CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • G. Leenknegt
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • A.A.L. Beers en K.T. Meijer
  • B.C. van Beers
  • B.M.J. van der Meulen
  • B.P. Vermeulen
  • B.W.N. de Waard
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • E.J. Janse de Jonge
  • E.J. Koops
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • F. Fleurke
  • F.C.M.A. Michiels
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx en A.C.M. Meuwese
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard en J. Uzman
  • G. Leenknegt
  • G. Overkleeft-Verburg
  • G. van der Schyff en B.M.J. van der Meulen
  • J. Kiewiet en G.F.M. van der Tang †
  • J. Uzman
  • J. Uzman en G. Boogaard
  • J.C.A. de Poorter
  • J.L.M. Gribnau en M.R.T Pauwels
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • J.W.A. Fleuren
  • K.T. Meijer
  • M. Adams
  • Mijke Houwerzijl & Nuna Zekic
  • Mijke Houwerzijl en Frank Vlemminx
  • P. Jacobs
  • S. Daniëls
  • S. Jellinghaus en E. Huisman
  • S.C. van Bijsterveld
  • S.C. van Bijsterveld en B.P. Vermeulen
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • T. Kooijmans
  • T. Peters
  • W. van der Woude
  • W.J.M. Voermans
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

HOOFDSTUK 1

Grondrechten

INLEIDING

Artikel 1 - Gelijke behandeling

Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Artikel 2 - Nederlandschap en vreemdelingen

  1. De wet regelt wie Nederlander is.
  2. De wet regelt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen.
  3. Uitlevering kan slechts geschieden krachtens verdrag. Verdere voorschriften omtrent uitlevering worden bij de wet gegeven.
  4. Ieder heeft het recht het land te verlaten, behoudens in de gevallen, bij de wet bepaald.

Artikel 3 - Gelijke benoembaarheid

Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.

Artikel 4 - Kiesrecht

Iedere Nederlander heeft gelijkelijk recht de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen alsmede tot lid van deze organen te worden verkozen, behoudens bij de wet gestelde beperkingen en uitzonderingen.

Artikel 5 - Petitierecht

Ieder heeft het recht verzoeken schriftelijk bij het bevoegd gezag in te dienen.

Artikel 6 - Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging

  1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 7 - Vrijheid van meningsuiting

  1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- of televisieuitzending.
  3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar regelen ter bescherming van de goede zeden.
  4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.

Artikel 8 - Recht tot vereniging

Het recht tot vereniging wordt erkend. Bij de wet kan dit recht worden beperkt in het belang van de openbare orde.

Artikel 9 - Recht tot vergadering en betoging

  1. Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 10 - Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer

  1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.
  2. De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens.
  3. De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.

Artikel 11 - Onaantastbaarheid van het lichaam

Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.

Artikel 12 - Binnentreden woning

  1. Het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen.
  2. Voor het binnentreden overeenkomstig het eerste lid zijn voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden vereist, behoudens bij de wet gestelde uitzonderingen.
  3. Aan de bewoner wordt zo spoedig mogelijk een schriftelijk verslag van het binnentreden verstrekt. Indien het binnentreden in het belang van de nationale veiligheid of dat van de strafvordering heeft plaatsgevonden, kan volgens bij de wet te stellen regels de verstrekking van het verslag worden uitgesteld. In de bij de wet te bepalen gevallen kan de verstrekking achterwege worden gelaten, indien het belang van de nationale veiligheid zich tegen verstrekking blijvend verzet.

Artikel 13 - Vertrouwelijke communicatie

  1. Het briefgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, op last van de rechter.
  2. Het telefoon- en telegraafgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, door of met machtiging van hen die daartoe bij de wet zijn aangewezen.

Artikel 14 - Onteigening

  1. Onteigening kan alleen geschieden in het algemeen belang en tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander naar bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.
  2. De schadeloosstelling behoeft niet vooraf verzekerd te zijn, wanneer in geval van nood onverwijld onteigening geboden is.
  3. In de gevallen bij of krachtens de wet bepaald bestaat recht op schadeloosstelling of tegemoetkoming in de schade, indien in het algemeen belang eigendom door het bevoegd gezag wordt vernietigd of onbruikbaar gemaakt of de uitoefening van het eigendomsrecht wordt beperkt.

Artikel 15 - Vrijheidsontneming

  1. Buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen.
  2. Hij aan wie anders dan op rechterlijk bevel zijn vrijheid is ontnomen, kan aan de rechter zijn invrijheidstelling verzoeken. Hij wordt in dat geval door de rechter gehoord binnen een bij de wet te bepalen termijn. De rechter gelast de onmiddellijke invrijheidstelling, indien hij de vrijheidsontneming onrechtmatig oordeelt.
  3. De berechting van hem aan wie met het oog daarop zijn vrijheid is ontnomen, vindt binnen een redelijke termijn plaats.
  4. Hij aan wie rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, kan worden beperkt in de uitoefening van grondrechten voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt.

Artikel 16 - Nulla poena

Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.

Artikel 17 - Wettelijk toegekende rechter

Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent.

Artikel 18 - Rechtsbijstand

  1. Ieder kan zich in rechte en in administratief beroep doen bijstaan.
  2. De wet stelt regels omtrent het verlenen van rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen.

Artikel 19 - Werkgelegenheid en arbeidskeuze

  1. Bevordering van voldoende werkgelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de rechtspositie van hen die arbeid verrichten en omtrent hun bescherming daarbij, alsmede omtrent medezeggenschap.
  3. Het recht van iedere Nederlander op vrije keuze van arbeid wordt erkend, behoudens de beperkingen bij of krachtens de wet gesteld.

Artikel 20 - Bestaanszekerheid

  1. De bestaanszekerheid der bevolking en spreiding van welvaart zijn voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de aanspraken op sociale zekerheid.
  3. Nederlanders hier te lande, die niet in het bestaan kunnen voorzien, hebben een bij de wet te regelen recht op bijstand van overheidswege.

Artikel 21 - Milieubescherming

De zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu.

Artikel 22 - Volksgezondheid en woongelegenheid

  1. De overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid.
  2. Bevordering van voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  3. Zij schept voorwaarden voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding.

Artikel 23 - Onderwijs

  1. Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.
  2. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.
  3. Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld.
  4. In elke gemeente wordt van overheidswege voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal openbare scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven, al dan niet in een openbare school.
  5. De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.
  6. Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.
  7. Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.
  8. De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten-Generaal.
HOOFDSTUK 2

Regering INLEIDING

Artikel 24 - Koningschap

Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau.

Artikel 25 - Erfopvolging

Het koningschap gaat bij overlijden van de Koning krachtens erfopvolging over op zijn wettige nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft, met plaatsvervulling volgens dezelfde regel. Bij gebreke van eigen nakomelingen gaat het koningschap op gelijke wijze over op de wettige nakomelingen eerst van zijn ouder, dan van zijn grootouder, in de lijn van erfopvolging, voor zover de overleden Koning niet verder bestaand dan in de derde graad van bloedverwantschap.

Artikel 26 - Status ongeboren kind Koning

Het kind, waarvan een vrouw zwanger is op het ogenblik van het overlijden van de Koning, wordt voor de erfopvolging als reeds geboren aangemerkt. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

Artikel 27 - Afstand koningschap

Afstand van het koningschap leidt tot erfopvolging overeenkomstig de regels in de voorgaande artikelen gesteld. Na de afstand geboren kinderen en hun nakomelingen zijn van de erfopvolging uitgesloten.

Artikel 28 - Afstand koningschap door huwelijk

  1. De Koning, een huwelijk aangaande buiten bij de wet verleende toestemming, doet daardoor afstand van het koningschap.
  2. Gaat iemand die het koningschap van de Koning kan beërven een zodanig huwelijk aan, dan is hij met de uit dit huwelijk geboren kinderen en hun nakomelingen van de erfopvolging uitgesloten.
  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake van een voorstel van wet, strekkende tot het verlenen van toestemming, in verenigde vergadering.

Artikel 29 - Uitsluiting troonopvolging

  1. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden daartoe nopen, kunnen bij een wet een of meer personen van de erfopvolging worden uitgesloten.

  2. Het voorstel daartoe wordt door of vanwege de Koning ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 30 - Benoemde Koning

  1. Wanneer vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal ontbreken, kan deze worden benoemd bij een wet. Het voorstel wordt door of vanwege de Koning ingediend. Na de indiening van het voorstel worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  2. Indien bij overlijden van de Koning of bij afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt, worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers komen binnen vier maanden na het overlijden of de afstand in verenigde vergadering bijeen ten einde te besluiten omtrent de benoeming van een Koning. Zij kunnen een opvolger alleen benoemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 31 - Erfopvolging benoemde koning

  1. Een benoemde Koning kan krachtens erfopvolging alleen worden opgevolgd door zijn wettige nakomelingen.

  2. De bepalingen omtrent de erfopvolging en het eerste lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op een benoemde opvolger, zolang deze nog geen Koning is.

Artikel 32 - Inhuldiging Koning

Nadat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen, wordt hij zodra mogelijk beëdigd en ingehuldigd in de hoofdstad Amsterdam in een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Hij zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt. De wet stelt nadere regels vast.

Artikel 33 - Koningschap en meerderjarigheid

De Koning oefent het koninklijk gezag eerst uit, nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

Artikel 34 - Ouderlijk gezag minderjarige Koning

De wet regelt het ouderlijk gezag en de voogdij over de minderjarige Koning en het toezicht daarop. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 35 - Buiten staat verklaring

  1. Wanneer de ministerraad van oordeel is dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, bericht hij dit onder overlegging van het daartoe gevraagde advies van de Raad van State aan de Staten-Generaal, die daarop in verenigde vergadering bijeenkomen.

  2. Delen de Staten-Generaal dit oordeel, dan verklaren zij dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen. Deze verklaring wordt bekend gemaakt op last van de voorzitter der vergadering en treedt terstond in werking.

  3. Zodra de Koning weer in staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, wordt dit bij de wet verklaard. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Terstond na de bekendmaking van deze wet hervat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag.

  4. De wet regelt zo nodig het toezicht over de persoon van de Koning indien hij buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 36 - Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag

De Koning kan de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk neerleggen en die uitoefening hervatten krachtens een wet, waarvan het voorstel door of vanwege hem wordt ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 37 - Uitoefening koninklijk gezag door regent

  1. Het koninklijk gezag wordt uitgeoefend door een regent:
    a. zolang de Koning de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt;
    b. indien een nog niet geboren kind tot het koningschap geroepen kan zijn;
    c. indien de Koning buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen;
    d. indien de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk heeft neergelegd;
    e. zolang na het overlijden van de Koning of na diens afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt.

  2. De regent wordt benoemd bij de wet. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  3. In de gevallen, genoemd in het eerste lid onder c en d, is de nakomeling van de Koning die zijn vermoedelijke opvolger is, van rechtswege regent indien hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

  4. De regent zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt, in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal. De wet geeft nadere regels omtrent het regentschap en kan voorzien in de opvolging en de vervanging daarin. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  5. Op de regent zijn de artikelen 35 en 36 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38 - Uitoefening koninklijk gezag door RvS

Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk gezag is voorzien, wordt dit uitgeoefend door de Raad van State.

Artikel 39 - Lidmaatschap koninklijk huis

De wet regelt, wie lid is van het koninklijk huis.

Artikel 40 - Uitkering koninklijk huis

  1. De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het Rijk uitkeringen naar regels bij de wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het koninklijk huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen.

  2. De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, zijn vrij van persoonlijke belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of zijn vermoedelijke opvolger krachtens erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van het koninklijk huis vrij van de rechten van successie, overgang en schenking. Verdere vrijdom van belasting kan bij de wet worden verleend.

  3. De kamers der Staten-Generaal kunnen voorstellen van in de vorige leden bedoelde wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 41 - Inrichting huis Koning

De Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis in.

Artikel 42 - Ministeriële verantwoordelijkheid

  1. De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.

  2. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.

Artikel 43 - Regering en ministers

De minister-president en de overige ministers worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.

Artikel 44 - Ministeries

  1. Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.

  2. Ook kunnen ministers worden benoemd die niet belast zijn met de leiding van een ministerie.

Artikel 45 - Ministerraad

  1. De ministers vormen te zamen de ministerraad.

  2. De minister-president is voorzitter van de ministerraad.

  3. De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid.

Artikel 46 - Staatssecretarissen

  1. Bij koninklijk besluit kunnen staatssecretarissen worden benoemd en ontslagen.

  2. Een staatssecretaris treedt in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister.

Artikel 47 - Ondertekening en contraseign

Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.

