CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • G. Leenknegt
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • A.A.L. Beers en K.T. Meijer
  • B.C. van Beers
  • B.M.J. van der Meulen
  • B.P. Vermeulen
  • B.W.N. de Waard
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • E.J. Janse de Jonge
  • E.J. Koops
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • F. Fleurke
  • F.C.M.A. Michiels
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx en A.C.M. Meuwese
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard en J. Uzman
  • G. Leenknegt
  • G. Overkleeft-Verburg
  • G. van der Schyff en B.M.J. van der Meulen
  • J. Kiewiet en G.F.M. van der Tang †
  • J. Uzman
  • J. Uzman en G. Boogaard
  • J.C.A. de Poorter
  • J.L.M. Gribnau en M.R.T Pauwels
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • J.W.A. Fleuren
  • K.T. Meijer
  • M. Adams
  • Mijke Houwerzijl & Nuna Zekic
  • Mijke Houwerzijl en Frank Vlemminx
  • P. Jacobs
  • S. Daniëls
  • S. Jellinghaus en E. Huisman
  • S.C. van Bijsterveld
  • S.C. van Bijsterveld en B.P. Vermeulen
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • T. Kooijmans
  • T. Peters
  • W. van der Woude
  • W.J.M. Voermans
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

HOOFDSTUK 1

Grondrechten

INLEIDING

Artikel 1 - Gelijke behandeling

Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Artikel 2 - Nederlandschap en vreemdelingen

  1. De wet regelt wie Nederlander is.
  2. De wet regelt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen.
  3. Uitlevering kan slechts geschieden krachtens verdrag. Verdere voorschriften omtrent uitlevering worden bij de wet gegeven.
  4. Ieder heeft het recht het land te verlaten, behoudens in de gevallen, bij de wet bepaald.

Artikel 3 - Gelijke benoembaarheid

Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.

Artikel 4 - Kiesrecht

Iedere Nederlander heeft gelijkelijk recht de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen alsmede tot lid van deze organen te worden verkozen, behoudens bij de wet gestelde beperkingen en uitzonderingen.

Artikel 5 - Petitierecht

Ieder heeft het recht verzoeken schriftelijk bij het bevoegd gezag in te dienen.

Artikel 6 - Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging

  1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 7 - Vrijheid van meningsuiting

  1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- of televisieuitzending.
  3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar regelen ter bescherming van de goede zeden.
  4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.

Artikel 8 - Recht tot vereniging

Het recht tot vereniging wordt erkend. Bij de wet kan dit recht worden beperkt in het belang van de openbare orde.

Artikel 9 - Recht tot vergadering en betoging

  1. Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 10 - Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer

  1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.
  2. De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens.
  3. De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.

Artikel 11 - Onaantastbaarheid van het lichaam

Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.

Artikel 12 - Binnentreden woning

  1. Het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen.
  2. Voor het binnentreden overeenkomstig het eerste lid zijn voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden vereist, behoudens bij de wet gestelde uitzonderingen.
  3. Aan de bewoner wordt zo spoedig mogelijk een schriftelijk verslag van het binnentreden verstrekt. Indien het binnentreden in het belang van de nationale veiligheid of dat van de strafvordering heeft plaatsgevonden, kan volgens bij de wet te stellen regels de verstrekking van het verslag worden uitgesteld. In de bij de wet te bepalen gevallen kan de verstrekking achterwege worden gelaten, indien het belang van de nationale veiligheid zich tegen verstrekking blijvend verzet.

Artikel 13 - Vertrouwelijke communicatie

  1. Het briefgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, op last van de rechter.
  2. Het telefoon- en telegraafgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, door of met machtiging van hen die daartoe bij de wet zijn aangewezen.

Artikel 14 - Onteigening

  1. Onteigening kan alleen geschieden in het algemeen belang en tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander naar bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.
  2. De schadeloosstelling behoeft niet vooraf verzekerd te zijn, wanneer in geval van nood onverwijld onteigening geboden is.
  3. In de gevallen bij of krachtens de wet bepaald bestaat recht op schadeloosstelling of tegemoetkoming in de schade, indien in het algemeen belang eigendom door het bevoegd gezag wordt vernietigd of onbruikbaar gemaakt of de uitoefening van het eigendomsrecht wordt beperkt.

Artikel 15 - Vrijheidsontneming

  1. Buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen.
  2. Hij aan wie anders dan op rechterlijk bevel zijn vrijheid is ontnomen, kan aan de rechter zijn invrijheidstelling verzoeken. Hij wordt in dat geval door de rechter gehoord binnen een bij de wet te bepalen termijn. De rechter gelast de onmiddellijke invrijheidstelling, indien hij de vrijheidsontneming onrechtmatig oordeelt.
  3. De berechting van hem aan wie met het oog daarop zijn vrijheid is ontnomen, vindt binnen een redelijke termijn plaats.
  4. Hij aan wie rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, kan worden beperkt in de uitoefening van grondrechten voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt.

Artikel 16 - Nulla poena

Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.

Artikel 17 - Wettelijk toegekende rechter

Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent.

Artikel 18 - Rechtsbijstand

  1. Ieder kan zich in rechte en in administratief beroep doen bijstaan.
  2. De wet stelt regels omtrent het verlenen van rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen.

Artikel 19 - Werkgelegenheid en arbeidskeuze

  1. Bevordering van voldoende werkgelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de rechtspositie van hen die arbeid verrichten en omtrent hun bescherming daarbij, alsmede omtrent medezeggenschap.
  3. Het recht van iedere Nederlander op vrije keuze van arbeid wordt erkend, behoudens de beperkingen bij of krachtens de wet gesteld.

Artikel 20 - Bestaanszekerheid

  1. De bestaanszekerheid der bevolking en spreiding van welvaart zijn voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de aanspraken op sociale zekerheid.
  3. Nederlanders hier te lande, die niet in het bestaan kunnen voorzien, hebben een bij de wet te regelen recht op bijstand van overheidswege.

Artikel 21 - Milieubescherming

De zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu.

Artikel 22 - Volksgezondheid en woongelegenheid

  1. De overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid.
  2. Bevordering van voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  3. Zij schept voorwaarden voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding.

Artikel 23 - Onderwijs

  1. Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.
  2. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.
  3. Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld.
  4. In elke gemeente wordt van overheidswege voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal openbare scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven, al dan niet in een openbare school.
  5. De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.
  6. Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.
  7. Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.
  8. De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten-Generaal.
HOOFDSTUK 2

Regering INLEIDING

Artikel 24 - Koningschap

Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau.

Artikel 25 - Erfopvolging

Het koningschap gaat bij overlijden van de Koning krachtens erfopvolging over op zijn wettige nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft, met plaatsvervulling volgens dezelfde regel. Bij gebreke van eigen nakomelingen gaat het koningschap op gelijke wijze over op de wettige nakomelingen eerst van zijn ouder, dan van zijn grootouder, in de lijn van erfopvolging, voor zover de overleden Koning niet verder bestaand dan in de derde graad van bloedverwantschap.

Artikel 26 - Status ongeboren kind Koning

Het kind, waarvan een vrouw zwanger is op het ogenblik van het overlijden van de Koning, wordt voor de erfopvolging als reeds geboren aangemerkt. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

Artikel 27 - Afstand koningschap

Afstand van het koningschap leidt tot erfopvolging overeenkomstig de regels in de voorgaande artikelen gesteld. Na de afstand geboren kinderen en hun nakomelingen zijn van de erfopvolging uitgesloten.

Artikel 28 - Afstand koningschap door huwelijk

  1. De Koning, een huwelijk aangaande buiten bij de wet verleende toestemming, doet daardoor afstand van het koningschap.
  2. Gaat iemand die het koningschap van de Koning kan beërven een zodanig huwelijk aan, dan is hij met de uit dit huwelijk geboren kinderen en hun nakomelingen van de erfopvolging uitgesloten.
  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake van een voorstel van wet, strekkende tot het verlenen van toestemming, in verenigde vergadering.

Artikel 29 - Uitsluiting troonopvolging

  1. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden daartoe nopen, kunnen bij een wet een of meer personen van de erfopvolging worden uitgesloten.

  2. Het voorstel daartoe wordt door of vanwege de Koning ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 30 - Benoemde Koning

  1. Wanneer vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal ontbreken, kan deze worden benoemd bij een wet. Het voorstel wordt door of vanwege de Koning ingediend. Na de indiening van het voorstel worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  2. Indien bij overlijden van de Koning of bij afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt, worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers komen binnen vier maanden na het overlijden of de afstand in verenigde vergadering bijeen ten einde te besluiten omtrent de benoeming van een Koning. Zij kunnen een opvolger alleen benoemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 31 - Erfopvolging benoemde koning

  1. Een benoemde Koning kan krachtens erfopvolging alleen worden opgevolgd door zijn wettige nakomelingen.

  2. De bepalingen omtrent de erfopvolging en het eerste lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op een benoemde opvolger, zolang deze nog geen Koning is.

Artikel 32 - Inhuldiging Koning

Nadat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen, wordt hij zodra mogelijk beëdigd en ingehuldigd in de hoofdstad Amsterdam in een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Hij zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt. De wet stelt nadere regels vast.

Artikel 33 - Koningschap en meerderjarigheid

De Koning oefent het koninklijk gezag eerst uit, nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

Artikel 34 - Ouderlijk gezag minderjarige Koning

De wet regelt het ouderlijk gezag en de voogdij over de minderjarige Koning en het toezicht daarop. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 35 - Buiten staat verklaring

  1. Wanneer de ministerraad van oordeel is dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, bericht hij dit onder overlegging van het daartoe gevraagde advies van de Raad van State aan de Staten-Generaal, die daarop in verenigde vergadering bijeenkomen.

  2. Delen de Staten-Generaal dit oordeel, dan verklaren zij dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen. Deze verklaring wordt bekend gemaakt op last van de voorzitter der vergadering en treedt terstond in werking.

  3. Zodra de Koning weer in staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, wordt dit bij de wet verklaard. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Terstond na de bekendmaking van deze wet hervat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag.

  4. De wet regelt zo nodig het toezicht over de persoon van de Koning indien hij buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 36 - Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag

De Koning kan de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk neerleggen en die uitoefening hervatten krachtens een wet, waarvan het voorstel door of vanwege hem wordt ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 37 - Uitoefening koninklijk gezag door regent

  1. Het koninklijk gezag wordt uitgeoefend door een regent:
    a. zolang de Koning de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt;
    b. indien een nog niet geboren kind tot het koningschap geroepen kan zijn;
    c. indien de Koning buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen;
    d. indien de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk heeft neergelegd;
    e. zolang na het overlijden van de Koning of na diens afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt.

  2. De regent wordt benoemd bij de wet. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  3. In de gevallen, genoemd in het eerste lid onder c en d, is de nakomeling van de Koning die zijn vermoedelijke opvolger is, van rechtswege regent indien hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

  4. De regent zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt, in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal. De wet geeft nadere regels omtrent het regentschap en kan voorzien in de opvolging en de vervanging daarin. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  5. Op de regent zijn de artikelen 35 en 36 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38 - Uitoefening koninklijk gezag door RvS

Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk gezag is voorzien, wordt dit uitgeoefend door de Raad van State.

Artikel 39 - Lidmaatschap koninklijk huis

De wet regelt, wie lid is van het koninklijk huis.

Artikel 40 - Uitkering koninklijk huis

  1. De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het Rijk uitkeringen naar regels bij de wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het koninklijk huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen.

  2. De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, zijn vrij van persoonlijke belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of zijn vermoedelijke opvolger krachtens erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van het koninklijk huis vrij van de rechten van successie, overgang en schenking. Verdere vrijdom van belasting kan bij de wet worden verleend.

  3. De kamers der Staten-Generaal kunnen voorstellen van in de vorige leden bedoelde wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 41 - Inrichting huis Koning

De Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis in.

Artikel 42 - Ministeriële verantwoordelijkheid

  1. De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.

  2. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.

Artikel 43 - Regering en ministers

De minister-president en de overige ministers worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.

Artikel 44 - Ministeries

  1. Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.

  2. Ook kunnen ministers worden benoemd die niet belast zijn met de leiding van een ministerie.

Artikel 45 - Ministerraad

  1. De ministers vormen te zamen de ministerraad.

  2. De minister-president is voorzitter van de ministerraad.

  3. De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid.

Artikel 46 - Staatssecretarissen

  1. Bij koninklijk besluit kunnen staatssecretarissen worden benoemd en ontslagen.

  2. Een staatssecretaris treedt in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister.

Artikel 47 - Ondertekening en contraseign

Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.

Artikel 48 - Ontslag en benoeming ministers

Het koninklijk besluit waarbij de minister-president wordt benoemd, wordt mede door hem ondertekend. De koninklijke besluiten waarbij de overige ministers en de staatssecretarissen worden benoemd of ontslagen, worden mede door de minister-president ondertekend.

Artikel 49 - Ambtseed minister en staatssecretaris

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de ministers en de staatssecretarissen bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.
HOOFDSTUK 3

Staten-Generaal INLEIDING

Artikel 50 - Vertegenwoordiging

De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk.

