CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • M. Adams
  • B.C. van Beers
  • A.A.L. Beers & K.T. Meijer
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • S.C. van Bijsterveld & B.P. Vermeulen
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard & J. Uzman
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • S. Daniëls
  • J.W.A. Fleuren
  • F. Fleurke
  • J.L.M. Gribnau & M.R.T Pauwels
  • M.M. Groothuis
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • H.G. Hoogers
  • M. Houwerzijl & N. Zekic
  • M. Houwerzijl & F. Vlemminx
  • P. Jacobs
  • N.M.C.P. Jägers & J.P. Loof
  • E.J. Janse de Jonge
  • S. Jellinghaus & E. Huisman
  • J. Kiewiet & G.F.M. van der Tang †
  • T. Kooijmans en J. van der Ham
  • E.J. Koops en R. Passchier
  • G. Leenknegt
  • K.T. Meijer
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • B.M.J. van der Meulen
  • T. Peters
  • J.C.A. de Poorter
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • G. van der Schyff
  • J. Uzman & G. Boogaard
  • J. Uzman
  • B.P. Vermeulen
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx & A.C.M. Meuwese
  • W.J.M. Voermans
  • B.W.N. de Waard
  • W. van der Woude
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buitenstaatverklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Aanstelling burgemeester en commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 132a  Caribische openbare lichamen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

Artikel 24 - Koningschap

Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau.

Artikel 25 - Erfopvolging

Het koningschap gaat bij overlijden van de Koning krachtens erfopvolging over op zijn wettige nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft, met plaatsvervulling volgens dezelfde regel. Bij gebreke van eigen nakomelingen gaat het koningschap op gelijke wijze over op de wettige nakomelingen eerst van zijn ouder, dan van zijn grootouder, in de lijn van erfopvolging, voor zover de overleden Koning niet verder bestaand dan in de derde graad van bloedverwantschap.

Artikel 26 - Status ongeboren kind Koning

Het kind, waarvan een vrouw zwanger is op het ogenblik van het overlijden van de Koning, wordt voor de erfopvolging als reeds geboren aangemerkt. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

Artikel 27 - Afstand koningschap

Afstand van het koningschap leidt tot erfopvolging overeenkomstig de regels in de voorgaande artikelen gesteld. Na de afstand geboren kinderen en hun nakomelingen zijn van de erfopvolging uitgesloten.

Artikel 28 - Afstand koningschap door huwelijk

  1. De Koning, een huwelijk aangaande buiten bij de wet verleende toestemming, doet daardoor afstand van het koningschap.
  2. Gaat iemand die het koningschap van de Koning kan beërven een zodanig huwelijk aan, dan is hij met de uit dit huwelijk geboren kinderen en hun nakomelingen van de erfopvolging uitgesloten.
  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake van een voorstel van wet, strekkende tot het verlenen van toestemming, in verenigde vergadering.

Artikel 29 - Uitsluiting troonopvolging

  1. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden daartoe nopen, kunnen bij een wet een of meer personen van de erfopvolging worden uitgesloten.

  2. Het voorstel daartoe wordt door of vanwege de Koning ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 30 - Benoemde Koning

  1. Wanneer vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal ontbreken, kan deze worden benoemd bij een wet. Het voorstel wordt door of vanwege de Koning ingediend. Na de indiening van het voorstel worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  2. Indien bij overlijden van de Koning of bij afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt, worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers komen binnen vier maanden na het overlijden of de afstand in verenigde vergadering bijeen ten einde te besluiten omtrent de benoeming van een Koning. Zij kunnen een opvolger alleen benoemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 31 - Erfopvolging benoemde koning

  1. Een benoemde Koning kan krachtens erfopvolging alleen worden opgevolgd door zijn wettige nakomelingen.

  2. De bepalingen omtrent de erfopvolging en het eerste lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op een benoemde opvolger, zolang deze nog geen Koning is.

Artikel 32 - Inhuldiging Koning

Nadat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen, wordt hij zodra mogelijk beëdigd en ingehuldigd in de hoofdstad Amsterdam in een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Hij zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt. De wet stelt nadere regels vast.

Artikel 33 - Koningschap en meerderjarigheid

De Koning oefent het koninklijk gezag eerst uit, nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

Artikel 34 - Ouderlijk gezag minderjarige Koning

De wet regelt het ouderlijk gezag en de voogdij over de minderjarige Koning en het toezicht daarop. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 35 - Buitenstaatverklaring

  1. Wanneer de ministerraad van oordeel is dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, bericht hij dit onder overlegging van het daartoe gevraagde advies van de Raad van State aan de Staten-Generaal, die daarop in verenigde vergadering bijeenkomen.

  2. Delen de Staten-Generaal dit oordeel, dan verklaren zij dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen. Deze verklaring wordt bekend gemaakt op last van de voorzitter der vergadering en treedt terstond in werking.

  3. Zodra de Koning weer in staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, wordt dit bij de wet verklaard. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Terstond na de bekendmaking van deze wet hervat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag.

  4. De wet regelt zo nodig het toezicht over de persoon van de Koning indien hij buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 36 - Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag

De Koning kan de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk neerleggen en die uitoefening hervatten krachtens een wet, waarvan het voorstel door of vanwege hem wordt ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 37 - Uitoefening koninklijk gezag door regent

  1. Het koninklijk gezag wordt uitgeoefend door een regent:
    a. zolang de Koning de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt;
    b. indien een nog niet geboren kind tot het koningschap geroepen kan zijn;
    c. indien de Koning buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen;
    d. indien de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk heeft neergelegd;
    e. zolang na het overlijden van de Koning of na diens afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt.

  2. De regent wordt benoemd bij de wet. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  3. In de gevallen, genoemd in het eerste lid onder c en d, is de nakomeling van de Koning die zijn vermoedelijke opvolger is, van rechtswege regent indien hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

  4. De regent zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt, in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal. De wet geeft nadere regels omtrent het regentschap en kan voorzien in de opvolging en de vervanging daarin. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  5. Op de regent zijn de artikelen 35 en 36 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38 - Uitoefening koninklijk gezag door RvS

Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk gezag is voorzien, wordt dit uitgeoefend door de Raad van State.

