CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • M. Adams
  • B.C. van Beers
  • A.A.L. Beers & K.T. Meijer
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • S.C. van Bijsterveld & B.P. Vermeulen
  • S.C. van Bijsterveld
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard & J. Uzman
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • S. Daniëls
  • J.W.A. Fleuren
  • F. Fleurke
  • J.L.M. Gribnau & M.R.T Pauwels
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • H.G. Hoogers
  • M. Houwerzijl & N. Zekic
  • M. Houwerzijl & F. Vlemminx
  • P. Jacobs
  • E.J. Janse de Jonge
  • S. Jellinghaus & E. Huisman
  • J. Kiewiet & G.F.M. van der Tang †
  • T. Kooijmans en J. van der Ham
  • E.J. Koops
  • G. Leenknegt
  • K.T. Meijer
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • B.M.J. van der Meulen
  • F.C.M.A. Michiels
  • G. Overkleeft-Verburg
  • T. Peters
  • J.C.A. de Poorter
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • G. van der Schyff
  • J. Uzman & G. Boogaard
  • J. Uzman
  • B.P. Vermeulen
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx & A.C.M. Meuwese
  • W.J.M. Voermans
  • B.W.N. de Waard
  • W. van der Woude
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 132a  Caribische openbare lichamen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

Artikel 24 - Koningschap

Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau.

Artikel 25 - Erfopvolging

Het koningschap gaat bij overlijden van de Koning krachtens erfopvolging over op zijn wettige nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft, met plaatsvervulling volgens dezelfde regel. Bij gebreke van eigen nakomelingen gaat het koningschap op gelijke wijze over op de wettige nakomelingen eerst van zijn ouder, dan van zijn grootouder, in de lijn van erfopvolging, voor zover de overleden Koning niet verder bestaand dan in de derde graad van bloedverwantschap.

Artikel 26 - Status ongeboren kind Koning

Het kind, waarvan een vrouw zwanger is op het ogenblik van het overlijden van de Koning, wordt voor de erfopvolging als reeds geboren aangemerkt. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

Artikel 27 - Afstand koningschap

Afstand van het koningschap leidt tot erfopvolging overeenkomstig de regels in de voorgaande artikelen gesteld. Na de afstand geboren kinderen en hun nakomelingen zijn van de erfopvolging uitgesloten.

Artikel 28 - Afstand koningschap door huwelijk

  1. De Koning, een huwelijk aangaande buiten bij de wet verleende toestemming, doet daardoor afstand van het koningschap.
  2. Gaat iemand die het koningschap van de Koning kan beërven een zodanig huwelijk aan, dan is hij met de uit dit huwelijk geboren kinderen en hun nakomelingen van de erfopvolging uitgesloten.
  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake van een voorstel van wet, strekkende tot het verlenen van toestemming, in verenigde vergadering.

Artikel 29 - Uitsluiting troonopvolging

  1. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden daartoe nopen, kunnen bij een wet een of meer personen van de erfopvolging worden uitgesloten.

  2. Het voorstel daartoe wordt door of vanwege de Koning ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 30 - Benoemde Koning

  1. Wanneer vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal ontbreken, kan deze worden benoemd bij een wet. Het voorstel wordt door of vanwege de Koning ingediend. Na de indiening van het voorstel worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  2. Indien bij overlijden van de Koning of bij afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt, worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers komen binnen vier maanden na het overlijden of de afstand in verenigde vergadering bijeen ten einde te besluiten omtrent de benoeming van een Koning. Zij kunnen een opvolger alleen benoemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 31 - Erfopvolging benoemde koning

  1. Een benoemde Koning kan krachtens erfopvolging alleen worden opgevolgd door zijn wettige nakomelingen.

  2. De bepalingen omtrent de erfopvolging en het eerste lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op een benoemde opvolger, zolang deze nog geen Koning is.

Artikel 32 - Inhuldiging Koning

Nadat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen, wordt hij zodra mogelijk beëdigd en ingehuldigd in de hoofdstad Amsterdam in een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Hij zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt. De wet stelt nadere regels vast.