Artikel 48 - Ontslag en benoeming ministers

Het koninklijk besluit waarbij de minister-president wordt benoemd, wordt mede door hem ondertekend. De koninklijke besluiten waarbij de overige ministers en de staatssecretarissen worden benoemd of ontslagen, worden mede door de minister-president ondertekend.

Artikel 49 - Ambtseed minister en staatssecretaris

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de ministers en de staatssecretarissen bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.
HOOFDSTUK 3

Staten-Generaal INLEIDING

Artikel 50 - Vertegenwoordiging

De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk.

Artikel 51 - Eerste en Tweede Kamer

  1. De Staten-Generaal bestaan uit de Tweede Kamer en de Eerste Kamer.

  2. De Tweede Kamer bestaat uit honderdvijftig leden.

  3. De Eerste Kamer bestaat uit vijfenzeventig leden.

  4. Bij een verenigde vergadering worden de kamers als één beschouwd.

Artikel 52 - Zittingsduur

  1. De zittingsduur van beide kamers is vier jaren.
  2. Indien voor de provinciale staten bij de wet een andere zittingsduur dan vier jaren wordt vastgesteld, wordt daarbij de zittingsduur van de Eerste Kamer in overeenkomstige zin gewijzigd.

Artikel 53 - Evenredige vertegenwoordiging

  1. De leden van beide kamers worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  2. De verkiezingen worden gehouden bij geheime stemming.

Artikel 54 - Verkiezing Tweede Kamer

  1. De leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen ten aanzien van Nederlanders die geen ingezetenen zijn.

  2. Van het kiesrecht is uitgesloten hij die wegens het begaan van een daartoe bij de wet aangewezen delict bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste een jaar en hierbij tevens is ontzet van het kiesrecht.

Artikel 55 - Verkiezing Eerste Kamer

De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten. De verkiezing wordt, behoudens in geval van ontbinding der kamer, gehouden binnen drie maanden na de verkiezing van de leden van provinciale staten.

Artikel 56 - Vereisten voor lidmaatschap

Om lid van de Staten-Generaal te kunnen zijn is vereist dat men Nederlander is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.

Artikel 57 - Incompatibiliteiten

  1. Niemand kan lid van beide kamers zijn.

  2. Een lid van de Staten-Generaal kan niet tevens zijn minister, staatssecretaris, lid van de Raad van State, lid van de Algemene Rekenkamer, Nationale ombudsman of substituut-ombudsman, of lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij de Hoge Raad.

  3. Niettemin kan een minister of staatssecretaris, die zijn ambt ter beschikking heeft gesteld, dit ambt verenigen met het lidmaatschap van de Staten-Generaal, totdat omtrent die beschikbaarstelling is beslist.

  4. De wet kan ten aanzien van andere openbare betrekkingen bepalen dat zij niet gelijktijdig met het lidmaatschap van de Staten-Generaal of van een der kamers kunnen worden uitgeoefend.

Artikel 57a - Zwangerschap en ziekte

De wet regelt de tijdelijke vervanging van een lid van de Staten-Generaal wegens zwangerschap en bevalling, alsmede wegens ziekte.

Artikel 58 - Geloofsbrieven

Elke kamer onderzoekt de geloofsbrieven van haar nieuwbenoemde leden en beslist met inachtneming van bij de wet te stellen regels de geschillen welke met betrekking tot de geloofsbrieven of de verkiezing zelf rijzen.

Artikel 59 - Kiesrecht en verkiezingen

Alles, wat verder het kiesrecht en de verkiezingen betreft, wordt bij de wet geregeld.

Artikel 60 - Ambtsaanvaarding

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de leden van de kamers bij de aanvaarding van hun ambt in de vergadering een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

Artikel 61 - Voorzitter en griffier

  1. Elk der kamers benoemt uit de leden een voorzitter.

  2. Elk der kamers benoemt een griffier. Deze en de overige ambtenaren van de kamers kunnen niet tevens lid van de Staten-Generaal zijn.

Artikel 62 - Verenigde vergadering

De voorzitter van de Eerste Kamer heeft de leiding van de verenigde vergadering.

Artikel 63 - Geldelijke voorzieningen

Geldelijke voorzieningen ten behoeve van leden en gewezen leden van de Staten-Generaal en van hun nabestaanden worden bij de wet geregeld. De kamers kunnen een voorstel van wet ter zake alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 64 - Ontbinding Kamers

  1. Elk der kamers kan bij koninklijk besluit worden ontbonden.

  2. Het besluit tot ontbinding houdt tevens de last in tot een nieuwe verkiezing voor de ontbonden kamer en tot het samenkomen van de nieuw gekozen kamer binnen drie maanden.

  3. De ontbinding gaat in op de dag waarop de nieuw gekozen kamer samenkomt.

  4. De wet stelt de zittingsduur van een na ontbinding optredende Tweede Kamer vast; de termijn mag niet langer zijn dan vijf jaren. De zittingsduur van een na ontbinding optredende Eerste Kamer eindigt op het tijdstip waarop de zittingsduur van de ontbonden kamer zou zijn geëindigd.

Artikel 65 - Troonrede

Jaarlijks op de derde dinsdag van september of op een bij de wet te bepalen eerder tijdstip wordt door of namens de Koning in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal een uiteenzetting van het door de regering te voeren beleid gegeven.

Artikel 66 - Openbaarheid vergaderingen

  1. De vergaderingen van de Staten-Generaal zijn openbaar.

  2. De deuren worden gesloten, wanneer een tiende deel van het aantal aanwezige leden het vordert of de voorzitter het nodig oordeelt.

  3. Door de kamer, onderscheidenlijk de kamers in verenigde vergadering, wordt vervolgens beslist of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd en besloten.

Artikel 67 - Quorum

  1. De kamers mogen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering alleen beraadslagen of besluiten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden ter vergadering aanwezig is.

  2. Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen.

  3. De leden stemmen zonder last.

  4. Over zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, wanneer één lid dit verlangt.

Artikel 68 - Inlichtingenplicht bewindslieden

De ministers en de staatssecretarissen geven de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat.

Artikel 69 - Aanwezigheid bewindslieden

  1. De ministers en de staatssecretarissen hebben toegang tot de vergaderingen en kunnen aan de beraadslaging deelnemen.

  2. Zij kunnen door de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn.

  3. Zij kunnen zich in de vergaderingen doen bijstaan door de personen, daartoe door hen aangewezen.

Artikel 70 - Recht van enquête

Beide kamers hebben, zowel ieder afzonderlijk als in verenigde vergadering, het recht van onderzoek (enquête), te regelen bij de wet.

Artikel 71 - Parlementaire onschendbaarheid

De leden van de Staten-Generaal, de ministers, de staatssecretarissen en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging, kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergaderingen van de Staten-Generaal of van commissies daaruit hebben gezegd of aan deze schriftelijk hebben overgelegd.

Artikel 72 - Reglement van orde

De kamers stellen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering een reglement van orde vast.

HOOFDSTUK 4

Adviesorganen INLEIDING

Artikel 73 - Taak Raad van State

  1. De Raad van State of een afdeling van de Raad wordt gehoord over voorstellen van wet en ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur, alsmede over voorstellen tot goedkeuring van verdragen door de Staten-Generaal. In bij de wet te bepalen gevallen kan het horen achterwege blijven.

  2. De Raad of een afdeling van de Raad is belast met het onderzoek van de geschillen van bestuur die bij koninklijk besluit worden beslist en draagt de uitspraak voor.

  3. De wet kan aan de Raad of een afdeling van de Raad de uitspraak in geschillen van bestuur opdragen.

Artikel 74 - Rechtspositie leden

  1. De Koning is voorzitter van de Raad van State. De vermoedelijke opvolger van de Koning heeft na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar van rechtswege zitting in de Raad. Bij of krachtens de wet kan aan andere leden van het koninklijk huis zitting in de Raad worden verleend.

  2. De leden van de Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  3. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  4. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Raad worden geschorst of ontslagen.

  5. De wet regelt overigens hun rechtspositie

Artikel 75 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Raad van State.

  2. Bij de wet kunnen aan de Raad of een afdeling van de Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 76 - Algemene rekenkamer

De Algemene Rekenkamer is belast met het onderzoek van de ontvangsten en uitgaven van het Rijk.

Artikel 77 - Rechtpositie leden rekenkamer

  1. De leden van de Algemene Rekenkamer worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Hoge Raad worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 78 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Algemene Rekenkamer.

  2. Bij de wet kunnen aan de Algemene Rekenkamer ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 78a - Nationale ombudsman

  1. De Nationale ombudsman verricht op verzoek of uit eigen beweging onderzoek naar gedragingen van bestuursorganen van het Rijk en van andere bij of krachtens de wet aangewezen bestuursorganen.
  2. De Nationale ombudsman en een substituut-ombudsman worden voor een bij de wet te bepalen termijn benoemd door de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Tweede Kamer der Staten-Generaal worden geschorst of ontslagen. De wet regelt overigens hun rechtspositie.
  3. De wet regelt de bevoegdheid en werkwijze van de Nationale ombudsman.
  4. Bij of krachtens de wet kunnen aan de Nationale ombudsman ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 79 - Vaste colleges van advies

  1. Vaste colleges van advies in zaken van wetgeving en bestuur van het Rijk worden ingesteld bij of krachtens de wet.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van deze colleges.

  3. Bij of krachtens de wet kunnen aan deze colleges ook andere dan adviserende taken worden opgedragen.

Artikel 80 - Openbaarmaking advies

  1. De adviezen van de in dit hoofdstuk bedoelde colleges worden openbaar gemaakt volgens regels bij de wet te stellen.

  2. Adviezen, uitgebracht ter zake van voorstellen van wet die door of vanwege de Koning worden ingediend, worden, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen, aan de Staten-Generaal overgelegd.

HOOFDSTUK 5

Wetgeving en bestuur INLEIDING

Artikel 81 - Wetgevende macht

De vaststelling van wetten geschiedt door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk.

Artikel 82 - Indienen wetsvoorstel

  1. Voorstellen van wet kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Voorstellen van wet waarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en, voor zover de betreffende artikelen van hoofdstuk 2 dit toelaten, door de verenigde vergadering.

  3. Voorstellen van wet, in te dienen door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering, worden bij haar door een of meer leden aanhangig gemaakt.

Artikel 83 - Toezending wetsvoorstel TK

Voorstellen van wet, ingediend door of vanwege de Koning, worden gezonden aan de Tweede Kamer of, indien daarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, aan deze vergadering.

Artikel 84 - Wijziging wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet, ingediend door of vanwege de Koning, niet door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering is aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en vanwege de regering worden gewijzigd.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden gewijzigd.

Artikel 85 - Toezending wetsvoorstel EK

Zodra de Tweede Kamer een voorstel van wet heeft aangenomen of tot indiening van een voorstel heeft besloten, zendt zij het aan de Eerste Kamer, die het voorstel overweegt zoals het door de Tweede Kamer aan haar is gezonden. De Tweede Kamer kan een of meer van haar leden opdragen een door haar ingediend voorstel in de Eerste Kamer te verdedigen.

Artikel 86 - Intrekking wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet niet door de Staten-Generaal is aangenomen, kan het door of vanwege de indiener worden ingetrokken.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden ingetrokken.

Artikel 87 - Aanneming en bekrachtiging

  1. Een voorstel wordt wet, zodra het door de Staten-Generaal is aangenomen en door de Koning is bekrachtigd.

  2. De Koning en de Staten-Generaal geven elkaar kennis van hun besluit omtrent enig voorstel van wet.

Artikel 88 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de wetten. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 89 - Algemene maatregel van bestuur

  1. Algemene maatregelen van bestuur worden bij koninklijk besluit vastgesteld.

  2. Voorschriften, door straffen te handhaven, worden daarin alleen gegeven krachtens de wet. De wet bepaalt de op te leggen straffen.

  3. De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de algemene maatregelen van bestuur. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

  4. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op andere vanwege het Rijk vastgestelde algemeen verbindende voorschriften.

Artikel 90 - Bevordering internationale rechtsorde

De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde.

Artikel 91 - Goedkeuring verdrag

  1. Het Koninkrijk wordt niet aan verdragen gebonden en deze worden niet opgezegd zonder voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. De wet bepaalt de gevallen waarin geen goedkeuring is vereist.