Artikel 51 - Eerste en Tweede Kamer

  1. De Staten-Generaal bestaan uit de Tweede Kamer en de Eerste Kamer.

  2. De Tweede Kamer bestaat uit honderdvijftig leden.

  3. De Eerste Kamer bestaat uit vijfenzeventig leden.

  4. Bij een verenigde vergadering worden de kamers als één beschouwd.

Artikel 52 - Zittingsduur

  1. De zittingsduur van beide kamers is vier jaren.
  2. Indien voor de provinciale staten bij de wet een andere zittingsduur dan vier jaren wordt vastgesteld, wordt daarbij de zittingsduur van de Eerste Kamer in overeenkomstige zin gewijzigd.

Artikel 53 - Evenredige vertegenwoordiging

  1. De leden van beide kamers worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  2. De verkiezingen worden gehouden bij geheime stemming.

Artikel 54 - Verkiezing Tweede Kamer

  1. De leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen ten aanzien van Nederlanders die geen ingezetenen zijn.

  2. Van het kiesrecht is uitgesloten hij die wegens het begaan van een daartoe bij de wet aangewezen delict bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste een jaar en hierbij tevens is ontzet van het kiesrecht.

Artikel 55 - Verkiezing Eerste Kamer

De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten. De verkiezing wordt, behoudens in geval van ontbinding der kamer, gehouden binnen drie maanden na de verkiezing van de leden van provinciale staten.

Artikel 56 - Vereisten voor lidmaatschap

Om lid van de Staten-Generaal te kunnen zijn is vereist dat men Nederlander is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.

Artikel 57 - Incompatibiliteiten

  1. Niemand kan lid van beide kamers zijn.

  2. Een lid van de Staten-Generaal kan niet tevens zijn minister, staatssecretaris, lid van de Raad van State, lid van de Algemene Rekenkamer, Nationale ombudsman of substituut-ombudsman, of lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij de Hoge Raad.

  3. Niettemin kan een minister of staatssecretaris, die zijn ambt ter beschikking heeft gesteld, dit ambt verenigen met het lidmaatschap van de Staten-Generaal, totdat omtrent die beschikbaarstelling is beslist.

  4. De wet kan ten aanzien van andere openbare betrekkingen bepalen dat zij niet gelijktijdig met het lidmaatschap van de Staten-Generaal of van een der kamers kunnen worden uitgeoefend.

Artikel 57a - Zwangerschap en ziekte

De wet regelt de tijdelijke vervanging van een lid van de Staten-Generaal wegens zwangerschap en bevalling, alsmede wegens ziekte.

Artikel 58 - Geloofsbrieven

Elke kamer onderzoekt de geloofsbrieven van haar nieuwbenoemde leden en beslist met inachtneming van bij de wet te stellen regels de geschillen welke met betrekking tot de geloofsbrieven of de verkiezing zelf rijzen.

Artikel 59 - Kiesrecht en verkiezingen

Alles, wat verder het kiesrecht en de verkiezingen betreft, wordt bij de wet geregeld.

Artikel 60 - Ambtsaanvaarding

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de leden van de kamers bij de aanvaarding van hun ambt in de vergadering een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

Artikel 61 - Voorzitter en griffier

  1. Elk der kamers benoemt uit de leden een voorzitter.

  2. Elk der kamers benoemt een griffier. Deze en de overige ambtenaren van de kamers kunnen niet tevens lid van de Staten-Generaal zijn.

Artikel 62 - Verenigde vergadering

De voorzitter van de Eerste Kamer heeft de leiding van de verenigde vergadering.

Artikel 63 - Geldelijke voorzieningen

Geldelijke voorzieningen ten behoeve van leden en gewezen leden van de Staten-Generaal en van hun nabestaanden worden bij de wet geregeld. De kamers kunnen een voorstel van wet ter zake alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 64 - Ontbinding Kamers

  1. Elk der kamers kan bij koninklijk besluit worden ontbonden.

  2. Het besluit tot ontbinding houdt tevens de last in tot een nieuwe verkiezing voor de ontbonden kamer en tot het samenkomen van de nieuw gekozen kamer binnen drie maanden.

  3. De ontbinding gaat in op de dag waarop de nieuw gekozen kamer samenkomt.

  4. De wet stelt de zittingsduur van een na ontbinding optredende Tweede Kamer vast; de termijn mag niet langer zijn dan vijf jaren. De zittingsduur van een na ontbinding optredende Eerste Kamer eindigt op het tijdstip waarop de zittingsduur van de ontbonden kamer zou zijn geëindigd.

Artikel 65 - Troonrede

Jaarlijks op de derde dinsdag van september of op een bij de wet te bepalen eerder tijdstip wordt door of namens de Koning in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal een uiteenzetting van het door de regering te voeren beleid gegeven.

Artikel 66 - Openbaarheid vergaderingen

  1. De vergaderingen van de Staten-Generaal zijn openbaar.

  2. De deuren worden gesloten, wanneer een tiende deel van het aantal aanwezige leden het vordert of de voorzitter het nodig oordeelt.

  3. Door de kamer, onderscheidenlijk de kamers in verenigde vergadering, wordt vervolgens beslist of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd en besloten.

Artikel 67 - Quorum

  1. De kamers mogen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering alleen beraadslagen of besluiten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden ter vergadering aanwezig is.

  2. Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen.

  3. De leden stemmen zonder last.

  4. Over zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, wanneer één lid dit verlangt.

Artikel 68 - Inlichtingenplicht bewindslieden

De ministers en de staatssecretarissen geven de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat.

Artikel 69 - Aanwezigheid bewindslieden

  1. De ministers en de staatssecretarissen hebben toegang tot de vergaderingen en kunnen aan de beraadslaging deelnemen.

  2. Zij kunnen door de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn.

  3. Zij kunnen zich in de vergaderingen doen bijstaan door de personen, daartoe door hen aangewezen.

Artikel 70 - Recht van enquête

Beide kamers hebben, zowel ieder afzonderlijk als in verenigde vergadering, het recht van onderzoek (enquête), te regelen bij de wet.

Artikel 71 - Parlementaire onschendbaarheid

De leden van de Staten-Generaal, de ministers, de staatssecretarissen en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging, kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergaderingen van de Staten-Generaal of van commissies daaruit hebben gezegd of aan deze schriftelijk hebben overgelegd.

Artikel 72 - Reglement van orde

De kamers stellen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering een reglement van orde vast.

HOOFDSTUK 4

Adviesorganen INLEIDING

Artikel 73 - Taak Raad van State

  1. De Raad van State of een afdeling van de Raad wordt gehoord over voorstellen van wet en ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur, alsmede over voorstellen tot goedkeuring van verdragen door de Staten-Generaal. In bij de wet te bepalen gevallen kan het horen achterwege blijven.

  2. De Raad of een afdeling van de Raad is belast met het onderzoek van de geschillen van bestuur die bij koninklijk besluit worden beslist en draagt de uitspraak voor.

  3. De wet kan aan de Raad of een afdeling van de Raad de uitspraak in geschillen van bestuur opdragen.

Artikel 74 - Rechtspositie leden

  1. De Koning is voorzitter van de Raad van State. De vermoedelijke opvolger van de Koning heeft na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar van rechtswege zitting in de Raad. Bij of krachtens de wet kan aan andere leden van het koninklijk huis zitting in de Raad worden verleend.

  2. De leden van de Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  3. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  4. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Raad worden geschorst of ontslagen.

  5. De wet regelt overigens hun rechtspositie

Artikel 75 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Raad van State.

  2. Bij de wet kunnen aan de Raad of een afdeling van de Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 76 - Algemene rekenkamer

De Algemene Rekenkamer is belast met het onderzoek van de ontvangsten en uitgaven van het Rijk.

Artikel 77 - Rechtpositie leden rekenkamer

  1. De leden van de Algemene Rekenkamer worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Hoge Raad worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 78 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Algemene Rekenkamer.

  2. Bij de wet kunnen aan de Algemene Rekenkamer ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 78a - Nationale ombudsman

  1. De Nationale ombudsman verricht op verzoek of uit eigen beweging onderzoek naar gedragingen van bestuursorganen van het Rijk en van andere bij of krachtens de wet aangewezen bestuursorganen.
  2. De Nationale ombudsman en een substituut-ombudsman worden voor een bij de wet te bepalen termijn benoemd door de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Tweede Kamer der Staten-Generaal worden geschorst of ontslagen. De wet regelt overigens hun rechtspositie.
  3. De wet regelt de bevoegdheid en werkwijze van de Nationale ombudsman.
  4. Bij of krachtens de wet kunnen aan de Nationale ombudsman ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 79 - Vaste colleges van advies

  1. Vaste colleges van advies in zaken van wetgeving en bestuur van het Rijk worden ingesteld bij of krachtens de wet.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van deze colleges.

  3. Bij of krachtens de wet kunnen aan deze colleges ook andere dan adviserende taken worden opgedragen.

Artikel 80 - Openbaarmaking advies

  1. De adviezen van de in dit hoofdstuk bedoelde colleges worden openbaar gemaakt volgens regels bij de wet te stellen.

  2. Adviezen, uitgebracht ter zake van voorstellen van wet die door of vanwege de Koning worden ingediend, worden, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen, aan de Staten-Generaal overgelegd.

HOOFDSTUK 5

Wetgeving en bestuur INLEIDING

Artikel 81 - Wetgevende macht

De vaststelling van wetten geschiedt door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk.

Artikel 82 - Indienen wetsvoorstel

  1. Voorstellen van wet kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Voorstellen van wet waarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en, voor zover de betreffende artikelen van hoofdstuk 2 dit toelaten, door de verenigde vergadering.

  3. Voorstellen van wet, in te dienen door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering, worden bij haar door een of meer leden aanhangig gemaakt.

Artikel 83 - Toezending wetsvoorstel TK

Voorstellen van wet, ingediend door of vanwege de Koning, worden gezonden aan de Tweede Kamer of, indien daarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, aan deze vergadering.

Artikel 84 - Wijziging wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet, ingediend door of vanwege de Koning, niet door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering is aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en vanwege de regering worden gewijzigd.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden gewijzigd.

Artikel 85 - Toezending wetsvoorstel EK

Zodra de Tweede Kamer een voorstel van wet heeft aangenomen of tot indiening van een voorstel heeft besloten, zendt zij het aan de Eerste Kamer, die het voorstel overweegt zoals het door de Tweede Kamer aan haar is gezonden. De Tweede Kamer kan een of meer van haar leden opdragen een door haar ingediend voorstel in de Eerste Kamer te verdedigen.

Artikel 86 - Intrekking wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet niet door de Staten-Generaal is aangenomen, kan het door of vanwege de indiener worden ingetrokken.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden ingetrokken.

Artikel 87 - Aanneming en bekrachtiging

  1. Een voorstel wordt wet, zodra het door de Staten-Generaal is aangenomen en door de Koning is bekrachtigd.

  2. De Koning en de Staten-Generaal geven elkaar kennis van hun besluit omtrent enig voorstel van wet.

Artikel 88 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de wetten. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 89 - Algemene maatregel van bestuur

  1. Algemene maatregelen van bestuur worden bij koninklijk besluit vastgesteld.

  2. Voorschriften, door straffen te handhaven, worden daarin alleen gegeven krachtens de wet. De wet bepaalt de op te leggen straffen.

  3. De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de algemene maatregelen van bestuur. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

  4. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op andere vanwege het Rijk vastgestelde algemeen verbindende voorschriften.

Artikel 90 - Bevordering internationale rechtsorde

De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde.

Artikel 91 - Goedkeuring verdrag

  1. Het Koninkrijk wordt niet aan verdragen gebonden en deze worden niet opgezegd zonder voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. De wet bepaalt de gevallen waarin geen goedkeuring is vereist.

  2. De wet bepaalt de wijze waarop de goedkeuring wordt verleend en kan voorzien in stilzwijgende goedkeuring.

  3. Indien een verdrag bepalingen bevat welke afwijken van de Grondwet dan wel tot zodanig afwijken noodzaken, kunnen de kamers de goedkeuring alleen verlenen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 92 - Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties

Met inachtneming, zo nodig, van het bepaalde in artikel 91, derde lid, kunnen bij of krachtens verdrag aan volkenrechtelijke organisaties bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak worden opgedragen.

Artikel 93 - Verbindende kracht verdrag

Bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 94 - Verdrag boven wet

Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 95 - Bekendmaking verdrag

De wet geeft regels omtrent de bekendmaking van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 96 - Oorlogsverklaring

  1. Het Koninkrijk wordt niet in oorlog verklaard dan na voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal.

  2. De toestemming is niet vereist, wanneer het overleg met de Staten-Generaal ten gevolge van een feitelijk bestaande oorlogstoestand niet mogelijk is gebleken.

  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  4. Het bepaalde in het eerste en het derde lid is van overeenkomstige toepassing voor een verklaring dat een oorlog beëindigd is.

