CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • M. Adams
  • B.C. van Beers
  • A.A.L. Beers & K.T. Meijer
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • S.C. van Bijsterveld & B.P. Vermeulen
  • S.C. van Bijsterveld
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard & J. Uzman
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • S. Daniëls
  • J.W.A. Fleuren
  • F. Fleurke
  • J.L.M. Gribnau & M.R.T Pauwels
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • H.G. Hoogers
  • M. Houwerzijl & N. Zekic
  • M. Houwerzijl & F. Vlemminx
  • P. Jacobs
  • E.J. Janse de Jonge
  • S. Jellinghaus & E. Huisman
  • J. Kiewiet & G.F.M. van der Tang †
  • T. Kooijmans en J. van der Ham
  • E.J. Koops
  • G. Leenknegt
  • K.T. Meijer
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • B.M.J. van der Meulen
  • F.C.M.A. Michiels
  • G. Overkleeft-Verburg
  • T. Peters
  • J.C.A. de Poorter
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • G. van der Schyff
  • J. Uzman & G. Boogaard
  • J. Uzman
  • B.P. Vermeulen
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx & A.C.M. Meuwese
  • W.J.M. Voermans
  • B.W.N. de Waard
  • W. van der Woude
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 132a  Caribische openbare lichamen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

Artikel 90 - Bevordering internationale rechtsorde

De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde.

Artikel 91 - Goedkeuring verdrag

  1. Het Koninkrijk wordt niet aan verdragen gebonden en deze worden niet opgezegd zonder voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. De wet bepaalt de gevallen waarin geen goedkeuring is vereist.

  2. De wet bepaalt de wijze waarop de goedkeuring wordt verleend en kan voorzien in stilzwijgende goedkeuring.

  3. Indien een verdrag bepalingen bevat welke afwijken van de Grondwet dan wel tot zodanig afwijken noodzaken, kunnen de kamers de goedkeuring alleen verlenen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 92 - Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties

Met inachtneming, zo nodig, van het bepaalde in artikel 91, derde lid, kunnen bij of krachtens verdrag aan volkenrechtelijke organisaties bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak worden opgedragen.

Artikel 93 - Verbindende kracht verdrag

Bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 94 - Verdrag boven wet

Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 95 - Bekendmaking verdrag

De wet geeft regels omtrent de bekendmaking van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 96 - Oorlogsverklaring

  1. Het Koninkrijk wordt niet in oorlog verklaard dan na voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal.

  2. De toestemming is niet vereist, wanneer het overleg met de Staten-Generaal ten gevolge van een feitelijk bestaande oorlogstoestand niet mogelijk is gebleken.

  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  4. Het bepaalde in het eerste en het derde lid is van overeenkomstige toepassing voor een verklaring dat een oorlog beëindigd is.

Artikel 97 - Krijgsmacht

  1. Ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk, alsmede ten behoeve van de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde, is er een krijgsmacht.

  2. De regering heeft het oppergezag over de krijgsmacht.

Artikel 98 - Samenstelling krijgsmacht

  1. De krijgsmacht bestaat uit vrijwillig dienenden en kan mede bestaan uit dienstplichtigen.

  2. De wet regelt de verplichte militaire dienst en de bevoegdheid tot opschorting van de oproeping in werkelijke dienst.

Artikel 99 - Gewetensbezwaren militaire dienst

De wet regelt vrijstelling van militaire dienst wegens ernstige gewetensbezwaren.

Artikel 99a - Civiele verdediging

Volgens bij de wet te stellen regels kunnen plichten worden opgelegd ten behoeve van de civiele verdediging.

Artikel 100 - Inlichtingen over krijgsmacht

  1. De regering verstrekt de Staten-Generaal vooraf inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. Daaronder is begrepen het vooraf verstrekken van inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht voor humanitaire hulpverlening in geval van gewapend conflict.

  2. Het eerste lid geldt niet, indien dwingende redenen het vooraf verstrekken van inlichtingen verhinderen. In dat geval worden inlichtingen zo spoedig mogelijk verstrekt.

Artikel 103 - Uitzonderingstoestand

  1. De wet bepaalt in welke gevallen ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid bij koninklijk besluit een door de wet als zodanig aan te wijzen uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd; zij regelt de gevolgen.

  2. Daarbij kan worden afgeweken van de grondwetsbepalingen inzake de bevoegdheden van de besturen van provincies, gemeenten, openbare lichamen als bedoeld in artikel 132a en waterschappen, van de grondrechten geregeld in de artikelen 6, voor zover dit de uitoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen van het in dit artikel omschreven recht betreft, 7, 8, 9, 12, tweede en derde lid, en 13, alsmede van artikel 113, eerste en derde lid.
  3. Terstond na de afkondiging van een uitzonderingstoestand en voorts, zolang deze niet bij koninklijk besluit is opgeheven, telkens wanneer zij zulks nodig oordelen beslissen de Staten-Generaal omtrent het voortduren daarvan; zij beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams

ARTIKEL 99a - Civiele verdediging

INHOUD
  1. Het ontstaan en de inhoud van artikel 99a
  2. Relevante verdragsbepalingen
  3. Jurisprudentie
  4. Literatuur
  5. Historische versies
 
Editie december 2013

1. Het ontstaan en de inhoud van artikel 99a

De wetgever kan aan mensen verplichtingen opleggen in verband met de civiele verdediging. Daarmee worden niet-militaire maatregelen bedoeld ter bescherming van de bevolking en haar bezittingen wanneer zich een natuurramp, oorlogsgeweld of een andere noodtoestand voordoet. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om de inzet van artsen en verplegend personeel op plaatsen waar dat dringend nodig is, de inzet van burgers bij het in stand houden van verbindingen over de weg en het water of het herstel en de verzekering van de drinkwater- en energievoorziening.
 
