Onverminderd serieuze tekortkomingen in de informatievoorziening aan de Tweede Kamer. Wat hieraan te doen?
I.
In een democratische rechtsstaat behoren de drie staatsmachten, regering, parlement en rechterlijke macht, elkaar wederzijds te controleren en in evenwicht te houden. Het parlement oefent in een parlementaire democratie via de ministeriële verantwoordelijkheid controle uit op de regering en het overheidsbestuur. Op deze wijze kan het parlement erop toezien dat de overheid doelmatig en op juiste wijze de wet toepast en handhaaft, en overeenkomstig het recht handelt. Een goed functionerende parlementaire controle is daarmee een onmisbaar vereiste voor verwezenlijking van een democratische rechtsstaat.
II.
De parlementaire controlefunctie is in de Grondwet verankerd in art. 42 Gw (ministeriële verantwoordelijkheid), art. 68 Gw (inlichtingenplicht) en art. 70 Gw (enquêterecht). Wat de parlementaire controlefunctie in de praktijk precies inhoudt, valt uit deze grondwetsbepalingen niet af te leiden. In de loop der jaren hebben opeenvolgende kabinetten in de praktijk sterk wisselende opvattingen gehuldigd over de reikwijdte van de ministeriële verantwoordelijkheid van art. 42 Gw en de invulling van de ministeriële inlichtingenplicht van artikel 68 Gw. Nu eens volgden kabinetten een lijn van ruimhartige informatievoorziening aan het parlement, dan weer werd een restrictieve lijn gekozen.
Over de reikwijdte van de inlichtingenplicht bestaat van oudsher veel onduidelijkheid. Nog niet zo heel lang geleden ontstond ten tijde van het derde kabinet-Rutte (2017-2021) een oplopende controverse over de reikwijdte van de inlichtingenplicht. In die tijd stelde de regering zich op het standpunt dat beleidsnotities van ambtenaren buiten de informatievoorziening aan de Tweede Kamer vielen. De Kamer werd in verschillende dossiers in die jaren geconfronteerd met onjuiste en onvolledige informatieverstrekking. Het rapport ‘Ongekend onrecht’ (2020) bracht pijnlijk aan het licht hoe ontoereikende informatievoorziening aan de Tweede Kamer een van de oorzaken was van falend overheidsbeleid in de Kinderopvangtoeslagaffaire. Het derde kabinet-Rutte kondigde daarop aan het roer op het punt van de informatievoorziening drastisch om te gooien.
Het kabinet wilde voortaan een radicaal ruime informatievoorziening aan de Tweede Kamer bevorderen. Op het punt van openbaarmaking van ambtelijke stukken werd een ingrijpende koerswijziging aangekondigd. Voortaan zou een minister niet langer een beroep doen op de verschoningsgrond van art. 68 Gw ‘het belang van de staat’ om interne ambtelijke stukken te onthouden aan de informatievoorziening aan de Kamer.
In de jaren daarna heeft de voorgenomen open bestuursstijl hoofdzakelijk gestalte gekregen door de introductie van zogeheten beslisnota’s van ambtenaren bij besluiten die een minister ter kennis brengt van de Kamer.
III.
Een open bestuursstijl is de afgelopen jaren echter niet tot ontwikkeling gekomen. De aangekondigde radicaal ruime informatievoorziening is niet gerealiseerd. Al te vaak komt het nog altijd voor dat de Tweede Kamer onvolledig en onjuist wordt geïnformeerd. De parlementaire controlefunctie vertoont onverkort ernstige tekortkomingen.
De laatste jaren laten in een reeks van incidenten zien, dat bewindspersonen allerminst hun inlichtingenplicht in het kader van de bevordering van een open bestuursstijl gestalte geven. Over de lotgevallen van het kabinet-Schoof berichtte ik al eerder in Nederland Rechtsstaat. Voor wat betreft de tekortkomingen in de informatievoorziening sinds de laatste Tweede Kamerverkiezingen van 2025 valt het volgende op te merken.
Meerdere bewindspersonen moesten het afgelopen jaar diep door het stof, omdat zij de Kamer onvolledig en onjuist hadden geïnformeerd.