Artikel 39 - Lidmaatschap koninklijk huis

De wet regelt, wie lid is van het koninklijk huis.

Artikel 40 - Uitkering koninklijk huis

  1. De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het Rijk uitkeringen naar regels bij de wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het koninklijk huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen.

  2. De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, zijn vrij van persoonlijke belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of zijn vermoedelijke opvolger krachtens erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van het koninklijk huis vrij van de rechten van successie, overgang en schenking. Verdere vrijdom van belasting kan bij de wet worden verleend.

  3. De kamers der Staten-Generaal kunnen voorstellen van in de vorige leden bedoelde wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 41 - Inrichting huis Koning

De Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis in.

Artikel 42 - Ministeriële verantwoordelijkheid

  1. De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.

  2. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.

Artikel 43 - Regering en ministers

De minister-president en de overige ministers worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.

Artikel 44 - Ministeries

  1. Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.

  2. Ook kunnen ministers worden benoemd die niet belast zijn met de leiding van een ministerie.

Artikel 45 - Ministerraad

  1. De ministers vormen te zamen de ministerraad.

  2. De minister-president is voorzitter van de ministerraad.

  3. De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid.

Artikel 46 - Staatssecretarissen

  1. Bij koninklijk besluit kunnen staatssecretarissen worden benoemd en ontslagen.

  2. Een staatssecretaris treedt in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister.

Artikel 47 - Ondertekening en contraseign

Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.

Artikel 48 - Ontslag en benoeming ministers

Het koninklijk besluit waarbij de minister-president wordt benoemd, wordt mede door hem ondertekend. De koninklijke besluiten waarbij de overige ministers en de staatssecretarissen worden benoemd of ontslagen, worden mede door de minister-president ondertekend.

Artikel 49 - Ambtseed minister en staatssecretaris

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de ministers en de staatssecretarissen bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

E.M.H. Hirsch Ballin

ARTIKEL 32 - Inhuldiging Koning

INHOUD
  1. Historische oorsprong van het inhuldigingsritueel
  2. De vormen van de inhuldiging
  3. Juridische betekenis van het inhuldigingsritueel
  4. Constitutionele betekenis van het inhuldigingsritueel
  5. Literatuur
  6. Historische versies
 

Editie maart 2013

1. Historische oorsprong van het
    inhuldigingsritueel

Wanneer de Koning is overleden of troonsafstand heeft gedaan, wordt zijn wettelijke opvolger volgens de regels van erfopvolging (zie artikel 27 Grondwet) de nieuwe Koning. Daarvoor is geen besluit of handeling van de troonopvolger nodig: hij wordt van rechtswege Koning zodra zijn voorganger is overleden of afstand heeft gedaan.[1] Dit wordt aangeduid als het ‘continuïteitsbeginsel’: er ontstaat in juridische zin geen vacuüm in de bezetting van de troon of in de uitoefening van het koninklijk gezag.[2] Populairder gezegd geldt hier: ‘De Koning is dood, leve de Koning!’

Artikel 32 geeft aan wat dient te gebeuren nadat de nieuwe Koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen. Hij wordt dan zo spoedig mogelijk in een voor het publiek toegankelijke verenigde vergadering van de beide kamers der Staten-Generaal beëdigd en ingehuldigd. De beëdiging en inhuldiging vormen echter geen voorwaarden voor de uitoefening van het koninklijk gezag door de nieuwe Koning; zij zijn van louter ceremoniële aard. De grondwetsbepaling over de inhuldiging van de nieuwe koning is al twee eeuwen lang in hoofdzaak onveranderd gebleven. In de Grondwet voor de Vereenigde Nederlanden van 1814 werd aangeknoopt bij rituelen voor de inauguratie van een nieuwe vorst die in de Nederlanden en andere Europese staten sinds lang bekend waren. De rituele dialoog tussen de vorst die zijn verplichtingen jegens het volk aanvaardt en de vertegenwoordigers van het volk die, dit gehoord hebbende, de vorst hulde brengen en trouw zweren, herinnert aan een oude traditie uit de Bourgondische landen. Met de Blyde Inkomste (Joyeuse Entrée) van de nieuwe hertog en hertogin van Brabant in 1356, verklaarden dezen de rechten en vrijheden van de Brabanders te zullen eerbiedigen. Zij kregen daarmee het karakter van voorwaarden waaronder de vorsten de heerschappij over het land dienden te aanvaarden. De schending van deze voorwaarden was een van de gronden waarop in 1581 de Acte van Verlatinghe berustte.[3] Daarmee verklaarden de Staten-Generaal in 1581 aan Filips II het vervallen van zijn rechten als Heer der Nederlanden. In de Zuidelijke Nederlanden leidde de poging die keizer Joseph II van Oostenrijk, hertog van Brabant, in 1789 deed om zich aan deze voorwaarden voor zijn vorstelijk ambt te onttrekken, tot een volksopstand. Vergelijkbare conditionele inhuldigingen werden in andere landen voltrokken, bijvoorbeeld toen in 1689 stadhouder Willem III pas na instemming met de Bill of Rights het koningschap van Engeland, samen met koningin Mary II, kon aanvaarden.
 