Artikel 33 - Koningschap en meerderjarigheid

De Koning oefent het koninklijk gezag eerst uit, nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

Artikel 34 - Ouderlijk gezag minderjarige Koning

De wet regelt het ouderlijk gezag en de voogdij over de minderjarige Koning en het toezicht daarop. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 35 - Buiten staat verklaring

  1. Wanneer de ministerraad van oordeel is dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, bericht hij dit onder overlegging van het daartoe gevraagde advies van de Raad van State aan de Staten-Generaal, die daarop in verenigde vergadering bijeenkomen.

  2. Delen de Staten-Generaal dit oordeel, dan verklaren zij dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen. Deze verklaring wordt bekend gemaakt op last van de voorzitter der vergadering en treedt terstond in werking.

  3. Zodra de Koning weer in staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, wordt dit bij de wet verklaard. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Terstond na de bekendmaking van deze wet hervat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag.

  4. De wet regelt zo nodig het toezicht over de persoon van de Koning indien hij buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 36 - Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag

De Koning kan de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk neerleggen en die uitoefening hervatten krachtens een wet, waarvan het voorstel door of vanwege hem wordt ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 37 - Uitoefening koninklijk gezag door regent

  1. Het koninklijk gezag wordt uitgeoefend door een regent:
    a. zolang de Koning de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt;
    b. indien een nog niet geboren kind tot het koningschap geroepen kan zijn;
    c. indien de Koning buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen;
    d. indien de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk heeft neergelegd;
    e. zolang na het overlijden van de Koning of na diens afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt.

  2. De regent wordt benoemd bij de wet. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  3. In de gevallen, genoemd in het eerste lid onder c en d, is de nakomeling van de Koning die zijn vermoedelijke opvolger is, van rechtswege regent indien hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

  4. De regent zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt, in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal. De wet geeft nadere regels omtrent het regentschap en kan voorzien in de opvolging en de vervanging daarin. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  5. Op de regent zijn de artikelen 35 en 36 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38 - Uitoefening koninklijk gezag door RvS

Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk gezag is voorzien, wordt dit uitgeoefend door de Raad van State.

Artikel 39 - Lidmaatschap koninklijk huis

De wet regelt, wie lid is van het koninklijk huis.

Artikel 40 - Uitkering koninklijk huis

  1. De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het Rijk uitkeringen naar regels bij de wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het koninklijk huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen.

  2. De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, zijn vrij van persoonlijke belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of zijn vermoedelijke opvolger krachtens erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van het koninklijk huis vrij van de rechten van successie, overgang en schenking. Verdere vrijdom van belasting kan bij de wet worden verleend.

  3. De kamers der Staten-Generaal kunnen voorstellen van in de vorige leden bedoelde wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 41 - Inrichting huis Koning

De Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis in.

Artikel 42 - Ministeriële verantwoordelijkheid

  1. De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.

  2. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.

Artikel 43 - Regering en ministers

De minister-president en de overige ministers worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.

Artikel 44 - Ministeries

  1. Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.

  2. Ook kunnen ministers worden benoemd die niet belast zijn met de leiding van een ministerie.

Artikel 45 - Ministerraad

  1. De ministers vormen te zamen de ministerraad.

  2. De minister-president is voorzitter van de ministerraad.

  3. De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid.

Artikel 46 - Staatssecretarissen

  1. Bij koninklijk besluit kunnen staatssecretarissen worden benoemd en ontslagen.

  2. Een staatssecretaris treedt in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister.

Artikel 47 - Ondertekening en contraseign

Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.

Artikel 48 - Ontslag en benoeming ministers

Het koninklijk besluit waarbij de minister-president wordt benoemd, wordt mede door hem ondertekend. De koninklijke besluiten waarbij de overige ministers en de staatssecretarissen worden benoemd of ontslagen, worden mede door de minister-president ondertekend.