In augustus van dit jaar boden de beide staatssecretarissen van Financiën, Sandra Palmen (Toeslagen, partijloos) en Eelco Eerenberg (Financiën, D66) namens het kabinet excuses aan voor de trage informatievoorziening rond een teruggevonden ‘datakluis’ met gevoelige informatie bij de Belastingdienst. In juli 2026 bleek binnen de Belastingdienst dat een groot aantal bestanden in 2022 niet was gedeeld met de parlementaire enquêtecommissie die de totstandkoming van het Toeslagenschandaal onderzocht. Met waarschuwingen van ambtelijke zijde dat er in de datakluis relevante gegevens lagen voor de enquêtecommissie, werd niets gedaan. Ambtenaren drongen er intern in november 2025 op aan de Kamer hierover te informeren, maar dat gebeurde pas in april 2026.
Minister van Weel van Justitie en Veiligheid kwam in de Kamer in september 2026 onder vuur te liggen toen de Algemene Rekenkamer meldde dat ruim tienduizend aangiften van ernstige misdrijven niet in behandeling waren genomen door het OM. De Rekenkamer constateerde dat de minister de Kamer op het verkeerde been had gezet.
Het ministerie van Defensie is de laatste jaren meermaals in gebreke gebleven om de Kamer adequaat te informeren. In februari 2026 concludeerde demissionair minister van Defensie Brekelmans dat de informatievoorziening aan de Kamer met betrekking tot de Nederlandse wapeninzet tegen een ISIS bommenfabriek in 2015 in het Iraakse Hawija, met veel burgerslachtoffers tot gevolg, gebrekkig en niet transparant is geweest. De onderzoekscommissie Sorgdrager oordeelde eerder dat opeenvolgende kabinetten en bewindspersonen de Tweede Kamer jarenlang onjuist, onvolledig of te laat informeerden over de werkelijke impact en de burgerslachtoffers.
Op het punt van de Defensienota 2026 wordt de laatste maanden eveneens geklaagd over gebrekkige informatievoorziening aan de Kamer. De nota is vaag en ontbeert details en concrete plannen. De betrokken bewindspersonen zijn uit veiligheidsoverwegingen slechts bereid de Kamer vertrouwelijk te informeren, waardoor reguliere en effectieve parlementaire verantwoording en controle niet mogelijk is. Het is de vraag of dat beroep op veiligheidsargumenten gerechtvaardigd is.
Ook bij andere ministeries is de informatievoorziening aan de Kamer bepaald niet op orde. Zo berichtte NRC in september jongstleden dat het ministerie van Justitie en Veiligheid bij ongeveer de helft van de wetsvoorstellen en -wetswijzigingen niet of onvolledig toetst hoe de nieuwe maatregelen in de praktijk uitwerken, zodat informatievoorziening aan de Kamer op dit punt achterwege blijft. Het onderzoekscollectief Follow the Money berichtte in diezelfde maand dat het ministerie van Binnenlandse zaken sinds enige tijd voor bewindspersonen een constitutionele toets uitvoert over wetsvoorstellen, maar de bevindingen daarvan niet deelt met het parlement.
Zoals gezegd, volstaan bewindspersonen bij de bevordering van de open bestuurscultuur tegenwoordig hoofdzakelijk met toezending van ambtelijke beslisnota’s aan de Kamer. In de beslisnota zijn, als het goed is, de ambtelijke overwegingen, alternatieven, relevante feiten en risico’s op een rij gezet voor de bewindspersoon. Of die nota’s daadwerkelijk een goed inzicht geven in de gemaakte afwegingen bij besluitvorming is de vraag. Niet zelden zijn de definitieve beslisnota’s, bestemd voor het parlement, weinigzeggend en vooral samenvattingen van beleidspunten. Naar verluidt komt het voor dat ambtenaren aan de concept-beslisnota’s memo-stickers voor de bewindspersoon toevoegen met beleidsoverwegingen, die dan vervolgens niet meegaan met de definitieve nota voor het parlement.
Andere relevante documenten dan de definitieve beslisnota’s worden op zichzelf niet vrijgegeven. Zoals hiervoor bleek, komt het regelmatig voor dat bewindspersonen, ondanks ambtelijk aandringen hierop, informatievoorziening voor het parlement tegenhouden of vertragen.
IV.