  2. De wet bepaalt de wijze waarop de goedkeuring wordt verleend en kan voorzien in stilzwijgende goedkeuring.

  3. Indien een verdrag bepalingen bevat welke afwijken van de Grondwet dan wel tot zodanig afwijken noodzaken, kunnen de kamers de goedkeuring alleen verlenen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 92 - Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties

Met inachtneming, zo nodig, van het bepaalde in artikel 91, derde lid, kunnen bij of krachtens verdrag aan volkenrechtelijke organisaties bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak worden opgedragen.

Artikel 93 - Verbindende kracht verdrag

Bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 94 - Verdrag boven wet

Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 95 - Bekendmaking verdrag

De wet geeft regels omtrent de bekendmaking van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 96 - Oorlogsverklaring

  1. Het Koninkrijk wordt niet in oorlog verklaard dan na voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal.

  2. De toestemming is niet vereist, wanneer het overleg met de Staten-Generaal ten gevolge van een feitelijk bestaande oorlogstoestand niet mogelijk is gebleken.

  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  4. Het bepaalde in het eerste en het derde lid is van overeenkomstige toepassing voor een verklaring dat een oorlog beëindigd is.

Artikel 97 - Krijgsmacht

  1. Ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk, alsmede ten behoeve van de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde, is er een krijgsmacht.

  2. De regering heeft het oppergezag over de krijgsmacht.

Artikel 98 - Samenstelling krijgsmacht

  1. De krijgsmacht bestaat uit vrijwillig dienenden en kan mede bestaan uit dienstplichtigen.

  2. De wet regelt de verplichte militaire dienst en de bevoegdheid tot opschorting van de oproeping in werkelijke dienst.

Artikel 99 - Gewetensbezwaren militaire dienst

De wet regelt vrijstelling van militaire dienst wegens ernstige gewetensbezwaren.

Artikel 99a - Civiele verdediging

Volgens bij de wet te stellen regels kunnen plichten worden opgelegd ten behoeve van de civiele verdediging.

Artikel 100 - Inlichtingen over krijgsmacht

  1. De regering verstrekt de Staten-Generaal vooraf inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. Daaronder is begrepen het vooraf verstrekken van inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht voor humanitaire hulpverlening in geval van gewapend conflict.

  2. Het eerste lid geldt niet, indien dwingende redenen het vooraf verstrekken van inlichtingen verhinderen. In dat geval worden inlichtingen zo spoedig mogelijk verstrekt.

Artikel 101 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 20 juli 1995

Artikel 102 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 22 juni 2000

Artikel 103 - Uitzonderingstoestand

  1. De wet bepaalt in welke gevallen ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid bij koninklijk besluit een door de wet als zodanig aan te wijzen uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd; zij regelt de gevolgen.

  2. Daarbij kan worden afgeweken van de grondwetsbepalingen inzake de bevoegdheden van de besturen van provincies, gemeenten en waterschappen, van de grondrechten geregeld in de artikelen 6, voor zover dit de uitoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen van het in dit artikel omschreven recht betreft, 7, 8, 9, 12, tweede en derde lid, en 13, alsmede van artikel 113, eerste en derde lid.

  3. Terstond na de afkondiging van een uitzonderingstoestand en voorts, zolang deze niet bij koninklijk besluit is opgeheven, telkens wanneer zij zulks nodig oordelen beslissen de Staten-Generaal omtrent het voortduren daarvan; zij beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 104 - Belastingheffing

Belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet. Andere heffingen van het Rijk worden bij de wet geregeld.

 
 

Artikel 105 - Recht van begroting

  1. De begroting van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt bij de wet vastgesteld.

  2. Jaarlijks worden voorstellen van algemene begrotingswetten door of vanwege de Koning ingediend op het in artikel 65 bedoelde tijdstip.

  3. De verantwoording van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt aan de Staten-Generaal gedaan overeenkomstig de bepalingen van de wet. De door de Algemene Rekenkamer goedgekeurde rekening wordt aan de Staten-Generaal overgelegd.

  4. De wet stelt regels omtrent het beheer van de financiën van het Rijk.

Artikel 106 - Geldstelsel

De wet regelt het geldstelsel.

Artikel 107 - Codificatie

  1. De wet regelt het burgerlijk recht, het strafrecht en het burgerlijk en strafprocesrecht in algemene wetboeken, behoudens de bevoegdheid tot regeling van bepaalde onderwerpen in afzonderlijke wetten.

  2. De wet stelt algemene regels van bestuursrecht vast.

Artikel 108 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 25 februari 1999

Artikel 109 - Rechtspositie ambtenaren

De wet regelt de rechtspositie van de ambtenaren. Zij stelt tevens regels omtrent hun bescherming bij de arbeid en omtrent medezeggenschap.

 

Artikel 110 - Openbaarheid van bestuur

De overheid betracht bij de uitvoering van haar taak openbaarheid volgens regels bij de wet te stellen.

 

Artikel 111 - Ridderorden

Ridderorden worden bij de wet ingesteld.
HOOFDSTUK 6

Rechtspraak INLEIDING

Artikel 112 - Civiele en administratieve rechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is opgedragen de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen.

  2. De wet kan de berechting van geschillen die niet uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, opdragen hetzij aan de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren. De wet regelt de wijze van behandeling en de gevolgen van de beslissingen.

Artikel 113 - Strafrechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van strafbare feiten.

  2. Tuchtrechtspraak door de overheid ingesteld wordt bij de wet geregeld.

  3. Een straf van vrijheidsontneming kan uitsluitend door de rechterlijke macht worden opgelegd.

  4. Voor berechting buiten Nederland en voor het oorlogsstrafrecht kan de wet afwijkende regels stellen.

Artikel 114 - Doodstraf

De doodstraf kan niet worden opgelegd.

Artikel 115 - Administratief beroep

Ten aanzien van de in artikel 112, tweede lid, bedoelde geschillen kan administratief beroep worden opengesteld.

Artikel 116 - Rechterlijke macht

  1. De wet wijst de gerechten aan die behoren tot de rechterlijke macht.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de rechterlijke macht.

  3. De wet kan bepalen, dat aan rechtspraak door de rechterlijke macht mede wordt deelgenomen door personen die niet daartoe behoren.

  4. De wet regelt het toezicht door leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast uit te oefenen op de ambtsvervulling door zodanige leden en door de personen bedoeld in het vorige lid.

Artikel 117 - Rechtspositie leden rechterlijke macht

  1. De leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal bij de Hoge Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet bepaald kunnen zij door een bij de wet aangewezen, tot de rechterlijke macht behorend gerecht worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 118 - Hoge Raad

  1. De leden van de Hoge Raad der Nederlanden worden benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. De Hoge Raad is in de gevallen en binnen de grenzen bij de wet bepaald, belast met de cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van het recht.

  3. Bij de wet kunnen aan de Hoge Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 119 - Ambtsmisdrijven

De leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreden terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.

Artikel 120 - Toetsingsverbod

De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.

Artikel 121 - Openbaarheid terechtzittingen

Met uitzondering van de gevallen bij de wet bepaald vinden de terechtzittingen in het openbaar plaats en houden de vonnissen de gronden in waarop zij rusten. De uitspraak geschiedt in het openbaar.

Artikel 122 - Gratie

  1. Gratie wordt verleend bij koninklijk besluit na advies van een bij de wet aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.

  2. Amnestie wordt bij of krachtens de wet verleend.

HOOFDSTUK 7

Decentralisatie INLEIDING

Artikel 123 - Instelling provincies en gemeenten

  1. Bij de wet kunnen provincies en gemeenten worden opgeheven en nieuwe ingesteld.

  2. De wet regelt de wijziging van provinciale en gemeentelijke grenzen.

Artikel 124 - Autonomie en medebewind

  1. Voor provincies en gemeenten wordt de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake hun huishouding aan hun besturen overgelaten.

  2. Regeling en bestuur kunnen van de besturen van provincies en gemeenten worden gevorderd bij of krachtens de wet.

Artikel 125 - Organen decentrale besturen

  1. Aan het hoofd van de provincie en de gemeente staan provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad. Hun vergaderingen zijn openbaar, behoudens bij de wet te regelen uitzonderingen.

  2. Van het bestuur van de provincie maken ook deel uit gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning, van het bestuur van de gemeente het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester.

Artikel 126 - Ambtsinstructie commissaris koning

Bij de wet kan worden bepaald, dat de commissaris van de Koning wordt belast met de uitvoering van een door de regering te geven ambtsinstructie.

Artikel 127 - Vaststelling verordening

Provinciale staten en de gemeenteraad stellen, behoudens bij de wet of door hen krachtens de wet te bepalen uitzonderingen, de provinciale onderscheidenlijk de gemeentelijke verordeningen vast.

Artikel 128 - Toekenning bevoegdheden

Behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 123, kan de toekenning van bevoegdheden, als bedoeld in artikel 124, eerste lid, aan andere organen dan die, genoemd in artikel 125, alleen door provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad geschieden.

Artikel 129 - Verkiezing vertegenwoordigend orgaan

  1. De leden van provinciale staten en van de gemeenteraad worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders, tevens ingezetenen van de provincie onderscheidenlijk de gemeente, die voldoen aan de vereisten die gelden voor de verkiezing van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Voor het lidmaatschap gelden dezelfde vereisten.
  2. De leden worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  3. De artikelen 53, tweede lid, en 59 zijn van toepassing. Artikel 57a is van overeenkomstige toepassing.
  4. De zittingsduur van provinciale staten en de gemeenteraad is vier jaren, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen.
  5. De wet bepaalt welke betrekkingen niet gelijktijdig met het lidmaatschap kunnen worden uitgeoefend. De wet kan bepalen, dat beletselen voor het lidmaatschap voortvloeien uit verwantschap of huwelijk en dat het verrichten van bij de wet aangewezen handelingen tot het verlies van het lidmaatschap kan leiden.
  6. De leden stemmen zonder last.

Artikel 130 - Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders

De wet kan het recht de leden van de gemeenteraad te kiezen en het recht lid van de gemeenteraad te zijn toekennen aan ingezetenen, die geen Nederlander zijn, mits zij tenminste voldoen aan de vereisten die gelden voor ingezetenen die tevens Nederlander zijn.

Artikel 131 - Benoeming commissaris Koning

De commissaris van de Koning en de burgemeester worden bij koninklijk besluit benoemd.

Artikel 132 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen

  1. De wet regelt de inrichting van provincies en gemeenten, alsmede de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen.

  2. De wet regelt het toezicht op deze besturen.

  3. Besluiten van deze besturen kunnen slechts aan voorafgaand toezicht worden onderworpen in bij of krachtens de wet te bepalen gevallen.

  4. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden bij koninklijk besluit wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

  5. De wet regelt de voorzieningen bij in gebreke blijven ten aanzien van regeling en bestuur, gevorderd krachtens artikel 124, tweede lid. Bij de wet kunnen met afwijking van de artikelen 125 en 127 voorzieningen worden getroffen voor het geval het bestuur van een provincie of een gemeente zijn taken grovelijk verwaarloost.

  6. De wet bepaalt welke belastingen door de besturen van provincies en gemeenten kunnen worden geheven en regelt hun financiële verhouding tot het Rijk.

Artikel 133 - Waterschappen

  1. De opheffing en instelling van waterschappen, de regeling van hun taken en inrichting, alsmede de samenstelling van hun besturen, geschieden volgens bij de wet te stellen regels bij provinciale verordening, voor zover bij of krachtens de wet niet anders is bepaald.

  2. De wet regelt de verordenende en andere bevoegdheden van de besturen van de waterschappen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen.

  3. De wet regelt het provinciale en overige toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 134 - Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

  1. Bij of krachtens de wet kunnen openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere openbare lichamen worden ingesteld en opgeheven.

  2. De wet regelt de taken en de inrichting van deze openbare lichamen, de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen. Bij of krachtens de wet kan aan hun besturen verordenende bevoegdheid worden verleend.

  3. De wet regelt het toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 135 - Gemeenschappelijke regelingen

De wet geeft regels ter voorziening in zaken waarbij twee of meer openbare lichamen zijn betrokken. Daarbij kan in de instelling van een nieuw openbaar lichaam worden voorzien, in welk geval artikel 134, tweede en derde lid, van toepassing is.