Artikel 97 - Krijgsmacht

  1. Ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk, alsmede ten behoeve van de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde, is er een krijgsmacht.

  2. De regering heeft het oppergezag over de krijgsmacht.

Artikel 98 - Samenstelling krijgsmacht

  1. De krijgsmacht bestaat uit vrijwillig dienenden en kan mede bestaan uit dienstplichtigen.

  2. De wet regelt de verplichte militaire dienst en de bevoegdheid tot opschorting van de oproeping in werkelijke dienst.

Artikel 99 - Gewetensbezwaren militaire dienst

De wet regelt vrijstelling van militaire dienst wegens ernstige gewetensbezwaren.

Artikel 99a - Civiele verdediging

Volgens bij de wet te stellen regels kunnen plichten worden opgelegd ten behoeve van de civiele verdediging.

Artikel 100 - Inlichtingen over krijgsmacht

  1. De regering verstrekt de Staten-Generaal vooraf inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. Daaronder is begrepen het vooraf verstrekken van inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht voor humanitaire hulpverlening in geval van gewapend conflict.

  2. Het eerste lid geldt niet, indien dwingende redenen het vooraf verstrekken van inlichtingen verhinderen. In dat geval worden inlichtingen zo spoedig mogelijk verstrekt.

Artikel 101 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 20 juli 1995

Artikel 102 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 22 juni 2000

Artikel 103 - Uitzonderingstoestand

  1. De wet bepaalt in welke gevallen ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid bij koninklijk besluit een door de wet als zodanig aan te wijzen uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd; zij regelt de gevolgen.

  2. Daarbij kan worden afgeweken van de grondwetsbepalingen inzake de bevoegdheden van de besturen van provincies, gemeenten en waterschappen, van de grondrechten geregeld in de artikelen 6, voor zover dit de uitoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen van het in dit artikel omschreven recht betreft, 7, 8, 9, 12, tweede en derde lid, en 13, alsmede van artikel 113, eerste en derde lid.

  3. Terstond na de afkondiging van een uitzonderingstoestand en voorts, zolang deze niet bij koninklijk besluit is opgeheven, telkens wanneer zij zulks nodig oordelen beslissen de Staten-Generaal omtrent het voortduren daarvan; zij beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 104 - Belastingheffing

Belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet. Andere heffingen van het Rijk worden bij de wet geregeld.

 
 

Artikel 105 - Recht van begroting

  1. De begroting van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt bij de wet vastgesteld.

  2. Jaarlijks worden voorstellen van algemene begrotingswetten door of vanwege de Koning ingediend op het in artikel 65 bedoelde tijdstip.

  3. De verantwoording van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt aan de Staten-Generaal gedaan overeenkomstig de bepalingen van de wet. De door de Algemene Rekenkamer goedgekeurde rekening wordt aan de Staten-Generaal overgelegd.

  4. De wet stelt regels omtrent het beheer van de financiën van het Rijk.

Artikel 106 - Geldstelsel

De wet regelt het geldstelsel.

Artikel 107 - Codificatie

  1. De wet regelt het burgerlijk recht, het strafrecht en het burgerlijk en strafprocesrecht in algemene wetboeken, behoudens de bevoegdheid tot regeling van bepaalde onderwerpen in afzonderlijke wetten.

  2. De wet stelt algemene regels van bestuursrecht vast.

Artikel 108 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 25 februari 1999

Artikel 109 - Rechtspositie ambtenaren

De wet regelt de rechtspositie van de ambtenaren. Zij stelt tevens regels omtrent hun bescherming bij de arbeid en omtrent medezeggenschap.

 

Artikel 110 - Openbaarheid van bestuur

De overheid betracht bij de uitvoering van haar taak openbaarheid volgens regels bij de wet te stellen.

 

Artikel 111 - Ridderorden

Ridderorden worden bij de wet ingesteld.
HOOFDSTUK 6

Rechtspraak INLEIDING

Artikel 112 - Civiele en administratieve rechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is opgedragen de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen.

  2. De wet kan de berechting van geschillen die niet uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, opdragen hetzij aan de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren. De wet regelt de wijze van behandeling en de gevolgen van de beslissingen.

Artikel 113 - Strafrechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van strafbare feiten.

  2. Tuchtrechtspraak door de overheid ingesteld wordt bij de wet geregeld.

  3. Een straf van vrijheidsontneming kan uitsluitend door de rechterlijke macht worden opgelegd.

  4. Voor berechting buiten Nederland en voor het oorlogsstrafrecht kan de wet afwijkende regels stellen.

Artikel 114 - Doodstraf

De doodstraf kan niet worden opgelegd.

Artikel 115 - Administratief beroep

Ten aanzien van de in artikel 112, tweede lid, bedoelde geschillen kan administratief beroep worden opengesteld.

Artikel 116 - Rechterlijke macht

  1. De wet wijst de gerechten aan die behoren tot de rechterlijke macht.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de rechterlijke macht.

  3. De wet kan bepalen, dat aan rechtspraak door de rechterlijke macht mede wordt deelgenomen door personen die niet daartoe behoren.

  4. De wet regelt het toezicht door leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast uit te oefenen op de ambtsvervulling door zodanige leden en door de personen bedoeld in het vorige lid.

Artikel 117 - Rechtspositie leden rechterlijke macht

  1. De leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal bij de Hoge Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet bepaald kunnen zij door een bij de wet aangewezen, tot de rechterlijke macht behorend gerecht worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 118 - Hoge Raad

  1. De leden van de Hoge Raad der Nederlanden worden benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. De Hoge Raad is in de gevallen en binnen de grenzen bij de wet bepaald, belast met de cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van het recht.

  3. Bij de wet kunnen aan de Hoge Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 119 - Ambtsmisdrijven

De leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreden terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.

Artikel 120 - Toetsingsverbod

De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.

Artikel 121 - Openbaarheid terechtzittingen

Met uitzondering van de gevallen bij de wet bepaald vinden de terechtzittingen in het openbaar plaats en houden de vonnissen de gronden in waarop zij rusten. De uitspraak geschiedt in het openbaar.

Artikel 122 - Gratie

  1. Gratie wordt verleend bij koninklijk besluit na advies van een bij de wet aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.

  2. Amnestie wordt bij of krachtens de wet verleend.

HOOFDSTUK 7

Decentralisatie INLEIDING

Artikel 123 - Instelling provincies en gemeenten

  1. Bij de wet kunnen provincies en gemeenten worden opgeheven en nieuwe ingesteld.

  2. De wet regelt de wijziging van provinciale en gemeentelijke grenzen.

Artikel 124 - Autonomie en medebewind

  1. Voor provincies en gemeenten wordt de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake hun huishouding aan hun besturen overgelaten.

  2. Regeling en bestuur kunnen van de besturen van provincies en gemeenten worden gevorderd bij of krachtens de wet.

Artikel 125 - Organen decentrale besturen

  1. Aan het hoofd van de provincie en de gemeente staan provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad. Hun vergaderingen zijn openbaar, behoudens bij de wet te regelen uitzonderingen.

  2. Van het bestuur van de provincie maken ook deel uit gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning, van het bestuur van de gemeente het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester.

Artikel 126 - Ambtsinstructie commissaris koning

Bij de wet kan worden bepaald, dat de commissaris van de Koning wordt belast met de uitvoering van een door de regering te geven ambtsinstructie.

Artikel 127 - Vaststelling verordening

Provinciale staten en de gemeenteraad stellen, behoudens bij de wet of door hen krachtens de wet te bepalen uitzonderingen, de provinciale onderscheidenlijk de gemeentelijke verordeningen vast.

Artikel 128 - Toekenning bevoegdheden

Behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 123, kan de toekenning van bevoegdheden, als bedoeld in artikel 124, eerste lid, aan andere organen dan die, genoemd in artikel 125, alleen door provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad geschieden.

Artikel 129 - Verkiezing vertegenwoordigend orgaan

  1. De leden van provinciale staten en van de gemeenteraad worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders, tevens ingezetenen van de provincie onderscheidenlijk de gemeente, die voldoen aan de vereisten die gelden voor de verkiezing van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Voor het lidmaatschap gelden dezelfde vereisten.
  2. De leden worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  3. De artikelen 53, tweede lid, en 59 zijn van toepassing. Artikel 57a is van overeenkomstige toepassing.
  4. De zittingsduur van provinciale staten en de gemeenteraad is vier jaren, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen.
  5. De wet bepaalt welke betrekkingen niet gelijktijdig met het lidmaatschap kunnen worden uitgeoefend. De wet kan bepalen, dat beletselen voor het lidmaatschap voortvloeien uit verwantschap of huwelijk en dat het verrichten van bij de wet aangewezen handelingen tot het verlies van het lidmaatschap kan leiden.
  6. De leden stemmen zonder last.

Artikel 130 - Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders

De wet kan het recht de leden van de gemeenteraad te kiezen en het recht lid van de gemeenteraad te zijn toekennen aan ingezetenen, die geen Nederlander zijn, mits zij tenminste voldoen aan de vereisten die gelden voor ingezetenen die tevens Nederlander zijn.

Artikel 131 - Benoeming commissaris Koning

De commissaris van de Koning en de burgemeester worden bij koninklijk besluit benoemd.

Artikel 132 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen

  1. De wet regelt de inrichting van provincies en gemeenten, alsmede de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen.

  2. De wet regelt het toezicht op deze besturen.

  3. Besluiten van deze besturen kunnen slechts aan voorafgaand toezicht worden onderworpen in bij of krachtens de wet te bepalen gevallen.

  4. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden bij koninklijk besluit wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

  5. De wet regelt de voorzieningen bij in gebreke blijven ten aanzien van regeling en bestuur, gevorderd krachtens artikel 124, tweede lid. Bij de wet kunnen met afwijking van de artikelen 125 en 127 voorzieningen worden getroffen voor het geval het bestuur van een provincie of een gemeente zijn taken grovelijk verwaarloost.

  6. De wet bepaalt welke belastingen door de besturen van provincies en gemeenten kunnen worden geheven en regelt hun financiële verhouding tot het Rijk.

Artikel 133 - Waterschappen

  1. De opheffing en instelling van waterschappen, de regeling van hun taken en inrichting, alsmede de samenstelling van hun besturen, geschieden volgens bij de wet te stellen regels bij provinciale verordening, voor zover bij of krachtens de wet niet anders is bepaald.

  2. De wet regelt de verordenende en andere bevoegdheden van de besturen van de waterschappen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen.

  3. De wet regelt het provinciale en overige toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 134 - Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

  1. Bij of krachtens de wet kunnen openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere openbare lichamen worden ingesteld en opgeheven.

  2. De wet regelt de taken en de inrichting van deze openbare lichamen, de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen. Bij of krachtens de wet kan aan hun besturen verordenende bevoegdheid worden verleend.

  3. De wet regelt het toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 135 - Gemeenschappelijke regelingen

De wet geeft regels ter voorziening in zaken waarbij twee of meer openbare lichamen zijn betrokken. Daarbij kan in de instelling van een nieuw openbaar lichaam worden voorzien, in welk geval artikel 134, tweede en derde lid, van toepassing is.

Artikel 136 - Geschillen

De geschillen tussen openbare lichamen worden bij koninklijk besluit beslist, tenzij deze behoren tot de kennisneming van de rechterlijke macht of hun beslissing bij de wet aan anderen is opgedragen.
HOOFDSTUK 8

Herziening grondwet INLEIDING

Artikel 137 - Grondwetswijziging

  1. De wet verklaart, dat een verandering in de Grondwet, zoals zij die voorstelt, in overweging zal worden genomen.

  2. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, een voorstel voor zodanige wet splitsen.

  3. Na de bekendmaking van de wet, bedoeld in het eerste lid, wordt de Tweede Kamer ontbonden.

  4. Nadat de nieuwe Tweede Kamer is samengekomen, overwegen beide kamers in tweede lezing het voorstel tot verandering, bedoeld in het eerste lid. Zij kunnen dit alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  5. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen een voorstel tot verandering splitsen.

Artikel 138 - Aanpassing niet gewijzigde bepalingen

  1. Voordat de in tweede lezing aangenomen voorstellen tot verandering in de Grondwet door de Koning worden bekrachtigd, kunnen bij de wet:

    a. de aangenomen voorstellen en de ongewijzigd gebleven bepalingen van de Grondwet voor zoveel nodig aan elkaar worden aangepast;

    b. de indeling in en de plaats van hoofdstukken, paragrafen en artikelen, alsmede de opschriften worden gewijzigd.

  2. Een voorstel van wet, houdende voorzieningen als bedoeld in het eerste lid onder a, kunnen de kamers alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 139 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De veranderingen in de Grondwet, door de Staten-Generaal aangenomen en door de Koning bekrachtigd, treden terstond in werking, nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 140 - Handhaving bestaande regelgeving

Bestaande wetten en andere regelingen en besluiten die in strijd zijn met een verandering in de Grondwet, blijven gehandhaafd, totdat daarvoor overeenkomstig de Grondwet een voorziening is getroffen.