Er is dus een reële betekenis aan verbonden dat bij het herstel van de Nederlandse onafhankelijkheid in 1813 van meet af aan de wederkerigheid in de relatie tussen Koning en volk (in de niet-etnische betekenis van 'Staatsvolk', dus in de terminologie van toen alle onderdanen) tot uitdrukking is gebracht. Daarmee werd een restauratie naar het model van het absolutisme – dat in de 19de eeuw nog steeds doorwerkte[4] – eenduidig afgewezen. Ook de Koning onderwierp zich aan de Grondwet en de wetten: de rule of law, waarmee de basis voor een rechtsstaat werd gelegd; op basis van de Grondwet verkreeg het parlement een steeds grotere zeggenschap, zoals dat in een democratie past. Al in de 19de eeuw kwam gaandeweg een einde aan de 'besluitenregering' waarbij met zelfstandige algemene maatregelen van bestuur het parlement werd gepasseerd. Van een 'monarchaal constitutionalisme' – met de autoritaire trekken die tijdens het koningschap van Willem I nog opvallend aanwezig waren – ontwikkelde het Nederlandse staatsbestel zich tot een 'parlementair constitutionalisme'.[5]

2. De vormen van de inhuldiging

Om het constitutionele ritueel van de inhuldiging te kunnen duiden is kennis van de geschiedenis ervan onontbeerlijk,[6] maar niet toereikend: de betekenis van de inhuldiging wordt vandaag de dag immers bepaald door de huidige constitutionele verhoudingen.[7]

Toen na de slag bij Leipzig en de instorting van het Franse gezag in de Nederlanden, prins Willem Frederik van Oranje-Nassau, zoon van de laatste stadhouder, uit Engeland was teruggekeerd, werd hem door het provisorisch bestuur de soevereiniteit over de Vereenigde Nederlanden aangeboden. De Commissarissen-generaal van het Algemeen Bestuur – zij beschouwden zich als woordvoerders van 'het Nederlandsche Volk' – maakten duidelijk dat het niet ging om een herstel van de oude verhoudingen, “geen Willem de Zesde”, aldus hun proclamatie, maar om een nieuw begin, met een nieuwe Willem de Eerste, die zou regeren op basis van een constitutie waarin de vrijheid van de burgers werd gewaarborgd. Hiermee werd in feite al het schema van de inhuldiging geformuleerd.

In de proclamatie waarmee Willem Frederik op 2 december 1813 'na zijn intrede binnen deze hoofdstad' de soevereiniteit op zich nam, stemde hij uitdrukkelijk in met het constitutionele kader daarvan: 'ik aanvaarde wat Nederland mij aanbiedt, maar ik aanvaarde het ook alleen onder waarborging eener wijze constitutie, welke uwe vrijheid tegen volgende mogelijke misbruiken verzekert; ik aanvaarde het, in het volle gevoel der verpligting, welke mij deze aanneming oplegt.'[8] 

Diezelfde maand werd een grondwetscommissie ingesteld. Het door haar opgestelde ontwerp werd op 29 maart 1814 door de voorlopige volksvertegenwoordiging aanvaard en de dag daarop trad de nieuwe Grondwet voor de Vereenigde Nederlanden, destijds negen 'Provincien of Landschappen',[9]  in werking. Op die 30ste maart 1814 vond in Amsterdam de inhuldiging plaats van de Soevereine Vorst der Verenigde Nederlanden. Het ritueel was reeds volgens de Grondwet van 1814 een tweezijdig gebeuren: een eed van trouw van de Koning aan de Grondwet, die door de leden van de Staten-Generaal met een eed van hun kant wordt beantwoord. Volgens het toenmalige artikel 28 diende de Soevereine Vorst te zweren dat hij de Grondwet zal onderhouden en handhaven en met al zijn krachten de onafhankelijkheid van de staat en de vrijheid en welvaart van de ingezetenen zal bevorderen.

Na de vereniging met België werd in de Grondwet voor het Koninkrijk der Nederlanden van 1815 een uitgebreidere regeling opgenomen, die deels tot 1840, deels tot 1848 van kracht bleef. De verplichtingen van de Koning jegens de burgers kregen nog meer nadruk. In een vergadering van de Staten-Generaal moest aan de Koning de hele Grondwet worden voorgelezen. Vervolgens diende de Koning op zich te nemen, de Grondwet te onderhouden en te handhaven, en daarvan “bij geene gelegenheid en onder geen voorwendsel hoegenaamd” te zullen afwijken. Daarenboven diende de Koning zich te verplichten “de algemeene en bijzondere vrijheid en de regten van alle mijne onderdanen en van ieder derzelven” te beschermen en te beveiligen.[10] 

Inhuldiging van Koning Willem I op het Koningsplein te Brussel op 21 september 1815. Litho door Anonymous, 1815, Stadsmuseum (het Broodhuis) Brussel. Foto: A.C.L. Brussel.
 

De eed van de Koning moest volgens de Grondwetten van 1814 en 1815 worden beantwoord met de eigenlijke inhuldiging: een door de voorzitter van de Staten-Generaal af te leggen plechtige verklaring die door hem en alle leden, 'hoofd voor hoofd', wordt beëdigd. Zij zwoeren – in de tekst van 1815 – namens het  volk der Nederlanden krachtens de Grondwet dat ze de nieuwe Koning 'hulden en ontvangen' en 'de regten Uwer Kroon zullen bezwaren en onderdanen'.[11] 
 
De teksten van de eden werden bij de grondwetsherzieningen van 1840 en 1848 versoberd en ontdaan van de uitingen van achterdocht jegens de Koning en van verplichte gedienstigheid van de kant van de parlementariërs die in 1815 nog passend waren gevonden. Evenmin werd het nog nodig geacht de hele Grondwet voor te lezen, zoals in 1815 bij de tweede inhuldiging van Willem I, nu als Koning en ditmaal in Brussel, was geschied. De verplichting van de Koning de algemene en bijzondere vrijheid van zijn  onderdanen en hun rechten te beschermen bleef echter ook na 1840/1848 in wezen onveranderd deel uitmaken van de eed van de Koning op de Grondwet.

