaling werd opgenomen. Artikel 92 bepaalt dat ‘zo nodig’ artikel 91, derde lid, in acht dient te worden genomen, wat wil zeggen dat de Eerste en de Tweede Kamer het verdrag ‘zo nodig’ met een meerderheid van twee derden moeten goedkeuren omdat er sprake is van afwijking van de Grondwet. Dit is een schimmig voorschrift. Aangezien de Grondwet de opdracht van de bevoegdheden zelf mogelijk maakt, is onduidelijk wanneer nu precies van de Grondwet wordt afgeweken. Bij de algehele grondwetsherziening worstelt de regering om nog een andere reden met de verwijzing. In eerste instantie vindt zij haar eigenlijk niet nodig omdat artikel 91, derde lid, zelf al in het voorschrift zou voorzien.[9] Later verandert ze van gedachten. Dan verkondigt zij dat de verwijzing onmisbaar is omdat anders op basis van artikel 92 met gewone meerderheid zou kunnen worden beslist en artikel 91, derde lid, illusoir zou worden.[10] Wanneer een voorschrift bij de vaststelling al tamelijk ongrijpbaar is ligt het voor de hand dat het niet gemakkelijk toepassing vindt. Illustratief is de verwezenlijking van de Economische en Monetaire Unie, simpel gezegd, de introductie van de euro, via het Verdrag van Maastricht van 1992. In de literatuur werd gespeculeerd of er werd afgeweken van artikel 106 Grondwet dat bepaalt dat de wet het geldstelsel regelt. Heringa verdedigde dat er inderdaad van artikel 106 werd afgeweken, terwijl Brouwer het tegenovergestelde standpunt innam.[11] Bij de goedkeuring van het verdrag werd er noch in de Tweede noch in de Eerste Kamer van uitgegaan dat een meerderheid van twee derden was vereist.[12]

Het valt op dat artikel 92 termen hanteert die duidelijk zijn ontleend aan de trias politica. Met de woorden ‘wetgeving, bestuur en rechtspraak’ wordt echter noch een dogmatisch kader noch een inperking beoogd. Het is juist de bedoeling om aan te geven dat het om ‘bevoegdheden in de meest ruime zin’ gaat.[13] Ingevolge artikel 92 kunnen zeer uiteenlopende bevoegdheden in handen worden gelegd van een volkenrechtelijke organisatie. In de literatuur wordt erop gewezen dat besluiten van volkenrechtelijke organisaties onder verschillende benamingen en in verschillende vormen voorkomen zoals interne regels betreffende het functioneren van de organisatie, aanbevelingen, declaraties, conventies of resoluties.[14]

Kortom, veel waarborgen behelst artikel 92 niet. De Grondwet omarmt het internationale recht en net als artikel 90 staat artikel 92 model voor deze omarming. Het is vooral een bij de inrichting van het internationale recht te betrachten terughoudendheid die bescherming zal moeten bieden tegen misbruik of overmatig gebruik van de mogelijkheid om bevoegdheden op te dragen aan volkenrechtelijke organisaties. Die terughoudendheid wordt in het algemeen aan de dag gelegd. Zoals de komende paragrafen zullen laten zien kunnen slechts weinig volkenrechtelijke organisaties Lidstaten tegen hun wil via wetgeving, rechtspraak of bestuur binden.[15] Een belangrijke uitzondering is de Europese Unie (EU).
 

3.     Internationale wetgeving met voorwaardelijke
        binding

Bij wetgeving door volkenrechtelijke organisaties moet onderscheid worden gemaakt tussen interne en externe werking. Interne regelingen zoals huishoudelijke reglementen[16] zijn doorgaans bindend.[17] Anders is het gesteld met regelingen die een extern karakter dragen. Uitzonderingen daargelaten, waarover meer in de volgende paragraaf, geldt bij voorschriften die zich richten tot Lidstaten en/of particulieren, dat het bindende karakter voorwaardelijk is. Lidstaten krijgen in beginsel de ruimte om de voorschriften te verwerpen of om voorbehouden te maken. Een klassiek voorbeeld is de Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR),[18] die sinds de Herziene Rijnvaartakte van 17 oktober 1868 (Akte van Mannheim) over de bevoegdheid beschikt om zelf de reglementen vast te stellen die noodzakelijk zijn voor de veiligheid en de welvaart van de Rijnvaart. Bij de besluitvorming beschikt elke Lidstaat over één stem en dan zijn met eenparigheid van stemmen aangenomen besluiten bindend tenzij een Lidstaat de CCR binnen een maand heeft doen weten dat hij weigert er zijn goedkeuring aan te hechten. In het laatste geval zijn het slechts aanbevelingen, net zoals besluiten die met meerderheid van stemmen worden aangenomen.[19] Een ander klassiek voorbeeld is de World Health Organization (WHO).[20] De Wereldgezondheidsorganisatie werd in 1948 onder de vlag van de Verenigde Naties (VN) opgericht en de Gezondheidsvergadering, samengesteld uit leden die worden afgevaardigd door de Lidstaten, heeft de bevoegdheid om bij gewone meerderheid regelingen aan te nemen die eisen stellen met betrekking tot bijvoorbeeld quarantaine, namen van ziekten, het stellen van diagnoses of de veiligheid en werking van farmaceutische producten.[21] Geven Lidstaten niet binnen een bepaalde termijn na de bekendmaking aan dat zij de regeling verwerpen of een voorbehoud maken, dan zijn zij eraan gebonden.[22]

Bij volkenrechtelijke organisaties worden ook varianten aangetroffen die het midden houden tussen enerzijds wetgeving en anderzijds verdragen. Dergelijke mengvormen vallen te verwachten want er zijn sterke overeenkomsten tussen beide rechtsfiguren. Zo werd hier te lande strijd met een verdrag in het verleden aangemerkt als strijd met een wet (algemeen verbindend voorschrift). Dat gebeurde bij zowel de Hoge Raad (HR)[23] als de Raad van State.[24] Hoe dun het onderscheid kan zijn laat de Gezondheidsvergadering van de Wereldgezondheidsorganisatie zien. Boven bleek deze instantie bij gewone meerderheid bepaalde wetgeving te kunnen uitvaardigen. Ze kan echter ook met een meerderheid van twee derden verdragen aannemen die in beginsel voor iedere Lidstaat van kracht worden.[25] Een interessante mengvorm van wetgeving en verdrag manifesteert zich bij de International Telecommunication Union (ITU),[26] in Nederland aangeduid als de Internationale Unie voor Telecommunicatie. De voorganger van de ITU, de Internationale Telegraafunie, werd in 1865 door twintig landen te Parijs opgericht en sinds 1947 is de ITU actief als een gespecialiseerde organisatie van de VN die zich onder meer bezighoudt met de verdeling en registratie van de radio-elektrische frequenties en van de posities van geostationaire satellieten.[27] De ITU kent ‘a rather unique process of decision- and “law-making” that is rare and unparalleled within the wider UN family.’[28] Zo wordt de werking van telecommunicatienetwerken en –diensten op het vlak van de frequentietoewijzing gereguleerd door het Radioreglement. Dat reglement kan gedeeltelijk of, in uitzonderlijke gevallen, geheel worden herzien via mondiale radiocommunicatieconferenties en er geldt een plicht om normaliter om de drie of vier jaar een dergelijke conferentie bijeen te roepen.[29] Op de conferentie heeft elke Lidstaat één stem.[30] Het bindende karakter van het Radioreglement komt als volgt tot stand. Het vormt een integraal onderdeel van de Administratieve Reglementen die op hun beurt weer een aanvulling vormen op de verdragen waarop de ITU is gebaseerd, te weten, het Statuut en het Verdrag van de Internationale Unie voor Telecommunicatie, en als aanvulling op die verdragen bindend zijn voor alle Lidstaten.[31] Op de keper beschouwd speelt hier dus een periodieke herziening van een verdrag. Een Lidstaat moet niet alleen de herziening ondertekenen en kan daarbij een voorbehoud maken maar moet ook nog eens apart kennis geven van de instemming om door de herziening te worden gebonden.[32] Tegelijkertijd geldt er echter een strikt kader dat de Lidstaat slechts beperkte speelruimte laat.[33] Wanneer de Lidstaat de herziening wel heeft ondertekend maar na de datum van inwerkingtreding nog steeds geen uitsluitsel heeft gegeven omtrent de instemming om door de herziening te worden gebonden, is de herziening van rechtswege voorlopig van toepassing en wanneer de Lidstaat niet binnen zesendertig maanden na de datum van inwerkingtreding uitsluitsel heeft gegeven, is hij zelfs van rechtswege gebonden.[34] Vanwege dit strikte kader en vanwege het regime van periodieke herzieningen is hier sprake van een hybride vorm die laat zien hoe lastig het kan zijn om concepten van de trias politica als wetgeving, bestuur en rechtspraak op de internationale rechtsorde toe te passen.
 

4.     Internationale wetgeving met
        onvoorwaardelijke binding

De Rijnvaartreglementen, de regelingen van de Gezondheidsvergadering en het Radioreglement van de ITU zijn bij het grote publiek tamelijk onbekend. Meer bekendheid geniet de regelgeving die in het kader van de EU[35] wordt vastgesteld. Die regelgeving bestrijkt niet alleen de meest uiteenlopende beleidsterreinen, ze is ook veel dwingender. Goedkeuring door de Lidstaten is niet aan de orde en er is evenmin de mogelijkheid om een voorbehoud te maken. De vaststelling geschiedt via een procedure waarbij drie instellingen van de EU betrokken zijn. Ten eerste is er de Raad, het forum van nationale ministers waarbinnen de regeringen van de Lidstaten de nationale belangen behartigen. Ten tweede is er de Commissie die uitsluitend de belangen van de EU als geheel behartigt. Ten derde is er het Europees Parlement dat de EU-burgers vertegenwoordigt en rechtstreeks door hen is gekozen. Het meest gebruikelijk is de zogenaamde gewone wetgevingsprocedure.[36] De Commissie heeft het recht van initiatief en ze dient het voorstel in bij zowel het Europees Parlement als de Raad. De verdere procedure kan bijzonder ingewikkeld verlopen en er kunnen zelfs drie lezingen bij betrokken zijn.[37] Binnen de EU bestaan twee verschillende soorten verbindende wetgeving. Enerzijds zijn er verordeningen. Die hebben een algemene strekking, zijn verbindend in al hun onderdelen en zijn tevens rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.[38] Verordeningen kunnen niet alleen voorschriften bevatten voor Lidstaten maar ook voor particulieren zodat zij door particulieren tegenover elkaar kunnen worden ingeroepen. Anderzijds zijn er richtlijnen die voor elke Lidstaat waarvoor zij zijn bestemd, verbindend zijn ten aanzien van het te bereiken resultaat terwijl aan de nationale instanties de bevoegdheid wordt gelaten om vorm en middelen te kiezen.[39] De eigen aard van richtlijnen brengt mee dat zij uitsluitend voorschriften kunnen bevatten voor Lidstaten en dat particulieren er dus niet rechtstreeks door kunnen worden gebonden.[40] In het arrest Kücükdeveci uit 2010 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) evenwel de mogelijkheid verruimd dat een richtlijn desalniettemin effecten sorteert in de verhoudingen tussen particulieren.[41]

Regelgeving met een dwingend karakter wordt ook aangetroffen bij de Benelux-Organisatie voor de Intellectuele Eigendom die gebaseerd is op het Benelux-Verdrag inzake de Intellectuele Eigendom (merken en tekeningen of modellen) van 25 februari 2005. Deze internationale organisatie heeft onder meer als organen het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom (BBIE)[42] en de Raad van Bestuur voor het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom. Het BBIE voert als officiële instantie voor de registratie van merken en modellen binnen de Benelux het verdrag uit. Die uitvoering wordt nader geregeld via het uitvoeringsreglement[43] dat wordt vastgesteld door de Raad van Bestuur voor het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom.[44] Het uitvoeringsreglement bevat ook extern werkende regels zoals voorschriften over hoe tot het depot van een merk of model kan worden overgegaan, hoe derden oppositie kunnen voeren of hoe rechten en vergoedingen in rekening worden gebracht. Het reglement hoeft niet door de Lidstaten te worden goedgekeurd en er kan evenmin een voorbehoud worden gemaakt.