Artikel 49 - Ambtseed minister en staatssecretaris

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de ministers en de staatssecretarissen bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

E.J. Janse de Jonge

ARTIKEL 43 - Regering en ministers

INHOUD
  1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis
  2. Benoeming
  3. Ontslag
  4. Minister-president
  5. Kabinetsformatie
  6. Literatuur
  7. Historische versies
   
Editie augustus 2019
 

1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis

Het benoemen en ontslaan van ministers is lange tijd het prerogatief geweest van de Koning. Eeuwen lang werd de Koning gezien als de wereldlijke,  vaak ook geestelijk leider van de natiestaat. Ministers waren een soort secretaressen die de bevelen van de Koning uitvoerden. Na de Glorious Revolution van 1688 in Engeland kwam er geleidelijk een einde aan de almacht van de Koning. In ons land heeft dat nog geduurd tot ver in de 19e eeuw. De Koning werd geleidelijk steeds meer het symbool van orde, rust en gerechtigheid in de staat. De onschendbaarheid van de Koning ontstond, zoals aangegeven bij het commentaar op artikel 42 Grondwet, al voor de grondwetsherziening van 1848. In 1848 werd de politieke onschendbaarheid van de Koning toegevoegd aan de Grondwet. Vanaf de grondwetsherziening van 1840 werden alle koninklijke besluiten mede ondertekend door een minister, het zogenoemde contraseign.
 
Artikel 43 stelt dat benoeming en ontslag van alle ministers, inclusief de minister-president, geschiedt bij koninklijk besluit. Alle benoemingsbesluiten worden medeondertekend door de minister-president, die ook zijn eigen benoemingsbesluit ondertekent (zie verder artikel 48 Gw). Verdere eisen stelt de Grondwet niet aan de benoeming van ministers. Ook wordt niets gezegd over de procedure van benoeming, noch wordt iets gezegd over de duur van de benoeming. Dit laatste is begrijpelijk omdat het parlement op basis van de vertrouwensregel op elk moment een minister kan heenzenden. Ongeschreven staatsrecht beheerst verder benoeming en ontslag van ministers.
 

2. Benoeming

De benoeming van ministers kan plaatsvinden bij de afronding van de kabinetsformatie, maar ook bij het tussentijds openvallen van een vacature, omdat een minister, vrijwillig dan wel gedwongen, is afgetreden. De Koning benoemt ministers op basis van de adviezen van de kabinetsformateur die op zijn beurt de fractievoorzitter van de partij raadpleegt die de kandidaat levert. Bij een tussentijdse vacature zal de minister-president in nauw overleg met de betreffende fractievoorzitter(s) een voordracht aan de Koning doen. Een recent voorbeeld is de wisseling van de minister van Buitenlandse Zaken in 2018. De mededeling over het besluit luidde als volgt: “Zijne Majesteit de Koning zal, op voordracht van de minister-president, drs. S.A. Blok met ingang van woensdag 7 maart 2018 benoemen tot minister van Buitenlandse Zaken. De minister wordt woensdagochtend op Paleis Noordeinde ten overstaan van de Koning beëdigd.”[1]
 
Hiernaast dient de Koning bij de benoeming van een minister rekening te houden met de vertrouwensregel: de verwachting moet bestaan dat de betrokken kandidaat niet direct na zijn aantreden zal worden heengezonden door de Tweede Kamer. Met andere woorden, de Koning is niet vrij in zijn keuze van bewindslieden. Dit is komen vast te staan door middel van de motie-Deckers uit 1939 die na de totstandkoming van het vijfde kabinet Colin uitsprak dat “De kamer,overwegende, dat de Kabinetsformatie niet heeft geleid tot het optreden van een Kabinet, dat de noodige waarborgen biedt voor een deugdelijke behartiging van 's Lands be­lang in gemeen overleg met de Staten-Generaal, keurt het optreden van dit Kabinet af en gaat over tot de orde van den dag".[2] Met de aanname van deze motie werd het kabinet direct heengezonden. Hiermee wordt de positie van de onschendbare Koning nog eens onderstreept.

3. Ontslag

Ministers kunnen te allen tijde ontslag nemen door middel van een verzoek aan de Koning. Zij kunnen hun ontslag indienen om hen moverende redenen.[3] Naast een formele aanleiding, bijvoorbeeld wegens benoeming in een andere functie, kunnen er politieke overwegingen zijn om als minister of staatssecretaris op te stappen. Een recent voorbeeld is het tussentijds aftreden van minister Halbe Zijlstra op 13 februari 2018. Dat deed hij nog voor het debat in de Tweede Kamer over zijn positie op als Minister van Buitenlandse Zaken. Zijlstra's positie was onhoudbaar toen hij moet toegeven dat hij heeft gelogen over zijn aanwezigheid bij een ontmoeting in 2006 met de Russische president Vladimir Poetin die zou hebben gesproken van een 'Groot Rusland'. De minister zou het verhaal hebben 'geleend' van 'een bron' die wel aanwezig was bij het gesprek. Het verhaal van Zijlstra dateert uit 2014 maar kwam tijdens de kabinetsformatie in 2017 opnieuw boven water toen hij in de race was voor het ministerschap op Buitenlandse Zaken.[4]
 