Tussen 1887 en 2000 kende de Grondwet steeds een bepaling die de wetgever opdroeg de verplichtingen in het kader van de civiele verdediging te regelen. Bij de grondwetsherziening van 1983 werd een dergelijke bepaling door de regering niet langer nodig geoordeeld[1], maar pas bij gelegenheid van de herziening van de defensiebepalingen, die in 2000 haar beslag zou krijgen, stelde zij voor om de bepaling te schrappen. Na een uitvoerige discussie op dit specifieke punt in de Tweede Kamer werd in de plaats daarvan het huidige artikel 99a opgenomen.[2] De bepaling heeft om te beginnen een waarborgkarakter, in die zin dat niet-militairen weliswaar verplichtingen kunnen worden opgelegd ten behoeve van de civiele verdediging, maar dat dit alleen bij wet mag gebeuren. Daarnaast vormen verplichtingen in het kader van de civiele verdediging beperkingen op het verbod van gewongen arbeid (zie paragraaf 3). Dergelijke, mogelijk ingrijpende, verplichtingen die inbreuk maken op fundamentele rechten behoeven een uitdrukkelijke basis in de Grondwet.
 
Het voormalige artikel 97 had voornamelijk betrekking op de verplichting voor alle daartoe in staat zijnde Nederlanders en eventueel andere ingezetenen, om mee te werken aan de handhaving van de onafhankelijkheid van het Rijk en de verdediging van zijn grondgebied. Volgens de regering miste dit voormalige artikel zijn historische context: de regelgeving betreffende de civiele verdediging bestond niet meer. Inderdaad is het geheel van niet-militaire maatregelen, dienende tot bescherming van de bevolking en haar bezittingen tegen de gevolgen van oorlogsgeweld en nationale rampen, de Bescherming Bevolking, opgeheven. Civiele verplichtingen kunnen evenwel nog steeds krachtens wet worden opgelegd (Provinciewet, Gemeentewet, Oorlogswet) en om deze reden vonden de voorstellers het wenselijk een zo belangrijke verplichting grondwettelijk te verankeren.[3] Op de vraag in de Eerste Kamer echter waarom de regering het amendement dat tot het nieuwe artikel 99a leidde, wenste te aanvaarden, antwoordde de regering dat dit werd gedaan ‘omdat de indieners hebben bevestigd dat de bepaling geen betrekking heeft op een sociale dienstplicht, niet dwingt tot nieuwe uitvoeringswetgeving en feitelijk in haar betekenis is beperkt tot de thans  bestaande bepalingen in de wetgeving die betrekking hebben op civiele verdediging.’[4] Men zag er blijkbaar vooral geen kwaad in.
 
De kamerleden Koekkoek en Te Veldhuis dienden ieder een amendement betreffende de civiele verdediging in bij de eerste lezing van het voorstel tot herziening van de grondwetsbepalingen inzake defensie. Het verschil tussen beide was dat het amendement-Koekkoek de civiele verdediging als artikellid wenste onder te brengen (artikel 98, derde lid), terwijl het amendement-Te Veldhuis een afzonderlijke bepaling voorstelde (artikel 99a). Gezien de systematiek van de grondwetsherziening werd gekozen voor het laatste. Een door beide kamerleden gezamenlijk ingediend amendement leidde tot het huidige artikel 99a.[5]
 
Bij tweede lezing in de Eerste Kamer bevestigde de regering dat het de wetgever vrijstaat een eigen uitleg te geven aan het begrip ‘civiele verdediging’.[6] De wetgever blijft bij de uitvoering van artikel 99a echter gebonden aan het internationale recht, hetgeen beperkingen met zich kan brengen ten aanzien van de kring van personen en de inhoud van eventuele verplichtingen.[7]
 
De bepaling geeft niet aan of verplichtingen in het kader van de civiele verdediging alleen aan Nederlanders kunnen worden opgelegd, of ook aan niet-Nederlandse ingezetenen. De overeenkomende bepalingen die eerder in de Grondwet een plaats hadden, lieten de mogelijkheid open dat aan niet-Nederlanders verplichtingen zouden worden opgelegd. Het voormalige artikel 97 Grondwet (hierboven vermeld) sprak zelfs uitdrukkelijk van Nederlanders en andere ingezetenen. Aangenomen mag worden dat verplichtingen in het kader van de civiele verdediging indien dat nodig en wenselijk zou zijn ook aan niet-Nederlandse ingezetenen kunnen worden opgelegd.

