18.05.2017

Marlotte van Dael en Caia Vlieks

TAGS
REAGEER!

BLOG

#LOCKEDINLIMBO – Ook Nederland kan de detentie van staatlozen stoppen

Na voor de vijfde keer in vreemdelingenbewaring te hebben gezeten, staat Ivan uit de voormalige Sovjet-Unie weer op straat. Of is het de zesde keer? Hij is de tel kwijtgeraakt. Ivan is geboren in wat nu Oezbekistan is. Nadat hij in 1990 is gevlucht, is hij via meerdere landen uiteindelijk in begin 2000 in Nederland aangekomen. Tot nu toe heeft hij hier bijna vier jaar van zijn leven doorgebracht in vreemdelingendetentie. De eerste keer werd hij opgepakt omdat hij geen ID kon tonen toen hij over straat liep, wat vervolgens het begin was van een vicieuze cirkel. De Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) heeft ontelbare pogingen gedaan om Ivan uit te zetten. Hij volgde de instructies van DT&V en schreef naar zowel de Russische als Oezbeekse ambassades. Helderheid over de status van deze pogingen kreeg hij niet, en uitzetting bleek na maanden wachten in detentie telkens onmogelijk. Zelf geeft hij aan: “Etnisch Russisch, geboren in Oezbekistan, afkomstig uit een land dat nu bestaat uit 17 landen. Ik weet niet wie ik ben”. Het wordt Ivan niet toegestaan om legaal in Nederland te verblijven en een toekomst op te bouwen. Zonder erkenning van zijn staatloosheid is de vrijheid van Ivan te vaak afgenomen voor pogingen tot uitzetting waarop het zicht simpelweg niet bestaat.
 
Tegelijkertijd is individuele vrijheid een van de fundamenten van onze democratische rechtsstaat. Dat iemand niet zomaar kan worden beroofd van zijn of haar vrijheid door in detentie te worden geplaatst is daar een duidelijk uitvloeisel van. Dit is tevens neergelegd in artikel 5 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) door middel van een recht op vrijheid en veiligheid. Echter, zoals bovenstaande casus laat zien, worden ook in Nederland personen in vreemdelingendetentie geplaatst zonder dat er zicht is op uitzetting. Het is aan de situatie van staatlozen – personen die van geen enkel land de nationaliteit bezitten – namelijk inherent dat er in principe geen land is wat zich voor hen verantwoordelijk zal voelen of wat hen terug zal nemen, aangezien zij door geen enkel land als burger worden beschouwd. Enkel in een uitzonderlijk geval zal een land van eerder, legaal verblijf bereid zijn om een dergelijke persoon te accepteren, maar in veel gevallen is dat niet zo. Als ook het land waar de staatloze zich in bevindt geen verantwoordelijkheid neemt, is een leven in limbo het gevolg.
 
ASKV / Steunpunt Vluchtelingen en het European Network on Statelessness (ENS) hebben in het kader van een internationaal onderzoek naar de detentie van staatlozen – Protecting Stateless Persons from Arbitrary Detention – onderzoek gedaan naar de situatie in Nederland. Ondanks dat er in de laatste jaren in Nederland goede ontwikkelingen te zien zijn met betrekking tot dit onderwerp, laat het onderzoek zien dat ten aanzien van de detentie van staatlozen in Nederland nog veel zorgpunten bestaan. Een belangrijk punt volgens het onderzoek is dat de Nederlandse autoriteiten niet erkennen dat staatloosheid betekent dat terugkeer doorgaans onmogelijk is, nu dit in hun status als staatloze besloten ligt. Iemand mag echter alleen in detentie worden geplaatst wanneer er zicht op uitzetting is. Dit brengt met zich mee dat er voordat een dergelijk besluit wordt genomen, eerst moet worden vastgesteld of betrokkene al dan niet staatloos is. Vooralsnog ontbreekt in Nederland een procedure om staatloosheid vast te stellen, maar er zijn wel plannen om deze te introduceren. Een goed functionerende vaststellingsprocedure zou een zeer belangrijke rol kunnen spelen in het voorkomen van (arbitraire) detentie van staatlozen die niet kunnen worden uitgezet. Het onderzoek doet verschillende aanbevelingen ten aanzien van de identificatie van staatlozen, maar vestigt daarnaast onder andere de aandacht op alternatieven voor detentie en de zorgelijke leefomstandigheden in detentiecentra – bijvoorbeeld het gebrek aan toegang tot werk of onderwijs.
 