3. Juridische betekenis van het inhuldigingsritueel

De inhuldiging van de Koning is niet het moment waarop het koningschap van een nieuwe koning begint, maar moet daar wel zo spoedig mogelijk op volgen. In antwoord op een vraag van de PPR-fractie 'waarom de beëdiging van de Koning gepaard moet gaan met een inhuldiging' antwoordde de toenmalige minister Wiegel dat 'aldus de verbondenheid van Staten-Generaal met de Grondwet en met elkaar tot uitdrukking kan worden gebracht.' Dit was 'een kwestie van traditie. Juridische betekenis heeft het niet.'[12] Noch het koninklijk gezag, noch de ambtsplichten van Koning en Staten-Generaal hangen af van de eden, beloften en verklaringen die bij de inhuldiging worden afgelegd.

De grondwetsherziening van 1983 leidde ertoe dat een aantal onderwerpen werden 'gedeconstitutionaliseerd', d.w.z. overgelaten aan de gewone (rijks)wetgever, zo ook de inrichting van de inhuldiging. In afwachting van de vereiste nadere wetgeving handhaafde een additioneel artikel sinds 1983 vooralsnog de oude eedsformulieren. Deze nadere regeling, vervat in de Wet beëdiging en inhuldiging van de Koning, kwam in 1992 tot stand, na een trage maar probleemloze parlementaire behandeling.[13] De redactie van de formulieren sloot zoveel mogelijk aan bij de traditie. Nieuw was echter de opneming van het Statuut 'als hoogste constitutionele regeling van het Koninkrijk', waaraan ook trouw dient te worden gezworen.[14] Aan de inhuldiging wordt ingevolge deze wet ook deelgenomen door gedelegeerden van de Staten van de andere landen van het Koninkrijk. Net als de leden van de Staten-Generaal beëdigen of bevestigen zij 'hoofd voor hoofd' de door de voorzitter afgelegde plechtige verklaring van inhuldiging (artikelen 2-4 Wet beëdiging en inhuldiging van de Koning).

De eed van de Koning spreekt nu van 'alle Nederlanders en alle andere ingezetenen' (artikel 1 Wet beëdiging en inhuldiging van de Koning), anders gezegd: al degenen die deel uitmaken van de samenlevingen van de landen van het Koninkrijk. Nederlanders zijn degenen die het staatsburgerschap van het Koninkrijk bezitten; daarbij maakt het Statuut geen verschil tussen de bevolking van Nederland en de Caribische delen van het Koninkrijk. Net als in het oude, aan autoritaire ideeën ontleende begrip 'onderdanen', wordt daarmee tot uitdrukking gebracht dat de bescherming van vrijheid en rechten eenieder betreft, dus ook de in het Koninkrijk gevestigde staatsburgers van de overige landen van de EU en andere vreemdelingen.

De aan de leden van de Staten-Generaal voorgeschreven eed roept op het eerste gezicht vragen op. Wat betekent de eed of belofte 'dat wij Uw onschendbaarheid en de rechten van Uw Koningschap zullen handhaven'? Is deze eed aanvaardbaar voor principiële republikeinen? Welke gevolgen heeft deze eed voor de politieke ruimte om wijzigingen aan te brengen in het financieel statuut van de leden van het Koninklijk Huis?
 
Alle Kamerleden, ministers en staatssecretarissen hebben reeds bij de aanvaarding van hun ambt trouw gezworen of beloofd: 'Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning, aan het Statuut voor het Koninkrijk en aan de Grondwet.' Ze zijn daartoe gehouden krachtens artikel 47 van het Statuut en de artikelen 49 en 60 van de Grondwet, zoals uitwerkt in de Wet beëdiging ministers en leden van de Staten-Generaal.[15] Voor het weigeren van de eed van trouw aan de Koning wegens republikeinse gezindheid is het dus te laat, maar bovendien bevat die eed geen enkel beletsel tegen grondwetsherziening, ook niet als een voorstel daartoe het koningschap zou betreffen. De in de eed gevraagde 'onschendbaarheid en de rechten van Uw Koningschap' (de oude tekst was: 'de rechten Uwer Kroon'[16]) betreffen rechten die bij of krachtens de Grondwet (en het Statuut) zijn  omschreven en die uiteraard een andere inhoud krijgen op het moment waarop deze bepalingen zouden worden gewijzigd.

De juridische betekenis van de inhuldigingsverklaring van de kant van de volksvertegenwoordigingen is ook in de schriftelijke fase van de parlementaire behandeling van het betreffende wetsvoorstel aan de orde geweest. In de nota naar aanleiding van het verslag antwoordden de toenmalige ministers Lubbers, Dales en Hirsch Ballin: 'Aan de inhuldigingsverklaring komt, zoals ook door de regering bij de algehele grondwetsherziening naar voren is gebracht, geen zelfstandige juridisch-constitutionele betekenis toe. De plechtige verklaring heeft derhalve niet het karakter van een eed.'[17] Met de laatste zin werd blijkbaar bedoeld dat het niet ging om een constitutieve eed, want de verklaring wordt wel in de vorm van een eed dan wel belofte bevestigd. Andere of nieuwe verplichtingen voor de Kamerleden vloeien er ook niet uit voort. In antwoord op vragen uit de Eerste Kamer schreef minister-president Rutte – zonder dieper op de betekenis van de inhuldiging in te gaan - in maart 2013 dat aan de 'inhuldigingsverklaring (…) geen zelfstandige juridisch-constitutionele betekenis' toekomt, maar dat deze vooral een bevestiging is van 'onderlinge verbondenheid van de Koning met de volkeren van het Koninkrijk'; aan een weigering door een lid van de Staten-Generaal om hieraan deel te nemen zijn, aldus de minister-president, 'geen rechtsgevolgen' verbonden.[18]

4. Constitutionele betekenis van het
    inhuldigingsritueel

De relatie tussen Koning en volk die in het ritueel van de inhuldiging tot uitdrukking komt, is in 1814 niet vastgeklonken, maar heeft zich integendeel door de daaraan eigen wisselwerking tussen beide ontwikkeld tot de huidige democratische en rechtsstatelijke realiteit en het huidige “ethische grondpatroon van de democratische rechtsstaat”.[19] In herinterpreterende herhalingen van dezelfde begrippen met steeds weer hernieuwende interpretaties en beoordelingen, krijgeninstituties zoals het koningschap telkens nieuwe, soms ook diepere betekenissen. De constitutionele positie van de Koning wordt bepaald in relatie tot de politiek-maatschappelijke verhoudingen die in het parlement tot uitdrukking komen. In de laatste decennia van de 20ste eeuw is de democratische situering van het koningschap de vanzelfsprekende achtergrond geworden van het inhuldigingsritueel.

