CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • G. Leenknegt
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • A.A.L. Beers en K.T. Meijer
  • B.C. van Beers
  • B.M.J. van der Meulen
  • B.P. Vermeulen
  • B.W.N. de Waard
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • E.J. Janse de Jonge
  • E.J. Koops
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • F. Fleurke
  • F.C.M.A. Michiels
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx en A.C.M. Meuwese
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard en J. Uzman
  • G. Leenknegt
  • G. Overkleeft-Verburg
  • G. van der Schyff en B.M.J. van der Meulen
  • J. Kiewiet en G.F.M. van der Tang †
  • J. Uzman
  • J. Uzman en G. Boogaard
  • J.C.A. de Poorter
  • J.L.M. Gribnau en M.R.T Pauwels
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • J.W.A. Fleuren
  • K.T. Meijer
  • M. Adams
  • Mijke Houwerzijl & Nuna Zekic
  • Mijke Houwerzijl en Frank Vlemminx
  • P. Jacobs
  • S. Daniëls
  • S. Jellinghaus en E. Huisman
  • S.C. van Bijsterveld
  • S.C. van Bijsterveld en B.P. Vermeulen
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • T. Kooijmans
  • T. Peters
  • W. van der Woude
  • W.J.M. Voermans
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

HOOFDSTUK 1

Grondrechten

INLEIDING

Artikel 1 - Gelijke behandeling

Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Artikel 2 - Nederlandschap en vreemdelingen

  1. De wet regelt wie Nederlander is.
  2. De wet regelt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen.
  3. Uitlevering kan slechts geschieden krachtens verdrag. Verdere voorschriften omtrent uitlevering worden bij de wet gegeven.
  4. Ieder heeft het recht het land te verlaten, behoudens in de gevallen, bij de wet bepaald.

Artikel 3 - Gelijke benoembaarheid

Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.

Artikel 4 - Kiesrecht

Iedere Nederlander heeft gelijkelijk recht de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen alsmede tot lid van deze organen te worden verkozen, behoudens bij de wet gestelde beperkingen en uitzonderingen.

Artikel 5 - Petitierecht

Ieder heeft het recht verzoeken schriftelijk bij het bevoegd gezag in te dienen.

Artikel 6 - Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging

  1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 7 - Vrijheid van meningsuiting

  1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- of televisieuitzending.
  3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar regelen ter bescherming van de goede zeden.
  4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.

Artikel 8 - Recht tot vereniging

Het recht tot vereniging wordt erkend. Bij de wet kan dit recht worden beperkt in het belang van de openbare orde.

Artikel 9 - Recht tot vergadering en betoging

  1. Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 10 - Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer

  1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.
  2. De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens.
  3. De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.

Artikel 11 - Onaantastbaarheid van het lichaam

Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.

Artikel 12 - Binnentreden woning

  1. Het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen.
  2. Voor het binnentreden overeenkomstig het eerste lid zijn voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden vereist, behoudens bij de wet gestelde uitzonderingen.
  3. Aan de bewoner wordt zo spoedig mogelijk een schriftelijk verslag van het binnentreden verstrekt. Indien het binnentreden in het belang van de nationale veiligheid of dat van de strafvordering heeft plaatsgevonden, kan volgens bij de wet te stellen regels de verstrekking van het verslag worden uitgesteld. In de bij de wet te bepalen gevallen kan de verstrekking achterwege worden gelaten, indien het belang van de nationale veiligheid zich tegen verstrekking blijvend verzet.

Artikel 13 - Vertrouwelijke communicatie

  1. Het briefgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, op last van de rechter.
  2. Het telefoon- en telegraafgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, door of met machtiging van hen die daartoe bij de wet zijn aangewezen.

Artikel 14 - Onteigening

  1. Onteigening kan alleen geschieden in het algemeen belang en tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander naar bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.
  2. De schadeloosstelling behoeft niet vooraf verzekerd te zijn, wanneer in geval van nood onverwijld onteigening geboden is.
  3. In de gevallen bij of krachtens de wet bepaald bestaat recht op schadeloosstelling of tegemoetkoming in de schade, indien in het algemeen belang eigendom door het bevoegd gezag wordt vernietigd of onbruikbaar gemaakt of de uitoefening van het eigendomsrecht wordt beperkt.

Artikel 15 - Vrijheidsontneming

  1. Buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen.
  2. Hij aan wie anders dan op rechterlijk bevel zijn vrijheid is ontnomen, kan aan de rechter zijn invrijheidstelling verzoeken. Hij wordt in dat geval door de rechter gehoord binnen een bij de wet te bepalen termijn. De rechter gelast de onmiddellijke invrijheidstelling, indien hij de vrijheidsontneming onrechtmatig oordeelt.
  3. De berechting van hem aan wie met het oog daarop zijn vrijheid is ontnomen, vindt binnen een redelijke termijn plaats.
  4. Hij aan wie rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, kan worden beperkt in de uitoefening van grondrechten voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt.

Artikel 16 - Nulla poena

Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.

Artikel 17 - Wettelijk toegekende rechter

Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent.

Artikel 18 - Rechtsbijstand

  1. Ieder kan zich in rechte en in administratief beroep doen bijstaan.
  2. De wet stelt regels omtrent het verlenen van rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen.

Artikel 19 - Werkgelegenheid en arbeidskeuze

  1. Bevordering van voldoende werkgelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de rechtspositie van hen die arbeid verrichten en omtrent hun bescherming daarbij, alsmede omtrent medezeggenschap.
  3. Het recht van iedere Nederlander op vrije keuze van arbeid wordt erkend, behoudens de beperkingen bij of krachtens de wet gesteld.

Artikel 20 - Bestaanszekerheid

  1. De bestaanszekerheid der bevolking en spreiding van welvaart zijn voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de aanspraken op sociale zekerheid.
  3. Nederlanders hier te lande, die niet in het bestaan kunnen voorzien, hebben een bij de wet te regelen recht op bijstand van overheidswege.

Artikel 21 - Milieubescherming

De zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu.

Artikel 22 - Volksgezondheid en woongelegenheid

  1. De overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid.
  2. Bevordering van voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  3. Zij schept voorwaarden voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding.

Artikel 23 - Onderwijs

  1. Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.
  2. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.
  3. Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld.
  4. In elke gemeente wordt van overheidswege voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal openbare scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven, al dan niet in een openbare school.
  5. De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.
  6. Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.
  7. Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.
  8. De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten-Generaal.
HOOFDSTUK 2

Regering INLEIDING

Artikel 24 - Koningschap

Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau.

Artikel 25 - Erfopvolging

Het koningschap gaat bij overlijden van de Koning krachtens erfopvolging over op zijn wettige nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft, met plaatsvervulling volgens dezelfde regel. Bij gebreke van eigen nakomelingen gaat het koningschap op gelijke wijze over op de wettige nakomelingen eerst van zijn ouder, dan van zijn grootouder, in de lijn van erfopvolging, voor zover de overleden Koning niet verder bestaand dan in de derde graad van bloedverwantschap.

Artikel 26 - Status ongeboren kind Koning

Het kind, waarvan een vrouw zwanger is op het ogenblik van het overlijden van de Koning, wordt voor de erfopvolging als reeds geboren aangemerkt. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

Artikel 27 - Afstand koningschap

Afstand van het koningschap leidt tot erfopvolging overeenkomstig de regels in de voorgaande artikelen gesteld. Na de afstand geboren kinderen en hun nakomelingen zijn van de erfopvolging uitgesloten.

Artikel 28 - Afstand koningschap door huwelijk

  1. De Koning, een huwelijk aangaande buiten bij de wet verleende toestemming, doet daardoor afstand van het koningschap.
  2. Gaat iemand die het koningschap van de Koning kan beërven een zodanig huwelijk aan, dan is hij met de uit dit huwelijk geboren kinderen en hun nakomelingen van de erfopvolging uitgesloten.
  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake van een voorstel van wet, strekkende tot het verlenen van toestemming, in verenigde vergadering.

Artikel 29 - Uitsluiting troonopvolging

  1. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden daartoe nopen, kunnen bij een wet een of meer personen van de erfopvolging worden uitgesloten.

  2. Het voorstel daartoe wordt door of vanwege de Koning ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 30 - Benoemde Koning

  1. Wanneer vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal ontbreken, kan deze worden benoemd bij een wet. Het voorstel wordt door of vanwege de Koning ingediend. Na de indiening van het voorstel worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  2. Indien bij overlijden van de Koning of bij afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt, worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers komen binnen vier maanden na het overlijden of de afstand in verenigde vergadering bijeen ten einde te besluiten omtrent de benoeming van een Koning. Zij kunnen een opvolger alleen benoemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 31 - Erfopvolging benoemde koning

  1. Een benoemde Koning kan krachtens erfopvolging alleen worden opgevolgd door zijn wettige nakomelingen.

  2. De bepalingen omtrent de erfopvolging en het eerste lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op een benoemde opvolger, zolang deze nog geen Koning is.

Artikel 32 - Inhuldiging Koning

Nadat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen, wordt hij zodra mogelijk beëdigd en ingehuldigd in de hoofdstad Amsterdam in een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Hij zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt. De wet stelt nadere regels vast.

Artikel 33 - Koningschap en meerderjarigheid

De Koning oefent het koninklijk gezag eerst uit, nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

Artikel 34 - Ouderlijk gezag minderjarige Koning

De wet regelt het ouderlijk gezag en de voogdij over de minderjarige Koning en het toezicht daarop. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 35 - Buiten staat verklaring

  1. Wanneer de ministerraad van oordeel is dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, bericht hij dit onder overlegging van het daartoe gevraagde advies van de Raad van State aan de Staten-Generaal, die daarop in verenigde vergadering bijeenkomen.

  2. Delen de Staten-Generaal dit oordeel, dan verklaren zij dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen. Deze verklaring wordt bekend gemaakt op last van de voorzitter der vergadering en treedt terstond in werking.

  3. Zodra de Koning weer in staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, wordt dit bij de wet verklaard. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Terstond na de bekendmaking van deze wet hervat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag.

  4. De wet regelt zo nodig het toezicht over de persoon van de Koning indien hij buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 36 - Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag

De Koning kan de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk neerleggen en die uitoefening hervatten krachtens een wet, waarvan het voorstel door of vanwege hem wordt ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 37 - Uitoefening koninklijk gezag door regent

  1. Het koninklijk gezag wordt uitgeoefend door een regent:
    a. zolang de Koning de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt;
    b. indien een nog niet geboren kind tot het koningschap geroepen kan zijn;
    c. indien de Koning buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen;
    d. indien de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk heeft neergelegd;
    e. zolang na het overlijden van de Koning of na diens afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt.

  2. De regent wordt benoemd bij de wet. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  3. In de gevallen, genoemd in het eerste lid onder c en d, is de nakomeling van de Koning die zijn vermoedelijke opvolger is, van rechtswege regent indien hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

  4. De regent zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt, in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal. De wet geeft nadere regels omtrent het regentschap en kan voorzien in de opvolging en de vervanging daarin. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  5. Op de regent zijn de artikelen 35 en 36 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38 - Uitoefening koninklijk gezag door RvS

Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk gezag is voorzien, wordt dit uitgeoefend door de Raad van State.

Artikel 39 - Lidmaatschap koninklijk huis

De wet regelt, wie lid is van het koninklijk huis.

Artikel 40 - Uitkering koninklijk huis

  1. De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het Rijk uitkeringen naar regels bij de wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het koninklijk huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen.

  2. De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, zijn vrij van persoonlijke belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of zijn vermoedelijke opvolger krachtens erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van het koninklijk huis vrij van de rechten van successie, overgang en schenking. Verdere vrijdom van belasting kan bij de wet worden verleend.

  3. De kamers der Staten-Generaal kunnen voorstellen van in de vorige leden bedoelde wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 41 - Inrichting huis Koning

De Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis in.

Artikel 42 - Ministeriële verantwoordelijkheid

  1. De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.

  2. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.

Artikel 43 - Regering en ministers

De minister-president en de overige ministers worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.

Artikel 44 - Ministeries

  1. Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.

  2. Ook kunnen ministers worden benoemd die niet belast zijn met de leiding van een ministerie.

Artikel 45 - Ministerraad

  1. De ministers vormen te zamen de ministerraad.

  2. De minister-president is voorzitter van de ministerraad.

  3. De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid.

Artikel 46 - Staatssecretarissen

  1. Bij koninklijk besluit kunnen staatssecretarissen worden benoemd en ontslagen.

  2. Een staatssecretaris treedt in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister.

Artikel 47 - Ondertekening en contraseign

Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.

Artikel 48 - Ontslag en benoeming ministers

Het koninklijk besluit waarbij de minister-president wordt benoemd, wordt mede door hem ondertekend. De koninklijke besluiten waarbij de overige ministers en de staatssecretarissen worden benoemd of ontslagen, worden mede door de minister-president ondertekend.

Artikel 49 - Ambtseed minister en staatssecretaris

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de ministers en de staatssecretarissen bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.
HOOFDSTUK 3

Staten-Generaal INLEIDING

Artikel 50 - Vertegenwoordiging

De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk.