De vraag is hoe de positie van de Tweede Kamer op het punt van verantwoording en informatievoorziening daadwerkelijk verder versterkt kan worden. Duidelijk is dat bewindspersonen nog altijd de Kamer al te vaak onvolledig en onjuist informeren. Weliswaar wordt dat onjuist informeren in het parlement als een ‘politieke doodzonde’ ervaren, maar slechts heel zelden betekent het dat de bewindspersoon in kwestie moet aftreden omdat de Kamer het vertrouwen opzegt of dreigt op te zeggen. Regelmatig komt het voor dat pas achteraf, na het vertrek van de bewindspersoon, blijkt dat hij of zij de Kamer onjuist heeft geïnformeerd. De sanctie van de vertrouwensregel is kortom geen effectief middel om ernstige tekortkomingen in de informatievoorziening tegen te gaan.
De volgende maatregelen zouden naar mijn mening een bijdrage kunnen leveren aan een daadwerkelijke versterking van de informatievoorziening in het parlement.
Ten eerste is het van belang duidelijkheid te bieden en zekerheid te verschaffen omtrent de reikwijdte van de inlichtingenplicht van art. 68 Gw. Aangezien kabinetten en afzonderlijke bewindspersonen een wisselend beleid volgen op het punt van (openbare) informatievoorziening, en het parlement daartegen in de praktijk weinig kan doen, is er veel voor te zeggen om wettelijke regels vast te leggen ter uitvoering van art. 68 Gw, waaraan bewindspersonen (en Kamers) gebonden zijn. Zo’n Wet inlichtingenplicht bewindspersonen legt de verplichting vast voor bewindspersonen om gevraagd én ongevraagd verantwoording af te leggen, om onderliggende departementale nota’s bij Kamerstukken, die gebruikt zijn bij besluitvorming, over te leggen aan de Kamer, en om andere onderliggende stukken, waarnaar een of meer Kamerleden vragen, ter beschikking te stellen. De wet omschrijft daarnaast limitatief de belangen die kunnen gelden als het belang van de staat, de weigeringsgrond in art. 68 Gw. Te overwegen is om in de wet bovendien op te nemen dat de Kamer uiteindelijk beslist of een beroep op het belang van de staat door een bewindspersoon in stand kan blijven.
Daarnaast zou een versterking van de informatiepositie van de Kamer bereikt kunnen worden, wanneer de Kamer zonder tussenkomst van bewindspersonen ambtenaren hoort over aangelegenheden van wetgeving of beleid. In het dagelijkse verkeer is slechts de bewindspersoon verantwoording schuldig aan het parlement. Contacten tussen Kamer en ambtenaren zijn slechts beperkt mogelijk. De bewindspersoon beslist of mondelinge of schriftelijke contacten met ambtenaren kunnen plaatsvinden (art. 69 Gw). In afwijking van dit uitgangspunt biedt de Wet op de parlementaire enquête 2008 de mogelijkheid om in het kader van de algemene medewerkingsplicht (art. 9) rijksambtenaren van ministeries als getuige/deskundige te horen. Ambtenaren nemen bij een parlementaire enquête dan een eigenstandige positie in, zie hiervoor de dissertatie van Loeffen.
Sinds enkele jaren gebruikt de Tweede Kamer een variant van de parlementaire enquête, een zogeheten (beknopte) mini-enquête, een verkorte en versnelde vorm van een parlementaire enquête, waarbij getuigen/deskundigen in korte tijd onder ede worden gehoord. De Tweede Kamer kan met toepassing van deze variant haar werkwijze aanpassen en de vaste Kamercommissies de gelegenheid bieden ambtenaren van ministeries op hun beleidsterrein periodiek en incidenteel eigenstandig te horen over de onderwerpen die dan de aandacht vragen.
Ten slotte is het te overwegen om naar Brits voorbeeld de Tweede Kamer te betrekken bij benoemingen in de ambtelijke top van een ministerie, bijvoorbeeld door de vaste Kamercommissies de gelegenheid te bieden kandidaten voor ambtelijke posten op hun beleidsterrein te horen, alvorens zij benoemd worden.
V.
Een daadwerkelijke versterking van de controlefunctie van het parlement en de daaraan gekoppelde informatievoorziening aan het parlement kan bereikt worden door het parlement op deze punten meer armslag te geven.
Reacties