Terug naar overzicht

Another One Bites the Dust? Britse bestuurscrisis sleept voort: systemische problemen dreigen Whitehall te verlammen


Afgelopen woensdag werd in het Verenigd Koninkrijk het nieuwe parlementaire jaar traditioneel ingeluid met de King’s Speech: het moment waarop de Britse regering via de mond van de monarch de speerpunten voor het komende jaar uiteenzet. Ondanks alle toeters en bellen die daarbij komen kijken stond koning Charles dit jaar niet bepaald in het centrum van de belangstelling. Meer aandacht ging uit naar de politieke crisis die het Verenigd Koninkrijk momenteel in zijn greep houdt. Directe aanleiding voor deze crisis waren de lokale verkiezingen van 7 mei, waarbij Labour door het hele land verpletterende nederlagen moest slikken. Afgelopen week liep het aantal backbenchers dat premier Keir Starmer opriep om te vertrekken op tot boven de tachtig. Ook binnen de regering werd de positie van Starmer ter discussie gesteld – Wes Streeting, een van de mogelijke uitdagers van Starmer voor het premierschap, zegde publiekelijk het vertrouwen in Starmer op en legde zijn functie van Minister van Volksgezondheid neer. De positie van Starmer lijkt moeilijk houdbaar. Dat hij ondanks alles nog niet is gedwongen af te treden, vormt aanleiding voor een reflectie op de structurele uitdagingen waarmee het Verenigd Koninkrijk wordt geconfronteerd.

De positie van Starmer is kwetsbaar, maar nog niet verloren. Een van de voordelen die Starmer op dit moment heeft is dat zijn meest zichtbare rivaal, Streeting, afkomstig is van de rechterzijde van de partij, terwijl de gedoodverfde kandidaat van linkerzijde, Andy Burnham, momenteel niet in het parlement zit, en zich niet kan mengen in de strijd. Om tijd te rekken zou de linkerzijde Starmer wel eens in het zadel kunnen houden om een van hun kampioenen de kans te geven terug te keren in het parlement. Om zijn positie niet te verzwakken heeft Starmer dit eerder geblokkeerd, maar Burnham lijkt deze keer wél groen licht te krijgen van de premier om mee te dingen naar een zetel in het Lagerhuis.

Met deze tactische manoeuvre gaat Starmer de grotere oorlog echter niet winnen. De sterkste troef die hij in handen heeft is dat zijn impopulariteit hem maar voor een deel persoonlijk valt aan te rekenen. Hij is niet als enige besmet door de affaire rondom Peter Mandelson, die in het verleden nauwe banden had met Streeting. Daarnaast zijn andere problemen meer systemisch van aard, en worden ze niet opgelost door hem te vervangen – sterker nog, ze kunnen erdoor worden verergerd.

Politieke uitdagingen: de terreur van de markten

Parliament is sovereign, en heeft volgens de befaamde woorden van Dicey “the right to make or unmake any law whatever”. Deze frase wordt vaak aangehaald om te benadrukken dat het parlement, en niet de rechter, in het Verenigd Koninkrijk aan het langste eind trekt. Maar de gevaarlijkste tegenspeler van het parlement draagt op dit moment geen pruik, maar een krijtstreep pak. Chargerend kan men zeggen dat Parliament juridisch gezien weliswaar vrij spel heeft, maar politiek gezien onder curatele staat van de financiële markten. James Carville, campagnestrateeg van Bill Clinton, deed ooit de gevleugelde uitspraak dat hij in een volgend leven zou willen reïncarneren als de obligatiemarkt: “You can intimidate everybody.” Ook His Majesty’s Government is kwetsbaar: het financieel-economisch plan dat de regering-Truss in 2022 presenteerde veroorzaakte dermate grote onrust op de markten dat Chancellor Kwasi Kwarteng, en later ook premier Liz Truss, gedwongen werden af te treden. De Britse regering wordt op deze manier gedisciplineerd door de financiële markten.