Artikel 136 - Geschillen

De geschillen tussen openbare lichamen worden bij koninklijk besluit beslist, tenzij deze behoren tot de kennisneming van de rechterlijke macht of hun beslissing bij de wet aan anderen is opgedragen.
HOOFDSTUK 8

Herziening grondwet INLEIDING

Artikel 137 - Grondwetswijziging

  1. De wet verklaart, dat een verandering in de Grondwet, zoals zij die voorstelt, in overweging zal worden genomen.

  2. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, een voorstel voor zodanige wet splitsen.

  3. Na de bekendmaking van de wet, bedoeld in het eerste lid, wordt de Tweede Kamer ontbonden.

  4. Nadat de nieuwe Tweede Kamer is samengekomen, overwegen beide kamers in tweede lezing het voorstel tot verandering, bedoeld in het eerste lid. Zij kunnen dit alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  5. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen een voorstel tot verandering splitsen.

Artikel 138 - Aanpassing niet gewijzigde bepalingen

  1. Voordat de in tweede lezing aangenomen voorstellen tot verandering in de Grondwet door de Koning worden bekrachtigd, kunnen bij de wet:

    a. de aangenomen voorstellen en de ongewijzigd gebleven bepalingen van de Grondwet voor zoveel nodig aan elkaar worden aangepast;

    b. de indeling in en de plaats van hoofdstukken, paragrafen en artikelen, alsmede de opschriften worden gewijzigd.

  2. Een voorstel van wet, houdende voorzieningen als bedoeld in het eerste lid onder a, kunnen de kamers alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 139 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De veranderingen in de Grondwet, door de Staten-Generaal aangenomen en door de Koning bekrachtigd, treden terstond in werking, nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 140 - Handhaving bestaande regelgeving

Bestaande wetten en andere regelingen en besluiten die in strijd zijn met een verandering in de Grondwet, blijven gehandhaafd, totdat daarvoor overeenkomstig de Grondwet een voorziening is getroffen.

Artikel 141 - Bekendmaking herziene Grondwet

De tekst van de herziene Grondwet wordt bij koninklijk besluit bekendgemaakt, waarbij hoofdstukken, paragrafen en artikelen kunnen worden vernummerd en verwijzingen dienovereenkomstig kunnen worden veranderd.

Artikel 142 - Aanpassing Grondwet aan Statuut

De Grondwet kan bij de wet met het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in overeenstemming worden gebracht. De artikelen 139, 140 en141 zijn van overeenkomstige toepassing.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

J.L.M. Gribnau en M.R.T Pauwels

ARTIKEL 104 - Belastingheffing

INHOUD
  1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis
  2. Het recht van belastingheffing
  3. De begrippen belastingen en andere heffingen
  4. Het delegatievraagstuk
  5. Terugwerkende kracht
  6. Betekenis van het legaliteitsbeginsel voor de burger
  7. Historisch overzicht
  8. Jurisprudentie
  9. Literatuur
 

Editie december 2015[1]

1 Historische ontwikkeling en actuele betekenis

Dit artikel vormt de grondslag voor het ontstaan van onze parlementaire democratie en heeft daarmee een lange geschiedenis. Een van de voornaamste redenen van de vorsten in de Middeleeuwen om een standen‑ of statenvergadering bijeen te roepen was het gebrek aan regelmatige en voldoende inkomsten.[2] De noodzaak om de instemming van afgevaardigden van de bevolking te vragen voor het opleggen van belastingen vinden wij reeds geformuleerd in de Magna Carta van 1215.[3] Dit voorschrift vloeide voort uit de middeleeuwse opvattingen dat de vorst, optredend als beschermer van zijn onderdanen, recht op steun van de beschermden heeft in de vorm van een geldelijke bijdrage. De landsheer vroeg dan aan de vergaderde standen om een eenmalige bijdrage, bede genaamd. Over dit verzoek kon vervolgens onderhandeld worden, waarbij door de afgevaardigden eisen konden worden gesteld ten aanzien van de wijze van heffing en de aard van de besteding van de toegestane gelden. Ook andere eisen die geen direct verband hielden met de voorgestelde belastingen konden worden geformuleerd in de vorm van petities. Inwilliging van deze eisen leidde in de loop van de tijd tot zeggenschap van de standen over de wetgeving. Vervolgens zouden de opgelegde lasten in een later stadium gelijkelijk over de landstreken worden verdeeld en dit leidde later weer tot een ontwikkeling van staatkundige versnippering naar de totstandkoming van de moderne eenheidsstaat.[4] Derhalve staat, om met Meijers[5] te spreken, de bede aan de oorsprong van de democratie. Het hier te bespreken grondwetsartikel is het resultaat van een eeuwenlange rechtsontwikkeling in Nederland en heel West‑Europa.
 
Het actuele belang van dit artikel blijkt uit de regelmatig terugkerende discussie over de snelheid en de soms gebrekkige kwaliteit van de belastingwetgeving waardoor de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid onder druk komen te staan. De partijdigheid van de wetgever bevordert een doelmatige uitvoering van de belastingwet, maar het gezag van de wet is daar niet vanzelfsprekend mee gediend. Ook de delegatie aan de lagere belastingwetgever blijft een punt van zorg. Daarnaast blijken nationale wetgevers soms onmachtig daadwerkelijk belasting te heffen. Sommige belastingplichtigen zijn in staat hun fiscale verplichtingen te omzeilen binnen de grenzen van de wet (belastingontwijking); dit ondergraaft het gezag van de wet.

2 Het recht van belastingheffing

Belastingheffing dient steeds een grondslag te hebben in wet in formele zin. Hiermee is het legaliteitsbeginsel aangegeven en kan in navolging van het bekende adagium nullum poena sine lege worden toegevoegd: nullum tributum sine lege. Het legaliteitsbeginsel is hier van groot belang aangezien belastingen als een inbreuk op het eigendomsrecht kunnen worden beschouwd.[6] Bovendien beoogt het grondwettelijke voorschrift de burgers te beschermen tegen willekeurige belastingheffing – het legaliteitsbeginsel dient de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid. Het scherpst werd het legaliteitsbeginsel geformuleerd door Van Hogendorp in zijn Schets van 1812 (artikel 53, laatste zin): `(...) en er wordt geene penning geheven buiten eene wet'. De tekst van de Grondwet van 1814 is daarentegen gebrekkig,[7] maar gelukkig kwam het legaliteitsbeginsel weer duidelijk naar voren in de tekst van de Grondwet van 1815. Het legaliteitsbeginsel draagt echter niet een statisch en onaantastbaar karakter. Dit blijkt met name uit de interpretatiemogelijkheden van de rechter. Zo zijn in het algemeen vele methoden van fiscale rechtsvinding toelaatbaar.[8] Op basis van de Grondwet van 1887 werd lange tijd de opvatting gehuldigd dat analogische interpretatie niet was toegestaan,[9] ondanks het feit dat het betreffende grondwetsartikel geen regel voor wetstoepassing beoogde te geven maar slechts een opdracht aan regering en Staten‑Generaal bevatte. Toch wordt er wel betoogd dat het legaliteitsbeginsel er niet aan in de weg staat om onder omstandigheden de wet extensief te interpreteren en dat analogie aanvaardbaar is op basis van systematisch‑teleologisch redeneren.[10] Maar vanwege de asymmetrie van de fiscale rechtsbetrekking – de Belastingdienst stelt eenzijdig de rechtspositie van de belastingplichtige vast – weegt de rechtszekerheid extra zwaar en is terughoudendheid hier op zijn plaats.[11]  Soms vult de belastingrechter een normatieve leegte op met een beroep op een ‘redelijke wetstoepassing.’ Hier bestaat nauwelijks onderscheid met een analogische toepassing.[12] Het is mogelijk dat handelen van de burger strijd met doel en strekking van de wet niet met behulp van de gebruikelijke interpretatiemethoden kan worden opgeheven. De grens van rechtmatig handelen wordt dan gevormd door fraus legis, waarbij de feiten opnieuw worden vastgesteld (herkwalificatie; zie hieronder nr. 6).
 
Naast het vraagstuk van de interpretatie zijn er nog andere ontwikkelingen die het legaliteitsbeginsel dreigen aan te tasten. Zo blijft de hoeveelheid wetgeving jaarlijks toenemen hetgeen ten koste gaat van de kwaliteit. Regelmatig is er sprake van wegwerpwetgeving. De daaruit resulterende complexiteit bedreigt de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid – die worden gediend door het legaliteitsbeginsel. Met name moet in dit verband worden gedacht aan ruim geformuleerde bepalingen in fiscale wetten die de Minister van Financiën bij de uitvoering veel armslag laten, het verschijnsel van terugwerkende kracht van wetgeving (zie hieronder nr. 5), de omvang van delegatie in belastingzaken (zie hieronder nr. 4) en de in omvang sterk toegenomen vloed van beleidsregels.[13] In het algemeen kan worden geconstateerd dat het zwaartepunt van het belastingrecht de laatste tientallen jaren te veel is verschoven naar de uitvoerende macht en dat ondanks artikel 104 Grondwet de normstellingen steeds meer door de regering plaatsvinden.[14] De (mede-)wetgever is laat zich vaak door het belang van een doelmatige uitvoering van de Belastingdienst leiden. De (mede-)wetgever is aldus partijdig waarbij het parlement te weinig tegenwicht biedt.[15] Wil de wetgever echter blijven vasthouden aan het in het hier besproken grondwetsartikel vastgelegde fiscale legaliteitsbeginsel dan is het noodzakelijk dat het parlement niet alleen bij de totstandkoming maar ook bij de uitvoering van formele wetten toeziet op de naleving van het legaliteitsbeginsel.
 
Er zijn twee soorten beleidsregels in fiscalibus te onderscheiden. Deze algemene standpuntbepalingen van de staatssecretaris van Financiën, vastgelegd in zogenaamde beleidsbesluiten, kunnen worden onderscheiden in wetsinterpreterende en goedkeurende beleidsbesluiten. De staatssecretaris schrijft de inspecteurs in wetsinterpreterende beleidsbesluiten voor welke betekenis naar zijn mening aan een wettelijke bepaling moet worden toegekend. Goedkeurende beleidsbesluiten bevatten een algemene standpuntbepaling van de staatssecretaris waarin hij naar zijn mening ten gunste van de belastingplichtigen afwijkt van de wettelijke regel. Aan de wettelijke bepaling worden – in combinatie met de daaronder geschaarde feiten – rechtsgevolgen verbonden die er met gebruik van de gangbare interpretatiemethoden eigenlijk niet onder vallen. Hier wordt het buitenwettelijk gebied betreden – buitenwettelijk maar binnen het recht (intra ius); vaak ten behoeve van een doelmatige uitvoering van de belastingwet. Regelmatig worden overigens ook beleidsregels gegeven op grond van de hardheidsclausule van artikel 63 AWR die de staatssecretaris de bevoegdheid geeft om in bepaalde gevallen aan ‘onbillijkheden van overwegende aard’ tegemoet komen.Beleidsregels zijn van groot belang voor de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid – die juist door de belastingwet zelf minder wordt gewaarborgd.[16]
 
Wat betreft de toetsing van fiscale beleidsregels kan een belangrijke rol voor de rechter zijn weggelegd nu de Hoge Raad het begrip recht in de zin van artikel 99 Wet RO zodanig heeft geïnterpreteerd dat onder deze term ook beleidsregels worden gerekend.[17] Sinds 1 januari 1998 bevat de Algemene wet bestuursrecht een regeling voor beleidsregels (artikelen 1:3, vierde lid, en 4:81 - 4:84). De Hoge Raad heeft met een beroep op het in artikel 104 vervatte legaliteitsbeginsel grenzen gesteld aan het optreden van de fiscus buiten de publiekrechtelijke wetgeving om. De Staat kan bij een onjuiste belastingaangifte niet door middel van een privaatrechtelijke vordering tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad – buiten de publiekrechtelijke regels om – de ontgane belasting innen.[18]
 
Het legaliteitsbeginsel waarborgt de wetmatigheid van het optreden van de uitvoerende macht in fiscalibus.[19]Maar de Belastingdienst dient ook te handelen in overeenstemming met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.[20] Deze aanvullende rechtsbescherming waarborgt de rechtmatigheid van dat handelen – hetgeen dus verder gaat dan het legaliteitsbeginsel eist. Dit is in het bijzonder van belang vanwege de juridische asymmetrie die kenmerkend is voor de fiscale rechtsbetrekking. De inspecteur heeft tal van eenzijdige bevoegdheden (inclusief sanctiemogelijkheden) om te komen tot een juiste vaststelling en betaling van de belastingschuld. Daartegenover staan – almaar groeiende - eenzijdige rechtsplichten van de belastingplichtige.[21]
 