Artikel 141 - Bekendmaking herziene Grondwet

De tekst van de herziene Grondwet wordt bij koninklijk besluit bekendgemaakt, waarbij hoofdstukken, paragrafen en artikelen kunnen worden vernummerd en verwijzingen dienovereenkomstig kunnen worden veranderd.

Artikel 142 - Aanpassing Grondwet aan Statuut

De Grondwet kan bij de wet met het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in overeenstemming worden gebracht. De artikelen 139, 140 en141 zijn van overeenkomstige toepassing.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

G. Leenknegt

ARTIKEL 9 - Recht tot vergadering en betoging

INHOUD
  1. Historische ontwikkeling
  2. Reikwijdte: ‘vergadering’ en ‘betoging’
  3. Beperkingsmogelijkheden
  4. Noodbevoegdheden en bijzondere bevoegdheden van gemeentebesturen
  5. Positieve verplichtingen en de ‘hostile audience’-problematiek
  6. Bijzondere verhoudingen
  7. Jurisprudentie
  8. Literatuur
  9. Historische versies
 

Editie april 2013[1]

1. Historische ontwikkeling

Het recht tot vergadering en betoging omvat een tweetal uitingsrechten met een collectief karakter. Zij garanderen dat burgers de vrijheid hebben om samen te komen en gedachten en meningen uit te wisselen, aan een gezamenlijk gevoelen uiting te geven, te demonstreren en te protesteren, zonder daarvoor vooraf toestemming te moeten vragen, ook wanneer zij op die manier kritiek op het handelen van de overheid willen geven. Voor dat laatste wordt het recht tot betoging vaak gebruikt; dat burgers die vrijheid hebben is essentieel in een democratische rechtsstaat.

Het recht tot vergadering en betoging hangt nauw samen met de verenigingsvrijheid, die ook een collectief karakter heeft. In verenigingsverband worden veelvuldig activiteiten verricht die worden beschermd door het recht tot vergadering of betoging. Deze samenhang is goed zichtbaar in de verdragsteksten. Artikel 11 EVRM beschermt de vrijheid van vreedzame vergadering – de Engelse term is ‘assembly’, waaronder ook een betoging kan worden begrepen[2] – en het recht tot vereniging (‘association’). Vergelijkbare formuleringen zijn te vinden in artikel 21 IVBP en artikel 12 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De Grondwet kende tussen 1848 en 1983 ook één bepaling die het recht tot vereniging en vergadering beschermde. Pas in 1983 werd het recht tot vereniging in een afzonderlijke bepaling opgenomen en werd het recht tot betoging aan het recht tot vergadering toegevoegd.
 
De grondwetsbepaling van 1848 was een reactie op een voordien geldend toestemmingsvereiste voor het oprichten en laten functioneren van verenigingen van meer dan twintig personen.[3] Bij het verlenen van de toestemming kon de regering naar eigen inzicht voorwaarden stellen, wat tot uitdrukking kwam in een tamelijk willekeurige toepassing van de betreffende wettelijke bepalingen.[4] De Grondwet van 1848 poogde hierin verbetering te brengen door het recht tot vereniging en vergadering uitdrukkelijk te beschermen. De bepaling werd voorzien van een dwingend geformuleerde beperkings­clausule: ‘de wet regelt en beperkt de uitoefening van dat regt in het belang der openbare orde’. De reden hiervoor was dat verschillende parlementariërs beducht waren voor (revolutionaire) dreiging die van vergaderingen kon uitgaan. Overigens was het begrip ‘openbare orde’ in de beperkingsclausule volgens Buijs ‘zoo onbestemd, dat de gestelde grens eigenlijk alle betekenis mist’;[5] de wetgever verkreeg in feite de bevoegdheid elke denkbare beperking aan de uitoefening van het recht te stellen, waarmee de betekenis van het recht als grondwettelijke waarborg beperkt was.
 
In de aanloop naar de herziening van 1983 werden verschillende wijzigingen voorgesteld. De opstellers van de Proeve van een nieuwe grondwet (1966) lieten de beperking van het recht tot ingezetenen, die in 1848 in de bepaling was opgenomen, vervallen. Het recht tot betoging gaven zij vooralsnog geen plaats in de Grondwet. De Staatscommissie-Cals/Donner stelde in 1969 wel voor het recht tot betoging op te nemen, maar was daarover intern verdeeld. Enige terughoudendheid ten aanzien van het betogingsrecht achtte de staatscommissie wel geraden.[6] Zij gaf aandat aan het fundamentele karakter ervan in het licht van de rechtsstaatgedachte kon worden getwijfeld[7] en stelde dat de vrijheid tot betoging begrensd is, mede omdat de openbare weg, waarop het betogen plaatsvindt, primair een andere bestemming heeft. Verder wees zij op een gevaar van grondwettelijke waarborging omdat ‘hierin door kwaad­willige elementen een aanknopingspunt zou kunnen worden gezien om zich van de straat meester te maken’.[8] Desondanks was de staatscommissie in meerderheid voor opneming van het betogingsrecht in de Grondwet.

In de ontwerpen voor de grondwetsherziening werd het voorstel van de staatscommissie ongewijzigd overgenomen. In het parlement is de wenselijkheid van opneming van het betogingsrecht daarna niet meer in twijfel getrokken.[9] De Raad van State uitte wel bedenkingen, in het voetspoor van de staatscommissie en in verband met ‘de ontwikkeling van het laatste decennium’ – gedoeld werd onder meer op de opkomst van de provobeweging in de jaren zestig, verschillende rellen in Amsterdam in de jaren vijftig en zestig, waaronder protesten tegen de Vietnamoorlog in de tweede helft van de jaren zestig, en het rookbom-incident bij het huwelijk van prinses Beatrix op 10 maart 1966 – die tot voorzichtigheid noopte.[10]

Bij de grondwetsherziening van 1983 werd het recht tot betoging vastgelegd en werd tegelijk het oude koppel ‘vereniging en vergadering’ opengebroken, vooral omdat er een duidelijk onderscheid in te beschermen handelingen zou zijn en omdat differentiatie in de beperkingsclausules werd gewenst.[11] Bovendien werd het ruime begrip openbare orde als beperkingsgrond vervangen door meer concrete doelcriteria.

2. Reikwijdte: ‘vergadering’ en ‘betoging’

Bij de totstandkoming van de Grondwet van 1983 is de precieze betekenis van de begrippen ‘vergadering’ en ‘betoging’ geen onderwerp van debat geweest. Kennelijk werden de begrippen voldoende duidelijk geacht.

Het zelfstandig naamwoord vergadering en het werkwoord vergaderen duiden in heel algemene zin op het bijeenkomen van mensen en meer specifiek op het beraadslagen in dat verband. Met een zo ruime omschrijving zou het grondrecht een enorme reikwijdte hebben, maar er zijn wel enkele elementen aan te geven die een nadere afbakening mogelijk maken.
 
In een wetsontwerp uit 1850 in het kader van de totstandkoming van de Wet vereniging en vergadering van 1855 werd reeds een omschrijving van het recht tot vergadering gegeven: ‘het recht der ingezetenen tot vergadering is hun bevoegdheid tot het beleggen en bijwonen van bijeenkomsten ter gemeenschappelijke beraadslaging of gemeenschappelijke handeling’. In de memorie van beantwoording werd daarover opgemerkt dat bijeenkomsten van gezellig verkeer of ter bijwoning van openbare vermakelijkheden buiten de regeling vielen.[12] Zo valt cafébezoek als zodanig niet te kwalificeren als een vergadering in de grondwettelijke betekenis. In 1871 heeft de Hoge Raad overwogen ‘dat de gewone bezoekers van tapperijen (...) daar niet bijeenkomen als leeden eener vereeniging en of vergadering (...) maar ieder op zich zelf daar heen gaat om er zich te verpoozen en hetgeen daar te koop aangeboden wordt te nuttigen’.[13] Ook omvat het recht tot vergadering niet het doen functioneren van een inrichting, onderneming of bedrijf.[14]
 
Uit de memorie van toelichting bij de Wet openbare manifestaties (Wom), die uitwerking geeft aan de beperkingsclausule van artikel 9[15] (zie hierna, paragraaf 4) blijkt dat de regering doelgerichtheid een belangrijk element acht waarmee een vergadering zich van andere bijeenkomsten onderscheidt. Deelnemers moeten bijeenkomen voor overleg, beraadslaging, uitwisseling van meningen.[16] Voor het overige is het vereiste van doelgerichtheid ruim: een godsdienstige bijeenkomst of een samenkomst voor het verzorgen van onderwijs vallen er bijvoorbeeld ook onder.[17] De doelstelling van overleg brengt mee dat er een zekere band tussen de deelnemers geacht wordt te bestaan: een gedeelde belangstelling, gemeenschappelijke zorg of te behartigen belang. Dit behoeft niet tot uitdrukking te komen in actief meevergaderen door elke aanwezige. Zwijgende deelnemers en toehoorders die bijvoorbeeld bij een voor het publiek toegankelijke vergadering op de publieke tribune zitten, genieten ook de bescherming van artikel 9. Zelfs een bijeenkomst waar niet wordt gesproken, maar alle deelnemers zwijgend bijeen zijn, is een vergadering in de zin van artikel 9.[18]
 
Gelet op de bovenstaande ruime betekenis van het recht tot vergadering beschermt artikel 9 zowel besloten vergaderingen als vergaderingen waartoe in beginsel iedereen toegang heeft, ongeacht of deze in een besloten ruimte dan wel in het openbaar plaatsvinden. Een vergadering die voor eenieder toegankelijk is en in het openbaar plaatsvindt kan overigens veel weg hebben van een betoging; de grens tussen het recht tot vergadering en het recht tot betoging is dus niet altijd scherp te trekken.
 
De plaats van een vergadering en de vorm waarin deze plaatsvindt zijn niet van belang voor de toepasselijkheid van artikel 9 Grondwet. Het fysiek bijeenkomen van de deelnemers lijkt daartoe niet noodzakelijk, gelet op de mogelijkheden die media als Skype, platforms voor videoconferenties en andere communicatiemiddelen bieden om gezamenlijk te vergaderen zonder in dezelfde ruimte te verkeren.
 
Het begrip betoging, ook wel aangeduid als demonstratie, protestactie of manifestatie, duidt op een groep mensen die gezamenlijk in het openbaar, gewoonlijk op de openbare weg of een andere openbare plaats, uiting geven aan gevoelens of wensen, niet alleen op maatschappelijk of politiek gebied, maar ook over andere zaken.[19] Het recht tot betoging wordt wel het meest democratische uitingsrecht genoemd, omdat het ook aan degenen die geen gebruik kunnen maken van de drukpers of andere communicatiemiddelen de mogelijkheid geeft gedachten en gevoelens te uiten.[20] Ook hierbij wordt verondersteld dat er tussen de deelnemers een zekere band bestaat, die onder meer tot uiting komt in een gezamenlijk doel: het gezamenlijk uiting geven aan gedachten of gevoelens.[21] Een betoging heeft in beginsel dus een collectief karakter; vaak is het juist de bedoeling dat zoveel mogelijk mensen deelnemen. Dat het om een collectieve uiting gaat zou betekenen dat de kleinst mogelijke betoging uit twee deelnemers bestaat, maar een eenpersoonsbetoging is niet geheel ondenkbaar. Zo kon de vrouw die op 1 februari 2013 bij gelegenheid van een bezoek van koningin Beatrix aan Utrecht in het publiek een bord ophield met de leus ‘Weg met de monarchie, het is 2013’[22] zich beroepen op haar vrijheid van meningsuiting, beschermd door artikel 7, eerste lid, Grondwet, maar is zij gelet op de plaats en context van haar uiting ook te zien als een demonstrante. In dergelijke situaties is de onderlinge reikwijdte van de beide genoemde grondrechten niet haarscherp af te bakenen.[23]
 
Meer in het algemeen is er een sterke samenhang tussen de vrijheid van meningsuiting en het betogingsrecht. Immers, bij betogingen worden vaak borden en spandoeken met teksten meegedragen, leuzen geroepen en op andere wijzen gedachten en gevoelens geuit. In beginsel zouden al deze uitingen binnen de reikwijdte van artikel 7 Grondwet vallen (eerste en derde lid). Aangenomen moet worden dat wanneer dit allemaal gebeurt in het kader van een betoging, artikel 9 met het bijbehorend beperkingsregime van toepassing is; daarbuiten beschermt artikel 7 Grondwet dergelijke uitingen.
 