In die zin zijn ministers overgeleverd aan de ‘grillen van de politiek’. Theoretisch bestaat de mogelijkheid dat de ministerraad een minister tussentijds dwingt tot aftreden en hem voordraagt voor ontslag bij de Koning. Zover komt het meestal niet, omdat betrokkene zelf de stap al heeft gezet om zijn ontslag in te dienen. Het Reglement van orde voor de ministerraad schrijft overigens in artikel 4, tweede lid, onder k. voor dat de raad beraadslaagt en besluit over voordrachten van de minister-president voor koninklijke besluiten tot benoeming en ontslag van ministers en staatssecretarissen. Bij een crisis ‘tijdens de rit’ kan een kabinet in zijn geheel ontslag aanbieden. Hierbij pleegt men onderscheid te maken tussen het aanbieden van ontslag en het ter beschikking stellen van de portefeuilles om een verschil in waardering duidelijk te maken in de aard van de kabinetscrisis. In het laatste geval geven ministers aan nog kansen te zien voor een mogelijke reconstructie (“lijmen”) van het kabinet.
 
Het kabinet Rutte I vormde een kabinet, met gedoogsteun van de PVV. Volgens de (in)formatieopdracht was het een meerderheidskabinet, steunend op een door VVD, CDA en PVV gevormde meerderheid. Men ging het later, om politieke redenen, als  een minderheidskabinet omschrijven. Deze gedoogsteun was vastgelegd in een afzonderlijk gedoogakkoord. Op 21 april 2012 mislukten na zeven weken de besprekingen binnen het kabinet Rutte I over het terugdringen van het begrotingstekort. De PVV achtte zich na deze mislukking niet langer gebonden aan het gedoogakkoord. Premier Rutte bood daarop op 23 april 2012 het ontslag van zijn kabinet aan.[5] Indien een kabinet de rit normaal uitzit en reguliere verkiezingen voor de Tweede Kamer volgen, dan is het gebruik dat alle ministers en staatssecretarissen aan de vooravond van deze verkiezingen hun ontslag aanbieden aan de Koning. Dit staatsrechtelijke gebruik is in 1922 ontstaan. De Koning reageert volgens vast gebruik op deze ontslagaanvrage door het ontslag in beraad te houden en de demissionaire bewindslieden te verzoeken al datgene te verrichten, wat zij in het belang van het koninkrijk noodzakelijk achten.[7] Het ontslag wordt effectief op de dag dat de benoeming van de leden van het nieuwe kabinet plaatsvindt.
 

4. Minister-president

De Grondwet vermeldt in het hier besproken artikel afzonderlijk de minister-president. De regering beargumenteerde dit met de stelling dat zij de bijzondere positie van de minister-president op deze wijze tot uiting wenste te laten komen.[7] Wat die bijzondere positie dan wel is, blijft onduidelijk. In het algemeen kan worden gesteld dat de minister-president de laatste 30 jaar aan invloed heeft gewonnen.[8] Voor een belangrijk deel is deze ontwikkeling gestimuleerd door de persoon van de minister-president en de politiek-bestuurlijke omstandigheden, vrijwel niet door wijzigingen van zijn juridische positie. Zo is de invloed van de minister-president onder drie kabinetten-Lubbers (1982-1994) sterk toegenomen.[9] Formeel is hij de primus inter pares,[10] maar in werkelijkheid heeft de functie zich ontwikkeld tot de spilfunctie in onze parlementaire democratie. In Europees verband is de minister-president lid van de Europese Raad en wordt hij als zodanig beschouwd als regeringsleider.[11] De Grondwet laat ruimte aan een toekomstige, verdere versterking van de positie van de minister-president. De tekst van de Grondwet sluit echter uit dat de minister-president door de bevolking rechtstreeks gekozen kan worden.[12] Dit staat los van het politiek verschijnsel dat partijen in de afgelopen decennia hun ‘premierskandidaten’ naar voren schoven (bijv. de PvdA met Den Uyl in 1977, “kies de minister-president” en het CDA in 1986, “Laat Lubbers zijn karwei afmaken”). Hij geeft leiding aan het (kleine) departement van Algemene Zaken.[13]
 