Het gaat dus om de rechtmatigheid van een aanslag of beschikking. Bij de beoordeling daarvan dient de rechter – en uiteraard het bestuursorgaan zelf - dus te onderzoeken of de belastingheffende instantie is gebleven binnen de door de wet gestelde grenzen en of de wijze waarop de overheid zijn bevoegdheden heeft gehanteerd anderszins in strijd komt met het recht, doordat daarbij niet is gehandeld in overeenstemming met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.[22] Al langere tijd toetst de belastingrechter het optreden van de belastingheffende instantie aan beginselen als het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.[23]Sinds het arrest van de Hoge Raad van 23 september 2005is er in het belastingrecht aandacht gekomen voor het beginsel van ‘fair play’.[24] De laatste jaren is ook het zorgvuldigheidsbeginsel[25] aan een opmars in het belastingrecht begonnen, met name in de sfeer van de heffingsrentebeschikking.[26]

3 De begrippen belastingen en andere heffingen

De grondwetgever heeft zich nimmer gewaagd aan een nauwkeurige definiëring van de begrippen `belastingen' en `andere heffingen'.[27] Vaagheid is troef en het onderscheid is onduidelijk.[28] Reeds in de vorige eeuw waren beide begrippen voorwerp van discussie. Aanvankelijk werden de regels van het privaatrecht van toepassing verklaard op het begrip `heffingen' aangezien in de negentiende eeuw veel heffingen een wettelijke grondslag ontbeerden.[29] Aan deze opvatting lag de mening ten grondslag dat de staat zowel optrad als behartiger van een particulier belang als optrad in het algemeen belang. In dit kader werd een tegenstelling gecreëerd tussen de privaatrechtelijke en de publiekrechtelijke werkzaamheden van de overheid. In de loop van de negentiende eeuw veranderden echter de opvattingen ten aanzien van de tegenstelling tussen privaat‑ en publiekrecht en daarmee werd het publiekrechtelijke karakter van belastingen en heffingen duidelijker.[30] Hieraan dient te worden toegevoegd dat reeds Thorbecke het recht van retributie gelijkstelde aan belastingen.[31] Buijs en Oppenheim deelden Thorbecke's visie.[32] Buijs voegde hieraan bovendien toe dat naar zijn mening het in het grondwetsartikel gemaakte onderscheid op staatsrechtelijk terrein geen reden van bestaan had [33] De Hoge Raad nam dit standpunt over en is daardoor meer dan eens van gedachten veranderd over dit onderwerp.[34] Tenslotte stelde Meijers in 1949 dat zowel de wet als de geschiedenis ons niet dwingen tot het maken van het onderscheid tussen belastingen en retributies.[35]
 
In 1990 verscheen een rapport van een Commissie ter bestudering van het begrip `belastingen' van de Vereniging voor Belastingwetenschap. De naast het begrip `belastingen' bestaande overheidsheffingen zijn de laatste jaren in aantal en betekenis zo toegenomen dat een studie naar de juridische begripsvorming hieromtrent noodzakelijk bleek. De Commissie komt dan ook op basis van een grondige studie tot de conclusie dat het begrip `belastingen' ruim gedefinieerd dient te worden. De definitie van het begrip ‘belastingen' van de Commissie luidt dan ook: `Belastingen zijn betalingen die de overheid op grond van een publiekrechtelijke regeling, uitsluitend of mede ter verwerving van inkomsten door de in die regeling aangewezen lichamen, en anders dan op grond van een privaatrechtelijke overeenkomst, dwangmatig en overeenkomstig algemene regelen vordert.’[36] Een belangrijke reden voor een ruime definitie acht de Commissie de mogelijkheid om alle kwesties op het terrein van de heffingen onder te brengen bij de administratieve (belasting)rechter en daarmee de rechtsbescherming van de burger te vergroten.[37] De Commissie gaat in haar rapport vervolgens nog een stap verder door schrapping van artikel 104 te bepleiten en aan het eerste hoofdstuk van de Grondwet een twee leden tellend nieuw artikel 14a – direct na de bepaling over onteigening – toe te voegen, waarvan het eerste lid zou moeten luiden: `Belastingen kunnen alleen worden opgelegd uit kracht van een wet dan wel uit kracht van een door het wetgevende orgaan van een andere overheid dan het Rijk rechtmatig genomen besluit'. Het tweede lid zou de hierboven gegeven definitie van het begrip `belastingen' moeten bevatten.[38] De gronden waarop de Commissie dit voorstel doet zijn echter weinig overtuigend, zeker indien het gaat om de opneming van een nieuw artikel in hoofdstuk 1 van de Grondwet.
 
Wattel concludeert in 1995 in zijn preadvies voor de NJV dat artikel 104 vervangen zou moeten worden door een omschrijving van het algemeenheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel en de regel dat van alle belastingen en andere overheidsheffingen, behalve die een gering financieel belang belopen, de essentialia in de formele wet moeten staan.[39]
 
Het grondwetsartikel spreekt van belastingen en heffingen van het Rijk. De provinciale en gemeentelijke belastingen worden bestreken door artikel 132, zesde lid, Grondwet, dat luidt: ‘De wet bepaalt welke belastingen door de besturen van provincies en gemeenten kunnen worden geheven ...’ (zie het commentaar bij artikel 132 Grondwet).

4 Het delegatievraagstuk

De tekst van artikel 104 is tot stand gekomen dank zij een door de Tweede Kamer aangenomen amendement‑Van Rooijen c.s. Aanvankelijk had de regering als tekst voorgesteld: `Belastingen en andere heffingen van het Rijk worden bij de wet geregeld.’ Als argument voor deze terminologie voerde de regering aan dat er in de fiscale praktijk veel delegatie voorkomt en dat dit feit diende te worden erkend in de delegatieterminologie van de grondwetsbepaling.[40] De Tweede Kamer deelde dit standpunt niet en bracht door aanvaarding van het amendement‑Van Rooijen c.s. een zodanige wijziging in het voorstel aan dat belastingen dienden te worden geheven uit kracht van een wet. Deze uitdrukking komt nergens anders in de Grondwet voor en is ontleend aan de tekst van de overeenkomstige grondwetsbepaling van 1815. Het amendement beoogde een grote mate van terughoudendheid ten aanzien van delegatie in belastingzaken te benadrukken voor zover het betreft de elementen van het belastbaar feit, de basis van het tarief en de kring van de belastingplichtigen.[41]
 
Het delegatievraagstuk in fiscale wetgeving is al zo oud als de Grondwet zelf. De praktijk heeft echter uitgewezen dat delegatie niet te vermijden is.[42] De vraag is vervolgens in hoeverre delegatie toelaatbaar is en aan welke organen mag worden gedelegeerd. Deze vraag kan slechts beantwoord worden aan de hand van het ontwerp, de historie en de strekking van de bepaling. De Staatscommissie‑Cals/Donner concludeerde dat de wetgever de plicht heeft grote terughoudendheid te betrachten inzake delegatie in belastingzaken.[43] De essentialia zoals belastingfeit en tarieven dienen zowel wat betreft de eerste als de tweede volzin van dit artikel geregeld te worden in een wet in formele zin. De praktijk blijkt echter weerbarstiger.[44] Indien de wetgever echter de hand wil houden aan het voorschrift van artikel 104 dan is ook ten aanzien van het delegatievraagstuk een alerte houding van regering en parlement noodzakelijk.Deze waakzaamheid geldt zowel ten aanzien van de totstandkoming van fiscale wetten (m.n. ruim geformuleerde wetsbepalingen) als ten aanzien van de uitvoeringswetgeving waarin sprake is van delegatie.[45]
 
In het kader van de verdeling van regelgevende bevoegdheden tussen de Europese Unie en de lidstaten is het de vraag of een verordening als mogelijke wettelijke grondslag kan gelden. De belastingkamer van de Hoge Raad lijkt deze discussie te willen vermijden in een zaak die ging over een (ruime) delegatiebepaling in het communautairdouanewetboek (CDW).[46] De Hoge Raad ziet namelijk een voldoende wettelijke basis voor de delegatie in artikel 3 Douanewet zodat de regeling in het Douanebesluit, een AMVB, verbindend wordt geoordeeld.[47]
 
Het grondwetsartikel spreekt van belastingen en heffingen van het Rijk. Deze aanduiding beoogt de delegatiemogelijkheid te beperken tot de centrale overheid.

5 Terugwerkende kracht

Het komt regelmatig voor dat aan belastingwetgeving terugwerkende kracht wordt verleend door de wetgever, ook indien het om een voor belastingplichtigen bezwarende maatregel gaat.[48] Terugwerkende kracht[49] van wetgeving staat echter op gespannen voet met het rechtszekerheidsbeginsel[50] en de rule of law.[51] Het beginsel van niet-terugwerking wordt bovendien in verband gebracht met het legaliteitsbeginsel.[52] Tegen deze achtergrond rijst de vraag of terugwerkende kracht van belastingwetgeving – zeker indien die bezwarend voor een belastingplichtige is – in strijd komt met het fiscale legaliteitsbeginsel zoals neergelegd in artikel 104 Grondwet. De staatssecretaris van Financiën heeft in een notitie ‘notitie terugwerkende kracht en eerbiedigende werking’ die ontkennend beantwoord.[53] Wij delen die opvatting. De tekst van artikel 104 Grondwet biedt onvoldoende aanknopingspunten voor het standpunt dat dit artikel in de weg staat aan het verlenen van terugwerkende kracht aan belastingwetgeving.[54] Bedacht dient daarbij te worden dat de Grondwet voor het strafrecht een met artikel 104 Grondwet vergelijkbare bepaling kent (artikel 16 Grondwet), met als belangrijk verschil dat daarin het verbod van terugwerkende kracht wél terugkomt: ‘Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling’ (curs. auteurs). Overigens zou een (absoluut) verbod van terugwerkende kracht van belastingwetgeving zich naar onze mening niet goed verdragen met het beginsel-karakter van het ‘verbod’ van terugwerkende kracht. Er kunnen zwaarwegende belangen zijn – die vaak te relateren zijn aan het gelijkheidsbeginsel, zoals het belang van aanpak van misbruik en oneigenlijk gebruik – die het verlenen van terugwerkende kracht van belastingwetgeving kunnen rechtvaardigen.[55]
 
Let wel, met artikel 104 Grondwet staat ons inziens wel op gespannen voet indien belasting wordt geheven anticiperend op een aangekondigde wet(swijziging) waaraan terugwerkende kracht zal worden verleend.[56] Op het moment van heffen is er dan immers (in zoverre) nog geen wettelijke grondslag voor de heffing. De Hoge Raad heeft richtlijnen gegeven om te bepalen onder welke omstandigheden de ingevoerde wet – door de terugwerkende kracht – alsnog een juridische basis verleent aan voorheen tot stand gekomen heffingshandelingen.[57]
 
Het belastingrecht kent twee kaders voor de beoordeling van terugwerkende kracht tijdens het wetgevingsproces. Het gaat ten eerste om de eerdergenoemde notitie van de staatssecretaris van Financiën en ten tweede om een advies van de Raad van State waarin een algemeen kader is geformuleerd aan de hand waarvan hij fiscale wetsvoorstellen beoordeelt op het punt van terugwerkende kracht.[58] Het is in Europa betrekkelijk uniek dat er een dergelijk beoordelingskader is.[59] Een verklaring hiervoor is wellicht dat indien in een land wel constitutionele toetsing van terugwerkende kracht door de rechter mogelijk is, er minder behoefte bestaat aan een ‘zelf-regulerend’ document over terugwerkende kracht, omdat de discussie in de doctrine en/of het parlement over terugwerkende kracht van een wetsvoorstel zich er (vooral of alleen) op richt of binnen de door de rechter gestelde grenzen wordt gebleven.[60]
 
De staatssecretaris heeft toegezegd dat hij zich aansluit bij de (strengere) visie van de Raad van State, en dat zijn notitie is vervallen.[61] Niettemin is de notitie nog steeds van belang, omdat zij in de literatuur nog regelmatig wordt aangehaald én omdat – opvallend genoeg – de staatssecretaris soms nog naar haar verwijst of haar kennelijk toch als uitgangspunt neemt.[62] De notitie onderscheidt bij de beoordeling of terugwerkende kracht (ten nadele) geoorloofd is twee elementen, te weten ‘het inhoudelijke element’ (of er een voldoende rechtvaardiging bestaat voor het toekennen van terugwerkende kracht) en ‘het tijdselement’ (waarvoor onder meer van belang is of de nieuwe regeling voorzienbaar is). Bij het inhoudelijke element vermeldt de notitie (i) het tegengaan van misbruik of oneigenlijk gebruik; (ii) het repareren van een evidente omissie die leidt tot duidelijk onbedoelde gevolgen, (iii) het voorkomen van een aankondigingseffect en (iv) ingrijpende budgettaire gevolgen en uitvoeringsaspecten.
 