De aangewezen plaats daarvoor is de hoofdstad, dus Amsterdam, ook al zijn de hoogste instellingen van de Staat in de gemeente Den Haag gevestigd, alwaar de Koning ook resideert (“de residentie”), met als gevolg dat daar ook de ambassades van andere staten zijn gevestigd. De regering wilde in 1983, toen de bepaling zijn huidige redactie kreeg, in de eerste plaats ‘onwenselijke meningsverschillen’ voorkomen die bij ontbreken van een dergelijke bepaling zouden kunnen ontstaan over de plaats waar de bijeenkomst zou moeten plaatsvinden.[20] De uitdrukkelijke vermelding van Amsterdam als hoofdstad, die in 1814 in de Grondwet was opgenomen[21] maar al in 1815 verdween vanwege de vereniging met de zuidelijke Nederlanden, werd door de regering eveneens wenselijk geacht om mogelijke onvruchtbare discussies over de positie van Amsterdam als hoofdstad te voorkomen.[22] Rechtsgevolgen, anders dan die betreffende de inhuldiging en beëdiging, zijn aan deze vermelding als hoofdstad echter niet verbonden.

5. Literatuur

- D.J. Elzinga & R. De Lange, Van der Pot - Handboek van het Nederlandse staatsrecht, Deventer: Kluwer 2006
- E.M.H. Hirsch Ballin, De Koning. Continuïteit en perspectief van het Nederlandse koningschap. Den Haag: Boom Juridische uitgevers, 2e druk 2013
- J.Ph. de Monté Verloren en J.E. Spruit, Hoofdlijnen uit de ontwikkeling der rechterlijke organisatie in de Noordelijke Nederlanden tot de Bataafse omwenteling, Deventer: Kluwer 2000
- C.A.J.M. Kortmann, Constitutioneel recht, bewerkt door P.P.T. Bovend’Eert, J.L.W. Broeksteeg, B.P. Vermeulen en C.N.J. Kortmann, Deventer: Kluwer 2012
- Jürgen Osterhammel, Die Verwandlung der Welt. Eine Geschichte des 19. Jahrhunderts. München: C.H. Beck 2009
- P.L.G. van Velzen, De ongekende ministeriële verantwoordelijkheid, theorie en praktijk 1813-1840, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2005
- A.I. Wierdsma, The Meaning of a State Ceremony. The Inauguration (1814-]980) as Ritual of Civil Religion in the Netherlands, in: The Netherlands Journal of Sociology 2005, vol. 23, no. 1, pp. 31-44

