CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • M. Adams
  • B.C. van Beers
  • A.A.L. Beers & K.T. Meijer
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • S.C. van Bijsterveld & B.P. Vermeulen
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard & J. Uzman
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • S. Daniëls
  • J.W.A. Fleuren
  • F. Fleurke
  • J.L.M. Gribnau & M.R.T Pauwels
  • M.M. Groothuis
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • H.G. Hoogers
  • M. Houwerzijl & N. Zekic
  • M. Houwerzijl & F. Vlemminx
  • P. Jacobs
  • N.M.C.P. Jägers & J.P. Loof
  • E.J. Janse de Jonge
  • S. Jellinghaus & E. Huisman
  • J. Kiewiet & G.F.M. van der Tang †
  • T. Kooijmans en J. van der Ham
  • E.J. Koops en R. Passchier
  • G. Leenknegt
  • K.T. Meijer
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • B.M.J. van der Meulen
  • T. Peters
  • J.C.A. de Poorter
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • G. van der Schyff
  • J. Uzman & G. Boogaard
  • J. Uzman
  • B.P. Vermeulen
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx & A.C.M. Meuwese
  • W.J.M. Voermans
  • B.W.N. de Waard
  • W. van der Woude
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buitenstaatverklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Aanstelling burgemeester en commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 132a  Caribische openbare lichamen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

Artikel 24 - Koningschap

Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau.

Artikel 25 - Erfopvolging

Het koningschap gaat bij overlijden van de Koning krachtens erfopvolging over op zijn wettige nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft, met plaatsvervulling volgens dezelfde regel. Bij gebreke van eigen nakomelingen gaat het koningschap op gelijke wijze over op de wettige nakomelingen eerst van zijn ouder, dan van zijn grootouder, in de lijn van erfopvolging, voor zover de overleden Koning niet verder bestaand dan in de derde graad van bloedverwantschap.

Artikel 26 - Status ongeboren kind Koning

Het kind, waarvan een vrouw zwanger is op het ogenblik van het overlijden van de Koning, wordt voor de erfopvolging als reeds geboren aangemerkt. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

Artikel 27 - Afstand koningschap

Afstand van het koningschap leidt tot erfopvolging overeenkomstig de regels in de voorgaande artikelen gesteld. Na de afstand geboren kinderen en hun nakomelingen zijn van de erfopvolging uitgesloten.

Artikel 28 - Afstand koningschap door huwelijk

  1. De Koning, een huwelijk aangaande buiten bij de wet verleende toestemming, doet daardoor afstand van het koningschap.
  2. Gaat iemand die het koningschap van de Koning kan beërven een zodanig huwelijk aan, dan is hij met de uit dit huwelijk geboren kinderen en hun nakomelingen van de erfopvolging uitgesloten.
  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake van een voorstel van wet, strekkende tot het verlenen van toestemming, in verenigde vergadering.

Artikel 29 - Uitsluiting troonopvolging

  1. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden daartoe nopen, kunnen bij een wet een of meer personen van de erfopvolging worden uitgesloten.

  2. Het voorstel daartoe wordt door of vanwege de Koning ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 30 - Benoemde Koning

  1. Wanneer vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal ontbreken, kan deze worden benoemd bij een wet. Het voorstel wordt door of vanwege de Koning ingediend. Na de indiening van het voorstel worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  2. Indien bij overlijden van de Koning of bij afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt, worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers komen binnen vier maanden na het overlijden of de afstand in verenigde vergadering bijeen ten einde te besluiten omtrent de benoeming van een Koning. Zij kunnen een opvolger alleen benoemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 31 - Erfopvolging benoemde koning

  1. Een benoemde Koning kan krachtens erfopvolging alleen worden opgevolgd door zijn wettige nakomelingen.

  2. De bepalingen omtrent de erfopvolging en het eerste lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op een benoemde opvolger, zolang deze nog geen Koning is.

Artikel 32 - Inhuldiging Koning

Nadat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen, wordt hij zodra mogelijk beëdigd en ingehuldigd in de hoofdstad Amsterdam in een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Hij zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt. De wet stelt nadere regels vast.