2. Relevante verdragsbepalingen

De Grondwet maakt het de wetgever mogelijk bepaalde verplichtingen op te leggen aan niet-militairen; dergelijke verplichtingen kunnen worden gezien als een vorm van gedwongen arbeid. Enkele verdragen kennen een verbod van gedwongen tewerkstelling. Zo verbiedt artikel 4, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden dwangarbeid en verplichte arbeid. Het derde lid van die bepaling geeft echter aan dat niet als dwangarbeid worden beschouwd onder meer militaire dienstplicht en vervangende dienstplicht (onder b), diensten gevorderd in het geval van een noodtoestand of ramp (onder c) en elk werk of elke dienst die deel uitmaakt van de normale burgerplichten (onder d). Daarmee lijken de verplichtingen waarop de grondwettelijke bepaling betreffende de civiele verdediging doelt, buiten de reikwijdte van artikel 4 EVRM te vallen.
 
Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie kent een wat andere formulering van hetzelfde verbod. Artikel 5, tweede lid, van het Handvest verbiedt, zonder enige reserve, dwangarbeid en verplichte arbeid. Een beperking van de werkingssfeer van die bepaling zoals in het EVRM is opgenomen, is daarin niet met zoveel woorden opgenomen. Wel bepaalt artikel 52, derde lid, van het Handvest dat de reikwijdte van rechten in het Handvest die corresponderen met bepalingen in het EVRM een overeenkomende reikwijdte hebben. Artikel 52 van het Handvest maakt het voorts mogelijk dat bij de wet beperkingen worden gesteld aan de uitoefening van alle rechten en vrijheden die het Handvest beschermt indien dat noodzakelijk is in het algemeen belang of om de rechten van anderen te beschermen. Ook de wetgeving die uitvoering geeft aan artikel 99a zal, wanneer het Handvest van toepassing zou zijn, de noodzakelijkheidstoets moeten kunnen doorstaan.

3. Jurisprudentie

Ons is geen relevante rechtspraak bekend.


4. Literatuur

Een algemene schets van het fenomeen civiele verdediging is te vinden in:
-     T. van Merwijk, Civiele verdediging in het tijdperk van de wederopbouw, Categoraal onderzoek wederopbouw 1940-1965, Zeist 2007.
-     L. ten Cate, E.R. D’Engelbronner, Civiele verdediging, Ivio: 1967

5. Historische versies

Art. 181, tweede volzin, Gw 1887:
De wet regelt den verplichten krijgsdienst. Zij regelt ook de verplichtingen, die aan hen, die niet tot de zee- of landmacht behooren, ten aanzien van ’s Lands verdediging opgelegd kunnen worden. (art. 180, tweede volzin, Gw 1917; art. 182, tweede volzin, Gw 1922; artikel 188, tweede volzin, Gw 1938; art. 195, tweede volzin, Gw 1953)
Art. 98, derde lid, tweede volzin, Gw 1983:
Zij regelt ook de verplichtingen die aan hen, die niet tot de krijgsmacht behoren, ten aanzien van 's lands verdediging opgelegd kunnen worden.
 

Noten

  1. Zo valt op te maken uit Hand. II 1997/98, p. 3257.
  2. Rijkswet van 5 maart 1998, Stb. 138 (eerste lezing).
  3. Hand. II 1997/98, p. 3250 en p. 3255.
  4. Kamerstukken I 1997/98, 25 367 (R1593), nr. 226b, p. 3.
  5. Kamerstukken II 1997/1998, 25 567 (R1593), nrs. 9 (amendement-Koekkoek) en 13 (amendement-Te Veldhuis); samengevoegd in nr. 16.
  6. Kamerstukken I 1999/2000, 26 243 (R1622), nr. 165a, p. 5.
  7. Kamerstukken I 1999/2000, 26 243 (R 1622), nr 165a, p. 3.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams, Commentaar op artikel 99a van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2019 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Civiele verdediging

De wetgever kan aan mensen verplichtingen opleggen in verband met de civiele verdediging. Daarmee worden niet-militaire maatregelen bedoeld ter bescherming van de bevolking en haar bezittingen wanneer zich een natuurramp, oorlogsgeweld of een andere noodtoestand voordoet.
 
Het kan dan bijvoorbeeld gaan om de inzet van artsen en verplegend personeel op plaatsen waar dat dringend nodig is, de inzet van burgers bij het in stand houden van verbindingen over de weg en het water of het herstel en de verzekering van de drinkwater- en energievoorziening. De besturen van gemeenten en provincies zijn bevoegd de civiele verdediging voor te bereiden.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Civiele verdediging

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Civiele verdediging

Over dit artikel zijn ons geen belangrijke en ‘klassieke’ rechterlijke uitspraken bekend.
Recente rechtspraak

Civiele verdediging

Over dit artikel zijn ons geen recente rechterlijke uitspraken bekend.
Politiek

Civiele verdediging

Video
Blogs
IN DE WERELD
Blogs

Civiele verdediging

In de wereld

Civiele verdediging