Tot slot verdienen besluiten van de Veiligheidsraad[45] nog vermelding. Zulke resoluties zijn bindend want de Lidstaten van de VN hebben zich ertoe verplicht ze te aanvaarden en uit te voeren.[46] Dat de resoluties ook de vorm van wetgeving kunnen aannemen blijkt bijvoorbeeld bij het in Den Haag gevestigde Joegoslavië Tribunaal en het Rwanda Tribunaal dat zijn zetel heeft in Arusha. Het Joegoslavië Tribunaal[47] werd ingesteld via een resolutie uit 1993 waarin tevens het Statuut voor dit Tribunaal werd aanvaard.[48] Dat Statuut[49] geeft niet alleen procedurele voorschriften zoals met betrekking tot de inrichting en werkwijze van het Tribunaal maar omschrijft ook de misdrijven waarvoor vervolging kan plaatsvinden, legt het ‘ne bis in idem’ beginsel vast en verankert de rechten van de verdachte. Het Rwanda-Tribunaal[50]werd ingesteld via een resolutie uit 1994 waarbij tegelijkertijd via een Bijlage het Statuut van dit Tribunaal werd uitgevaardigd.[51] Ook dit Statuut geeft niet alleen procedurele voorschriften maar legt tevens onder meer de misdrijven, het ‘ne bis in idem’ beginsel en de rechten van de verdachte vast.
 

5.     Acht varianten van internationale rechtspraak

Wanneer de schijnwerpers worden gericht op internationale rechtspraak, dat wil zeggen, bindende geschilbeslechting door een onafhankelijke rechter, valt enerzijds op dat het Koninkrijk tamelijk zelden bevoegdheden heeft opgedragen, en anderzijds dat het om een bijzonder divers terrein gaat. Binnen het kleine rechtsgebied wordt een indrukwekkende variatie aan rechtsvormen aangetroffen. Het voert te ver alle varianten te bespreken. Hieronder komen er acht aan bod en duidelijkheidshalve onder de nummers 1-8.

De eerste en tevens oudste variant betreft (1) de beslechting van geschillen tussen Lidstaten zoals bedreven door het Internationaal Gerechtshof,[52] gevestigd in het Vredespaleis te Den Haag en ‘het voornaamste gerechtelijke orgaan van de Verenigde Naties’.[53] Dit Gerechtshof is de opvolger van het Permanente Hof van Internationale Justitie dat in 1922 als instantie van de Volkenbond in het Vredespaleis werd geïnstalleerd en in 1946 op dezelfde dag werd ontbonden als waarop het Gerechtshof voor het eerst bijeenkwam.[54] Het Gerechtshof kan uitsluitend geschillen beslechten wanneer beide staten de rechtsmacht hebben aanvaard. Een dergelijke aanvaarding kan bijvoorbeeld blijken uit de verklaring van een staat dat hij de rechtsmacht erkent bij ieder geschil dat aanhangig wordt gemaakt door een staat die dezelfde verklaring heeft afgelegd.[55] Maar staten kunnen ook via een overeenkomst besluiten dat het Gerechtshof bevoegd is om een bepaald geschil te beslechten. Zo’n overeenkomst wordt een ‘compromis’ genoemd.[56]Verder kan een gedaagde staat bijvoorbeeld een inhoudelijk verweer voeren zonder op te werpen dat bevoegdheid van het Internationaal Gerechtshof ontbreekt.[57] Elke Lidstaat van de VN is verplicht om in een zaak waarin hij partij is de beslissing van het Gerechtshof na te leven.[58]

Sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Zeerechtverdrag) in 1994 is er op mondiaal niveau naast het Internationaal Gerechtshof nog een tweede internationale rechter actief, het International Tribunal for the Law of the Sea (ITLOS).[59] Dit Internationaal Zeerechttribunaal is in Hamburg gevestigd en het beslecht uitsluitend geschillen over de interpretatie en toepassing van het Zeerechtverdrag. Het kan worden benaderd door Lidstaten.[60] Vereist is wel dat beide staten via een declaratie of via een speciale overeenkomst de rechtsmacht van het Zeerechttribunaal hebben erkend. Overigens is rechtspraak door het Zeerechttribunaal maar één van de vier manieren om een geschil te beslechten. Het conflict kan ook worden voorgelegd aan het Internationaal Gerechtshof en daarnaast zijn er nog twee vormen van arbitrage. Lidstaten maken bij de ondertekening of bekrachtiging van het Zeerechtverdrag of in een later stadium via een schriftelijke declaratie een keuze uit deze vier mogelijkheden.[61] Een uitspraak van het Zeerechttribunaal dient door alle partijen bij het geschil te worden nageleefd.[62] Twee opmerkelijke punten mogen niet onvermeld blijven. Ten eerste kunnen ook volkenrechtelijke organisaties toetreden tot het Zeerechtverdrag.[63] De EU heeft dat bijvoorbeeld gedaan.[64] Dergelijke volkenrechtelijke organisaties kunnen dus ook het Zeerechttribunaal benaderen.[65] Ten tweede is er bij het Zeerechttribunaal een speciale kamer die zich buigt over geschillen betreffende de zeebodem en waartoe ook staatsondernemingen en commerciële ondernemingen toegang hebben.[66] Uitspraken van deze kamer zijn binnen de Lidstaten op dezelfde manier afdwingbaar als uitspraken van hun hoogste nationale rechters.[67] Recent verwierf het Zeerechttribunaal hier te lande grote bekendheid toen het Koninkrijk in een geschil met Rusland in het gelijk werd gesteld. Het oordeelde op 22 november 2013 in kort geding dat Rusland het geënterde Greenpeace-schip Arctic Sunrise met inbegrip van de dertig bemanningsleden moest vrijlaten.[68]

Er zijn ook twee Europese rechters die bevoegd zijn tot het beslechten van geschillen, te weten, het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), dat gevestigd is te Straatsburg,[69]en het HvJ EU, dat zijn zetel heeft in Luxemburg.[70] Er is echter dit belangrijke verschil met het Internationaal Gerechtshof en het Internationaal Zeerechttribunaal dat de rechtsmacht van deze Europese rechters niet apart kan worden aanvaard. Aanvaarding ligt al besloten in de toetreding tot de volkenrechtelijke organisatie in kwestie. Door toe te treden tot de Raad van Europa[71]onderschrijft de Lidstaat de beginselen van de rechtsstaat alsmede het beginsel dat een ieder die zich binnen zijn rechtsmacht bevindt, de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden moet kunnen genieten.[72]De Lidstaat treedt dus tevens toe tot het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en sinds (het Elfde Protocol van) 1998 geldt dat daarmee ook automatisch de rechtsmacht van het EHRM wordt erkend.[73] De Lidstaat verbindt er zich toe zich te houden aan de einduitspraak van het EHRM in zaken waarin hij partij is.[74] Het EVRM opent de mogelijkheid dat een Lidstaat een vermeende schending van het EVRM door een andere Lidstaat bij het EHRM aanhangig maakt.[75] Ook bij de EU[76] geldt dat een Lidstaat door toetreding en dus ondertekening van het Verdrag betreffende de werking van de EU de rechtsmacht van het HvJ EU erkent. Dit verdrag opent de mogelijkheid dat een Lidstaat zich tot het HvJ EU wendt indien hij van mening is dat een andere Lidstaat de verplichtingen ingevolge de EU niet nakomt.[77] Daarnaast is het HvJ EU bevoegd om uitspraak te doen in alle geschillen tussen Lidstaten die verband houden met het recht van de EU indien die geschillen krachtens een compromis aan het HvJ EU worden voorgelegd.[78]Nu vormt de beslechting van interstatelijke geschillen allesbehalve de hoofdtaak van het EHRM en het HvJ EU. Dergelijke geschillen zijn eerder uitzondering dan regel. Het EHRM houdt zich vooral bezig met een andere variant van internationale rechtspraak en het HvJ EU buigt zich vooral over nog weer andere varianten. De aandacht gaat nu eerst uit naar het EHRM. Vervolgens wordt nader ingegaan op het HvJ EU.

Het EHRM, dat in 1959 werd geïnstalleerd, is de enige voor Nederland relevante internationale rechter die zich bezig houdt met (2) de beslechting van geschillen tussen particulieren en Lidstaten. Die geschillen hebben betrekking op de rechten die worden gegarandeerd door het EVRM uit 1950 en de Protocollen die er later aan zijn toegevoegd. Het gaat om rechten als het recht op leven, het folterverbod, het slavernijverbod, het recht op vrijheid, het recht op een eerlijk proces, het recht op privacy en gezinsleven, de vrijheid van godsdienst, de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vereniging en betoging, het recht om te huwen, het recht op eigendom, het recht op onderwijs, het recht op vrije en geheime verkiezingen en de bewegingsvrijheid. Dat zijn burgerrechten en politieke rechten die de Lidstaten eerst en vooral verplichten om zich van inmengingen te onthouden (negatieve verplichtingen). Het EHRM interpreteert de rechten echter dynamisch en het heeft in de loop der jaren een enorme hoeveelheid plichten geconstrueerd waarbij de Lidstaten ter bescherming van de rechten juist actief moeten optreden (positieve verplichtingen).[79] De jurisprudentie van het EHRM heeft grote delen van het Nederlandse recht ingrijpend beïnvloed. Die invloed gaat nog steeds door. Bovendien stimuleert het EHRM de rechters van de Lidstaten om ook zelf actief met de rechten aan de slag te gaan. Wie vindt dat een recht door een Lidstaat wordt geschonden en vergeefs de rechter van die Lidstaat heeft benaderd, kan bij het EHRM een klacht indienen. Het EHRM verwoordt het als volgt: ‘[I]ndividuals (…) enjoy at the international level a real right of action to assert the rights and freedoms to which they are directly entitled under the Convention.’[80] Het EVRM kent individuen op internationaal niveau direct rechten toe en verschaft hun tevens een internationaal rechtsmiddel om die rechten kracht bij te zetten. Aangezien het EVRM oorspronkelijk door een tiental West-Europese Staten werd gesloten en er inmiddels 47 Lidstaten zijn zodat het EVRM thans een gebied bestrijkt vanaf IJsland in het uiterste westen en de Beringstraat in het uiterste oosten en honderden miljoenen mensen de gelegenheid geeft om voor hun rechten op te komen, mag gerust worden gesproken van een weergaloze prestatie.

Bij het HvJ EU, dat in 1952 als Hof van Justitie van de EGKS werd opgericht, worden weer andere varianten van internationale rechtspraak aangetroffen dan bij het EHRM maar die zijn zeker niet minder uniek. Het vertrekpunt wordt gevormd door de geheel eigen structuur van de Europese integratie via de EU.[81]Die integratie nam in 1951 als reactie op de Tweede Wereldoorlog een aanvang doordat Frankrijk, de Bondsrepubliek Duitsland, Italië, België, Nederland en Luxemburg besloten de kolen- en staalindustrie onder een centraal gezag te plaatsen. Ze voerde tot steeds hechtere economische en politieke samenwerking. Door de introductie van de euro als gezamenlijke munteenheid in een deel van de Lidstaten werd er ook aan monetaire samenwerking gestalte gegeven. Het integratieproces schrijdt nog steeds voort. Thans telt de EU 28 Lidstaten terwijl bovendien een zevental staten als kandidaat-lidstaat staat geboekt. De EU is een bijzondere volkenrechtelijke organisatie en dat bijzondere karakter keert terug in de bevoegdheden tot rechtspraak die het HvJ EU zijn toebedeeld. Het HvJ EU is de enige voor Nederland relevante internationale rechter die geschillen beslecht waarbij instellingen van de volkenrechtelijke organisatie zelf, in dit geval dus de EU, zijn betrokken. Daarbij doen er zich drie varianten voor. Allereerst is er sprake van (3) de beslechting van geschillen tussen particulieren en de volkenrechtelijke organisatie. Iedereen kan beroep instellen tegen handelingen van de instellingen van de EU die tot hem zijn gericht of die hem rechtstreeks en individueel raken,[82] en bezwaren indienen wanneer die instellingen ten onrechte nalaten ten aanzien van hem een handeling te verrichten.[83] Overigens zal deze derde variant van internationale rechtspraak in de toekomst niet meer exclusief voorbehouden blijven aan de EU. In 2014 werd overeengekomen om het Benelux-Gerechtshof – waarover straks meer bij de bespreking van de zesde variant – tot de enige bevoegde instantie te maken voor beroepen tegen beslissingen van het BBIE, de instantie die, aldus paragraaf 4, binnen de Benelux de registratie van merken en modellen verzorgt.[84] De volgende twee varianten worden ook in de toekomst nog uitsluitend bij de EU aangetroffen. Bij de EU is er sprake van (4) de beslechting van geschillen tussen Lidstaten en de volkenrechtelijke organisatie. Zo kan de Europese Commissie een zaak aanspannen bij het HvJ EU wanneer ze vindt dat een lidstaat de verplichtingen ingevolge de EU niet nakomt.[85]Maar ook een Lidstaat kan zich tot het HvJ EU wenden, namelijk, wanneer hij de wettigheid van handelingen van instellingen van de EU wil aanvechten[86] of vindt dat die instellingen ten onrechte nalaten een besluit te nemen.[87] Tot slot is zelfs sprake van (5) de beslechting van geschillen tussen instellingen van de volkenrechtelijke organisatie. De instellingen van de EU kunnen de wettigheid van de handelingen van andere instellingen van de EU aanvechten[88]en kunnen het HvJ EU om een oordeel vragen wanneer ze vinden dat die andere instellingen ten onrechte nalaten een besluit te nemen.[89]

De beslechting van geschillen tussen Lidstaten en geschillen met of tussen instellingen van de EU vormt zeker niet de enige rechterlijke taak van het HvJ EU. Het houdt zich ook bezig met een variant van internationale rechtspraak waarvan het belang voor de Europese integratie immens is, te weten, (6) de uniforme uitleg van het recht van de volkenrechtelijke organisatie. Daartoe is er een speciale procedure ingesteld, de zogenaamde prejudiciële procedure.[90] Wanneer de rechter van een Lidstaat zich gesteld ziet voor een vraag van EU-recht waarop het antwoord niet op voorhand vast staat, kan hij de nationale procedure stilleggen om het HvJ EU te benaderen met een prejudiciële vraag. Heeft het HvJ EU uitsluitsel gegeven dan wordt de nationale procedure hervat. De hoogste nationale rechter is verplicht om deze weg te bewandelen, lagere nationale rechters niet. Via de prejudiciële procedure geeft het HvJ EU de nationale rechter instructies. Dat kunnen zeer ingrijpende instructies zijn. Zo dicteerde het HvJ EU in 1963-1964 in twee arresten dat het recht van de EU automatisch doorwerkt in het recht van de Lidstaten en bovendien nationaal recht opzijschuift. In paragraaf 10 wordt nader ingegaan op deze twee bekende arresten.