Artikel 33 - Koningschap en meerderjarigheid

De Koning oefent het koninklijk gezag eerst uit, nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

Artikel 34 - Ouderlijk gezag minderjarige Koning

De wet regelt het ouderlijk gezag en de voogdij over de minderjarige Koning en het toezicht daarop. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 35 - Buitenstaatverklaring

  1. Wanneer de ministerraad van oordeel is dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, bericht hij dit onder overlegging van het daartoe gevraagde advies van de Raad van State aan de Staten-Generaal, die daarop in verenigde vergadering bijeenkomen.

  2. Delen de Staten-Generaal dit oordeel, dan verklaren zij dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen. Deze verklaring wordt bekend gemaakt op last van de voorzitter der vergadering en treedt terstond in werking.

  3. Zodra de Koning weer in staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, wordt dit bij de wet verklaard. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Terstond na de bekendmaking van deze wet hervat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag.

  4. De wet regelt zo nodig het toezicht over de persoon van de Koning indien hij buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 36 - Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag

De Koning kan de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk neerleggen en die uitoefening hervatten krachtens een wet, waarvan het voorstel door of vanwege hem wordt ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 37 - Uitoefening koninklijk gezag door regent

  1. Het koninklijk gezag wordt uitgeoefend door een regent:
    a. zolang de Koning de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt;
    b. indien een nog niet geboren kind tot het koningschap geroepen kan zijn;
    c. indien de Koning buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen;
    d. indien de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk heeft neergelegd;
    e. zolang na het overlijden van de Koning of na diens afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt.

  2. De regent wordt benoemd bij de wet. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  3. In de gevallen, genoemd in het eerste lid onder c en d, is de nakomeling van de Koning die zijn vermoedelijke opvolger is, van rechtswege regent indien hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

  4. De regent zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt, in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal. De wet geeft nadere regels omtrent het regentschap en kan voorzien in de opvolging en de vervanging daarin. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  5. Op de regent zijn de artikelen 35 en 36 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38 - Uitoefening koninklijk gezag door RvS

Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk gezag is voorzien, wordt dit uitgeoefend door de Raad van State.

Artikel 39 - Lidmaatschap koninklijk huis

De wet regelt, wie lid is van het koninklijk huis.

Artikel 40 - Uitkering koninklijk huis

  1. De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het Rijk uitkeringen naar regels bij de wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het koninklijk huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen.

  2. De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, zijn vrij van persoonlijke belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of zijn vermoedelijke opvolger krachtens erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van het koninklijk huis vrij van de rechten van successie, overgang en schenking. Verdere vrijdom van belasting kan bij de wet worden verleend.

  3. De kamers der Staten-Generaal kunnen voorstellen van in de vorige leden bedoelde wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 41 - Inrichting huis Koning

De Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis in.

Artikel 42 - Ministeriële verantwoordelijkheid

  1. De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.

  2. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.

Artikel 43 - Regering en ministers

De minister-president en de overige ministers worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.

Artikel 44 - Ministeries

  1. Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.

  2. Ook kunnen ministers worden benoemd die niet belast zijn met de leiding van een ministerie.

Artikel 45 - Ministerraad

  1. De ministers vormen te zamen de ministerraad.

  2. De minister-president is voorzitter van de ministerraad.

  3. De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid.

Artikel 46 - Staatssecretarissen

  1. Bij koninklijk besluit kunnen staatssecretarissen worden benoemd en ontslagen.

  2. Een staatssecretaris treedt in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister.

Artikel 47 - Ondertekening en contraseign

Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.

Artikel 48 - Ontslag en benoeming ministers

Het koninklijk besluit waarbij de minister-president wordt benoemd, wordt mede door hem ondertekend. De koninklijke besluiten waarbij de overige ministers en de staatssecretarissen worden benoemd of ontslagen, worden mede door de minister-president ondertekend.