Het EHRM gaat ook uit van een dergelijke samenhang tussen vrijheid van meningsuiting en het recht om te vergaderen en betogen. Het voornaamste doel van het recht tot betoging, beschermd in artikel 11 EVRM, is volgens het Hof het kunnen uiten van persoonlijke opvattingen, hetgeen bescherming vindt in artikel 10 EVRM. Artikel 10 moet daarom, zo stelt het Hof, worden gezien als een lex generalis die bescherming biedt aan meningsuitingen; artikel 11, waarin (onder meer) het recht tot betoging wordt beschermd, is als lex specialis van toepassing wanneer die uitingen in de context van een betoging worden gedaan. Voor zover bij een (voorgenomen) demonstratie en bij de reactie van de betrokken overheid daarop uitdrukkelijk de geuite of te uiten meningen meespelen, moet artikel 11 worden toegepast en uitgelegd in het licht van artikel 10.[24]
 
Ook een stakingsactie kan onder bepaalde omstandigheden een betoging in de zin van artikel 9 Grondwet zijn. De Grondwet kent geen afzonderlijke bepaling over het stakingsrecht, maar voor zover een staking het karakter heeft van een collectieve uiting van gedachten of gevoelens in het openbaar, vallen dergelijke manifestaties onder de reikwijdte van artikel 9. Het EHRM heeft vastgesteld dat het recht om te staken wordt beschermd door artikel 11 van het EVRM, maar ziet het daarbinnen als een bestanddeel van de vakverenigingsvrijheid.[25] Daarnaast geniet het stakingsrecht uitdrukkelijke bescherming in artikel 8, eerste lid, onder d, van het IVESC, in artikel 6, vierde lid, van het ESH en in artikel 28 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. In die verdragen wordt het stakingsrecht verbonden met de vakverenigingsvrijheid en met de rechten van arbeiders, en niet direct met het algemene recht tot betoging. Men zou die bepalingen wel kunnen zien als specifieke toepassingen van het betogingsrecht in de sfeer van (al dan niet private) arbeidsverhoudingen.
 
Artikel 11 EVRM beschermt uitdrukkelijk het recht tot vreedzame vergadering. Het begrip ‘vreedzaam’ is dus een element van de reikwijdte van die bepaling: niet-vreedzame samenkomsten en betogingen genieten geen bescherming.[26] Het gaat dan blijkens de rechtspraak van het EHRM om samenkomsten waarin oproepen tot het gebruik van geweld worden gedaan, of waarin de fundamenten van de democratische rechtsstaat worden verworpen. Dergelijke samenkomsten kunnen door de betrokken overheid dus worden beëindigd of met andere maatregelen worden getroffen. Het in een betoging groepsgewijs uiten van anderszins beledigende, verwerpelijke of zelfs choquerende opvattingen valt wel binnen de reikwijdte van artikel 11.[27]
 
Artikel 9 van de Grondwet kent geen uitdrukkelijke beperking van de reikwijdte van het recht tot vergadering en betoging. Wel is ten tijde van de voorbereiding van de grondwetsherziening van 1983 de vraag aan de orde geweest in hoeverre uitingsvormen in het kader van (met name) het recht tot betoging die leiden totvormen van dwang aanvaardbaar zouden zijn. De regering was van oordeel dat dwangmiddelen in beginsel niet beschermd worden door artikel 9 Grondwet.[28] De kwestie leidt echter al gauw tot waarderings- en afwegingsvragen. Enerzijds veroorzaken betogingen vrijwel altijd enige overlast: deze vinden immers gewoonlijk plaats op de openbare weg of op een openbare plaats, waardoor verkeershinder zal ontstaan.[29] Dergelijke (beperkte) overlast zal aanvaard moeten worden wil het recht tot betoging enige betekenis houden. Anderzijds kan het opzettelijk plegen van vernielingen of geweld niet worden gerechtvaardigd met een beroep op artikel 9 (zie hierna, paragraaf 4). Maar een betoging kan, ook zonder gepaard te gaan met vernielingen en geweld, een element van intimidatie inhouden; zo kunnen het getal van de demonstranten en de wijze van protesteren als bedreigend worden ervaren. Daarnaast zijn sommige middelen om te betogen naar hun aard nogal dwingend, zoals betogingen in de vorm van blokkades van wegen of waterwegen en vertragingsacties.[30] Over de aanvaardbaarheid van dergelijke middelen kunnen moeilijk algemene uitspraken worden gedaan. Van geval tot geval zal door de rechter moeten worden bepaald wat de precieze reikwijdte van artikel 9 Grondwet in dit opzicht is.

3. Beperkingsmogelijkheden

De beperkingsclausule van het eerste lid geeft de wetgever in formele zin de bevoegdheid  de uitoefening van het recht tot vergadering en betoging te beperken. Die bevoegdheid is niet aan grenzen gebonden en maakt zowel repressieve als preventieve maatregelen mogelijk, inclusief beperkingen aan de inhoud van hetgeen wordt betoogd. Daarbij valt onder meer te denken aan uiteenlopende wettelijke bepalingen op het terrein van het strafrecht, zoals de strafbaarstelling van opruiing (artikel 131 Sr.), het aanzetten tot haat (artikel 137d Sr.) en andere strafbare feiten zoals opzettelijke vernieling en plundering of mishandeling. Het tweede lid geeft de wetgever de mogelijkheid de beperkingsbevoegdheid te delegeren, maar geeft wel een begrenzing aan die bevoegdheid in de vorm van een drietal doelcriteria: het moet dan gaan om de bescherming van de gezondheid of het verkeer of om het voorkomen van wanordelijkheden.

 De Wet openbare manifestaties[31] geeft uitvoering aan de regelingsopdracht in artikel 9 (en die in artikel 6; zie ook het commentaar bij die bepaling). Deze wet bevat regels over de uitoefening van het recht tot vergadering en betoging en de vrijheid van godsdienst op openbare plaatsen – tezamen aangeduid als ‘manifestaties’. Volgens artikel 4 van de wet dienen gemeenten bij verordening regels vast te stellen met betrekking tot de gevallen waarin voor vergaderingen en betogingen op openbare plaatsen een voorafgaande kennisgeving is vereist. Het gaat hier niet om een toestemmingsvereiste: om een vergadering of betoging op een openbare plaats te houden mag geen vergunning of toestemming vooraf worden verlangd. Het kennisgevingsvereiste is bedoeld om de verantwoordelijke bestuurders in de gelegenheid te stellen om, indien nodig, tijdig maatregelen te nemen om een en ander in goede banen te leiden.[32] Dat laatste is ook de invalshoek van het EHRM wat betreft de toelaatbaarheid van een regime van kennisgeving of autorisatie (het vereisen van toestemming vooraf) in het licht van artikel 11 EVRM. Het Hof heeft vastgesteld dat ‘(…) notification, and even authorisation, procedures for a public event do not normally encroach upon the essence of the right under Article 11 of the Convention as long as the purpose of the procedure is to allow the authorities to take reasonable and appropriate measures in order to guarantee the smooth conduct of any assembly, meeting or other gathering, be it political, cultural or of another nature’ (…).[33] Een notificatie- of autorisatieplicht moet dus in dienst staan van de voorkoming van wanordelijkheden of misdrijven.[34] Dat betekent dat ook sancties kunnen worden opgelegd aan demonstranten die niet aan een wettelijke meldingsplicht hebben voldaan[35]. Wanneer echter een spontane vergadering of demonstratie, die wordt gevormd naar aanleiding van een plotseling ontstane situatie – bijvoorbeeld een onverwachte politieke ontwikkeling van groot belang – door de bevoegde autoriteiten zou worden beëindigd enkel omdat niet aan de notificatieplicht is voldaan, zou dat volgens het Hof wel een disproportionele inbreuk op artikel 11 EVRM zijn.[36]
 
De bevoegdheid van de gemeenteraad krachtens artikel 4 van de Wom betreft alleen een regeling met betrekking tot voorafgaande kennisgeving. De verordening dient aan te geven in welke gevallen een schriftelijke kennisgeving nodig is, op welk tijdstip die kennisgeving moet zijn gedaan en welke informatie dient te worden verstrekt. Daarbij mag volgens de wet uitdrukkelijk niet worden verlangd dat demonstranten informatie verstrekken over de te openbaren gedachten of gevoelens. Daarbuiten is de gemeenteraad krachtens de Wom niet bevoegdheid om nadere regels te stellen over de uitoefening van het recht tot vergadering en betoging.[37]
 
De wet kent vooral bevoegdheden toe aan de burgemeester; deze kan naar aanleiding van een kennisgeving voorafgaand aan manifestaties op openbare plaatsen voorschriften en beperkingen stellen en een verbod geven, indien een of meer van de belangen die de wet beoogt te beschermen (de gezondheid, het verkeer en de bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden) dat vereisen of indien de kennisgeving niet volgens de daarvoor gestelde regels is geschied. De inhoud van de te openbaren gedachten of gevoelens mag daarbij geen overweging zijn. Is een manifestatie eenmaal gaande, dan kan de burgemeester aanwijzingen geven of de manifestatie terstond beëindigen wanneer de genoemde belangen dat vereisen. Ten aanzien van manifestaties die niet op een openbare plaats worden gehouden kan de burgemeester alleen repressief optreden, door de manifestatie te beëindigen wanneer de gezondheid of de bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden dat vereisen (zie de artikelen 5-8 Wom).[38]
 
De afgelopen jaren hebben verschillende burgemeesters getracht aangekondigde betogingen te verbieden. Vaak ging het dan om demonstraties van groeperingen met een extreemrechtse signatuur, om betogingen met een mogelijk groot aantal deelnemers, om het samenvallen van meerdere betogingen, waarbij onderlinge ongeregeldheden werden verwacht, of om manifestaties waarvan werd verwacht dat onwettige gedragingen zouden worden gepleegd. Veel van die besluiten tot een verbod[39] werden door de (voorzieningen)rechter geschorst en vernietigd. De rechter legt een zware bewijslast bij de burgemeester: deze dient al het redelijkerwijs mogelijke te doen om de uitoefening van het recht tot vergadering en betoging mogelijk te maken. Een preventief demonstratieverbod is een ultimum remedium dat slechts mag worden aangewend in een situatie van bestuurlijke overmacht, waarbij er ernstige en gerechtvaardigde vrees bestaat dat zelfs met inzet van politie en extra bijstand (zoals ook wordt ingezet rondom een risicowedstrijd in het betaald voetbal) de openbare orde niet zal kunnen worden gehandhaafd.[40] Deze wijze van toepassing van de Wom sluit aan bij de uitleg die het EHRM geeft aan 11 EVRM: de noodzaak om een inbreuk te maken op het recht tot vergadering en betoging moet door de verantwoordelijke overheid worden aangetoond ‘beyond reasonable doubt’, aan de hand van onweerlegbare feiten en gevolgtrekkingen.[41]
 
Een bijzonder probleem in het kader van de toepassing van de Wom wordt gevormd door de protestacties van de zogenoemde Occupy-beweging. Deze acties kenmerken zich door het langdurig bezetten van de openbare ruimte met primitieve tentenkampen en andere semipermanente bouwsels. Het beëindigen hiervan met gebruikmaking van het instrumentarium van de Wom blijkt zeer lastig, omdat de tijdsduur van de acties in het kader daarvan geen grond kan zijn. De enige mogelijkheid die de wet lijkt te bieden is een aanwijzing of gedeeltelijk verbod op grond van het gebrek aan goede sanitaire voorzieningen, hetgeen van belang is met het oog op de bescherming van de gezondheid. Ook daarmee blijkt echter het definitief en volledig beëindigen van een Occupy-actie niet altijd mogelijk te zijn.[42] Artikel 9 Grondwet en met name de uitwerking daarvan in de Wom biedt zo zelfs een verdergaande bescherming van de betogingsvrijheid dan artikel 11 EVRM, waar de langdurigheid van een demonstratie mee kan wegen in de beoordeling van de proportionaliteit van een inbreuk op dat recht.[43]

Occupy-demonstratie op het Beursplein te Amsterdam


Artikel 103 Grondwet geeft de wetgever de mogelijkheid om van een aantal grondrechten af te wijken in een uitzonderingstoestand; artikel 9 is een van die grondrechten. Dat houdt in dat tijdens een uitzonderingstoestand beperkingen aan het recht tot vergadering en betoging kunnen worden opgelegd die de beperkingsclausule van artikel 9 te buiten gaan.[44] Het kan dan ook gaan om uitlatingen die de inhoud van hetgeen betoogd wordt betreffen. Dat artikel 103 deze mogelijkheid biedt valt wel te begrijpen wanneer men zich bedenkt dat de noodzaak om een uitzonderingstoestand af te kondigen juist kan voortvloeien uit bijvoorbeeld het ontstaan van ernstige politieke onlusten. Dergelijke onlusten komen onder meer tot uiting in omvangrijke demonstraties die op grote schaal de openbare orde bedreigen. Ook artikel 15 EVRM en artikel 4 IVBP zijn een uitdrukking daarvan; zij maken in vergelijkbare situaties afwijking van de betreffende verdragsbepalingen over het recht tot vereniging, vergadering en betoging mogelijk.[45]

4. Noodbevoegdheden en bijzondere
    bevoegdheden van gemeentebesturen

Ook de Gemeentewet kent verschillende bevoegdheden toe aan de raad en aan de burgemeester om openbare orde-problemen aan te kunnen pakken. Daartoe behoren de algemene noodbevoegdheden van de burgemeester, maar ook enkele meer specifieke bevoegdheden om op te treden in geval van ernstige verstoring van de openbare orde. Deze regelingen in de Gemeentewet doen de vraag rijzen naar de betekenis van de betreffende bevoegdheden in het licht van artikel 9 Grondwet en de verhouding tot het instrumentarium van de Wom.[46]

Om te beginnen geeft de Gemeentewet de burgemeester een algemene bevoegdheid tot het vaststellen van alle noodzakelijke bevelen in geval van oproerige beweging, van andere ernstige wanordelijkheden of van rampen, dan wel van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan (artikel 175); de burgemeester kan in dergelijke situaties ook algemeen verbindende voorschriften geven (artikel 176). Zowel in artikel 175 als 176 Gemeentewet is echter bepaald dat bij gebruikmaking van de betreffende bevoegdheden van andere dan bij de Grondwet gestelde voorschriften kan worden afgeweken. Van de Grondwet mag dus niet worden afgeweken. Uit de parlementaire geschiedenis van de beide bepalingen valt op te maken dat de beperkingsclausules bij de grondrechten in acht moeten worden genomen bij het gebruik van de noodbevoegdheden en dat de beide bepalingen zelf niet worden beschouwd als toepassing van de beperkingsclausule ‘behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.’[47] Anders gezegd, de bepalingen bieden geen voldoende specifieke wettelijke basis voor de beperking van grondrechten en kunnen dan ook niet dienen om het recht tot vergadering en betoging te beperken. De noodbevoegdheden zijn slechts toepasbaar bij ordeverstoringen rondom evenementen die niet het karakter van een vergadering of betoging hebben, zoals sportieve evenementen of andere publieke vermakelijkheden, en bij rampen en andere ernstige ongevallen.
 