Artikel 51 - Eerste en Tweede Kamer

  1. De Staten-Generaal bestaan uit de Tweede Kamer en de Eerste Kamer.

  2. De Tweede Kamer bestaat uit honderdvijftig leden.

  3. De Eerste Kamer bestaat uit vijfenzeventig leden.

  4. Bij een verenigde vergadering worden de kamers als één beschouwd.

Artikel 52 - Zittingsduur

  1. De zittingsduur van beide kamers is vier jaren.
  2. Indien voor de provinciale staten bij de wet een andere zittingsduur dan vier jaren wordt vastgesteld, wordt daarbij de zittingsduur van de Eerste Kamer in overeenkomstige zin gewijzigd.

Artikel 53 - Evenredige vertegenwoordiging

  1. De leden van beide kamers worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  2. De verkiezingen worden gehouden bij geheime stemming.

Artikel 54 - Verkiezing Tweede Kamer

  1. De leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen ten aanzien van Nederlanders die geen ingezetenen zijn.

  2. Van het kiesrecht is uitgesloten hij die wegens het begaan van een daartoe bij de wet aangewezen delict bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste een jaar en hierbij tevens is ontzet van het kiesrecht.

Artikel 55 - Verkiezing Eerste Kamer

De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten. De verkiezing wordt, behoudens in geval van ontbinding der kamer, gehouden binnen drie maanden na de verkiezing van de leden van provinciale staten.

Artikel 56 - Vereisten voor lidmaatschap

Om lid van de Staten-Generaal te kunnen zijn is vereist dat men Nederlander is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.

Artikel 57 - Incompatibiliteiten

  1. Niemand kan lid van beide kamers zijn.

  2. Een lid van de Staten-Generaal kan niet tevens zijn minister, staatssecretaris, lid van de Raad van State, lid van de Algemene Rekenkamer, Nationale ombudsman of substituut-ombudsman, of lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij de Hoge Raad.

  3. Niettemin kan een minister of staatssecretaris, die zijn ambt ter beschikking heeft gesteld, dit ambt verenigen met het lidmaatschap van de Staten-Generaal, totdat omtrent die beschikbaarstelling is beslist.

  4. De wet kan ten aanzien van andere openbare betrekkingen bepalen dat zij niet gelijktijdig met het lidmaatschap van de Staten-Generaal of van een der kamers kunnen worden uitgeoefend.

Artikel 57a - Zwangerschap en ziekte

De wet regelt de tijdelijke vervanging van een lid van de Staten-Generaal wegens zwangerschap en bevalling, alsmede wegens ziekte.

Artikel 58 - Geloofsbrieven

Elke kamer onderzoekt de geloofsbrieven van haar nieuwbenoemde leden en beslist met inachtneming van bij de wet te stellen regels de geschillen welke met betrekking tot de geloofsbrieven of de verkiezing zelf rijzen.

Artikel 59 - Kiesrecht en verkiezingen

Alles, wat verder het kiesrecht en de verkiezingen betreft, wordt bij de wet geregeld.

Artikel 60 - Ambtsaanvaarding

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de leden van de kamers bij de aanvaarding van hun ambt in de vergadering een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

Artikel 61 - Voorzitter en griffier

  1. Elk der kamers benoemt uit de leden een voorzitter.

  2. Elk der kamers benoemt een griffier. Deze en de overige ambtenaren van de kamers kunnen niet tevens lid van de Staten-Generaal zijn.

Artikel 62 - Verenigde vergadering

De voorzitter van de Eerste Kamer heeft de leiding van de verenigde vergadering.

Artikel 63 - Geldelijke voorzieningen

Geldelijke voorzieningen ten behoeve van leden en gewezen leden van de Staten-Generaal en van hun nabestaanden worden bij de wet geregeld. De kamers kunnen een voorstel van wet ter zake alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 64 - Ontbinding Kamers

  1. Elk der kamers kan bij koninklijk besluit worden ontbonden.

  2. Het besluit tot ontbinding houdt tevens de last in tot een nieuwe verkiezing voor de ontbonden kamer en tot het samenkomen van de nieuw gekozen kamer binnen drie maanden.

  3. De ontbinding gaat in op de dag waarop de nieuw gekozen kamer samenkomt.

  4. De wet stelt de zittingsduur van een na ontbinding optredende Tweede Kamer vast; de termijn mag niet langer zijn dan vijf jaren. De zittingsduur van een na ontbinding optredende Eerste Kamer eindigt op het tijdstip waarop de zittingsduur van de ontbonden kamer zou zijn geëindigd.

Artikel 65 - Troonrede

Jaarlijks op de derde dinsdag van september of op een bij de wet te bepalen eerder tijdstip wordt door of namens de Koning in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal een uiteenzetting van het door de regering te voeren beleid gegeven.

Artikel 66 - Openbaarheid vergaderingen

  1. De vergaderingen van de Staten-Generaal zijn openbaar.

  2. De deuren worden gesloten, wanneer een tiende deel van het aantal aanwezige leden het vordert of de voorzitter het nodig oordeelt.

  3. Door de kamer, onderscheidenlijk de kamers in verenigde vergadering, wordt vervolgens beslist of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd en besloten.

Artikel 67 - Quorum

  1. De kamers mogen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering alleen beraadslagen of besluiten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden ter vergadering aanwezig is.

  2. Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen.

  3. De leden stemmen zonder last.

  4. Over zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, wanneer één lid dit verlangt.

Artikel 68 - Inlichtingenplicht bewindslieden

De ministers en de staatssecretarissen geven de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat.

Artikel 69 - Aanwezigheid bewindslieden

  1. De ministers en de staatssecretarissen hebben toegang tot de vergaderingen en kunnen aan de beraadslaging deelnemen.

  2. Zij kunnen door de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn.

  3. Zij kunnen zich in de vergaderingen doen bijstaan door de personen, daartoe door hen aangewezen.

Artikel 70 - Recht van enquête

Beide kamers hebben, zowel ieder afzonderlijk als in verenigde vergadering, het recht van onderzoek (enquête), te regelen bij de wet.

Artikel 71 - Parlementaire onschendbaarheid

De leden van de Staten-Generaal, de ministers, de staatssecretarissen en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging, kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergaderingen van de Staten-Generaal of van commissies daaruit hebben gezegd of aan deze schriftelijk hebben overgelegd.

Artikel 72 - Reglement van orde

De kamers stellen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering een reglement van orde vast.

HOOFDSTUK 4

Adviesorganen INLEIDING

Artikel 73 - Taak Raad van State

  1. De Raad van State of een afdeling van de Raad wordt gehoord over voorstellen van wet en ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur, alsmede over voorstellen tot goedkeuring van verdragen door de Staten-Generaal. In bij de wet te bepalen gevallen kan het horen achterwege blijven.

  2. De Raad of een afdeling van de Raad is belast met het onderzoek van de geschillen van bestuur die bij koninklijk besluit worden beslist en draagt de uitspraak voor.

  3. De wet kan aan de Raad of een afdeling van de Raad de uitspraak in geschillen van bestuur opdragen.

Artikel 74 - Rechtspositie leden

  1. De Koning is voorzitter van de Raad van State. De vermoedelijke opvolger van de Koning heeft na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar van rechtswege zitting in de Raad. Bij of krachtens de wet kan aan andere leden van het koninklijk huis zitting in de Raad worden verleend.

  2. De leden van de Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  3. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  4. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Raad worden geschorst of ontslagen.

  5. De wet regelt overigens hun rechtspositie

Artikel 75 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Raad van State.

  2. Bij de wet kunnen aan de Raad of een afdeling van de Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 76 - Algemene rekenkamer

De Algemene Rekenkamer is belast met het onderzoek van de ontvangsten en uitgaven van het Rijk.

Artikel 77 - Rechtpositie leden rekenkamer

  1. De leden van de Algemene Rekenkamer worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Hoge Raad worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 78 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Algemene Rekenkamer.

  2. Bij de wet kunnen aan de Algemene Rekenkamer ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 78a - Nationale ombudsman

  1. De Nationale ombudsman verricht op verzoek of uit eigen beweging onderzoek naar gedragingen van bestuursorganen van het Rijk en van andere bij of krachtens de wet aangewezen bestuursorganen.
  2. De Nationale ombudsman en een substituut-ombudsman worden voor een bij de wet te bepalen termijn benoemd door de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Tweede Kamer der Staten-Generaal worden geschorst of ontslagen. De wet regelt overigens hun rechtspositie.
  3. De wet regelt de bevoegdheid en werkwijze van de Nationale ombudsman.
  4. Bij of krachtens de wet kunnen aan de Nationale ombudsman ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 79 - Vaste colleges van advies

  1. Vaste colleges van advies in zaken van wetgeving en bestuur van het Rijk worden ingesteld bij of krachtens de wet.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van deze colleges.

  3. Bij of krachtens de wet kunnen aan deze colleges ook andere dan adviserende taken worden opgedragen.

Artikel 80 - Openbaarmaking advies

  1. De adviezen van de in dit hoofdstuk bedoelde colleges worden openbaar gemaakt volgens regels bij de wet te stellen.

  2. Adviezen, uitgebracht ter zake van voorstellen van wet die door of vanwege de Koning worden ingediend, worden, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen, aan de Staten-Generaal overgelegd.

HOOFDSTUK 5

Wetgeving en bestuur INLEIDING

Artikel 81 - Wetgevende macht

De vaststelling van wetten geschiedt door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk.

Artikel 82 - Indienen wetsvoorstel

  1. Voorstellen van wet kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Voorstellen van wet waarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en, voor zover de betreffende artikelen van hoofdstuk 2 dit toelaten, door de verenigde vergadering.

  3. Voorstellen van wet, in te dienen door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering, worden bij haar door een of meer leden aanhangig gemaakt.

Artikel 83 - Toezending wetsvoorstel TK

Voorstellen van wet, ingediend door of vanwege de Koning, worden gezonden aan de Tweede Kamer of, indien daarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, aan deze vergadering.

Artikel 84 - Wijziging wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet, ingediend door of vanwege de Koning, niet door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering is aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en vanwege de regering worden gewijzigd.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden gewijzigd.

Artikel 85 - Toezending wetsvoorstel EK

Zodra de Tweede Kamer een voorstel van wet heeft aangenomen of tot indiening van een voorstel heeft besloten, zendt zij het aan de Eerste Kamer, die het voorstel overweegt zoals het door de Tweede Kamer aan haar is gezonden. De Tweede Kamer kan een of meer van haar leden opdragen een door haar ingediend voorstel in de Eerste Kamer te verdedigen.

Artikel 86 - Intrekking wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet niet door de Staten-Generaal is aangenomen, kan het door of vanwege de indiener worden ingetrokken.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden ingetrokken.

Artikel 87 - Aanneming en bekrachtiging

  1. Een voorstel wordt wet, zodra het door de Staten-Generaal is aangenomen en door de Koning is bekrachtigd.

  2. De Koning en de Staten-Generaal geven elkaar kennis van hun besluit omtrent enig voorstel van wet.

Artikel 88 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de wetten. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 89 - Algemene maatregel van bestuur

  1. Algemene maatregelen van bestuur worden bij koninklijk besluit vastgesteld.

  2. Voorschriften, door straffen te handhaven, worden daarin alleen gegeven krachtens de wet. De wet bepaalt de op te leggen straffen.

  3. De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de algemene maatregelen van bestuur. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

  4. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op andere vanwege het Rijk vastgestelde algemeen verbindende voorschriften.

Artikel 90 - Bevordering internationale rechtsorde

De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde.

Artikel 91 - Goedkeuring verdrag

  1. Het Koninkrijk wordt niet aan verdragen gebonden en deze worden niet opgezegd zonder voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. De wet bepaalt de gevallen waarin geen goedkeuring is vereist.

  2. De wet bepaalt de wijze waarop de goedkeuring wordt verleend en kan voorzien in stilzwijgende goedkeuring.

  3. Indien een verdrag bepalingen bevat welke afwijken van de Grondwet dan wel tot zodanig afwijken noodzaken, kunnen de kamers de goedkeuring alleen verlenen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 92 - Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties

Met inachtneming, zo nodig, van het bepaalde in artikel 91, derde lid, kunnen bij of krachtens verdrag aan volkenrechtelijke organisaties bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak worden opgedragen.

Artikel 93 - Verbindende kracht verdrag

Bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 94 - Verdrag boven wet

Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 95 - Bekendmaking verdrag

De wet geeft regels omtrent de bekendmaking van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 96 - Oorlogsverklaring

  1. Het Koninkrijk wordt niet in oorlog verklaard dan na voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal.

  2. De toestemming is niet vereist, wanneer het overleg met de Staten-Generaal ten gevolge van een feitelijk bestaande oorlogstoestand niet mogelijk is gebleken.

  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  4. Het bepaalde in het eerste en het derde lid is van overeenkomstige toepassing voor een verklaring dat een oorlog beëindigd is.

Artikel 97 - Krijgsmacht

  1. Ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk, alsmede ten behoeve van de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde, is er een krijgsmacht.

