CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • G. Leenknegt
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • A.A.L. Beers en K.T. Meijer
  • B.C. van Beers
  • B.M.J. van der Meulen
  • B.P. Vermeulen
  • B.W.N. de Waard
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • E.J. Janse de Jonge
  • E.J. Koops
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • F. Fleurke
  • F.C.M.A. Michiels
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx en A.C.M. Meuwese
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard en J. Uzman
  • G. Leenknegt
  • G. Overkleeft-Verburg
  • G. van der Schyff en B.M.J. van der Meulen
  • J. Kiewiet en G.F.M. van der Tang †
  • J. Uzman
  • J. Uzman en G. Boogaard
  • J.C.A. de Poorter
  • J.L.M. Gribnau en M.R.T Pauwels
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • J.W.A. Fleuren
  • K.T. Meijer
  • M. Adams
  • Mijke Houwerzijl & Nuna Zekic
  • Mijke Houwerzijl en Frank Vlemminx
  • P. Jacobs
  • S. Daniëls
  • S. Jellinghaus en E. Huisman
  • S.C. van Bijsterveld
  • S.C. van Bijsterveld en B.P. Vermeulen
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • T. Kooijmans
  • T. Peters
  • W. van der Woude
  • W.J.M. Voermans
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

HOOFDSTUK 1

Grondrechten

INLEIDING

Artikel 1 - Gelijke behandeling

Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Artikel 2 - Nederlandschap en vreemdelingen

  1. De wet regelt wie Nederlander is.
  2. De wet regelt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen.
  3. Uitlevering kan slechts geschieden krachtens verdrag. Verdere voorschriften omtrent uitlevering worden bij de wet gegeven.
  4. Ieder heeft het recht het land te verlaten, behoudens in de gevallen, bij de wet bepaald.

Artikel 3 - Gelijke benoembaarheid

Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.

Artikel 4 - Kiesrecht

Iedere Nederlander heeft gelijkelijk recht de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen alsmede tot lid van deze organen te worden verkozen, behoudens bij de wet gestelde beperkingen en uitzonderingen.

Artikel 5 - Petitierecht

Ieder heeft het recht verzoeken schriftelijk bij het bevoegd gezag in te dienen.

Artikel 6 - Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging

  1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 7 - Vrijheid van meningsuiting

  1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- of televisieuitzending.
  3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar regelen ter bescherming van de goede zeden.
  4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.

Artikel 8 - Recht tot vereniging

Het recht tot vereniging wordt erkend. Bij de wet kan dit recht worden beperkt in het belang van de openbare orde.

Artikel 9 - Recht tot vergadering en betoging

  1. Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 10 - Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer

  1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.
  2. De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens.
  3. De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.

Artikel 11 - Onaantastbaarheid van het lichaam

Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.

Artikel 12 - Binnentreden woning

  1. Het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen.
  2. Voor het binnentreden overeenkomstig het eerste lid zijn voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden vereist, behoudens bij de wet gestelde uitzonderingen.
  3. Aan de bewoner wordt zo spoedig mogelijk een schriftelijk verslag van het binnentreden verstrekt. Indien het binnentreden in het belang van de nationale veiligheid of dat van de strafvordering heeft plaatsgevonden, kan volgens bij de wet te stellen regels de verstrekking van het verslag worden uitgesteld. In de bij de wet te bepalen gevallen kan de verstrekking achterwege worden gelaten, indien het belang van de nationale veiligheid zich tegen verstrekking blijvend verzet.

Artikel 13 - Vertrouwelijke communicatie

  1. Het briefgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, op last van de rechter.
  2. Het telefoon- en telegraafgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, door of met machtiging van hen die daartoe bij de wet zijn aangewezen.

Artikel 14 - Onteigening

  1. Onteigening kan alleen geschieden in het algemeen belang en tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander naar bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.
  2. De schadeloosstelling behoeft niet vooraf verzekerd te zijn, wanneer in geval van nood onverwijld onteigening geboden is.
  3. In de gevallen bij of krachtens de wet bepaald bestaat recht op schadeloosstelling of tegemoetkoming in de schade, indien in het algemeen belang eigendom door het bevoegd gezag wordt vernietigd of onbruikbaar gemaakt of de uitoefening van het eigendomsrecht wordt beperkt.

Artikel 15 - Vrijheidsontneming

  1. Buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen.
  2. Hij aan wie anders dan op rechterlijk bevel zijn vrijheid is ontnomen, kan aan de rechter zijn invrijheidstelling verzoeken. Hij wordt in dat geval door de rechter gehoord binnen een bij de wet te bepalen termijn. De rechter gelast de onmiddellijke invrijheidstelling, indien hij de vrijheidsontneming onrechtmatig oordeelt.
  3. De berechting van hem aan wie met het oog daarop zijn vrijheid is ontnomen, vindt binnen een redelijke termijn plaats.
  4. Hij aan wie rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, kan worden beperkt in de uitoefening van grondrechten voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt.

Artikel 16 - Nulla poena

Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.

Artikel 17 - Wettelijk toegekende rechter

Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent.

Artikel 18 - Rechtsbijstand

  1. Ieder kan zich in rechte en in administratief beroep doen bijstaan.
  2. De wet stelt regels omtrent het verlenen van rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen.

Artikel 19 - Werkgelegenheid en arbeidskeuze

  1. Bevordering van voldoende werkgelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de rechtspositie van hen die arbeid verrichten en omtrent hun bescherming daarbij, alsmede omtrent medezeggenschap.
  3. Het recht van iedere Nederlander op vrije keuze van arbeid wordt erkend, behoudens de beperkingen bij of krachtens de wet gesteld.

Artikel 20 - Bestaanszekerheid

  1. De bestaanszekerheid der bevolking en spreiding van welvaart zijn voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de aanspraken op sociale zekerheid.
  3. Nederlanders hier te lande, die niet in het bestaan kunnen voorzien, hebben een bij de wet te regelen recht op bijstand van overheidswege.

Artikel 21 - Milieubescherming

De zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu.

Artikel 22 - Volksgezondheid en woongelegenheid

  1. De overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid.
  2. Bevordering van voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  3. Zij schept voorwaarden voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding.

Artikel 23 - Onderwijs

  1. Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.
  2. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.
  3. Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld.
  4. In elke gemeente wordt van overheidswege voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal openbare scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven, al dan niet in een openbare school.
  5. De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.
  6. Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.
  7. Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.
  8. De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten-Generaal.
HOOFDSTUK 2

Regering INLEIDING

Artikel 24 - Koningschap

Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau.

Artikel 25 - Erfopvolging

Het koningschap gaat bij overlijden van de Koning krachtens erfopvolging over op zijn wettige nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft, met plaatsvervulling volgens dezelfde regel. Bij gebreke van eigen nakomelingen gaat het koningschap op gelijke wijze over op de wettige nakomelingen eerst van zijn ouder, dan van zijn grootouder, in de lijn van erfopvolging, voor zover de overleden Koning niet verder bestaand dan in de derde graad van bloedverwantschap.

Artikel 26 - Status ongeboren kind Koning

Het kind, waarvan een vrouw zwanger is op het ogenblik van het overlijden van de Koning, wordt voor de erfopvolging als reeds geboren aangemerkt. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

Artikel 27 - Afstand koningschap

Afstand van het koningschap leidt tot erfopvolging overeenkomstig de regels in de voorgaande artikelen gesteld. Na de afstand geboren kinderen en hun nakomelingen zijn van de erfopvolging uitgesloten.

Artikel 28 - Afstand koningschap door huwelijk

  1. De Koning, een huwelijk aangaande buiten bij de wet verleende toestemming, doet daardoor afstand van het koningschap.
  2. Gaat iemand die het koningschap van de Koning kan beërven een zodanig huwelijk aan, dan is hij met de uit dit huwelijk geboren kinderen en hun nakomelingen van de erfopvolging uitgesloten.
  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake van een voorstel van wet, strekkende tot het verlenen van toestemming, in verenigde vergadering.

Artikel 29 - Uitsluiting troonopvolging

  1. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden daartoe nopen, kunnen bij een wet een of meer personen van de erfopvolging worden uitgesloten.

  2. Het voorstel daartoe wordt door of vanwege de Koning ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 30 - Benoemde Koning

  1. Wanneer vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal ontbreken, kan deze worden benoemd bij een wet. Het voorstel wordt door of vanwege de Koning ingediend. Na de indiening van het voorstel worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  2. Indien bij overlijden van de Koning of bij afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt, worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers komen binnen vier maanden na het overlijden of de afstand in verenigde vergadering bijeen ten einde te besluiten omtrent de benoeming van een Koning. Zij kunnen een opvolger alleen benoemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 31 - Erfopvolging benoemde koning

  1. Een benoemde Koning kan krachtens erfopvolging alleen worden opgevolgd door zijn wettige nakomelingen.

  2. De bepalingen omtrent de erfopvolging en het eerste lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op een benoemde opvolger, zolang deze nog geen Koning is.

Artikel 32 - Inhuldiging Koning

Nadat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen, wordt hij zodra mogelijk beëdigd en ingehuldigd in de hoofdstad Amsterdam in een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Hij zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt. De wet stelt nadere regels vast.

Artikel 33 - Koningschap en meerderjarigheid

De Koning oefent het koninklijk gezag eerst uit, nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

Artikel 34 - Ouderlijk gezag minderjarige Koning

De wet regelt het ouderlijk gezag en de voogdij over de minderjarige Koning en het toezicht daarop. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 35 - Buiten staat verklaring

  1. Wanneer de ministerraad van oordeel is dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, bericht hij dit onder overlegging van het daartoe gevraagde advies van de Raad van State aan de Staten-Generaal, die daarop in verenigde vergadering bijeenkomen.

  2. Delen de Staten-Generaal dit oordeel, dan verklaren zij dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen. Deze verklaring wordt bekend gemaakt op last van de voorzitter der vergadering en treedt terstond in werking.

  3. Zodra de Koning weer in staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, wordt dit bij de wet verklaard. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Terstond na de bekendmaking van deze wet hervat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag.

  4. De wet regelt zo nodig het toezicht over de persoon van de Koning indien hij buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 36 - Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag

De Koning kan de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk neerleggen en die uitoefening hervatten krachtens een wet, waarvan het voorstel door of vanwege hem wordt ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 37 - Uitoefening koninklijk gezag door regent

  1. Het koninklijk gezag wordt uitgeoefend door een regent:
    a. zolang de Koning de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt;
    b. indien een nog niet geboren kind tot het koningschap geroepen kan zijn;
    c. indien de Koning buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen;
    d. indien de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk heeft neergelegd;
    e. zolang na het overlijden van de Koning of na diens afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt.

  2. De regent wordt benoemd bij de wet. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  3. In de gevallen, genoemd in het eerste lid onder c en d, is de nakomeling van de Koning die zijn vermoedelijke opvolger is, van rechtswege regent indien hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

  4. De regent zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt, in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal. De wet geeft nadere regels omtrent het regentschap en kan voorzien in de opvolging en de vervanging daarin. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  5. Op de regent zijn de artikelen 35 en 36 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38 - Uitoefening koninklijk gezag door RvS

Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk gezag is voorzien, wordt dit uitgeoefend door de Raad van State.

Artikel 39 - Lidmaatschap koninklijk huis

De wet regelt, wie lid is van het koninklijk huis.

Artikel 40 - Uitkering koninklijk huis

  1. De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het Rijk uitkeringen naar regels bij de wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het koninklijk huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen.

  2. De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, zijn vrij van persoonlijke belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of zijn vermoedelijke opvolger krachtens erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van het koninklijk huis vrij van de rechten van successie, overgang en schenking. Verdere vrijdom van belasting kan bij de wet worden verleend.

  3. De kamers der Staten-Generaal kunnen voorstellen van in de vorige leden bedoelde wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 41 - Inrichting huis Koning

De Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis in.

Artikel 42 - Ministeriële verantwoordelijkheid

  1. De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.

  2. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.

Artikel 43 - Regering en ministers

De minister-president en de overige ministers worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.

Artikel 44 - Ministeries

  1. Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.

  2. Ook kunnen ministers worden benoemd die niet belast zijn met de leiding van een ministerie.

Artikel 45 - Ministerraad

  1. De ministers vormen te zamen de ministerraad.

  2. De minister-president is voorzitter van de ministerraad.

  3. De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid.

Artikel 46 - Staatssecretarissen

  1. Bij koninklijk besluit kunnen staatssecretarissen worden benoemd en ontslagen.

  2. Een staatssecretaris treedt in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister.

Artikel 47 - Ondertekening en contraseign

Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.

Artikel 48 - Ontslag en benoeming ministers

Het koninklijk besluit waarbij de minister-president wordt benoemd, wordt mede door hem ondertekend. De koninklijke besluiten waarbij de overige ministers en de staatssecretarissen worden benoemd of ontslagen, worden mede door de minister-president ondertekend.

Artikel 49 - Ambtseed minister en staatssecretaris

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de ministers en de staatssecretarissen bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.
HOOFDSTUK 3

Staten-Generaal INLEIDING

Artikel 50 - Vertegenwoordiging

De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk.

Artikel 51 - Eerste en Tweede Kamer

  1. De Staten-Generaal bestaan uit de Tweede Kamer en de Eerste Kamer.

  2. De Tweede Kamer bestaat uit honderdvijftig leden.

  3. De Eerste Kamer bestaat uit vijfenzeventig leden.

  4. Bij een verenigde vergadering worden de kamers als één beschouwd.

Artikel 52 - Zittingsduur

  1. De zittingsduur van beide kamers is vier jaren.
  2. Indien voor de provinciale staten bij de wet een andere zittingsduur dan vier jaren wordt vastgesteld, wordt daarbij de zittingsduur van de Eerste Kamer in overeenkomstige zin gewijzigd.