In het verlengde daarvan kent de Gemeentewet de zogenoemde bestuurlijke ophouding, geregeld in de artikelen 154a (voorzienbare gevallen) en 176a (plotseling ontstane situaties) van de Gemeentewet. Krachtens deze bepalingen heeft de burgemeester de bevoegdheid een groep personen tijdelijk op een bepaalde plaats op te houden of naar een dergelijke plaats te doen overbrengen, wanneer die personen een noodbevel of voorschift niet naleven en andere middelen de naleving niet kunnen verzekeren. De bestuurlijke ophouding is in de genoemde bepalingen uitdrukkelijk gekoppeld aan de uitoefening van de bevoegdheden van de artikelen 175 en 176 van de Gemeentewet en kan dus geen zelfstandig instrument zijn in het kader van beperking van het recht tot vergadering en betoging.
 
De bevoegdheid om een gebiedsverbod op te leggen, neergelegd in de artikelen 172a en 172b (betreffende minderjarigen) van de Gemeentewet, geeft de burgemeester de mogelijkheid een persoon of een groep personen op te dragen zich kortere of langere tijd niet te bevinden op een bepaalde plaats in de gemeente of in de nabijheid van een bepaald object of gebouw in de openbare ruimte. Ook kan de burgemeester op grond van die bepalingen een samenscholingsverbod en een meldingsplicht opleggen. De bepalingen zijn met name, doch niet uitsluitend, opgenomen in de Gemeentewet met het oog op onregelmatigheden rondom voetbalwedstrijden.[48] Deze bevoegdheden passen binnen de systematiek van de Grondwet wat betreft de beperking van grondrechten en zijn, anders dan de algemeen geformuleerde noodbevoegdheden, wel voldoende specifiek om een wettelijke basis voor de beperking van grondrechten te vormen. Daardoor zou het gebiedsverbod ook een aanvulling kunnen zijn op het instrumentarium van de Wom bij ordeverstoringen die onder de reikwijdte van artikel 9 Grondwet vallen – voor zover de artikelen 5 en 6 van de Wom al niet de mogelijkheid zouden geven tot het opleggen van een gebiedsverbod. De onderlinge verhouding tussen Gemeentewet en Wom lijkt op dit punt dus niet haarscherp aan te geven. De hoofdlijn zou moeten zijn dat de Wom het instrumentarium biedt voor de beperking van het recht tot vergadering en betoging, en de Gemeentewet de bevoegdheden voor de aanpak van ordeverstoringen in het kader van evenementen en voorvallen die buiten de reikwijdte van die grondrechten vallen.

5. Positieve verplichtingen en de ‘hostile audience’-
    problematiek

Vergaderingen en betogingen kunnen negatieve reacties van derden (‘het publiek’) oproepen. Voorbeelden in Nederland zijn de tegendemonstraties bij marsen en betogingen van rechts-extremistische bewegingen als de Nederlandse Volks-Unie (NVU) en, wat langer geleden, de centrum-democraten (met name in Kedichem[49] en Leerdam), maar ook de voor- en tegendemonstraties naar aanleiding van de fatwa die in 1989 werd uitgesproken tegen Salman Rushdie[50] en de reacties op marsen van het Roze Front (een stichting waarin homo- en lesbische groeperingen samenwerkten) in de jaren tachtig.[51]

De weerstand tegen een vergadering of betoging door het publiek kan uitmonden in agressie, vijandige bejegening van vergaderaars en demonstranten en wanordelijkheden. Dan komt de vraag op in hoeverre op de overheid een positieve verplichting rust de vergaderaars of demonstranten bescherming te bieden tegen het publiek en in hoeverre het openbare orde-probleem optreden tegen de vergaderaars of demonstranten rechtvaardigt.
 
Tijdens de parlementaire behandeling van de Wom is deze problematiek aan de orde gesteld.[52] Daar, en in jurisprudentie naar aanleiding van de toepassing van de Wom,[53] is aangegeven dat wanneer het publiek agressie en wanordelijkheden veroorzaakt of dreigt te veroorzaken, de overheid het redelijkerwijs mogelijke moet doen om de uitoefening van het recht tot vergadering en betoging te beschermen. Redelijkheid kent grenzen: als de reacties naar verwachting zodanig zijn dat de overheid geen mogelijkheid ziet de benodigde bescherming te bieden, kan de vergadering[54] of betoging worden verboden of beëindigd ter voorkoming of bestrijding van wanordelijkheden.[55] Hierin kan meewegen of de deelnemers het publiek bewust provoceren.[56] In zo’n geval is de reactie van het publiek hen tot op zekere hoogte toe te rekenen, zodat de grenzen van redelijke overheidsbescherming eerder worden bereikt. Omzichtigheid is geboden. De overheid kan er niet omheen dat negatieve reacties van het publiek doorgaans worden ingegeven door de inhoud (doel en strekking) van de vergadering of betoging. Zij moet er echter voor waken haar keuze voor een beschermend of verbiedend optreden niet te laten beïnvloeden door haar eigen appreciatie van deze inhoud.[57]
 
Ook het EHRM heeft met zoveel woorden uitgesproken dat aan de verwerkelijking van het recht tot vergadering en betoging, beschermd in artikel 11 EVRM, zowel negatieve als positieve verplichtingen voor de staat zijn verbonden. De staat mag zelf niet te lichtvaardig overgaan tot het verbieden of beëindigen van een samenkomst of tot het bestraffen van de deelnemers daaraan, maar dient bovendien al het redelijkerwijs mogelijke te doen om betogingen ordelijk doorgang te laten vinden. In de woorden van het Hof: ‘(…) the authorities have a duty to take appropriate measures with regard to lawful demonstrations in order to ensure their peaceful conduct and the safety of all citizens.’ En voorts: ‘[the Court] considers that, although the essential object of Article 11 is to protect the individual against arbitrary interference by public authorities in the exercise of the rights protected, there may also be positive obligations to secure their effective enjoyment.’[58] In elk geval is de aankondiging van een tegendemonstratie volgens het Hof onvoldoende grond voor een verbod om te vergaderen of betogen: ‘(…) a demonstration may annoy or give offence to persons opposed to the ideas or claims that it is seeking to promote. The participants must, however, be able to hold the demonstration without having to fear that they will be subjected to physical violence by their opponents; such a fear would be liable to deter associations or other groups supporting common ideas or interests from openly expressing their opinions on highly controversial issues affecting the community. In a democracy the right to counter-demonstrate cannot extend to inhibiting the exercise of the right to demonstrate.’[59] De enkele vaststelling dat het risico bestaat dat een vergadering of demonstratie tot een botsing met opponerende groepen burgers kan leiden kan derhalve geen grond zijn de betreffende manifestatie te verbieden. In het kader van de toepassing van artikel 11 EVRM dient de overheid dan concrete gegevens over de werkelijk te verwachten omvang van de problemen te produceren en op grond daarvan te beslissen of er voldoende middelen voorhanden zijn om een ordelijk verloop te garanderen.[60]

6. Bijzondere verhoudingen

Er zijn verschillende categorieën burgers voor wie de uitoefening van het recht tot vergadering en betoging op gelijke voet met ieder ander tot problemen zou leiden. In de eerste plaats moet men daarbij denken aan gedetineerden. Het – groepsgewijs – betogen en vergaderen zal lang niet altijd mogelijk zijn, juist vanwege de detentie en het daarbij behorende regime aangaande de beperking van de bewegingsvrijheid. Artikel 15, vierde lid, Grondwet geeft hier blijk van door het mogelijk te maken beperkingen op te leggen aan de uitoefening van grondrechten door gedetineerden, voor zover dat nodig is in het kader van hun vrijheidsontneming (zie het commentaar bij die bepaling). In veel gevallen zal in dat licht uitoefening van het betogingsrecht door gedetineerden niet mogelijk zijn. Voor de uitoefening van het recht tot vergadering hoeft dat niet altijd te gelden; daartoe dienen, met inachtneming van de grenzen die het gevangenisregime in redelijkheid stelt, voorzieningen beschikbaar te worden gesteld.[61]

Andere problemen kunnen spelen rondom het recht tot vergadering en betoging van ambtenaren. Het zou bepaald ongelukkig overkomen wanneer een ambtenaar zou demonstreren tegen het overheidsbeleid dat hij zelf mede gestalte dient te geven. Afhankelijk van de functie van de betreffende ambtenaar kan in zo’n geval zelfs het goede functioneren van de betreffende dienst in gevaar komen. Zo heeft de deelname van een politiebeambte aan een demonstratie over de justitiële behandeling van Rote-Armee-Fraktion-leden in de Bondsrepubliek Duitsland in de jaren zeventig tot grote problemen binnen en buiten het politiekorps geleid.[62] De Ambtenarenwet bepaalt tegenwoordig in artikel 125a dat een ambtenaar zich dient te onthouden van de uitoefening van (onder meer) het recht tot vergadering en betoging, indien de goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare dienst in redelijkheid niet verzekerd zou zijn.
 
Voor ambtenaren die werkzaam zijn binnen de krijgsmacht gelden daarnaast nog enkele specifieke wettelijke beperkingen ten aanzien van de uitoefening van het recht tot vergadering en betoging. De artikelen 33 en 34 van de Wet militair tuchtrecht[63] verbieden militaire ambtenaren een betoging of vergadering te organiseren op een militaire plaats[64] zonder daarvoor toestemming te hebben gevraagd of verkregen van het bevoegde gezag.