De zesde variant met die prejudiciële procedure is niet uniek voor de EU. Ze wordt ook gehanteerd door een andere volkenrechtelijke organisatie, de Benelux waaraan de regeringen van België, Nederland en Luxemburg al gedurende hun ballingschap in de Tweede Wereldoorlog werkten en die in 1958 definitief gestalte kreeg. Onderdeel van de Benelux is de Benelux-Organisatie voor de Intellectuele Eigendom (merken en tekeningen of modellen) die in paragraaf 4 aan de orde kwam.[91]Om de uniforme uitleg van de Benelux-regels veilig te stellen werd in 1974 het Benelux-Gerechtshof opgericht.[92]Dit Gerechtshof[93]kan door de Belgische, Nederlandse en Luxemburgse rechters worden benaderd via eenzelfde prejudiciële procedure als bij het HvJ EU.[94]

Een aparte variant is nog (7) de rechtspraak in arbeidsgeschillen. Dit houdt in dat ambtenaren of personeelsleden van de volkenrechtelijke organisatie zich voor rechtsbescherming tot de internationale rechter kunnen wenden. Deze variant wordt aangetroffen bij de EU waar de geschilbeslechting in handen is gelegd van het Gerecht voor ambtenarenzaken,[95]en bij de Benelux waar het Benelux-Gerechtshof als ambtenarenrechter optreedt.[96]

Voor de laatste variant van internationale rechtspraak, (8) de strafrechtspraak, wordt teruggekeerd naar het mondiale niveau. Het Internationaal Strafhof, gevestigd in Den Haag,[97] werd in 2003 geïnstalleerd. Het is een zelfstandige volkenrechtelijke organisatie die berust op het Statuut van het Internationaal Strafhof van 17 juli 1998 (Statuut van Rome) en die geen deel uitmaakt van het stelsel van de VN. De rechtsmacht van het Strafhof strekt zich uit over de Lidstaten die bij het Statuut van Rome zijn aangesloten, terwijl staten die geen Lidstaat zijn altijd nog de rechtsmacht in een concreet geval kunnen aanvaarden.[98] Voorts beperkt de rechtsmacht zich tot de meest ernstige misdrijven die de internationale gemeenschap in haar geheel aangaan zoals het misdrijf genocide, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven,[99] en is zij complementair aan die van de Lidstate[100] zodat alleen tot ontvankelijkheid wordt besloten indien de Lidstaat in kwestie zelf niet bereid of bij machte is om de zaak naar behoren af te handelen.[101] Het Strafhof is bevoegd om de rechtsmacht uit te oefenen op initiatief van de Veiligheidsraad van de VN, een Lidstaat of de Aanklager bij het Strafhof zelf.[102] Naast het Internationaal Strafhof zijn er nog het Joegoslavië Tribunaal en het Rwanda Tribunaal. Zij berechten ernstige schendingen van internationaal humanitair recht, bedreven in het voormalige Joegoslavië en in Rwanda. Paragraaf 4 leerde dat zij niet bij verdrag maar bij besluit van de Veiligheidsraad werden ingesteld. Voor zover het Koninkrijk hier al bevoegdheden tot rechtspraak zou opdragen, geschiedt dat via artikel 25 Handvest van de Verenigde Naties dat de Veiligheidsraad de bevoegdheid verleent om zulke besluiten te nemen. Dit betekent dat de bevoegdheid tot rechtspraak hier dus opgedragen wordt ‘krachtens’ een verdrag. Wel zijn er zetelverdragen gesloten om het Joegoslavië Tribunaal en (de kamer van beroep van) het Rwanda Tribunaal in Nederland te kunnen vestigen.[103]

Treedt de internationale rechter in eerste en enige aanleg op of is er nog de mogelijkheid van hoger beroep? Het beeld is sterk wisselend. Soms wordt hoger beroep uitgesloten, zoals bij het Internationaal Gerechtshof[104] of het Zeerechttribunaal,[105] en soms is er sprake van een ‘intern’ hoger beroep zoals bij het Internationaal Strafhof.[106] Bij het EHRM is bij een dergelijk ‘intern’ hoger beroep de Grote Kamer volledig vrij om de zaak wel of niet in behandeling te nemen.[107] Echte rechtspraak in twee instanties manifesteert zich uitsluitend bij de EU. Terwijl het HvJ EU oorspronkelijk direct werd benaderd, fungeert het tegenwoordig in nogal wat categorieën van beroepen als hogere voorziening. In eerste instantie wordt dan bij het Gerecht[108] beroep ingesteld.[109]
 

6.     Internationale toezichthoudende comités

Op diverse mensenrechtenverdragen wordt toezicht uitgeoefend door comités die zijn samengesteld uit deskundigen, en bij nogal wat van die comités kunnen zelfs klachten over vermeende schendingen worden ingediend. Vermeldenswaard zijn het Comité voor de Rechten van de Mens dat zich buigt over klachten die betrekking hebben op schendingen van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), het Europees Comité voor Sociale Rechten (ECSR) dat groepsklachten over schending van het Europees Sociaal Handvest (ESH) behandelt, en het CEDAW Comité dat een oordeel geeft over klachten die zien op schendingen van het Vrouwenverdrag.[110] Hier is geen sprake van rechtspraak want hun bevindingen zijn niet bindend. Dit wil echter ook weer niet zeggen dat er geen enkele juridische betekenis aan toekomt. Volgens de Raad van State zijn de bevindingen van het ECSR ‘gezaghebbend’.[111] De Centrale Raad van Beroep (CRvB) drukt zich naar aanleiding van een oordeel van het Comité voor de Rechten van de Mens nog specifieker uit. Hij merkt op dat de inzichten van zulke comités weliswaar ‘formeel gesproken niet bindend zijn’ maar ‘in het algemeen als een gezaghebbend oordeel aangemerkt moeten worden’ waarvan ‘nationale rechterlijke instanties slechts [kunnen] afwijken wanneer sprake is van zwaarwegende redenen die zulks kunnen rechtvaardigen.’[112] Daarom lijkt het niet juist om de oordeelsvorming door zulke instanties aan de orde te stellen in de paragraaf over bestuur. Op nationaal niveau wordt vergelijkbare rechtsbescherming verleend door bijvoorbeeld de Nationale ombudsman en artikel 1:1, tweede lid, aanhef en sub f, Algemene wet bestuursrecht bepaalt met zoveel woorden dat de Nationale ombudsman geen bestuursorgaan is. Bovendien is het verschil in bindend karakter tussen internationale rechtspraak en geschilbeslechting door internationale comités van deskundigen betrekkelijk. Dat wordt duidelijk wanneer het ECSR en het Internationaal Gerechtshof naast elkaar worden gezet. Een oordeel van het ECSR is juridisch dan wel niet bindend maar het kan via een resolutie van het Comité van Ministers van de Raad van Europa wel een zeker bindend karakter verwerven.[113] In 2010 kreeg het Koninkrijk met zo’n ‘bindende’ resolutie te maken toen het ECSR een jaar eerder tot een schending van het ESH had geconcludeerd omdat kinderen van uitgeprocedeerde asielzoekers op straat werden gezet.[114] Of het Comité van Ministers, bestaande uit de ministers van Buitenlandse Zaken van de Lidstaten van de Raad van Europa, een resolutie vaststelt met een onmiskenbare opdracht om de geconstateerde schending op te heffen is een kwestie van onderhandelen, een kwestie van politiek.[115] Recent werd dat nog eens duidelijk bij de kwestie van de minimale opvang van uitgeprocedeerde asielzoekers via de terbeschikkingstelling van bed, bad en brood. Het ECSR vond in 2014 dat het ESH werd geschonden wanneer die minimale opvang ontbrak, maar de resolutie die het Comité van Ministers vervolgens vaststelde muntte niet uit in helderheid.[116] Bij het Internationaal Gerechtshof bepaalt artikel 94, eerste lid, Handvest van de Verenigde Naties dat de uitspraak moet worden nageleefd. Als de staat in gebreke blijft, kan de Veiligheidsraad op grond van artikel 94, tweede lid, maatregelen nemen om de uitspraak te doen uitvoeren. Maar ingevolge artikel 27, derde lid, Handvest beschikken China, Frankrijk, Rusland, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten als permanente leden over een vetorecht zodat zij de effectuering van een tegen hen gericht vonnis kunnen blokkeren. Zo besliste het Internationaal Gerechtshof in 1986 in een rechtszaak tegen de Verenigde Staten in het voordeel van Nicaragua.[117] De Verenigde Staten weigerden het vonnis echter na te leven en Nicaragua benaderde twee keer vergeefs de Veiligheidsraad. Beide keren strooide een Amerikaans veto roet in het eten en bleek het bindende karakter van het vonnis betrekkelijk te zijn.[118]
 

7.     De incorporatietheorie

Dat het bindende karakter van beslissingen van internationale rechters betrekkelijk kan zijn nodigt uit tot de vraag of de Nederlandse rechter juridische consequenties kan verbinden aan beslissingen van internationale rechters. Kan een burger bij de Nederlandse rechter bijvoorbeeld naleving afdwingen of schadevergoeding vorderen? De toepassing van internationaal recht door de Nederlandse rechter wordt geregeld door de artikelen 93 en 94 Grondwet. Deze grondwetsbepalingen installeren een regime voor ‘een ieder verbindende bepalingen’ van internationale verdragen en besluiten en met ‘een ieder verbindend’ wordt bedoeld dat de bepalingen rechtstreeks werken, dat wil zeggen, voldoende nauwkeurig zijn geformuleerd om door de rechter te kunnen worden toegepast.[119] Zie hierover nader het commentaar op artikel 94 Grondwet. Het staat buiten kijf dat de Nederlandse rechter op grond van de artikelen 93 en 94 beslissingen van internationale rechters kan toepassen, maar hoe gaat het precies in zijn werk? De jurisprudentie geeft blijk van de zogenaamde ‘incorporatietheorie’ en aan die invalshoek zijn onmiskenbaar voordelen verbonden. De internationale oordeelsvorming staat dan niet op zichzelf maar maakt deel uit van de materiële verdragsbepaling waarop ze berust. Of de Nederlandse rechter binnen de nationale rechtsorde direct consequenties kan verbinden aan het internationale oordeel speelt dan uitsluitend bij de vraag of de verdragsbepaling in kwestie ‘een ieder verbindend’ is. Dit geeft de rechter de mogelijkheid om alle internationale oordeelsvorming probleemloos in de overwegingen te betrekken. Bij het EVRM dat over de gehele linie zonder meer als ‘een ieder verbindend’ wordt beschouwd, opent dat de mogelijkheid om ook consequenties te verbinden aan arresten die het EHRM tegen andere Lidstaten heeft gewezen. Zo komt de HR in 1996 expliciet terug van eerder gewezen jurisprudentie omdat kort daarvoor tegen het Verenigd Koninkrijk een arrest werd gewezen waaruit blijkt ‘dat uit het eerste lid van art. 10 EVRM voor een journalist in beginsel het recht voortvloeit zich te verschonen (…).’[120] Hier komt de incorporatietheorie duidelijk aan de oppervlakte. Ze spreekt echter evenzeer uit de omstandigheid dat de HR net als alle andere rechters volop jurisprudentie van het EHRM aanhaalt zonder er zich om te bekommeren tegen welke Lidstaat die gewezen werd. Deze incorporatietheorie heeft bovendien als voordeel dat moeiteloos kan worden ingegaan op de oordeelsvorming van internationale toezichthoudende comités, ook al ontberen zulke comités de bevoegdheden van internationale rechters. Zo concludeert de CRvB in 2006 onder verwijzing naar de inzichten van het Comité voor de Rechten van de Mens dat toeziet op de naleving van het IVBPR, dat artikel 26 IVBPR werd geschonden.[121] Nu wordt artikel 26 IVBPR door alle rechters als ‘een ieder verbindend’ beschouwd, maar ook wanneer de verdragsbepaling in kwestie niet als ‘een ieder verbindend’ valt aan te merken laat de incorporatietheorie het toe dat aandacht wordt besteed aan de bevindingen van het desbetreffende toezichthoudende comité. In 2012 wijst de HR er uitgebreid op dat Nederland volgens het oordeel van het ECSR uit 2009 het ESH schendt door kinderen van uitgeprocedeerde asielzoekers op straat te zetten.[122]In 2014 doet de CRvB hetzelfde met het oordeel van het ECSR uit 2014 dat uitgeprocedeerde asielzoekers minimale opvang moet worden geboden.[123]De vraag of er direct consequenties aan de oordeelsvorming kunnen worden verbonden, speelt immers pas bij de beoordeling of het ESH ‘een ieder verbindend’ is. Het ESH wordt niet als ‘een ieder verbindend’ beschouwd en daarom wikkelen de HR en de CRvB het geval vervolgens af onder het EVRM.[124]
 