Artikel 53 - Evenredige vertegenwoordiging

  1. De leden van beide kamers worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  2. De verkiezingen worden gehouden bij geheime stemming.

Artikel 54 - Verkiezing Tweede Kamer

  1. De leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen ten aanzien van Nederlanders die geen ingezetenen zijn.

  2. Van het kiesrecht is uitgesloten hij die wegens het begaan van een daartoe bij de wet aangewezen delict bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste een jaar en hierbij tevens is ontzet van het kiesrecht.

Artikel 55 - Verkiezing Eerste Kamer

De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten. De verkiezing wordt, behoudens in geval van ontbinding der kamer, gehouden binnen drie maanden na de verkiezing van de leden van provinciale staten.

Artikel 56 - Vereisten voor lidmaatschap

Om lid van de Staten-Generaal te kunnen zijn is vereist dat men Nederlander is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.

Artikel 57 - Incompatibiliteiten

  1. Niemand kan lid van beide kamers zijn.

  2. Een lid van de Staten-Generaal kan niet tevens zijn minister, staatssecretaris, lid van de Raad van State, lid van de Algemene Rekenkamer, Nationale ombudsman of substituut-ombudsman, of lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij de Hoge Raad.

  3. Niettemin kan een minister of staatssecretaris, die zijn ambt ter beschikking heeft gesteld, dit ambt verenigen met het lidmaatschap van de Staten-Generaal, totdat omtrent die beschikbaarstelling is beslist.

  4. De wet kan ten aanzien van andere openbare betrekkingen bepalen dat zij niet gelijktijdig met het lidmaatschap van de Staten-Generaal of van een der kamers kunnen worden uitgeoefend.

Artikel 57a - Zwangerschap en ziekte

De wet regelt de tijdelijke vervanging van een lid van de Staten-Generaal wegens zwangerschap en bevalling, alsmede wegens ziekte.

Artikel 58 - Geloofsbrieven

Elke kamer onderzoekt de geloofsbrieven van haar nieuwbenoemde leden en beslist met inachtneming van bij de wet te stellen regels de geschillen welke met betrekking tot de geloofsbrieven of de verkiezing zelf rijzen.

Artikel 59 - Kiesrecht en verkiezingen

Alles, wat verder het kiesrecht en de verkiezingen betreft, wordt bij de wet geregeld.

Artikel 60 - Ambtsaanvaarding

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de leden van de kamers bij de aanvaarding van hun ambt in de vergadering een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

Artikel 61 - Voorzitter en griffier

  1. Elk der kamers benoemt uit de leden een voorzitter.

  2. Elk der kamers benoemt een griffier. Deze en de overige ambtenaren van de kamers kunnen niet tevens lid van de Staten-Generaal zijn.

Artikel 62 - Verenigde vergadering

De voorzitter van de Eerste Kamer heeft de leiding van de verenigde vergadering.

Artikel 63 - Geldelijke voorzieningen

Geldelijke voorzieningen ten behoeve van leden en gewezen leden van de Staten-Generaal en van hun nabestaanden worden bij de wet geregeld. De kamers kunnen een voorstel van wet ter zake alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 64 - Ontbinding Kamers

  1. Elk der kamers kan bij koninklijk besluit worden ontbonden.

  2. Het besluit tot ontbinding houdt tevens de last in tot een nieuwe verkiezing voor de ontbonden kamer en tot het samenkomen van de nieuw gekozen kamer binnen drie maanden.

  3. De ontbinding gaat in op de dag waarop de nieuw gekozen kamer samenkomt.

  4. De wet stelt de zittingsduur van een na ontbinding optredende Tweede Kamer vast; de termijn mag niet langer zijn dan vijf jaren. De zittingsduur van een na ontbinding optredende Eerste Kamer eindigt op het tijdstip waarop de zittingsduur van de ontbonden kamer zou zijn geëindigd.

Artikel 65 - Troonrede

Jaarlijks op de derde dinsdag van september of op een bij de wet te bepalen eerder tijdstip wordt door of namens de Koning in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal een uiteenzetting van het door de regering te voeren beleid gegeven.

Artikel 66 - Openbaarheid vergaderingen

  1. De vergaderingen van de Staten-Generaal zijn openbaar.

  2. De deuren worden gesloten, wanneer een tiende deel van het aantal aanwezige leden het vordert of de voorzitter het nodig oordeelt.

  3. Door de kamer, onderscheidenlijk de kamers in verenigde vergadering, wordt vervolgens beslist of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd en besloten.

Artikel 67 - Quorum

  1. De kamers mogen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering alleen beraadslagen of besluiten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden ter vergadering aanwezig is.

  2. Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen.

  3. De leden stemmen zonder last.

  4. Over zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, wanneer één lid dit verlangt.

Artikel 68 - Inlichtingenplicht bewindslieden

De ministers en de staatssecretarissen geven de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat.

Artikel 69 - Aanwezigheid bewindslieden

  1. De ministers en de staatssecretarissen hebben toegang tot de vergaderingen en kunnen aan de beraadslaging deelnemen.

  2. Zij kunnen door de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn.

  3. Zij kunnen zich in de vergaderingen doen bijstaan door de personen, daartoe door hen aangewezen.

Artikel 70 - Recht van enquête

Beide kamers hebben, zowel ieder afzonderlijk als in verenigde vergadering, het recht van onderzoek (enquête), te regelen bij de wet.

Artikel 71 - Parlementaire onschendbaarheid

De leden van de Staten-Generaal, de ministers, de staatssecretarissen en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging, kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergaderingen van de Staten-Generaal of van commissies daaruit hebben gezegd of aan deze schriftelijk hebben overgelegd.

Artikel 72 - Reglement van orde

De kamers stellen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering een reglement van orde vast.

HOOFDSTUK 4

Adviesorganen INLEIDING

Artikel 73 - Taak Raad van State

  1. De Raad van State of een afdeling van de Raad wordt gehoord over voorstellen van wet en ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur, alsmede over voorstellen tot goedkeuring van verdragen door de Staten-Generaal. In bij de wet te bepalen gevallen kan het horen achterwege blijven.

  2. De Raad of een afdeling van de Raad is belast met het onderzoek van de geschillen van bestuur die bij koninklijk besluit worden beslist en draagt de uitspraak voor.

  3. De wet kan aan de Raad of een afdeling van de Raad de uitspraak in geschillen van bestuur opdragen.

Artikel 74 - Rechtspositie leden

  1. De Koning is voorzitter van de Raad van State. De vermoedelijke opvolger van de Koning heeft na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar van rechtswege zitting in de Raad. Bij of krachtens de wet kan aan andere leden van het koninklijk huis zitting in de Raad worden verleend.

  2. De leden van de Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  3. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  4. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Raad worden geschorst of ontslagen.

  5. De wet regelt overigens hun rechtspositie

Artikel 75 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Raad van State.

  2. Bij de wet kunnen aan de Raad of een afdeling van de Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 76 - Algemene rekenkamer

De Algemene Rekenkamer is belast met het onderzoek van de ontvangsten en uitgaven van het Rijk.

Artikel 77 - Rechtpositie leden rekenkamer

  1. De leden van de Algemene Rekenkamer worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Hoge Raad worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 78 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Algemene Rekenkamer.

  2. Bij de wet kunnen aan de Algemene Rekenkamer ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 78a - Nationale ombudsman

  1. De Nationale ombudsman verricht op verzoek of uit eigen beweging onderzoek naar gedragingen van bestuursorganen van het Rijk en van andere bij of krachtens de wet aangewezen bestuursorganen.
  2. De Nationale ombudsman en een substituut-ombudsman worden voor een bij de wet te bepalen termijn benoemd door de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Tweede Kamer der Staten-Generaal worden geschorst of ontslagen. De wet regelt overigens hun rechtspositie.
  3. De wet regelt de bevoegdheid en werkwijze van de Nationale ombudsman.
  4. Bij of krachtens de wet kunnen aan de Nationale ombudsman ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 79 - Vaste colleges van advies

  1. Vaste colleges van advies in zaken van wetgeving en bestuur van het Rijk worden ingesteld bij of krachtens de wet.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van deze colleges.

  3. Bij of krachtens de wet kunnen aan deze colleges ook andere dan adviserende taken worden opgedragen.

Artikel 80 - Openbaarmaking advies

  1. De adviezen van de in dit hoofdstuk bedoelde colleges worden openbaar gemaakt volgens regels bij de wet te stellen.

  2. Adviezen, uitgebracht ter zake van voorstellen van wet die door of vanwege de Koning worden ingediend, worden, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen, aan de Staten-Generaal overgelegd.

HOOFDSTUK 5

Wetgeving en bestuur INLEIDING

Artikel 81 - Wetgevende macht

De vaststelling van wetten geschiedt door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk.

Artikel 82 - Indienen wetsvoorstel

  1. Voorstellen van wet kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Voorstellen van wet waarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en, voor zover de betreffende artikelen van hoofdstuk 2 dit toelaten, door de verenigde vergadering.

  3. Voorstellen van wet, in te dienen door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering, worden bij haar door een of meer leden aanhangig gemaakt.

Artikel 83 - Toezending wetsvoorstel TK

Voorstellen van wet, ingediend door of vanwege de Koning, worden gezonden aan de Tweede Kamer of, indien daarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, aan deze vergadering.

Artikel 84 - Wijziging wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet, ingediend door of vanwege de Koning, niet door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering is aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en vanwege de regering worden gewijzigd.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden gewijzigd.

Artikel 85 - Toezending wetsvoorstel EK

Zodra de Tweede Kamer een voorstel van wet heeft aangenomen of tot indiening van een voorstel heeft besloten, zendt zij het aan de Eerste Kamer, die het voorstel overweegt zoals het door de Tweede Kamer aan haar is gezonden. De Tweede Kamer kan een of meer van haar leden opdragen een door haar ingediend voorstel in de Eerste Kamer te verdedigen.

Artikel 86 - Intrekking wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet niet door de Staten-Generaal is aangenomen, kan het door of vanwege de indiener worden ingetrokken.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden ingetrokken.

Artikel 87 - Aanneming en bekrachtiging

  1. Een voorstel wordt wet, zodra het door de Staten-Generaal is aangenomen en door de Koning is bekrachtigd.

  2. De Koning en de Staten-Generaal geven elkaar kennis van hun besluit omtrent enig voorstel van wet.

Artikel 88 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de wetten. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 89 - Algemene maatregel van bestuur

  1. Algemene maatregelen van bestuur worden bij koninklijk besluit vastgesteld.

  2. Voorschriften, door straffen te handhaven, worden daarin alleen gegeven krachtens de wet. De wet bepaalt de op te leggen straffen.

  3. De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de algemene maatregelen van bestuur. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

  4. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op andere vanwege het Rijk vastgestelde algemeen verbindende voorschriften.

Artikel 90 - Bevordering internationale rechtsorde

De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde.

Artikel 91 - Goedkeuring verdrag

  1. Het Koninkrijk wordt niet aan verdragen gebonden en deze worden niet opgezegd zonder voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. De wet bepaalt de gevallen waarin geen goedkeuring is vereist.

  2. De wet bepaalt de wijze waarop de goedkeuring wordt verleend en kan voorzien in stilzwijgende goedkeuring.

  3. Indien een verdrag bepalingen bevat welke afwijken van de Grondwet dan wel tot zodanig afwijken noodzaken, kunnen de kamers de goedkeuring alleen verlenen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 92 - Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties

Met inachtneming, zo nodig, van het bepaalde in artikel 91, derde lid, kunnen bij of krachtens verdrag aan volkenrechtelijke organisaties bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak worden opgedragen.

Artikel 93 - Verbindende kracht verdrag

Bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 94 - Verdrag boven wet

Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 95 - Bekendmaking verdrag

De wet geeft regels omtrent de bekendmaking van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 96 - Oorlogsverklaring

  1. Het Koninkrijk wordt niet in oorlog verklaard dan na voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal.

  2. De toestemming is niet vereist, wanneer het overleg met de Staten-Generaal ten gevolge van een feitelijk bestaande oorlogstoestand niet mogelijk is gebleken.

  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  4. Het bepaalde in het eerste en het derde lid is van overeenkomstige toepassing voor een verklaring dat een oorlog beëindigd is.

Artikel 97 - Krijgsmacht

  1. Ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk, alsmede ten behoeve van de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde, is er een krijgsmacht.

  2. De regering heeft het oppergezag over de krijgsmacht.

Artikel 98 - Samenstelling krijgsmacht

  1. De krijgsmacht bestaat uit vrijwillig dienenden en kan mede bestaan uit dienstplichtigen.

  2. De wet regelt de verplichte militaire dienst en de bevoegdheid tot opschorting van de oproeping in werkelijke dienst.

Artikel 99 - Gewetensbezwaren militaire dienst

De wet regelt vrijstelling van militaire dienst wegens ernstige gewetensbezwaren.

Artikel 99a - Civiele verdediging

Volgens bij de wet te stellen regels kunnen plichten worden opgelegd ten behoeve van de civiele verdediging.

Artikel 100 - Inlichtingen over krijgsmacht

  1. De regering verstrekt de Staten-Generaal vooraf inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. Daaronder is begrepen het vooraf verstrekken van inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht voor humanitaire hulpverlening in geval van gewapend conflict.

  2. Het eerste lid geldt niet, indien dwingende redenen het vooraf verstrekken van inlichtingen verhinderen. In dat geval worden inlichtingen zo spoedig mogelijk verstrekt.

Artikel 101 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 20 juli 1995

Artikel 102 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 22 juni 2000

Artikel 103 - Uitzonderingstoestand

  1. De wet bepaalt in welke gevallen ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid bij koninklijk besluit een door de wet als zodanig aan te wijzen uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd; zij regelt de gevolgen.

  2. Daarbij kan worden afgeweken van de grondwetsbepalingen inzake de bevoegdheden van de besturen van provincies, gemeenten en waterschappen, van de grondrechten geregeld in de artikelen 6, voor zover dit de uitoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen van het in dit artikel omschreven recht betreft, 7, 8, 9, 12, tweede en derde lid, en 13, alsmede van artikel 113, eerste en derde lid.

  3. Terstond na de afkondiging van een uitzonderingstoestand en voorts, zolang deze niet bij koninklijk besluit is opgeheven, telkens wanneer zij zulks nodig oordelen beslissen de Staten-Generaal omtrent het voortduren daarvan; zij beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 104 - Belastingheffing

Belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet. Andere heffingen van het Rijk worden bij de wet geregeld.

 
 

Artikel 105 - Recht van begroting

  1. De begroting van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt bij de wet vastgesteld.

  2. Jaarlijks worden voorstellen van algemene begrotingswetten door of vanwege de Koning ingediend op het in artikel 65 bedoelde tijdstip.

  3. De verantwoording van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt aan de Staten-Generaal gedaan overeenkomstig de bepalingen van de wet. De door de Algemene Rekenkamer goedgekeurde rekening wordt aan de Staten-Generaal overgelegd.

  4. De wet stelt regels omtrent het beheer van de financiën van het Rijk.

Artikel 106 - Geldstelsel

De wet regelt het geldstelsel.

Artikel 107 - Codificatie

  1. De wet regelt het burgerlijk recht, het strafrecht en het burgerlijk en strafprocesrecht in algemene wetboeken, behoudens de bevoegdheid tot regeling van bepaalde onderwerpen in afzonderlijke wetten.

  2. De wet stelt algemene regels van bestuursrecht vast.

Artikel 108 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 25 februari 1999

Artikel 109 - Rechtspositie ambtenaren

De wet regelt de rechtspositie van de ambtenaren. Zij stelt tevens regels omtrent hun bescherming bij de arbeid en omtrent medezeggenschap.

 

Artikel 110 - Openbaarheid van bestuur

De overheid betracht bij de uitvoering van haar taak openbaarheid volgens regels bij de wet te stellen.

 

Artikel 111 - Ridderorden

Ridderorden worden bij de wet ingesteld.
HOOFDSTUK 6

Rechtspraak INLEIDING

Artikel 112 - Civiele en administratieve rechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is opgedragen de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen.

  2. De wet kan de berechting van geschillen die niet uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, opdragen hetzij aan de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren. De wet regelt de wijze van behandeling en de gevolgen van de beslissingen.

Artikel 113 - Strafrechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van strafbare feiten.

  2. Tuchtrechtspraak door de overheid ingesteld wordt bij de wet geregeld.

  3. Een straf van vrijheidsontneming kan uitsluitend door de rechterlijke macht worden opgelegd.

  4. Voor berechting buiten Nederland en voor het oorlogsstrafrecht kan de wet afwijkende regels stellen.

Artikel 114 - Doodstraf

De doodstraf kan niet worden opgelegd.

Artikel 115 - Administratief beroep

Ten aanzien van de in artikel 112, tweede lid, bedoelde geschillen kan administratief beroep worden opengesteld.

Artikel 116 - Rechterlijke macht

  1. De wet wijst de gerechten aan die behoren tot de rechterlijke macht.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de rechterlijke macht.

  3. De wet kan bepalen, dat aan rechtspraak door de rechterlijke macht mede wordt deelgenomen door personen die niet daartoe behoren.

  4. De wet regelt het toezicht door leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast uit te oefenen op de ambtsvervulling door zodanige leden en door de personen bedoeld in het vorige lid.

Artikel 117 - Rechtspositie leden rechterlijke macht

  1. De leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal bij de Hoge Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet bepaald kunnen zij door een bij de wet aangewezen, tot de rechterlijke macht behorend gerecht worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 118 - Hoge Raad

  1. De leden van de Hoge Raad der Nederlanden worden benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. De Hoge Raad is in de gevallen en binnen de grenzen bij de wet bepaald, belast met de cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van het recht.

  3. Bij de wet kunnen aan de Hoge Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 119 - Ambtsmisdrijven

De leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreden terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.

Artikel 120 - Toetsingsverbod

De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.

Artikel 121 - Openbaarheid terechtzittingen

Met uitzondering van de gevallen bij de wet bepaald vinden de terechtzittingen in het openbaar plaats en houden de vonnissen de gronden in waarop zij rusten. De uitspraak geschiedt in het openbaar.

Artikel 122 - Gratie

  1. Gratie wordt verleend bij koninklijk besluit na advies van een bij de wet aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.

  2. Amnestie wordt bij of krachtens de wet verleend.

HOOFDSTUK 7

Decentralisatie INLEIDING

Artikel 123 - Instelling provincies en gemeenten

  1. Bij de wet kunnen provincies en gemeenten worden opgeheven en nieuwe ingesteld.

  2. De wet regelt de wijziging van provinciale en gemeentelijke grenzen.

Artikel 124 - Autonomie en medebewind

  1. Voor provincies en gemeenten wordt de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake hun huishouding aan hun besturen overgelaten.

  2. Regeling en bestuur kunnen van de besturen van provincies en gemeenten worden gevorderd bij of krachtens de wet.

Artikel 125 - Organen decentrale besturen

  1. Aan het hoofd van de provincie en de gemeente staan provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad. Hun vergaderingen zijn openbaar, behoudens bij de wet te regelen uitzonderingen.

  2. Van het bestuur van de provincie maken ook deel uit gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning, van het bestuur van de gemeente het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester.

Artikel 126 - Ambtsinstructie commissaris koning

Bij de wet kan worden bepaald, dat de commissaris van de Koning wordt belast met de uitvoering van een door de regering te geven ambtsinstructie.

Artikel 127 - Vaststelling verordening

Provinciale staten en de gemeenteraad stellen, behoudens bij de wet of door hen krachtens de wet te bepalen uitzonderingen, de provinciale onderscheidenlijk de gemeentelijke verordeningen vast.

Artikel 128 - Toekenning bevoegdheden

Behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 123, kan de toekenning van bevoegdheden, als bedoeld in artikel 124, eerste lid, aan andere organen dan die, genoemd in artikel 125, alleen door provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad geschieden.

Artikel 129 - Verkiezing vertegenwoordigend orgaan

  1. De leden van provinciale staten en van de gemeenteraad worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders, tevens ingezetenen van de provincie onderscheidenlijk de gemeente, die voldoen aan de vereisten die gelden voor de verkiezing van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Voor het lidmaatschap gelden dezelfde vereisten.
  2. De leden worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  3. De artikelen 53, tweede lid, en 59 zijn van toepassing. Artikel 57a is van overeenkomstige toepassing.
  4. De zittingsduur van provinciale staten en de gemeenteraad is vier jaren, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen.
  5. De wet bepaalt welke betrekkingen niet gelijktijdig met het lidmaatschap kunnen worden uitgeoefend. De wet kan bepalen, dat beletselen voor het lidmaatschap voortvloeien uit verwantschap of huwelijk en dat het verrichten van bij de wet aangewezen handelingen tot het verlies van het lidmaatschap kan leiden.
  6. De leden stemmen zonder last.

Artikel 130 - Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders

De wet kan het recht de leden van de gemeenteraad te kiezen en het recht lid van de gemeenteraad te zijn toekennen aan ingezetenen, die geen Nederlander zijn, mits zij tenminste voldoen aan de vereisten die gelden voor ingezetenen die tevens Nederlander zijn.

Artikel 131 - Benoeming commissaris Koning

De commissaris van de Koning en de burgemeester worden bij koninklijk besluit benoemd.

Artikel 132 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen

  1. De wet regelt de inrichting van provincies en gemeenten, alsmede de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen.

  2. De wet regelt het toezicht op deze besturen.

  3. Besluiten van deze besturen kunnen slechts aan voorafgaand toezicht worden onderworpen in bij of krachtens de wet te bepalen gevallen.

  4. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden bij koninklijk besluit wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

  5. De wet regelt de voorzieningen bij in gebreke blijven ten aanzien van regeling en bestuur, gevorderd krachtens artikel 124, tweede lid. Bij de wet kunnen met afwijking van de artikelen 125 en 127 voorzieningen worden getroffen voor het geval het bestuur van een provincie of een gemeente zijn taken grovelijk verwaarloost.

  6. De wet bepaalt welke belastingen door de besturen van provincies en gemeenten kunnen worden geheven en regelt hun financiële verhouding tot het Rijk.

Artikel 133 - Waterschappen

  1. De opheffing en instelling van waterschappen, de regeling van hun taken en inrichting, alsmede de samenstelling van hun besturen, geschieden volgens bij de wet te stellen regels bij provinciale verordening, voor zover bij of krachtens de wet niet anders is bepaald.

  2. De wet regelt de verordenende en andere bevoegdheden van de besturen van de waterschappen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen.

  3. De wet regelt het provinciale en overige toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 134 - Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

  1. Bij of krachtens de wet kunnen openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere openbare lichamen worden ingesteld en opgeheven.

  2. De wet regelt de taken en de inrichting van deze openbare lichamen, de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen. Bij of krachtens de wet kan aan hun besturen verordenende bevoegdheid worden verleend.

  3. De wet regelt het toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 135 - Gemeenschappelijke regelingen

De wet geeft regels ter voorziening in zaken waarbij twee of meer openbare lichamen zijn betrokken. Daarbij kan in de instelling van een nieuw openbaar lichaam worden voorzien, in welk geval artikel 134, tweede en derde lid, van toepassing is.

Artikel 136 - Geschillen

De geschillen tussen openbare lichamen worden bij koninklijk besluit beslist, tenzij deze behoren tot de kennisneming van de rechterlijke macht of hun beslissing bij de wet aan anderen is opgedragen.
HOOFDSTUK 8

Herziening grondwet INLEIDING

Artikel 137 - Grondwetswijziging

  1. De wet verklaart, dat een verandering in de Grondwet, zoals zij die voorstelt, in overweging zal worden genomen.

  2. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, een voorstel voor zodanige wet splitsen.

  3. Na de bekendmaking van de wet, bedoeld in het eerste lid, wordt de Tweede Kamer ontbonden.

  4. Nadat de nieuwe Tweede Kamer is samengekomen, overwegen beide kamers in tweede lezing het voorstel tot verandering, bedoeld in het eerste lid. Zij kunnen dit alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  5. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen een voorstel tot verandering splitsen.

Artikel 138 - Aanpassing niet gewijzigde bepalingen

  1. Voordat de in tweede lezing aangenomen voorstellen tot verandering in de Grondwet door de Koning worden bekrachtigd, kunnen bij de wet:

    a. de aangenomen voorstellen en de ongewijzigd gebleven bepalingen van de Grondwet voor zoveel nodig aan elkaar worden aangepast;

    b. de indeling in en de plaats van hoofdstukken, paragrafen en artikelen, alsmede de opschriften worden gewijzigd.

  2. Een voorstel van wet, houdende voorzieningen als bedoeld in het eerste lid onder a, kunnen de kamers alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 139 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De veranderingen in de Grondwet, door de Staten-Generaal aangenomen en door de Koning bekrachtigd, treden terstond in werking, nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 140 - Handhaving bestaande regelgeving

Bestaande wetten en andere regelingen en besluiten die in strijd zijn met een verandering in de Grondwet, blijven gehandhaafd, totdat daarvoor overeenkomstig de Grondwet een voorziening is getroffen.

Artikel 141 - Bekendmaking herziene Grondwet

De tekst van de herziene Grondwet wordt bij koninklijk besluit bekendgemaakt, waarbij hoofdstukken, paragrafen en artikelen kunnen worden vernummerd en verwijzingen dienovereenkomstig kunnen worden veranderd.

Artikel 142 - Aanpassing Grondwet aan Statuut

De Grondwet kan bij de wet met het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in overeenstemming worden gebracht. De artikelen 139, 140 en141 zijn van overeenkomstige toepassing.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

G. Leenknegt

ARTIKEL 91 - Goedkeuring verdrag

INHOUD
  1. Historie en huidige betekenis
  2. Het begrip ‘verdrag’
  3. Verdragsluiting
  4. Uitdrukkelijke en stilzwijgende goedkeuring
  5. Uitzonderingen op het goedkeuringsvereiste
  6. Referendum bij goedkeuring van verdragen
  7. Voorlopige toepassing
  8. Van de Grondwet afwijkende verdragen
  9. Historische versies
  10. Jurisprudentie
  11. Literatuur
 


Editie april 2014

1. Historie en huidige betekenis

Het sluiten van verdragen, ofwel het aangaan van overeenkomsten met andere staten of internationale organisaties, en het opzeggen daarvan zijn vanouds taken van het hoogste orgaan van de uitvoerende macht binnen de staat. Tot halverwege de negentiende eeuw was dat – internationaal gezien – gewoonlijk het staatshoofd; tegenwoordig is dat vrijwel steeds de regering. De Nederlandse regering is bevoegd namens het Koninkrijk der Nederlanden verdragen te sluiten.[1] Dat staat niet met zoveel woorden in de Grondwet, maar vloeit voort uit (onder meer) artikel 90, dat de regering opdraagt de internationale rechtsorde te bevorderen.[2] De Grondwet verzekert in artikel 91 dat ook de volksvertegenwoordiging is betrokken bij de sluiting van verdragen, door te eisen dat zij haar goedkeuring moet uitspreken alvorens het Koninkrijk aan verdragen wordt gebonden of deze worden opgezegd. Hiermee kan de volksvertegenwoordiging controle uitoefenen op het handelen van de regering in het kader van haar taak de internationale rechtsorde te bevorderen; het is een voorbeeld van de ‘checks and balances’ die de samenwerking tussen regering en volksvertegenwoordiging kenmerken. Daarnaast ligt er een democratie-element in besloten: uiteindelijk beslist de volksvertegenwoordiging of het Koninkrijk wordt gebonden aan verdragen en of deze binding wordt opgezegd. Artikel 91 geeft dus de grondslag voor de democratische legitimatie van het buitenlands beleid van de regering en biedt een aangrijpingspunt voor parlementaire controle op het handelen van de regering in dat kader.
 
Het instemmingsrecht van het parlement bij verdragsluiting is in de loop van de negentiende eeuw stap voor stap veroverd op de Koning en, na 1848, op de regering. Volgens de Grondwet van 1814 (artikel 38) kwam aan de Soeverein Vorst het recht toe verdragen te sluiten en te bekrachtigen; hij diende hiervan slechts kennis te geven aan de Staten-Generaal. De Grondwet van 1815 voegde daaraan toe dat indien een verdrag zou inhouden dat in vredestijd afstand werd gedaan van delen van het grondgebied van het Koninkrijk of de toenmalige overzeese bezittingen, de instemming van de Staten-Generaal was vereist alvorens de Koning tot bekrachtiging kon overgaan (artikel 58 Gw 1815; artikel 57 Gw 1840). De invoering van de politieke ministeriële verantwoordelijkheid met de Grondwet van 1848 had tot gevolg dat staatsrechtelijk gezien niet langer de Koning, maar de regering bevoegd was tot het sluiten en bekrachtigen van verdragen. Verder dienden volgens artikel 57 van de Grondwet van 1848 voortaan ook verdragen die ‘bepalingen of veranderingen, wettelijke regten betreffende,’ inhielden, door de Staten-Generaal te worden goedgekeurd alvorens tot bekrachtiging kon worden overgegaan. De Grondwet van 1887 (artikel 59) voegde daaraan nog toe dat verdragen die ‘aan het Rijk geldelijke verpligtingen opleggen’ moesten worden goedgekeurd door de Staten-Generaal.
 
Onder het regime van de Grondwet van 1922 was in beginsel steeds parlementaire goedkeuring – bij wet of rijkswet; zie paragraaf 3 – voor bekrachtiging van alle verdragen nodig, tenzij de wet anders bepaalde (artikel 58, Gw 1922). Maar daarbij had de term ‘verdrag’ een beperkte betekenis: alleen overeenkomsten die de plechtige traktaatsvorm hadden, vielen binnen de reikwijdte van de betreffende bepaling.[3] De Grondwet van 1953 legde opnieuw vast dat de eis van goedkeuring door de Staten-Generaal het uitgangspunt was, maar verklaarde deze voortaan van toepassing op alle overeenkomsten, en niet slechts op verdragen, met andere staten en met volkenrechtelijke organisaties. De Grondwet bevatte voorts een lijst met typen verdragen waarvoor goedkeuring niet was vereist (artikelen 60 en 62 Gw 1953). In de Grondwet van 1983 is ten slotte bepaald dat het Koninkrijk slechts aan verdragen wordt gebonden na parlementaire goedkeuring, waarbij de wet kan bepalen in welke gevallen geen goedkeuring is vereist. De term ‘verdrag’ heeft daarbij wel een ruime betekenis, (grotendeels) in overeenstemming met het gebruik van de term in het volkenrecht (zie paragraaf 2). De daar bedoelde wettelijke regeling is de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, die van kracht werd in 1994.[4]
 
Het belang van de internationale rechtsorde is vooral na de Tweede Wereldoorlog enorm toegenomen en ook na de grondwetsherziening van 1983 is de invloed van verdragsrecht en van daarvan afgeleid recht van internationale organisaties op onze rechtsorde nog sterk gegroeid. Een factor die daaraan heeft bijgedragen is het constitutionele monisme wat betreft de doorwerking van internationaal recht en de voorrang van een ieder verbindend verdragsrecht boven nationale regelgeving (zie het commentaar bij de artikelen 93 en 94). Met name het EVRM is, mede daardoor, van grote betekenis geworden voor de bescherming van grondrechten in ons land. Daarnaast hebben de EU-verdragen, het daarvan afgeleid EU-recht en, meer recent, het Handvest van de grondrechten van de EU bindende werking in de Nederlandse rechtsorde – niet krachtens de Grondwet, maar krachtens het EU-recht zelf. Bovendien is de omvang van het terrein waarover de Europese Unie regelgevende bevoegdheden uitoefent gestaag gegroeid.
 
De laatste jaren wordt deze vergaande invloed van internationaal en Europees recht regelmatig bekritiseerd.[5] Er zou steeds minder ruimte overblijven voor de Nederlandse wetgever om eigen afwegingen te maken, bijvoorbeeld ten aanzien van arbeidsmigratie of de aanpak van de financiële crisis, en teveel bevoegdheden zouden ‘weglekken’ naar het Europese niveau.  Dat men dan de aandacht onder meer richt op artikel 91 Grondwet, ligt voor de hand: de sluiting van een verdrag is het moment waarop wordt beslist over het aangaan van nieuwe verplichtingen in het kader van de internationale of Europese rechtsorde. De bepaling is daarom aangrijpingspunt voor discussies over een sterkere parlementaire betrokkenheid bij verdragsluiting en over het opwerpen van een hogere drempel voor het sluiten van bepaalde verdragen, zoals verdragen in het kader van de EU.[6]


2. Het begrip ‘verdrag’

In het volkenrecht heeft de term ‘verdrag’ een eigen betekenis, die grotendeels, maar niet volledig, overeenkomt met de betekenis van het begrip dat in de Grondwet wordt gebruikt. Volgens artikel 1, onder a, van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht moet onder een verdrag worden verstaan een schriftelijke internationale overeenkomst, neergelegd in een of meerdere samenhangende akten, gesloten tussen twee of meer staten, ongeacht de benaming die daaraan door de partijen wordt gegeven. Daarnaast omvat het begrip ook schriftelijke overeenkomsten tussen staten en internationale organisaties, en tussen internationale organisaties onderling (artikel 2, eerste lid, onder a, van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht tussen Staten en internationale organisaties of tussen internationale organisaties).  In de Grondwet is de betekenis van de term verdrag nog ruimer, omdat deze ook ongeschreven overeenkomsten omvat.[7] Een verdrag is dus volgens artikel 91 Grondwet elke bindende overeenkomst tussen staten en tussen en met internationale organisaties. Andere begrippen waarmee (al dan niet schriftelijke) overeenkomsten in het internationale verkeer worden aangeduid zijn onder meer traktaat, handvest, statuut, conventie, akte, pact, akkoord, overeenkomst, protocol en concordaat.[8] Ook de zogenoemde notawisselingen, waarbij een overeenkomst tot stand komt door uitwisseling van op elkaar afgestemde nota’s, zijn een vorm van een internationaal verdrag.


3. Verdragsluiting

De regels rondom verdragsluiting en het ontstaan van binding aan die verdragen voor de betreffende staten zijn deels volkenrechtelijk, deels in het nationale recht vastgelegd. Volgens het Weens verdrag inzake het verdragsrecht ontstaat in beginsel volkenrechtelijke binding aan een verdrag door ondertekening daarvan door een vertegenwoordiger van de betreffende staat, waartoe in elk geval het staatshoofd, de regeringsleider (minister-president) en de minister van buitenlandse zaken worden gerekend.[9] Wanneer het verdrag voorziet in een afzonderlijk moment van bekrachtiging, ontstaat de binding niet door ondertekening van de overeengekomen tekst, maar door de bekrachtiging (ook wel aangeduid als ratificatie). Zo’n afzonderlijk moment van bekrachtiging geeft de verdragsluitende staten de ruimte om het verdrag, wanneer het nationale recht dat voorschrijft, te onderwerpen aan een goedkeuringsprocedure. Dat kan een vorm van parlementaire goedkeuring zijn, zoals in Nederland is vereist, of een referendum, dat bijvoorbeeld in Ierland is vereist om verdragen te kunnen bekrachtigen die tot wijziging van de Grondwet noodzaken,[10] of nog een andere procedure. Als de door het nationale recht voorgeschreven procedure is afgerond en er geen belemmeringen zijn, volgt bekrachtiging, waarmee volkenrechtelijke binding ontstaat. Wordt geen parlementaire goedkeuring verkregen, of levert een door een nationale grondwet voorgeschreven bindend referendum een ‘nee’ op, dan blijft bekrachtiging achterwege en wordt de betreffende staat niet aan het verdrag gebonden.[11] Voorziet een verdrag niet in een afzonderlijk moment van bekrachtiging, dan kan een staat zelf bij de ondertekening een voorbehoud maken om ruimte te creëren voor een naar nationaal recht voorgeschreven goedkeuringsprocedure. De volkenrechtelijke binding ontstaat dan wanneer die goedkeuring is verkregen, omdat daarmee het gemaakte voorbehoud vervalt.
 
Volgens artikel 91 van de Grondwet[12] wordt het Koninkrijk pas aan verdragen gebonden na goedkeuring daarvan door de Staten-Generaal. Dat houdt, gezien het bovenstaande, in dat wanneer een verdrag zelf niet in een afzonderlijk moment van bekrachtiging voorziet, de regering de overeengekomen tekst dient te tekenen onder uitdrukkelijk voorbehoud van parlementaire goedkeuring, om te voorkomen dat het Koninkrijk al direct bij de ondertekening volkenrechtelijk wordt gebonden.
 
Het volkenrecht is uiteindelijk bepalend voor het ontstaan van binding aan een verdrag. Een eventuele schending van nationale (grond)wettelijke voorschriften over verdragsluiting heeft niet tot gevolg dat volkenrechtelijk geen binding ontstaat. Wanneer bijvoorbeeld een vertegenwoordiger van de regering zijn handtekening zou plaatsen ter bekrachtiging van een verdrag, zonder dit verdrag ter goedkeuring aan de Staten-Generaal te hebben voorgelegd, zou het Koninkrijk toch aan dat verdrag zijn gebonden. Het Weens verdrag voorziet wel in een uitzondering: wanneer het klaarblijkelijk en objectief duidelijk is (‘onmiskenbaar’) dat door de staat geen binding is gewenst, en het verdrag een regel van fundamenteel belang voor de staat betreft, ontstaat geen binding.[13]
 
De Nederlandse rechter is niet bevoegd te oordelen over de vraag of een verdrag op de juiste wijze is tot stand gekomen. Artikel 120 Grondwet verbiedt de rechter een eenmaal gesloten verdrag te toetsen aan de Grondwet en maakt ook toetsing van een goedkeuringswet, zowel wat betreft de inhoud als wat betreft de wijze van totstandkoming, aan de Grondwet onmogelijk.[14] Rechterlijke toetsing van een goedkeuringswet aan het Statuut voor het Koninkrijk en aan algemene rechtsbeginselen is eveneens onmogelijk.[15] Ook rechterlijke tussenkomst terwijl een goedkeuringswet nog bij een van de Kamers van de Staten-Generaal aanhangig is, is naar Nederlands recht uitgesloten: het beginsel van machtenscheiding staat daaraan in de weg.[16]
 
Opmerking verdient ten slotte dat verdragen door de Nederlandse regering worden gesloten voor het gehele Koninkrijk; de binding die tot stand wordt gebracht geldt dus niet alleen voor Nederland, maar ook voor de andere landen binnen het Koninkrijk. De werking van een verdrag kan desgewenst worden beperkt tot een of meer van de afzonderlijke landen, maar dan moet dat in het betreffende verdrag uitdrukkelijk worden aangegeven.[17]


4. Uitdrukkelijke en stilzwijgende goedkeuring

Volgens het eerste lid van artikel 91 wordt het Koninkrijk niet gebonden aan verdragen, en worden verdragen niet opgezegd, zonder voorafgaande parlementaire goedkeuring.[18] Het tweede lid van artikel 91 voorziet in de mogelijkheid van stilzwijgende goedkeuring door de Staten-Generaal. Dat betekent dat er twee vormen van goedkeuring zijn: de uitdrukkelijke en de stilzwijgende. De Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen[19] regelt de beide vormen van goedkeuring. Nadat een verdrag is gesloten, wordt de tekst daarvan zo spoedig mogelijk voorgelegd aan de beide Kamers van de Staten-Generaal en aan de Staten van Aruba, Curaçao en Sint Maarten, indien het verdrag ook hen betreft (artikel 2 van de Rijkswet). De tekst wordt dan – voorafgaand aan de goedkeuringsprocedure – ook gepubliceerd in het Tractatenblad. De goedkeuring wordt vervolgens geacht stilzwijgend te zijn verleend wanneer niet binnen dertig dagen na de kennisgeving van de verdragstekst aan de Staten-Generaal door een van de Kamers, of door een vijfde van het aantal leden van een van Kamers, de wens tot uitdrukkelijke goedkeuring is uitgesproken. Ook de Gevolmachtigde Minister van Aruba, Curaçao of Sint Maarten kan de wens daartoe uitspreken, indien het verdrag het betreffende land raakt (artikel 5 van de Rijkswet). Van de Grondwet afwijkende verdragen kunnen niet stilzwijgend worden goedgekeurd; voor dergelijke verdragen is steeds uitdrukkelijke goedkeuring vereist (artikel 6 van de Rijkswet; zie hierover paragraaf 8).
 
Indien uitdrukkelijke goedkeuring wordt verlangd of is vereist, dient die bij wet te worden verleend (artikel 4 van de Rijkswet). De regering dient dan zo spoedig mogelijk een voorstel voor een goedkeuringswet in. Daarin is niet de tekst van het verdrag opgenomen, maar slechts een verwijzing naar het verdrag dat onderwerp is van de goedkeuring, zoals dat is gepubliceerd in het Tractatenblad. Verder kan daarin desgewenst worden aangegeven in hoeverre de binding van het verdrag van toepassing is op de verschillende delen van het Koninkrijk en wordt melding gemaakt van eventuele voorbehouden die bij de sluiting van het verdrag zijn gemaakt. Bij het verlenen van de goedkeuring stemmen de Staten-Generaal dus niet slechts in met het eigenlijke verdrag, maar ook met alle andere onderdelen van de goedkeuringswet (behoudens de mogelijkheid van amendering van het wetsvoorstel door de Tweede Kamer; zie ook hieronder).
 
Het voorstel wordt door de beide Kamers van de Staten-Generaal behandeld op de wijze die is voorgeschreven in de artikelen 81 tot en met 88 Grondwet. In de meeste gevallen geschiedt goedkeuring bij Rijkswet, omdat verdragen in beginsel het gehele Koninkrijk beogen te binden. Vertegenwoordigers van de andere landen binnen het Koninkrijk, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, zijn dan betrokken bij de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel (artikelen 15 tot en met 19 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden). De Grondwet eist niet dat alle verdragen bij Rijkswet worden goedgekeurd, maar de verdragen die (ook) de Caribische landen van het Koninkrijk aangaan worden steeds bij Rijkswet goedgekeurd.[20]
 
De invloed die de Staten-Generaal op de inhoud van een overeengekomen verdrag kunnen uitoefenen bij de behandeling van het voorstel voor een goedkeuringswet is zeer beperkt. Aan de beide Kamers ligt een wetsvoorstel betreffende de goedkeuring van een in het Tractatenblad gepubliceerde tekst voor; zij kunnen die verdragstekst goedkeuren of hun goedkeuring onthouden. De Tweede Kamer heeft weliswaar het recht van amendement ten aanzien van de goedkeuringswet, maar wijzigingen aanbrengen in de tekst van het verdrag, die als zodanig geen onderdeel uitmaakt van de goedkeuringswet, is bij behandeling van de goedkeuringswet niet mogelijk. In goedkeuringswetten worden soms, naast de eigenlijke goedkeuring, ook zaken geregeld die met de goedkeuring samenhangen, maar niet op de verdragstekst als zodanig betrekking hebben; slechts die onderdelen van het wetsvoorstel kan de Tweede Kamer wijzigen.[21] Wanneer de Staten-Generaal zouden verlangen dat de verdragstekst wordt aangepast alvorens de goedkeuring kan worden verleend, zou dat problemen opleveren. De verdragstekst is immers ook door de andere verdragsluitende partijen ondertekend en als die moet worden aangepast, zal in regel heronderhandelen met alle verdragsluitende partijen nodig zijn.
 
In 2006 werd door Kamerleden Herben en Van der Staaij een wetsvoorstel aanhangig gemaakt dat voorziet in wijziging van artikel 91 Grondwet. De strekking daarvan is dat de goedkeuring van verdragen tot wijziging van de verdragen waarop de Europese Unie is gegrondvest en van verdragen betreffende de toetreding van nieuwe lidstaten tot de Unie steeds uitdrukkelijk moet worden verleend, met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen in de beide Kamers.[22] Daarmee wordt de wijze van goedkeuring van dergelijke verdragen gelijk aan de procedure die krachtens het derde lid geldt voor van de Grondwet afwijkende verdragen (zie paragraaf 8). De gedachte daarachter is dat verdragen in EU-verband steeds een grote impact op de Nederlandse rechtsorde hebben en vaak gepaard gaan met de overdracht van belangrijke bevoegdheden aan de instellingen van de Unie. Die verdragen zouden daarom een sterkere democratische legitimatie verdienen.[23] Het voorstel is in eerste lezing in behandeling bij de Tweede Kamer.
 
De Staatscommissie Grondwet die in november 2010 over herziening van de Grondwet rapporteerde, merkt in haar eindrapport op dat verdragen waarbij bevoegdheden worden overgedragen aan internationale organisaties of die een ieder verbindende bepalingen bevatten, vaak stilzijgend worden goedgekeurd. Uitdrukkelijke goedkeuring is echter van belang omdat daarmee democratische legitimering voor de binding aan dergelijke verdragen wordt verschaft. Zij acht het in dat licht wenselijk dat voor dergelijke verdragen altijd uitdrukkelijke goedkeuring zou zijn vereist. Een aanpassing van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen zou daarvoor volstaan.[24]


5. Uitzonderingen op het goedkeuringsvereiste

Niet alle verdragen die namens Nederland worden gesloten behoeven de goedkeuring van de Staten-Generaal. Volgens de tweede volzin van het eerste lid van artikel 91 bepaalt de wet in welke gevallen goedkeuring niet is vereist. Zoals hierboven al is opgemerkt, dient een verdrag dat bepalingen bevat die afwijken van de Grondwet steeds uitdrukkelijk te worden goedgekeurd; wanneer dat niet het geval is, zijn er uitzonderingen op het goedkeuringsvereiste mogelijk.[25] Volgens artikel 7 van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen is goedkeuring niet vereist voor verdragen waarvoor zulks bij (andere) wet is vastgesteld, niet voor verdragen die slechts tot uitvoering van een goedgekeurd verdrag strekken, niet voor verdragen die geen belangrijke geldelijke verplichtingen aan het Koninkrijk opleggen en voor hoogstens een jaar zijn gesloten, niet voor buitengewone gevallen van dwingende aard waarin het noodzakelijk is dat een verdrag een geheim of vertrouwelijk karakter heeft, niet voor verlenging van een aflopend verdrag en niet voor wijziging van bijlagen die slechts uitvoering geven aan een onderdeel van een goedgekeurd verdrag. De redenen hiervoor zijn vooral van praktische aard: het ligt niet voor de hand de tamelijk uitgebreide goedkeuringsprocedure in de Staten-Generaal te verlangen wanneer het gaat om verdragen die vaak voorkomende en weinig belangwekkende of juist zeer dringende of vertrouwelijke zaken betreffen.
 
Wanneer goedkeuring van een verdrag zou uitblijven om een reden die niet in artikel 7 van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen is vermeld, is het verdrag in strijd met het grondwettelijke goedkeuringsvereiste totstandgekomen. Immers, de wettelijke uitzonderingen zouden dan niet van toepassing zijn, zodat het verdrag in overeenstemming met het bepaalde in artikel 91 had moeten worden goedgekeurd. Artikel 120 verbiedt dan echter toetsing van deze onjuiste wijze van totstandkoming van het verdrag aan artikel 91 Grondwet. Bovendien zou het verdrag na bekrachtiging toch het Koninkrijk binden jegens de andere verdragsluitende partijen (zie paragraaf 3).


6. Referendum bij goedkeuring van verdragen

Voor goedkeuring van een verdrag is volgens de Grondwet geen referendum vereist. De Wet raadgevend referendum[26] maak het niettemin mogelijk wetten, waaronder goedkeuringswetten voor verdragen, aan een referendum te onderwerpen, voor zover het gaat om de goedkeuring van verdragen die binnen het Koninkrijk uitsluitend voor Nederland (of een deel daarvan) gelden.[27] Ook de stilzwijgende goedkeuring van dergelijke verdragen kan aan een referendum worden onderworpen.[28] Een inleidend verzoek tot een dergelijk referendum kan worden gedaan door 10.000 kiesgerechtigden; vervolgens moeten 300.000 kiesgerechtigden dit verzoek ondersteunen om een referendum te kunnen houden.
 
Ook de regering en Staten-Generaal kunnen, wanneer zij dat wenselijk zouden vinden, voorafgaand aan de goedkeuringsprocedure een raadgevend referendum organiseren over de goedkeuring van een verdrag dat de regering heeft ondertekend. Dat kan niet op basis van de genoemde Wet raadgevend referendum; een referendum moet dan bij afzonderlijke wet worden georganiseerd.
 
In 2005 werd in Nederland op initiatief van de regering een raadgevend referendum georganiseerd over de goedkeuring van het door de regering ondertekende Verdrag tot vaststelling van een grondwet voor Europa.[29] De vraag die daarbij voorlag aan de stemgerechtigde burgers was, of men voor of tegen instemming door Nederland met het Verdrag tot vaststelling van een grondwet voor Europa was.[30] Hoewel dat geen bindend referendum was, had de Tweede Kamer vooraf aangegeven de uitkomst ervan bij een voldoende hoge opkomst te zullen respecteren.[31] Nadat 61,6% van de deelnemende kiezers tegen instemming met het verdrag bleek te hebben gestemd, besloot de regering geen voorstel voor een goedkeuringswet bij de Tweede Kamer in te dienen. Ook de Franse kiezers hadden enkele dagen eerder het verdrag in een referendum in meerderheid afgewezen. Het gevolg was dat het bekrachtigingstraject van het verdrag strandde. Het Verdrag van Lissabon, dat in belangrijke mate was gebaseerd op het verworpen verdrag maar niet de vormen van een grondwettelijk verdrag bezigde, werd in Nederland (onder meer op advies van de Raad van State[32]) niet meer aan een referendum onderworpen, maar volgens de gebruikelijke rondwettelijke procedure goedgekeurd.[33]
 
De regering en de beide Kamers van de Staten-Generaal kunnen de uitkomst van een eventueel referendum als een zwaarwegend advies van de kiesgerechtigde bevolking laten meewegen bij hun beslissing over de goedkeuring van een verdrag, maar een bindend referendum is grondwettelijk niet mogelijk. Uit de artikelen 81 en 91 van de Grondwet vloeit voort dat de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk, ongeacht de uitkomst van een eventueel referendum, altijd de uiteindelijke verantwoordelijkheid hebben om te besluiten over de goedkeuring van verdragen.


7. Voorlopige toepassing

Een verdrag dat door de regering is ondertekend, maar dat nog niet is goedgekeurd en bekrachtigd, kan onder voorwaarden al voorlopige toepassing krijgen in afwachting van inwerkingtreding. Artikel 25 van het Weens verdrag voorziet in algemene zin in die mogelijkheid omdat een snelle toepassing van verdragen nodig kan zijn om voortvarend te werk te kunnen gaan bij de aanpak van plotselinge crises, de bestrijding van terrorisme of andere dringende zaken. De plicht tot voorlopige toepassing kan ook in een verdrag zelf worden opgenomen. Dit gebeurde bijvoorbeeld bij de IAEA (International Atomic Energy Agency) Convention on Early Notification of a Nuclear Accident en de IAEA Convention on Assistance in the Case of a Nuclear Accident or Radiological Emergency,[34] waarmee in 1986 werd gereageerd op de rampsituatie die het gevolg was van de explosie in de kerncentrale nabij de Oekraïense stad Tsjernobyl.
 
Voor Nederland is de voorlopige toepassing van verdragen geregeld in artikel 15 van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen. Deze bepaling wordt wel gezien als een uitzondering op het goedkeuringsvereiste, bedoeld in artikel 91, eerste lid, tweede volzin, van de Grondwet (zie paragraaf 5),[35] maar in de regel volgt na voorlopige toepassing toch een goedkeuringsprocedure, tenzij die om een andere, in de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen genoemde, reden niet is vereist.
 
Van voorlopige toepassing van een verdrag dient de regering altijd onverwijld mededeling aan de Staten-Generaal te doen (artikel 15, vierde lid, Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen). Daarnaast is voorlopige toepassing aan een aantal voorwaarden en grenzen gebonden. Voorlopige toepassing is volgens artikel 15, eerste lid, van de Rijkswet niet mogelijk wanneer het gaat om verdragen die afwijken van de Grondwet; volgens het tweede lid van die bepaling geldt hetzelfde wanneer het gaat om verdragen die de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeven en die afwijken van de wet.
 
Voorlopige toepassing van naar het oordeel van de regering eenieder verbindende bepalingen (ofwel bepalingen die naar hun aard concrete rechten of verplichtingen voor burgers in het leven roepen; zie het commentaar bij de artikelen 93 en 94 Grondwet) is pas mogelijk na bekendmaking van de betreffende verdragsbepalingen (artikel 15, derde lid, van de Rijkswet). Daarmee wordt, blijkens artikel 19, eerste lid, van de Rijkswet bedoeld dat voorlopige toepassing mogelijk is vanaf de eerste dag van de tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het Tractatenblad waarin de tekst werd gepubliceerd. De Minister van Buitenlandse Zaken kan volgens artikel 19, tweede lid, van de Rijkswet besluiten die termijn te verkorten, maar niet verder dan de dag na de datum van publicatie in het Tractatenblad. Voorlopige toepassing voorafgaand aan de bekendmaking zou in strijd zijn met artikel 93 Grondwet, waarin is bepaald dat eenieder verbindende bepalingen van verdragen pas bindende werking hebben nadat zij zijn bekendgemaakt (zie het commentaar aldaar). Zo’n situatie was bijvoorbeeld aan de orde bij het verdrag betreffende de toetreding van Noorwegen en IJsland, als landen van de Europese Gemeenschappelijke Luchtvaartruimte, tot het verdrag inzake luchtvervoer tussen de Europese Unie en haar lidstaten en de Verenigde Staten van Amerika.[36] De Nederlandse regering wenste voorlopige toepassing van het verdrag vanaf de datum van ondertekening. De Afdeling advisering van de Raad van State wees er in zijn advies over het voorstel voor de goedkeuringswet echter op dat voorlopige toepassing, gelet op artikel 93 Grondwet en de betreffende bepalingen van de Rijkswet, slechts mogelijk was vanaf de dag na de datum van publicatie in het Tractatenblad.[37]
 
Voor (naar het oordeel van de regering) niet eenieder verbindende bepalingen van verdragen die niet afwijken van de wet of de Grondwet, gelden de genoemde beperkingen niet. Dat betekent dat voorlopige toepassing dan kan aanvangen direct na de ondertekening van het verdrag, nog voor plaatsing van de tekst in het Tractatenblad.
 
De Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen vermeldt ten aanzien van de voorlopige toepassing slechts dat de regering deze kan bewerkstelligen. Wat dat precies betekent, wordt niet nader aangeduid, maar het ligt voor de hand dat regering ervoor zorgt dat bestuursorganen binnen het gehele Koninkrijk op de hoogte worden gesteld van de wens tot voorlopige toepassing en dat zij worden verzocht te handelen in overeenstemming met de bepalingen van het desbetreffende verdrag. Of de rechter voorlopige toepassing zal geven aan een ieder verbindende verdragsbepalingen voorafgaand aan de goedkeuring, bepaalt de rechter echter zelf. Gelet op het rechtsstatelijke beginsel van de scheiding van machten is het niet aan het bestuur om voorlopige toepassing van verdragsrecht door de rechter te bewerkstelligen.


8. Van de Grondwet afwijkende verdragen

Volgens het derde lid van artikel 91 is een tweederde meerderheid in de beide Kamers nodig voor de goedkeuring van verdragen die van de Grondwet afwijken of daartoe nopen. Dergelijke verdragen kunnen dus wel worden gesloten en goedgekeurd, maar daarbij is een versterkte meerderheid in de Staten-Generaal nodig. Aangezien een eenmaal goedgekeurd verdrag dat afwijkt van de Grondwet krachtens artikel 94 Grondwet voorrang heeft boven de Grondwet, is goedkeuring van een dergelijk verdrag enigszins vergelijkbaar met een grondwetswijziging. In dat licht is de vereiste tweederde meerderheid voor parlementaire goedkeuring te begrijpen.[38] Van afwijking van de Grondwet zoals bedoeld in artikel 91, derde lid, is alleen sprake wanneer verdragsbepalingen afwijken van concrete, specifieke bepalingen in de Grondwet, waarbij de onderliggende uitgangspunten en de strekking van de bepaling in aanmerking moeten worden genomen. Verdragsbepalingen die alleen afwijken van de geest, strekking of systematiek van de Grondwet, maar niet zijn terug te voeren op concrete bepalingen, worden geacht niet van de Grondwet af te wijken en kunnen zonder een versterkte meerderheid worden goedgekeurd.[39]
 
Deze bepaling roept verschillende vragen op. Wie beslist of een verdrag afwijkt van de Grondwet, zodat het met een versterkte meerderheid moet worden goedgekeurd? De goedkeuring geschiedt bij wet, zoals hierboven aangegeven, hetgeen betekent dat bij die goedkeuring de regering, de Tweede Kamer en de Eerste Kamer zijn betrokken. Elk van deze organen kan in beginsel een eigen oordeel hebben over de vraag of een verdrag afwijkt van de Grondwet.
 
Wanneer de regering van opvatting is dat een verdrag afwijkt van de Grondwet, dient zij dat in het voorstel voor de goedkeuringswet tot uitdrukking te brengen (artikel 6, tweede lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen). De gebruikelijke gang van zaken zou dan volgens de Grondwet zijn dat de beide Kamers het voorstel ofwel met een tweederde meerderheid goedkeuren, ofwel de goedkeuring aan het voorstel onthouden. De Tweede Kamer kan echter ook een ander oordeel hebben dan de regering over de vraag of het verdrag afwijkt van de Grondwet. Een (gewone) Kamermeerderheid zou dan het voorstel voor de goedkeuringswet kunnen amenderen en de bepaling waarin de afwijking van de Grondwet wordt vermeld kunnen schrappen. Daarna kan het voorstel dan toch met een gewone meerderheid worden goedgekeurd. Andersom zou de Tweede Kamer ook van opvatting kunnen zijn dat een verdrag afwijkt van de Grondwet, terwijl de regering dat niet vindt. De Kamer kan dan het voorstel voor de goedkeuringswet met een gewone meerderheid amenderen en het daarna met een tweederde meerderheid goedkeuren.
 
Vervolgens kan men zich afvragen in hoeverre de Eerste Kamer is gebonden aan het oordeel van de Tweede Kamer omtrent de afwijking van de Grondwet. De gangbare opvatting lijkt te zijn dat wanneer de Eerste Kamer vindt dat een verdrag afwijkt, terwijl de regering en de Tweede Kamer hebben geoordeeld dat dat niet het geval is, de Eerste Kamer het voorstel voor de goedkeuringswet dient te verwerpen.[40] Immers, het voorstel voor de goedkeuringswet vermeldt dan niet dat het verdrag afwijkt van de Grondwet, zoals de Rijkswet voorschrijft; de Eerste Kamer staat voor de keuze om ofwel te accepteren dat het verdrag niet afwijkt van de Grondwet en het voorstel voor de goedkeuringswet met een (gewone) meerderheid te aanvaarden, ofwel het voorstel te verwerpen omdat zij oordeelt dat het verdrag wél afwijkt van de Grondwet en het voorstel voor de goedkeuringswet dus een gebrek vertoont. Hetzelfde zou, logischerwijs, moeten gelden wanneer de regering en de Tweede Kamer van oordeel zijn dat een verdrag afwijkt van de Grondwet, en een meerderheid in de Eerste Kamer niet.
 
Overigens is Besselink op dit punt een andere opvatting toegedaan. Hij stelt vast dat in de constitutionele verhoudingen tussen de beide Kamers in ons tweekamerstelsel elke Kamer een eigen taak met bijbehorende bevoegdheden heeft en eigen afwegingen maakt. De Eerste Kamer kan zich daarom, naar zijn opvatting, steeds een eigen oordeel vormen over de vraag of het verdrag afwijkt. Afhankelijk daarvan kan zij het voorstel met een gewone dan wel een tweederde meerderheid aanvaarden, wanneer zij het wenselijk zou vinden dat het Koninkrijk aan het verdrag wordt gebonden; als zij dat niet wenselijk zou achten, kan zij het voorstel verwerpen.[41]
 
De bovenstaande verschillen van inzicht lijken vooral theoretisch van waarde te zijn. In de praktijk verloopt de goedkeuring van verdragen die van de Grondwet afwijken niet altijd geheel overeenkomstig de geschetste grondwettelijke procedure. In slechts drie gevallen werd een verdrag ter goedkeuring aan de Staten-Generaal voorgelegd dat naar het oordeel van de regering afweek van de Grondwet. Het eerste geval betrof het verdrag tot oprichting van de Europese Defensie Gemeenschap van 27 mei 1952.[42] Bij de behandeling in de Tweede Kamer van de goedkeuringswet in 1954[43]rees twijfel over de vraag of het verdrag afweek van de Grondwet, waarna in het voorstel voor de goedkeuringswet werd opgenomen dat het diende te worden behandeld ‘voor zooveel nodig’ met toepassing van de procedure van (het huidige) artikel 91, derde lid. Een tweede geval was dat van het op 15 augustus 1962 gesloten verdrag tussen het Koninkrijk en Indonesië inzake Westelijk Nieuw Guinea;[44] een derde geval betrof de goedkeuring van het op 17 juli 1998 totstandgekomen Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof.[45] Ook in deze beide gevallen werd in het voorstel voor de goedkeuringswet gesteld dat het betreffende verdrag ‘voor zoveel’ of ‘voorzover’ er sprake zou zijn van afwijking van de Grondwet met toepassing van (het huidige) artikel 91, derde lid, Grondwet diende te worden goedgekeurd. In het laatste geval was de regering aanvankelijk van oordeel dat het verdrag niet van de Grondwet afweek, maar werd de verwijzing naar artikel 91, derde lid, in het voorstel voor de goedkeuringswet opgenomen naar aanleiding van het advies van de Raad van State.[46] In geen van deze gevallen werd in het voorstel voor de goedkeuringswet aangegeven van welke bepalingen in de Grondwet het verdrag zou afwijken, terwijl dat, gelet op betekenis die de grondwetgever aan het begrip ‘afwijken’ toekent, wel zou hebben moeten gebeuren. De gekozen formuleringen in de goedkeuringswetten lijken vooral op onzekerheid omtrent die afwijking te duiden.
 
Overigens is bij de goedkeuring van andere verdragen ook wel de vraag opgeworpen of zij afweken van de Grondwet. Dat was onder meer het geval bij de goedkeuring van het Verdrag van Lissabon, maar daarbij werd in de toelichting bij het wetsvoorstel gesteld dat er geen sprake was van afwijking in de zin van artikel 91 Grondwet.[47]
 
Het enige bekende voorbeeld van een scenario waarbij de Eerste Kamer een andere opvatting huldigde dan de regering en de Tweede Kamer over de vraag of een verdrag afweek van de Grondwet is het zogenoemde Lockerbie-verdrag, waarmee een Schots hof werd ingesteld dat op Nederlandse bodem twee verdachten van een terroristische aanslag zou gaan berechten.[48] De regering en de Tweede Kamer waren bij de behandeling van de goedkeuringswet niet van oordeel dat het verdrag afweek van de Grondwet; de Eerste Kamer meende in meerderheid dat dat wel het geval was. De Eerste Kamer constateerde echter dat de Tweede Kamer het wetsvoorstel met algemene stemmen had aangenomen, en dat het daarmee dus de tweederde meerderheid had verkregen die is vereist voor goedkeuring van een verdrag dat afwijkt van de Grondwet. De Eerste Kamer nam het voorstel vervolgens met algemene stemmen aan.[49] Het effect van deze wijze van handelen door de Eerste Kamer lijkt nogal gering: de door haar aangenomen afwijking komt in de goedkeuringswet nu niet tot uitdrukking, zoals 6, tweede lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking van verdragen voorschrijft.
 
Wanneer een verdrag wordt goedgekeurd (en daarna bekrachtigd) dat afwijkt van de Grondwet, kan toepassing van de Grondwet in strijd komen met dat verdrag. Voor zover het verdrag een ieder verbindende bepalingen in de zin van artikel 94 Grondwet bevat, dienen het bestuur en de rechter dan in voorkomend geval de Grondwet buiten toepassing te laten en overeenkomstig de verdragsbepalingen te handelen. Ongeacht de aard van de verdragsbepalingen dient de wetgever de verplichtingen die het Koninkrijk is aangegaan te respecteren en de wetgeving aan te passen indien dat nodig is. Er is echter geen verplichting voor de grondwetgever om de Grondwet aan te passen, zodat die in overeenstemming wordt gebracht met het verdrag.
 
De Staatscommissie Grondwet pleit in haar eindrapport uit 2010 voor een ruimere uitleg van artikel 91, derde lid, waar het gaat om de betekenis van het begrip ‘afwijken’. Een sterkere democratische legitimatie – een tweederde meerderheid in de beide Kamers van de Staten-Generaal – zou ook wenselijk zijn voor verdragen die weliswaar niet afwijken van concrete bepalingen in de Grondwet, maar desondanks grote gevolgen zullen hebben voor de Nederlandse rechtsorde. De Staatscommissie slaagt er in haar rapport echter niet in nauwkeurig aan te duiden om welke typen verdragen het dan zou moeten gaan. De meerderheid van de Staatscommissie pleit voorts niet voor verdere aanpassing van de huidige grondwettelijke goedkeuringsprocedure die, zoals hierboven werd uiteengezet, enige onduidelijkheid laat in het geval de bij de goedkeuring betrokken organen van opvatting verschillen over de vraag of een verdrag afwijkt van de Grondwet.[50]


9. Historische versies

Eerste lid:
Art. 38 Gw 1814: Aan Hem alleen is, behoudens de kennisgeving daarvan aan de Staten Generaal, opgedragen het regt, om alle verbonden en verdragen te doen sluiten en te bekrachtigen; aan Hem behoort dienvolgens het bestuur der buitenlandsche betrekkingen mitsgaders het benoemen en herroepen van Gezanten en Consuls.
Art. 58 Gw 1815: Insgelijks wordt aan den Koning opgedragen het regt om alle andere verbonden en verdragen te doen sluiten en te bekrachtigen.
Hij geeft daarvan kennis aan de beide kamers der Staten Generaal, zoo dra Hij oordeelt dat het belang en de zekerheid van het Rijk zulks toelaten.
Ingevalle de verbonden en verdragen, in tijd van vrede gesloten, mogten inhouden eeni¬ge afstand of ruiling van een gedeelte van het grondgebied des Rijks of van deszelfs bezittingen in andere werelddeelen, worden dezelve door den Koning niet bekrachtigd, dan na dat de Staten Generaal op dezelve hunne goedkeuring hebben gegeven (art. 57 Gw. 1840).
Art. 57 Gw 1848: De Koning maakt en bekrachtigt vredes  en alle andere verdragen met vreemde mogendheden.
Hij deelt den inhoud dier verdragen mede aan de beide Kamers der Staten Generaal, zoodra hij oordeelt dat het belang en de zekerheid van het Rijk zulks toelaten.
Verdragen, welke, hetzij afstand of ruiling van eenig grondgebied des Rijks in Europa of in andere werelddeelen, hetzij eenige andere bepaling of verandering, wettelijke regten betreffende, inhouden, worden door den Koning niet bekrachtigd, dan nadat de Staten Generaal die bepaling of verandering hebben goedgekeurd.
Art. 59 Gw 1887: De Koning sluit en bekrachtigt alle verdragen met vreemde Mogendheden. Hij deelt den inhoud dier verdragen mede aan de beide Kamers der Staten Generaal, zoodra Hij oordeelt dat het belang van den Staat dit toelaat.
Verdragen die wijziging van het grondgebied van den Staat inhouden, die aan het Rijk geldelijke verpligtingen opleggen of die eenige andere bepaling, wettelijke regten betreffende, inhouden, worden door den Koning niet bekrachtigd dan na door de Staten Generaal te zijn goedgekeurd.
Deze goedkeuring wordt niet vereischt, indien de Koning zich de bevoegdheid tot het sluiten van het verdrag bij de wet heeft voorbehouden.
Art. 58 Gw 1922: De Koning sluit en bekrachtigt alle verdragen met vreemde Mogendheden.
Tenzij de Koning zich de bevoegdheid tot het bekrachtigen van het verdrag bij de wet heeft voorbehouden, wordt een verdrag niet bekrachtigd, dan nadat het door de Staten Generaal is goedgekeurd.
Toetreding tot en opzegging van verdragen geschiedt door den Koning alleen krachtens de wet.
Andere overeenkomsten met vreemde Mogendheden worden zoo spoedig mogelijk aan de Staten Generaal medegedeeld (art. 60 Gw 1938).
Art. 60, eerste en tweede lid Gw 1953 : Overeenkomsten met andere Mogendheden en met volkenrechtelijke organisaties worden door of met machtiging van de Koning gesloten en, voor zover de overeenkomst zulks eist, door de Koning bekrachtigd.
De overeenkomsten worden zo spoedig mogelijk aan de Staten Generaal overgelegd; zij worden niet bekrachtigd en treden niet in werking dan nadat zij door de Staten Generaal zijn goedgekeurd.
Art. 62 Gw 1953: De goedkeuring is – behoudens in het geval, bedoeld in artikel 63 – niet vereist:
a. indien het een overeenkomst betreft, waarvoor dit bij de wet is bepaald;
b. indien de overeenkomst uitsluitend betreft de uitvoering van een goedgekeurde overeenkomst, voor zover de Staten Generaal bij de goedkeuring geen voorbehoud terzake hebben gemaakt;
c. indien de overeenkomst geen belangrijke geldelijke verplichtingen aan het Koninkrijk oplegt en voor ten hoogste een jaar is gesloten;
d. indien in buitengewone gevallen van dringende aard het belang van het Koninkrijk eist, dat de overeenkomst zonder verwijl van kracht wordt.
Een overeenkomst, als bedoeld onder d, wordt niet aangegaan dan onder voorbehoud van haar beëindiging bij onthouding van de goedkeuring van de Staten Generaal. Van het aangaan van de overeenkomst wordt onverwijld mededeling gedaan aan de Staten Generaal. De overeenkomst wordt alsnog aan de goedkeuring van de Staten Generaal onderworpen, indien binnen dertig dagen na de mededeling door of namens een der Kamers der Staten Generaal of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der Kamers de wens daartoe te kennen wordt gegeven.
Het bepaalde in het vorige lid is niet van toepassing, indien het belang van het Koninkrijk zich daartegen bepaaldelijk verzet. In zodanig geval wordt de overeenkomst zo spoedig mogelijk aan de Staten Generaal overgelegd en indien deze hun goedkeuring daaraan onthouden, zo spoedig zulks met de bepalingen van de overeenkomst verenigbaar is, beëindigd.
Art. 60, eerste en tweede lid, Gw 1956: Overeenkomsten met andere Mogendheden en met volkenrechtelijke organisaties worden door of met machtiging van de Koning gesloten en, voor zover de overeenkomst zulks eist, door de Koning bekrachtigd.
De overeenkomsten worden zo spoedig mogelijk aan de Staten Generaal medegedeeld; zij worden niet bekrachtigd en treden niet in werking dan nadat zij door de Staten Generaal zijn goedgekeurd.
Art. 62 Gw 1956: De goedkeuring is – behoudens in het geval, bedoeld in artikel 63 – niet vereist:
a. indien het een overeenkomst betreft, waarvoor dit bij de wet is bepaald;
b. indien de overeenkomst uitsluitend betreft de uitvoering van een goedgekeurde overeenkomst, voor zover in de wet tot goedkeuring geen voorbehoud terzake is gemaakt;
c. indien de overeenkomst geen belangrijke geldelijke verplichtingen aan het Koninkrijk oplegt en voor ten hoogste een jaar is gesloten;
d. indien in buitengewone gevallen van dwingende aard het belang van het Koninkrijk zich er bepaaldelijk tegen verzet, dat de overeenkomst niet in werking treedt dan nadat zij is goedgekeurd.
Een overeenkomst, als bedoeld in het eerst lid onder d, wordt alsnog zo spoedig mogelijk aan goedkeuring van de Staten Generaal onderworpen. Artikel 61 is daarbij van toepassing. Indien de goedkeuring aan de overeenkomst wordt onthouden, wordt de overeenkomst zo spoedig als zulks rechtens mogelijk is beëindigd.
Tenzij het belang van het Koninkrijk zich daartegen verzet, wordt zij niet aangegaan dan onder voorbehoud van haar beëindiging bij onthouding van goedkeuring.
Art. 64 Gw 1956: Voor toetreding tot en opzegging van overeenkomsten vinden de bepalingen van de vier voorgaande artikelen overeenkomstige toepassing.
 
Tweede lid:
Art. 61 Gw 1953: De goedkeuring wordt geacht te zijn verleend, indien niet binnen dertig dagen na het overleggen van de overeenkomst door of namens een der Kamers der Staten Generaal of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der Kamers de wens te kennen wordt gegeven, dat de overeenkomst aan de uitspraak van de Staten Generaal zal worden onderworpen, of indien de beide Kamers der Staten Generaal vóór de afloop van deze termijn verklaren, dat geen uitspraak verlangd wordt.
De in het vorige lid bedoelde termijn wordt geschorst gedurende de tijd, dat de zitting der Staten Generaal gesloten is.
In alle gevallen, waarin de overeenkomst aan de uitspraak van de Staten Generaal wordt onderworpen, kan de goedkeuring slechts bij de wet worden verleend.
Art. 61 Gw 1956: De goedkeuring wordt uitdrukkelijk of stilzwijgend verleend.
De uitdrukkelijke goedkeuring wordt verleend bij de wet.
De stilzwijgende goedkeuring is verleend, indien niet binnen dertig dagen na een daartoe strekkende overlegging van de overeenkomst aan de beide Kamers der Staten Generaal door of namens een der Kamers of door tenminste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der Kamers de wens wordt te kennen gegeven, dat de overeenkomst aan de uitdrukkelijke goedkeuring zal worden onderworpen.
De in het vorige lid bedoelde termijn wordt geschorst gedurende de tijd, dat de zitting der Staten Generaal gesloten is.
 
Derde lid:
Art. 63 Gw 1953: Indien de ontwikkeling van de internationale rechtsorde zulks vordert kan in een overeenkomst worden afgeweken van bepalingen van de Grondwet. In zodanig geval geschiedt de goedkeuring der overeenkomst niet dan door een uitspraak van de Staten Generaal met twee derden der uitgebrachte stemmen in elk der Kamers.
Art. 63 Gw 1956: Indien de ontwikkeling van de internationale rechtsorde zulks vordert, kan in een overeenkomst worden afgeweken van bepalingen van de Grondwet. In zodanig geval kan de goedkeuring slechts uitdrukkelijk worden verleend; de Kamers der Staten Generaal kunnen het ontwerp van een daartoe strekkende wet niet aannemen dan met twee derden der uitgebrachte stemmen.


10. Jurisprudentie

- Hof Den Haag 27 september 1990, AB 1991, 85 (Eems-Dollard)
- HR 27 januari 1961, NJ 1963, 248 (Van den Bergh/Staat)
- HR 14 april 1989, NJ 1989, 469 (Harmonisatiewet)


11. Literatuur

- T. Baudet, Pro Europa dus tegen de EU, H.J. Schoo-lezing 2012, Elsevier: Amsterdam, 2012
- L.F.M. Besselink, De parlementaire goedkeuring van verdragen in Nederland, in: TBP 1994, p. 106 e.v.
- L.F.M. Besslink e.a., Rapport van het Instituut voor Staats- en bestuursrecht van de Universiteit Utrecht in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, De constitutionele bepalingen over verdragen die van de Grondwet afwijken en de opdracht van bevoegdheid aan internationale organisaties, Utrecht, 2003
- M.L.H.K. Claes, M.C.B.F. de Visser, G. Leenknegt & L.A.J. Senden, Ceci n'est pas une constitution. The Netherlands, in: H.F. Koeck & M.M. Karollus (eds.), Preparing the European Union for the future? Necessary revisions of primary law after the non-ratification of the treaty establishing a constitution for Europe, Wenen: Nomos, 2008, pp. 243-280
- M.J.A.C. Driessen en E. Lijnzaad, Verdrag 121: ongrondwettig opgezegd, NJB 1989, p. 1237-1241
- F.J.F.M. Duynstee, Grondwetsherziening 1953, Deventer 1954
- M.L. van Emmerik, De Grondwet en afwijkende verdragen. De procedure van artikel 91, derde lid, van de Grondwet: parlementaire goedkeuring van met de Grondwet strijdige verdragen, in: Wetten, woorden, wensen. Opstellen over constitutie, wetgeving en beleid, Uitgave van de Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving van het Ministerie van  Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Den Haag 2002, p. 79-87
- M.L. van Emmerik, De Nederlandse Grondwet in een veellagige
Rechtsorde, in: RMth 2008, nr. 4, p. 145-161
- L. Erades, Toetsing van wet en tractaat, in: NJB 1951, p. 663-666
- L. Erades, Waar volkenrecht en Nederlands staatsrecht elkaar raken, Haarlem 1949
- W.J.M. van Eijsinga, Proeve eener inleiding tot het Nederlandsche tractatenrecht, 's Gravenhage 1906
- J. Fleuren, Voorlopige toepassing van verdragen in constitutioneel perspectief, in: RMTh 1995, p. 247-262
- J.W.A. Fleuren, Verdragen die afwijken van de Nederlandse Grondwet, in: D. Breillat e.a., Van de constitutie afwijkende verdragen, Publikaties van de Staatsrechtkring, nr. 20, Kluwer: Deventer, 2002
- C. Flinterman, Parlement en buitenlands beleid, in: Staatsrecht, buitenlandse betrekkingen en de internationale rechtsorde, Staatsrechtconferentie 1986, Nijmegen 1987
- J.P.A. François, Handboek van het volkenrecht, eerste deel, Zwolle 1949
- H.G. de Jong, Het begrip ‘verdragen’ in de Nederlandse Grondwet, in: RMTh 1979, p. 484-493
- E. Jurgens, Hoe moet de senaat art. 91 lid 3 Grondwet toepassen? Over verdragen die nopen tot afwijken van de Grondwet, in: NJB 1999, p. 396-397
- A.H. Klip en M. Mackarel, Het Lockerbie-proces, in: NJB 2000, p. 445-451
- C.A.J.M. Kortmann en Th. C. de Graaf, De procedure tot goedkeuring van verdragen ex artikel 91 derde lid Grondwet, in: NJB 1984, p. 1149-1154
- C.A.J.M. Kortmann, De Eerste Kamer uit de bocht, in: NJB 1999, p. 255 e.v.
- H.R.B.M. Kummeling, De doorwerking van internationale normen, in het bijzonder EEG richtlijnen, in de Nederlandse rechtsorde, in: Nijmeegs staatsrecht, Nijmegen 1987
- R. Pierik, het EHRM en het Europese rechtsstatelijk deficit. Een analyse van de Lautsi-zaak, in: NJB 2012, p. 1382-1389
- Recht en raketten, Speciale aflevering inzake kruisrakettenproblematiek, in: NJB 1984, p. 437-476
- J.J.E. Schutte, Goedkeuring en uitvoering van verdragen, in: Kracht van wet, Zwolle 1984
- H.H.M. Sondaal, De Nederlandse verdragspraktijk, 's Gravenhage 1986
- Staatscommissie Grondwet, Rapport, Den Haag 2010, hoofdstuk 12
- A.M. Stuyt, Formeel tractatenrecht, 's Gravenhage 1966
- B.M. Telders, Preadvies voor de Nederlandsche Juristen Vereeniging, Handelingen, eerste stuk, 's Gravenhage 1937
- J.H.W. Verzijl, Preadvies voor de Nederlandsche Juristen Vereeniging, Handelingen, eerste stuk, 's Gravenhage 1937
- E.W. Vierdag, Spanning tussen recht en praktijk in het verdragenrecht, preadvies voor de Nederlandse Vereniging voor Internationaal Recht, 's Gravenhage 1985
 

Noten

  1. Zie artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van het Statuut voor het Koninkrijk de Nederlanden. Verdragen worden dus niet ‘door’ Nederland gesloten; daar bestaat vaak (terminologische) verwarring over.
  2. Het blijkt daarnaast ook uit de artikelen 24-27 van het Statuut. De term ‘Koning’ betekent daar overigens regering.
  3. Kamerstukken II 1977-1978, 15 049 (R1100), nr. 3, p. 6; H.G. de Jong, Het begrip ‘verdragen’ in de Nederlandse Grondwet, in: RMTh 1979, p. 487.
  4. Rijkswet van 7 juli 1994, Stb. 1994, 542. In de tussentijd bleef krachtens het (inmiddels uitgewerkte en vervallen) additioneel artikel XXI bij de Grondwet van 1983 onder meer artikel 62 van de Grondwet van 1972 van kracht.
  5. Zie o.a. T. Baudet, Pro Europa dus tegen de EU, H.J. Schoo-lezing 2012, Amsterdam: Elsevier, 2012; de discussie geschetst in R. Pierik, het EHRM en het Europese rechtsstatelijk deficit. Een analyse van de Lautsi-zaak, in: NJB 2012, p. 1382-1389; de reeks bijdragen op Recht.nl: http://www.recht.nl/45750/het-debat-rond-het-ehrm/.
  6. Zie o.a. T. Baudet, Pro Europa dus tegen de EU, H.J. Schoo-lezing 2012, Amsterdam: Elsevier, 2012; de discussie geschetst in R. Pierik, het EHRM en het Europese rechtsstatelijk deficit. Een analyse van de Lautsi-zaak, in: NJB 2012, p. 1382-1389; de reeks bijdragen op Recht.nl: http://www.recht.nl/45750/het-debat-rond-het-ehrm/.
  7. Kamerstukken II 1977-1978, 15 049 (R1100), nr. 3, p. 6-7.
  8. De laatste term is de gebruikelijke aanduiding voor een overeenkomst met de Heilige Stoel, het hoogste bestuursorgaan van de pauselijke staat, Vaticaanstad.
  9. Art. 7, tweede lid, van Het Weens verdrag inzake het verdragenrecht.
  10. Zie de artt. 29 jo. 47 van de Ierse Grondwet.
  11. In ons land werd in 2005 het Verdrag tot vaststelling van een grondwet voor Europa aan een raadgevend referendum onderworpen voorafgaand aan de parlementaire goedkeuring. Toen een meerderheid zich tegen goedkeuring uitsprak, besloot de regering het verdrag niet ter goedkeuring aan de Staten-Generaal voor te leggen en bleef bekrachtiging derhalve achterwege. Zie hierover par. 6.
  12. De Grondwet voor het Koninkrijk der Nederlanden regelt hier, zoals voorzien in artikel 14, eerste lid, van het Statuut, een Koninkrijksaangelegenheid.
  13. Zie de artikelen 46 en 47 van het Weens verdrag inzake het verdragenrecht.
  14. HR 27 januari 1961, NJ 1963, 248 (Van den Bergh/Staat).
  15. Dit vloeit voort uit HR 14 april 1989, NJ 1989, 469 (Harmonisatiewet).
  16. Hof Den Haag 27 september 1990, AB 1991, 85 (Eems-Dollard).
  17. M.G. Boekhorst, Artikel 91, in: P.W.C. Akkermans, A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet. Een artikelsgewijs commentaar, 2e druk, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1992, p. 853.
  18. De wijze waarop goedkeuring voor een gesloten verdrag wordt verleend en de wijze waarop opzegging van een verdrag wordt goedgekeurd komen goeddeels overeen; zie artikel 14 van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking van verdragen. In het navolgende wordt uitsluitend de wijze van goedkeuring van een door de regering gesloten verdrag besproken.
  19. Rijkswet van 7 juli 1994, houdende regeling betreffende de goedkeuring en bekendmaking van verdragen en de bekendmaking van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, Stb. 1994, 542.
  20. Zie ook artikel 11, derde lid, van het Statuut voor het Koninkrijk: daar is bepaald dat wordt aangenomen dat de buitenlandse betrekkingen Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten raken, wanneer de belangen van Aruba, Curaçao of Sint Maarten in het bijzonder daarbij betrokken zijn, dan wel wanneer de voorziening daarin gewichtige gevolgen voor deze belangen kan hebben.
  21. Dat gebeurde bijvoorbeeld bij de behandeling van de goedkeuringswetten voor het Verdrag van Amsterdam (Kamerstukken II, 25 922) en het Verdrag van Lissabon (Kamerstukken II, 31 384, nrs. ). In beide gevallen hielden de ingediende amendementen voornamelijk verband met de regeling van de parlementaire betrokkenheid en informatievoorziening aan de Staten-Generaal bij het nemen van bepaalde besluiten op Europees niveau na de inwerkingtreding van het goed te keuren verdrag.
  22. Voorstel van rijkswet van de leden Herben en Van der Staaij houdende verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet, strekkende tot invoering van het vereiste van een meerderheid van twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen in de Staten-Generaal voor de goedkeuring van verdragen betreffende de Europese Unie, Kamerstukken II 2006/07, 30 874 (R1818), nr. 2.
  23. Kamerstukken II 2006/07, 30 874 (R1818), nr. 3.
  24. Rapport Staatscommissie Grondwet, Den Haag 2010, p. 112-113.
  25. Artt. 6 en 7, aanhef, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen; zie hierover par. 8.
  26. Overigens is in eerste lezing een wetsvoorstel aangenomen dat strekt tot wijziging van de Grondwet om de invoering van een correctief – en dus een bindend – referendum over wetten mogelijk te maken: voorstel van wet van de leden Fokke, Voortman en Schouw houdende verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet, strekkende tot opneming van bepalingen inzake het correctief referendum, Kamerstukken 30 174. Het voorstel is oorspronkelijk aanhangig gemaakt door de leden Dubbelboer en Duyvendak.
  27. Een lastige vraag is nog of dit ook geldt voor de bij rijkswet goed te keuren verdragen betreffende de EU; deze gelden alleen voor een klein stukje voor de Caribische delen van het Koninkrijk. Daarover zullen mogelijk twisten ontstaan.
  28. Artikel 4, sub b, van de Wet raadplegend referendum.
  29. Wet van 27 januari 2005 betreffende het houden van een raadplegend referendum over het grondwettelijk verdrag voor de Europese Unie (Wet raadplegend referendum Europese Grondwet), Stb. 2005, 44. De tekst van het verdrag is gepubliceerd in: Trb. 2004, 275.
  30. Zie hierover M.L.H.K. Claes, M.C.B.F. de Visser, G. Leenknegt & L.A.J. Senden, Ceci n'est pas une constitution. The Netherlands, in: H.F. Koeck & M.M. Karollus (eds.), Preparing the European Union for the future? Necessary revisions of primary law after the non-ratification of the treaty establishing a constitution for Europe, Wenen: Nomos, 2008, pp. 243-280.
  31. Ibid., par. 1B.
  32. Kamerstukken II 2007/08, 31 384 (R 1850), nr. 4.
  33. Rijkswet van 10 juli 2008, Stb. 2008, 301.
  34. Te vinden op: http://www-ns.iaea.org/conventions/emergency.asp.
  35. F.M.C. Vlemminx, M.G. Boekhorst, Artikel 91, in: A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar, 3e druk, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink, 2000, p. 91.
  36. Overeenkomst inzake luchtvervoer tussen ten eerste, de Verenigde Staten van Amerika, ten tweede, de Europese Unie en haar lidstaten, ten derde, IJsland, en ten vierde het Koninkrijk Noorwegen, en Aanvullende Overeenkomst tussen ten eerste, de Europese Unie en haar lidstaten, ten tweede, IJsland, en ten derde, het Koninkrijk Noorwegen, betreffende de toepassing van de Overeenkomst inzake luchtvervoer tussen ten eerste, de Verenigde Staten van Amerika, ten tweede, de Europese Unie en haar lidstaten, ten derde, IJsland, en ten vierde, het Koninkrijk Noorwegen; Oslo, 21 juni 2011 (Trb. 2011, 163).
  37. Zie hierover http://www.eerstekamer.nl/behandeling/20120604/advies_raad_van_state_en_nader_3/document3/f=/vj05k4p47by5.pdf.
  38. M.L. van Emmerik, De Grondwet en afwijkende verdragen, in: Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Wetten, woorden, wensen, Den Haag, 2002, p. 79.
  39. Zie de adviezen van de Raad van State opgenomen in: Kamerstukken II 1983/84, 17 980 A, en Kamerstukken II 1997/1998, 26 800 VI A, nr. 3. De regering sloot zich bij de opvatting van de Raad van State aan: Kamerstukken II 1983/84, 17 980, nr. 9, p. 2. Zie ook het Rapport van het Instituut voor Staats- en bestuursrecht van de Universiteit Utrecht in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, De constitutionele bepalingen over verdragen die van de Grondwet afwijken en de opdracht van bevoegdheid aan internationale organisaties, Utrecht, 2003, p. 26.
  40. Advies van de Raad van State, Kamerstukken II 1999/2000, 26 800 VI A, welk standpunt werd overgenomen door de regering, zie Kamerstukken II 2000/01, 27 484 (R 1669), nr. 237c; Van Emmerik, a.w. 2002, p. 83; J.W.A. Fleuren, Verdragen die afwijken van de Nederlandse Grondwet, in: D. Breillat e.a., Van de constitutie afwijkende verdragen, Publikaties van de Staatsrechtkring, nr. 20, Kluwer: Deventer, 2002, p. 61; C.A.J.M. Kortmann, bew. Door. P.P.T. Bovend’Eert e.a., Constitutioneel recht, Kluwer: Deventer, 2012, p. 166.
  41. Instituut voor Staats- en bestuursrecht van de Universiteit Utrecht, a.w. 2003, p. 7-15.
  42. Goedgekeurd bij wet van 22 januari 1954, Stb. 25. Het verdrag werd uiteindelijk niet van kracht door de weigering van de Franse Assemblee om het goed te keuren.
  43. Op het moment dat het verdrag werd gesloten, bevatte de Grondwet nog geen bepaling over van de Grondwet afwijkende verdragen; de vraag die naar aanleiding van de sluiting van het EDG-verdrag rees aangaande afwijking van de Grondwet was aanleiding om in 1953 de voorganger van het huidige artikel 91, derde lid, in de Grondwet op te nemen.
  44. Goedkeuring bij rijkswet van 14 september 1962, Stb. 1962, 363.
  45. Goedkeuring bij rijkswet van 5 juli 2001, Stb. 2001, 343.
  46. Zie uitgebreider over de drie genoemde voorbeelden: M.L. van Emmerik, De Grondwet en afwijkende verdragen, in: Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Wetten, woorden, wensen, Den Haag, 2002, p. 79-87.
  47. Kamerstukken II 2007/08. 31 384 (R1850), nr. 3, p. 9-10.
  48. Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland inzake de rechtszitting van een Schots hof in Nederland, Trb. 1998, 237, goedgekeurd bij wet van van 11 november 1998, Stb. 1998, 628.
  49. Zie hierover C.A.J.M. Kortmann, De Eerste Kamer uit de bocht, in: NJB 1999, p. 255 en de reactie daarop van E. Jurgens, Hoe moet de senaat art. 91 lid 3 Grondwet toepassen? Over verdragen die nopen tot afwijken van de Grondwet, in: NJB 1999, p. 396-397.
  50. Rapport van de Staatscommissie Grondwet, Den Haag 2010, p. 118-120.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    G. Leenknegt, Commentaar op artikel 91 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2017 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Goedkeuring verdrag

Verdragen worden namens het Koninkrijk der Nederlanden gesloten – en ook weer opgezegd – door de regering. Nederland kan evenmin als de andere landen van het Koninkrijk op eigen titel toetreden tot verdragen; de buitenlandse betrekkingen zijn volgens artikel 3 van het Statuut een koninkrijksaangelegenheid. Verdragen moeten na sluiting door de regering worden goedgekeurd door het parlement. Zo wordt er toch democratische controle uitgeoefend. Zodra de parlementaire goedkeuring is verleend, volgt bekrachtiging van het verdrag in de vorm van een officiële akte.
 
De benodigde parlementaire goedkeuring kan bij wet uitdrukkelijk worden verleend, maar de meeste verdragen kunnen ook stilzwijgend worden goedgekeurd. De regering zendt een overeengekomen verdragstekst zo spoedig mogelijk aan de beide kamers van de Staten-Generaal. Elk van de kamers, of een vijfde deel van de leden van elk van de kamers, kan dan binnen dertig dagen aangeven het verdrag aan uitdrukkelijke goedkeuring te willen onderwerpen; gebeurt dat niet, dan wordt de goedkeuring geacht stilzwijgend te zijn verleend.
 
Wanneer uitdrukkelijke goedkeuring wordt verlangd, dient de regering een voorstel voor een goedkeuringswet in bij de Tweede Kamer, waarna het voorstel volgens de normale wetsprocedure wordt behandeld. De mogelijkheden van de Tweede Kamer om dan nog wijzigingen in de tekst van het verdrag aan te brengen zijn zeer beperkt; dat zou bijna altijd betekenen dat moet worden heronderhandeld over de verdragstekst met de andere landen die partij zijn bij het verdrag.
 
Het is mogelijk dat een verdrag wordt gesloten dat afwijkt van de Grondwet. Zo’n verdrag moet dan uitdrukkelijk worden goedgekeurd met een tweederde meerderheid in beide kamers voordat het kan worden bekrachtigd.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Goedkeuring verdrag

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Goedkeuring verdrag

Over dit artikel zijn ons geen belangrijke en ‘klassieke’ rechterlijke uitspraken bekend.
Recente rechtspraak

Goedkeuring verdrag

Over dit artikel zijn ons geen recente rechterlijke uitspraken bekend.
Politiek

Goedkeuring verdrag

Video
Blogs
IN DE WERELD
Blogs

Goedkeuring verdrag

In de wereld

Goedkeuring verdrag