De tegenvallende economische groei en hardnekkige begrotingstekorten hebben de uitgangspositie van het Verenigd Koninkrijk de afgelopen jaren niet versterkt. Labour heeft zich in de personen van Starmer en de eveneens historisch impopulaire Chancellor Rachel Reeves daarom gecommitteerd aan een (relatief) streng begrotingsbeleid om de financiële markten in toom te houden. Dit betekent dat de financiële speelruimte zeer beperkt is. Die beperkte ruimte dreigt nu helemaal te worden ingevuld door stijgende rentekosten, een gevolg van de oorlog in het Midden-Oosten, én van de ontstane politieke onrust. De rente die het Verenigd Koninkrijk betaalt op zijn langlopende staatsobligaties, de thirty-year gilt yield, liep afgelopen week op tot het hoogste niveau sinds 1998.

Het gevaar is dat een vicieuze cirkel ontstaat waarin politieke onrust hogere rentes veroorzaakt, waardoor de politieke onrust toeneemt, wat de rentes doet stijgen, et cetera. Ondertussen waarschuwt de Financial Times, spreekbuis van het grootkapitaal, dat enkel het idee van Burnham-als-premier de rentekosten nog verder zal doen stijgen. Het sterkste argument van Starmer is dan ook dat met een wisseling aan de top de structurele uitdagingen waar het Verenigd Koninkrijk zich voor gesteld ziet nog groter worden. Stabiliteit is nodig om weer vertrouwen te krijgen van de financiële markten. Dit pleidooi zal binnen de parlementaire fractie van een sociaaldemocratische partij weinig harten in beroering brengen, maar het kan onder de parlementariërs een angstreflex oproepen die ertoe leidt dat Starmer bij gebrek aan beter voorlopig aan de macht blijft. Een sociaaldemocraat hoeft niet te worden overtuigd van de macht van het kapitaal.

De hier beschreven dynamiek doet denken aan het befaamde globalization trilemma van Dani Rodrik: democratie, soevereiniteit en globalisering zijn niet compatibel; één zal het onderspit moeten delven. Terwijl het Verenigd Koninkrijk na het vertrek uit de EU verwoed vasthoudt aan zijn soevereiniteit lijkt de macht van de financiële markten nu de democratische besluitvorming in het nauw te brengen. Deze spanningen bieden mogelijk ook een verklaring voor het succes van partijen als Reform UK, die zich expliciet afzetten tegen globalisering – en het vertrek van Starmer lost deze spanningen niet op.

Electorale instabiliteit: de ondergang van het tweepartijenstelsel

Een andere uitdaging waar een opvolger van Starmer mee om zou moeten gaan is de erosie van het tweepartijenstelsel. Starmer was nooit buitengewoon populair; dat Labour onder zijn leiding desalniettemin meer dan 63% van de zetels won bij de afgelopen verkiezingen was voor een groot deel te wijten aan de bijzondere cocktail van politieke verdeeldheid en het Britse districtenstelsel. De partij behaalde dit indrukwekkende resultaat terwijl ze tegelijkertijd niet verder kwam dan een derde van het aantal stemmen.

De afbraak van het tweepartijenstelsel is de afgelopen jaren in een stroomversnelling beland, maar het proces is al decennialang gaande. We denken van oudsher over het Verenigd Koninkrijk als een land met een sterk tweepartijenstelsel, maar de twee ‘traditionele’ partijen, Labour en de Conservatieven, hebben samen al lang een beduidend zwakkere greep op het electoraat dan bijvoorbeeld de Democraten en Republikeinen in de Verenigde Staten. Begin jaren tachtig dreigde de SDP-Liberal Alliance bijvoorbeeld de twee partijen te overvleugelen. Ook later zou de Alliance – en haar opvolger, de Liberal Democrats – bij tijd en wijlen een serieuze bedreiging vormen voor het duopolie van Labour en de Conservatieven. Vanwege het succes van de Liberal Democrats slaagden Labour en de Conservatieven er in 2010 allebei niet in zelfstandig een meerderheid te behalen en kreeg het Verenigd Koninkrijk een heuse regeringscoalitie.

Er zaten dus al de nodige ‘barstjes’ in het tweepartijenstelsel, die nu zijn uitgegroeid tot fikse scheuren. Er zijn momenteel vijf partijen die procentueel in de dubbele cijfers peilen: Labour en de Conservatieven schommelen gezamenlijk nog maar rond de veertig procent. Reform UK, het huidige vehikel van Nigel Farage, gaat aan de leiding. Het is niet ondenkbaar dat deze partij straks met een kwart van de stemmen een ruime meerderheid in de Commons behaalt, en Farage zijn intrek neemt in No. 10.