In zijn advies formuleert de Raad van State als kader dat aan belastingmaatregelen die een verzwaring van de belastingheffing voor de belastingplichtige betekenen geen (formele) terugwerkende kracht gegeven mag worden tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Daarbij merkt de Raad op dat in ieder geval geen terugwerkende kracht kan worden gegeven aan maatregelen die voor de belastingplichtigen vóór het tijdstip waarop ze gaan gelden niet voldoende kenbaar zijn. Volgens de Raad van State kunnen bijzondere omstandigheden worden gevormd door aanmerkelijke aankondigingseffecten of een omvangrijk oneigenlijk gebruik of misbruik van een wettelijke voorziening.
 
In verband met de voorzienbaarheidseis en de kenbaarheidseis verdient opmerking dat in de belastingwetgevingspraktijk regelmatig gebruik wordt gemaakt van het instrument van het ‘wetgeven per persbericht’.[63] Het gaat hier om het fenomeen dat eerst per persbericht door de regering wordt aangekondigd dat een wetsvoorstel is (of zal worden) ingediend dat voorziet in terugwerkende kracht tot de datum van dat persbericht, waarna uiteindelijk – na de parlementaire behandeling en aanvaarding – de wet in werking treedt en terugwerkende kracht heeft tot die datum.
 
Wat betreft de rechterlijke toetsing van terugwerkende kracht van belastingwetgeving moet een onderscheid worden gemaakt tussen toetsing van wetgeving in formele zin en wetgeving niet zijnde wet in formele zin.
 
Toetsing aan het ‘nationale’ ongeschreven rechtszekerheidsbeginsel is niet mogelijk in het geval van wetgeving in formele zin vanwege het toetsingverbod van artikel 120 Grondwet zoals geïnterpreteerd in het Harmonisatiewetarrest. Dat ligt anders bij wetgeving in materiële zin, niet zijnde wetgeving in formele zin, – zoals gemeentelijke belastingverordeningen – waarop het grondwettelijk toetsingsverbod niet ziet zodat toetsing aan het rechtszekerheidsbeginsel mogelijk is. Volgens de Hoge Raad is voor burgers nadelige terugwerkende kracht in beginsel niet aanvaardbaar, tenzij sprake is van een bijzondere omstandigheid.[64] Voor de beoordeling of een bijzondere omstandigheid zich voordoet speelt vooral de voorzienbaarheid van de maatregel waaraan terugwerkende kracht wordt verleend een rol.[65] Opvallend is dat niet expliciet de reden voor het verlenen van terugwerkende kracht in de toetsing wordt betrokken.[66]
 
De rechterlijke toetsing van terugwerkende kracht van wetgeving in formele zin verloopt via artikel 1, Eerste Protocol, bij het EVRM, waarin de bescherming van het eigendomsrecht is neergelegd. Daarbij is echter van belang dat het EHRM heeft geoordeeld dat terugwerkende kracht van belastingwetgeving niet als zodanig verboden is door het artikel.[67] Bovendien laat het EHRM – dat leidend is voor de Hoge Raad – de nationale wetgever een ruime beoordelingsruimte. Uit rechtspraak van het EHRM volgt dat zeker indien belastingwetgeving aan de orde is die gericht is tegen belastingontwijking, terugwerkende kracht niet snel in strijd met artikel 1, Eerste Protocol, bij het EVRM zal zijn.[68]De Hoge Raad heeft tot nu toe nog nimmer terugwerkende kracht van belastingwetgeving in strijd met artikel 1, Eerste Protocol, bij het EVRM geacht. Er is (echter) op dit moment een spraakmakende zaak inzake de crisisheffing aanhangig, waarin A-G Wattel heeft geconcludeerd dat de aan de orde zijnde terugwerkende kracht voor een bepaalde periode in strijd is met artikel 1, Eerste Protocol, EVRM.[69]
 
Terugwerkende kracht van wetgeving die onder het toepassingsbereik van het Unierecht valt, kan bovendien worden getoetst aan het Unierechtelijke rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel. Het Hof van Justitie hanteert daarbij als uitgangspunt dat het rechtszekerheidsbeginsel zich in het algemeen tegen terugwerkende kracht van regelgeving verzet, maar dat “hiervan bij wijze van uitzondering [kan] worden afgeweken indien dit voor een doel van algemeen belang noodzakelijk is en het rechtmatige vertrouwen van de betrokkenen naar behoren in acht wordt genomen.”[70] In een Nederlandse zaak waarin het ‘wetgeven per persbericht’ aan de orde was, hield de terugwerkende kracht stand voor het HvJ, ondanks een felle andersluidende conclusie van de A-G Tizzano.[71]
 
Hiervóór is het nagenoeg alleen gegaan over terugwerkende kracht ten nadele van belastingplichtigen. Daarnaar gaat ook de meeste belangstelling in de literatuur uit. Niettemin kunnen ook aan terugwerkende kracht ten voordele van belastingplichtigen haken en ogen zitten vanuit constitutioneelrechtelijk perspectief.[72]

6 Betekenis van het legaliteitsbeginsel voor
   de burger

Krachtens het legaliteitsbeginsel kunnen inbreuken in de beschikkingsvrijheid van de burger met betrekking tot zijn inkomen en vermogen slechts op basis van een wet plaats vinden. De fiscus kan slechts belasting heffen indien voldaan is aan de eis van een wettelijke grondslag. Daarnaast bepaalt de belastingwet de grenzen van het handelen van de fiscus. De inspecteur kan dus slechts op basis van de wet en binnen de grenzen van de wet belastingaanslagen opleggen. Maar de belastingplichtige ontleent aan het legaliteitsbeginsel niet enkel een bescherming tegen een slechts door de uitvoerende macht redelijk geachte belastingheffing. Het legaliteitsbeginsel impliceert tevens dat de belastingplichtige zich niet aan zijn bij de - democratische gelegitimeerde - wet vastgestelde belastingverplichtingen mag onttrekken. Het belastingrecht begrenst zijn vrijheid op fiscaal terrein. Hij kan niet weigeren te voldoen aan zijn fiscale verplichtingen op grond van zijn persoonlijke moraal of (levens)overtuigingen die samenhangen met zijn mens- en maatschappijbeeld.[73]
 
De belastingplichti­ge heeft de vrijheid door feitelijke en rechts­han­de­lingen de fiscaal voordelig­ste weg te kiezen. Hij kan belastingheffing vermijden door handelingen achterwege te laten die tot belastbare feiten leiden. Zo is de niet-roker geen tabaksaccijns verschuldigd. De burger kan verder voor een op zichzelf reële transactie de fiscaal voorde­ligste weg te bewan­delen.[74]

Deze vrijheid wordt overigens weer beperkt door leerstuk van fraus legis (wetsont­dui­king) dat de uiterste grens van het recht, het fiscale legaliteitbeginsel, en moraal, markeert. Dit leerstuk kan enkel worden toegepast als de strijdigheid van het het handelen van de burger met doel en strekking van de wet niet met behulp van de gebruikelijke interpretatiemethoden kan worden opgeheven, noch sprake is van een schijnhandeling (simulatie).
 
Voor de toepassing dit bijzondere rechtsmiddel is vereist dat er sprake is van een oog­merk om belasting­heffing te verijdelen en dat verijdelen moet in strijd zijn met doel en strekking van de fiscale wet.[75] Indien dit ultimum remedium wordt toegepast worden de feiten fiscaal geherkwalificeerd zodat alsnog het rechtsgevolg intreedt dat overeenstemt met doel en strekking van de belastingwet. De ethiek speelt vervolgens een rol indien belastingplichtigen handelen in overeenstemming met de letter van de wet - via volstrekt legale ‘structuren’ - maar in strijd met de geest van de wet - waarbij ze buiten het bereik van fraus legis blijven. Het huidige debat over agressieve fiscale planning door multinationals draait hier precies om.[76] 

7 Historische versies

Art. 117 Gw 1814: De Souvereine Vorst en de Staten-Generaal gezamenlijk zijn alleen en bij uitsluiting bevoegd tot het heffen en regelen van belastingen.
De belastingen, bij het aannemen dezer grondwet bestaande, blijven op denzelfden voet, tot dat er anders over beschikt worde bij de wet.
Art. 197 Gw 1815: Geene belastingen kunnen ten behoeve van 's lands kas worden geheven, dan uit krachte van eene wet (art 195 Gw. 1840; art 171 Gw 1848).
Art. 174 Gw 1887: Geene belastingen kunnen ten behoeve van 's Rijks kas worden geheven, dan uit krachte van eene wet.
Deze bepaling is ook toepasselijk op heffingen, voor het gebruik van Rijks-werken en inrigtingen, voor zooveel de regeling van die heffingen niet aan den Koning is voorbehouden (art. 175 Gw 1922; art. 181 Gw 1938; art. 188 Gw 1953).

8 Jurisprudentie

- HR 3 november 1863, W 2534
- HR 29 juni 1885, W 5195
- HR 22 februari 1886, W. 5282
- HR 9 mei 1913, NJ 1913, 772
- HR 26 mei 1926, NJ 1926, 723
- HR 19 maart 1931, NJ 1931, 470
- HR 1 februari 1939, NJ 1939, 841
- HR 18 februari 1948, AB 1949, 481
- HR 12 april 1978, BNB 1978/135
- HR 7 december 1987, BNB 1988, 45
- HR 28 maart 1990, BNB 1990, 194
- HR 7 oktober 1992, BNB 1993/4
- HR 28 maart 2001, BNB 2001/297
- HR 23 september 2005, BNB2006/21
- HR 2 oktober 2009, BNB 2011/48
- HR 13 november 2009, BNB 2010/24
- HR 24 september 2010, BNB 2010/314
- HR 10 juni 2011, BNB 2011/221
- HR 3 juli 2012, AB 2012/360
- HR 4 april 2014, BNB 2014/147
- HR 27 maart 2015, BNB 2015/149
 
- EHRM 10 juni 2003, nr. 27793/95, FED 2003/604 (M.A. en 34 anderen t. Finland)
- EHRM 15 januari 2015, nrs. 36918/11, 36963/11, 36967/11, 36969/11, 36970/11, 36971/1
- EHRC 2015/76 (Arnaud en anderen t. Frankrijk)
 
- HvJ EG 5 oktober 1993, zaak C-13-16/92 (Driessen c.s.)
- HvJ EG 17 juli 1997, zaak C-183/95 (Affish BV)
- HvJ EG 15 juli 2004, zaak C-37-38/02 (Di Lenardo en Dilexport)