5. Kabinetsformatie

Aan de benoeming van ministers na reguliere verkiezingen of tussentijdse kabinetscrisis gaat een proces van kabinetsformatie vooraf.[14] De traditionele procedure rond de formatie luidt als volgt (zie verder hierna over de nieuwe procedure die in 2012 voor het eerst door de Tweede Kamer werd toegepast). Dit proces is in de Grondwet niet terug te vinden. De Nederlandse procedure om tot de vorming van een kabinet te komen is geleidelijk in de loop van de staatkundige geschiedenis ontstaan.[15] De ongeschreven procedure ziet er als volgt uit.
 
Aan de vooravond van de verkiezingen of na een kabinetscrisis biedt het kabinet aan de Koning zijn ontslag aan. Hierna consulteert de Koning zijn adviseurs, waaronder in elk geval de voorzitters van de Tweede en Eerste Kamer en de vice-president van de Raad van State. Ook de fractievoorzitters uit de Tweede Kamer worden gehoord. Vervolgens gaat de Koning over tot de benoeming van een formateur of informateur. Een (in)formatieopdracht moet uiteindelijk leiden tot een coalitie die kan steunen op het vertrouwen van de meerderheid van de Tweede Kamer.[16] Een informateur pleegt zijn opdracht direct te aanvaarden. De informateur(s) brengen na afronding van hun werkzaamheden verslag uit aan de Koning. Deze benoemt dan naar gelang de omstandigheden in de meeste gevallen een formateur die de opdracht krijgt een kabinet te formeren. Een formateur houdt zijn opdracht ‘in beraad’ en aanvaardt deze pas na de constituerende vergadering van de nieuwe ploeg ministers. Het meeste ‘voorwerk’ wordt de laatste jaren verricht door een of meerdere informateur(s). Informateurs gaan na welke partijen bereid zijn een coalitie te vormen en onder hun leiding komt vaak ook een regeerakkoord tot stand. De formateur rest slechts nog het aanzoeken van bewindslieden en de feitelijke vorming van een regeerploeg. Ook de formateur brengt verslag uit aan de Koning. Tenslotte wordt, als alles rond is, overgegaan tot benoeming en beëdiging van de ministers en staatssecretarissen. De laatste decennia is het praktijk dat de formateur tevens minister-president wordt van het door hem geformeerde kabinet.
 
In 2012 besloot de Tweede Kamer bij de formatie om zelf een initiatief te nemen.[17] De kamer hield een debat direct na de verkiezingen over de gevolgen van de uitslag en benoemde een “verkenner”. Na diens rapportage, benoemde de kamer twee informateurs. Na het uitbrengen van hun verslag, inclusief een ontwerp-regeerakkoord, ging de kamer over tot de benoeming van de formateur. Daarop volgde de beëindiging van de bewindslieden door de Koningin. Het staatshoofd werd overigens over de actuele politieke situatie en het verloop van de formatie geïnformeerd door haar vaste adviseurs, de voorzitters van Eerste en Tweede Kamer en de vice-president van de Raad van State.
 
Deze procedure is voor het eerst toegepast in 2012 en herhaald in 2017.[18] Bij elke toekomstige formatie kan niet uitgesloten worden dat de Koning opnieuw een rol kan spelen, bijvoorbeeld in de situatie waarin de Tweede Kamer niet tot besluitvorming over de richting van de formatie kan komen.
 
Tenslotte wordt in de literatuur onderscheid gemaakt tussen parlementaire kabinetten en extra-parlementaire kabinetten. Parlementaire kabinetten worden gevormd op basis van een door de kamerfracties van de deelnemende partijen gesloten regeerakkoord. Er is sprake van een nauwe band tussen kabinet en (regerings)fracties. Extra-parlementaire kabinetten zijn niet gebaseerd op een hechte band met geestverwante fracties in de Tweede Kamer, echter elk kabinet dient wel een vertrouwensrelatie te hebben mat een meerderheid van de Tweede Kamer.
 