Het internationale onderzoek van ENS naar de detentie van staatlozen, uitgevoerd in zes Europese landen,[1] laat zien dat ook in andere landen staatlozen worden geconfronteerd met lange periodes van detentie zonder dat er zicht is op uitzetting. ENS vindt dat dit moet stoppen en roept Europese staten op om meer te doen om de arbitraire detentie van staatlozen te voorkomen. In het nieuwe rapport Protecting Stateless Persons from Arbitrary Detention: An Agenda for Change en bijbehorende oproep, mede ondertekend door de auteurs van dit stuk, wordt dit meer concreet gemaakt. Het vraagt staten hun internationale verplichtingen[2] ten aanzien van staatlozen te vervullen door proactieve maatregelen te nemen om hen te beschermen tegen onrechtmatige en willekeurige detentie en hun fundamentele rechten en vrijheden te waarborgen. Het rapport doet vijf heldere aanbevelingen voor hervorming van wet- en regelgeving, beleid en praktijk, zodat deze in lijn kunnen worden gebracht met internationale mensenrechtennormen. Staten kunnen de arbitraire detentie van staatlozen in Europa beëindigen door:
 
1.    Een reeks van alternatieven voor detentie te implementeren die in lijn zijn met internationale normen en ‘good practice’, evenals het verbeteren van richtlijnen zodat staatloosheid wordt meegewogen als relevante factor in detentiebesluiten en dat dergelijke besluiten voldoen aan de internationale normen inzake het verbod op arbitraire detentie.
2.    Vaststellingsprocedures voor staatloosheid ontwikkelen die in lijn zijn met internationale normen en ‘good practice’, die toegankelijk zijn voor iedereen binnen de jurisdictie van een staat (inclusief personen in detentie), en die staten in staat stellen om staatlozen te identificeren en hen bescherming te bieden.
3.    Waarborgen en mechanismen introduceren om de rechten van elk individu te beschermen, om op kwetsbaarheden te kunnen reageren en discriminatie te voorkomen, onder andere door de detentie van kinderen te verbieden en discriminatie op grond van geslacht of handicap te bestrijden.
4.    De integratie in de gemeenschap en maatschappij bevorderen door bescherming te bieden tegen herhaalde detentie, evenals het voorzien in toegang tot basisrechten en –vrijheden wanneer men in afwachting is van vaststelling van een status en het bieden van regularisatie en gefaciliteerde naturalisatie voor staatlozen die als zodanig zijn erkend.
5.    Verbetering van de rapportage over staatloosheid, accountability inbouwen in de systemen en processen in vreemdelingendetentie, statistieken publiceren, en toegang faciliteren voor onafhankelijke toezichtsorganen, juristen, etc.
 
Nederland heeft hierin nog een aantal belangrijke stappen te zetten. Zo dient staatloosheid mee te worden gewogen bij detentiebesluiten, waar op dit moment nog geen sprake van is. Mede hierdoor belanden staatlozen zoals Ivan herhaaldelijk in uitzichtloze vreemdelingenbewaring. Daarnaast schiet het huidige wetsvoorstel voor een vaststellingsprocedure staatloosheid tekort en voldoet het niet aan de internationale normen en ‘good practice’. Een van de zorgwekkendste gebreken aan het huidige wetsvoorstel is het ontbreken van toekenning van legaal verblijf nadat staatloosheid is vastgesteld. Daarnaast is de overheid ook niet voornemens om een identiteitsdocument af te geven na vaststelling van staatloosheid. Dit belemmert de integratie van staatlozen en de toegang tot basisvoorzieningen. In bijzonder met het oog op het recht op vrijheid houdt dit de huidige problematische situatie in stand en lopen staatlozen zoals Ivan in Nederland nog steeds het risico om opnieuw in vreemdelingendetentie te worden geplaatst omdat zij zich niet kunnen identificeren. Ivan heeft het recht op een toegankelijke, goed functionerende, en eerlijke vaststellingsprocedure, waarna hij na erkenning van staatloosheid aanspraak zou moeten kunnen maken op legaal verblijf en gefaciliteerde naturalisatie. Alleen op deze manier heeft hij, en andere staatlozen in Nederland, de mogelijkheid om zijn leven in limbo te beëindigen en te werken aan een toekomst. 


[1]Bulgarije, Malta, Nederland, Oekraïne, Polen, Verenigd Koninkrijk.
[2]Zie o.a. art. 9 IVBPR, art. 5 EVRM, art. 15 EU Terugkeerrichtlijn. 

GRONDWET ARTIKELEN

OVER DE AUTEUR

Marlotte van Dael is project coördinator en onderzoeker bij ASKV / Steunpunt Vluchtelingen in Amsterdam. Caia Vlieks is als docente en promovenda verbonden aan Tilburg Law School.

Reacties

Reageer!

Vul uw reactie hier in

* Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar, er kan enige tijd overheengaan tot uw reactie zichtbaar is.