9 Literatuur

- J.P. Boer, ‘Meer aandacht voor het lex certa-beginsel in fiscalibus!’, NTFR 2007/444
- M. Bravenboer, ‘Onmiddellijke werking’, WFR 2005/654
- D. Brüll, Grondwet, grondrechten en grondbeginselen, WFR 1981, p. 1157‑1171
- H.A. Drielsma, De wetsinterpretatie in het fiscale recht en de rechtsbescherming van de Nederlandse staatsburger, diss. RUU, Deventer/Antwerpen 1958
- T. Garden Barnes, Shaping the Common Law: From Glanville to Hale, 1188-1688, Stanford University Press, Stanford 2008
- Ch.P.A. Geppaart, Fiscale rechtsvinding. Een onderzoek naar de rechtsvinding door de rechter in belastingzaken in het bijzonder aan de hand van de rechtspraak in de periode 1 maart 1957‑1 maart 1965, diss. RUL, Amsterdam 1965
- Ferdinand H.M. Grapperhaus, Belasting, Vrijheid en Eigendom. Hoe belastingheffing leidde tot meer zeggenschap voor burgers en meer eenheid tussen staten 511‑1787, De Walburg Pers / Kluwer, Amsterdam 1989
- J.L.M. Gribnau, Rechtsbetrekking en rechtsbeginselen in het belastingrecht. Rechtstheoretische beschouwingen over navordering, toezegging en fiscale vaststellingsovereenkomst, Gouda Quint, Deventer 1998
- J.L.M. Gribnau, Belastingen als moreel fenomeen, Boom fiscale uitgevers, Den Haag 2013
- J.L.M. Gribnau, ‘Fiscale ethiek: wederkerige verantwoordelijkheid voor de integriteit van het belastingrecht’, in Belastingen en ethiek. Preadviezen en bespreking preadviezen, Geschriften van de Vereniging voor Belastingwetenschap no 243, Kluwer, Deventer 2011
- J.L.M. Gribnau, ‘Ethische aspecten van tax planning’, Ars Aequi 63 (2014) nr. 3, p. 173-183.
- J.L.M. Gribnau, ‘Heeft de Belastingdienst zijn governance op orde?’, in Ondernemend pensioen. Dietvorstbundel. Opstellen aangebonden aan prof. dr. Gerry Dietvorst, Deventer: Kluwer 2015
- H. Gribnau en Melvin Pauwels (ed.), Retroactivity of tax legislation, Annual Congress Leuven 2010, EATLP International Tax Series no 9, IBFD, Amsterdam 2013
- J.L.M. Gribnau en M.R.T. Pauwels, ‘Terugwerkende kracht van belastingwetgeving vanuit rechtsvergelijkend perspectief’, MBB 2014/3
- R.H. Happé, Drie beginselen van fiscale rechtsbescherming, Kluwer, Deventer 1996
- R.H. Happé, P.M.F van Loon, J.P.F. Slijpen & M.R.T. Pauwels, Algemeen fiscaal bestuursrecht, Kluwer, Deventer 2013
- R.L.H. IJzerman, Het leerstuk van de wetsontduiking in het belastingrecht, Kluwer, Deventer, 1991
- J.C. Holt, Magna Carta, Cambridge University Press, Cambridge, 1992
- K.L.H. van Mens, Legaliteit en belastingrecht, inaugurele rede RUU, Kluwer, Deventer 1988
- E.M. Meijers, Belastingen als rechtsbegrip, in: Tractatus Tributarii. Opstellen op belastinggebied aangeboden aan prof.dr. P.J.A. Adriani, H.D. Tjeenk Willink & Zoon, Haarlem 1949, p. 1‑28
- R.E.C.M. Niessen, Inleiding tot het Nederlands belastingrecht, Kluwer, Deventer 2010
- J.H.M. Nieuwenhuizen, Rechtsvinding en fiscale werkelijkheid, Kluwer, Deventer, 2010
- M.R.T. Pauwels, Terugwerkende kracht van belastingwetgeving: gewikt en gewogen, Sdu Fiscale & Financiële Uitgevers, Amersfoort 2009
- M.R.T Pauwels, ‘Fiscaal overgangsrecht: balanceren tussen verandering en rechtszekerheid’, in Tijd voor verandering. Over overgangsrecht, preadvies VAR-reeks 148, Boom Juridische uitgevers, Den Haag 2012
- M.R.T. Pauwels, ‘Retroactive Tax Legislation in view of Article 1 First Protocol ECHR’, EC Tax Review 2013/6
- B. Peeters, ‘De algemene fiscale antimisbruikbepalingen. Een commentaar in het licht van de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof’, Algemeen Fiscaal Tijdschrift 204/5, p. 4-34
- Rapport Delegatie van wetgevende bevoegdheid, Geschriften van de Vereniging voor Belastingwetenschap, nrs. 131 en 133, Kluwer, Deventer 1980
- Rapport van de Commissie ter bestudering van het begrip `belastingen', Geschriften van de Vereniging voor Belastingwetenschap, no. 184, Kluwer, Deventer 1990
- J.A. Schlette, Delegatie in het Nederlandse belastingrecht, diss. UvA, Amsterdam 1963
- M. Schuver-Bravenboer, Fiscaal overgangsbeleid, Kluwer, Deventer 2009
- J. Raz, ‘The rule of law and its virtue’, Law Quarterly Review, 1977
- C. Sampford, Retrospectivity and the Rule of Law, Oxford University Press, Oxford 2006
- J. van Soest, ‘Belastingrecht’, in: J.M. Polak (red.), Vooruitzichten van de rechtswetenschap, Kluwer, Deventer /Antwerpen 1964
- C. Webber & A. Wildavsky, A History of Taxation and Expenditure in the Western World, Simon and Schuster, New York, 1986
- R.C. de Wit, De samenhanggedachte in het belastingrecht, Kluwer, Deventer, 2005