Herhaald zij hier de opmerkingen bij artikel 42 van de Grondwet over de omvang van de ministeriële verantwoordelijkheid tijdens de kabinetsformatie. De Koning treedt in dit proces op niet buiten de ministeriële verantwoordelijkheid, maar zonder tussenkomst van ministers.[19] In elk geval zijn de nieuw aangetreden ministers, en de minister-president als voormalig formateur in het bijzonder, verantwoording verschuldigd aan het parlement voor het formatieproces. In het verleden zijn vele voorstellen gedaan om het proces van kabinetsformatie te democratiseren.[20]
 

6. Literatuur

- Carla van Baalen en Alexander van Kessel (redactie), Kabinetsformaties 1977-2012, Amsterdam 2016
- Peter Bootsma, Coalitievorming. Een vergelijking tussen Duitsland en Nederland, Amsterdam 2017
- A.K. Koekkoek, Partijleiders en kabinetsformatie, Deventer 1978.
- J.P. Rehwinkel, De minister-president, Zwolle 1991.
- J.P. Rehwinkel, P.P.T. Bovend’eert en R.J. Hoekstra, De positie van de minister-president, Zwolle1994.
- Staatscommissie Parlementair stelsel, Lage drempels, hoge dijken. Democratie en rechtsstaat in balans, Den Haag 2018
- Het bestel bijgesteld. Rapport van de tweede externe commissie (commissie-de Koning), Kamerstukken II, 1992-1993, 21 427, nr. 36-37.
- www.kabinetsformatie2017.nl.
 

7. Historische versies

Art. 35, eerste lid, Gw 1814: De Souvereine Vorst stelt ministeriële departementen in, benoemt derzelver hoofden en ontslaat die naar goedvinden.
Art. 75, eerste lid, Gw 1815: De Koning stelt ministeriële departementen in, benoemt derzelver hoofden, en ontslaat die naar welgevallen.
Art. 79, tweede lid, eerste volzin, Gw 1938: Hij benoemt Ministers en ontslaat hen naar welgevallen (art. 86, tweede lid, eerste volzin, Gw 1953).
 