7. Jurisprudentie

- ArRvS 8 januari 1988, AB 1988, 417, m.nt. JHvdV
- ArRvS 8 april 1988, AB 1989, 88
- ArRvS 30 december 1993, AB 1994, 242 m.nt. RMvM
- CRvB 21 september 1979, AB 1980, 90
- ECRM 16 juli 1980, Christians against Racism and Fascism v. the United Kingdom, DR 21, p. 138
- EHRM 21 juni 1988, Plattform ‘Ärzte für das Leben’ v. Austria, Series A no. 139
- ECRM 6 maart 1989, G. v. Germany, 13079/87, Decisions and Reports (DR) 60, p. 256
- ECRM 19 oktober 1998, Pendragon v. the United Kingdom, 31416/96
- EHRM 26 april 1991, Ezelin v. France, Series A no. 202
- EHRM 27 april 1995, Piermont v. France, par 76-77, Series A no. 314
- EHRM 2 oktober 2001,  Stankov and the United Macedonian Organisation Ilinden v. Bulgaria, 29221/95, 29225/95, ECHR 2001–IX
- EHRM 9 april 2002, Cisse vs France, 51346/99
- EHRM 20 februari 2003, Djavit An v. Turkey, no. 20652/92, EHRM 2003-III
- EHRM 5 oktober 2005, Ouranio Toxo and Others v. Greece, 74989/01
- EHRM 20 oktober 2005, The United Macedonian Organization Ilinden and Ivanov v. Bulgaria, 44079/98 
- EHRM 5 december 2006, Oya Ataman v. Turkey,  74552/01, ECHR 2006 XIII 
- EHRM 3 mei 2007, Baczkowski and Others v. Poland, 1543/06
- EHRM 17 juli 2007, Bukta and others v. Hungary, 25691/04
- EHRM 15 november 2007, Galstyan v. Armenia, 26986/03
- EHRM 7 oktober 2008, Éva Molnár v. Hungary, 10346/05
- EHRM 23 oktober 2008, Sergey Kusnetsov v. Russia, 10877/04
- EHRM 21 april 2009, Enerji Yapi-Yol Sen, 68959/01
- EHRM 17 november 2009, Rai and Evans v. the United Kingdom, 26258/07 en 26255/07
- EHRM 21 oktober 2010, Alekseyev v. Russia, no. 4916/07, 25924/08 en 14599/09
- EHRM 10 april 2012, Hakobyan and others v. Armenia, 34320/04
- EHRM 10 juli 2012, Berladir and others v. Russia, 34202/06
- EHRM 24 juli 2012, Fáber v. Hungary, 40721/08 
- EHRM 2 oktober 2012, Kakabadze and others v. Georgia, 1484/07
- EHRM 27 november 2012, Disk and Kesk v. Turkey, 38676/08
- Hof 's-Hertogenbosch 13 januari 1984, AB 1984, 417
- HR 7 maart 1871, W 1871, 3386 en 3387
- HR 30 mei 1967, NJ 1968, 5
- HR 17 februari 1981, NJ 1981, 299
- HR 25 juni 1982, NJ 1983, 295, m.nt. EAA; AB 1983, 37, m.nt. FHvdB
- HR 25 juni 1982, NJ 1983, 296, m.nt. EAA
- HR 17 oktober 2006, NJ 2007, 207
- Rb Maastricht 22 maart 2001, LJN AB0754
- Rb Rotterdam 24 januari 2002, KG 2002, 42
- Rb Zutphen 16 mei 2002, AB 2002, 301 
- Rb Zutphen 13 mei 2003, Gst 2003, 194
- Rb Arnhem 13 mei 2005, AB 2005, 294 
- Rb Utrecht 5 oktober 2005, LJN AU4288
- Rb Amsterdam 20 november 2006, LJN AZ2850
- Rb ’s-Hertogenbosch 22 mei 2009, LJN BI4755 
- Rb Maastricht 21 augustus 2009, LJN BJ5868 
- Rb Roermond 10 juni 2010, LJN BM7394 
- Rb Rotterdam 7 april 2011, LJN BQ0411 
- Rb ’s-Gravenhage 6 februari 2012, LJN BV2981 
- Rb ’s-Gravenhage 28 februari 2012, LJN BV7164 
- Rb ’s-Gravenhage 9 maart 2012, LJN BV8402 
- Rb Amsterdam 22 maart 2012, AB 2012, 332 
- Rb Rotterdam 15 april 2012, LJN BW1006 
- Rb ’s-Gravenhage 18 april 2012, LJN BW3204 
- Rb Utrecht 25 april 2012, LJN BW4734, AB 2012, 332; NJB 2012/25, p. 7120-7125
- Rb ’s-Gravenhage 11 september 2012, LJN BX7500 
- Rb ’s-Gravenhage 15 november 2012, LJN BY5462 
- Rb Amsterdam 18 november 2012, LJN BY4471 
- Rb ’s-Gravenhage 12 december 2012, LJN BY6013 
- Rb Rotterdam 11 januari 2013, LJN BY9428
- VzArRvS 11 april 1979, tB/S III, 122, m.nt. De M
- VzArRvS 27 mei 1982, AB 1983, 62, m.nt. JHvdV
- VzArRvS 30 mei 1983, AB 1984, 54, m.nt. P.J. Boon
- VzArRvS 2 september 1987, AB 1988, 249
- VzArRvS 21 maart 1989, AB 1989, 498, m.nt. A.E. Schilder
- VzArRvS 1 juni 1989, AB 1989, 499, m.nt. A.E. Schilder
 

8. Literatuur

- A.D. Belinfante, Vrijheid van demonstratie, Alphen aan den Rijn, Samsom, 1966
- E.C. Berkouwer, J.H.A. van der Grinten, De Wet MBVEA (of: Voetbalwet) en de roep om meer, in: Gst. 2012, 7367, p. 130-137
- F.H. van der Burg, Het recht tot vergadering en betoging, in: Grondrechten (Jeukensbundel), p. 209 e.v.
- S.C. den Dekker-van Bijsterveld, Het voorstel van Wet openbare manifestaties, TvO 1986, p. 215 e.v.
- C. van Dijk, Schippers en politie tegenover elkaar, APB 1988, p. 339 e.v.
- J.A.O. Eskes, Repressie van politieke bewegingen in Nederland. Een juridisch-historische studie over het Nederlandse publiekrechtelijke verenigingsrecht gedurende het tijdvak 1798-1988, Zwolle, Tjeenk Willink, 1988
- A.W. Heringa, Concept-voorstel van een wet openbare manifestaties, NJCM-Bulletin 1985, p. 156 e.v.
- J.P. Loof, De burgemeester en de demonstratievrijheid, in: Gst. 2007, 7280, p. 467-481 
- B.M.J. van der Meulen, Ordehandhaving. Actoren, instrumenten en waarborgen, Deventer, Kluwer, 1993
- NJCM-commentaar op de gebeurtenissen te Kedichem (29 maart 1986), NJCM-Bulletin 1986, p. 478 e.v.
- W.A.L. Reylink, De Tweede Kamer aanvaardt Wet openbare manifestaties, De Nederlandse Gemeente, 5 februari 1988, p. 106
- A.E. Schilder, Het recht tot vergadering en betoging. Een vergelijkende studie naar het Nederlandse en Westduitse recht, Arnhem, Gouda Quint, 1989
- A.E. Schilder, Dan demonstreren ze maar niet, in: NJB 1995, p. 950
- F.M.C. Vlemminx, Het moderne EVRM, Den Haag, Boom Juridische uitgevers, 2013

9. Historische versies

Artikel 10 Gw 1848: Het regt der ingezetenen tot vereeniging en vergadering wordt erkend.
De wet regelt en beperkt de uitoefening van dat regt in het belang der openbare orde (artikel 9 Gw 1887).