Noten

  1. De onderdelen 1-4 zijn in beperkte mate aangepast ten opzichte van de vorige drukken. De onderdelen 5 en 6 zijn integraal herschreven.
  2. C. van de Kieft, ‘De Staten-Generaal in het Bourgondisch-Oostenrijkse Tijdvak (1464-1555)’, in: S.J. Fockema Andreae, H. Hardenberg (red.), 500 jaren Staten-Generaal in de Nederlanden, Van Gorcum, Assen 1964, p. 4.
  3. Magna Carta (1215), art. 12 luidt voor zover hier van belang: `No scutage nor aid shall be imposed on our kingdom, unless by common councel of our kingdom, (...).’ Vgl. J.C. Holt, Magna Carta, Cambridge University Press, Cambridge, 1992, p. 318-322. C. Webber & A. Wildavsky, A History of Taxation and Expenditure in the Western World, Simon and Schuster, New York 1986, p. 175 en T. Garden Barnes, Shaping the Common Law: From Glanville to Hale, 1188-1688, Stanford University Press, Stanford 2008, p. 28.
  4. Zie over het verband tussen belastingheffing, volksvertegenwoordiging en de moderne eenheidsstaat uitvoerig Ferdinand H.M. Grapperhaus, Belasting, Vrijheid en Eigendom; hoe belastingheffing leidde tot meer zeggenschap voor burgers en meer eenheid tussen staten 511-1787, De Walburg Pers / Kluwer, Amsterdam 1989, m.n. p. 129-215. Over centralisatie, zie ook O.I.M. Ydema, Hoofdstukken uit de geschiedenis van het belastingrecht, diss. Leiden, Wolters-Noordhoff Groningen 1997, p. 183-185.
  5. E.M. Meijers, ‘Belastingen als rechtsbegrip’, in: Tractatus Tributarii. Opstellen op belastinggebied aangeboden aan P.J.A. Adriani, H.D. Tjeenk Willink & Zoon, Haarlem 1949, p. 5, noot 2.
  6. Zie art. 17 van de Universele verklaring van de rechten van de mens; art. 1 Eerste Protocol EVRM; art. 14 Gw. en art. 5:1 BW; zie over het legaliteitsbeginsel hiervoor art. 89.
  7. Aldus J.T. Buijs, De Grondwet. Toelichting en kritiek, dl. II, P. Gouda Quint, Arnhem1887, p. 579.
  8. Zie Ch.P.A. Geppaart, Fiscale rechtsvinding, een onderzoek naar de rechtsvinding door de rechter in belastingzaken in het bijzonder aan de hand van de rechtspraak in de periode 1 maart 1957-1 maart 1965, diss. RUL, 1965, p. 43-124.
  9. Zo achtte Scholten in 1926 in zijn annotatie bij het driedagenarrest (HR 26 mei 1926, NJ 1926, 723) waar de Hoge Raad voor het eerst het leerstuk van fraus legits toepaste in het belastingrecht, analogische interpretatie van bepalingen van fiscaal recht uitgesloten. Later is hij op die mening teruggekomen in zijn noot bij HR 1 februari 1939, NJ 1939, 841, alwaar hij zich voor analogische wetstoepassing verklaarde, zij het dat `niet licht, niet makkelijk tot analogie mag worden besloten'. Zie tevens hieromtrent Geppaart 1965 (noot 8), p. 93-94, die in art. 188 Gw. 1963 geen verbod tot analogie kan lezen en stelt dat de toepassing van de analogie wel haar grenzen vindt in het beginsel van de rechtszekerheid.
  10. K.L.H. van Mens, Legaliteit en belastingrecht, inaugurele rede RUU, Kluwer, Deventer 1988, p. 17-18. Extensieve interpretatie komt overigens nauwelijks voor. Wel zijn er de voorbeelden van interpretaties die naar de letter zeer ruim zijn (of waarbij aan de strikt taalkundige betekenis wordt voorbijgegaan) om tot een uitleg in overeenstemming met doel en strekking – die al dan niet uit de wetsgeschiedenis blijkt – van een regeling te komen. Dit heeft zich met name voorgedaan op het gebied van de vennootschapbelasting (vgl. HR 13 november 2009, BNB 2010/24 en HR 10 juni 2011, BNB 2011/221 (vgl. ook de kritische noten van De Vries die spreekt van wegwerprecht en werkelijk indrukwekkend broddelwerk van de wetgever). Het gaat hier veelal om een - eerder teleologische dan extensieve - interpretatie in het voordeel van de fiscus. De rechter schiet hier in feite de wetgever en de fiscus te hulp.
  11. R.E.C.M. Niessen, Inleiding tot het Nederlands belastingrecht, Kluwer, Deventer 2010, p. 192.
  12. R.E.C.M. Niessen, Rechtsvinding in belastingzaken (Inaugurale rede RUN), SDU Uitgevers, Amersfoort 200p, p. 46. Uitvoerig hierover: R.C. de Wit, De samenhanggedachte in het belastingrecht, Kluwer, Deventer, 2005.
  13. Zie Van Mens 1988 (noot 10), p. 13-23 en J.L.M. Gribnau, ‘Heeft de Belastingdienst zijn governance op orde?’, in Ondernemend pensioen. Dietvorstbundel. Opstellen aangebonden aan prof. dr. Gerry Dietvorst, Deventer: Kluwer 2015, p. 55-69.
  14. Zie over deze problematiek M.P. van Overbeeke, ‘Verzorgingsstaat en belastingrecht’, in: Van Dijck Bundel, opstellen aangeboden aan Prof. Dr. J.E.A.M. van Dijck ter gelegenheid van zijn afscheid als hoogleraar aan de KUB, Deventer 1988, p. 277-289.
  15. J.L.M. Gribnau, Belastingen als moreel fenomeen, Boom fiscale uitgevers, Den Haag 2013, p. 61-66.
  16. J.L.M. Gribnau, ‘Fiscale ethiek: wederkerige verantwoordelijkheid voor de integriteit van het belastingrecht’, in Belastingen en ethiek. Preadviezen en bespreking preadviezen, Geschriften van de Vereniging voor Belastingwetenschap no 243, Deventer: Kluwer 2011, p. 138-140. Vgl. J.P. Boer, ‘Meer aandacht voor het lex certa-beginsel in fiscalibus!’, NTFR 2007/444.
  17. HR 28 maart 1990, BNB 1990/194. Dit arrest blijft van belang vanwege de verplichting te handelen conform contra legem beleidsregels– anders dan art. 4:84 Awb. Zie R.H. Happé, P.M.F van Loon, J.P.F. Slijpen & M.R.T. Pauwels, Algemeen fiscaal bestuursrecht, Kluwer, Deventer 2013, p. 63 Zie tevens de annotatie van F.H. van der Burg bij het arrest Leidraad administratieve boeten 1984, in: AB klassiek Kluwer, Deventer 2003, p. 222-229.
  18. HR 8 mei 1998, NJ 1998, 890 (Staat/Lenger).
  19. Dit betekent ook dat de fiscus nog niet tot toepassing van een aangekondigde wijziging of regeling zou mogen overgaan (met terugwerkende kracht) vóór deze inwerking treedt, omdat dan op dat moment een rechtsgrond voor die toepassing ontbreekt. Anders: HR 2 oktober 2009, BNB 2011/48 (fiscus anticipeert op wijziging PC-privé-regeling met terugwerkende kracht) en HR 27 maart 2015, BNB 2015/149 (legesverordening waarvoor met terugwerkende kracht een wettelijke grondslag is gecreëerd).
  20. Zie R.H. Happé, Drie beginselen van fiscale rechtsbescherming, Kluwer, Deventer 1996.
  21. J.L.M. Gribnau, Rechtsbetrekking en rechtsbeginselen in het belastingrecht. Rechtstheoretische beschouwingen over navordering, toezegging en fiscale vaststellingsovereenkomst, Gouda Quint, Deventer 1998.
  22. HR 12 april 1978, BNB 1978/135.
  23. Een aantal beginselen van behoorlijk bestuur is overigens inmiddels gecodificeerd; zie de artikelen 3:2 t/m 3:4 Awb.
  24. HR 23 september 2005, BNB 2006/21.
  25. Zie voor een overzicht: R.H. Happé in zijn noot bij HR 28 maart 2001, BNB 2001/297.
  26. Zie bijvoorbeeld HR 24 september 2010, BNB 2010/314.
  27. Kamerstukken II, 1978-1979, 15 575, nr. 3, p. 3-4 (Nng, Vc, p. 252-253).
  28. P.J. Wattel, ‘De reikwijdte van fundamentele rechten in belastingzaken’, in: De reikwijdte van fundamentele rechten, Handelingen NJV 1995-I, W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle 1995, p. 193 en 194.
  29. Zie bijv. HR 22 februari 1886, W 5282 waarin de Hoge Raad het heffen van tolgeld niet beschouwde als een belastingheffing in de zin van art. 197 Gw. 1815.
  30. Het begin van een kentering van de opvattingen vindt men in HR 9 mei 1913, NJ 1913, 772, en duidelijker in HR 19 maart 1931, NJ 1931, 470.
  31. J.R. Thorbecke, Over plaatselijke begrooting, Leyden 1847, p. 61.
  32. Buijs 1887 (noot 7), p. 584 en J. Oppenheim, Het Nederlandsch gemeenterecht, bewerkt door C.W. van der Pot, deel 1, 1928, p. 524 en deel 3, 1932, p. 102.
  33. Idem.
  34. HR 3 november 1863, W 2534 en HR 29 juni 1885, W 5195; zie voor een analyse van deze arresten Meijers 1949 (noot 5), p. 18-19.
  35. Meijers 1949 (noot 5), p. 15.
  36. Rapport van de Commissie ter bestudering van het begrip `belastingen', Geschriften van de Vereniging voor Belastingwetenschap No. 184, Kluwer, Deventer 1990, p. 48-49.
  37. Idem, p. 51-52.
  38. Idem, p. 20-21.
  39. Wattel 1995 (noot 28), p. 221.
  40. Kamerstukken II, 1978-1979, 15 575, nr. 1-3, (Nng, Vc, p. 250, 253 en 254).
  41. Kamerstukken II, 1979-1980, 15 575, nr. 10 (Nng, Vc, p. 285).
  42. Zie hieromtrent uitvoerig J.A. Schlette, Delegatie in het Nederlandse belastingrecht, diss. UvA, Amsterdam 1963; J. van Soest, ‘Belastingrecht’, in: J.M. Polak (red.), Vooruitzichten van de rechtswetenschap, Kluwer, Deventer Antwerpen 1964, p. 314. Rapport Delegatie van wetgevende bevoegdheid, Geschriften van de Vereniging voor Belastingwetenschap, nrs. 131 en 133, Kluwer, Deventer 1980; Van Mens 1988 (noot 10), p. 9-11, 16, 17, 22 en 23 en HR 18 februari 1948, AB 1949, 481, waarin delegatie werd toegelaten.
  43. Kamerstukken II 1979-1980, 15 575, nr. 3, p. 4 (Nng, Vc, p. 253).
  44. Kritisch hieromtrent D. Brüll, ‘Grondwet, grondrechten en grondbeginselen’, WFR 1981/1157, p. 1161-1162. Zie tevens Van der Burg 1991 (noot 17), p. 232 en Wattel 1995 (noot 28), p. 193.
  45. Zie hieromtrent Van Mens 1988 (noot 10), p. 9, 10, 14 en 16-18.
  46. HR 4 april 2014, BNB 2014/147. De Hoge Raad overweegt hier uitdrukkelijk dat de rechter op grond van art. 104 Gw en 120 Gw niet in kan gaan op de vraag of deze delegatie heeft plaatsgevonden overeenkomstig de bedoeling van de grondwetgever.
  47. De strafkamer heeft in een (andere) douanezaak art. 14 CDW gelijkgesteld met een wettelijk voorschrift ex art. 184, eerste lid, Wetboek van Strafrecht; HR 3 juli 2012, S 11/00504, AB 2012/360.
  48. Zie over terugwerkende kracht in het belastingrecht M.R.T. Pauwels, Terugwerkende kracht van belastingwetgeving: gewikt en gewogen, Sdu Fiscale & Financiële Uitgevers, Amersfoort 2009; en M. Schuver-Bravenboer, Fiscaal overgangsbeleid, Kluwer, Deventer 2009. Voor een korte schets van de belangrijkste situatietypen waarin terugwerkende kracht wordt verleend, zie M.R.T Pauwels, ‘Fiscaal overgangsrecht: balanceren tussen verandering en rechtszekerheid’, in Tijd voor verandering. Over overgangsrecht, preadvies VAR-reeks 148, Boom Juridische uitgevers, Den Haag 2012, p. 201-206.
  49. De afbakening van het concept ‘terugwerkende kracht’ is haast een studie op zichzelf. Wij volstaan hier met de opmerking dat in de fiscale literatuur veelal onderscheid wordt gemaakt tussen formeel terugwerkende kracht en materieel terugwerkende kracht; zie verder Pauwels 2009 (noot 48), hoofdstuk 2 en 5, en Schuver-Bravenboer 2009 (noot 48).
  50. Bijv. P. Popelier, Rechtszekerheid als beginsel voor behoorlijke regelgeving, Intersentia, Antwerpen 1997, en Pauwels 2009 (noot 48).
  51. Bijv. Joseph Raz, ‘The rule of law and its virtue’, Law Quarterly Review, 1977, p. 195-211, en C. Sampford, Retrospectivity and the Rule of Law, Oxford University Press, Oxford 2006.
  52. Bijv. Lon L. Fuller, The Morality of Law, Yale University Press, New Haven 1969. Vgl. ook W. Witteveen, De wet als kunstwerk: een andere filosofie van het recht, Amsterdam: Boom 2014, p. 168-169.
  53. Kamerstukken II, 1996-1997, 25 212, nr. 2 (deze notitie was eerder opgenomen als bijlage in Kamerstukken II, 1995-1996, 24 677, nr. 5, p. 5-9), alsook tijdens de parlementaire behandeling van deze notitie (Kamerstukken II, 1996-1997, 25 212, nr. 3, p. 2 en 9). Ook in de Aanwijzingen voor de regelgeving wordt ervan uitgegaan dat terugwerkende kracht van belastingwetgeving niet ongeoorloofd is; zie Ar 169 en de toelichting erbij.
  54. Artikel 4 van de wet van 15 mei 1829, Stb. 28, inhoudende algemene bepalingen der wetgeving van het Koninkrijk (‘De wet verbindt alleen voor het toekomende en heeft geene terugwerkende kracht’) verzet zich volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad evenmin ertegen dat de wetgever terugwerkende kracht verleent aan een wet. Het artikel richt zich namelijk op de rechter en niet op de wetgever (bijv. HR 13 januari 1971, BNB 1971/44).
  55. Zie uitgebreid Pauwels 2009 (noot 48).
  56. Vgl. Pauwels 2012 (noot 48), p. 233-236.
  57. HR 2 oktober 2009, BNB 2011/47 en 2011/48. Zie ook HR 27 maart 2015, BNB 2015/149.
  58. Kamerstukken II, 1994-1995, 24 172, A, p. 1-4.
  59. Vgl. H. Gribnau en Melvin Pauwels (ed.), Retroactivity of tax legislation, Annual Congress Leuven 2010, EATLP International Tax Series no 9, IBFD, Amsterdam 2013.
  60. J.L.M. Gribnau en M.R.T. Pauwels, ‘Terugwerkende kracht van belastingwetgeving vanuit rechtsvergelijkend perspectief’, MBB 2014/3, p. 136.
  61. Kamerstukken II, 1996-1997, 25 212, nr. 2.
  62. Pauwels 2009 (noot 48), p. 361-363.
  63. Pauwels 2009 (noot 48), p. 230-246, en Schuver-Bravenboer (noot 48), p. 197-200.
  64. HR 24 oktober 1984, BNB 1985/59.
  65. HR 24 april 2009, BNB 2009/158.
  66. Vgl. Pauwels 2012 (noot 48), p. 237.
  67. Bijv. EHRM 10 juni 2003, nr. 27793/95, FED 2003/604 (M.A. en 34 anderen t. Finland), en EHRM 15 januari 2015, nrs. 36918/11, 36963/11, 36967/11, 36969/11, 36970/11, 36971/11, EHRC 2015/76 (Arnaud en anderen t. Frankrijk).
  68. M.R.T. Pauwels, ‘Retroactive Tax Legislation in view of Article 1 First Protocol ECHR’, EC Tax Review 2013/6.
  69. ECLI:NL:PHR:2015:947.
  70. Bijv. HvJ EG 25 januari 1979, zaak C-99/78, NJ 1980/2 (Decker), r.o. 8 en HvJ EG 26 april 2005, C-376/02, BNB 2008/36 (Stichting Goed Wonen II), r.o. 33-34.
  71. HvJ EG 26 april 2005, C-376/02, BNB 2008/36 (Stichting Goed Wonen II).
  72. Pauwels 2012 (noot 48), p. 241-243.
  73. HR 25 jan. 1984, BNB 1984/114 (particuliere morele beginselen). Zie ook Hof 's-Gravenhage 5 nov. 1979, BNB 1981/76 (gemoeds- en gewetensbezwaren tegen overheidsuitgaven voor ontwikkelingshulp).
  74. HR 7 maart 1982, BNB 1982/142; vgl. HR 19 december 1990, BNB 1991/121.
  75. Fraus legis is een algemener leerstuk dan de zgn. richtige heffing (art. 31 AWR) dat op dit moment daarom niet meer wordt toegepast. Zie uitvoerig R.L.H. IJzerman, Het leerstuk van de wetsontduiking in het belastingrecht, Kluwer, Deventer, 1991 en J.H.M. Nieuwenhuizen, Rechtsvinding en fiscale werkelijkheid, Kluwer, Deventer, 2010. •Het Nederlandse fraus legis-leerstuk heeft als inspiratie gediend voor België; zie B. Peeters, ‘De algemene fiscale antimisbruikbepalingen. Een commentaar in het licht van de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof’, Algemeen Fiscaal Tijdschrift 204/5, p. 4-34.
  76. Vgl. J.L.M. Gribnau, ‘Ethische aspecten van tax planning’, Ars Aequi 63 (2014) nr. 3, p. 173-183.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    J.L.M. Gribnau en M.R.T Pauwels, Commentaar op artikel 104 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2017 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Belastingheffing

De heffing van belastingen is een van de oudste gedaantes waarin het overheidsoptreden zich manifesteert. Mensen zijn verplicht een deel van hun inkomsten en vermogen af te staan aan de overheid, betalen leges voor diensten die de overheid levert en betalen een percentage accijns of belasting bovenop de prijs van bepaalde goederen en producten, zoals alcoholhoudende dranken, rookwaren, brandstoffen en auto’s. De overheid wendt deze middelen aan ten nutte van de gehele gemeenschap, door er publieke voorzieningen mee te realiseren. Belastingen, accijnzen, leges en allerlei andere heffingen vormen de belangrijkste bron van inkomsten voor de overheid.
 
Belastingheffing kan worden gezien als een vorm van onteigening in het algemeen belang. Dat mag alleen als de wet daarvoor de basis biedt: zo wordt willekeur bij het opleggen van belastingen voorkomen. In de praktijk zijn belastingregels voor een belangrijk deel vervat in nadere regelingen die zijn opgesteld door bijvoorbeeld de regering of een staatssecretaris; de hoofdlijnen zijn wel neergelegd in wetten die door regering en Staten-Generaal zijn vastgesteld. Elke vorm van belastingheffing door de rijksoverheid berust dus uiteindelijk op een langs democratische weg tot stand gekomen beslissing van de wetgever.
 
Artikel 103 heeft alleen betrekking op belastingen en andere heffingen die door de rijksoverheid worden geheven. Voor decentrale besturen is de bevoegdheid om belastingen te heffen vastgelegd in artikel 132 Grondwet.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Belastingheffing

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Belastingheffing

Recente rechtspraak

Belastingheffing

Politiek

Belastingheffing

Video
Blogs
IN DE WERELD
Video

Belastingheffing

  • Nationale ombudsman over de verbeterde relatie tussen de belastingdienst en burgers
  • No taxation without represenation
Nationale ombudsman over de verbeterde relatie tussen de belastingdienst en burgers
Blogs

Belastingheffing

In de wereld

Belastingheffing