Noten

  1. https://www.koninklijkhuis.nl/actueel/nieuws/2018/03/05/mededeling-van-het-kabinet-van-de-koning-benoeming-minister-blok.
  2. Handelingen Tweede Kamer 1938/1939, p. 2229.
  3. Zie Anne Bos, Verloren vertrouwen. Afgetreden ministers en staatssecretarissen 1967-2002, Amsterdam 2018.
  4. https://www.tweedekamer.nl/nieuws/kamernieuws/minister-halbe-zijlstra-afgetreden.
  5. Brief minister-president, 23 april 2012 (Kamerstukken II 2011-2012, 33 242, nr. 1). Zie verder Carla van Baalen en Alexander van Kessel (redactie), Kabinetsformaties 1977-2012, Amsterdam 2016, p. 511-523.
  6. Zie verder over de staatsrechtelijke positie van demissionaire kabinetten L. Prakke, De positie van een demissionair kabinet in Nederland, Zwolle 1977; E.J. Janse de Jonge, Demissionair kabinet dient geen nieuw beleid te beginnen, in: Stcrt. 135, 21 juli 1998.
  7. Nng, II, p. 166.
  8. Uitvoerig hierover J.P. Rehwinkel, De minister-president, Zwolle 1991, met name p. 227-244.
  9. Zie bijvoorbeeld Arendo Joustra, Erik van Venetië, Ruud Lubbers. Manager in de politiek, Baarn 1991 en Robbert Ammerlaan (red.), Afscheid van Lubbers, Baarn 1994.
  10. Aldus de regering bij de grondwetsherziening van 1983 (Nng, II, p. 225).
  11. De Europese Raad bestaat uit de regeringsleiders van de 28 (27) lidstaten van de Europese Unie, een voorzitter en de voorzitter van de Europese Commissie( art.15, tweede lid Verdrag betreffende de Europese Unie).
  12. De Staatscommissie Parlementair stelsel wijst een rechtstreeks gekozen minister-president overigens gemotiveerd af; zie Eindrapport Den Haag 2018, p. 175.
  13. Besluit van de Minister-President, de Minister van Algemene Zaken van 14 december 2017, nr. 3973240, houdende de vaststelling van het Organisatiebesluit van het Ministerie van Algemene Zaken.
  14. Carla van Baalen en Alexander van Kessel, De kabinetsformatie in vijftig stappen, Amsterdam 2012; Ernst Hirsch Ballin, De Koning. Continuïteit en perspectief van het Nederlandse koningschap, tweede druk, Den Haag 2013, p 46-57.
  15. Zie onder meer F.J.F.M. Duynstee, De kabinetsformaties 1946-1966, Deventer 1966; P.F. Maas, Kabinetsformaties 1959-1973, Den Haag 1982; Carla van Baalen en Alexander van Kessel (redactie), Kabinetsformaties 1977-2012, Amsterdam 2016; Peter Bootsma, Coalitievorming. Een vergelijking tussen Duitsland en Nederland, Amsterdam 2017; A.K Koekkoek, partijleiders en kabinetsformatie, Deventer 1978; J.J. Vis, nieuwe trends in de kabinetsformatie, in: Op het snijvlak van recht en politiek (Prakke-bundel), Deventer 2003.
  16. In de meeste gevallen luidt de formulering: ‘een kabinet te vormen dat mag rekenen op een vruchtbare samenwerking met de Staten-Generaal’.
  17. In maart 2012 wijzigde de Tweede Kamer haar reglement van orde zodat de kamer voortaan zelf informateurs kan benoemen. Zie ook Carla van Baalen, Paul Bovend’Eert, Alexander van Kessel, Zonder koningin. Het officiële evaluatierapport over de formatie van 2012, Amsterdam 2016.
  18. Zie voor meer informatie: www.kabinetsformatie2017.nl en Paul Bovend’Eert, Peter Bootsma, Alexander van Kessel, Evaluatie kabinetsformatie 2017, Den Haag 2018.
  19. Nng, II, p. 182.
  20. Zie onder meer het Rapport van de staatscommissie van advies betreffende de relatie kiezers-beleidsvorming, Den Haag 1984 en het rapport van de Tweede externe commissie vraagpunten staatkundige, bestuurlijke en staatsrechtelijke vernieuwing inzake de relatie kiezers-gekozenen, Kamerstukken II 1992-1993, 21 426, nrs. 36-37.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    E.J. Janse de Jonge, Commentaar op artikel 43 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2019 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Regering en ministers

De benoeming en het ontslag van ministers, waaronder de minister-president, geschiedt bij koninklijk besluit: een besluit van de regering, dat in dit geval moet worden ondertekend door de Koning en door de minister-president (artikel 48 Grondwet).
 
De bedoeling hiervan is vast te leggen dat de Koning niet langer, zoals in de eerste helft van de negentiende eeuw nog gebeurde, naar welgevallen zelf ministers benoemt of ontslaat, simpelweg op grond van zijn eigen politieke of persoonlijke voorkeur. Niet de politiek onschendbare Koning, maar de voorzitter van de ministerraad – de minister-president – draagt na afronding van de kabinetsformatie de politieke verantwoordelijkheid voor de samenstelling van het kabinet. Ministers zijn voor hun handelen als lid van de regering dus geen verantwoording verschuldigd aan de Koning; de volksvertegenwoordiging oordeelt over hun functioneren en kan, bij een gebrek aan vertrouwen in hun kwaliteiten, hun ontslag afdwingen.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Regering en ministers

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Regering en ministers

Over dit artikel zijn ons geen belangrijke en ‘klassieke’ rechterlijke uitspraken bekend.

Recente rechtspraak

Regering en ministers

Over dit artikel zijn ons geen recente rechterlijke uitspraken bekend.

Politiek

Regering en ministers

Video
Blogs
IN DE WERELD
Video

Regering en ministers

  • Kabinetscrisis in 2006 na motie van wantrouwen voor Minister Verdonk
  • Discussie over het nieuwe formeren
Kabinetscrisis in 2006 na motie van wantrouwen voor Minister Verdonk
Blogs

Regering en ministers

In de wereld

Regering en ministers