8.     Drie categorieën internationale bestuurshandelingen

De internationale bestuurshandelingen zijn niet alleen talrijk maar ook uitermate divers en er kunnen daarom hooguit wat kenmerkende voorbeelden worden aangestipt. Om een willekeurige opsomming te vermijden wordt er een zekere categorisering aangebracht. Zo dient allereerst te worden gewezen op allerlei interne bestuurshandelingen zoals de benoeming van functionarissen en personeel of de vaststelling van een begroting.[125] De meeste aandacht gaat hier natuurlijk uit naar bestuursactiviteiten met externe effecten.

Bij die externe bestuurshandelingen kan een driedeling worden gemaakt. In de eerste plaats valt een categorie verrichtingen te onderscheiden die even goed op nationaal niveau zouden kunnen plaatsvinden. Ze zijn echter bij internationale organisaties ondergebracht. Daarbij gaat het vooral om handelingen jegens particulieren. In paragraaf 4 ging de aandacht al uit naar het BBIE, de Benelux-instantie die zorg draagt voor de registratie van merken en modellen binnen de Benelux. Voor meer informatie zij naar die paragraaf terugverwezen. Een ander voorbeeld wordt aangetroffen bij de mededingingsregels van de EU. Op grond van deze regels zijn diverse concurrentiebeperkende activiteiten verboden[126] en kan er via een verordening een handhavingssysteem met onder meer geldboeten in het leven worden geroepen.[127] Dat is gebeurd via Verordening 1/2003 die de Europese Commissie de bevoegdheid verleent om ondernemingen die inbreuken plegen een boete op te leggen. Hier manifesteert zich een internationale bestuurlijke sanctie met een duidelijk ‘punitief’ karakter.

Een tweede categorie bestaat uit bestuurshandelingen die gericht zijn tegen staten en daarom uitsluitend op internationaal niveau kunnen plaatsvinden, maar anderzijds sterk doen denken aan uiteenlopende handelingen door nationale bestuursorganen. Daarbij valt onder meer te denken aan bestuurlijk toezicht op de naleving van normen. Op internationaal niveau geldt er bijvoorbeeld bestuurlijk toezicht in het kader van ontwapeningsverdragen. Zo zijn de Lidstaten van de Organisation for the Prohibition of Chemical Weapons (OPCW),[128] de organisatie die werd ingesteld door het Chemische wapenverdrag met zijn algehele verbod op chemische wapens,[129] verplicht om opgave te doen van relevante activiteiten terwijl organen van de organisatie de verstrekte gegevens onderzoeken, om opheldering kunnen vragen en voorts inspecties kunnen uitvoeren.[130] Bij mensenrechtenverdragen is bestuurlijk toezicht eveneens zeer gebruikelijk. Op de Lidstaten rust dan de plicht om bij een internationaal comité dat is samengesteld uit onafhankelijke deskundigen, periodieke rapporten in te dienen over de mensenrechtensituatie in het land. De bevindingen en aanbevelingen van zulke comités zijn niet bindend. In het kader van de VN opereren aardig wat van dergelijke instanties zoals het Comité voor de rechten van de mens bij het IVBPR,[131] het Comité inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten bij het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESCR) ,[132] het CEDAW Comité bij het Vrouwenverdrag,[133] het Comité voor de rechten van kind bij het Kinderrechtenverdrag[134] of de Commissie voor de uitbanning van rassendiscriminatie bij het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie.[135] Op mondiaal niveau mag uiteraard niet voorbij worden gegaan aan de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) die in 1919 werd opgericht en sinds 1926 landenrapporten over de naleving van ILO-Verdragen laat beoordelen door het Comité van Deskundigen.[136]In het kader van de Raad van Europa valt te wijzen op het ECSR dat landenrapporten over het ESH beoordeelt.[137] Aparte vermelding verdient het Europees Comité inzake de voorkoming van folteringen en onmenselijke behandelingen dat toeziet op de naleving van het verbod van foltering en onmenselijke behandeling, verankerd in artikel 3 EVRM.[138] Dit Comité, dat in 1987 werd ingesteld via het Europees Verdrag ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, werkt niet aan de hand van rapportages, maar bezoekt plaatsen waar mensen van hun vrijheid zijn beroofd. De Lidstaten zijn verplicht om het Comité onbeperkte toegang te verlenen tot zulke plaatsen en het Comité is bevoegd om de gedetineerden te ondervragen zonder dat er getuigen aanwezig zijn.[139] Overigens liet paragraaf 6 zien dat het Comité voor de rechten van de mens, het CEDAW Comité en het ECSR eveneens klachten van particulieren en/of particuliere organisaties in behandeling kunnen nemen. Naast bestuurlijk toezicht op de naleving van internationale normen valt bij deze categorie van bestuurshandelingen natuurlijk ook te denken aan het instellen van bestuurlijke sancties wanneer normen worden overtreden. Dergelijke bestuurlijke maatregelen tegen staten zijn tamelijk zeldzaam en dragen vooral een ‘reparatoir’ karakter. In paragraaf 6 werd aandacht besteed aan de bevoegdheid van het Comité van Ministers van de Raad van Europa om via een resolutie een Lidstaat de opdracht te geven een einde te maken aan een door het ECSR geconstateerde schending van het ESH.[140] Tevens dient hier de taak te worden vermeld die dit Comité in het kader van het EVRM toekomt bij de tenuitvoerlegging van arresten van het EHRM.[141] Het Comité kan zo nodig met een meerderheid van twee derden een eventuele weigering om het arrest uit te voeren opnieuw voorleggen aan het EHRM, om zich, wanneer het EHRM oordeelt dat de veroordeelde Lidstaat inderdaad zijn plicht verzaakt, op nadere maatregelen te bezinnen.[142] Maakt een Lidstaat zich schuldig aan ernstige inbreuken op de plicht om de beginselen van de rechtsstaat en de fundamentele rechten en vrijheden van de mens te respecteren, dan kan het Comité die Lidstaat uiteindelijk zelfs het lidmaatschap van de Raad van Europa ontnemen.[143] Tot nu toe is overigens nog nooit een Lidstaat uit de Raad van Europa gestoten. Toen zich in 1969 bij een zitting van het Comité een meerderheid aftekende om Griekenland vanwege de kolonelsdictatuur te schorsen, kondigde de Griekse minister van Buitenlandse Zaken aan dat Griekenland zich al uit eigen beweging terugtrok en tevens het EVRM opzegde.[144] Op mondiaal niveau gaan de gedachten hier uit naar de Veiligheidsraad die op basis van artikel 25 Handvest van de Verenigde Naties tegen de wil van de betreffende staten in maatregelen kan treffen bij bedreigingen van de internationale vrede en veiligheid in de zin van artikel 39 Handvest. Zo veroordeelde de Veiligheidsraad in 1990 acuut de inval van Irak in Koeweit en eiste hij de onmiddellijke terugtrekking.[145] Even later stelde hij Irak een ultimatum.[146] Maar niet alleen bij conflicten tussen staten, ook bij gewapende conflicten en humanitaire rampen die voltrekken binnen zogenaamde ‘falende staten’,[147] kan de Veiligheidsraad tot maatregelen besluiten en daarbij kan hij, net als bij interstatelijke conflicten, zo nodig de VN-missie de bevoegdheid verlenen om geweld te gebruiken.[148] Een voorbeeld is de maatregel waartoe in 2000 werd besloten om de burgerbevolking van Sierra Leone te beschermen.[149]

Tot slot is er een derde categorie bestuurshandelingen waarvan in het nationale recht minder gemakkelijk overtuigende tegenhangers vallen aan te wijzen. Het gaat om vrij typisch volkenrechtelijke aangelegenheden. Zo tracht de Secretaris-Generaal van de VN vaak te bemiddelen bij ernstige conflicten binnen een staat en daartoe benoemt hij ervaren diplomaten of gezaghebbende oud-politici als Speciale Vertegenwoordiger.[150] Het Hoge Commissariaat voor Vluchtelingen (Unhcr)[151] dat in 1950 door de Algemene Vergadering van de VN werd opgericht, coördineert en leidt internationale acties om vluchtelingen te beschermen en oplossingen te zoeken voor vluchtelingencrises. Op Europees niveau wordt met het Verdrag inzake de bescherming en het gebruik van grensoverschrijdende waterlopen en internationale meren van 1992, kortweg aangeduid als het Verdrag van Helsinki, gestreefd naar de bestrijding van waterverontreiniging met grensoverschrijdende effecten. Het Verdrag stelt een kader vast voor een samenwerking tussen de Lidstaten die eerst en vooral bestaat uit het sluiten van onderlinge overeenkomsten en de oprichting van gezamenlijke commissies.[152] Verder stelt het Verdrag een orgaan in dat om de drie jaar bijeenkomt teneinde het beleid van de Lidstaten te toetsen en zorg te dragen voor de uitwisseling van informatie over de ervaringen met het sluiten van de overeenkomsten.[153] Het Maasverdrag van 2002 waarmee wordt gestreefd naar duurzaam en integraal waterbeheer in het internationale stroomgebied van de Maas, is zo’n overeenkomst. Het stelt de Internationale Maascommissie[154] in die de Lidstaten onder meer aanbevelingen geeft ter voorkoming en bestrijding van calamiteuze waterverontreiniging.[155] Ter afronding nog het Scheldeverdrag dat net als het Maasverdrag op 3 december 2002 te Gent werd gesloten. Het stelt de Internationale Scheldecommissie[156] in.[157]
 

9.     Samenhang met het besluitbegrip in de artikelen 93 en 94 Grondwet

In deze paragraaf wordt ingegaan op de uitdrukking ‘besluiten van volkenrechtelijke organisaties’ die wordt aangetroffen in de artikelen 93 en 94 Grondwet. Een verkeerde uitleg van dat begrip ‘besluit’ kan ook bij artikel 92 tot misverstanden leiden. Er bestaat immers een nauw verband met de ‘bevoegdheden’ van artikel 92: de uitoefening van zulke ‘bevoegdheden’ resulteert in de totstandkoming van zulke ‘besluiten’.[158] Ligt in de omstandigheid dat de artikelen 93 en 94 een regime installeren voor ‘een ieder verbindende bepalingen’ van zulke ‘besluiten’ echter niet besloten dat die ‘besluiten’ juridisch bindend moeten zijn? Zo ja, dan strekt artikel 92 zich bij nader inzien toch niet uit over internationale bevoegdheden om aanbevelingen te doen en dat zou onbevredigend zijn; niet alleen omdat het, zoals de voorbije paragrafen lieten zien, een aanzienlijk deel van het internationale recht betreft, maar ook omdat internationale aanbevelingen wel degelijk van groot gewicht kunnen zijn. Zij kunnen bijvoorbeeld voorafgaan aan beslissingen die wel juridisch binden. Een goed voorbeeld is de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) die in 1948 tot stand kwam via een resolutie van de Algemene Vergadering van de VN. De UVRM is niet bindend want ingevolge artikel 10 van het Handvest van de Verenigde Naties dragen resoluties van de Algemene Vergadering slechts het karakter van aanbevelingen. In 1966 werd de UVRM echter uitgewerkt via twee verdragen, het IVBPR en het IVESCR. Een ander voorbeeld is de oordeelsvorming van het ECSR wanneer het zich buigt over groepsklachten die betrekking hebben op een schending van het ESH. Paragraaf 6 leerde dat die oordeelsvorming zelf  juridisch niet bindend is, maar dat ze wel kan worden gevolgd door een resolutie van het Comité van Ministers van de Raad van Europa met een duidelijke opdracht om de door het ECSR geconstateerde schending op te heffen. Het Koninkrijk bleek dat in de jaren 2009-2010 te zijn overkomen omdat het kinderen van uitgeprocedeerde asielzoekers op straat zette.[159] Ook is mogelijk dat de Nederlandse rechter zich achter het ECSR schaart. Dat overkwam het Koninkrijk bijvoorbeeld in 2014 omdat uitgeprocedeerde asielzoekers een minimale opvang via bed, bad en brood werd onthouden.[160]