6. Historische versies

Art. 28 Gw. 1814: De Souvereine Vorst legt, bij het aannemen der regering, in de vergadering der Staten Generaal, den volgenden eed af:
`Ik zweer, dat Ik eerst en bovenal de Grondwet van de Vereenigde Nederlanden zal onderhouden en handhaven, en dat Ik wijders de onafhankelijkheid van den Staat, de vrijheid en welvaart van deszelfs ingezetenen, met alle mijne krachten bevorderen zal.
`Zoo waarlijk helpe mij God Almagtig.'
Art. 29 Gw. 1814: Na het afleggen van den voormelden Eed wordt de Souvereine Vorst ingehuldigd bij de Staten Generaal met de volgende plegtige verklaring:
`Wij zweren, dat wij, krachtens de grondwet van dezen Staat, U hulden en ontvangen als Souvereinen Vorst der Vereenigde Nederlanden; dat wij Uwe hooge en souvereine regten zullen bewaren en onderhouden, U getrouw en gedienstig zullen wezen in de bescherming van Uwen persoon en staat, en voorts alles doen, wat goede en getrouwe Staten Generaal schuldig zijn en behooren te doen.
`Zoo waarlijk helpe ons God Almagtig.'
Art. 30 Gw. 1814: De beëediging van den Souvereinen Vorst en de inhuldiging bij de Staten-Generaal zullen plaats hebben in de stad Amsterdam, als de hoofdstad.
Art. 52 Gw. 1815: De Koning wordt bij het aanvaarden der Regering plegtiglijk beëedigd en ingehuldigd, in eene openbare en vereenigde zitting der beide Kamers van de Staten Generaal, welke te dien einde onder den blooten Hemel gehouden wordt; in tijden van vrede heeft deze plegtigheid plaats beurtelings te Amsterdam en in eene der steden van de Zuidelijke Provincien, ter keuze des Konings.
Art. 53 Gw. 1815: In deze openbare vergadering wordt aan den Koning de geheele Grondwet voorgelezen, en daarna door denzelven de volgende eed afgelegd:
`Ik zweer aan het Nederlandsche Volk, dat ik de grondwet des Rijks steeds zal onderhouden en handhaven, en dat ik daarvan bij geene gelegenheid en onder geen voorwendsel hoegenaamd, zal afwijken, of gedoogen dat daarvan afgeweken worde.
`Ik zweer wijders, dat ik de onafhankelijkheid van het Rijk en de algeheele uitgestrektheid van deszelfs grondgebied met al mijn vermogen zal verdedigen en bewaren; dat ik de algemeene en bijzondere vrijheid en de regten van alle mijne onderdanen en van ieder derzelven zal beschermen en beveiligen, en tot instandhouding en bevordering van den algemeenen en bijzonderen welvaart, alle middelen zal aanwenden, welke de wetten ter mijner beschikking stellen, zoo als een goed Koning schuldig is en behoort te doen.
`Zoo waarlijk helpe mij God Almagtig!' (art. 52 Gw. 1840)
Art. 54 Gw. 1815: Na het afleggen van den voormelden eed, wordt de Koning in dezelfde openbare vergadering ingehuldigd bij de Staten Generaal, welker Voorzitter de volgende plegtige verklaring uitspreekt, die vervolgens door hem en elk der leden hoofd voor hoofd beëedigd wordt:
`Wij zweren in den naam van het Volk der Nederlanden, dat wij, krachtens de Grondwet van dezen Staat, U als Koning hulden en ontvangen; dat wij de regten Uwer Kroon zullen bewaren en onderhouden, U getrouw en gedienstig zullen zijn in de bescherming van Uwen persoon en van Uwe Koninklijke waardigheid; wij zweren voorts alles te zullen doen, wat goede en getrouwe Staten-Generaal schuldig zijn en behooren te doen.
`Zoo waarlijk helpe ons God Almagtig!' (art. 53 Gw. 1840)
Art. 51 Gw. 1840: De Koning wordt bij het aanvaarden der Regering plegtiglijk beëedigd en ingehuldigd, binnen de stad Amsterdam, in eene openbare en vereenigde zitting der beide Kamers van de Staten Generaal.
Art. 50 Gw. 1848: De Koning, de regering aanvaard hebbende, wordt zoodra mogelijk plegtig beëedigd en ingehuldigd binnen de stad Amsterdam, in eene openbare en vereenigde zitting der beide Kamers van de Staten Generaal (art. 51 Gw. 1887, behoudens dat i.p.v. `vereenigde zitting der beide Kamers van de Staten generaal' wordt gelezen `vereenigde vergadering der Staten Generaal').
Art. 51 Gw. 1848: In deze vergadering wordt door den Koning de volgende eed of belofte op de Grondwet afgelegd:
`Ik zweer (beloof) aan het Nederlandsche volk dat ik de Grondwet van het Rijk steeds zal onderhouden en handhaven.
`Ik zweer (beloof), dat ik de onafhankelijkheid en het grondgebied des Rijks met al mijn vermogen zal verdedigen en bewaren; dat ik de algemeene en bijzondere vrijheid en de regten van al mijne onderdanen zal beschermen, en tot instandhouding en bevordering van de algemeene en bijzondere welvaart alle middelen zal aanwenden, welke de wetten ter mijner beschikking stellen, zoo als een goed Koning schuldig is te doen.
`Zoo waarlijk helpe Mij God Almagtig!' (`Dat beloof ik!') (art. 52 Gw. 1887, behoudens dat de woorden `van het rijk' in de tweede regel komen te vervallen; art. 51 Gw. 1922 behoudens dat i.p.v. `des Rijks'wordt gelezen `van den Staat'; art. 53 Gw. 1938)
Art. 52 Gw. 1848: Na het afleggen van dezen eed of belofte wordt de Koning in dezelfde vergadering gehuldigd door de Staten Generaal, wier voorzitter de volgende plegtige verklaring uitspreekt, die vervolgens door hem en elk der leden, hoofd voor hoofd, beëdigd of bevestigd wordt:
`Wij ontvangen en huldigen, in naam van het Nederlandse Volk en krachtens de Grondwet, U als Koning; wij zweren (beloven), dat wij uwe onschendbaarheid en de regten Uwer Kroon zullen handhaven; wij zweren (beloven) alles te zullen doen wat goede en getrouwe Staten Generaal schuldig zijn te doen.'
`Zoo waarlijk helpe ons God almagtig!' (`Dat beloven wij!') (art. 53 Gw. 1887; art. 52 Gw. 1922; art. 54 Gw. 1938)
 

Noten

  1. C.A.J.M. Kortmann, Constitutioneel recht, bewerkt door P.P.T. Bovend’Eert, J.L.W. Broeksteeg, B.P. Vermeulen en C.N.J. Kortmann, Deventer: Kluwer 2012,, p. 135; zie ook Kamerstukken II 1979/80, 16 034 (R 1138), nr. 3, p. 11 (Nng II, p. 17): om juist dit punt duidelijk te maken werd in 1983 de term ‘aanvaarden’ in de Grondwet vervangen door ‘de uitoefening aanvangen’.
  2. D.J. Elzinga & R. De Lange, Van der Pot - Handboek van het Nederlandse staatsrecht, Deventer: Kluwer 2006, p. 492.
  3. Zie J.Ph. de Monté verLoren en J.E. Spruit, Hoofdlijnen uit de ontwikkeling der rechterlijke organisatie in de Noordelijke Nederlanden tot de Bataafse omwenteling, Deventer: Kluwer 2000, pp. 249-252.
  4. Jürgen Osterhammel, Die Verwandlung der Welt. Eine Geschichte des 19. Jahrhunderts. München: C.H. Beck 2009, p. 836.
  5. Zie hierover E.M.H. Hirsch Ballin, De Koning. Continuïteit en perspectief van het Nederlandse koningschap. Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2013, p. 10.
  6. De toenmalige Nijmeegse hoogleraar staatsrecht F.J.F.M. Duynstee hield daarover een “radiopraatje”, getiteld “De betekenis en symboliek van de inhuldiging in vroeger tijd en nu, hier en elders”, dat te beluisteren en te lezen is op http://www.ru.nl/cpg/blogs-rubrieken/weblog-'/7-radiopraatje/. Zie verder A.I. Wierdsma, The Meaning of a State Ceremony. The Inauguration (1814-]980) as Ritual of Civil Religion in the Netherlands, in: The Netherlands Journal of Sociology 2005, vol. 23, no. 1, pp. 31-44.
  7. Hirsch Ballin, o.c., p. 12-16.
  8. Al deze proclamaties zijn gepubliceerd in Staatscourant 1813, nr. 2. Zie over de bedenkingen van de prins tegen een constitutioneel beperkte “soevereiniteit” P.L.G. van Velzen, De ongekende ministeriële verantwoordelijkheid, theorie en praktijk 1813-1840, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2005, pp. 54-60.
  9. Dit zijn er dus drie minder dan de huidige twaalf provincies. Limburg behoorde nog niet tot de Vereenigde Nederlanden, Holland was één provincie, en de huidige provincie Flevoland was op twee eilanden na water (de Zuiderzee).
  10. Artikel 53 van de Grondwet van 1815.
  11. Artikel 54 van de Grondwet van 1815.
  12. Kamerstukken II 1980-1981, 16034 (R1138), nr. 9, p. 21.
  13. Rijkswet van 27 februari 1992, Stb. 121.
  14. Kamerstukken II 1988-1989, 21209 (R 1373), nr. 3, p. 2.
  15. Rijkswet van 27 februari 1992, Stb. 1992, 120.
  16. Zie art. 54 van de Grondwet van 1972.
  17. Kamerstukken II 1989/190, 21 209 (R 1373), nr. 6, p. 1/2.
  18. Aanhangsel Handelingen I 2012/13, nr. 2.
  19. Hirsch Ballin, o.c., p. 71.
  20. Kamerstukken II 1979/80, 16 034 (R 1138), nr. 3, p. 11 (Nng II, p. 17).
  21. Zie art. 30 van de Grondwet van 1814.
  22. Kamerstukken II 1979/80, 16 034 (R 1138), nr. 3, p. 11 (Nng II, p. 17).

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    E.M.H. Hirsch Ballin, Commentaar op artikel 32 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2020 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Inhuldiging Koning

De troonopvolger wordt Koning op het moment dat de oude Koning overlijdt of afstand van de troon doet. Daarvoor is geen enkel besluit en geen enkele handeling nodig. Er ontstaat dus geen onderbreking in de vervulling van het koningschap wanneer de Koning overlijdt of abdiceert.
 
De Grondwet bepaalt alleen dat de nieuwe Koning zo spoedig mogelijk nadat hij de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen, in een voor het publiek toegankelijke verenigde vergadering van de beide kamers der Staten-Generaal wordt beëdigd en ingehuldigd. De beëdiging en inhuldiging vormen dus geen voorwaarden voor de uitoefening van het koninklijk gezag door de nieuwe Koning; zij zijn van puur ceremoniële aard. Noch het koninklijk gezag, noch de ambtsplichten van Koning en Staten-Generaal hangen af van de eden, beloften en verklaringen die bij de inhuldiging worden afgelegd. Zij zijn vooral een bevestiging van de onderlinge verbondenheid van de Koning met de volkeren van het Koninkrijk. Aan een weigering door een lid van de Staten-Generaal om hieraan deel te nemen zijn geen rechtsgevolgen verbonden.
 
Dit artikel is de enige plaats in de Grondwet waar blijkt dat niet de regerings- en parlementszetel Den Haag, maar Amsterdam de hoofdstad van ons land is.

Achtergronden

Inhuldiging Koning

Frits Korthals Altes, Minister van Staat, oud-Minister van Justitie en voormalig voorzitter van de Eerste Kamer, reageert in de volkskrant op de opinies van hoogleraar Voermans en advocaat Nicolai. Hij gaat hierbij uitdrukkelijk in op de Grondwetswijziging van 1983 en historische betekenis van het afleggen van de eed.

In het onderstaande artikel analyseert professor Hirsch Ballin de relatie tussen artikel 32 van de Grondwet en relatie tussen en de maatschappelijke,ethische en politieke context. Dit artikel werd ook gepubliceerd in de Staatscourant in nummer 17/18 op pagina 9.
 

Wij, de volkeren van het Koninkrijk

De Wet beëdiging en inhuldiging van de Koning,een rijkswet ter uitvoering van artikel 32 van de Grondwet die in 1992 unaniem door Tweede en Eerste Kamer is aanvaard, sloot zoveel mogelijk aan bij de traditie. Een paar kleine wijzigingen werden desalniettemin aangebracht. Het woord ‘onderdanen’ werd vervangen door ‘alle Nederlanders en alle ingezetenen’, en de Koning legt de eed niet meer af aan ‘het Nederlandse volk’,maar aan ‘de volkeren van het Koninkrijk’. In mijn boekje De Koning analyseerde ik de relatie tussen grondwettelijke instellingen en de maatschappelijke, ethische en politieke context. Daarbij kunnen woorden een andere betekenis krijgen, wat in ons constitutionele recht nauw samenhangt met de opkomst van democratie en rechtsstaat in de negentiende en de twintigste eeuw. In 1992 zijn echter bewust andere woorden gekozen, omdat de oude niet langer bruikbaar waren. Het woord ‘onderdanen’ herinnerde te veel aan onvrije verhoudingen. De principiële gelijkwaardigheid tussen de landen van het Koninkrijk (al zijn ze zeer verschillend van grootte en sociaaleconomische structuur) bracht mee dat niet langer van (enkel) ‘het Nederlandse volk’ kon worden gesproken: dat begrip wordt immers slechts met het Europese deel van het Koninkrijk geassocieerd. De Caribische volkeren van het Koninkrijk, in het inhuldigingsritueel vertegenwoordigd door hun eigen gekozen volksvertegenwoordigers, hebben naast het Nederlandse volk een gelijkwaardige plaats. Toch zijn ook zij Nederlanders: het Koninkrijk heeft één staatsburgerschap, geregeld in de Rijkswet op het Nederlanderschap. Dat was in 1954, bij de totstandkoming van het Statuut, eveneens een principiële keuze. Het ritueel van de inhuldiging komt er dus op neer dat ‘wij, de volkeren van het Koninkrijk’ de nieuwe Koning ontvangen en huldigen.
Is dat allemaal niet wat verwarrend? Waarschijnlijk wel voor degenen die het begrip ‘nationale staat’
een etnische inkleuring geven. Er is een tijd geweest waarin op het Oranjehuis de claim van een
bijzondere religieuze verbondenheid werd gelegd vanuit een opvatting van Nederland als een ‘protestantse
natie’. ‘Volk’ betekent echter in een constitutioneel perspectief niet meer en niet minder dan de mensen die in één staatsverband leven. Het Koninkrijk der Nederlanden is opgebouwd uit vier deel-staatsverbanden, elk met hun eigen volksvertegenwoordigingen, en toch kennen ze als onderdelen van het overkoepelende staatsverband – het Koninkrijk der Nederlanden – een gezamenlijke nationaliteit, het Nederlanderschap. Een Arubaanse Nederlander die zich permanent hier vestigt, gaat net als genaturaliseerde Nederlanders deel uitmaken van het Nederlandse volk.
De mode van de afgelopen jaren om natie of volk met een monocultuur te identificeren, is om allerlei redenen ondeugdelijk. Ze is niet realistisch, maar ze is ook niet constitutioneel. Aan het dragen van de rechten en verplichtingen van het Nederlanderschap mogen geen andere eisen worden gesteld dan die van Grondwet en wet. De afwijzing van multiculturaliteit is ook buitengewoon on-Europees.
Europa is altijd multicultureel geweest. Sinds de tribale politieke structuren plaatsmaakten voor territoriale staten, was vrijwel elke wat grotere staat qua taal, cultuur en/of religie divers. Pas door doelgericht overheidsbeleid werd bijvoorbeeld in Frankrijk de langue d’oïl de standaardtaal. Alleen gedurende een relatief korte periode in de negentiende
en twintigste eeuw kreeg het nationalisme op veel plaatsen in Europa de overhand, met als gevolg een streven naar culturele, etnische en zelfs religieuze uniformiteit op het grondgebied van één staat. Er vond een misleidende identificatie plaats van het constitutionele natiebegrip met een etnische afgrenzing. De etnische opvatting over wie ‘echte’ burgers van hun land zijn, heeft tot leed, oorlogen en zelfs ethnic cleansing bijgedragen. In een rechtsstaat daarentegen moet niet meer – maar ook niet minder – worden verlangd dan dat iedere staatsburger zich bekwaamt om de daarbij behorende rechten en plichten te aanvaarden. Een gemeenschappelijke taal is daarvoor een belangrijk praktisch vereiste, maar tweetaligen zijn een asset.
Aan het koningschap is in de 21e-eeuwse constitutionele verhoudingen geen politieke macht meer
verbonden. De Koning is wel – als staatshoofd – degene die in woord en presentie een verbindende kracht vormt. Aan die verbindende kracht zou dramatisch tekort worden gedaan door het koningschap op één volk te fixeren. Het is interessant te zien dat dit ook helemaal niet hoeft. De Koningin staat in de Caribische delen enorm in aanzien, net
als het aanstaande koninklijk paar. De verbindende kracht van het koningschap is in mijn ogen niet alleen een interne gelegenheid. Bij staatsbezoeken en talloze andere gelegenheden  waaronder alles wat zich in de internationale juridische vestigingsplaats Den Haag afspeelt – gaat de Koning verbindingen aan met de grote wereld waarin Nederlanders thuis zijn. Dat kan ook in de toekomst geen probleem zijn, met een koningspaar dat zich – met het grootste gemak – naast het Nederlands van wereldtalen bedient. En wie aan de diepgewortelde Nederlandse betrokkenheid bij de wereld twijfelt, moet nog maar een keer het Wilhelmus zingen, het volkslied waarvan het eerste couplet vier geografische termen bevat (Nassau, Duits, Oranje en Spanje) die allemaal over de grens wijzen.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Inhuldiging Koning

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Inhuldiging Koning

Over dit artikel zijn ons geen belangrijke en ‘klassieke’ rechterlijke uitspraken bekend.

Recente rechtspraak

Inhuldiging Koning

Over dit artikel zijn ons geen recente rechterlijke uitspraken bekend.

Politiek

Inhuldiging Koning

De SP-Kamerleden Bashir en Karabulut hebben aangekondigd bij de inhuldiging van Koning Willem-Alexander geen trouw te zullen zweren. De voornaamste reden voor de weigering van de Kamerleden is dat zij reeds een eed hebben afgelegd bij hun ambtstaanvaarding als lid van deTweede Kamer. Ook de leden van de Eerste en Tweede Kamer namens de Partij voor de Dieren achten de eed die is afgelegd voor de ambstaanvaarding toereikend. 



  

Video
Blogs
IN DE WERELD
Video

Inhuldiging Koning

  • Troonwisseling van Koning Albert naar Koning Filip (2013)
  • Samenvatting inhuldiging Koning Willem-Alexander
  • Coronation Elizabeth III
  • Inhuldiging Juliana
  • Inhuldiging Koningin Beatrix
  • Inhuldiging van Koningin Wilhelmina
Troonwisseling van Koning Albert naar Koning Filip (2013)
Blogs

Inhuldiging Koning

Volgens de Leidse hoogleraar Staatsrecht Wim Voermans zijn leden van de Eerste - en Tweede Kamer Grondwettelijk niet verplicht trouw te zweren aan de Koning.
 
Historicus Jan Dirk Snel betoogt, in tegenstelling tot Voermans, dat de bepaling over de eed van Kamerleden aan de Koning nooit geschrapt is.

Hoogleraar Staatsrecht Jurgens, oud lid van de Eerste - én Tweede Kamer, schrijft dat de inhuldigingseed van leden der Staten-generaal 'potsierlijk' is.

Lees hier de reactie op het betoog van hoogleraar Jurgens van CDA-kamerlid Madeleine van Toorenburg.

Bestuursrechtadvocaat Peter Nicolai schrijft in de Volkskrant dat Kamerleden niet verplicht zijn de eed aan de Koning af te leggen, maar roept hen op wel aanwezig te zijn bij de plechtigheid. 

Minister van Staat, oud-Minister van Justitie en voormalig voorzitter van de Eerste Kamer reageert in de volkskrant op de opinies van hoogleraar Voermans en advocaat Nicolai.


 
 

In de wereld

Inhuldiging Koning