De kans is echter ook aanwezig dat het land simpelweg onbestuurbaar wordt, omdat geen van de partijen in de buurt komt van een meerderheid. Een onderbelichte factor in dat verband is de kracht van regionale partijen. Het Britse districtenstelsel maakt het makkelijker voor partijen om zelfstandig een meerderheid te halen, maar ook regionale partijen kunnen profiteren van deze dynamiek en een doorslaggevende rol spelen in Westminster. Zo won de Schotse SNP in 2015 maar liefst 56 van de 59 Schotse zetels – 4,7% van de totale stemmen vertaalde zich in 8,6% van de totale zetels. Noord-Ierse zetels worden traditioneel gewonnen door Noord-Ierse partijen. En ook in Wales lijkt bij de volgende verkiezingen de lokale Plaid Cymru een groot deel van de zetels te gaan winnen; de partij werd vorige week voor het eerst de grootste bij de verkiezingen voor het Welsh parlement en vormt in Wales inmiddels een minderheidsregering.

Het zou niet nieuw zijn dat regionale partijen een sleutelrol spelen – zo sloot de kleine Noord-Ierse DUP in 2017 een gedoogovereenkomst met de Conservatieve minderheidsregering van Theresa May. Regionale partijen kunnen de politieke instabiliteit en versplintering echter ook aangrijpen om straks aanvullende (constitutionele) eisen te stellen ten aanzien van bevoegdheidsverdeling, en in het geval van Schotland kan ook de eis van een nieuw onafhankelijkheidsreferendum op tafel komen te liggen. De territoriale integriteit van het Verenigd Koninkrijk komt dan op het spel te staan. Dat maakt het lastig om een regeringscoalitie te smeden met zulke nationalistische partijen.

Afscheid nemen van het districtenstelsel en overstappen naar een verdeling van de zetels middels evenredige vertegenwoordiging wordt soms genoemd als een oplossing die de heftige swings tussen verkiezingen kan verkleinen en voor een zekere politieke stabiliteit kan zorgen. Als we kijken naar het lot van Labours sociaaldemocratische zusterpartijen in Nederland of Frankrijk wordt echter duidelijk waarom dit niet per se aantrekkelijk voor Labour hoeft te zijn. De partij heeft bewezen dat ze onder de huidige spelregels onder het juiste gesternte een meerderheid kan halen. Onder evenredige vertegenwoordiging is dat ondenkbaar, en kan Labour juist gemakkelijk gemarginaliseerd worden, gepasseerd door de Greens op links en de LibDems op rechts. Het reële gevaar van een mogelijke premier Farage kan een prikkel zijn om deze positie te heroverwegen – maar ook onder evenredige vertegenwoordiging zou Farage nog steeds goede kaarten hebben om (samen met de Conservatieven) een regering te vormen.

Conclusie

De kans dat Starmer deze storm overleeft en bij de volgende verkiezingen opnieuw het vaandel van Labour draagt lijkt nihil. Dat hij ondanks zijn historische impopulariteit nog niet eerder door zijn fractie uit Downing Street is gesleept laat echter zien dat men zich bewust is van het feit dat het Verenigd Koninkrijk kampt met structurele bestuursproblemen. Misschien dat Starmer de zondebok is die Labour nodig heeft, en kan zijn opvolger met een schone lei aan de slag nadat Starmer is geofferd op het altaar van de politieke wetmatigheden. Maar deze opvolger zal het roer moeilijk om kunnen gooien. Het parlement mag dan wel soeverein zijn, de Britse politiek kent smalle marges. Nieuwe teleurstellingen liggen op de loer. Gekoppeld aan de ondergang van het tweepartijstelsel dreigt daarmee een nieuwe periode van instabiliteit. Als de opvolger van Starmer binnen twee maanden aantreedt zal deze persoon de zevende premier in tien jaar zijn. De volgende zal misschien niet lang op zich laten wachten.

Over de auteurs

Kas de Goede

Kas de Goede is promovendus bij de sectie Staats- en bestuursrecht van de Universiteit van Amsterdam

Reacties

Andere blogs van Kas de Goede
Winteravonden: film, grondwet en rechtsstaat
#10: Lessen uit The Favourite: de vorst in het Witte Huis
Constitutionele politiek en het rapport van de NOvA-commissie
Het controversiële karakter van de controversieelverklaring