Kortom, hoe legt de nationale rechter het begrip ‘besluit’ in de artikelen 93 en 94 Grondwet precies uit? Hoe zit het bijvoorbeeld met de UVRM? In 1984 heeft de HR geoordeeld dat de UVRM niet kon worden aangemerkt als ‘een besluit als bedoeld in [artikel 93] Grondwet’ want de UVRM berustte niet op een ‘bevoegdheid om voor Nederland bindende besluiten te nemen (…).’[161] De HR drukt zich hier niet erg helder uit. Wat verstaat hij onder ‘een besluit als bedoeld in [artikel 93] Grondwet’? Gaat het om besluiten, ongeacht of die ‘een ieder verbindende’ bepalingen bevatten, of gaat het uitsluitend om ‘een ieder verbindende’ besluiten? Gelukkig kiest de voormalige Afdeling rechtspraak van de Raad van State haar woorden zorgvuldiger. In 1994 heeft ze opgemerkt dat de ingeroepen artikelen uit de UVRM ‘niet kunnen worden aangemerkt als een ieder verbindende bepaling als bedoeld in art. 94 Gr.w.’[162] Dezelfde lijn wordt gehanteerd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State[163] en de CRvB.[164] Deze jurisprudentie omtrent de UVRM is in overeenstemming met het standpunt van de regering bij de algehele grondwetsherziening van 1983. In haar visie zijn volkenrechtelijke beslissingen zonder bindend karakter zoals resoluties van de Algemene Vergadering van de VN weliswaar ‘besluiten’ zoals vermeld in artikel 93 Grondwet maar kunnen zij vanwege het ontbreken van juridische binding nimmer ‘een ieder verbindend’ zijn.[165] Dat ‘besluiten’ niet bindend hoeven te zijn treedt ook naar voren bij de bekendmakingsproblematiek van artikel 95 Grondwet. In het kader van de voorganger van de huidige Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, de Rijkswet bekendmaking internationale overeenkomsten en besluiten van volkenrechtelijke organisaties van 22 juni 1961, werd, omdat het niet de bedoeling was om alle besluiten in het Tractatenblad te publiceren, uitgebreid aandacht besteed aan de vraag welke besluiten dan wel voor publicatie in aanmerking kwamen. Naast besluiten die verbindend zijn, werden bijvoorbeeld ook genoemd besluiten die een plechtige verklaring van een algemeen karakter vaststellen.[166]
 

10.  Internationale en nationale bevoegdheden

Na kennisneming van al die variaties van internationale bevoegdheden rest de vraag wat er eigenlijk precies gebeurt wanneer aan een volkenrechtelijke organisatie bevoegdheden worden opgedragen. Om het antwoord te vinden moet worden bedacht dat bij artikel 92 Grondwet het vertrekpunt wordt gevormd door een internationaal belang, te weten, het belang dat is gemoeid met de uitvoering van het verdrag. Die uitvoering wordt, in ieder geval deels, in handen gelegd van een internationale instantie en die instantie wordt toegerust met de internationale bevoegdheden die nodig zijn om zich van die taak te kwijten. Daarbij worden er nieuwe internationale bevoegdheden toegekend. Als er een parallel wordt aangehouden met leerstukken van het Nederlandse staats- en bestuursrecht op het vlak van de competentieverlening, gaat het om ‘attributie’.[167] Het gaat niet om ‘delegatie’.[168] Er worden geen bestaande nationale bevoegdheden overgeheveld, laat staan, nationale bevoegdheden die binnen de nationale rechtsorde worden uitgeoefend. Voordat het verdrag werd gesloten kon uitvoering van het verdrag immers niet aan de orde zijn. Nationale bevoegdheden met voldoende reikwijdte om het verdrag te bestrijken ontbraken. Maar ook na sluiting van het verdrag ontbreken nationale bevoegdheden met voldoende reikwijdte. Een willekeurig voorbeeld in de sfeer van wetgeving maakt dit duidelijk. Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie verklaart dat de EU exclusief bevoegd is op het gebied van ‘de vaststelling van mededingingsregels die voor de werking van de interne markt nodig zijn’. Er is nooit sprake geweest van enige nationale bevoegdheid tot vaststelling van mededingingsregels voor alle Lidstaten van de EU. Ook nadat artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, tot stand is gebracht ontbreekt iedere nationale bevoegdheid tot wetgeving op dat vlak. Ze kan gewoonweg niet bestaan. Nationale bevoegdheden schieten per definitie tekort. Voorbeelden in de sfeer van rechtspraak bevestigen dat. Zo kan de nationale rechter met zijn nationale bevoegdheden onmogelijk bewerkstelligen dat het recht van de EU uniform wordt uitgelegd en toegepast in alle 28 Lidstaten van de EU. Hetzelfde geldt voor de uniforme uitleg en toepassing van het EVRM in alle 47 Lidstaten van de Raad van Europa. Artikel 267 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 32 EVRM creëren op dit terrein dan ook speciale internationale bevoegdheden die worden toebedeeld aan het HvJ EU respectievelijk het EHRM.

Van de andere kant gebeurt het dat de internationale bevoegdheden die aan de internationale instantie worden toegekend, qua materie overlappingen vertonen met reeds bestaande nationale bevoegdheden. Ook in dergelijke gevallen geldt echter dat aan de internationale instantie louter nieuwe internationale bevoegdheden worden toebedeeld. De bestaande nationale bevoegdheden worden niet overgedragen. Zou er wel sprake zijn van overdracht dan zouden de nationale instanties hun bevoegdheden kwijtraken. Dan zou voortaan iedere nationale handeling op het betreffende terrein onbevoegd geschieden en dus rechtsongeldig zijn. Dat is niet het geval. De nationale bevoegdheidsuitoefening is niet automatisch verboden of ongeoorloofd. Wel geldt dat de nationale bevoegdheidsuitoefening niet in strijd mag komen met de bevoegdheidsuitoefening op internationaal niveau.[169] In voorkomende gevallen kan de nationale rechter op grond van artikel 94 Grondwet nationale wettelijke voorschriften die onverenigbaar zijn met ‘een ieder verbindende bepalingen’ van een besluit van de volkenrechtelijke organisatie buiten toepassing laten. Dat de nationale bevoegdheden behouden blijven, brengt met zich mee dat er, voor zover de internationale bevoegdheidsuitoefening niet als uitputtend wordt aangemerkt, ruimte is voor een zelfstandige nationale aanvulling. Het internationale regime kan dan nationaal nog worden aangescherpt. Zo laat het EVRM er via het leerstuk van de ‘margin of appreciation’ en via doctrines op basis van artikel 53 geen twijfel over bestaan dat aan de rechten in het EVRM meer bescherming mag worden geboden dan wordt voorgeschreven door de jurisprudentie van het EHRM.[170] Het recht van de EU geeft voorbeelden van situaties waarin de internationale bevoegdheidsuitoefening als uitputtend wordt aangemerkt. Artikel 2, eerste lid, en artikel 3 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bepalen op welke gebieden exclusieve bevoegdheden van de EU gelden zodat er geen ruimte is voor enige zelfstandige bevoegdheidsuitoefening door de Lidstaten. Artikel 2, tweede lid, en artikel 4 geven vervolgens aan wanneer sprake is van gedeelde bevoegdheden zodat de Lidstaten hun bevoegdheden kunnen uitoefenen voor zover de EU haar bevoegdheid niet uitoefent.

Ook aan het leerstuk van de doorwerking van het internationale recht valt een indicatie te ontlenen dat er geen bestaande nationale bevoegdheden worden overgedragen. Zou er wel sprake zijn van een dergelijke overdracht dan ligt het voor de hand om aan te nemen dat de internationale instantie de bevoegdheden in beginsel binnen de nationale rechtsorde uitoefent. De voorheen bevoegde nationale instanties deden dat per slot van rekening ook. Het regime van doorwerking zoals besloten in het monistische stelsel en de artikelen 93 en 94 Grondwet zou dan bij besluiten van de volkenrechtelijke organisatie niet nodig zijn. De tekst van de artikelen 93 en 94 Grondwet geeft aan dat deze invalshoek niet door de grondwetgever wordt gehanteerd. De artikelen maken apart gewag van ‘besluiten van volkenrechtelijke organisaties’. Hoewel de doorwerking van het recht van de EU zich, naar algemeen wordt aangenomen en ook in de visie van de Nederlandse rechter, los van het nationale monistische stelsel en los van de artikelen 93 en 94 Grondwet voltrekt,[171] geldt daarvoor iets soortgelijks. Naast de toekenning van bevoegdheden aan de instellingen van de EU moest aan de doorwerking van het recht van de EU nog apart gestalte worden gegeven. Dat gebeurde in de bekende arresten Van Gend en Loos[172] en Costa/ENEL[173] waarin het HvJ EU op eigen gezag de stelling poneerde dat er via het E.E.G.-Verdrag een ‘nieuwe rechtsorde’ respectievelijk ‘eigen rechtsorde’ in het leven was geroepen waarvan het recht automatisch doorwerkt in de nationale rechtsorde van de Lidstaten en ook voorrang heeft op het nationale recht.[174] Bij het sluiten van dat verdrag stond de Lidstaten een zo radicale ingreep in hun constitutionele stelsels niet voor ogen.[175] Het HvJ EU worstelde merkbaar met de rechtvaardiging voor deze automatische doorwerking. In het arrest Van Gend en Loos wees het hiertoe weliswaar op ‘het in het leven roepen van organen, bekleed met soevereine rechten welker uitoefening zowel de Lid-Staten als hun burgers raakt’, maar daarnaast voerde het nog andere argumenten op. Ook in het arrest Costa/ENEL vroeg het HvJ EU aandacht voor die ‘eigen organen’ en voor uiteenlopende bevoegdheden, maar wederom volstond dat niet om de automatische doorwerking sluitend te beargumenteren. Ook al is EU de enige volkenrechtelijke organisatie waaraan bevoegdheden zijn opgedragen tot zowel wetgeving als bestuur als rechtspraak,[176] dus de enige volkenrechtelijke organisatie die de beschikking heeft gekregen over de volledige trias politica, er zijn duidelijk meer argumenten nodig dan de opdracht van die bevoegdheden.[177] In de twee arresten beriep het HvJ EU zich tegelijkertijd in sterke mate op ‘het oogmerk’ respectievelijk ‘de doelstellingen’ van het E.E.G.-Verdrag. In de visie van het HvJ EU werden bij het sluiten van het E.E.G.-Verdrag aan de instellingen van de EU geen bestaande nationale bevoegdheden overgedragen. In het arrest Costa/ENEL sprak het HvJ EU zich bijzonder helder uit in de overweging dat ‘de Lid-Staten de rechten en plichten die uit de Verdragsbepalingen voortvloeien aan de rechtsorde van de Gemeenschap hebben overgedragen’. In geen van beide arresten verkondigde het HvJ EU dat de Lidstaten (een deel van) hun soevereiniteit hebben overgedragen. Wel beweerde het in beide arresten dat de Lidstaten hun soevereiniteit ‘hebben begrensd’. Kortom, wanneer aan een volkenrechtelijke organisatie bevoegdheden tot wetgeving, bestuur of rechtspraak worden opgedragen, betreft het nimmer bestaande nationale bevoegdheden. Zulke bestaande bevoegdheden worden hooguit begrensd.
 