Noten

  1. In onderdelen van paragrafen 2, 3 en 6 van dit commentaar is gebruik gemaakt van delen van het commentaar op artikel 9 in de tweede en de derde druk van het artikelsgewijs commentaar op de Grondwet; het commentaar uit de tweede druk was van de hand van P.W.C. Akkermans; de derde druk was een bewerking daarvan door B.M.J. van der Meulen.
  2. P. van Dijk, G.J.H. van Hoof, Theory and practice of the European Convention on Human Rights (4th ed.), Antwerpen, Intersentia, 2006, p. 818 e.v.
  3. Artikel 291 e.v. Code Pénal; zie ook het commentaar bij artikel 8 Gw.
  4. J.A.O. Eskes, Repressie van politieke bewegingen in Nederland. Een juridisch-historische studie over het Nederlandse publiekrechtelijke verenigingsrecht gedurende het tijdvak 1798-1988, Zwolle, Tjeenk Willink, 1988, p. 11 e.v.; A.E. Schilder, Het recht tot vergadering en betoging. Een vergelijkende studie naar het Nederlandse en Westduitse recht, Arnhem, Gouda Quint, 1989, p. 7 e.v.
  5. J.T. Buijs, De Grondwet. Toelichting en kritiek, dl. I, Arnhem, Gouda Quint, 1883, p. 83 e.v.
  6. Staatscommissie-Cals/Donner Tweede rapport, 1969, p. 76 e.v.
  7. Uit het rapport blijkt niet of de staatscommissie in deze twijfel unaniem was.
  8. Staatscommissie-Cals/Donner Tweede rapport, 1969, p. 77.
  9. Zie wetsontwerp 11 051 (Bijl. Hand. II 1970/71, Nng 11, p. 1 e.v.) en de Nota inzake het grondwetsherzieningsbeleid (Bijl. Hand. II 1973/74, 12 944, Nng 12); C.A.J.M. Kortmann, De Grondwetsherzieningen van 1983 en 1987, Deventer, Kluwer, 1987, p. 89. In de rechtspraak is het grondrecht tot betoging zelfs al voor de inwerkingtreding van artikel 9 meegewogen: VzArRvS 30 mei 1983, AB 1984, 54 m.nt. P.J. Boon.
  10. Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 4, p. 69 (Nng Ia, p. 68). Zie hierover ook de noot van Schilder onder Rb Utrecht 25 april 2012, LJN BW4734, AB 2012, 332.
  11. Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 3, p. 38 (Nng Ia, p. 38).
  12. Schilder 1989, p. 14.
  13. HR 7 maart 1871, W 1871, 3386 en 3387; Schilder 1989, p. 28.
  14. Het recht tot vergadering is bijvoorbeeld niet aan de orde bij het vestigen van een bordeel: ArRvS 8 januari 1988, AB 1988, 417, m.nt. JHvdV.
  15. En aan die van artikel 6, nu het processieverbod was vervallen.
  16. Kamerstukken II 1985/86, 19 427, nr. 3, p. 8.
  17. In ArRvS 30 december 1993, AB 1994, 242, m.nt. RMvM, paste de bestuursrechter artikel 9 toe op een persconferentie.
  18. Bevinden zij zich zwijgend op de openbare weg, dan zou eerder sprake zijn van een betoging.
  19. In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel voor de Wet openbare manifestaties werd gesteld dat optochten die niet of niet primair het karakter hadden van gemeenschappelijke meningsuiting, zoals Sinterklaas en carnavalsoptochten, bloemencorso’s, uiteraard buiten de werkingssfeer van het wetsvoorstel vielen: Kamerstukken II 1985/86, 19 427, nr. 3, p. 8. Voor kritiek hierop, zie: A.W. Heringa, Concept voorstel van een wet openbare manifestaties, in: NJCM Bulletin 1985, p. 156 e.v.; Kortmann 1987, p. 326.
  20. Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 3, p. 39 (Nng Ia, p. 39).
  21. Bijv. HR 30 mei 1967, NJ 1968, 5 (Vietnam II) en HR 17 februari 1981, NJ 1981, 299.
  22. Http://www.volkskrant.nl/vk/nl/12364/Abdicatie-koningin-Beatrix/article/detail/3388796/2013/02/05/Studente-Joanna-roept-op-tot-protest-op-de-Dam-30-april.dhtml
  23. Hierover: S.C. den Dekker-van Bijsterveld, Het voorstel van Wet openbare manifestaties, TvO 1986, p. 215.
  24. EHRM 23 oktober 2008, Sergey Kusnetsov v. Russia, 10877/04, http://hudoc.echr.coe.int/sites/eng/pages/search.aspx?i=001-89066, par. 23; EHRM 15 november 2007, Galstyan v. Armenia, 26986/03, par. 95-96; EHRM 26 april 1991, Ezelin v. France, Series A no. 202, par. 35, 37; ECRM 19 oktober 1998, Pendragon v. the United Kingdom, 31416/96.
  25. EHRM 21 april 2009, Enerji Yapi-Yol Sen, 68959/01.
  26. De EHRM-rechtspraak over 11 EVRM betreft vooral zaken die verband houden met betogingen (naast zaken over de verenigingsvrijheid), maar zeer weinig over vergaderingen.
  27. EHRM 24 juli 2012, Fáber v. Hungary, 40721/08, http://hudoc.echr.coe.int/sites/eng/pages/search.aspx?i=001-112446; EHRM 2 oktober 2001, Stankov and the United Macedonian Organisation Ilinden v. Bulgaria, 29221/95, 29225/95, par. 86, ECHR 2001–IX); ECRM 6 maart 1989, G. v. Germany, 13079/87, Decisions and Reports (DR) 60, p. 256; ECRM 16 juli 1980, Christians against Racism and Fascism v. the United Kingdom, DR 21, p. 138; EHRM 23 oktober 2008, Sergey Kuznetsov v. Russia, 10877/04, par. 45; EHRM 21 oktober 2010, Alekseyev v. Russia, no. 4916/07, 25924/08 en 14599/09, par 80.
  28. Kamerstukken II 1976/77, 13 872, nr. 6, p. 37 e.v. (Nng Ia, p. 37); nr. 7, p. 33 (Nng Ia, p. 201); Hand. III 1976/77, p. 2200 (Nng Ia, p. 473-475).
  29. Kortmann 1987, p. 92.
  30. Hierover: C. van Dijk, Schippers en politie tegenover elkaar, APB 1988, p. 339 e.v.
  31. Wet van 20 april 1988, houdende bepalingen betreffende de uitoefening van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en van het recht tot vergadering en betoging, Stb. 1988, 157.
  32. HR 17 oktober 2006, NJ 2007, 207.
  33. EHRM 10 juli 2012, Berladir and others v. Russia, 34202/06, par. 40-43, http://hudoc.echr.coe.int/sites/eng/pages/search.aspx?i=001-112101; zie ook EHRM 23 oktober 2008, Sergey Kuznetsov v. Russia, 10877/04, par. 42; EHRM 17 november 2009, Rai and Evans v. the United Kingdom, 26258/07 en 26255/07.
  34. EHRM 7 oktober 2008, Éva Molnár v. Hungary, 10346/05, par. 37.
  35. EHRM 10 juli 2012, Berladir and others v. Russia, 34202/06, par. 41; EHRM 17 november 2009, Rai and Evans v. the United Kingdom, 26258/07 en 26255/07.
  36. EHRM 10 juli 2012, Berladir and others v. Russia, 34202/06, par. 43; EHRM 17 juli 2007, Bukta and others v. Hungary, 25691/04, par. 35-36, http://hudoc.echr.coe.int/sites/eng/pages/search.aspx?i=001-81728.
  37. Met uitzondering van artikel 10 van de Wom, op grond waarvan een verordening ten aanzien van klokgelui kan worden vastgesteld. Het betreft dan echter de uitoefening van de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging (artikel 6 Gw); zie ook het commentaar bij die bepaling.
  38. Zie over de Wom en de bevoegdheden van de burgemeester: J.P. Loof, De burgemeester en de demonstratievrijheid, in: Gst. 2007, 7280, p. 467-481.
  39. Of een sterk beperkende maatregel: het geven van een aanwijzing inhoudende dat alleen in de vroege ochtenduren op een afgelegen plek mag worden gedemonstreerd is niet aanvaardbaar, aangezien het betogingsrecht dan feitelijk geen functie heeft; zie Rb Arnhem, 13 mei 2005, LJN AT5504, AB 2005, 294, m.nt. A.E. Schilder.
  40. Zie o.a. Rb Roermond 10 juni 2010, LJN BM7394; Rb Rotterdam 7 april 2011, LJN BQ0411; Rb ’s-Gravenhage 6 februari 2012, LJN BV2981; Rb ’s-Gravenhage 28 februari 2012, LJN BV7164; Rb ’s-Gravenhage 9 maart 2012, LJN BV8402; Rb Amsterdam 22 maart 2012, AB 2012, 332; Rb Rotterdam 15 april 2012, LJN BW1006; Rb ’s-Gravenhage 18 april 2012, LJN BW3204; Rb Utrecht 25 april 2012, LJN BW4734; Rb ’s-Gravenhage 11 september 2012, LJN BX7500; Rb ’s-Gravenhage 15 november 2012, LJN BY5462; Rb Amsterdam 18 november 2012, LJN BY4471; Rb ’s-Gravenhage 12 december 2012, LJN BY6013; Rb Rotterdam 11 januari 2013, LJN BY9428.
  41. EHRM 10 april 2012, Hakobyan and others v. Armenia, 34320/04, par. 89, http://hudoc.echr.coe.int/sites/eng/pages/search.aspx?i=001-110263; zie ook EHRM 2 oktober 2012, Kakabadze and others v. Georgia, 1484/07, http://hudoc.echr.coe.int/sites/eng/pages/search.aspx?i=001-113300.
  42. Rb Utrecht 25 april 2012, LJN BW4734; AB 2012, 332; NJB 2012/25, p. 7120-7125.
  43. Een voorbeeld hiervan is EHRM 9 april 2002, Cisse vs France, 51346/99, http://hudoc.echr.coe.int/sites/eng/pages/search.aspx?i=001-60413, waarin het Hof de beëindiging van een twee maanden durende (niet-religieuze) protestactie in een kerkgebouw in overeenstemming met artikel 11 EVRM achtte.
  44. Wet van 3 april 1996, houdende regeling met betrekking tot uitzonderingstoestanden (Coördinatiewet uitzonderingstoestanden). Deze wet regelt de wijze waarop de noodtoestand wordt afgekondigd, opgeheven en beëindigd, en geeft een limitatieve opsomming van uiteenlopende wettelijke bepalingen die tijdens beperkte dan wel algemene noodtoestand in werking kunnen worden gesteld.
  45. Artikel 16 EVRM bepaalt daarnaast dat artikel 11 EVRM niet in de weg staat aan beperking van politieke activiteiten van vreemdelingen.
  46. Zie hierover o.a. Kamerstukken II 1986/87, 19 427, nr. 3, p. 10; M.C. Burkens, Algemene leerstukken van grondrechten naar Nederlands constitutioneel recht, Zwolle, Tjeenk Willink, 1989, p. 112; Kortmann 1990, p. 386.
  47. Kamerstukken II 1988/89, 19 403, nr. 10, p. 96 en 97.
  48. Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast (Wet MBVEO), Stb. 2010, 325; vanwege het belang van de wet voor de beteugeling van het voetbalvandalisme wordt de wet vaak aangeduid als ‘Voetbalwet’. Zie hierover: E.C. Berkouwer, J.H.A. van der Grinten, De Wet MBVEA (of: Voetbalwet) en de roep om meer, in: Gst. 2012, 7367, p. 130-137.
  49. Zie NJCM-Bulletin 1986, p. 478 e.v. en Van der Burg in zijn noot bij Hof ’s-Hertogenbosch 13 januari 1984, AB 1984, 417.
  50. Islamitisch doodvonnis, uitgevaardigd omdat het boek ‘De duivelsverzen’ beledigend zou zijn voor de profeet Mohammed.
  51. VzArRvS 27 mei 1982, AB 1983, 62, m.nt. JHvdV.
  52. Hand. II 1987/88, p. 2189 e.v.
  53. Bijv. VzArRvS 11 april 1979, tB/S III, 122, m.nt. De M; VzARRS 27 mei 1982, AB 1983, 62 m.nt. JHvdV; ArRvS 8 april 1988, AB 1989, 88; ArRvS 30 december 1993, AB 1994, 242 m.nt. RMvM; Burkens 1989, p. 107; A.E. Schilder, Dan demonstreren ze maar niet, in: NJB 1995, p. 950.
  54. ArRvS 30 december 1993, AB 1994, 242 m.nt. RMvM.
  55. VzArRvS 2 september 1987, AB 1988, 249 en VzArRvS 21 maart en 1 juni 1989, AB 1989, 498 en 499 m.nt. A.E. Schilder; zie ook par. 4 van dit commentaar.
  56. Ook het belang van organisatoren speelt een rol in die afweging: bijv. VzArRvS 27 mei 1982, AB 1983, 62.
  57. Zie uitgebreider: B.M.J. van der Meulen, Ordehandhaving. Actoren, instrumenten en waarborgen, Deventer, Kluwer, 1993, p. 203.
  58. EHRM 27 november 2012, Disk and Kesk v. Turkey, 38676/08, par. 26 en 27. Daarin wordt verwezen naar eerdere uitspraken van het Hof hierover: EHRM 20 februari 2003, Djavit An v. Turkey, no. 20652/92, par. 56-57, EHRM 2003-III; EHRM 27 april 1995, Piermont v. France, par 76-77, Series A no. 314; EHRM 21 juni 1988, Plattform ‘Ärzte für das Leben’ v. Austria, par. 32, Series A no. 139; EHRM 5 december 2006, Oya Ataman v. Turkey, 74552/01, par 35, ECHR 2006 XIII. Zie daarnaast EHRM 5 oktober 2005, Ouranio Toxo and Others v. Greece, 74989/01; EHRM 20 oktober 2005, The United Macedonian Organization Ilinden and Ivanov v. Bulgaria, 44079/98; EHRM 3 mei 2007, Baczkowski and Others v. Poland, 1543/06; F.M.C. Vlemminx, Het moderne EVRM, Den Haag, Boom Juridische uitgevers, 2013, p. 370-371.
  59. EHRM 24 juli 2012, Faber v. Hungary, 40721/08, par. 38, http://hudoc.echr.coe.int/sites/eng/pages/search.aspx?i=001-112446
  60. Ibid., par. 40.
  61. HR 25 juni 1982, NJ 1983, 295, m.nt. EAA; AB 1983, 37, m.nt. FHvdB en HR 25 juni 1982, NJ 1983, 296 m.nt. EAA.
  62. CRvB 21 september 1979, AB 1980, 90 (Kalma).
  63. Wet van 14 juni 1990, Stb. 1990, 367.
  64. Artikel 3, derde lid, Wet militair tuchtrecht: een gebouw, terrein, vaartuig, luchtvaartuig of voertuig, dat in gebruik is bij of ten behoeve van de krijgsmacht, of dat de militair tot verblijf of gebruik dient bij de vervulling van zijn taak in internationaal verband of waar de militair zich in krijgsgevangenschap bevindt.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    G. Leenknegt, Commentaar op artikel 9 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2017 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Recht tot vergadering en betoging

Dit artikel beschermt twee grondrechten: het recht om te vergaderen en het recht om te betogen. Het recht om te vergaderen houdt in dat burgers bij elkaar kunnen komen met het doel gezamenlijk iets te bespreken, om meningen uit te wisselen, politiek te bedrijven, onderwijs te geven of samen een geloof te belijden. Een betoging is ook een bijeenkomst, gewoonlijk ergens buiten of in een openbaar gebouw, en is bedoeld om publiekelijk uiting te geven aan gedachten of gevoelens, vaak met velen tegelijk.

Deze rechten hebben een belangrijke functie in een democratische rechtsstaat. Zij garanderen dat mensen de vrijheid hebben om samen te komen, van gedachten te wisselen over hetgeen hen bezighoudt, aan een gezamenlijk gevoelen uiting te geven, te demonstreren en te protesteren, zonder daarvoor vooraf toestemming te moeten vragen, ook wanneer zij op die manier kritiek op het handelen van de overheid willen leveren. Vooral dat laatste is essentieel in een democratische rechtsstaat.

Voor beide grondrechten geldt dat er wettelijke grenzen aan de uitoefening zijn gesteld om de verkeersveiligheid, de gezondheid of de openbare orde te beschermen. Van een omvangrijke betoging kan dreiging uitgaan en soms gaat een demonstratie gepaard met ernstige verkeershinder en met vernielingen. In dergelijke gevallen kan de burgemeester de noodzakelijke maatregelen nemen.

 
Achtergronden

Recht tot vergadering en betoging

Rapport van Universiteit Leiden over grenzen aan de demonstratievrijheid en de reikwijdte van het betogingsrecht. (link naar download)

Artikel van mr. dr. Ward Ferdinandusse over De strafbaarheid van een grondrecht. De Wet Openbare Manifestaties en het grondrechtelijk karakter van de betoging.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Recht tot vergadering en betoging

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Recht tot vergadering en betoging

Vereniging Gedetineerden

HR 25 juni 1982, NJ 1983, 298

Een gevangenisdirecteur mag het recht op vereniging van gedetineerden beperken door aan hen geen vergaderruimtes beschikbaar te stellen, mits hij daartoe krachtens de wet bevoegd is.
 

Ärzte für das Leben

EHRM 21 juni 1988

Het EHRM bepaalt dat het recht op vergadering ook een actieve verplichting van de overheid kan inhouden, in dit geval om demonstranten te beschermen tegen tegenstanders.
Recente rechtspraak

Recht tot vergadering en betoging

Occupy Utrecht

Rechtbank Utrecht 25 april 2012

Occupy Utrecht is een manifestatie met een permanent karakter. De Wet openbare manifestaties geeft geen mogelijkheid tot het beëindigen en verbieden van een manifestatie, uitsluitend op grond van de duur ervan. Occupy Utrecht mag derhalve zijn tenten opslaan in het centrum van Utrecht.

Politiek

Recht tot vergadering en betoging

Deze zomer (2014) werd door burgemeester Van Aartsen een demonstratieverbod afgekondigd voor de Schilderswijk in Den Haag waaromtrend veel politieke onrust is ontstaan.

Beantwoording van Kamervragen (november 2016) over beperkingen van het demonstratierecht dor de burgemeester van Geleen tijdens de sinterklaasintocht.
Video
Blogs
IN DE WERELD
Video

Recht tot vergadering en betoging

  • Kort verslag van PowNews over occupy
"Mijn recht, jouw recht" aflevering over het recht tot demonstratie
Op 15 oktober 2011 sloeg de internationale Occupy-beweging ook in Nederland zijn tenten op. In een hoek van het Haagse Malieveld zetten de actievoerders zo'n twintig tentjes op die daar negen maanden zouden blijven staan. Volgens de organisatie ging het om een héél langdurige demonstratie tegen de uitwassen van het kapitalisme. Maar in de ogen van burgemeester Van Aartsen verwerd het snel tot een camping van randfiguren. Aflevering 8 van de serie over grondrechten handelt over het recht om te demonstreren.
Blogs

Recht tot vergadering en betoging

Artikel Trouw over de eventuele onwettelijkheid van het demonstratieverbod dat deze zomer (2014) door burgemeester Van Aartsen werd afgekondigd voor de Schilderswijk in Den Haag.

Blog over pro en anti IS betogingen in de Schilderswijk in Den Haag, waarin een vergelijking wordt gemaakt met demonstraties in Skokie, Chicago, uit de jaren 70.

Artikel Trouw over het noodbevel van de burgemeester van Rotterdam op grond waarvan tijdens de Sinterklaasintocht dat weekend alle demonstraties in het centrum van de stad werden verboden.

Artikel NRC over de burgemeester die het recht op betogen naar eigen hand zet.
In de wereld

Recht tot vergadering en betoging

Blog van de Nederlandse ambassadeur plaatsvervanger in Zagreb, over de organisatie van Gay Prides in Kroätie.

NRC Artikel over de beperking van demonstratievrijheid in Egypte.
Blog over de gevolgen van de nieuwe anti-demonstratiewet in Egypte.