Artikel 49 - Ambtseed minister en staatssecretaris

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de ministers en de staatssecretarissen bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

E.J. Janse de Jonge

ARTIKEL 44 - Ministeries

INHOUD
  1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis
  2. Minister als leidinggevende
  3. Minister zonder portefeuille
  4. Literatuur
  5. Historische versies
   
Editie augustus 2019

 
1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis

De Grondwet van voor 1983 sprak van ‘ministeriële departementen’. Op het moment dat de Staatsregeling van 1798 in werking trad, waren er al verschillende “agentschappen” ingesteld. Na een aantal jaren werden dat er acht: Buitenlandse Betrekkingen, Marine, Oorlog, Financiën, Justitie, Inwendige Politie en het toezicht op Dijken, Wegen en Wateren (met inbegrip van de "Erediensten"), Nationale Opvoeding en Nationale economie. Deze “agentschappen” kunnen worden beschouwd als de directe voorgangers van de tegenwoordige departementen van algemeen bestuur.
 
Bij de herziening van de Grondwet in 1983 werd onder ministeries verstaan een onderdeel van de rijksdienst dat onder de directe verantwoordelijkheid van een minister valt.[1] In het spraakgebruik komt men vaak de term ‘departement’ tegen. In het verleden werd het woord ministerie overigens ook wel gebruikt om een kabinet aan te duiden (bijv. het ministerie-Thorbecke, 1849-1853). De Grondwet gaat er volgens de tekst van het eerste lid vanuit dat de bestuursorganisatie van de rijksdienst bestaat uit minstens twee ministeries. In die zin verzet de Grondwet zich tegen één centrale bestuursorganisatie in Den Haag. Het grondwetsartikel laat zich niet uit over het aantal ministeries of de organisatie ervan. Bovendien wordt slechts geëist dat ministeries bij koninklijk besluit worden ingesteld. Formele wetgeving is dus niet nodig, afgezien van aanpassing van de rijksbegroting, die voor elk ministerie een afzonderlijk hoofdstuk kent. Dit betekent dat het parlement niet direct is betrokken bij een wijziging van de opzet en structuur van de ministeries. Een grote mate ven flexibiliteit is daardoor mogelijk. Begin jaren negentig zijn diverse voorstellen gedaan om tot een departementale herindeling te komen.[2] Met name werd daarbij het instellen van zogenaamde kerndepartementen bepleit. Een kernkabinet van 5-6 ministers zou de minsterraad vormen. Daarnaast zouden de betreffende ministers ondersteund worden door een groter aantal staatssecretarissen.[3] De praktijk bleek weerbarstiger; het aantal bewindslieden in het kabinet Rutte III is in 2017 vastgesteld op zestien ministers en acht staatssecretarissen.[4]
 
Het komt nogal eens voor dat tijdens de formatie van een nieuw kabinet de departementale structuur wordt aangepast of dat ministeries worden samengevoegd dan wel gesplitst. Een voorbeeld is de formatie van 2017: ruimtelijke ontwikkeling en ruimtelijke ordening ging naar het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Klimaat ging naar het ministerie van Economische Zaken en Klimaat; Landbouw, visserij, natuur, voedselkwaliteit en regionaal economisch beleid ging naar het (heropgerichte) ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. De Comptabiliteitswet schrijft voor dat elk ministerie een eigen, bij de wet vastgestelde, begroting heeft, welke deel uitmaakt van de rijksbegroting.
 

2. Minister als leidinggevende

De Grondwet wijst de minister aan als leidinggevende van het ministerie. Ook is de minister in formele zin de “bestuurlijke baas’ van de staatssecretaris op het departement, onverminderd het feit dat de laatste een eigen portefeuille heeft (zie verder het commentaar bij artikel 46 Gw). Hieruit kan worden afgeleid dat de minister de leiding heeft over zijn ministerie en derhalve over alle ambtenaren. Hij is bevoegd bevelen en aanwijzingen te geven, alsmede richtlijnen en beleidsregels te geven bij de uitvoering van wettelijke en bestuurlijke taken. Vervolgens heeft de minister in dit kader ook rechtspositionele bevoegdheden ten aanzien van zijn ambtenaren, zoals benoeming en ontslag. Verder betekent de leidinggevende taak van de minister dat hij verantwoordelijk is voor de ambtelijke structuur van zijn ministerie. De minister is tevens belast met het beheer van de begroting van zijn ministerie op basis van de Comptabiliteitswet (zie artikel 19). Dit alles bijeen genomen maakt hem tenslotte volledig en individueel verantwoordelijk voor zijn ambtenaren en zijn ministerie aan de Staten-Generaal (zie verder over de verhouding minister-ambtenaren artikel 42 Gw).

Interessant is het programma ”Compacte Rijksdienst” waarin onder meer bepaalde processen gebundeld worden in shared services. Soms gebeurt dat in de vorm van een ZBO. Niet altijd is direct duidelijk welke criteria gelden voor deelname van ministeries en/of ZBO’s aan de verschillende projecten en er kunnen vragen worden gesteld over de aansturing en governance van shared servicecentra. De Algemene Rekenkamer stelde vast dat op basis van de huidige projecten van het programma Compacte Rijksdienst een situatie lijkt te ontstaan waarbij verschillende shared servicecentra zijn ondergebracht bij verschillende ministeries en op verschillende manieren worden aangestuurd. Dat roept de vraag op wie waarvoor verantwoordelijk is, hoe de onderlinge bevoegdheden zijn verdeeld tussen de ministers en hoe de informatievoorziening aan de Tweede Kamer ten behoeve van de verantwoording is geregeld.[5]
 

3. Minister zonder portefeuille

De Grondwet opent in het tweede lid de mogelijkheid dat ministers worden benoemd die niet met de leiding van een ministerie zijn belast. Zij worden aangeduid als minister zonder portefeuille. In het spraakgebruik spreekt men van bijvoorbeeld de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hoofd van het ministerie van VWS) en van de minister voor Medische Zorg en Sport (minister zonder portefeuille, ondergebracht bij VWS).[6] Het kabinet Rutte III kent maar liefst vijf ministers zonder portefeuille, Een bijzonder soort ministers zonder portefeuille waren de projectministers van Balkenende-IV, waaraan comptabiliteitsrechtelijke complicaties aan verbonden waren. Belangrijkste verschil met het zijn van minister zonder portefeuille boven dat van staatssecretaris is dat de minister zonder portefeuille lid is van de ministerraad en dientengevolge over alle onderwerpen die in de raad aan de orde komen kan meepraten en meestemmen. Hij is dus een volwaardige minister. De minister zonder portefeuille is echter niet belast met de leiding van het ministerie en dat betekent onder meer dat hij geen (formele) bevoegdheden heeft ten aanzien van personeel en materieel. In de praktijk leidt dit overigens zelden tot problemen, de minister met en die zonder portefeuille stemmen bestuurlijk onderling de zaken vaak goed af. De secretaris-generaal waakt over de ambtelijke aansturing en coördinatie op het betreffende departement.
 
Formeel is hij niet belast met het beheer van de begroting, maar in de praktijk stelt deze minister wel het onderdeel van de departementale begroting op met betrekking tot zijn specifieke beleidsterrein. Daarvoor draagt hij dan ook de primaire politieke verantwoordelijkheid. Dit blijkt onder meer uit het feit dat hij zijn “deel” van de begroting verdedigt in het parlement. Formeel komt deze politieke verantwoordelijkheid tot uitdrukking in de mede-ondertekening van het departementale begrotingswetvoorstel.[7] Voor zijn beleidsterrein is hij dus volledig verantwoording verschuldigd aan het parlement.[8] Ambtenaren die voor dit beleidsterrein werken zijn verantwoording verschuldigd aan de betreffende minister zonder portefeuille. Voor het overige laat de Grondwet veel ruimte aan de invulling van het ambt en het takenpakket van de minister zonder portefeuille.[9]
 

4. Literatuur

- J.W.M. Engels, de minister zonder portefeuille, Groningen 1987
- Naar kerndepartementen. Kiezen voor een hoogwaardige en flexibele rijksdienst, Kamerstukken II 1992-1993, 21 427, nr. 52 (rapport commissie-Wiegel).
 

5. Historische versies

Eerste lid:
Art. 35, eerste lid, Gw 1814: De Souvereine Vorst stelt ministeriële departementen in, benoemt derzelver hoofden en onslaat die naar goedvinden.
Art. 75, eerste lid, Gw 1815: De Koning stelt ministeriële departementen in, benoemt derzelver hoofden, en ontslaat die naar welgevallen (art. 74, eerste lid, Gw 1840; art. 73, eerste lid, Gw 1848; art. 77, eerste lid, Gw. 1887).
Art. 79, eerste lid, Gw 1938: De Koning stelt ministerieele departementen in (art. 86, eerste lid, Gw 1953).
 
Tweede lid:
Art. 79, tweede lid, tweede volzin, Gw 1938: Hij kan Ministers benoemen, die niet belast zijn met de leiding van een ministerieel departement (art. 86, tweede lid, tweede volzin, Gw 1953).
 

Noten

  1. Nng, II, p. 187.
  2. Zie onder meer het eindadvies van de Commissie hoofdstructuur Rijksdienst (commissie-Vonhoff), deel 3, Elk kent de laan, die derwaarts gaat, Den Haag 1981. 3. Zie kamerstukken II 1992-1993, 21 427, nr. 41, p. 33 e.v.
  3. Zie kamerstukken II 1992-1993, 21 427, nr. 41, p. 33 e.v.
  4. Zie https://www.rijksoverheid.nl/regering/bewindspersonen.
  5. Zie: http://verantwoordingsonderzoek.rekenkamer.nl/2012/rijksbreed/bedrijfsvoering/visie-op-de-toekomst-van-de-rijksdienst-nodig.
  6. Zie verder https://nl.wikipedia.org/wiki/Lijst_van_Nederlandse_ministers_zonder_portefeuille.
  7. J.W.M. Engels, De Minister zonder Portefeuille, in: R.B. Andeweg (red.), Minister en Ministerraad, ‘s-Gravenhage 1990. p. 152.
  8. Nng, II, p. 186.
  9. Zie verder de wet van 25 januari 1951 (Stb. 24), houdende nadere voorzieningen in verband met de invoering van de ambten van minister zonder portefeuille en van staatssecretaris.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    E.J. Janse de Jonge, Commentaar op artikel 44 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2020 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Ministeries

De ambtenarij is op rijksniveau georganiseerd in ministeries, met elk een politiek verantwoordelijke minister aan het hoofd. Ministeries worden gevormd op basis van de voornaamste taakgebieden van de overheid, waarbij de complexiteit van het beleidsterrein en de efficiency van de overheidsorganisatie bepalend zijn voor het aantal en de omvang van de ministeries. De Grondwet zegt niet hoeveel ministeries er moeten zijn, al valt uit de tekst van artikel 44 op te maken dat het er minimaal twee zouden moeten zijn. Het zijn er altijd meer geweest; het kabinet-Rutte II bijvoorbeeld kent elf ministeries, elk geleid door een minister, en twee ministers zonder portefeuille.
 
Een minister zonder portefeuille is (anders dan een staatssecretaris: artikelen 45 en 46 Grondwet) wel lid van de ministerraad, maar staat niet aan het hoofd van een eigen ministerie. Hij wordt ondergebracht in een bestaand ministerie en draagt daarbinnen zelf politieke verantwoordelijkheid voor zijn handelen en voor dat van de ambtenaren die zijn beleid uitvoeren. Door voor een bepaald beleidsterrein een minister zonder portefeuille te benoemen, kan aan dat terrein extra aandacht en politiek gewicht worden gegeven, zonder daarvoor een afzonderlijk departement te creëren.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Ministeries

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Ministeries

Over dit artikel zijn ons geen belangrijke en ‘klassieke’ rechterlijke uitspraken bekend.

Recente rechtspraak

Ministeries

Over dit artikel zijn ons geen recente rechterlijke uitspraken bekend.

Politiek

Ministeries

Video
Blogs
IN DE WERELD
Blogs

Ministeries

In de wereld

Ministeries