11.  Artikel 92 en het volkenrecht

Artikel 92 opent de mogelijkheid om bij of krachtens verdrag bevoegdheden op te dragen aan volkenrechtelijke organisaties. Naar de letter sluit dat niet uit dat zulke organisaties langs andere weg bevoegdheden verwerven maar natuurlijk ligt dat uitgangspunt er wel in besloten. Artikel 92 moet conform het internationale recht worden gelezen en in het internationale recht geldt dat volkenrechtelijke organisaties uitsluitend over die bevoegdheden beschikken die hun door de Lidstaten worden toebedeeld.[178] Dit wordt wel het ‘attributiebeginsel’ genoemd.[179] Het Internationaal Gerechtshof spreekt van het ‘principle of speciality’.[180] Ook in het recht van de EU is het beginsel prominent aanwezig. Artikel 5, eerste en tweede lid, Verdrag betreffende de Europese Unie gebruikt de woorden ‘het beginsel van bevoegdheidstoedeling’ terwijl in de literatuur in dit verband ook uitdrukkingen opduiken als ‘het beginsel van attributie van bevoegdheid’.[181] Dit internationaalrechtelijke grondbeginsel dat te vergelijken valt met het nationale legaliteitsbeginsel, moet voorkomen dat volkenrechtelijke organisaties zich zo maar allerlei bevoegdheden toe-eigenen. Er dienen echter twee kanttekeningen te worden geplaatst. Ten eerste staat het niet in de weg aan de leer van de ‘implied powers’.[182] Volkenrechtelijke organisaties mogen eveneens gebruik maken van bevoegdheden die dan misschien niet uitdrukkelijk werden verleend, maar wel onmisbaar zijn om behoorlijk te kunnen functioneren. Deze doctrine wordt algemeen aangehangen, niet alleen door het Internationaal Gerechtshof[183] maar ook door bijvoorbeeld het HvJ EU.[184] Ten tweede geldt in het internationale recht als regel dat een orgaan van een volkenrechtelijke organisatie in beginsel de eigen bevoegdheden interpreteert.[185]Het Internationaal Gerechtshof is daar duidelijk over.[186] De regel blijkt echter ook uit verdragsbepalingen als artikel 32 EVRM, dat het EHRM in het eerste lid rechtsmacht verleent inzake alle kwesties met betrekking tot de interpretatie en toepassing van het EVRM, en in het tweede lid het EHRM bevoegd verklaart om de knoop door te hakken bij een meningsverschil met betrekking tot de vraag of het EHRM rechtsmacht heeft.

Het EHRM schroomt niet om, wanneer het belang van een effectieve mensenrechtenbescherming dat naar zijn mening vereist, gebruik te maken van de manoeuvreerruimte die artikel 32 EVRM biedt. Niet alleen tuigt het, zoals in paragraaf 5 al werd aangestipt, de rechten van het EVRM op met allerlei positieve verplichtingen, het past zo nodig ook het Straatsburgse toezichtsmechanisme aan de eisen van de tijd aan door bijvoorbeeld het standpunt in te nemen dat opgelegde voorlopige maatregelen op straffe van schending van het EVRM in acht moeten worden genomen.[187] Onvermijdelijk wekt deze voortvarendheid soms wrevel bij politici in de Lidstaten. In de Tweede Kamer geeft de VVD-fractie al gedurende enkele jaren uiting aan een gevoel van onbehagen. Op 7 april 2011 maakten Blok en Dijkhoff in de Volkskrant de rechters van het EHRM uit voor ‘politici in toga’ die onvoldoende respect opbrachten voor democratisch tot stand gekomen wetgeving, en voerden zij een pleidooi om het EHRM aan banden te leggen.[188] Vier jaar later, op 11 maart 2015, hamerde Taverne gedurende een debat in de Tweede Kamer nog steeds op hetzelfde aambeeld.[189] Maar is dat gemopper van politici niet juist een goed teken? Doet het EHRM, gelet op de taken en bevoegdheden die het EVRM verstrekt, niet precies wat het geacht wordt te doen? Kan een EHRM dat bij politiek gevoelige kwesties steeds dezelfde standpunten inneemt als de politieke organen van de Lidstaten, niet net zo goed worden afgeschaft? Ook wanneer uitspraken stof doen opwaaien blijft het EHRM volledig binnen de bevoegdheden waarmee het door de Lidstaten werd bekleed.
Voordat erover wordt geklaagd dat een volkenrechtelijke organisatie die de Lidstaten tegen hun wil via wetgeving, rechtspraak of bestuur kan binden, haar bevoegdheden te buiten gaat, verdient het aanbeveling eerst goed na te denken over welke taken en bevoegdheden er precies in het leven werden geroepen en waarom. Waarschijnlijk boet bij nadere bezinning de stelling dat de bevoegdheden te buiten worden gegaan, aan kracht in. Van een bevoegdheidsoverschrijding en dus een aantasting van artikel 92 Grondwet is minder snel sprake dan politici graag (doen) geloven. Zo een bevoegdheidsoverschrijding zich al mocht voordoen, verzet artikel 27 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht zich er trouwens tegen dat het Koninkrijk artikel 92 Grondwet in stelling brengt. Ingevolge artikel 27 mag een Lidstaat zich niet op zijn nationale recht beroepen om het niet ten uitvoer leggen van een verdrag te rechtvaardigen. Dit voorschrift is mede door het Koninkrijk zelf in het leven geroepen en het is een cruciaal voorschrift ter bescherming van de internationale rechtsorde en alle belangen die met de internationale rechtsorde worden gediend, met inbegrip van internationale vrede en veiligheid en universele verwezenlijking van de rechten van de mens. Zie hierover paragraaf 4 van het commentaar op artikel 90 Grondwet. Wie dat zoet goed voor ogen houdt, neemt in een voorkomend geval het zuur gemakkelijker voor lief.
 

12.  Jurisprudentie

HR 10 juni 1919, NJ 1919, p. 647, W. 10429
HR 25 mei 1906, W. 8383
ARRvS 10 oktober 1978, AA 79, 477 (Antenneverbod Leerdam)
HvJ EU 26 februari 1986, zaak 152/84 (Marshall)
HvJ EU 19 januari 2010, zaak C-555/07 (Seda Kücückdevici/Swedex GmbH & Co. KG, n.n.g.)
Zeerechttribunaal 22 november 2013, zaak nr. 22, the Arctic Sunrise case (Kingdom of the Netherlands v. Russian Federation), Provisional Measures
EHRM 4 februari 2005, 46827/99 (Mamatkulov and Askarov v. Turkey)
CEDAW Comité 17 februari 2014, 36/2012 (De Blok et al. v. the Netherlands), CEDAW/C/57/D/36/2012
CRvB 21 juli 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY5560
ECSR 27 oktober 2009, 47/2008 (DCI v. the Netherlands), NTM/NJCM-Bull. 2010, p. 205-219 m.nt. Antoine Buyse
ECSR 1 juli 2014, 90/2013 (CEC v. the Netherlands)
ECSR 2 juli 2014, 86/2012 (FEANTSA v. the Netherlands)
Internationaal Gerechtshof, Military and Paramilitary Activities in and against Nicaragua (Nicaragua v. United States), Merits, ICJ Rep. 1986, p. 14
HR 1 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3044 (Artikel 11 Vrouwenverdrag)
HR 10 mei 1996, NJ 1996, 578
EHRM 27 maart 1996, 17488/90 (Goodwin v. the United Kingdom)
HR 21 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5328
CRvB 17 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4178
HR 7 november 1984, NJ 1985, 247
HR 23 november 1984, NJ 1985, 604
ARRvS 31 augustus 1993, AB 1994, 15
ABRvS 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:202
CRvB 22 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:362
HR 2 november 2004, NJ 2005, 80
HvJ EU 5 februari 1963, zaak 26-62, Jur. 1963, p. 8, AA 1963/1964, 12
HVJ EU 15 juli 1964, zaak 6/64, Jur. 1964, p. 1199, AA 1964/1965, p. 155
Internationaal Gerechtshof, Legality of the Use by a State of Nuclear Weapons in Armed Conflict, Advisory Opinion, ICJ Rep. 1996, p. 66
Internationaal Gerechtshof, Reparation for Injuries suffered in the Service of the United Nations, Advisory Opinion, ICJ Rep. 1949, p. 174
HvJ EU 31 maart 1971, zaak 22/70 (AETR), Jur. 1971, p. 263
 

13.   Literatuur

- A.D. Belinfante/J.L. de Reede, Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Kluwer: Deventer 2012
Niels Blokker, Recht van internationale organisaties (hoofdstuk 13), in: Nathalie Horbach, René Lefeber en Olivier Ribbelink, Handboek internationaal recht, T.M.C. Asser Press 2007, p. 437-468
- M.G. Boekhorst, Artikel 92, in: Akkermans/Koekkoek, De Grondwet, p. 855-862
- M.G. Boekhorst, Artikel 93, in: Akkermans/Koekkoek, De Grondwet, p. 863-872
- M.G. Boekhorst, Artikel 95, in: Akkermans/Koekkoek, De Grondwet, p. 888-892
- Marc Bossuyt en Jan Wouters, Grondlijnen van het internationaal recht, Antwerpen-Oxford 2005
- Dennis Broeders, Speelruimte voor transparante rechtspraak, Amsterdam University Press 2014
- J.G. Brouwer, ‘Maastricht’ niet in strijd met de Grondwet, NRC Handelsblad, 15 juni 1992
- Brownlie’s Principles of Public International Law, Oxford University Press 2012
- Robin R. Churchill and Urfan Khaliq, The Collective Complaints of the European Social Charter: An Effective Mechanism for Ensuring Compliance with Economic and Social Rights?, EJIL (2004), Vol. 15 No. 3, p. 417-456
- Guido den Dekker en Eric Myjer, Wapenbeheersingsrecht (hoofdstuk 17), in: Nathalie Horbach, René Lefeber en Olivier Ribbelink, Handboek internationaal recht, T.M.C. Asser Press 2007, p. 591-626
- Arthur Eyffinger en Pieter Kooijmans, Vreedzame geschillenbeslechting (hoofdstuk 11), in: Nathalie Horbach, René Lefeber en Olivier Ribbelink, Handboek internationaal recht, T.M.C. Asser Press 2007, p. 347-384
- J.W.A. Fleuren, Een ieder verbindende bepalingen van verdragen, Den Haag 2004
- Willem van Genugten, Fred Grünfeld en Dick Leurdijk, Internationale rechtshandhaving (hoofdstuk 12), in: Nathalie Horbach, René Lefeber en Olivier Ribbelink, Handboek internationaal recht, T.M.C. Asser Press 2007, p. 385-436
- T. de Goede, De mensenrechten in het Nederlandse buitenlandse beleid ten aanzien van Spanje, Portugal en Griekenland, 1945-1975, in: M. Kuitenbrouwer en M. Leenders (ed.), Geschiedenis van de mensenrechten, bouwstenen voor een interdisciplinaire benadering, Hilversum 2000, p. 227-258
- A.W. Heringa, De verdragen van Maastricht in strijd met de Grondwet, NJB 1992, p. 750-751
- Jens Hinricher, The Law-Making of the International Telecommunication Union (ITU) – Providing a New Source of International Law?, Zeitschrift für ausländisches öffentliches Recht und Völkerrecht 2004, p. 489-501
- C.J.A.M. Kortmann, Constitutioneel recht, Deventer 2012
- Koen Lenaerts en Piet van Nuffel, Europees recht, Antwerpen-Cambridge 2011
- André Nollkaemper, Kern van het internationaal publiekrecht, Den Haag 2014
- Alex Oude Elferink en Alfred Soons, Recht van de Zee (Hoofdstuk 20), in: Nathalie Horbach, René Lefeber en Olivier Ribbelink, Handboek internationaal recht, T.M.C. Asser Press 2007, p. 713-767
- Van der Pot, Handboek van het Nederlandse staatsrecht, bewerkt door D.J. Elzinga, R. de Lange en H.G. Hoogers, Deventer 2014
- F.M.C. Vlemminx, De januskop van Nederland en de convergentie van mensenrechten onder het EVRM, NJB 2008, p. 1572-1578
- F.M.C. Vlemminx, Het inlezen van economische, sociale en culturele rechten in het EVRM door het EHRM, NTM/NJCM-Bull. 2010, p. 813-826
- F.M.C. Vlemminx, Het moderne EVRM, Den Haag 2013
- H. de Waele en I. Kieft, De doorwerking van richtlijnen en algemene beginselen van EU-recht, De stand van zaken na het arrest Kücückdevici, NtER 2010, p. 170-178
- Jan Wouters, Bronnen van het internationaal recht (hoofdstuk 4), in: Nathalie Horbach, René Lefeber en Olivier Ribbelink, Handboek internationaal recht, T.M.C. Asser Press 2007, p. 81-122
 

14. Historische versies

Art. 67, eerste lid, Gw. 1953: Aan volkenrechtelijke organisaties kunnen bij of krachtens een overeenkomst bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak worden opgedragen.
Art. 67, eerste lid, Gw. 1956: Met inachtneming, zo nodig, van het bepaalde in art. 63, kunnen bij of krachtens overeenkomst aan volkenrechtelijke organisaties bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak worden opgedragen.
  