  2. De regering heeft het oppergezag over de krijgsmacht.

Artikel 98 - Samenstelling krijgsmacht

  1. De krijgsmacht bestaat uit vrijwillig dienenden en kan mede bestaan uit dienstplichtigen.

  2. De wet regelt de verplichte militaire dienst en de bevoegdheid tot opschorting van de oproeping in werkelijke dienst.

Artikel 99 - Gewetensbezwaren militaire dienst

De wet regelt vrijstelling van militaire dienst wegens ernstige gewetensbezwaren.

Artikel 99a - Civiele verdediging

Volgens bij de wet te stellen regels kunnen plichten worden opgelegd ten behoeve van de civiele verdediging.

Artikel 100 - Inlichtingen over krijgsmacht

  1. De regering verstrekt de Staten-Generaal vooraf inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. Daaronder is begrepen het vooraf verstrekken van inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht voor humanitaire hulpverlening in geval van gewapend conflict.

  2. Het eerste lid geldt niet, indien dwingende redenen het vooraf verstrekken van inlichtingen verhinderen. In dat geval worden inlichtingen zo spoedig mogelijk verstrekt.

Artikel 101 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 20 juli 1995

Artikel 102 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 22 juni 2000

Artikel 103 - Uitzonderingstoestand

  1. De wet bepaalt in welke gevallen ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid bij koninklijk besluit een door de wet als zodanig aan te wijzen uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd; zij regelt de gevolgen.

  2. Daarbij kan worden afgeweken van de grondwetsbepalingen inzake de bevoegdheden van de besturen van provincies, gemeenten en waterschappen, van de grondrechten geregeld in de artikelen 6, voor zover dit de uitoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen van het in dit artikel omschreven recht betreft, 7, 8, 9, 12, tweede en derde lid, en 13, alsmede van artikel 113, eerste en derde lid.

  3. Terstond na de afkondiging van een uitzonderingstoestand en voorts, zolang deze niet bij koninklijk besluit is opgeheven, telkens wanneer zij zulks nodig oordelen beslissen de Staten-Generaal omtrent het voortduren daarvan; zij beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 104 - Belastingheffing

Belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet. Andere heffingen van het Rijk worden bij de wet geregeld.

 
 

Artikel 105 - Recht van begroting

  1. De begroting van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt bij de wet vastgesteld.

  2. Jaarlijks worden voorstellen van algemene begrotingswetten door of vanwege de Koning ingediend op het in artikel 65 bedoelde tijdstip.

  3. De verantwoording van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt aan de Staten-Generaal gedaan overeenkomstig de bepalingen van de wet. De door de Algemene Rekenkamer goedgekeurde rekening wordt aan de Staten-Generaal overgelegd.

  4. De wet stelt regels omtrent het beheer van de financiën van het Rijk.

Artikel 106 - Geldstelsel

De wet regelt het geldstelsel.

Artikel 107 - Codificatie

  1. De wet regelt het burgerlijk recht, het strafrecht en het burgerlijk en strafprocesrecht in algemene wetboeken, behoudens de bevoegdheid tot regeling van bepaalde onderwerpen in afzonderlijke wetten.

  2. De wet stelt algemene regels van bestuursrecht vast.

Artikel 108 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 25 februari 1999

Artikel 109 - Rechtspositie ambtenaren

De wet regelt de rechtspositie van de ambtenaren. Zij stelt tevens regels omtrent hun bescherming bij de arbeid en omtrent medezeggenschap.

 

Artikel 110 - Openbaarheid van bestuur

De overheid betracht bij de uitvoering van haar taak openbaarheid volgens regels bij de wet te stellen.

 

Artikel 111 - Ridderorden

Ridderorden worden bij de wet ingesteld.
HOOFDSTUK 6

Rechtspraak INLEIDING

Artikel 112 - Civiele en administratieve rechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is opgedragen de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen.

  2. De wet kan de berechting van geschillen die niet uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, opdragen hetzij aan de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren. De wet regelt de wijze van behandeling en de gevolgen van de beslissingen.

Artikel 113 - Strafrechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van strafbare feiten.

  2. Tuchtrechtspraak door de overheid ingesteld wordt bij de wet geregeld.

  3. Een straf van vrijheidsontneming kan uitsluitend door de rechterlijke macht worden opgelegd.

  4. Voor berechting buiten Nederland en voor het oorlogsstrafrecht kan de wet afwijkende regels stellen.

Artikel 114 - Doodstraf

De doodstraf kan niet worden opgelegd.

Artikel 115 - Administratief beroep

Ten aanzien van de in artikel 112, tweede lid, bedoelde geschillen kan administratief beroep worden opengesteld.

Artikel 116 - Rechterlijke macht

  1. De wet wijst de gerechten aan die behoren tot de rechterlijke macht.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de rechterlijke macht.

  3. De wet kan bepalen, dat aan rechtspraak door de rechterlijke macht mede wordt deelgenomen door personen die niet daartoe behoren.

  4. De wet regelt het toezicht door leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast uit te oefenen op de ambtsvervulling door zodanige leden en door de personen bedoeld in het vorige lid.

Artikel 117 - Rechtspositie leden rechterlijke macht

  1. De leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal bij de Hoge Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet bepaald kunnen zij door een bij de wet aangewezen, tot de rechterlijke macht behorend gerecht worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 118 - Hoge Raad

  1. De leden van de Hoge Raad der Nederlanden worden benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. De Hoge Raad is in de gevallen en binnen de grenzen bij de wet bepaald, belast met de cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van het recht.

  3. Bij de wet kunnen aan de Hoge Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 119 - Ambtsmisdrijven

De leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreden terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.

Artikel 120 - Toetsingsverbod

De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.

Artikel 121 - Openbaarheid terechtzittingen

Met uitzondering van de gevallen bij de wet bepaald vinden de terechtzittingen in het openbaar plaats en houden de vonnissen de gronden in waarop zij rusten. De uitspraak geschiedt in het openbaar.

Artikel 122 - Gratie

  1. Gratie wordt verleend bij koninklijk besluit na advies van een bij de wet aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.

  2. Amnestie wordt bij of krachtens de wet verleend.

HOOFDSTUK 7

Decentralisatie INLEIDING

Artikel 123 - Instelling provincies en gemeenten

  1. Bij de wet kunnen provincies en gemeenten worden opgeheven en nieuwe ingesteld.

  2. De wet regelt de wijziging van provinciale en gemeentelijke grenzen.

Artikel 124 - Autonomie en medebewind

  1. Voor provincies en gemeenten wordt de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake hun huishouding aan hun besturen overgelaten.

  2. Regeling en bestuur kunnen van de besturen van provincies en gemeenten worden gevorderd bij of krachtens de wet.

Artikel 125 - Organen decentrale besturen

  1. Aan het hoofd van de provincie en de gemeente staan provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad. Hun vergaderingen zijn openbaar, behoudens bij de wet te regelen uitzonderingen.

  2. Van het bestuur van de provincie maken ook deel uit gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning, van het bestuur van de gemeente het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester.

Artikel 126 - Ambtsinstructie commissaris koning

Bij de wet kan worden bepaald, dat de commissaris van de Koning wordt belast met de uitvoering van een door de regering te geven ambtsinstructie.

Artikel 127 - Vaststelling verordening

Provinciale staten en de gemeenteraad stellen, behoudens bij de wet of door hen krachtens de wet te bepalen uitzonderingen, de provinciale onderscheidenlijk de gemeentelijke verordeningen vast.

Artikel 128 - Toekenning bevoegdheden

Behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 123, kan de toekenning van bevoegdheden, als bedoeld in artikel 124, eerste lid, aan andere organen dan die, genoemd in artikel 125, alleen door provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad geschieden.

Artikel 129 - Verkiezing vertegenwoordigend orgaan

  1. De leden van provinciale staten en van de gemeenteraad worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders, tevens ingezetenen van de provincie onderscheidenlijk de gemeente, die voldoen aan de vereisten die gelden voor de verkiezing van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Voor het lidmaatschap gelden dezelfde vereisten.
  2. De leden worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  3. De artikelen 53, tweede lid, en 59 zijn van toepassing. Artikel 57a is van overeenkomstige toepassing.
  4. De zittingsduur van provinciale staten en de gemeenteraad is vier jaren, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen.
  5. De wet bepaalt welke betrekkingen niet gelijktijdig met het lidmaatschap kunnen worden uitgeoefend. De wet kan bepalen, dat beletselen voor het lidmaatschap voortvloeien uit verwantschap of huwelijk en dat het verrichten van bij de wet aangewezen handelingen tot het verlies van het lidmaatschap kan leiden.
  6. De leden stemmen zonder last.

Artikel 130 - Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders

De wet kan het recht de leden van de gemeenteraad te kiezen en het recht lid van de gemeenteraad te zijn toekennen aan ingezetenen, die geen Nederlander zijn, mits zij tenminste voldoen aan de vereisten die gelden voor ingezetenen die tevens Nederlander zijn.

Artikel 131 - Benoeming commissaris Koning

De commissaris van de Koning en de burgemeester worden bij koninklijk besluit benoemd.

Artikel 132 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen

  1. De wet regelt de inrichting van provincies en gemeenten, alsmede de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen.

  2. De wet regelt het toezicht op deze besturen.

  3. Besluiten van deze besturen kunnen slechts aan voorafgaand toezicht worden onderworpen in bij of krachtens de wet te bepalen gevallen.

  4. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden bij koninklijk besluit wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

  5. De wet regelt de voorzieningen bij in gebreke blijven ten aanzien van regeling en bestuur, gevorderd krachtens artikel 124, tweede lid. Bij de wet kunnen met afwijking van de artikelen 125 en 127 voorzieningen worden getroffen voor het geval het bestuur van een provincie of een gemeente zijn taken grovelijk verwaarloost.

  6. De wet bepaalt welke belastingen door de besturen van provincies en gemeenten kunnen worden geheven en regelt hun financiële verhouding tot het Rijk.

Artikel 133 - Waterschappen

  1. De opheffing en instelling van waterschappen, de regeling van hun taken en inrichting, alsmede de samenstelling van hun besturen, geschieden volgens bij de wet te stellen regels bij provinciale verordening, voor zover bij of krachtens de wet niet anders is bepaald.

  2. De wet regelt de verordenende en andere bevoegdheden van de besturen van de waterschappen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen.

  3. De wet regelt het provinciale en overige toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 134 - Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

  1. Bij of krachtens de wet kunnen openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere openbare lichamen worden ingesteld en opgeheven.

  2. De wet regelt de taken en de inrichting van deze openbare lichamen, de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen. Bij of krachtens de wet kan aan hun besturen verordenende bevoegdheid worden verleend.

  3. De wet regelt het toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 135 - Gemeenschappelijke regelingen

De wet geeft regels ter voorziening in zaken waarbij twee of meer openbare lichamen zijn betrokken. Daarbij kan in de instelling van een nieuw openbaar lichaam worden voorzien, in welk geval artikel 134, tweede en derde lid, van toepassing is.

Artikel 136 - Geschillen

De geschillen tussen openbare lichamen worden bij koninklijk besluit beslist, tenzij deze behoren tot de kennisneming van de rechterlijke macht of hun beslissing bij de wet aan anderen is opgedragen.
HOOFDSTUK 8

Herziening grondwet INLEIDING

Artikel 137 - Grondwetswijziging

  1. De wet verklaart, dat een verandering in de Grondwet, zoals zij die voorstelt, in overweging zal worden genomen.

  2. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, een voorstel voor zodanige wet splitsen.

  3. Na de bekendmaking van de wet, bedoeld in het eerste lid, wordt de Tweede Kamer ontbonden.

  4. Nadat de nieuwe Tweede Kamer is samengekomen, overwegen beide kamers in tweede lezing het voorstel tot verandering, bedoeld in het eerste lid. Zij kunnen dit alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  5. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen een voorstel tot verandering splitsen.

Artikel 138 - Aanpassing niet gewijzigde bepalingen

  1. Voordat de in tweede lezing aangenomen voorstellen tot verandering in de Grondwet door de Koning worden bekrachtigd, kunnen bij de wet:

    a. de aangenomen voorstellen en de ongewijzigd gebleven bepalingen van de Grondwet voor zoveel nodig aan elkaar worden aangepast;

    b. de indeling in en de plaats van hoofdstukken, paragrafen en artikelen, alsmede de opschriften worden gewijzigd.

  2. Een voorstel van wet, houdende voorzieningen als bedoeld in het eerste lid onder a, kunnen de kamers alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 139 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De veranderingen in de Grondwet, door de Staten-Generaal aangenomen en door de Koning bekrachtigd, treden terstond in werking, nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 140 - Handhaving bestaande regelgeving

Bestaande wetten en andere regelingen en besluiten die in strijd zijn met een verandering in de Grondwet, blijven gehandhaafd, totdat daarvoor overeenkomstig de Grondwet een voorziening is getroffen.

Artikel 141 - Bekendmaking herziene Grondwet

De tekst van de herziene Grondwet wordt bij koninklijk besluit bekendgemaakt, waarbij hoofdstukken, paragrafen en artikelen kunnen worden vernummerd en verwijzingen dienovereenkomstig kunnen worden veranderd.

Artikel 142 - Aanpassing Grondwet aan Statuut

De Grondwet kan bij de wet met het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in overeenstemming worden gebracht. De artikelen 139, 140 en141 zijn van overeenkomstige toepassing.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

F.M.C. Vlemminx

ARTIKEL 90 - Bevordering internationale rechtsorde

INHOUD
1. Inleiding
2. Een korte terugblik
3. De bevoegdheid om verdragen te sluiten en op te zeggen
4. De internationale rechtsorde
5. De Europese rechtsorde
6. De zorgplicht van artikel 90
7. De ‘schaduwzijde’ van de internationale rechtsorde
8. De inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht
9. Slotopmerkingen
10. Jurisprudentie
11. Literatuur
12. Historische versies

Editie maart 2015

1. Inleiding

Op 25 september 2014 sprak minister-president Mark Rutte naar aanleiding van de vliegramp met de MH17 in het oosten van Oekraïne de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (VN) toe. Hij deelde mede dat het Koninkrijk der Nederlanden zich sterk bleef maken voor een volledige verdrijving van extreme armoede in de wereld en ook bleef deelnemen aan internationale vredesoperaties. Naar de stellige overtuiging van de Nederlandse regering konden de grote problemen waarvoor de wereldgemeenschap zich zag gesteld, immers uitsluitend via internationale samenwerking worden aangepakt. De minister-president vestigde de aandacht op artikel 90 Grondwet: ‘The Constitution of the Kingdom of the Netherlands contains a unique article that says: “The Government shall promote the development of the international legal order”. This self-imposed responsibility comes from a long tradition of freedom, respect for the rule of law and our country’s international orientation.’[1] Artikel 90 Grondwet drukt zonder meer een eerbiedwaardige Nederlandse traditie uit. Het is mede aan deze traditie te danken dat de zetel van het Internationaal Gerechtshof in Den Haag werd gevestigd. Hetzelfde geldt voor het Internationaal Strafhof en het Joegoslavië-tribunaal die eveneens in Den Haag zetelen. Het Koninkrijk der Nederlanden streeft al jarenlang internationale ontwikkelingssamenwerking en universele verwezenlijking van de mensenrechten na. Dit betekent overigens niet dat het Koninkrijk zich altijd coöperatief naar internationale organisaties als de VN heeft opgesteld. Zo betwistte in 1947 de Nederlandse vertegenwoordiger in de Veiligheidsraad Van Kleffens naar eigen zeggen ‘duidelijk en krachtig’[2] dat de Veiligheidsraad bevoegd zou zijn om zich te bemoeien met de kwestie-Indonesië. De in deze kolonie gevoerde militaire operaties zouden geen oorlog betreffen maar een binnenlandse aangelegenheid tot herstel van orde en rust.[3]
 

2. Een korte terugblik

Voor een goed begrip van artikel 90 is het noodzakelijk om ook de voorlopers uit verschillende oude versies van de Grondwet in de beschouwing te betrekken. Daarbij moet onderscheid worden gemaakt tussen de competentiekwestie en de programmatische betekenis.
De geschiedenis van de competentiekwestie vangt aan met de Grondwetten van 1814 en 1815 die expliciet bepaalden dat ‘het bestuur der buitenlandsche betrekkingen’ een bevoegdheid vormde van de uitvoerende macht, de Koning. In 1848 werd het woord ‘bestuur’ vervangen door ‘opperbestuur’. Dit gebeurde bij een grondwetsherziening die ook de bepaling omtrent de ministeriële verantwoordelijkheid, dus het huidige artikel 42, tweede lid, introduceerde. Aanvankelijk ontkende de regering dat de ministeriële verantwoordelijkheid betrekking kon hebben op het terrein van de buitenlandse betrekkingen. Dat beleidsterrein zou een prerogatief van de Koning zijn, dat wil zeggen, een recht van de vorst dat de volksvertegenwoordiging zou dienen te respecteren. In de grondwetsbepaling omtrent ‘het opperbestuur der buitenlandse betrekkingen’ werd dus een strikte bevoegdheidsafbakening gelezen. Na de Luxemburgse kwestie uit 1868[4] stond de ministeriële verantwoordelijkheid op het terrein van de buitenlandse betrekkingen echter buiten kijf. In 1919 kwam er in de Tweede Kamer een vaste commissie voor Buitenlandse Zaken en in 1950 gebeurde hetzelfde in de Eerste Kamer. Na de Tweede Wereldoorlog trad de regering steeds vaker op eigen initiatief met de volksvertegenwoordiging in discussie over het buitenlandse beleid en tegenwoordig is de invloed van het parlement op dat beleid onomstreden.[5] De bepaling omtrent ‘het opperbestuur der buitenlandse betrekkingen’ verdween in 1983 uit de Grondwet. Bij de algehele grondwetsherziening werd ze bewust verwijderd omdat ze volgens de regering de indruk zou kunnen wekken dat aan de invloed van de Staten-Generaal ‘een grens wordt gesteld.’ Dat kwam de regering ‘ongewenst’ voor.[6]

Bij de programmatische betekenis zijn de beide Wereldoorlogen van grote invloed geweest. De verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog leidden in 1922 tot de invoering van een nieuwe grondwetsbepaling: ‘De Koning tracht geschillen met vreemde mogendheden op te lossen door rechtspraak en andere vreedzame middelen.’ Dat rechtspraak apart als eerste middel werd genoemd was omdat kort daarvoor het Internationaal Gerechtshof in Den Haag werd gevestigd.[7] In 1953, dus na de Tweede Wereldoorlog, werd de tekst veranderd in ‘Hij bevordert de ontwikkeling der internationale rechtsorde.’ Die tekst werd bij de algehele grondwetsherziening van 1983 met een enkele grammaticale aanpassing van ondergeschikte betekenis neergelegd in artikel 90.
 

3. De bevoegdheid om verdragen te sluiten
    en op te zeggen

Omdat het voorschrift omtrent ‘het opperbestuur der buitenlandse betrekkingen’ in 1983 bewust uit de Grondwet werd geschrapt wordt algemeen aangenomen dat de regering op zich geen bevoegdheden aan artikel 90 ontleent.[8] Er is echter een belangrijke uitzondering. Uit de combinatie met artikel 91 Grondwet wordt voor de regering de bevoegdheid afgeleid verdragen te sluiten en op te zeggen.[9] Het sluiten kan ook namens de regering geschieden. Sedert 1 mei 1950 is de minister van Buitenlandse Zaken gemachtigd, op grond van een kabinetsrescript van 6 maart 1950, nr. 53, verdragen die niet hoeven te worden bekrachtigd, ‘zelf te sluiten of krachtens door hem gegeven machtiging te doen sluiten’.[10]Ten aanzien van de bevoegdheid verdragen te sluiten of op te zeggen is voor rechterlijke inmenging geen plaats.[11]

Het volkenrecht geeft eigen regels omtrent het sluiten van verdragen door staten. Volkenrechtelijke binding aan een verdrag ontstaat via ondertekening door een vertegenwoordiger van de staat en artikel 7, tweede lid, onder a, Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht (Verdrag van Wenen) bepaalt dat zowel de regeringsleider (minister-president) als de minister van Buitenlandse Zaken alleen al op grond van hun functies als vertegenwoordigers worden aangemerkt. Op dit punt doet zich dus een discrepantie voor met het nationale recht. Wanneer deze ministers onverhoopt hun nationaalrechtelijke bevoegdheden te buiten gaan, is het Koninkrijk volkenrechtelijk toch gebonden. Dit vloeit voort uit de artikelen 27 en 46 van het Verdrag van Wenen. Volgens deze bepalingen mag een staat zich niet beroepen op nationaal recht om het niet ten uitvoer leggen van een verdrag te rechtvaardigen. Deze regel geldt in beginsel ook voor het nationale recht betreffende de bevoegdheid tot het sluiten van verdragen. Bovendien laat artikel 120 Grondwet de nationale rechter niet veel ruimte om een verdrag op zijn grondwettigheid te beoordelen. Aanvullende informatie over de verdragssluiting is te vinden in paragraaf 3 van het commentaar op artikel 91 Grondwet.
 

4. De internationale rechtsorde

Vanwege haar zakelijke inhoud en stijl werd de huidige moderne Grondwet nog niet zo lang geleden getypeerd als ‘kaal’.[12] De Staatscommissie Grondwet die in 2010 een rapport uitbracht over herziening van de Grondwet, heeft voorgesteld om een algemene bepaling aan de Grondwet toe te voegen waarin wordt verklaard dat het Koninkrijk een democratische rechtsstaat vormt waarin de overheid de menselijke waardigheid, de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen eerbiedigt.[13] Hoe verdienstelijk dit voorstel ook moge zijn,[14] tegelijkertijd lijkt niet helemaal te worden gewaardeerd hoezeer in artikel 90 via de simpele woorden ‘internationale rechtsorde’ al fundamentele waarden, idealen en aspiraties besloten liggen. Bij de algehele grondwetsherziening van 1983 gaf de regering aan dat het begrip ‘internationale rechtsorde’ diende ‘te worden verstaan in de ruime zin van een internationaal bestel gebaseerd op universeel geldende rechtsnormen (…).’[15] Daarbij gaf zij de volgende toelichting: ‘Sinds de Tweede Wereldoorlog heeft de Regering bij herhaling uitdrukking gegeven aan de overtuiging, dat een internationaal stelsel van geheel soevereine staten niet meer past bij de vraagstukken waarmee de huidige wereld zich geconfronteerd ziet en dat het daarom gewenst is dit stelsel om te bouwen tot een nieuwe wereldorde waarin nationale belangen zonodig ondergeschikt gemaakt kunnen worden aan meer omvattende belangen. De tegen de achtergrond van deze overtuiging (…) in 1953 in de Grondwet opgenomen bepaling inzake bevordering der internationale rechtsorde doet dan ook in de eerste plaats uitkomen, dat in het Nederlandse constitutionele bestel de nationale soevereiniteit niet als een absolute norm wordt beschouwd. Tegelijkertijd omvat het streven naar een op universeel geldende rechtsnormen gebaseerd internationaal stelsel ook naar onze mening het bevorderen van universele verwezenlijking van de rechten van de mens, en wel in de breedste zin van het woord, dat wil zeggen zowel de burgerrechten en politieke rechten als de economische, sociale en culturele rechten.’[16]

Door zich via artikel 90 Grondwet te committeren aan de bevordering van alle universele mensenrechten, dus van alle rechten zoals neergelegd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESCR) en het Europees Sociaal Handvest (ESH) alsmede allerlei specifieke verdragen in het kader van de VN en de Raad van Europa verkondigt het Koninkrijk de menselijke waardigheid, klassieke en sociale grondrechten en fundamentele rechtsbeginselen als de toegang tot de rechter te eerbiedigen en te waarborgen en er een democratisch staatsbestel op na te houden waarbij de overheid is gebonden aan het recht. Wat in artikel 90 en verder in de Grondwet in het algemeen aan verheven taal en plechtige formuleringen wordt gemist kan ruimschoots worden gevonden in de preambules van deze internationale mensenrechtendocumenten. De Grondwet geeft slechts aan dat in die preambules en verdragsbepalingen waarden, idealen en directieven te vinden zijn die het Koninkrijk ten volle onderschrijft. Hetzelfde geldt voor de preambule van het Handvest van de VN die opnieuw het vertrouwen bevestigt in de fundamentele rechten van de mens, in de waardigheid en de waarde van de menselijke persoon en in gelijke rechten voor mannen en vrouwen en die uitspreekt dat gerechtigheid, verdraagzaamheid en vrede worden nagestreefd. Gaat van de nuchtere en bedaarde verwijzing naar zulke documenten die acht jaar na de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog in de Grondwet werd opgenomen, niet voldoende kracht en richting uit? Natuurlijk geldt wel als voorwaarde dat men bereid is om de boodschap in artikel 90 te lezen. Gelukkig is de Nederlandse rijksoverheid de instructie van artikel 90 allesbehalve vergeten: zie hier. Ook geeft ze met klem te kennen dat het Koninkrijk probeert om de mensenrechten over de hele wereld te beschermen en te bevorderen: zie hier. Mensenrechten zijn zelfs een hoeksteen van het Nederlandse buitenlandse beleid: zie hier.

De typering die de regering in haar toelichting op artikel 90 van de internationale rechtsorde geeft, stemt overeen met de visie die in de literatuur aan de dag wordt gelegd. Het internationale recht is meer dan ‘just a random collection of rules’. Het heeft ‘the characteristics of a system’ waarbij vervolgens wel wordt aangetekend dat het systeem vanuit institutioneel oogpunt niet volmaakt is. Zo ontbreekt ‘a legislature with universal authority’ en geldt in beginsel een ‘consensual basis for judicial jurisdiction’.  Daarom berust de internationale rechtsorde nog steeds goeddeels op vrijwillige samenwerking tussen staten.[17] Niettemin verschaft het internationale recht ‘a normative structure for a rules-based system of international society.’[18] Sinds de Tweede Wereldoorlog wint die normatieve structuur bovendien sterk aan kracht doordat er een zeker proces van constitutionalisering aan de gang is. Met ‘constitutionalisering’ wordt hier gedoeld op pogingen ‘to translate to the international plane concepts that were traditionally reserved for domestic constitutions.’[19] Er is een streven om de internationale rechtsorde, net als een nationale rechtsorde, van een constitutionele basis te voorzien. Drie elementen spelen in het bijzonder een rol: ‘a hierarchy of norms, enforceable individual rights, and judicial review.’[20] Hoe verhouden deze elementen zich tot elkaar? Van de ene kant staat ieder element op zichzelf, met een geheel eigen toepassingsbereik. Zo valt bij de normenhiërarchie die zich binnen de internationale rechtsorde begint af te tekenen, te wijzen op artikel 103 Handvest van de VN. Volgens deze bepaling hebben verplichtingen ingevolge het Handvest voorrang boven verplichtingen die voortvloeien uit andere internationale overeenkomsten en artikel 30, eerste lid, Verdrag van Wenen bevestigt dat nog eens. Van de andere kant bestaat er vanuit het perspectief van de universele mensenrechten tussen de drie elementen een onmiskenbare samenhang. Bij de rechten in de universele en regionale mensenrechtenverdragen is van belang dat het gaat om ‘enforceable individual rights’, rechten die niet alleen theoretische en abstracte betekenis hebben maar door het individu ook concreet in de praktijk kunnen worden ingeroepen. Het vraagstuk van de ‘judicial review’ verdient daarbij bijzondere aandacht. Per slot van rekening laat bijvoorbeeld het EVRM er via artikel 6 geen twijfel over bestaan dat het recht op een eerlijk proces en het recht op toegang tot de rechter[21] zelf ook tot die mensenrechten behoren. Verder wordt binnen de internationale normenhiërarchie voor mensenrechten een bijzondere plaats ingeruimd. Dat gebeurt mede dankzij ‘the inspirational role of in particular Article 1(3) of the UN Charter’.[22] In artikel 1, derde lid, Handvest van de VN wordt de totstandbrenging van ‘[i]nternationale samenwerking bij (…) het bevorderen en stimuleren van eerbied voor de rechten van de mens en voor fundamentele vrijheden voor allen’ als doelstelling van de VN aangemerkt. In de toelichting die de regering op artikel 90 geeft, klinkt dat door.[23] Volgens de regering is de ontwikkeling van de internationale rechtsorde onlosmakelijk verbonden met de universele verwezenlijking van de mensenrechten. De prominente plaats van de mensenrechten binnen de internationale normenhiërarchie blijkt verder bijvoorbeeld uit het gegeven dat universele en regionale mensenrechtenverdragen een erga omnes effect hebben naar alle andere staten die deze verdragen hebben ondertekend.[24] Bij de rechtsfiguur van de erga omnes verplichtingen waarvan de bakermat ligt in de jurisprudentie van het Internationaal Gerechtshof,[25] gaat het om verplichtingen ten opzichte van de internationale gemeenschap als geheel. Alle staten hebben een juridisch belang bij de nakoming ervan. In General Comment No. 31 uit 2004 waarin wordt uiteengezet wat voor algemene verplichting wordt opgelegd door de burgerrechten en de politieke rechten van het IVBPR, merkt het Human Rights Committee op: ‘[R]ules concerning the basic rights of the human person are erga omnes obligations’. Vervolgens wijst het erop dat uit artikel 1, derde lid, Handvest van de VN de plicht voortvloeit ‘to promote universal respect for, and observance of, human rights and fundamental freedoms.’[26]

Er is bij de bespreking van artikel 90 Grondwet reden om kort stil te staan bij de erga omnes doctrine en het leerstuk van de universele mensenrechten. Centraal staan dan niet zozeer de burgerrechten en de politieke rechten als wel de economische, sociale en culturele rechten alsmede specifieke kinder- of vrouwenrechten in de sociaaleconomische sfeer. In haar toelichting op artikel 90 benadrukt de regering nog eens extra dat ook van dergelijke rechten de universele verwezenlijking dient te worden bevorderd. Nu valt het op dat het Koninkrijk de laatste jaren vanuit de VN stevige kritiek krijgt omdat het aan dergelijke rechten nog steeds over nagenoeg de hele linie rechtstreekse werking onthoudt. Het VN Comité inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten dringt er bij het Koninkrijk met klem op aan om ervoor te zorgen dat de rechten van het IVESCR in rechte afdwingbaar worden.[27] Zie hierover paragraaf 1 van het commentaar op artikel 93 en paragraaf 3 van het commentaar op artikel 94. Het CEDAW Comité dat toeziet op de naleving van het VN Vrouwenverdrag is en blijft zeer bezorgd over de status van het Vrouwenverdrag in het Nederlandse rechtssysteem en in het bijzonder over het feit dat de regering de mening lijkt toegedaan dat niet alle inhoudelijke bepalingen van het verdrag rechtstreeks van toepassing zijn.[28] Meer informatie betreffende de nationale jurisprudentie over het Vrouwenverdrag is te vinden in paragraaf 3 van het commentaar op artikel 94. Het Koninkrijk doet er goed aan om de kritiek van deze VN Comités ter harte te nemen. De reserve die ten aanzien van de afdwingbaarheid van dit soort rechten aan de dag wordt gelegd, kan afbreuk doen aan het erga omnes effect van de rechten. Er mag niet de situatie ontstaan dat het Koninkrijk zich weliswaar inzet voor de verwezenlijking en afdwingbaarheid van deze rechten in andere landen en dan vooral ontwikkelingslanden, maar wanneer het op de eigen tekortkomingen wordt aangesproken, niet thuis geeft.[29] De ontwikkeling van de internationale rechtsorde wordt dan immers eerder afgeremd of belemmerd dan bevorderd.[30]

Bovendien vertoont de internationale rechtsorde een zekere innerlijke samenhang die zich juist op het vlak van de universele mensenrechten sterk manifesteert. De mensenrechtenverdragen zijn onderling verweven. Zoals nader wordt uiteengezet in paragraaf 13 van het commentaar op artikel 94 Grondwet vloeit uit artikel 31, derde lid, onder c, Verdrag van Wenen voort dat bij de interpretatie van een mensenrechtenverdrag acht moet worden geslagen op andere mensenrechtenverdragen. Zo gebruikt het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) de sociale en economische rechten in verdragen als het ESH bij de uitleg van het EVRM.[31]Er is geen ‘water-tight division’, zegt het EHRM al in 1979,[32]en in 2008 geeft het nog eens een bijzonder principiële toelichting.[33]‘All human rights are universal, indivisible and interdependent and interrelated’, aldus de slotverklaring van de Wereldconferentie die op besluit van de Algemene Vergadering van de VN in 1993 te Wenen plaatsvond.[34] Daarom kan een staat onmogelijk afwijzend staan tegenover sociale en economische rechten en ondertussen burgerrechten en politieke rechten volledig omarmen.Beide categorieën rechten zijn te verstrengeld, niet alleen qua fundamenten maar ook als het gaat om de uitwerking in allerlei leerstukken. De Nederlandse rechter maakt daar handig gebruik van wanneer hij een bepaalde schending van sociale rechten en kinderrechten oplost via het EVRM. Ontegenzeglijk verbindt hij consequenties aan de sterke onderlinge verwevenheid die de internationale rechtsorde bij de mensenrechten dicteert. In paragraaf 6 komt deze fraaie jurisprudentie van de nationale rechter opnieuw aan bod en meer informatie hierover is te vinden in de paragrafen 12 en 13 van het commentaar op artikel 94 Grondwet.
 

5. De Europese rechtsorde

Is het zinvol om artikel 90 aan te vullen met de ontwikkeling van de Europese rechtsorde met inbegrip van het recht van Europese Unie (EU)? Een voorstel in die richting werd gedaan in een onderzoeksrapport dat in het najaar van 2002 naar aanleiding van de aanvaarding van de motie-Jurgens c.s. in de Eerste Kamer[35] tot stand kwam.[36] In 2010 bleek ook de Staatscommissie Grondwet een voorstander. In het voorstel van de Staatscommissie zou artikel 90 als volgt komen te luiden: ‘De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale en de Europese rechtsorde.’ De Staatscommissie gaf de volgende toelichting: ‘De Europese rechtsorde en het recht dat deze orde omvat, in het bijzonder het recht van de Europese Unie en het recht dat verband houdt met de Raad van Europa (onder andere het EVRM), zijn zo belangrijk voor het Koninkrijk dat de Europese rechtsorde naar het oordeel van de Staatscommissie uitdrukkelijke vermelding verdient naast de internationale rechtsorde in het algemeen.’[37] Voor een aparte vermelding pleit dat de Europese rechtsorde volledig deel uitmaakt van de nationale rechtsorde van de lidstaten. Toch voelt de regering er weinig voor, want de huidige taakstelling ‘omsluit het streven van de regering dat ook de Europese verhoudingen (zowel in het kader van de Europese Unie als de Raad van Europa) gegrondvest zijn op het recht.’[38] Voor het standpunt van de regering valt ook het nodige te zeggen. In het bijzonder is het enigszins verwarrend om de internationale rechtsorde en de Europese rechtsorde zo nadrukkelijk naast elkaar te zetten. Er wordt een tegenstelling gesuggereerd die er niet is. De Europese rechtsorde maakt immers evenzeer volledig deel uit van de internationale rechtsorde. Zo benadrukt het EHRM dat het EVRM niet geïnterpreteerd kan worden in een ‘vacuüm’[39] maar integendeel zoveel mogelijk geïnterpreteerd moet worden in overeenstemming met ‘the other principles of international law of which it forms a part (…).’[40] Ook de EU is niet alleen volledig ingebed in de internationale rechtsorde[41] maar zij speelt bovendien een belangrijke rol bij de vorming van internationaal recht.[42]
 

6. De zorgplicht van artikel 90

Artikel 90 is duidelijk verwant aan de sociale grondrechten in hoofdstuk 1 van de Grondwet. Op die verwantschap werd bij de algehele grondwetsherziening van 1983 vanuit het parlement gewezen. Aanvankelijk stelde de regering voor om de opdracht aan de regering helemaal te laten vervallen. De bepaling zou overbodig zijn omdat de traditie van het Koninkrijk om mee te werken aan de bevordering van de internationale rechtsorde ongetwijfeld ook zonder een dergelijke opdracht zou worden voortgezet.[43] De Tweede Kamer kon zich niet in het voorstel van de regering vinden, waarbij onder meer werd opgemerkt hoe ongerijmd het was om in hoofdstuk 1, bijvoorbeeld op het vlak van de werkgelegenheid of de bescherming en verbetering van het leefmilieu, allerlei zorgplichten op te nemen en tegelijkertijd deze zorgplicht te schrappen.[44] Bij nader inzien vond de regering het niet passend om ook maar ‘enige ruimte’ te laten ‘voor het misverstand, nationaal of internationaal, dat de traditie (…) niet zou worden voortgezet.’[45] Daarom introduceerde zij alsnog de expliciete zorgplicht op het vlak van de internationale rechtsorde.[46] De verwantschap met de sociale grondrechten is des te sterker omdat artikel 90 zich bij het verstrekken van de opdracht aan de regering net als het recht op arbeid van artikel 19, eerste lid, het recht op gezondheid van artikel 22, eerste lid, en het recht op huisvesting van artikel 22, tweede lid, bedient van de term ‘bevorderen’. In zeker opzicht wordt de opdracht in artikel 90 bijzonder krachtig verwoord. Het artikel verplicht de regering niet alleen om de internationale rechtsorde te eerbiedigen en te waken over haar instandhouding maar ook om te streven naar verdere ‘ontwikkeling’, dus naar vervolmaking.

In de jurisprudentie kan de opdracht in artikel 90 een bepaalde functie vervullen. Zo ziet de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zich in 1999 voor de vraag gesteld of (weigering van) legalisatie van een buitenlands document zoals een geboorteakte aan te merken valt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht. Volgens de Afdeling ontbreekt in het onderhavige geval weliswaar een specifieke publiekrechtelijke wettelijke grondslag maar is er wel sprake van een volkenrechtelijke rechtsgrond die in het interne recht doorwerkt omdat ‘de regering, ingevolge art. 90 Gw, de ontwikkeling van de rechtsorde bevordert (…).’ Kortom, de Afdeling las in artikel 90, maar dan wel indirect, de bevoegdheid van de minister van Buitenlandse Zaken om buitenlandse documenten voor echt te verklaren zodat zij tot de Nederlandse rechtsorde kunnen worden toegelaten.[47] Om redenen die buiten artikel 90 om gingen, werd deze jurisprudentie later herzien. Toen oordeelde de Afdeling dat legalisatie noch verificatie aan te merken is als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, Awb waartegen bezwaar en beroep kan worden ingesteld.[48]

In 2004 wordt de Hoge Raad de vraag voorgelegd of de civiele rechter de Nederlandse Staat kan gelasten om zich, mede gelet op het geweldverbod van artikel 2, vierde lid, Handvest van de VN, te distantiëren van bepaalde militaire acties van de Verenigde Staten van Amerika. De Hoge Raad vindt van niet: ‘Art. 90 Gr.w. (…) behelst (…) een instructie aan de regering de internationale rechtsorde te bevorderen, maar noch dit noch enig ander artikel bepaalt op welke wijze hieraan uitvoering moet worden gegeven. In dit verband merkt de Hoge Raad op dat de onderhavige vorderingen (…) betrekking hebben op vragen betreffende het beleid van de Staat op het gebied van buitenlandse politiek en defensie, welk beleid in sterke mate zal afhangen van politieke afwegingen in verband met de omstandigheden van het geval. Het is, ook waar het het geweldverbod betreft, niet aan de burgerlijke rechter om deze politieke afwegingen te maken en op verlangen van een burger de Staat (de regering) bepaalde handelingen ter uitvoering van politieke besluitvorming op het gebied van buitenlands beleid of defensie te verbieden of hem te gelasten op dit gebied een bepaalde gedragslijn te volgen.’[49]

Uit het arrest van de Hoge Raad mag niet worden geconcludeerd dat artikel 90 nooit als maatstaf bij een beoordeling kan fungeren. Of en in hoeverre een rechter of een andere onafhankelijke instantie kan vaststellen dat aan de plicht van artikel 90 onvoldoende invulling wordt gegeven, is sterk afhankelijk van de concrete context. Zo laat het artikel er geen twijfel over bestaan dat de regering zich moet beijveren voor de verdere ontwikkeling van de internationale rechtsorde en wanneer de regering het verzoek bereikt om met het oog op een dergelijke verdere ontwikkeling voor de hand liggende consequenties te verbinden aan stappen die het Koninkrijk zelf eerder uit eigen beweging heeft gezet, lijkt – daargelaten of het aan de rechter is, zich hierover uit te spreken – een afwijzende houding lastig met het artikel te verenigen. In dit verband valt te denken aan het uitblijven van de ratificatie van mensenrechtenverdragen die het Koninkrijk heeft gesloten. Een voorbeeld is het VN Verdrag inzake de rechten van mensen met een beperking van 13 december 2006 dat op 3 mei 2008 in werking is getreden maar door het Koninkrijk nog steeds niet is geratificeerd. Het lijkt zinloos om in dit kader de rechter te benaderen. Maar in het Koninkrijk zijn ook andere onafhankelijke instanties actief zoals het College voor de rechten van de mens dat ingevolge artikel 3 Wet College voor de rechten van de mens onder meer tot taak heeft om aan te sporen tot de ratificatie van mensenrechtenverdragen.[50] Het College heeft het streven naar de ratificatie van het Verdrag inzake de rechten van mensen met een beperking in zijn strategisch plan (p. 11) als een uiterst belangrijke taak aangemerkt.[51] Ook de ratificatie van het Facultatieve Protocol bij het IVESCR dat individuen het recht verleent om klachten in te dienen bij het VN Comité inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten en dat op 5 mei 2013 in werking trad, blijft almaar uit. Op 1 november 2012 deelde de regering de Tweede Kamer mede dat ze aarzelingen heeft over de vraag hoe beslissingen van het Comité zullen doorwerken in het nationale recht.[52]

Nu mag de weigering om het Facultatieve Protocol te bekrachtigen lastig met artikel 90 te verenigen zijn, het lijkt in ieder geval beter dan het internationale toezicht op sociale en economische mensenrechten gewoon te aanvaarden en vervolgens af te haken bij de naleving van de oordeelsvorming. Het Koninkrijk heeft geaccepteerd dat het Europees Comité voor Sociale Rechten (ECSR) zich buigt over groepsklachten die betrekking hebben op een schending van het ESH. Het spreekt voor zich dat naleving van de oordeelsvorming van het ECSR de ontwikkeling van de internationale rechtsorde bevordert en dat het zich moeilijk met artikel 90 verdraagt wanneer de regering die oordeelsvorming naast zich neerlegt zonder dat dwingende argumenten daartoe nopen. Toch leek dat te gebeuren toen het ECSR in 2009 oordeelde dat de Nederlandse overheid het ESH schond door kinderen van uitgeprocedeerde asielzoekers op straat te zetten.[53] Het Tweede Kamerlid Spekman vroeg de regering of ze het oordeel ging naleven. Bij brief van 15 maart 2010 antwoordde de regering dat het oordeel juridisch niet bindend was zolang het Comité van Ministers zich niet had uitgesproken en dat de regering vraagtekens zette bij de interpretatiemethode van de personele reikwijdte op grond waarvan het ECSR tot zijn oordeel kwam.[54] Op 7 juli 2010 nam het Comité van Ministers van de Raad van Europa een resolutie aan waarin het zich achter het ECSR schaarde en de opdracht gaf om de schending op te heffen.[55]Ondertussen sorteerde het oordeel van het ECSR echter al effect doordat de Nederlandse rechter, zoals wordt toegelicht in de paragrafen 12 en 13 van het commentaar op artikel 94 Grondwet, het standpunt innam dat door het op straat zetten van de kinderen niet alleen het ESH maar ook het EVRM werd geschonden.[56]

In 2014 speelde de kwestie van artikel 11, tweede lid, aanhef en onder b, VN Vrouwenverdrag dat vrouwen het recht op zwangerschapsverlof toekent. Toen de wetgever een bestaande publieke regeling voor zwangerschapsverlof voor zelfstandigen introk zonder in een nieuwe regeling te voorzien, werd daarover tot aan de Hoge Raad geprocedeerd. Zoals nader wordt uiteengezet in paragraaf 3 van het commentaar op artikel 94 stelde de Hoge Raad zich in 2011 op het standpunt dat deze verdragsbepaling geen rechtstreekse werking bezat aangezien niet werd voorgeschreven welke modaliteiten een verlof wegens bevalling moest hebben.[57] Volgens de Hoge Raad was het dus niet aan de rechter om te controleren of de verdragsbepaling werd nageleefd. Daarop werd een klacht ingediend bij het CEDAW Comité dat toeziet op de naleving van het Vrouwenverdrag, en in februari 2014 oordeelde dit Comité dat de verdragsbepaling was geschonden en gaf het de aanbeveling om vrouwelijke zelfstandigen die de dupe waren van de intrekking, met terugwerkende kracht aanspraak op een zwangerschapsuitkering te verlenen.[58] Zie hier. Bij brief van 19 september 2014 berichtte de regering aan de Tweede Kamer dat ze geen gehoor ging geven aan het oordeel. Anders dan het Comité vindt de regering dat artikel 11, tweede lid, aanhef en onder b, geen betrekking heeft op zelfstandigen maar uitsluitend op vrouwen die werkzaam zijn in loondienst.[59]
Bij de affaires rond het ESH en het Vrouwenverdrag verschilt de regering met het toezichthoudende Comité van mening over de interpretatie van het verdrag, maar juist op het punt van de uitleg ten aanzien van reikwijdte of inhoud van de verdragsbepaling valt afwijzing van een oordeel nauwelijks overtuigend te onderbouwen. Er kunnen te sterke tegenargumenten worden aangedragen. Naast de instructie die uitgaat van artikel 90, alsmede het gegeven dat de consequenties van de erkenning van het klachtrecht bij voorkeur moeten worden aanvaard, valt te wijzen op het gezag dat zulke toezichthoudende Comités binnen de internationale gemeenschap genieten. In dergelijke gevallen spreekt het EHRM bijvoorbeeld van ‘interpretation by a particularly well-qualified committee’.[60] Zulke Comités zijn uitdrukkelijk belast met de interpretatie van de betreffende verdragsbepalingen, in welk kader zij ook General Comments (algemene commentaren) uitvaardigen. Daar komt nog bij dat artikel 26 Verdrag van Wenen het Koninkrijk de plicht oplegt om verdragen te goeder trouw ten uitvoer te leggen. Bij de interpretatie van de verdragsbepaling moet het nationale perspectief waarbij nationale belangen vooropstaan, daarom al snel wijken voor het internationale perspectief dat deze Comités hanteren, een perspectief waarbij het erga omnes karakter van de mensenrechten zwaar meeweegt en wordt verdisconteerd dat de bepaling in kwestie ook voor alle andere lidstaten geldt.
 

7. De ‘schaduwzijde’ van de internationale rechtsorde

De Grondwet heeft een ‘zeer volkenrechtsvriendelijk’[61] karakter en artikel 90 staat model voor deze omarming van het internationale recht. Nu wordt de laatste jaren wel geopperd dat allerlei ontwikkelingen in het internationale recht juist rechtsstatelijke en democratische waarborgen zouden (kunnen) aantasten. De Grondwet zou dan bescherming moeten bieden tegen die aantasting. Bij zulke uiteenzettingen wordt met de beschuldigende vinger naar het recht van de EU gewezen, maar meteen moet worden opgemerkt dat de ontwikkeling van deze ‘autonome’ Europese rechtsorde zich voor een aanzienlijk deel voltrok via jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) waarvoor de basis al in de jaren zestig van de vorige eeuw werd gelegd in de bekende arresten Van Gend en Loos[62] en Costa/ENEL.[63] De ontwikkeling geschiedde los van eventuele barrières die werden opgeworpen door de constituties van de deelnemende staten en ook in de visie van de Nederlandse rechter heeft het recht van de EU buiten de artikelen 93 en 94 Grondwet om gelding binnen de Nederlandse rechtsorde.[64] Het is dus maar de vraag of de Grondwet tekortschoot. Tegelijkertijd is het de vraag of en zo ja, in hoeverre de Grondwet een (verdere) Europese eenwording nog serieus kan afremmen of beïnvloeden. Hoe dan ook, in 2006 werd in de Tweede Kamer het initiatiefvoorstel Van der Staaij c.s. aanhangig gemaakt dat beoogt voor de goedkeuring van verdragen ter grondvesting van de EU in het parlement voortaan het vereiste van ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen te laten gelden.[65] Zie hierover nader paragraaf 4 van het commentaar op artikel 91 Grondwet. Het is echter bovenal de vraag of, en zo ja, in hoeverre de groei van de EU daadwerkelijk een bedreiging vormt voor democratische en rechtsstatelijke waarborgen. Doordat het Europese Parlement steeds meer bevoegdheden verwerft is er een Europees democratiseringsproces aan de gang terwijl het Handvest van de grondrechten van de EU en de jurisprudentie van het HvJ EU de basis vormen van een serieuze grondrechtenbescherming.[66] Volgens het EHRM heeft deze bescherming in beginsel een niveau dat te vergelijken valt met de bescherming die het zelf verleent onder het EVRM.[67]

Maar ook los van de EU zou het open karakter van de Grondwet voor problemen (kunnen) zorgen. Volgens Van Emmerik lijkt het erop ‘dat bij de doorwerking van internationaal recht (…) lang niet altijd de eisen van de democratische rechtsstaat (…) in voldoende mate in acht worden genomen.’[68] Als illustratie dienen de zogenaamde ‘terreurlijsten’ die werden uitgevaardigd door de Veiligheidsraad van de VN.[69] Van Emmerik stelt voor om via een grondwetsherziening te bewerkstelligen dat internationaal recht voortaan uitsluitend in onze rechtsorde doorwerkt ‘voor zover dit niet in strijd is met fundamentele rechtsstatelijke normen’.[70] De zorgen van Van Emmerik worden gedeeld door de helft van de Staatscommissie Grondwet. Deze commissieleden vinden het wenselijk om in de Grondwet vast te leggen dat internationaal recht niet wordt toegepast indien de toepassing niet verenigbaar is met de algemene grondwetsbepaling die de Staatscommissie voorstelt,[71] dus de bepaling waarin, zo bleek in paragraaf 4, wordt verklaard dat het Koninkrijk een democratische rechtsstaat vormt waarin de overheid de menselijke waardigheid, de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen eerbiedigt. Nu wordt de effectiviteit van zulke oplossingen in ernstige mate belemmerd door artikel 120 Grondwet: een rechter mag verdragen niet toetsen aan de Grondwet. Hoewel artikel 120 hierover zwijgt, mag ervan worden uitgegaan dat de rechter dit toetsingsverbod evenzeer van toepassing zal achten op besluiten van volkenrechtelijke organisaties. De verklaringswet-Halsema die strekt tot een wijziging van artikel 120 en de invoering van een (gedeeltelijke) constitutionele toetsing,[72] biedt geen soelaas, want die opent alleen de mogelijkheid om een wet aan de Grondwet te toetsen. Daarom zal tegelijkertijd ook artikel 120 Grondwet moeten worden aangepast. Verder neemt een grondwettelijke ‘veiligheidsklep’ niet weg dat het Koninkrijk gehouden blijft de internationale verplichting na te komen. Paragraaf 3 liet zien dat een staat zich volgens het Verdrag van Wenen niet kan beroepen op nationaal recht om het niet ten uitvoer leggen van een verdrag te rechtvaardigen. Van Emmerik en de (betreffende helft van de) Staatscommissie beseffen dat uiteraard ook.[73] In het licht van artikel 90 Grondwet is het bovendien charmanter om bij het zoeken van een oplossing zoveel mogelijk gebruik te maken van datzelfde internationale recht. De Staatscommissie wijst er terecht op dat nationale constitutionele normen zoals grondrechten eveneens zijn neergelegd in regionale en universele mensenrechtenverdragen.[74] Wanneer de tenuitvoerlegging van een verdrag of volkenrechtelijk besluit zich niet met nationale fundamentele normen verdraagt, is er daarom tevens sprake van een verdragsconflict.[75] Volgens de Hoge Raad staat geen enkele regel van Nederlands recht ‘eraan in de weg dat de Nederlandse rechter onderzoekt of een (…) verdrag strijdig is met andere verdragen of andere volkenrechtelijke normen.’[76] Botst de naleving van een internationaalrechtelijke verplichting met de naleving van een mensenrechtenverdrag dan kan de rechter, rekening houdend met ‘alle omstandigheden van het geval’, overgaan tot de ‘afweging van de betrokken belangen’ met inbegrip van ‘de nationale en internationale belangen die bij de nakoming van beide verdragsverplichtingen betrokken zijn’.[77] De rechter kan dan het mensenrechtenverdrag laten voorgaan. Zo voorkwam de Hoge Raad al meer dan twintig jaar geleden dat iemand in strijd met het Zesde Protocol bij het EVRM werd blootgesteld aan de doodstraf en de kans liep om van het leven te worden beroofd.[78] Bij een dergelijke belangenafweging kan de rechter bovendien extra profijt trekken van de internationale rechtsorde door principiële betekenis toe te kennen aan de normenhiërarchie die zich in de internationale rechtsorde begint af te tekenen, en de cruciale rol die artikel 1, derde lid, Handvest van de VN[79] en de mensenrechten[80] daarbij spelen.
 

8. De inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht

In zijn toespraak bij de VN vertelde minister-president Mark Rutte de Algemene Vergadering dat de instructie van artikel 90 mede betrekking heeft op het inzetten van de Nederlandse krijgsmacht bij internationale vredesoperaties. Voorbeelden zijn de operaties in Afghanistan, Mali en Irak. Aparte vermelding verdient de veiligheidstaak die Dutchbat, een VN-bataljon van Nederlandse militairen, in de jaren negentig van de vorige eeuw tijdens de Joegoslavische burgeroorlog uitoefende. In Srebrenica vermoordden Bosnisch-Servische troepen meer dan 7000 mannelijke moslims die formeel onder de bescherming van Dutchbat stonden. De val van Srebrenica had ook binnen Nederland zelf dramatische gevolgen. Het verschijnen van het rapport hierover van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie bewerkstelligde in 2002 het aftreden van het tweede kabinet-Kok. In 2013 nam de Hoge Raad aansprakelijkheid van de Nederlandse staat aan omdat enkele slachtoffers door Dutchbat van de compound waren weggestuurd.[81] In 2014 oordeelde de rechtbank Den Haag dat de Nederlandse staat aansprakelijk was vanwege de medewerking die Dutchbat verleende aan de deportatie van mannelijke vluchtelingen die vervolgens door de Bosnische Serven werden gedood.[82] De inzet van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde vormt het onderwerp van artikel 100 Grondwet. Zie voor meer informatie het commentaar op dit artikel.
 

9. Slotopmerkingen

Artikel 90, het product van een eerbiedwaardige traditie, kwam in 1953 in de Grondwet terecht omdat het Koninkrijk lering wenste te trekken uit de Tweede Wereldoorlog: de weg naar vrede, veiligheid en gerechtigheid zowel hier als elders in de wereld liep via de waarborging van universele mensenrechten, hechte internationale samenwerking en tempering van de nationale soevereiniteit. Bij de algehele grondwetsherziening van 1983 meende de regering aanvankelijk dat artikel 90 best gemist kon worden, maar, wakker geschud door het parlement, besloot ze bij nader inzien om de les van de Tweede Wereldoorlog toch maar opnieuw te beklemtonen. Dat was een verstandige beslissing. In het huidige tijdsgewricht waarin vreemdelingenhaat op de loer ligt,[83] de roep om versterking van de soevereiniteit steeds luider lijkt te klinken en het min of meer in zwang is geraakt om vraagtekens te zetten bij de jurisprudentie van een internationale rechter als het EHRM,[84] is de norm van artikel 90 ineens weer bijzonder actueel.
 

10. Jurisprudentie

Pres.Rechtbank ’s-Gravenhage 21 mei 1984, AB 1985, 12
EHRM 21 februari 1975, 4451/70 (Golder v. the United Kingdom)
Barcelona Traction, Light and Power Company Ltd case (Belgium v. Spain), ICJ Reports 1970, p. 3 e.v.
EHRM 9 oktober 1979, 6289/73 (Airey v. Ireland)
EHRM 12 november 2008, 34503/97, AB 2009, 297 m.nt. Frank Vlemminx (Demir and Baykara v. Turkey)
EHRM 21 november 2001, 35763/97 (Al-Adsani v. the United Kingdom)
EHRM 4 februari 2005, 46827/99 (Mamatkulov and Askarov v. Turkey)
HvJ EU Zaak C-162/96, Racke, Jur. 1998, p. I-3655
ABRvS 18 februari 1999, AB 1999, 143
HR 6 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8071
Hof ’s-Gravenhage 25 maart 2004, ECLI:NL:GHSGR:2004:AU4443
Rechtbank ’s-Gravenhage 26 oktober 2001, ECLI:NL:RBSGR:2001:AD4855
ECSR 27 oktober 2009, 47/2008 (DCI v. the Netherlands), NTM/NJCM-Bull. 2010, p. 205-219 m.nt. Antoine Buyse
Rechtbank Utrecht 6 april 2010, ECLI:NL:RBUTR:2010:BM0846
HR 21 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5328
HR 1 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3044 (Artikel 11 Vrouwenverdrag)
CEDAW Comité 17 februari 2014, 36/2012 (De Blok et al. v. the Netherlands), CEDAW/C/57/D/36/2012
EHRM 21 februari 2006, 28602/95 (Tüm Haber Sen and Çinar)
HvJ EG 5 februari 1963, Zaak 26-62, Jur. 1963, p. 8, AA 1963/1964, 12
HvJ EG 15 juli 1965, Zaak 6/64, Jur. 1964, p. 1199, AA 196419/65, p. 155
HR 2 november 2004, NJ 2005, 80
EHRM 30 juni 2005, 45036/98 (Bosphorus Airlines v. Ireland)
HR 10 november 1989, NJ 1991, 248 (Kruisraketten)
HR 30 maart 1991, NJ 1991, 249 (Short)
HR 15 september 2006, NJ 2007, 277
HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ:9228
Rechtbank Den Haag 16 juli 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:8562
 

11. Literatuur

- L.F.M. Besselink, H.R.B.M. Kummeling, R. de Lange, P. Mendelts en S. Prechal, De Nederlandse Grondwet en de Europese Unie, European Law Publishing, Groningen 2002.
- M.G. Boekhorst, Artikel 90, in: Akkermans/Koekkoek, De Grondwet, p. 831-837.
- M.D. Bogaarts, Parlementaire geschiedenis van Nederland na 1945, De periode van het kabinet-Beel, 3 juli 1946-7 augustus 1948, Band D, Eerste helft, Nederlands Indië (a), Nijmegen 1995.
- Brownlie’s Principles of Public International Law, Oxford University Press 2012.
- Fons Coomans (ed.), Justiciability of Economic and Social Rights, Experiences from Domestic Systems, Antwerpen-Oxford 2006.
- Yvonne Donders en Marjolijn Olde Monnikhof, Het College voor de Rechten van de Mens belicht, bewaakt, beschermt en bevordert mensenrechten in Nederland, NTM/NJCM-Bull. 2012, p. 693-713.
- P.J. Drooglever en M.J.B. Schouten, Nederlands-Indonesische betrekkingen 1945-1969, Deel 10, 21 juli-31 augustus 1947.
- M.L. van Emmerik, De Nederlandse Grondwet in een veellagige rechtsorde, Rechtsgeleerd Magazijn THEMIS 2008, p. 145-161.
- Dimitry Kochenov and Fabian Amtenbrink (ed.), The European Union’s Shaping of the International Legal Order, Cambridge University Press 2014.
- J.B. Mus, Verdragsconflicten voor de Nederlandse rechter, Zwolle 1996.
- Van der Pot, Handboek van het Nederlandse staatsrecht, bewerkt door D.J. Elzinga, R. de Lange en H.G. Hoogers, Deventer 2014.
- T.P. Spijkerboer, Het debat over het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, NJB 2012, p. 254-262
Rapport Staatscommissie Grondwet, ’s-Gravenhage 2010.
- A.M. Stuyt, Formeel tractatenrecht, ’s-Gravenhage 1966.
- Frank Vlemminx, De januskop van Nederland en de convergentie van mensenrechten onder het EVRM, NJB 2008, p. 1572-1573.
- F.M.C. Vlemminx, Het moderne EVRM, Den Haag 2013.
- R.A. Wessel, De Europese Unie in de internationale rechtsorde, zie hier
- R.A. Wessel, The Invasion by International Organizations, De toenemende samenhang tussen de mondiale, Europese en nationale rechtsorde, oratie Universiteit Twente 2006.
- Erika de Wet, The Constitutionalization of Public International Law, in: Michel Rosenfeld and András Sajó (ed.), The Oxford Handbook of Comparative Constitutional Law, Oxford University Press 2012, p. 1209-1230.
- Katharine G. Young, Constituting Economic and Social Rights, Oxford University Press 2014.
 

12. Historische versies

Art. 38, tweede volzin, Gw. 1814: aan Hem behoort dienvolgens het bestuur der buitenlandsche betrekkingen mitsgaders het benoemen en herroepen van Gezanten en Consuls.
Art. 56, eerste volzin, Gw. 1815: De Koning heeft het bestuur der buitenlandsche betrekkingen (art. 55, eerste volzin, Gw. 1840; art. 57 Gw. 1887; art. 56 Gw. 1922; art. 58 Gw. 1938).
Art. 57, eerste volzin, Gw. 1922: De Koning tracht geschillen met vreemde Mogendheden op te lossen door rechtspraak en andere vreedzame middelen.
Art. 58, tweede lid, Gw. 1953: Hij bevordert de ontwikkeling der internationale rechtsorde.
 

Noten

  1. Zie de Toespraak van minister-president Rutte in de Algemene Vergadering van de VN op 29 september 2014.
  2. P.J. Drooglever en M.J.B. Schouten, Nederlands-Indonesische betrekkingen 1945-1969, Deel 10, 21 juli-31 augustus 1947, nr. 128, Vertegenwoordiger in de Veiligheidsraad (Van Kleffens) aan minister van buitenlandse zaken (Van Boetzelaer van Oosterhout), 2 augustus 1947, p. 191.
  3. M.D. Bogaarts, Parlementaire geschiedenis van Nederland na 1945, De periode van het kabinet-Beel, 3 juli 1946-7 augustus 1948, Band D, Eerste helft, Nederlands Indië (a), Nijmegen 1995, p. 2841 en 2847.
  4. Zie over deze kwestie Van der Pot, Handboek van het Nederlandse staatsrecht, bewerkt door D.J. Elzinga, R. de Lange en H.G. Hoogers, Deventer 2014, p. 147-148.
  5. Wel is er nog een debat gaande over de wijze waarop de Tweede en de Eerste Kamer zijn betrokken bij beslissingen omtrent de inzet van de krijgsmacht. Zie hierover het commentaar op de artikelen 96 en 100.
  6. Kamerstukken II 1977/78, 15 049 (R 1100), nr. 3, p. 9.
  7. Van der Pot, Handboek van het Nederlandse staatsrecht, p. 702-703.
  8. Bijvoorbeeld Rapport Staatscommissie Grondwet, ’s-Gravenhage 2010, p. 105.
  9. Anders dan artikel 60 van de Grondwet van 1956 en nog oudere versies van de regeling bepaalt het huidige artikel 91 niet aan welk orgaan verdragsluitende bevoegdheid toekomt. Daarom vormt artikel 90 een hulpmiddel bij de interpretatie van artikel 91. Zie M.G. Boekhorst, Artikel 90, in: Akkermans/Koekkoek, De Grondwet, p. 836.
  10. A.M. Stuyt, Formeel tractatenrecht, ’s-Gravenhage 1966, p. 46-47. Een kabinetsrescript is een schrijven van (de Directeur van) het Kabinet des Konings, een instelling waarvan de Koning zich sinds 1840 bedient om bijvoorbeeld schriftelijk in overleg te treden met ministers. Deze instelling mag niet worden verward met het ‘kabinet’ in de zin van ministers en staatssecretarissen.
  11. Bijvoorbeeld Pres. Rechtbank ’s-Gravenhage 21 mei 1984, AB 1985, 12; in dit vonnis wordt overigens ten onrechte gesteld dat de bevoegdheid om een verdrag te sluiten toekomt aan regering èn Staten-Generaal.
  12. J.Th.J. van den Berg, De Grondwet weer tot leven brengen: hoe doen wij dat?, De Gids 2014, nr. 2, p. 11.
  13. Rapport Staatscommissie Grondwet, p. 40.
  14. De regering zag aanvankelijk weinig heil in een dergelijke algemene bepaling en deelde de Eerste Kamer mede geen grondwetsherziening in gang te zullen zetten; Kamerstukken I 2013/2014, 31 570 I. Inmiddels is het concept opgesteld van een Wetsvoorstel algemene bepaling Grondwet waarin de bepaling als volgt zou komen te luiden: ‘De Grondwet waarborgt de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten.’ Zie: http://www.internetconsultatie.nl/algemene_bepaling_grondwet2.
  15. Kamerstukken II 1979/80, 15 049 (R 1100), nr. 7, p. 5.
  16. Kamerstukken II 1979/80, 15 049 (R 1100), nr. 7, p. 5.
  17. Brownlie’s Principles of Public International Law, Oxford University Press 2012, p. 16.
  18. Brownlie’s Principles of Public International Law, p. 19.
  19. Erika de Wet, The Constitutionalization of Public International Law, in: Michel Rosenfeld and András Sajó (ed.), The Oxford Handbook of Comparative Constitutional Law, Oxford University Press 2012, p. 1213.
  20. De Wet, The Constitutionalization of Public International Law, p. 1213.
  21. EHRM 21 februari 1975, 4451/70 (Golder v. the United Kingdom).
  22. De Wet, The Constitutionalization of Public International Law, p. 1225.
  23. Kamerstukken II 1979/80, 15 049 (R 1100), nr. 7, p. 5.
  24. De Wet, The Constitutionalization of Public International Law, p. 1216.
  25. Barcelona Traction, Light and Power Company Ltd case (Belgium v. Spain), ICJ Reports 1970, p. 3 e.v.
  26. Human Rights Committee, General Comment No. 31, Nature of the General Legal Obligation Imposed on States Parties to the Covenant, CCPR/C/21/Rev. 1/Add. 13, par. 2.
  27. E/C.12/NDL/CO/4-5, par. 6.
  28. CEDAW/C/NLD/CO/4, par. 11; zie ook CEDAW Comité 17 februari 2014, 36/2012 (De Blok et al. v. the Netherlands), CEDAW/C/57/D/36/2012, par. 8.5.
  29. Frank Vlemminx, De januskop van Nederland en de convergentie van mensenrechten onder het EVRM, NJB 2008, p. 1572-1573.
  30. Informatie over hoe in diverse andere staten tegen (de afdwingbaarheid van) economische, sociale en culturele rechten wordt aangekeken is te vinden in Fons Coomans (ed.), Justiciability of Economic and Social Rights, Experiences from Domestic Systems, Antwerpen-Oxford 2006. Zie ook Katharine G. Young, Constituting Economic and Social Rights, Oxford University Press 2014.
  31. F.M.C. Vlemminx, Het moderne EVRM, Den Haag 2013, p. 103-109.
  32. EHRM 9 oktober 1979, 6289/73 (Airey v. Ireland), par. 26.
  33. EHRM 12 november 2008, 34503/97, AB 2009, 297 m.nt. Frank Vlemminx (Demir and Baykara v. Turkey).
  34. A/Conf. 157/23, part 1, par. 5.
  35. Kamerstukken I 2000/01, 26 200 VI, nr. 65, EK nr. 37b.
  36. L.F.M. Besselink, H.R.B.M. Kummeling, R. de Lange, P. Mendelts en S. Prechal, De Nederlandse Grondwet en de Europese Unie, European Law Publishing, Groningen 2002, p. 15-52.
  37. Rapport Staatscommissie Grondwet, p. 108.
  38. Kamerstukken I, 2011/12, 31 570 A, p. 22.
  39. EHRM 21 november 2001, 35763/97 (Al-Adsani v. the United Kingdom), par. 55.
  40. EHRM 4 februari 2005, 46827/99 (Mamatkulov and Askarov v. Turkey), par. 111.
  41. Zo besliste het HvJ EU in de Zaak C-162/96, Racke, Jur. 1998, p. I-3655 dat bepalingen van internationaal gewoonterecht deel uitmaken van de rechtsorde van de EU. Zie ook R.A. Wessel, De Europese Unie in de internationale rechtsorde, http://www.utwente.nl/mb/pa/research/wessel/wessel27.pdf
  42. Dimitry Kochenov and Fabian Amtenbrink (ed.), The European Union’s Shaping of the International Legal Order, Cambridge University Press 2014.
  43. Kamerstukken II 1977/78, 15 049 (R 1100), nr. 3, p. 9.
  44. Kamerstukken II 1977/78, 15 049 (R 1100), nr. 6, p. 6.
  45. Kamerstukken II 1977/78, 15 049 (R 1100), nr. 7, p. 5.
  46. Kamerstukken II 1977/78, 15 049 (R 1100), nr. 8.
  47. ABRvS 18 februari 1999, AB 1999, 143.
  48. ABRvS 8 september 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AQ9960 en ECLI:NL:RVS:2004:AQ9959.
  49. HR 6 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8071; in dezelfde zin : Hof ’s-Gravenhage 25 maart 2004, ECLI:NL:GHSGR:2004:AU4443. Eerder liet rechtbank ’s-Gravenhage 26 oktober 2001, ECLI:NL:RBSGR:2001:AD4855 in dit soort zaken nog ruimte. De rechtbank oordeelde dat de betreffende militaire acties van de VS niet in strijd konden worden geacht met dwingende beginselen en regels van volkenrecht zodat steun aan die acties evenmin in strijd was met artikel 90 Grondwet.
  50. http://www.mensenrechten.nl/
  51. http://mensenrechten.nl/sites/default/files/2013-02-14_Strategisch_Plan.pdf. Zie ook: Yvonne Donders en Marjolijn Olde Monnikhof, Het College voor de Rechten van de Mens belicht, bewaakt, beschermt en bevordert mensenrechten in Nederland, NTM/NJCM-Bull. 2012, p. 708.
  52. Zie de Beantwoording vragen van het lid Timmermans over het VN- mensenrechtenexamen (Universal Periodic Review) op 1 november 2012.
  53. ECSR 27 oktober 2009, 47/2008 (DCI v. the Netherlands), NTM/NJCM-Bull. 2010, p. 205-219 m.nt. Antoine Buyse.
  54. Handelingen TK 2009-2010, Aanhangsel 2035, p. 1-2.
  55. Resolution CM/ResChS(2010)6.
  56. Rechtbank Utrecht 6 april 2010, ECLI:NL:RBUTR:2010:BM0846; naderhand bijvoorbeeld ook HR 21 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5328.
  57. HR 1 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3044 (Artikel 11 Vrouwenverdrag).
  58. CEDAW Comité 17 februari 2014, 36/2012 (De Blok et al. v. the Netherlands), CEDAW/C/57/D/36/2012.
  59. Zie de kamerbrief over de Opvattingen CEDAW over zwangerschaps- en bevallingsuitkering voor vrouwelijke zelfstandigen van 19 september 2014.
  60. EHRM 21 februari 2006, 28602/95 (Tüm Haber Sen and Çinar), par. 39.
  61. M.L. van Emmerik, De Nederlandse Grondwet in een veellagige rechtsorde, Rechtsgeleerd Magazijn THEMIS 2008, p. 147.
  62. HvJ EG 5 februari 1963, Zaak 26-62, Jur. 1963, p. 8, AA 1963/1964, 12.
  63. HvJ EG 15 juli 1965, Zaak 6/64, Jur. 1964, p. 1199, AA 196419/65, p. 155.
  64. HR 2 november 2004, NJ 2005, 80.
  65. Kamerstukken II 2006/07, 30 874 (R 1818), nr. 1-2.
  66. In dezelfde zin Van Emmerik, De Nederlandse Grondwet in een veellagige rechtsorde, p. 152.
  67. EHRM 30 juni 2005, 45036/98 (Bosphorus Airlines v. Ireland).
  68. Van Emmerik, De Nederlandse Grondwet in een veellagige rechtsorde, p. 145.
  69. Van Emmerik, De Nederlandse Grondwet in een veellagige rechtsorde, p. 145 en 154. De problematiek wordt uitgebreid beschreven in R.A. Wessel, The Invasion by International Organizations, De toenemende samenhang tussen de mondiale, Europese en nationale rechtsorde, oratie Universiteit Twente 2006, p. 5-13.
  70. Van Emmerik, De Nederlandse Grondwet in een veellagige rechtsorde, p. 159.
  71. Rapport Staatscommissie Grondwet, p. 130.
  72. Wet van 25 februari 2009, Stb. 120.
  73. Van Emmerik, De Nederlandse Grondwet in een veellagige rechtsorde, p. 159 en Rapport Staatscommissie Grondwet, p. 128.
  74. Rapport Staatscommissie Grondwet, p. 127.
  75. Zie hierover J.B. Mus, Verdragsconflicten voor de Nederlandse rechter, Zwolle 1996.
  76. HR 10 november 1989, NJ 1991, 248 (Kruisraketten).
  77. HR 30 maart 1991, NJ 1991, 249 (Short). Zie ook HR 15 september 2006, NJ 2007, 277.
  78. HR 30 maart 1991, NJ 1991, 249 (Short).
  79. Vloeit de internationale verplichting die tot aantasting van een mensenrecht leidt, voort uit het Handvest van de VN zelf, zoals bij de zogenaamde ‘terreurlijsten’, uitgevaardigd door de Veiligheidsraad, dan zal de rechter artikel 103 Handvest van de VN moeten laten wijken voor artikel 1, derde lid. In de literatuur bestaat verschil van mening over de vraag welke bepaling dient te prevaleren. Zie hierover De Wet, The Constitutionalization of Public International Law, p. 1218-1219.
  80. In het onwaarschijnlijke geval dat de tenuitvoerlegging van een internationale verplichting tot schending van het folterverbod, het slavernijverbod of het verbod op rassendiscriminatie leidt, laat het internationale recht geen enkele ruimte voor een belangenafweging. Deze fundamentele rechten gelden als dwingende normen van algemeen volkenrecht in de zin van artikel 53 Verdrag van Wenen zodat iedere internationale norm die ermee in strijd komt rechtsgeldigheid ontbeert. Zie hierover De Wet, The Constitutionalization of Public International Law, p. 1215.
  81. HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ:9228.
  82. Rechtbank Den Haag 16 juli 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:8562.
  83. Zie bijvoorbeeld http://nos.nl/artikel/341000-xenofobie-in-nederland-alarmerend.html of http://www.nederlandbekentkleur.nl/ .
  84. T.P. Spijkerboer, Het debat over het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, NJB 2012, p. 254-262, geeft een overzicht met verdere verwijzingen.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    F.M.C. Vlemminx, Commentaar op artikel 90 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2017 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Bevordering internationale rechtsorde

Het belang van de internationale rechtsorde is sinds de Tweede Wereldoorlog en vooral de laatste decennia enorm gegroeid. Het bevorderen van de ontwikkeling van die internationale rechtsorde is een taak van de regering. Dat houdt veel meer in dan alleen het onderhouden van buitenlandse betrekkingen: de regering moet actief streven naar een internationale gemeenschap die niet is gegrond op machtspolitiek, uitbuiting en agressie, maar op respect voor het internationaal recht.
 
Dat betekent onder meer dat de regering ervoor zorg draagt dat ons land toetreedt tot verbanden die tot doel hebben de internationale rechtsorde te versterken, zoals de Verenigde Naties, de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) en de Raad van Europa. Verder is Nederland partij bij uiteenlopende mensenrechtenverdragen, waaronder het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBP) en een groot aantal verdragen die sociaaleconomische rechten beschermen en allerlei vormen van discriminatie verbieden.
 
Hoewel de Grondwet de term ‘Europa’ nergens noemt – wat wel een gemis mag worden genoemd – is ook de actieve en stimulerende rol van Nederland in de Europese Unie onderdeel van de taak van de regering om de internationale rechtsorde te versterken.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Bevordering internationale rechtsorde

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Bevordering internationale rechtsorde

Recente rechtspraak

Bevordering internationale rechtsorde

Politiek

Bevordering internationale rechtsorde

Oud-premier Van Agt betoogt dat het Nederlandse tolereren van de Israëlische bezetting van Palestijnse gebieden in strijd is met de Grondwet. Dit artikel behandelt Van Agts toelichting van de petitite die hij overhandigde aan de Tweede Kamer.
Video
Blogs
IN DE WERELD
Video

Bevordering internationale rechtsorde

  • Nederland en de internationale rechtsorde
André Nollkaemper
Nederland en de internationale rechtsorde
27-11-2006
In deze editie van Maagdenhuis op maandag bespreekt hoogleraar Internationaal publiek recht André Nollkaemper de in zijn ogen ambigue positie van Nederland in de internationale rechtsorde. Zijn lezing ontleedt deze schijnbare tegenstrijdigheid tussen het Nederlandse geloof in 'internationaal recht als recht' en de praktijk van 'internationaal recht als politiek'.
Blogs

Bevordering internationale rechtsorde

Een pleidooi van de krijgswetenschapper Anne Tjepkema om te investeren in het ministerie van Defensie zodat de doelstelling om de internationale rechtsorde te bevorderen niet uit het oog verloren raakt.

Arjan Vliegenthart betoogt dat het kabinet Balkenende IV het artikel 90 van Grondwet schond door de oorlog in Irak te steunen.
In de wereld

Bevordering internationale rechtsorde

De toespraak van minister-president Rutte op 25 september 2014 in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (VN) in New York.