Noten

  1. Bijl. Hand. II 1951/52, 2 374, nr. 5, p. 8. De regering gaf onder meer als voorbeeld de Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR). Zie over de CCR paragraaf 3 van dit commentaar.
  2. Bijl. Hand. II 1951/52, 2 374, nr. 3, p. 8.
  3. Kamerstukken II 1977/78, 15 049 (R 1100), nr. 3, p. 9.
  4. Kamerstukken II 1977/78, 15 049 (R 1100), nr. 6, p. 12.
  5. Kamerstukken II 1977/78, 15 049 (R 1100), nr. 6, p. 12.
  6. Bijl. Hand. II 1951/52, 2 374, nr. 9, p. 26.
  7. Kamerstukken II, 1979/80, 15 049 (R 1100), nr. 7, p. 15.
  8. Kamerstukken II 1983/84, 17 980, A, resp. nr. 9, p. 5.
  9. Kamerstukken II 1977/78, 15 049 (R 1100), nr. 3, p. 10.
  10. Kamerstukken II, 1979/80, 15 049 (R 1100), nr. 7, p. 14
  11. A.W. Heringa, De verdragen van Maastricht in strijd met de Grondwet, NJB 1992, p. 750-751; J.G. Brouwer, ‘Maastricht’ niet in strijd met de Grondwet, NRC Handelsblad, 15 juni 1992.
  12. http://www.statengeneraaldigitaal.nl/themas/thema?document=europa
  13. M.G. Boekhorst, Artikel 92, in: Akkermans/Koekkoek, De Grondwet, p. 858; Bijl. Hand. II 1951/52, 2 374, nr. 10, p. 32.
  14. M.G. Boekhorst, Artikel 93, in: Akkermans/Koekkoek, De Grondwet, p. 870.
  15. Zie F.M.C. Vlemminx en A.C.M. Meuwese, Commentaar op artikel 93 van de Grondwet.
  16. Zie bijvoorbeeld artikel 30 Handvest van de Verenigde Naties voor het huishoudelijk reglement van de Veiligheidsraad of artikel 1.9, derde lid, Benelux-Verdrag inzake de Intellectuele Eigendom (merken en tekeningen of modellen) voor het huishoudelijk reglement van het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom (BBIE).
  17. Jan Wouters, Bronnen van het internationaal recht (hoofdstuk 4), in: Nathalie Horbach, René Lefeber en Olivier Ribbelink, Handboek internationaal recht, T.M.C. Asser Press 2007, p. 114 alsmede Niels Blokker, Recht van internationale organisaties (hoofdstuk 13), in: Handboek internationaal recht, p. 464.
  18. www.ccr-zkr.org
  19. Artikel 46 Akte van Mannheim.
  20. www.who.int
  21. Artikel 21 Statuut van de Wereldgezondheidsorganisatie.
  22. Artikel 22 Statuut van de Wereldgezondheidsorganisatie.
  23. Voordat in 1963 in artikel 99 Wet op de rechterlijke organisatie de cassatiegrond ‘strijd met de wet’ werd vervangen door ‘strijd met het recht’, was dat voor de HR de enige optie. De term ‘wet’ in artikel 99 werd opgevat als ‘wet in materiële zin’, dus als algemeen verbindend voorschrift. Zie bijvoorbeeld HR 10 juni 1919, NJ 1919, p. 647, W. 10429. In HR 25 mei 1906, W. 8383 sprak de HR zelfs van een ‘wetgevende bevoegdheid’ die de regering ‘op internationaal privaatrechtelijk gebied’ zou zijn toegekend via de bevoegdheid om verdragen te sluiten en te bekrachtigen.
  24. De voormalige Afdeling rechtspraak van de Raad van State vernietigde bij strijd met een verdrag de beschikking op de grond die stond vermeld in artikel 8, eerste lid, onder a, Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen, te weten, strijd met een algemeen verbindend voorschrift. Zie bijvoorbeeld ARRvS 10 oktober 1978, AA 79, 477 (Antenneverbod Leerdam).
  25. Artikel 19 Statuut van de Wereldgezondheidsorganisatie. Zulke verdragen dienen echter nog wel conform het nationale recht te worden goedgekeurd.
  26. www.itu.int
  27. Marc Bossuyt en Jan Wouters, Grondlijnen van het internationaal recht, Antwerpen-Oxford 2005, p. 657-659.
  28. Jens Hinricher, The Law-Making of the International Telecommunication Union (ITU) – Providing a New Source of International Law?, Zeitschrift für ausländisches öffentliches Recht und Völkerrecht 2004, p. 490.
  29. Artikel 13 Statuut van de Internationale Unie voor Telecommunicatie.
  30. Artikel 3 Statuut van de Internationale Unie voor Telecommunicatie.
  31. Artikel 4 Statuut van de Internationale Unie voor Telecommunicatie.
  32. Artikel 54 Statuut van de Internationale Unie voor Telecommunicatie; Jens Hinricher, The Law-Making of the International Telecommunication Union (ITU) – Providing a New Source of International Law?, p. 498.
  33. Jens Hinricher, The Law-Making of the International Telecommunication Union (ITU) – Providing a New Source of International Law?, p. 493.
  34. Artikel 54 Statuut van de Internationale Unie voor Telecommunicatie.
  35. http://europa.eu/index_nl.htm
  36. Artikel 294 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
  37. http://www.europarl.europa.eu/aboutparliament/nl/0081f4b3c7/Law-making-procedures-in-detail.html. Maar uiteindelijk moet dat altijd overeenstemming tussen Raad en Europees Parlement opleveren; zo niet, dan komt de betreffende regeling niet tot stand.
  38. Artikel 288 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
  39. Artikel 288 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
  40. HvJ EU 26 februari 1986, zaak 152/84 (Marshall).
  41. HvJ EU 19 januari 2010, zaak C-555/07 (Seda Kücükdeveci/Swedex GmbH & Co. KG, n.n.g.). Een richtlijn kan dan weliswaar niet tegenover een particulier worden ingeroepen maar volgens het HvJ EU moeten nationale rechters wel alles in het werk stellen om te verzekeren dat het doel van een richtlijn wordt bereikt. Daarom moeten zij het nationale recht richtlijnconform interpreteren en desnoods alle nationale regels die een obstakel vormen buiten toepassing laten. Zie over dit ‘mijlpaalarrest’ H. de Waele en I. Kieft, De doorwerking van richtlijnen en algemene beginselen van EU-recht, De stand van zaken na het arrest Kücückdevici, NtER 2010, p. 170-178.
  42. www.boip.int
  43. Artikel 6.5 Benelux-Verdrag inzake de Intellectuele Eigendom (merken en tekeningen of modellen).
  44. Artikel 1.9, tweede lid, Benelux-Verdrag inzake de Intellectuele Eigendom (merken en tekeningen of modellen).
  45. http://www.un.org/en/sc/
  46. Artikel 25 Handvest van de Verenigde Naties.
  47. http://www.icty.org/
  48. S/RES/827 (1993); http://www.un.org/en/ga/search/view_doc.asp?symbol=S/RES/827(1993)
  49. http://www.icty.org/x/file/Legal%20Library/Statute/statute_re808_1993_en.pdf
  50. http://www.unictr.org/
  51. S/RES/955 (1994); http://www.un.org/en/ga/search/view_doc.asp?symbol=S/RES/955(1994)
  52. http://www.icj-cij.org/homepage/index.php
  53. Artikel 92 Handvest van de Verenigde Naties.
  54. Arthur Eyffinger en Pieter Kooijmans, Vreedzame geschillenbeslechting (hoofdstuk 11), in: Handboek internationaal recht, p. 368.
  55. Artikel 36, tweede lid, Statuut van het Internationaal Gerechtshof.
  56. Eyffinger en Kooijmans, Vreedzame geschillenbeslechting, in: Handboek internationaal recht, p. 376.
  57. Eyffinger en Kooijmans, Vreedzame geschillenbeslechting, in: Handboek internationaal recht, p. 377.
  58. Artikel 94, eerste lid, Handvest van de Verenigde Naties.
  59. www.itlos.org
  60. Artikel 291, eerste lid, Zeerechtverdrag.
  61. Artikel 287 Zeerechtverdrag.
  62. Artikel 33, eerste lid, Bijlage VI bij het Zeerechtverdrag.
  63. Artikel 305, eerste lid, sub f, Zeerechtverdrag.
  64. Alex Oude Elferink en Alfred Soons, Recht van de Zee (Hoofdstuk 20), in: Handboek internationaal recht, p. 766.
  65. Artikel 291, tweede lid, Zeerechtverdrag.
  66. Artikelen 186-191 Zeerechtverdrag. Zie hierover Eyffinger en Kooijmans, Vreedzame geschillenbeslechting, in: Handboek internationaal recht, p. 369.
  67. Artikel 39 Bijlage VI bij het Zeerechtverdrag.
  68. https://www.itlos.org/en/cases/list-of-cases/case-no-22/
  69. http://www.echr.coe.int/Pages/home.aspx?p=home&c
  70. http://curia.europa.eu/jcms/jcms/Jo2_6999/
  71. http://www.coe.int/en/web/portal/home
  72. Artikel 3 Statuut van de Raad van Europa.
  73. F.M.C. Vlemminx, Het moderne EVRM, Den Haag 2013, p. 4-5.
  74. Artikel 46, eerste lid, EVRM. Bij uitspraken die worden gewezen tegen andere Lidstaten, ontstaat binding doordat het EHRM op grond van artikel 32 EVRM de ultieme rechtsmacht heeft over de uitleg en toepassing van het EVRM. De jurisprudentie van het EHRM wordt dan in de rechten van het EVRM ‘geïncorporeerd’. Zie hierover paragraaf 7 van dit commentaar.
  75. Artikel 33 EVRM.
  76. http://europa.eu/index_nl.htm
  77. Artikel 259 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
  78. Artikel 273 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
  79. Zie over deze positieve verplichtingen Vlemminx, Het moderne EVRM, p. 133-148 en 275-381.
  80. EHRM 4 februari 2005, 46827/99 (Mamatkulov and Askarov v. Turkey), par. 122.
  81. Eyffinger en Kooijmans, Vreedzame geschillenbeslechting, in: Handboek internationaal recht, p. 372.
  82. Artikel 263 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
  83. Artikel 265 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
  84. Protocol van 21 mei 2014 houdende wijziging van het Benelux-Verdrag inzake de Intellectuele Eigendom (merken en tekeningen of modellen); zie https://www.boip.int/wps/wcm/connect/www/c2d4e435-4042-4d92-8e72-1d9793205117/3.+GMVT+NL.pdf?MOD=AJPERES
  85. Artikel 258 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
  86. Artikel 263 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
  87. Artikel 265 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
  88. Artikel 263 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
  89. Artikel 265 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
  90. Artikel 267 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
  91. Artikel 31 Verdrag tot instelling van de Benelux Unie.
  92. Artikel 17 Verdrag tot instelling van de Benelux Unie.
  93. http://www.courbeneluxhof.be/nl/index.asp
  94. Artikel 6 Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof.
  95. Artikel 270 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. http://curia.europa.eu/jcms/jcms/T5_5230/
  96. Aanvullend Protocol van 29 april 1969 en Protocol van 11 mei 1974. Overigens heeft het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie op 9 november 2007 een nieuw Protocol vastgesteld voor de rechtsbescherming van personen in dienst van de Benelux-Organisatie voor de Intellectuele Eigendom. Dat Protocol is nog niet in werking getreden.
  97. http://www.icc-cpi.int/en_menus/icc/Pages/default.aspx
  98. Artikel 12 Statuut van Rome.
  99. Artikel 5 Statuut van Rome.
  100. Artikel 1 Statuut van Rome.
  101. Artikel 17 Statuut van Rome.
  102. Artikel 13 Statuut van Rome.
  103. Joegoslavië Tribunaal, Trb. 1994, 189; Rwanda Tribunaal, Trb. 1996, 143.
  104. Artikel 60 Statuut van het Internationaal Gerechtshof.
  105. Artikel 33, eerste lid, Bijlage VI bij het Zeerechtverdrag.
  106. Artikel 81 Statuut van Rome.
  107. Artikel 43 EVRM.
  108. http://curia.europa.eu/jcms/jcms/Jo2_7033/
  109. Artikel 256 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Deze bepaling opent ook de mogelijkheid dat het Gerecht kennis neemt van bepaalde prejudiciële vragen maar van die mogelijkheid is nog geen gebruik gemaakt. Zie over de bevoegdheden van het Gerecht Koen Lenaerts en Piet van Nuffel, Europees recht, Antwerpen-Cambridge 2011, p. 377-378.
  110. Recent bijvoorbeeld CEDAW Comité 17 februari 2014, 36/2012 (De Blok et al. v. the Netherlands), CEDAW/C/57/D/36/2012.
  111. Advies van 13 december 2013, Kamerstukken II 2013/14, 29 279, nr. 183.
  112. CRvB 21 juli 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY5560.
  113. Een dergelijke resolutie berust op artikel 9 Aanvullend Protocol bij het Europees Sociaal Handvest betreffende een systeem voor collectieve klachten, een vrij duister artikel, aldus ook Robin R. Churchill and Urfan Khaliq, The Collective Complaints of the European Social Charter: An Effective Mechanism for Ensuring Compliance with Economic and Social Rights?, EJIL (2004), Vol. 15 No. 3, p. 438. Volgens Churchill and Khaliq op p. 439 zijn alle commentatoren het er wel over eens dat een dergelijke resolutie niet juridisch bindend is. In zijn advies van 13 december 2013, Kamerstukken II 2013/14, 29 279, nr. 183, spreekt ook de Raad van State van ‘een niet bindend besluit (resolutie) van het Comité van Ministers van de Raad van Europa’. Dit is echter slechts één kant van de medaille. In de nota naar aanleiding van het verslag inzake de goedkeuring van het Aanvullende Protocol bij het ESH, Kamerstukken II 2005/06, 29 941, nr. 3, p. 2, zegt de regering ‘dat de ervaring van andere landen
  114. ECSR 27 oktober 2009, 47/2008 (DCI v. the Netherlands), NTM/NJCM-Bull. 2010, p. 205-219 m.nt. Antoine Buyse, en op 7 juli 2010 Resolution CM/ResChS(2010)6.
  115. Churchill and Khaliq, The Collective Complaints of the European Social Charter: An Effective Mechanism for Ensuring Compliance with Economic and Social Rights?, p. 447.
  116. ECSR 1 juli 2014, 90/2013 (CEC v. the Netherlands) alsmede ECSR 2 juli 2014, 86/2012 (FEANTSA v. the Netherlands) en op 15 april 2015 Resolution CM/ResChS(2015)4 alsmede Resolution CM/ResChS(2015)5. http://www.nrc.nl/nieuws/2015/04/15/onduidelijkheid-over-bed-bad-en-brood-verplichting/
  117. Military and Paramilitary Activities in and against Nicaragua (Nicaragua v. United States), Merits, ICJ Rep. 1986, p. 14.
  118. Eyffinger en Kooijmans, Vreedzame geschillenbeslechting, in: Handboek internationaal recht, p. 382.
  119. HR 1 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3044 (Artikel 11 Vrouwenverdrag).
  120. HR 10 mei 1996, NJ 1996, 578 en EHRM 27 maart 1996, 17488/90 (Goodwin v. the United Kingdom).
  121. CRvB 21 juli 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY5560.
  122. HR 21 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5328 en ECSR 27 oktober 2009, 47/2008 (DCI v. the Netherlands), NTM/NJCM-Bull. 2010, p. 205-219 m.nt. Antoine Buyse.
  123. CRvB 17 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4178 en ECSR 1 juli 2014, 90/2013 (CEC v. the Netherlands).
  124. Zie over deze techniek F.M.C. Vlemminx, De januskop van Nederland en de convergentie van mensenrechten onder het EVRM, NJB 2008, p. 1572-1578, alsmede Het inlezen van economische, sociale en culturele rechten in het EVRM door het EHRM, NTM/NJCM-Bull. 2010, p. 813-826.
  125. Wouters, Bronnen van internationaal recht, in: Handboek internationaal recht, p. 114.
  126. Artikelen 101 en 102 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
  127. Artikel 103 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
  128. http://www.opcw.org/
  129. Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de productie, de aanleg van voorraden en het gebruik van chemische wapens en inzake de vernietiging van deze wapens van 1993, Trb. 1993, 162
  130. Guido den Dekker en Eric Myjer, Wapenbeheersingsrecht (hoofdstuk 17), in: Handboek internationaal recht, p. 600 en 617-618.
  131. http://www.ohchr.org/EN/HRBodies/CCPR/Pages/CCPRIndex.aspx
  132. http://www.ohchr.org/en/hrbodies/cescr/pages/cescrindex.aspx
  133. http://www.ohchr.org/en/hrbodies/cedaw/pages/cedawindex.aspx
  134. http://www.ohchr.org/EN/HRBodies/CRC/Pages/CRCIndex.aspx
  135. http://www.ohchr.org/EN/HRBodies/CERD/Pages/CERDIndex.aspx
  136. http://www.ilo.org/global/standards/applying-and-promoting-international-labour-standards/committee-of-experts-on-the-application-of-conventions-and-recommendations/lang--en/index.htm
  137. http://www.coe.int/t/dghl/monitoring/socialcharter/ECSR/ECSRdefault_en.asp
  138. http://www.cpt.coe.int/en/about.htm
  139. Artikel 8 Europees Verdrag ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.
  140. Artikel 9 Aanvullend Protocol bij het Europees Sociaal Handvest betreffende een systeem voor collectieve klachten.
  141. Artikel 46, tweede lid, EVRM.
  142. Artikel 46, vierde en vijfde lid, EVRM.
  143. Artikel 8 Statuut van de Raad van Europa.
  144. T. de Goede, De mensenrechten in het Nederlandse buitenlandse beleid ten aanzien van Spanje, Portugal en Griekenland, 1945-1975, in: M. Kuitenbrouwer en M. Leenders (ed.), Geschiedenis van de mensenrechten, bouwstenen voor een interdisciplinaire benadering, Hilversum 2000, p. 251.
  145. S/RES/660 (1990); http://www.un.org/en/ga/search/view_doc.asp?symbol=S/RES/662(1990)
  146. S/RES/ 678 (1660); http://www.un.org/en/ga/search/view_doc.asp?symbol=S/RES/678(1990)
  147. Willem van Genugten, Fred Grünfeld en Dick Leurdijk, Internationale rechtshandhaving (hoofdstuk 12), in: Handboek internationaal recht, p. 394.
  148. Van Genugten, Grünfeld en Leurdijk, Internationale rechtshandhaving, in: Handboek internationaal recht, p. 400.
  149. S/RES/1289 (2000); http://www.un.org/en/ga/search/view_doc.asp?symbol=S/RES/1289(2000)
  150. Eyffinger en Kooijmans, Vreedzame geschillenbeslechting, in: Handboek internationaal recht, p. 356; http://www.un.org/sg/srsg/africa.shtml
  151. www.unhcr.nl
  152. Bossuyt en Wouters, Grondlijnen van het internationaal recht, p. 885.
  153. Artikel 17 Verdrag inzake de bescherming en het gebruik van grensoverschrijdende waterlopen en internationale meren.
  154. http://www.cipm-icbm.be/page.asp?id=35&langue=FR
  155. Artikel 4 Maasverdrag.
  156. http://www.isc-cie.org/NL/
  157. Artikel 4 Scheldeverdrag.
  158. J.W.A. Fleuren, Een ieder verbindende bepalingen van verdragen, Den Haag 2004, p. 157.
  159. ECSR 27 oktober 2009, 47/2008 (DCI v. the Netherlands), NTM/NJCM-Bull. 2010, p. 205-219 m.nt. Antoine Buyse, en op 7 juli 2010 Resolution CM/ResChS(2010)6.
  160. ECSR 1 juli 2014, 90/2013 (CEC v. the Netherlands) en CRvB 17 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4178.
  161. HR 7 november 1984, NJ 1985, 247; in dezelfde zin HR 23 november 1984, NJ 1985, 604.
  162. ARRvS 31 augustus 1993, AB 1994, 15.
  163. ABRvS 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:202.
  164. CRvB 22 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:362.
  165. Kamerstukken II 1979/80, 15 049 (R 1100), nr. 7, p. 18.
  166. Nota van toelichting bij het Besluit van 29 mei 1969 tot inwerkingtreding van de Rijkswet 1961 (Stb. 253). Zie M.G. Boekhorst, Artikel 95, in: Akkermans/Koekkoek, De Grondwet, p. 889-890.
  167. Zie over attributie C.J.A.M. Kortmann, Constitutioneel recht, Deventer 2012, p. 28-29.
  168. Zie over delegatie Kortmann, Constitutioneel recht, p. 31.
  169. In dezelfde zin André Nollkaemper, Kern van het internationaal publiekrecht, Den Haag 2014, p. 116-117.
  170. Meer hierover in Vlemminx, Het moderne EVRM, p. 419-423.
  171. HR 2 november 2004, NJ 2005, 80.
  172. HvJ EU 5 februari 1963, zaak 26-62, Jur. 1963, p. 8, AA 1963/1964, 12.
  173. HVJ EU 15 juli 1964, zaak 6/64, Jur. 1964, p. 1199, AA 1964/1965, p. 155.
  174. Van der Pot, Handboek van het Nederlandse staatsrecht, bewerkt door D.J. Elzinga, R. de Lange en H.G. Hoogers, Deventer 2014, p. 738.
  175. Van der Pot, Handboek van het Nederlandse staatsrecht, p. 737.
  176. Van der Pot, Handboek van het Nederlandse staatsrecht, p. 710.
  177. A.D. Belinfante/J.L. de Reede, Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Deventer 2012, p. 380 merkt op dat de doorwerking van het recht van de EU zich los van de Grondwet voltrekt ‘[o]mdat overeenkomstig art. 92 van de Grondwet door het EG-Verdrag en later het EU-verdrag rechtspraak aan het HvJ is opgedragen (…).’ Deze opmerking is in die zin juist dat de bevoegdheid tot rechtspraak voor het HvJ EU de mogelijkheid opende om de automatische doorwerking te introduceren. Voor zover zou worden bedoeld dat de automatische doorwerking direct besloten ligt in de toekenning van de bevoegdheid tot rechtspraak, is de opmerking niet juist.
  178. Brownlie’s Principles of Public International Law, Oxford University Press 2012, p. 184.
  179. Blokker, Recht van internationale organisaties, in: Handboek internationaal recht, p. 454.
  180. Legality of the Use by a State of Nuclear Weapons in Armed Conflict, Advisory Opinion, ICJ Rep. 1996, p. 66.
  181. Lenaerts en Van Nuffel, Europees recht, p. 79.
  182. Blokker, Recht van internationale organisaties, in: Handboek internationaal recht, p. 454-455.
  183. Reparation for Injuries suffered in the Service of the United Nations, Advisory Opinion, ICJ Rep. 1949, p. 174.
  184. HvJ EU 31 maart 1971, zaak 22/70 (AETR), Jur. 1971, p. 263.
  185. Blokker, Recht van internationale organisaties, in: Handboek internationaal recht, p. 456.
  186. Bijvoorbeeld Certain Expenses of the United Nations, Advisory Opinion, ICJ Rep. 1962, p. 168.
  187. EHRM 4 februari 2005, 46827/99 (Mamatkulov and Askarov v. Turkey); meer hierover in Vlemminx, Het moderne EVRM, p. 1-27.
  188. Dennis Broeders, Speelruimte voor transparante rechtspraak, Amsterdam University Press 2014, p. 376; http://www.volkskrant.nl/dossier-archief/leg-het-europees-hof-aan-banden~a1871499/
  189. http://debatgemist.tweedekamer.nl/zoeken/sprekers/Taverne

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    F.M.C. Vlemminx, Commentaar op artikel 92 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2017 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties

De Grondwet maakt het mogelijk dat Nederland op bepaalde terreinen wetgevende, bestuurlijke of rechtsprekende bevoegdheden overdraagt aan internationale organisaties. Er moet dan een verdrag worden gesloten, waarbij de betreffende organisatie in het leven wordt geroepen en met bevoegdheden wordt uitgerust. Daarvoor is parlementaire goedkeuring vereist en wanneer wordt afgeweken van de Grondwet zelfs met een tweederde meerderheid in de beide kamers (artikel 91). Wanneer bevoegdheden eenmaal daadwerkelijk zijn overgedragen, kan de betreffende organisatie op basis daarvan regels vaststellen of beslissingen nemen die de Nederlandse overheid binden. Alleen het opzeggen van de betreffende verdragen kan die binding dan nog beëindigen.
 
Het belangrijkste voorbeeld van zo’n organisatie is de Europese Unie, maar volgens het Hof van Justitie van de EU is de nationale Grondwet op dit punt helemaal niet beslissend. Het primaat van het EU-recht vloeit voor alle lidstaten van de Unie voort uit de inhoud en de strekking van de oprichtingsverdragen.
 
Aan de Europese Unie zijn door de huidige achtentwintig lidstaten gaandeweg zo belangrijke bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak overgedragen dat de Unie trekken van een federaal verband vertoont, ook al is dat woord op dit moment politiek impopulair. Verder is Nederland onder meer lid van de Benelux (een douane-unie tussen België, Nederland en Luxemburg), de VN, de NAVO en de Raad van Europa en zijn rechtsprekende bevoegdheden opgedragen aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens te Straatsburg en aan het Internationaal Gerechtshof te Den Haag.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties

Over dit artikel zijn ons geen belangrijke en ‘klassieke’ rechterlijke uitspraken bekend.
Recente rechtspraak

Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties

Over dit artikel zijn ons geen recente rechterlijke uitspraken bekend.
Politiek

Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties

Video
Blogs
IN DE WERELD
Blogs

Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties

In de wereld

Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties