CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • G. Leenknegt
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • A.A.L. Beers en K.T. Meijer
  • B.C. van Beers
  • B.M.J. van der Meulen
  • B.P. Vermeulen
  • B.W.N. de Waard
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • E.J. Janse de Jonge
  • E.J. Koops
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • F. Fleurke
  • F.C.M.A. Michiels
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx en A.C.M. Meuwese
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard en J. Uzman
  • G. Leenknegt
  • G. Overkleeft-Verburg
  • G. van der Schyff en B.M.J. van der Meulen
  • J. Kiewiet en G.F.M. van der Tang †
  • J. Uzman
  • J. Uzman en G. Boogaard
  • J.C.A. de Poorter
  • J.L.M. Gribnau en M.R.T Pauwels
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • J.W.A. Fleuren
  • K.T. Meijer
  • M. Adams
  • Mijke Houwerzijl & Nuna Zekic
  • Mijke Houwerzijl en Frank Vlemminx
  • P. Jacobs
  • S. Daniëls
  • S. Jellinghaus en E. Huisman
  • S.C. van Bijsterveld
  • S.C. van Bijsterveld en B.P. Vermeulen
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • T. Kooijmans
  • T. Peters
  • W. van der Woude
  • W.J.M. Voermans
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

HOOFDSTUK 1

Grondrechten

INLEIDING

Artikel 1 - Gelijke behandeling

Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Artikel 2 - Nederlandschap en vreemdelingen

  1. De wet regelt wie Nederlander is.
  2. De wet regelt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen.
  3. Uitlevering kan slechts geschieden krachtens verdrag. Verdere voorschriften omtrent uitlevering worden bij de wet gegeven.
  4. Ieder heeft het recht het land te verlaten, behoudens in de gevallen, bij de wet bepaald.

Artikel 3 - Gelijke benoembaarheid

Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.

Artikel 4 - Kiesrecht

Iedere Nederlander heeft gelijkelijk recht de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen alsmede tot lid van deze organen te worden verkozen, behoudens bij de wet gestelde beperkingen en uitzonderingen.

Artikel 5 - Petitierecht

Ieder heeft het recht verzoeken schriftelijk bij het bevoegd gezag in te dienen.

Artikel 6 - Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging

  1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 7 - Vrijheid van meningsuiting

  1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- of televisieuitzending.
  3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar regelen ter bescherming van de goede zeden.
  4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.

Artikel 8 - Recht tot vereniging

Het recht tot vereniging wordt erkend. Bij de wet kan dit recht worden beperkt in het belang van de openbare orde.

Artikel 9 - Recht tot vergadering en betoging

  1. Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 10 - Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer

  1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.
  2. De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens.
  3. De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.

Artikel 11 - Onaantastbaarheid van het lichaam

Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.

Artikel 12 - Binnentreden woning

  1. Het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen.
  2. Voor het binnentreden overeenkomstig het eerste lid zijn voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden vereist, behoudens bij de wet gestelde uitzonderingen.
  3. Aan de bewoner wordt zo spoedig mogelijk een schriftelijk verslag van het binnentreden verstrekt. Indien het binnentreden in het belang van de nationale veiligheid of dat van de strafvordering heeft plaatsgevonden, kan volgens bij de wet te stellen regels de verstrekking van het verslag worden uitgesteld. In de bij de wet te bepalen gevallen kan de verstrekking achterwege worden gelaten, indien het belang van de nationale veiligheid zich tegen verstrekking blijvend verzet.

Artikel 13 - Vertrouwelijke communicatie

  1. Het briefgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, op last van de rechter.
  2. Het telefoon- en telegraafgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, door of met machtiging van hen die daartoe bij de wet zijn aangewezen.

Artikel 14 - Onteigening

  1. Onteigening kan alleen geschieden in het algemeen belang en tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander naar bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.
  2. De schadeloosstelling behoeft niet vooraf verzekerd te zijn, wanneer in geval van nood onverwijld onteigening geboden is.
  3. In de gevallen bij of krachtens de wet bepaald bestaat recht op schadeloosstelling of tegemoetkoming in de schade, indien in het algemeen belang eigendom door het bevoegd gezag wordt vernietigd of onbruikbaar gemaakt of de uitoefening van het eigendomsrecht wordt beperkt.

Artikel 15 - Vrijheidsontneming

  1. Buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen.
  2. Hij aan wie anders dan op rechterlijk bevel zijn vrijheid is ontnomen, kan aan de rechter zijn invrijheidstelling verzoeken. Hij wordt in dat geval door de rechter gehoord binnen een bij de wet te bepalen termijn. De rechter gelast de onmiddellijke invrijheidstelling, indien hij de vrijheidsontneming onrechtmatig oordeelt.
  3. De berechting van hem aan wie met het oog daarop zijn vrijheid is ontnomen, vindt binnen een redelijke termijn plaats.
  4. Hij aan wie rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, kan worden beperkt in de uitoefening van grondrechten voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt.

Artikel 16 - Nulla poena

Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.

Artikel 17 - Wettelijk toegekende rechter

Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent.

Artikel 18 - Rechtsbijstand

  1. Ieder kan zich in rechte en in administratief beroep doen bijstaan.
  2. De wet stelt regels omtrent het verlenen van rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen.

Artikel 19 - Werkgelegenheid en arbeidskeuze

  1. Bevordering van voldoende werkgelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de rechtspositie van hen die arbeid verrichten en omtrent hun bescherming daarbij, alsmede omtrent medezeggenschap.
  3. Het recht van iedere Nederlander op vrije keuze van arbeid wordt erkend, behoudens de beperkingen bij of krachtens de wet gesteld.

Artikel 20 - Bestaanszekerheid

  1. De bestaanszekerheid der bevolking en spreiding van welvaart zijn voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de aanspraken op sociale zekerheid.
  3. Nederlanders hier te lande, die niet in het bestaan kunnen voorzien, hebben een bij de wet te regelen recht op bijstand van overheidswege.

Artikel 21 - Milieubescherming

De zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu.

Artikel 22 - Volksgezondheid en woongelegenheid

  1. De overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid.
  2. Bevordering van voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  3. Zij schept voorwaarden voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding.

Artikel 23 - Onderwijs

  1. Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.
  2. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.
  3. Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld.
  4. In elke gemeente wordt van overheidswege voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal openbare scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven, al dan niet in een openbare school.
  5. De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.
  6. Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.
  7. Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.
  8. De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten-Generaal.
HOOFDSTUK 2

Regering INLEIDING

Artikel 24 - Koningschap

Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau.

Artikel 25 - Erfopvolging

Het koningschap gaat bij overlijden van de Koning krachtens erfopvolging over op zijn wettige nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft, met plaatsvervulling volgens dezelfde regel. Bij gebreke van eigen nakomelingen gaat het koningschap op gelijke wijze over op de wettige nakomelingen eerst van zijn ouder, dan van zijn grootouder, in de lijn van erfopvolging, voor zover de overleden Koning niet verder bestaand dan in de derde graad van bloedverwantschap.

Artikel 26 - Status ongeboren kind Koning

Het kind, waarvan een vrouw zwanger is op het ogenblik van het overlijden van de Koning, wordt voor de erfopvolging als reeds geboren aangemerkt. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

Artikel 27 - Afstand koningschap

Afstand van het koningschap leidt tot erfopvolging overeenkomstig de regels in de voorgaande artikelen gesteld. Na de afstand geboren kinderen en hun nakomelingen zijn van de erfopvolging uitgesloten.

Artikel 28 - Afstand koningschap door huwelijk

  1. De Koning, een huwelijk aangaande buiten bij de wet verleende toestemming, doet daardoor afstand van het koningschap.
  2. Gaat iemand die het koningschap van de Koning kan beërven een zodanig huwelijk aan, dan is hij met de uit dit huwelijk geboren kinderen en hun nakomelingen van de erfopvolging uitgesloten.
  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake van een voorstel van wet, strekkende tot het verlenen van toestemming, in verenigde vergadering.

Artikel 29 - Uitsluiting troonopvolging

  1. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden daartoe nopen, kunnen bij een wet een of meer personen van de erfopvolging worden uitgesloten.

  2. Het voorstel daartoe wordt door of vanwege de Koning ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 30 - Benoemde Koning

  1. Wanneer vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal ontbreken, kan deze worden benoemd bij een wet. Het voorstel wordt door of vanwege de Koning ingediend. Na de indiening van het voorstel worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  2. Indien bij overlijden van de Koning of bij afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt, worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers komen binnen vier maanden na het overlijden of de afstand in verenigde vergadering bijeen ten einde te besluiten omtrent de benoeming van een Koning. Zij kunnen een opvolger alleen benoemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 31 - Erfopvolging benoemde koning

  1. Een benoemde Koning kan krachtens erfopvolging alleen worden opgevolgd door zijn wettige nakomelingen.

  2. De bepalingen omtrent de erfopvolging en het eerste lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op een benoemde opvolger, zolang deze nog geen Koning is.

Artikel 32 - Inhuldiging Koning

Nadat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen, wordt hij zodra mogelijk beëdigd en ingehuldigd in de hoofdstad Amsterdam in een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Hij zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt. De wet stelt nadere regels vast.

Artikel 33 - Koningschap en meerderjarigheid

De Koning oefent het koninklijk gezag eerst uit, nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

Artikel 34 - Ouderlijk gezag minderjarige Koning

De wet regelt het ouderlijk gezag en de voogdij over de minderjarige Koning en het toezicht daarop. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 35 - Buiten staat verklaring

  1. Wanneer de ministerraad van oordeel is dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, bericht hij dit onder overlegging van het daartoe gevraagde advies van de Raad van State aan de Staten-Generaal, die daarop in verenigde vergadering bijeenkomen.

  2. Delen de Staten-Generaal dit oordeel, dan verklaren zij dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen. Deze verklaring wordt bekend gemaakt op last van de voorzitter der vergadering en treedt terstond in werking.

  3. Zodra de Koning weer in staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, wordt dit bij de wet verklaard. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Terstond na de bekendmaking van deze wet hervat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag.

  4. De wet regelt zo nodig het toezicht over de persoon van de Koning indien hij buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 36 - Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag

De Koning kan de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk neerleggen en die uitoefening hervatten krachtens een wet, waarvan het voorstel door of vanwege hem wordt ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 37 - Uitoefening koninklijk gezag door regent

  1. Het koninklijk gezag wordt uitgeoefend door een regent:
    a. zolang de Koning de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt;
    b. indien een nog niet geboren kind tot het koningschap geroepen kan zijn;
    c. indien de Koning buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen;
    d. indien de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk heeft neergelegd;
    e. zolang na het overlijden van de Koning of na diens afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt.

  2. De regent wordt benoemd bij de wet. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  3. In de gevallen, genoemd in het eerste lid onder c en d, is de nakomeling van de Koning die zijn vermoedelijke opvolger is, van rechtswege regent indien hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

  4. De regent zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt, in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal. De wet geeft nadere regels omtrent het regentschap en kan voorzien in de opvolging en de vervanging daarin. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  5. Op de regent zijn de artikelen 35 en 36 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38 - Uitoefening koninklijk gezag door RvS

Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk gezag is voorzien, wordt dit uitgeoefend door de Raad van State.

Artikel 39 - Lidmaatschap koninklijk huis

De wet regelt, wie lid is van het koninklijk huis.

Artikel 40 - Uitkering koninklijk huis

  1. De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het Rijk uitkeringen naar regels bij de wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het koninklijk huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen.

  2. De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, zijn vrij van persoonlijke belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of zijn vermoedelijke opvolger krachtens erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van het koninklijk huis vrij van de rechten van successie, overgang en schenking. Verdere vrijdom van belasting kan bij de wet worden verleend.

  3. De kamers der Staten-Generaal kunnen voorstellen van in de vorige leden bedoelde wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 41 - Inrichting huis Koning

De Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis in.

Artikel 42 - Ministeriële verantwoordelijkheid

  1. De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.

  2. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.

Artikel 43 - Regering en ministers

De minister-president en de overige ministers worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.

Artikel 44 - Ministeries

  1. Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.

  2. Ook kunnen ministers worden benoemd die niet belast zijn met de leiding van een ministerie.

Artikel 45 - Ministerraad

  1. De ministers vormen te zamen de ministerraad.

  2. De minister-president is voorzitter van de ministerraad.

  3. De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid.

Artikel 46 - Staatssecretarissen

  1. Bij koninklijk besluit kunnen staatssecretarissen worden benoemd en ontslagen.

  2. Een staatssecretaris treedt in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister.

Artikel 47 - Ondertekening en contraseign

Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.

Artikel 48 - Ontslag en benoeming ministers

Het koninklijk besluit waarbij de minister-president wordt benoemd, wordt mede door hem ondertekend. De koninklijke besluiten waarbij de overige ministers en de staatssecretarissen worden benoemd of ontslagen, worden mede door de minister-president ondertekend.

Artikel 49 - Ambtseed minister en staatssecretaris

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de ministers en de staatssecretarissen bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.
HOOFDSTUK 3

Staten-Generaal INLEIDING

Artikel 50 - Vertegenwoordiging

De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk.

Artikel 51 - Eerste en Tweede Kamer

  1. De Staten-Generaal bestaan uit de Tweede Kamer en de Eerste Kamer.

  2. De Tweede Kamer bestaat uit honderdvijftig leden.

  3. De Eerste Kamer bestaat uit vijfenzeventig leden.

  4. Bij een verenigde vergadering worden de kamers als één beschouwd.

Artikel 52 - Zittingsduur

  1. De zittingsduur van beide kamers is vier jaren.
  2. Indien voor de provinciale staten bij de wet een andere zittingsduur dan vier jaren wordt vastgesteld, wordt daarbij de zittingsduur van de Eerste Kamer in overeenkomstige zin gewijzigd.

Artikel 53 - Evenredige vertegenwoordiging

  1. De leden van beide kamers worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  2. De verkiezingen worden gehouden bij geheime stemming.

Artikel 54 - Verkiezing Tweede Kamer

  1. De leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen ten aanzien van Nederlanders die geen ingezetenen zijn.

  2. Van het kiesrecht is uitgesloten hij die wegens het begaan van een daartoe bij de wet aangewezen delict bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste een jaar en hierbij tevens is ontzet van het kiesrecht.

Artikel 55 - Verkiezing Eerste Kamer

De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten. De verkiezing wordt, behoudens in geval van ontbinding der kamer, gehouden binnen drie maanden na de verkiezing van de leden van provinciale staten.

Artikel 56 - Vereisten voor lidmaatschap

Om lid van de Staten-Generaal te kunnen zijn is vereist dat men Nederlander is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.

Artikel 57 - Incompatibiliteiten

  1. Niemand kan lid van beide kamers zijn.

  2. Een lid van de Staten-Generaal kan niet tevens zijn minister, staatssecretaris, lid van de Raad van State, lid van de Algemene Rekenkamer, Nationale ombudsman of substituut-ombudsman, of lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij de Hoge Raad.

  3. Niettemin kan een minister of staatssecretaris, die zijn ambt ter beschikking heeft gesteld, dit ambt verenigen met het lidmaatschap van de Staten-Generaal, totdat omtrent die beschikbaarstelling is beslist.

  4. De wet kan ten aanzien van andere openbare betrekkingen bepalen dat zij niet gelijktijdig met het lidmaatschap van de Staten-Generaal of van een der kamers kunnen worden uitgeoefend.

Artikel 57a - Zwangerschap en ziekte

De wet regelt de tijdelijke vervanging van een lid van de Staten-Generaal wegens zwangerschap en bevalling, alsmede wegens ziekte.

Artikel 58 - Geloofsbrieven

Elke kamer onderzoekt de geloofsbrieven van haar nieuwbenoemde leden en beslist met inachtneming van bij de wet te stellen regels de geschillen welke met betrekking tot de geloofsbrieven of de verkiezing zelf rijzen.

Artikel 59 - Kiesrecht en verkiezingen

Alles, wat verder het kiesrecht en de verkiezingen betreft, wordt bij de wet geregeld.

Artikel 60 - Ambtsaanvaarding

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de leden van de kamers bij de aanvaarding van hun ambt in de vergadering een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

Artikel 61 - Voorzitter en griffier

  1. Elk der kamers benoemt uit de leden een voorzitter.

  2. Elk der kamers benoemt een griffier. Deze en de overige ambtenaren van de kamers kunnen niet tevens lid van de Staten-Generaal zijn.

Artikel 62 - Verenigde vergadering

De voorzitter van de Eerste Kamer heeft de leiding van de verenigde vergadering.

Artikel 63 - Geldelijke voorzieningen

Geldelijke voorzieningen ten behoeve van leden en gewezen leden van de Staten-Generaal en van hun nabestaanden worden bij de wet geregeld. De kamers kunnen een voorstel van wet ter zake alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 64 - Ontbinding Kamers

  1. Elk der kamers kan bij koninklijk besluit worden ontbonden.

  2. Het besluit tot ontbinding houdt tevens de last in tot een nieuwe verkiezing voor de ontbonden kamer en tot het samenkomen van de nieuw gekozen kamer binnen drie maanden.

  3. De ontbinding gaat in op de dag waarop de nieuw gekozen kamer samenkomt.

  4. De wet stelt de zittingsduur van een na ontbinding optredende Tweede Kamer vast; de termijn mag niet langer zijn dan vijf jaren. De zittingsduur van een na ontbinding optredende Eerste Kamer eindigt op het tijdstip waarop de zittingsduur van de ontbonden kamer zou zijn geëindigd.

Artikel 65 - Troonrede

Jaarlijks op de derde dinsdag van september of op een bij de wet te bepalen eerder tijdstip wordt door of namens de Koning in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal een uiteenzetting van het door de regering te voeren beleid gegeven.

Artikel 66 - Openbaarheid vergaderingen

  1. De vergaderingen van de Staten-Generaal zijn openbaar.

  2. De deuren worden gesloten, wanneer een tiende deel van het aantal aanwezige leden het vordert of de voorzitter het nodig oordeelt.

  3. Door de kamer, onderscheidenlijk de kamers in verenigde vergadering, wordt vervolgens beslist of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd en besloten.

Artikel 67 - Quorum

  1. De kamers mogen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering alleen beraadslagen of besluiten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden ter vergadering aanwezig is.

  2. Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen.

  3. De leden stemmen zonder last.

  4. Over zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, wanneer één lid dit verlangt.

Artikel 68 - Inlichtingenplicht bewindslieden

De ministers en de staatssecretarissen geven de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat.

Artikel 69 - Aanwezigheid bewindslieden

  1. De ministers en de staatssecretarissen hebben toegang tot de vergaderingen en kunnen aan de beraadslaging deelnemen.

  2. Zij kunnen door de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn.

  3. Zij kunnen zich in de vergaderingen doen bijstaan door de personen, daartoe door hen aangewezen.

Artikel 70 - Recht van enquête

Beide kamers hebben, zowel ieder afzonderlijk als in verenigde vergadering, het recht van onderzoek (enquête), te regelen bij de wet.

Artikel 71 - Parlementaire onschendbaarheid

De leden van de Staten-Generaal, de ministers, de staatssecretarissen en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging, kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergaderingen van de Staten-Generaal of van commissies daaruit hebben gezegd of aan deze schriftelijk hebben overgelegd.

Artikel 72 - Reglement van orde

De kamers stellen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering een reglement van orde vast.

HOOFDSTUK 4

Adviesorganen INLEIDING

Artikel 73 - Taak Raad van State

  1. De Raad van State of een afdeling van de Raad wordt gehoord over voorstellen van wet en ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur, alsmede over voorstellen tot goedkeuring van verdragen door de Staten-Generaal. In bij de wet te bepalen gevallen kan het horen achterwege blijven.

  2. De Raad of een afdeling van de Raad is belast met het onderzoek van de geschillen van bestuur die bij koninklijk besluit worden beslist en draagt de uitspraak voor.

  3. De wet kan aan de Raad of een afdeling van de Raad de uitspraak in geschillen van bestuur opdragen.

Artikel 74 - Rechtspositie leden

  1. De Koning is voorzitter van de Raad van State. De vermoedelijke opvolger van de Koning heeft na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar van rechtswege zitting in de Raad. Bij of krachtens de wet kan aan andere leden van het koninklijk huis zitting in de Raad worden verleend.

  2. De leden van de Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  3. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  4. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Raad worden geschorst of ontslagen.

  5. De wet regelt overigens hun rechtspositie

Artikel 75 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Raad van State.

  2. Bij de wet kunnen aan de Raad of een afdeling van de Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 76 - Algemene rekenkamer

De Algemene Rekenkamer is belast met het onderzoek van de ontvangsten en uitgaven van het Rijk.

Artikel 77 - Rechtpositie leden rekenkamer

  1. De leden van de Algemene Rekenkamer worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Hoge Raad worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 78 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Algemene Rekenkamer.

  2. Bij de wet kunnen aan de Algemene Rekenkamer ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 78a - Nationale ombudsman

  1. De Nationale ombudsman verricht op verzoek of uit eigen beweging onderzoek naar gedragingen van bestuursorganen van het Rijk en van andere bij of krachtens de wet aangewezen bestuursorganen.
  2. De Nationale ombudsman en een substituut-ombudsman worden voor een bij de wet te bepalen termijn benoemd door de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Tweede Kamer der Staten-Generaal worden geschorst of ontslagen. De wet regelt overigens hun rechtspositie.
  3. De wet regelt de bevoegdheid en werkwijze van de Nationale ombudsman.
  4. Bij of krachtens de wet kunnen aan de Nationale ombudsman ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 79 - Vaste colleges van advies

  1. Vaste colleges van advies in zaken van wetgeving en bestuur van het Rijk worden ingesteld bij of krachtens de wet.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van deze colleges.

  3. Bij of krachtens de wet kunnen aan deze colleges ook andere dan adviserende taken worden opgedragen.

Artikel 80 - Openbaarmaking advies

  1. De adviezen van de in dit hoofdstuk bedoelde colleges worden openbaar gemaakt volgens regels bij de wet te stellen.

  2. Adviezen, uitgebracht ter zake van voorstellen van wet die door of vanwege de Koning worden ingediend, worden, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen, aan de Staten-Generaal overgelegd.

HOOFDSTUK 5

Wetgeving en bestuur INLEIDING

Artikel 81 - Wetgevende macht

De vaststelling van wetten geschiedt door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk.

Artikel 82 - Indienen wetsvoorstel

  1. Voorstellen van wet kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Voorstellen van wet waarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en, voor zover de betreffende artikelen van hoofdstuk 2 dit toelaten, door de verenigde vergadering.

  3. Voorstellen van wet, in te dienen door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering, worden bij haar door een of meer leden aanhangig gemaakt.

Artikel 83 - Toezending wetsvoorstel TK

Voorstellen van wet, ingediend door of vanwege de Koning, worden gezonden aan de Tweede Kamer of, indien daarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, aan deze vergadering.

Artikel 84 - Wijziging wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet, ingediend door of vanwege de Koning, niet door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering is aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en vanwege de regering worden gewijzigd.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden gewijzigd.

Artikel 85 - Toezending wetsvoorstel EK

Zodra de Tweede Kamer een voorstel van wet heeft aangenomen of tot indiening van een voorstel heeft besloten, zendt zij het aan de Eerste Kamer, die het voorstel overweegt zoals het door de Tweede Kamer aan haar is gezonden. De Tweede Kamer kan een of meer van haar leden opdragen een door haar ingediend voorstel in de Eerste Kamer te verdedigen.

Artikel 86 - Intrekking wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet niet door de Staten-Generaal is aangenomen, kan het door of vanwege de indiener worden ingetrokken.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden ingetrokken.

Artikel 87 - Aanneming en bekrachtiging

  1. Een voorstel wordt wet, zodra het door de Staten-Generaal is aangenomen en door de Koning is bekrachtigd.

  2. De Koning en de Staten-Generaal geven elkaar kennis van hun besluit omtrent enig voorstel van wet.

Artikel 88 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de wetten. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 89 - Algemene maatregel van bestuur

  1. Algemene maatregelen van bestuur worden bij koninklijk besluit vastgesteld.

  2. Voorschriften, door straffen te handhaven, worden daarin alleen gegeven krachtens de wet. De wet bepaalt de op te leggen straffen.

  3. De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de algemene maatregelen van bestuur. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

  4. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op andere vanwege het Rijk vastgestelde algemeen verbindende voorschriften.

Artikel 90 - Bevordering internationale rechtsorde

De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde.

Artikel 91 - Goedkeuring verdrag

  1. Het Koninkrijk wordt niet aan verdragen gebonden en deze worden niet opgezegd zonder voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. De wet bepaalt de gevallen waarin geen goedkeuring is vereist.

  2. De wet bepaalt de wijze waarop de goedkeuring wordt verleend en kan voorzien in stilzwijgende goedkeuring.

  3. Indien een verdrag bepalingen bevat welke afwijken van de Grondwet dan wel tot zodanig afwijken noodzaken, kunnen de kamers de goedkeuring alleen verlenen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 92 - Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties

Met inachtneming, zo nodig, van het bepaalde in artikel 91, derde lid, kunnen bij of krachtens verdrag aan volkenrechtelijke organisaties bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak worden opgedragen.

Artikel 93 - Verbindende kracht verdrag

Bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 94 - Verdrag boven wet

Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 95 - Bekendmaking verdrag

De wet geeft regels omtrent de bekendmaking van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 96 - Oorlogsverklaring

  1. Het Koninkrijk wordt niet in oorlog verklaard dan na voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal.

  2. De toestemming is niet vereist, wanneer het overleg met de Staten-Generaal ten gevolge van een feitelijk bestaande oorlogstoestand niet mogelijk is gebleken.

  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  4. Het bepaalde in het eerste en het derde lid is van overeenkomstige toepassing voor een verklaring dat een oorlog beëindigd is.

Artikel 97 - Krijgsmacht

  1. Ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk, alsmede ten behoeve van de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde, is er een krijgsmacht.

  2. De regering heeft het oppergezag over de krijgsmacht.

Artikel 98 - Samenstelling krijgsmacht

  1. De krijgsmacht bestaat uit vrijwillig dienenden en kan mede bestaan uit dienstplichtigen.

  2. De wet regelt de verplichte militaire dienst en de bevoegdheid tot opschorting van de oproeping in werkelijke dienst.

Artikel 99 - Gewetensbezwaren militaire dienst

De wet regelt vrijstelling van militaire dienst wegens ernstige gewetensbezwaren.

Artikel 99a - Civiele verdediging

Volgens bij de wet te stellen regels kunnen plichten worden opgelegd ten behoeve van de civiele verdediging.

Artikel 100 - Inlichtingen over krijgsmacht

  1. De regering verstrekt de Staten-Generaal vooraf inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. Daaronder is begrepen het vooraf verstrekken van inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht voor humanitaire hulpverlening in geval van gewapend conflict.

  2. Het eerste lid geldt niet, indien dwingende redenen het vooraf verstrekken van inlichtingen verhinderen. In dat geval worden inlichtingen zo spoedig mogelijk verstrekt.

Artikel 101 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 20 juli 1995

Artikel 102 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 22 juni 2000

Artikel 103 - Uitzonderingstoestand

  1. De wet bepaalt in welke gevallen ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid bij koninklijk besluit een door de wet als zodanig aan te wijzen uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd; zij regelt de gevolgen.

  2. Daarbij kan worden afgeweken van de grondwetsbepalingen inzake de bevoegdheden van de besturen van provincies, gemeenten en waterschappen, van de grondrechten geregeld in de artikelen 6, voor zover dit de uitoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen van het in dit artikel omschreven recht betreft, 7, 8, 9, 12, tweede en derde lid, en 13, alsmede van artikel 113, eerste en derde lid.

  3. Terstond na de afkondiging van een uitzonderingstoestand en voorts, zolang deze niet bij koninklijk besluit is opgeheven, telkens wanneer zij zulks nodig oordelen beslissen de Staten-Generaal omtrent het voortduren daarvan; zij beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 104 - Belastingheffing

Belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet. Andere heffingen van het Rijk worden bij de wet geregeld.

 
 

Artikel 105 - Recht van begroting

  1. De begroting van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt bij de wet vastgesteld.

  2. Jaarlijks worden voorstellen van algemene begrotingswetten door of vanwege de Koning ingediend op het in artikel 65 bedoelde tijdstip.

  3. De verantwoording van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt aan de Staten-Generaal gedaan overeenkomstig de bepalingen van de wet. De door de Algemene Rekenkamer goedgekeurde rekening wordt aan de Staten-Generaal overgelegd.

  4. De wet stelt regels omtrent het beheer van de financiën van het Rijk.

Artikel 106 - Geldstelsel

De wet regelt het geldstelsel.

Artikel 107 - Codificatie

  1. De wet regelt het burgerlijk recht, het strafrecht en het burgerlijk en strafprocesrecht in algemene wetboeken, behoudens de bevoegdheid tot regeling van bepaalde onderwerpen in afzonderlijke wetten.

  2. De wet stelt algemene regels van bestuursrecht vast.

Artikel 108 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 25 februari 1999

Artikel 109 - Rechtspositie ambtenaren

De wet regelt de rechtspositie van de ambtenaren. Zij stelt tevens regels omtrent hun bescherming bij de arbeid en omtrent medezeggenschap.

 

Artikel 110 - Openbaarheid van bestuur

De overheid betracht bij de uitvoering van haar taak openbaarheid volgens regels bij de wet te stellen.

 

Artikel 111 - Ridderorden

Ridderorden worden bij de wet ingesteld.
HOOFDSTUK 6

Rechtspraak INLEIDING

Artikel 112 - Civiele en administratieve rechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is opgedragen de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen.

  2. De wet kan de berechting van geschillen die niet uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, opdragen hetzij aan de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren. De wet regelt de wijze van behandeling en de gevolgen van de beslissingen.

Artikel 113 - Strafrechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van strafbare feiten.

  2. Tuchtrechtspraak door de overheid ingesteld wordt bij de wet geregeld.

  3. Een straf van vrijheidsontneming kan uitsluitend door de rechterlijke macht worden opgelegd.

  4. Voor berechting buiten Nederland en voor het oorlogsstrafrecht kan de wet afwijkende regels stellen.

Artikel 114 - Doodstraf

De doodstraf kan niet worden opgelegd.

Artikel 115 - Administratief beroep

Ten aanzien van de in artikel 112, tweede lid, bedoelde geschillen kan administratief beroep worden opengesteld.

Artikel 116 - Rechterlijke macht

  1. De wet wijst de gerechten aan die behoren tot de rechterlijke macht.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de rechterlijke macht.

  3. De wet kan bepalen, dat aan rechtspraak door de rechterlijke macht mede wordt deelgenomen door personen die niet daartoe behoren.

  4. De wet regelt het toezicht door leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast uit te oefenen op de ambtsvervulling door zodanige leden en door de personen bedoeld in het vorige lid.

Artikel 117 - Rechtspositie leden rechterlijke macht

  1. De leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal bij de Hoge Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet bepaald kunnen zij door een bij de wet aangewezen, tot de rechterlijke macht behorend gerecht worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 118 - Hoge Raad

  1. De leden van de Hoge Raad der Nederlanden worden benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. De Hoge Raad is in de gevallen en binnen de grenzen bij de wet bepaald, belast met de cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van het recht.

  3. Bij de wet kunnen aan de Hoge Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 119 - Ambtsmisdrijven

De leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreden terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.

Artikel 120 - Toetsingsverbod

De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.

Artikel 121 - Openbaarheid terechtzittingen

Met uitzondering van de gevallen bij de wet bepaald vinden de terechtzittingen in het openbaar plaats en houden de vonnissen de gronden in waarop zij rusten. De uitspraak geschiedt in het openbaar.

Artikel 122 - Gratie

  1. Gratie wordt verleend bij koninklijk besluit na advies van een bij de wet aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.

  2. Amnestie wordt bij of krachtens de wet verleend.

HOOFDSTUK 7

Decentralisatie INLEIDING

Artikel 123 - Instelling provincies en gemeenten

  1. Bij de wet kunnen provincies en gemeenten worden opgeheven en nieuwe ingesteld.

  2. De wet regelt de wijziging van provinciale en gemeentelijke grenzen.

Artikel 124 - Autonomie en medebewind

  1. Voor provincies en gemeenten wordt de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake hun huishouding aan hun besturen overgelaten.

  2. Regeling en bestuur kunnen van de besturen van provincies en gemeenten worden gevorderd bij of krachtens de wet.

Artikel 125 - Organen decentrale besturen

  1. Aan het hoofd van de provincie en de gemeente staan provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad. Hun vergaderingen zijn openbaar, behoudens bij de wet te regelen uitzonderingen.

  2. Van het bestuur van de provincie maken ook deel uit gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning, van het bestuur van de gemeente het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester.

Artikel 126 - Ambtsinstructie commissaris koning

Bij de wet kan worden bepaald, dat de commissaris van de Koning wordt belast met de uitvoering van een door de regering te geven ambtsinstructie.

Artikel 127 - Vaststelling verordening

Provinciale staten en de gemeenteraad stellen, behoudens bij de wet of door hen krachtens de wet te bepalen uitzonderingen, de provinciale onderscheidenlijk de gemeentelijke verordeningen vast.

Artikel 128 - Toekenning bevoegdheden

Behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 123, kan de toekenning van bevoegdheden, als bedoeld in artikel 124, eerste lid, aan andere organen dan die, genoemd in artikel 125, alleen door provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad geschieden.

Artikel 129 - Verkiezing vertegenwoordigend orgaan

  1. De leden van provinciale staten en van de gemeenteraad worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders, tevens ingezetenen van de provincie onderscheidenlijk de gemeente, die voldoen aan de vereisten die gelden voor de verkiezing van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Voor het lidmaatschap gelden dezelfde vereisten.
  2. De leden worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  3. De artikelen 53, tweede lid, en 59 zijn van toepassing. Artikel 57a is van overeenkomstige toepassing.
  4. De zittingsduur van provinciale staten en de gemeenteraad is vier jaren, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen.
  5. De wet bepaalt welke betrekkingen niet gelijktijdig met het lidmaatschap kunnen worden uitgeoefend. De wet kan bepalen, dat beletselen voor het lidmaatschap voortvloeien uit verwantschap of huwelijk en dat het verrichten van bij de wet aangewezen handelingen tot het verlies van het lidmaatschap kan leiden.
  6. De leden stemmen zonder last.

Artikel 130 - Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders

De wet kan het recht de leden van de gemeenteraad te kiezen en het recht lid van de gemeenteraad te zijn toekennen aan ingezetenen, die geen Nederlander zijn, mits zij tenminste voldoen aan de vereisten die gelden voor ingezetenen die tevens Nederlander zijn.

Artikel 131 - Benoeming commissaris Koning

De commissaris van de Koning en de burgemeester worden bij koninklijk besluit benoemd.

Artikel 132 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen

  1. De wet regelt de inrichting van provincies en gemeenten, alsmede de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen.

  2. De wet regelt het toezicht op deze besturen.

  3. Besluiten van deze besturen kunnen slechts aan voorafgaand toezicht worden onderworpen in bij of krachtens de wet te bepalen gevallen.

  4. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden bij koninklijk besluit wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

  5. De wet regelt de voorzieningen bij in gebreke blijven ten aanzien van regeling en bestuur, gevorderd krachtens artikel 124, tweede lid. Bij de wet kunnen met afwijking van de artikelen 125 en 127 voorzieningen worden getroffen voor het geval het bestuur van een provincie of een gemeente zijn taken grovelijk verwaarloost.

  6. De wet bepaalt welke belastingen door de besturen van provincies en gemeenten kunnen worden geheven en regelt hun financiële verhouding tot het Rijk.

Artikel 133 - Waterschappen

  1. De opheffing en instelling van waterschappen, de regeling van hun taken en inrichting, alsmede de samenstelling van hun besturen, geschieden volgens bij de wet te stellen regels bij provinciale verordening, voor zover bij of krachtens de wet niet anders is bepaald.

  2. De wet regelt de verordenende en andere bevoegdheden van de besturen van de waterschappen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen.

  3. De wet regelt het provinciale en overige toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 134 - Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

  1. Bij of krachtens de wet kunnen openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere openbare lichamen worden ingesteld en opgeheven.

  2. De wet regelt de taken en de inrichting van deze openbare lichamen, de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen. Bij of krachtens de wet kan aan hun besturen verordenende bevoegdheid worden verleend.

  3. De wet regelt het toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 135 - Gemeenschappelijke regelingen

De wet geeft regels ter voorziening in zaken waarbij twee of meer openbare lichamen zijn betrokken. Daarbij kan in de instelling van een nieuw openbaar lichaam worden voorzien, in welk geval artikel 134, tweede en derde lid, van toepassing is.

Artikel 136 - Geschillen

De geschillen tussen openbare lichamen worden bij koninklijk besluit beslist, tenzij deze behoren tot de kennisneming van de rechterlijke macht of hun beslissing bij de wet aan anderen is opgedragen.
HOOFDSTUK 8

Herziening grondwet INLEIDING

Artikel 137 - Grondwetswijziging

  1. De wet verklaart, dat een verandering in de Grondwet, zoals zij die voorstelt, in overweging zal worden genomen.

  2. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, een voorstel voor zodanige wet splitsen.

  3. Na de bekendmaking van de wet, bedoeld in het eerste lid, wordt de Tweede Kamer ontbonden.

  4. Nadat de nieuwe Tweede Kamer is samengekomen, overwegen beide kamers in tweede lezing het voorstel tot verandering, bedoeld in het eerste lid. Zij kunnen dit alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  5. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen een voorstel tot verandering splitsen.

Artikel 138 - Aanpassing niet gewijzigde bepalingen

  1. Voordat de in tweede lezing aangenomen voorstellen tot verandering in de Grondwet door de Koning worden bekrachtigd, kunnen bij de wet:

    a. de aangenomen voorstellen en de ongewijzigd gebleven bepalingen van de Grondwet voor zoveel nodig aan elkaar worden aangepast;

    b. de indeling in en de plaats van hoofdstukken, paragrafen en artikelen, alsmede de opschriften worden gewijzigd.

  2. Een voorstel van wet, houdende voorzieningen als bedoeld in het eerste lid onder a, kunnen de kamers alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 139 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De veranderingen in de Grondwet, door de Staten-Generaal aangenomen en door de Koning bekrachtigd, treden terstond in werking, nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 140 - Handhaving bestaande regelgeving

Bestaande wetten en andere regelingen en besluiten die in strijd zijn met een verandering in de Grondwet, blijven gehandhaafd, totdat daarvoor overeenkomstig de Grondwet een voorziening is getroffen.

Artikel 141 - Bekendmaking herziene Grondwet

De tekst van de herziene Grondwet wordt bij koninklijk besluit bekendgemaakt, waarbij hoofdstukken, paragrafen en artikelen kunnen worden vernummerd en verwijzingen dienovereenkomstig kunnen worden veranderd.

Artikel 142 - Aanpassing Grondwet aan Statuut

De Grondwet kan bij de wet met het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in overeenstemming worden gebracht. De artikelen 139, 140 en141 zijn van overeenkomstige toepassing.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

S.C. van Bijsterveld en B.P. Vermeulen

ARTIKEL 6 - Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging

INHOUD
  1. Historische ontwikkeling
  2. De dragers van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  3. Algemene omschrijving van de vrijheid van godsdienst of levensovertui­ging
  4. De uitingsvormen van de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging; interpretatieve terughoudendheid
  5. De uitingsvormen nader beschouwd; beperkingen; redelijke uitleg en toepassing
  6. De betekenis van het godsdienstige of levensbeschouwelijke motief bij de bepaling van de sanctie of maatregel
  7. Het `notstandsfeste' karakter van de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging
  8. Samenloop van de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging met andere grondrechten
  9. De vrijheid van godsdienst of levensovertuiging in samenhang met het gelijkheidsbeginsel en de scheiding van kerk en staat
  10. De horizontale werking van de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging
  11. Relevant verdragsrecht
  12. Jurisprudentie
  13. Literatuur
  14. Historische versies                              
 

Editie april 2013[1]

1.    Historische ontwikkeling[2]

De vrijheid van godsdienst heeft haar wortels in de religietwisten van de 16de en 17de eeuw. De overheid was veelal slechts in staat de godsdienst(burger)oorlog te voorkomen door naast een publieke sfeer, waar zij bevoegd was de eenheid en orde te bewaren, aan de burger een private sfeer te laten, waar hij vrij was zijn godsdienst naar eigen inzichten te belijden. Deze private sfeer werd evenwel niet enkel op dit pragmatische motief gebaseerd, maar tevens gegrond op een natuurlijk recht van een ieder om God naar eigen gewetensinzichten te mogen vereren. Aldus werd het individu voor het eerst op praktische én principiële gronden een door de overheid te respecteren vrijheidsruimte gegeven.[3]

Artikel XIII van de Unie van Utrecht (1579), het verdedigingsverbond van de tegen Spanje strijdende gewesten, dat gaandeweg de status kreeg van Nederlandse constitutie, kan beschouwd worden als de eerste daadwerkelijke, hoewel beperkte, grondrechtelijke erkenning van de vrijheid van geweten en godsdienst.[4] Ingevolge dit artikel was elk gewest vrij ter zake van de godsdienst zijn eigen regeling te treffen, met het voorbehoud `dat een yder particulier in sijn religie vrij sal moegen blijven ende dat men nyemant ter cause van de religie sal moegen achterhaelen ofte ondersoucken'. Dit artikel erkende derhalve slechts wat men toentertijd de vrijheid van consciëntie of geweten noemde, welke enkel de vrijheid van geloofsovertuiging, geformuleerd in termen van een inquisitieverbod, en het recht van huiselijke (particuliere) godsdienstoefening (de `devotio domestica simplex' of `einfache Hausandacht') omvatte.

Buiten de sfeer van het eigen huis was de overheid ingevolge art. XIII volledig bevoegd ten aanzien van de godsdienst regels te stellen. Meestal deed zij dit ten voordele van de toenmaals zo geheten en heersend geworden gereformeerde religie. Openbare (d.w.z. niet‑huiselijke) godsdienstoefening was aan anderen dan de aanhangers van deze geloofsrichting verboden; ten aanzien van verschillende overheidsambten was de clausule dat men `blijven zou bij de gereformeerde religie' in de ambtseed opgenomen; en alleen de heersende kerk werd van overheidswege materieel ondersteund.[5] Hier stond tegenover dat de overheid zich verregaand bemoeide met de intern‑godsdienstige aangelegenheden van de door haar bevoorrechte kerk.

Aan de verstrengeling van kerk en staat, voortkomend uit deze bevoorrechting én bevoogding van deze kerk, later de Nederlandse Hervormde Kerk geheten,  is in de loop van de 19de en 20ste eeuw een einde gemaakt.[6] Het grondwetgevende orgaan van de nieuwe Bataafse Republiek, de Nationale Vergadering, decreteerde in 1796 de scheiding van kerk en staat en volledige godsdienstvrijheid voor een ieder, en legde vast dat een bevoorrechte of heersende kerk niet meer geduld zou worden.[7] In het ingewikkelde ontvlechtingsproces[8] dat hierop volgde zijn een aantal aspecten te onderscheiden.

Zoals gezegd, onder de Unie werd slechts aan de heersende kerk het recht van openbare godsdienstoefening toegekend. De Bataafse Staatsregelingen en latere constituties maakten deze achterstelling van andere godsdiensten ongedaan.[9] Daarnaast eiste de Grondwet van 1814 voor het eerst dat aan de bestaande godsdiensten gelijke bescherming diende te worden verleend.[10] Uit deze gelijkschakeling van de verschillende godsdiensten vloeide verder noodzakelijkerwijze voort dat de belijders dezer godsdiensten gelijke aanspraak op burgerrechten en overheidsambten dienden te hebben.[11]

De eerder geproclameerde scheiding van kerk en staat in combinatie met de vrijheid van godsdienst en de gelijkstelling der godsdiensten, bracht ook de eis aan de staat om de kerk verregaande autonomie te laten ten aanzien van  de interne organisatie van de kerk met zich.[12] Dit houdt met name in dat de staat zich (zoveel als mogelijk) dient te onthouden van ingrijpen in de vaststelling van kerkrechtelijke regels, benoeming en ontslag van kerkelijke leiders en leraren e.d.
De overheid heeft zich (vooral ten aanzien van de Nederlandse Hervormde Kerk) nog lange tijd op het standpunt gesteld, bevoegd te zijn om in de interne organisatie te interveniëren. Zo stelde Willem I in 1816 een reglement voor de kerkinrichting vast en had de overheid in bepaalde gemeenten de bevoegdheid tot voordracht of benoeming van predikanten (het collatierecht). Bij de Wet op de kerkgenootschappen (1853) werd de vrijheid van kerkelijke organisatie evenwel expliciet erkend;[13] het collatierecht werd in 1861 opgeheven. De verouderde bepalingen van artikelen 186 en 187 Gw. 1972[14] zijn in 1983 geschrapt. In de huidige Grondwet komt het begrip ‘kerkgenootschap’ niet meer voor. Kerkelijke autonomie wordt desondanks door artikel 6 Gw gegarandeerd. Het artikel garandeert immers niet alleen vrijheid van godsdienst en levensovertuiging aan individuen individueel en in gemeenschap met anderen, maar ook aan groepen en organisaties.

In de loop van de tijd heeft de overheid zich ook financieel teruggetrokken in de richting van de kerken. Zo zijn bij Wet van 7 december 1983 (Stb. 638) de oorspronkelijk grondwettelijke financiële verplichtingen van de overheid ten aanzien van traktementen van geestelijken, verplichtingen die hun oorsprong vonden in de Napoleontische tijd, afgekocht. Een grondwetswijziging van 1972 had deze afkoop mogelijk gemaakt. De verplichtingen waren overigens in de loop van de tijd niet met de geldontwaarding meegegaan. Deze ontwikkeling betekent overigens niet dat financiële betrekkingen tussen overheid en kerken als zodanig problematisch zijn (zie hierna, paragraaf 9).
 
Artikel 6 van de huidige Grondwet vormt niet enkel een voortzetting van het vroegere regime,[15] maar bevat ook nieuw recht. Voor het eerst wordt naast vrijheid van godsdienst ook expliciet de vrijheid van niet‑godsdienstige levensovertuiging gegarandeerd. Hiermee correspondeert dat art. 1 Gw. een uitdrukkelijk verbod van discriminatie wegens (onder andere) godsdienst of levensovertuiging bevat. Levensovertuiging heeft ook in artikel 23, derde lid, Grondwet een plaats gekregen naast godsdienst. Deze gelijkstelling van godsdienst en levensovertuiging heeft haar beslag ook in de wetgeving gevonden.[16]

Daarnaast bevat artikel 6 Gw een ander stelsel vanbeperkingsbevoegdheden dan de eerdere equivalenten. Ook zogenaamde algemene beperkingen, beperkingen voortvloeiend uit rechtsregels die niet speciaal gericht zijn op de uitoefening van het grondrecht maar door hun algemene werking de omvang van het grondrecht kunnen beïnvloeden, dienen nu op een grondwettelijke clausule te berusten.[17] De algemene bepaling van het eerste lid van dit artikel laat beperkingen bij formele wet toe;[18] het tweede lid maakt ter zake van de uitoefening van het grondrecht buiten gebouwen en besloten plaatsen ook beperkingen mogelijk door lagere wetgeving ten behoeve van de daarin genoemde doeleinden.[19]

In de aanloop tot de alghele grondwetsherziening en in de eerste jaren na het totstandkomen van de Grondwet 1983 was de wetenschappelijke discussie ten aanzien van artikel 6 Gw. sterk gericht op de betekenis van de uitbreiding van de bescherming van godsdienstvrijheid tot de niet-religieuze levensovertuiging en op het stelsel van beperkingen. Sinds de tweede helft van de jaren ’90 kwam steeds sterker de vraag betekenis van godsdienstvrijheid en de gelijkwaardige bescherming van de islam in beeld. Dat was ook het geval voor de relatie van artikel 6 tot de vrijheid van meningsuiting (artikel 7) en het gebod van gelijke behandeling en non-discriminatie (artikel 1).[20]

Waar in de tijd rond de algehele grondwetsherziening vooral de nadruk lag op het uitbreiden van het toepassingsbereik van wettelijke regelingen ten aanzien van godsdienst tot de niet-godsdienstige overtuiging, is de wetenschappelijke discussie breder geworden.[21] De aandacht van de (initiatief)wetgever is de laatste jaren meer gericht op het ter discussie stellen of afschaffen van wettelijke regelingen die godsdienst betreffen.[22] Te noemen vallen in het bijzonder uiteenlopende voorstellen als het initiatiefvoorstel tot (de facto) het verbieden van rituele slacht en het (succesvolle) initiatiefvoorstel tot het afschaffen van de strafbaarstelling van smalende godslastering, het initiatiefvoorstel tot het maken van een einde aan het fenomeen van de zgn. ‘weigerambtenaren’ (zie het commentaar op artikel 1) de ontluikende maatschappelijke discussie over jongensbesnijdenis om religieuze redenen.[23] Nu godsdienst minder een vanzelfsprekendheid is in de samenleving en de presentie van de islam in Nederland de laatste jaren in de publieke discussie vooral in problematische zin aan de orde komt, wordt zelfs de garantie van vrijheid van godsdienst en levensovertuiging op zich wel eens ter discussie gesteld.[24]

Godsdienst is sinds de jaren ’90 van de vorige eeuw ook voorwerp van breder maatschappelijk debat geworden en verknoopt geraakt met bredere maatschappelijke vraagstukken als migratie, integratie en buitenlandse politiek.[25].    
 
Wat verdragsrechtelijke ontwikkelingen betreft, valt op te merken dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in tegenstelling tot de periode daarvoor, het laatste decennium regelmatig kwesties voorgelegd krijgt waar godsdienst of levensovertuiging aan de orde is. Verder hebben godsdienst en levensovertuiging ook in het EU-verdragsrecht een expliciete plaats gekregen, via het Handvest van de grondrechten van de EU en en artikel 17 VWEU (zie hierna paragraaf 11).

2. De dragers van de vrijheid van godsdienst en
    levensovertuiging[26]

Artikel 6 Gw. waarborgt ieders recht zijn godsdienst of levensovertuiging vrij te belijden. Hieruit volgt dat dit artikel ook van toepassing is op niet-Nederlanders.

De regering stelde dat de grondrechtenbepalingen niet alleen beogen aan individuen, maar ook aan rechtspersonen en aan groepen en organisaties zonder rechtspersoonlijkheid rechten en aanspraken te verlenen voor zover dat naar de aard van het betreffende grondrecht zin kan hebben.[27] Historisch en sociologisch bezien is de godsdienstvrijheid niet enkel een individueel recht, maar tevens een recht van groepen, hetgeen uitgedrukt wordt met de woorden ‘in gemeenschap met anderen’. Hieruit volgt dat ook collectiviteiten – rechtspersonen en niet-rechtspersonen – zich op artikel 6 Gw kunnen beroepen. Evenzo worden kerken en andere organisaties op levensbeschouwelijke grondslag in de Straatsburgse jurisprudentie erkend als dragers van de vrijheid van godsdienst en levensovertui­ging zoals gewaarborgd in artikel 9 EVRM.[28]

Het individu is vanaf zijn meerderjarigheid uiteraard volwaardig drager van de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging. Maar ook de minderjarige komt onder omstandigheden tegenover zijn ouders en anderen, waaronder de overheid, een beroep op de belijdenisvrijheid toe.[29] Naar heersende opvattingen dienen de door de minderjarige gemaakte godsdienstige of levensbeschouwelijke keuzes gerespecteerd te worden wanneer hij geacht kan worden dit grondrecht zelfstandig uit te oefenen, dus zodra hij in staat is om zijn eigen levensvisie te bepalen.[30]

De grondwetgever heeft zich op het standpunt gesteld dat de grondrechten voor een ieder gelden, ongeacht zijn verhouding tot de overheid, zodat bijvoorbeeld ook de ambtenaar zich er onverkort op kan beroepen.[31] Ook de gedetineerde kan een beroep doen op de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging. Artikel 15, vierde lid, Gw biedt echter de mogelijkheid hem in de uitoefening van zijn grondrechten (buiten de clausulering van artikel 6 Gw om) te beperken voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt.

3. Algemene omschrijving van de vrijheid van
    godsdienst of levensovertui­ging[32]

De klassieke vrijheidsrechten beschermen bepaalde, veelal uit historisch oogpunt bezien kwetsbare (door de staat en andere machthebbers bedreigde) handelingster­reinen. Deze functie kunnen zij slechts vervullen in zoverre zij betrekking hebben op een specifiek object, dus op een afgebakend, begrensd handelingskader. Immers, slechts dan is het mogelijk juridisch effectieve en hanteerbare, op dit kader toegesneden waarborgen en (restrictief geformuleerde) beperkingsbevoegdhe­den te formuleren.

Met betrekking tot artikel 6 Gw en zijn internationaalrechtelijke equivalenten zoals artikel 9 EVRM en artikel 18 IVBP brengt dit met zich dat deze bepaling in principe slechts die gedragingen bestrijkt die naar objectieve maatstaven ‘rechtstreeks uitdrukking geven aan een godsdienst of levensovertuiging’.[33] Een subjectieve interpretatie, die inhoudt dat onder de werkingssfeer van dit grondrecht elke handeling valt die voortkomt uit een godsdienstig of levensbeschouwelijk motief, zou het onhanteerbaar maken, daar ieder type handeling uit zulk een motief kan voortkomen. Aldus zou dit recht opgerekt worden tot de vrijheid van geweten, een vrijheid die de rechtsorde per definitie – althans in de vorm van een algemeen geformuleerd grondrecht – niet kan waarborgen.[34] Bij de herziening van 1983 is op deze grond opneming van de gewetensvrijheid in de Grondwet uitdrukkelijk afgewezen.[35]

Het object van de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging wordt door de Nederlandse rechter en het Straatsburgse Hof in het algemeen dan ook restrictief opgevat. Volgens vaste jurisprudentie komt deze vrijheid niet de betekenis toe van het recht om de eigen religieuze of levensbeschouwelijke normen in de praktijk des levens op te volgen. Het valt derhalve niet samen met een ieders vrijheid wettelijke voorschriften aan zijn godsdienstige of levensovertuiging te toetsen.[36] Een wettelijke regeling wordt in principe dan ook slechts als een beperking van deze vrijheid aangemerkt wanneer deze regeling betrekking heeft op het tot uiting brengen van godsdienst of levensovertuiging in enigerlei vorm.[37] Positief geformuleerd: de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging beschermt enkel de handeling die ‘op zichzelf’ aan te merken is ‘als een praktische toepassing van de godsdienst of overtuiging’ van de betrokkene, dat wil zeggen als een gedraging waardoor hij ‘naar objectieve maatstaven een directe uitdrukking geeft aan zijn godsdienst of levensovertuiging’.[38] Dat impliceert dat een beroep op de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging om te bewerkstelligen dat men niet hoeft te voldoen aan algemene, neutraal geformuleerde verplichtingen (bijv. tot het betalen van een belasting of tot solliciteren) die dus niet specifiek op religieus of levensbeschouwelijk handelen zien, geen kans van slagen heeft.[39]

4. De uitingsvormen van de vrijheid van godsdienst
    of levensovertuiging; interpretatieve
    terughoudendheid[40]

Uitgangspunt is dus dat de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging in artikel 6 Gw en de daarmee corresponderende verdragsbepalingen alleen betrekking hebben op gedrag dat onderdeel uitmaakt van een algemeen als zodanig erkende godsdienstige of levensbeschouwelijke praktijk.[41] Hoewel hiervan geen exacte definitie te geven is, is het wel mogelijk ten aanzien van die praktijk voorzover deze godsdienstig van aard is globaal aan te geven welke vormen van gedrag daaronder in elk geval vallen. Hiertoe dient gerekend te worden:
­ (I) het hebben van een bepaalde godsdienstige overtuiging, hetgeen mede omvat het veranderen en het niet hebben van zulk een overtuiging;
­(II) het uiten van deze overtuiging in de individuele en collectieve godsverering (cultus en rite), de huiselijke en openbare godsdienstoefening;
­(III) het uitdragen en overdragen van deze overtuiging (onderwijs, opvoeding, verkondiging);
­ (IV) het oprichten en inrichten van organisaties waarbinnen genoemde manifesta­ties van die overtuiging kunnen plaatsvinden;
­ (V) het (anderszins) zich naar die overtuiging gedragen voorzover dat rechtstreeks uitdrukking geeft aan die overtuiging.

Veel lastiger is het om een nadere aanduiding te geven van het ‘belijden van een levensovertuiging’, dat immers nog veel minder vast omlijnd is. De regering onthield zich tijdens het proces van de algehele grondwetsherziening van 1983 van enige omschrijving, stelde slechts dat de nevenschikking met godsdienst een interpretatieve maatstaf gaf.[42] Blijkbaar werd hiermee bedoeld dat het begrip ‘levensovertuiging’ vanuit het begrip ‘godsdienst’ uitgelegd moet worden, hetgeen impliceert dat het moet gaan om een samenhangende levensbe­schouwing (bijv. humanisme, antroposofie) die onderscheiden moet worden van het tot uitdrukking brengen van maatschappelijke opvattingen, dat door artikel 7 Gw en niet door artikel 6 Gw bestreken wordt.[43] Hiermee is echter weinig houvast gegeven. De godsdienstige belijdenis bestrijkt een herkenbaar terrein van handelen; ten aanzien van de belijdenis van levensovertuiging ontbreekt een dergelijk kader. Dit betekent dat met name de rechter geconfronteerd kan worden met een veelheid van levensbeschouwelijk gemotiveerde uitingen en activiteiten waarop volgens de betrokkenen artikel 6 Gw van toepassing is. De rechter zal de maatschappelijk onaanvaardbare consequenties van een dergelijk oprekken van artikel 6 Gw tot een garantie van het recht om te handelen conform de subjectieve levensovertuiging (hetgeen neer zou komen op de vrijheid van geweten) evenwel niet voor zien rekening nemen, en het begrip ‘belijden van levensovertuiging’ eng uitleggen,[44] hetgeen hem vanwege de onbepaaldheid ervan niet moeilijk zal vallen.
 
De harde consequenties van de hier voorgestane restrictief-objectieve interpretatie van de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging kunnen althans voorzover het een beroep op de godsdienstvrijheid betreft, worden verzacht doordat in bepaalde gevallen de subjectieve uitleg die de betrokkene van zijn gedrag geeft bij de juridische beoordeling toch wel een rol toegekend wordt. Veelal zal degene die zich beroept op de vrijheid van godsdienst ter ondersteuning van de stelling dat zijn gedrag een vorm van belijdenis is, verwijzen naar religieuze voorschriften of tradities. Wanneer een dergelijk beroep geschiedt ter motivering van handelingen waarvan het niet prima facie evident, maar evenmin onwaarschijnlijk is dat zij vallen binnen het hiervoor geschetste handelingskader, dient in principe de interpretatie die de betrokkene van de situatie geeft (namelijk dat hij in casu zo een voorschrift of traditie opvolgt en dus zijn godsdienst belijdt) aanvaard te worden. Dit beginsel van de ‘interpretatieve terughoudendheid’ is gebaseerd op de overweging dat het op dit terrein niet primair aan buitenstaanders (inclusief overheidsorganen) is om uit te maken wat een gelovige onder (het belijden van) zijn godsdienst heeft te verstaan, een overweging die des te meer klemt in geval van confrontatie met een ‘vreemde’ godsdienst.[45] Een andere opvatting, welke een verdergaande toetsing van het beroep op godsdienstige voorschriften en tradities eist, bergt de risico’s in zich dat de rechter zich gaat mengen in theologische geschilpunten, de vrijheid van godsdienst een te enge betekenis toekent door een uitleg van de betreffende voorschriften en handelingen te geven die aan de religieuze instelling van de gelovige onvoldoende recht doet, of genoodzaakt wordt tot een te gecompliceerd en indringend onderzoek naar de juistheid en oprechtheid van het beroep.[46]

In overeenstemming met het hier voorgestane beginsel gaan juridische beslissers er bij de vraag of sprake is van een religieus feest op grond waarvan een werknemer in principe een snipperdag dient te krijgen uit van het criterium dat het moet gaan om een voor deze werknemer belangrijke godsdienstige feestdag.[47] Bij de beoordeling of betrokkene aan zijn godsdienstige gezindheid de plicht ontleent om de eed op een bepaalde, van de wet afwijkende wijze af te leggen, wil de rechter niet verder gaan ‘dan een summier onderzoek ter beantwoording van de vraag of het bestaan van zulke plicht hem aannemelijk voorkomt’.[48] Eenzelfde terughoudende toetsing legt hij aan bij de beoordeling van de authenticiteit van het beroep op geloofsopvattingen om zondagsarbeid af te wijzen.[49] De rechter gaat, als de godsdienstige grondslag van een school in geding is, uit van de interpretatie die het bestuur van die school huldigt.[50] En volgens vaste jurisprudentie van de Commissie gelijke behandeling is het dragen van een hoofddoek, als de vrouw in kwestie stelt dat zij dat doet op grond van haar overtuiging als moslim, te beschouwen als een rechtstreekse uitdrukking van haar godsdienstige overtuiging.[51]

Maar uiteraard kan deze ‘milde’ interpretatie, die een zekere uitbreiding van het traditioneel door de godsdienstvrijheid bestreken terrein bewerkstelligt, niet zover gaan dat allerlei volledig buiten dit terrein liggende activiteiten opeens door dit grondrecht beschermd worden. Zo zal een seksclub niet aangemerkt worden als een door de godsdienstvrijheid beschermd kerkgenootschap, ook al stelt zo een club dat zij uitgaat van de Satanskerk.[52]

5. De uitingsvormen nader beschouwd; beperkingen;
    redelijke uitleg en toepassing[53]

In deze paragraaf worden de hiervoor opgesomde uitingsvormen uitgewerkt.  Om de redenen genoemd in de vorige paragraaf staan hier vooral  godsdienstige uitingsvormen centraal. Aan de uitwerking van de uitingsvormen wordt een beknopte bespreking gekoppeld van de beperkingen waaraan zij onderworpen (kunnen) zijn. Grondrechten functioneren immers niet in een vacuüm, maar hebben hun plaats binnen een maatschappelijke en grondwettelijke context; zij staan niet boven de rechtsorde maar erin. Zij moeten in het kader daarvan worden uitgelegd en ontwikkeld.[54] Dat brengt mee dat de uitoefening ervan aan beperkingen onderhevig is en moet (kunnen) zijn. Daarnaast brengt redelijke uitleg van het grondrecht op godsdienstvrijheid met zich dat vele maatschappelijk algemeen aanvaarde maatregelen en voorschriften ten behoeve van de veiligheid, gezondheid, bestrijding van geluidsoverlast etc., die aan de uitoefening van de vrijheid van godsdienst raken, in beginsel niet opgevat worden als beperkingen van deze vrijheid.

(I) Artikel 6 Gw en de corresponderende mensenrechtenbepalingen beschermen allereerst de vrijheid om een godsdienst of levensovertuiging te hebben (of niet te hebben), hetgeen mede omvat de vrijheid om van godsdienst of levensovertuiging te veranderen. Dit recht heeft betrekking op de individuele gedachtewereld en gewetensinstelling, en is gezien artikel 9, tweede lid, EVRM en artikel 18, tweede lid, IVBP niet aan enige beperking te onderwerpen, nu deze bepalingen ter zake geen clausulering bevatten. Het verbiedt dan ook elke dwangbehandeling die erop gericht is de godsdienst of levensovertuiging van de betrokkene te wijzigen. Als voorbeeld van een dergelijke verboden dwangbehande­ling is te wijzen op het zogenaamde ‘deprogrammeren’, een onder dwang uitgevoerd behandelingsproces dat er op gericht is om een lid van een religieuze beweging (veelal aangeduid als sekte) zover te brengen dat hij zijn lidmaatschap opgeeft en de draad van zijn vroegere leven weer oppakt. Een dergelijke behandeling is in strijd met de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging,[55] en is dan ook terecht strafbaar.[56]

(II) Een traditioneel bestanddeel van dit grondrecht is het uiten van de  overtuiging in de individuele en collectieve godsverering (cultus en rite), in huiselijke en openbare godsdienstoefening. Onder dit recht valt in ieder geval het houden en bijwonen van erediensten (waaronder ook begrepen de vrijheid van openbare godsdienstoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen, in het bijzonder processies[57]), alsmede het met klokgelui of stem daartoe oproepen,[58] het in acht nemen van rustdagen om daaraan deel te nemen[59] en in het algemeen het verrichten van liturgische en gewijde handelingen.[60]
 
In artikel 6, eerste lid, Gw is de clausulering ‘behoudens ieders verantwoordelijk­heid volgens de wet’ opgenomen. Deze houdt in dat slechts bij formele wet de godsdienstige en levensbeschouwelijke vrijheid binnen gebouwen en besloten plaatsen beperkt kan worden. Niet uitgesloten is preventief toezicht door middel van een vergunningenstelsel, mits de wet in formele zin de omvang van de beperking van de belijdenisvrijheid scherp omlijnt, door nauwkeurig aan te geven in welke gevallen de vergunning moet worden verleend of geweigerd.[61] Artikel 6, eerste lid, Gw verzet zich evenmin tegen overheidsingrijpen binnen gebouwen en besloten plaatsen voorzover sprake is van een gebonden, door de wet nauwkeurig begrensde bevoegdheid. Een dergelijke bevoegdheid is er naar huidig recht niet, zie artikel 8 Wom en artikel 12 Awbi (behoudens ingeval van ontdekking op heterdaad). Ook de gemeentelijke openbare-ordebevoegdheden (artikelen 172-176a Gemeentewet) geven die bevoegdheid niet, nu zij onvoldoende specifiek geformu­leerd zijn om te voldoen aan de clausulering van het eerste lid van artikel 6 Gw.[62]

De grondwetgever heeft zich op het standpunt gesteld dat de grondrechten voor een ieder gelden ongeacht zijn verhouding tot de overheid, zodat ook de ambtenaar en de militiar zich er onverkort op kunnen beroepen. In verband hiermee zijn formeel-wettelijke voorzieningen getroffen op grond waarvan hij tot dienstverrichting op de voor hem op grond van zijn godsdienst of levensovertuiging geldende feest- en rustdagen verplicht kan worden (onder meer artikel 125b Ambt.w.[63] en artikel 12b Maw[64]).[65]

Artikel 6, tweede lid, Gw maakt het mogelijk dat aan lagere overheden bevoegdheden tot beperking van godsdienstige en levensbeschouwelijke belijdenisvrijheid buiten gebouwen en besloten plaatsen toegekend worden ‘ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer, en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden’. Hiertoe is dan wel vereist dat de lagere wetgever daartoe gemachtigd is op grond van een specifieke formele wet,[66] dus krachtens uitdrukkelijke delegatie bevoegd is verklaard de godsdienstige en levensbeschouwelijke belijdenisvrijheid buiten gebouwen en besloten plaatsen te beperken.[67] Hiertoe dient de Wet openbare manifestaties (Wom).[68] De Wom is – voorzover betrekking hebbend op godsdienstige en levensbeschouwelijke belijdenisvrijheid – alleen van toepassing op openbare plaatsen (artikel 1, eerste lid, Wom). Van het begrip ‘openbare plaatsen’ zijn per definitie uitgezonderd de gebouwen en besloten plaatsen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, Gw (artikel 1, tweede lid, Wom). ‘Gebouwen’ zijn in dit verband die overdekte ruimten die door de rechthebbende voor de godsdienstoefening of het belijden van levensovertuiging zijn bestemd.[69] ‘Besloten plaatsen’ zijn ‘open en niet overdekte plaatsen, die door muren, heiningen of wel met heggen zijn omgeven, en daardoor van den openbare weg en van openbare plaatsen zijn afgescheiden;[70] ook hierbij moet het gaan om plaatsen die door de rechthebbende (mede) voor godsdienstige of levensbe­schouwelijke belijdenis zijn bestemd, zoals begraafplaatsen. Artikel 3 Wom geeft de gemeenteraad de bevoegdheid te bepalen dat ten aanzien van bepaalde ‘belijdenisbijeenkomsten’ een kennisgeving vereist is. Ter zake van zulke bijeenkomsten kunnen beperkingen en verboden opgelegd worden, evenwel slechts met het oog op de in artikel 6, tweede lid, Gw genoemde belangen.

Verschillende malen is de vraag aan de orde gekomen of algemeen aanvaarde, niet op grond van een specifieke delegatiebepaling maar krachtens de autonome bevoegdheid gegeven gemeentelijke voorschriften ten behoeve van de veiligheid, gezondheid, bestrijding van geluidsoverlast e.d., die aan de uitoefening van de vrijheid van godsdienst raken, opgevat moeten worden als beperkingen van deze vrijheid. In beginsel oordeelt de rechter dat daarvan geen sprake is. Grondrechtenbepalingen dienen niet zo opgevat te worden als zouden zij het recht inhouden om een bepaalde handeling die in abstracto binnen de reikwijdte van zo een bepaling valt op ieder moment, overal en op elke wijze te verrichten. Zo brengt een redelijke uitleg van de vrijheid van godsdienst met zich dat bovengenoemde maatregelen en voorschriften die de uitoefening van deze vrijheid kunnen raken, in beginsel niet opgevat worden als beperkingen van het grondrecht. Zo staat de vrijheid van godsdienst in principe niet in de weg aan het stellen van brandveiligheidsvoor­schriften geldend voor onder meer kerkgebouwen,[71] of van verordeningen ten behoeve van bestrijding van openbare-ordeproblemen, ook al hebben dergelijke regelingen mede betrekking op klokgelui,[72] straatevangelisatie[73] of gebedsvlaggen.[74] Een redelijke interpretatie brengt derhalve met zich dat in het algemeen geoordeeld wordt dat de vrijheid van godsdienst door regelingen en maatregelen als de zojuist genoemde niet beperkt wordt, zodat zij niet gebaseerd hoeven te zijn op de clausulering van artikel 6 Gw.[75]

Anderzijds wordt in deze benadering erkend dat voor de grondrechtsdrager onder omstandigheden een bepaalde modaliteit van uiten, bijvoorbeeld op een bepaalde plaats, met een bepaald middel, op een bepaald geluidsniveau etc. als wezenlijk aspect van het uiten aangemerkt wordt. Het volledig onmogelijk maken van zulk een wijze van uiten zal in bepaalde gevallen dan toch als een beperking van het grondrecht in concreto gekwalificeerd worden, ook al vormt het onderliggende voorschrift waarop de beperking is gebaseerd als zodanig (in abstracto) geen beperking.[76] Zo zullen bestemmingsplanvoorschriften, begraafplaatsverordeningen en soortgelijke regelingen, als gezegd, in het algemeen niet aangemerkt worden als beperkingen van de godsdienstvrijheid,[77] maar wel indien dergelijke regelingen het een groepering door hun toepassing in concreto feitelijk onmogelijk maken om godsdienstoefeningen te houden en evangelisatieactiviteiten te ontplooien,[78] nabestaanden geen enkele reële keuzevrijheid bieden ter zake van de grafbedekking,[79] of elke mogelijkheid om een begrafenisplechtigheid naar eigen inzicht te voltrekken[80] uitsluiten.[81]

(III) Een volgend aspect van dit grondrecht betreft de vrijheid tot het uitdragen en overdragen van deze overtuiging in onderwijs, opvoeding en verkondiging. Een belangrijk deelrecht is in dit verband de vrijheid van ouders om hun kinderen op te voeden overeenkomstig hun godsdienst of levensovertuiging. Dit houdt in ieder geval in dat ouders gerechtigd zijn hun kinderen in de sfeer van het gezin omtrent hun godsdienst of levensovertuiging te onderrichten en buiten die sfeer vrij zijn onderwijs aan hun kinderen te doen geven dat overeenstemt met hun godsdienst of levensovertuiging. Deze vrijheid omvat onder meer het recht van ouders om een school op godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag op te richten en in stand te houden (zie nader hierover het commentaar op artikel 23 Gw). Daaruit vloeit echter niet de verplichting van de overheid voort om het gewenste onderwijs aan te bieden, of een verplichting van een schoolbestuur om leerlingen aan te nemen die naar zijn oordeel niet aan de uit de grondslag van de school voortvloeiende eisen voldoen.[82]

Het uit de belijdenisvrijheid voortvloeiende recht van ouders om hun kinderen overeenkomstig hun godsdienstige en levensbeschouwelijke normen op te voeden is niet absoluut. Als algemene maatstaf kan hiertoe dienen het criterium dat de Hoge Raad heeft aangelegd bij de uitleg van art. 27 IVBP: het in dat artikel onder meer neergelegde recht van minderheden om de eigen godsdienst te belijden en in de praktijk toe te passen mag niet zodanig worden uitgeoefend dat daardoor de rechten van de kinderen aangetast (dreigen te) worden.[83] Zo staat het ouderlijke opvoedingsrecht niet in de weg aan op de formele wet berustende maatregelen die noodzakelijk zijn ter voorkoming van ernstige schade van psychische of lichamelijke aard: te denken valt aan kinderbeschermings- en vaccinatiemaatrege­len.[84]

Dit aspect van de belijdenisvrijheid omvat daarnaast de vrijheid om de overtuiging ook buiten de sfeer van opvoeding en onderwijs uit te dragen; meestal zal het hierbij gaan om uitingen van het geloof of de overtuiging in woord of geschrift. Deze vrijheid kan beperkt worden door de wet in formele zin, waarbij met name te denken valt aan de strafwet (artikelen 137c-e en 261-271 Sr.). Zo besliste de rechter uiteindelijk dat uitlatingen van een evangelistenechtpaar, die er op neerkwamen dat de joden de holocaust door hun medeplichtigheid aan de kruisdood van Christus aan zichzelf te wijten hadden, beledigend waren in de zin van artikel 137e, eerste lid, Sr.[85] Uitlatingen uit christelijk-orthodoxe hoek, in de zin dat homoseksualiteit zondig is, konden mede gezien de vrijheid van godsdienst door de beugel.[86] In 2013 zijn artikelen 147, 147a en 429bis (godslastering) uit het Wetboek van Strafrecht geschrapt.[87]

(IV) Onder de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging valt ook het recht tot oprichting en inrichting van organisaties (kerken, scholen, welzijnsinstellingen) waarbinnen de belijdenis gestalte kan krijgen. De uit artikel 6 Gw voortvloeiende organisatievrijheid is voor strikt religieus bepaalde instellingen nader uitgewerkt in artikel 2:2 BW.[88] Kerkgenootschappen en hun zelfstandige onderdelen en lichamen waarin zij verenigd zijn (kloosters, bisdommen, parochies, federaties, classes, provinciale kerkvergaderingen e.d.) vormen ingevolge deze bepaling een aparte categorie van rechtspersonen. Zij worden geregeerd door hun eigen statuut – zoals het canoniek recht van de Rooms-Katholieke Kerk en de Kerkorde 1951 van de Protestantse Kerk in Nederland (originele verse van 2004; meest recente versie van 2013) – voor zover dit niet in strijd is met de wet. Onder ‘wet’ dient hier verstaan te worden de fundamentele dwingende regels van Nederlands recht.[89] Als zodanig zijn bijvoorbeeld medezeggenschapsnormen niet te beschouwen. Weliswaar oordeelde de toenmalige Afdeling rechtspraak dat het Leger des Heils krachtens de Wor verplicht was een ondernemingsraad in te stellen, doch zij kon dit slechts doen doordat duidelijk onderscheid gemaakt kon worden tussen de arbeidsorganisatie (waar de bevoegdheid van de ondernemingsraad betrekking op had) en de kerkelijke organisatie.[90]

Het tweede lid van art. 2:2 BW verklaart dat de algemene bepalingen van het rechtspersonenrecht niet gelden voor kerkgenootschappen en hun zelfstandige onderdelen en lichamen; overeenkomstige toepassing ervan is evenwel geoorloofd, voorzover deze is te verenigen met hun statuut en de aard der onderlinge verhoudingen.[91] Deze overeenkomstige toepassing gaat in ieder geval niet zover dat de rechter bevoegd is besluiten aan de redelijkheid en billijkheid te toetsen ook als deze berusten op standpunten inzake geloofskwesties: een dergelijke toetsing is in strijd met de uit art. 6 Gw. voortvloeiende interpretatievrijheid van de bevoegde instantie ter zake van de grondslag van de organisatie.[92] Ook in andere intern-kerkelijke geschillen betracht de rechter overigens wijze terughou­dendheid: slechts bij willekeur, kwade trouw, of aperte schendingen van grondrechten of van wezenlijke interne regels van totstandkoming van besluiten ziet hij voor zichzelf een taak weggelegd.[93]

Een fundamenteel onderdeel van de organisatievrijheid is uiteraard de bevoegdheid van de organisatie om naar eigen inzicht haar voorgangers, leraren en ander personeel aan te stellen en haar cliëntengroep te bepalen. Van de betrokkene mag, afhankelijk van zijn positie en de aard van de organisatie, een meer of minder vergaande instemming met de grondslag van de organisatie gevergd worden. Voor de overheid[94] geldt, dat deze zich met het oog op de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging zo veel mogelijk afzijdig moet houden van het personeels- en cliëntenbeleid in intern-genootschappelijke aangelegenheden (aldus artikel 3 Awgb[95] artikel 2, eerste lid, sub c, BBA).[96]

Ten aanzien van andere identiteitsge­bonden instellingen – zoals verzorgingsinstellingen en scholen op religieuze of levensbeschouwelijke grondslag – die veelal een algemeen-maatschappelijke functie vervullen en daarom volledig door de overheid gefinancierd worden, is minder terughoudendheid vereist. Te denken valt aan de Algemene wet gelijke behandeling (artikel 5, 6a en 7), die deze vrijheid ook ten aanzien van het personeelsbeleid in het algemeen beperkt. Dergelijke regelingen vormen een invulling van de  clausulering van artikel 6, eerste lid, Gw. Overigens bevatten artikel 5, 6a en 7 Awgb juist met het oog op de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging uitzonderingen op het verbod om onderscheid te maken; deze worden in het algemeen op bevredigende wijze door de Commissie gelijke behandeling toegepast.[97] Te verwachten valt dat de systematiek van de Algemene wet gelijke behandeling gewijzigd zal worden. Dit vloeit voort uit een aansluiting bij de systematiek van Europese gelijke-behandelingsrichtlijnen,[98] Om daaraan te voldoen is eerder al de definitie van het in de Awgb centrale begrip ‘onderscheid’ gewijzigd door de definitie van het oorsponkelijke (kleurloze) begrip ‘onderscheid’ te vervangen door die van het (pejoratief bedoelde) begrip ‘discriminatie’ van de Europese Richtlijnen.[99] Los daarvan moet gewezen worden op het feit dat de traditionele organisatievrijheid van onderwijsinstellingen in het licht van artikel 6 Gw onder druk staat door een combinatie van ontwikkelingen en aangekondigde maatregelen inzake het loslaten van het zgn. ‘richtingenbegrip’, eenvoudig(er) maken van het ‘kleurverschieten’ van scholen en door een initiatiefvoorstel inzake een zgn. ‘acceptatieplicht’ van leerlingen.[100]

(V) Ten slotte zijn er nog andere gedragingen die geacht kunnen worden rechtstreeks uitdrukking te geven aan een godsdienst of levensovertuiging. Gedacht kan worden aan het in acht nemen van bepaalde voorschriften ten aanzien van kleding en voedsel en rituele praktijken als rituele slacht of religieuze jongensbesnijdenis.[101] Tot dergelijke voorschriften behoort zeker de verplichting voor islamitische vrouwen om een hoofddoek te dragen, [102] alsmede het verbod om niet-koosjer voedsel te eten en de verplichting tot ritueel slachten.[103] Mogelijk valt ook een weigering bloed af te staan voor DNA-onderzoek als een door de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging beschermde gedraging aan te merken.[104]

Ook hier geldt enerzijds dat de interpretatie die betrokkene van de door hem ingeroepen religieuze of levensbeschouwelijke regels geeft uitgangspunt dient te zijn. Anderzijds geldt, dat een redelijke uitleg van artikel 6 Gw met zich brengt dat op grond van deze bepaling niet geëist kan worden dat men zich te allen tijde conform zijn godsdienstige overtuiging kan kleden, ook als men beroepsmilitair is; of dat men de door de overheid opgestelde procedureregels ter zake van het ritueel slachten zonder meer ter zijde kan stellen; of dat men de as van de overledene overal kan uitstrooien.[105] Alleen als de betreffende (de tijd, plaats en wijze) regelende voorschriften reëel gebruik van genoemde belijdenismodaliteiten aanzienlijk bemoeilijken of onmogelijk maken, vormen zij beperkingen van de belijdenisvrijheid die op een van de clausuleringen van artikel 6 Gw dienen te berusten.

6. De betekenis van het godsdienstige of
    levensbeschouwelijke motief bij de bepaling
    van de sanctie of maatregel[106]

De vrijheid van godsdienst of levensovertuiging kan een rol spelen in dier voege dat een aan het gedrag in kwestie ten grondslag liggend religieus of levensbeschouwelijk motief invloed kan hebben op soort en hoogte van de eventuele sanctie of de keuze van de maatregel. Dit motief wordt somtijds dusdanig bepalend geacht dat dit gedrag volgens de rechter anders (meestal gunstiger) beoordeeld moet worden dan wanneer dat motief had ontbroken.[107] Zo zal onder omstandigheden het niet voldoen aan een uit een dienstbetrekking met de overheid voortvloeiende verplichting op grond van een godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging anders gewaardeerd moeten worden dan wanneer deze verplichting op andere gronden niet wordt nagekomen. In enkele gevallen is dan ook beslist dat aan de religieuze motivatie een zodanige betekenis toekwam dat het (normaliter gerechtvaardigde) ontslag in casu niet geoorloofd was; derhalve werd het nietig verklaard.[108] Op basis van soortgelijke overwegingen is een door godsdienst of levensovertuiging ingegeven weigering van een ouder om zijn kind bepaalde medisch noodzakelijke handelingen te laten ondergaan (in tegenstelling tot de anderszins gemotiveerde weigering) onvoldoende grond voor maatregelen als ontzetting en ontheffing uit de ouderlijke macht.[109] Tenslotte moet er op gewezen worden dat de religieuze of levensbeschouwelijke motivatie onder omstandigheden de verwijtbaarheid van een strafbare daad kan verminderen en alsdan moet leiden tot oplegging van een lagere straf dan gebruikelijk.[110]

7. Het `notstandsfeste' karakter van de vrijheid
    van godsdienst of levensovertuiging[111]

De vrijheid van godsdienst of levensovertuiging is in verregaande mate `notstandsfest'. Van art. 6 Gw. kan in uitzonderingstoestanden slechts afgeweken worden voor zover het de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen betreft (artikel 103, tweede lid, Gw). Een dergelijke afwijking dient te voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 18 IVBP (dat ingevolge artikel 4, tweede lid, IVBP `notstandsfest' is). Van belang is hierbij met name het derde lid van het genoemde verdragsartikel: een ieders vrijheid zijn godsdienst of levensovertuiging tot uiting te brengen kan slechts in die mate worden beperkt als wordt voorgeschreven door de wet en noodzakelijk is ter bescherming van de openbare veiligheid, de orde, de volksgezondheid, de goede zeden of de fundamentele rechten en vrijheden van anderen.[112]

8. Samenloop van de vrijheid van godsdienst of
    levensovertuiging met andere grondrechten[113]

Artikel 6 Gw is nauw gerelateerd aan een aantal andere grondrechten. Artikel 1 en 3 Gw verbieden onder andere discriminatie op grond van godsdienst of levensovertuiging. Artikel 7 Gw beschermt mede de vrijheid van religieuze en levensbeschouwelijke meningsuiting; artikel 8 Gw beschermt mede het recht tot vereniging van godsdienstige en levensbeschouwelijke groeperingen. Artikel 23 Gw garandeert de vrijheid van onderwijs op religieuze en levensbeschouwelijke grondslag.

Derhalve kan zich nogal eens het geval voordoen van `samenloop' van artikel 6 Gw met een of meer andere grondrechten. In het geval van een dergelijke samenloop dient díe bepaling te prevaleren die in de concrete situatie de grondrechtendrager de verst strekkende bescherming biedt. De tegengestelde opvatting zou het merkwaardige gevolg hebben dat men onder omstandigheden slechter uit is met een uitgebreidere grondrechtencatalogus. In geval van samenloop zou dan immers het met minder waarborgen omklede grondrecht toegepast kunnen worden ten koste van het `sterkere' grondrecht; zou het `zwakkere' grondrecht niet geschreven zijn, dan zou de betrokkene zich wel op het `sterkere' grondrecht hebben kunnen beroepen. Een dergelijke consequentie is in strijd met de strekking van de grondrechten: deze rechten dienen ertoe de rechtsbescherming van het individu te optimaliseren, staan derhalve niet in concurrentieverhouding tot elkaar.[114] Problematischer zijn grondrechtencollisies, die ontstaan doordat verschillende partijen met elkaar conflicterende grondrechtenclaims kunnen formuleren. Zie hiervoor de paragraaf 10.

9. De vrijheid van godsdienst of levensovertuiging
    in samenhang met het gelijkheidsbeginsel en
    de scheiding van kerk en staat

Een belangrijke functie van de belijdenisvrijheid is dat hieruit in samenhang met het gelijkheidsbeginsel een aanspraak op gelijk(waardig)e behandeling van de verschillende godsdienstige/levensbeschouwelijke groeperingen voortvloeit. Deze aanspraak houdt o.a. voor de staat de verplichting in om:
­ - de verschillende godsdiensten gelijk(waardig) te behandelen;
­- godsdiensten en niet-godsdienstige levensovertuigingen gelijk(waardig) te behandelen;
­ - een ieder gelijk te behandelen zonder onderscheid naar godsdienst of levensovertuiging.[115]

De eis van gelijkwaardige behandeling der verschillende godsdiensten vloeit voort uit art. 6 jo. 1 Gw. Zowel rechter als wetgever hanteren deze eis in relatie tussen islamitische en langer gevestigde religieuze stromingen.  Zo besliste de Hoge Raad dat artikel 2, eerste lid, sub c, BBA, dat geestelijke ambtsdragers van ontslagbescherming uitsluit omwille van de vrijheid van godsdienst, om die reden eveneens dient te gelden voor de islamitische gebedsvoorganger, de imam.[116] Evenzo vloeit hieruit voort dat de werkgever de wens van een werknemer om voor de viering van een godsdienstige feestdag vrij te krijgen niet verschillend mag waarderen naar gelang de godsdienst.[117] En om dezelfde reden wordt in art. 10 Wom naast het klokgelui ook het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging (het tot gebed oproepen door de imam) genoemd.[118]

De uit artikel 6 jo. 1 Gw voortvloeiende eis van gelijke behandeling geldt ook in relatie tot niet-godsdienstige en godsdienstige overtuigingen.[119] Zo werd bepaald dat humanistisch vormingsonderwijs en godsdienstonderwijs een gelijkwaardige aanspraak op subsidie hebben. [120] Uiteraard werkt een en ander ook andersom, in de zin dat activiteiten die uitgaan van godsdienstige organisaties voor subsidiëring in aanmerking moeten komen indien dat geldt voor niet-godsdienstige instellingen.[121] Een en ander neemt overigens niet weg dat de overheid een zekere beleidsvrijheid toekomt.[122] Tenslotte vereist het gelijkheidsbeginsel in samenhang met de belijdenisvrij­heid dat de overheid geen zuiver godsdienstige of levensbeschouwelijke normen mag aanleggen.[123] Daarnaast dient de overheid op bepaalde terreinen in het geheel af te zien van het stellen van eisen (of het verbinden van consequenties) aan de godsdienst of levensovertuiging van de persoon in kwestie, moet zich daar levensbeschouwelijk-neutraal tegenover opstellen. Te denken valt aan overheidsbe­noemingen (art. 3 Gw) en het personeelsbeleid in het openbaar onderwijs (artikel 23, derde lid, Gw).[124]

Het beginsel van scheiding van kerk en staat is niet expliciet in de Grondwet of enige andere wet vastgelegd. Het wordt wel geacht besloten te liggen in het stelsel van de Grondwet. Het gelijkheidsbeginsel en de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging  spelen hierbij hierbij een belangrijke rol. Anders gezegd: scheiding van kerk en staat geldt als concrete norm voor zover dit uit het samenstel van grondwettelijke bepalingen valt af te leiden. De artikelen 1 en 6 Gw zijn daarbij van bijzonder belang.[125] Het beginsel van scheiding van kerk en staat houdt  autonomie in van de beide sferen ten op zichte van elkaar. Iets concreter: het houdt in dat de overheid (kerk)genootschappelijke organisatievrijheid erkent en dat (kerk)genootschappen geen formele rol toekomt in het overheidsbesluitvormingsproces.[126]

Mede in verband met de scheiding van kerk en staat (en breder: in verband met de artikelen 1 en 6 Gw afzonderlijk en gezamenlijk) wordt de vraag regelmatig aan de orde gesteld naar de geoorloofdheid van financiële ondersteuning van op godsdienst of levensovertuiging gestoelde organisaties. In 1983 werden bij wet de toch al niet met de geldontwaarding meegeëvolueerde – historische traktementsverplichtingen e.a. door de overheid afgekocht. Als gezegd, werd dit mogelijk gemaakt door een grondwetswijziging in 1972.  Dat betekent echter niet dat nu geen enkele  financiering van genootschappen op religieuze en levensbeschouwelijke grondslag door de centrale overheid plaatsvindt.[127] Zo wordt geestelijke verzorging in overheidsinstellingen als de krijgsmacht en in justitiële instellingen door de overheid gefinancierd.[128] Daarnaast zien wij directe financiële tegemoetkomingen wanneer zich (andere) bijzondere omstandigheden voordoen. Voorbeelden daarvan uit het recente verleden zijn vooral te vinden in de sfeer van kerken- of moskeebouw.[129] Verder zijn er indirecte financiële tegemoetkomingen in de fiscale sfeer, denk aan fiscale regelingen voor ‘Anbi’s’, Algemeen nut beogende maatschappelijke instellingen. Uit het begrip ‘Anbi’ valt overigens al af te leiden dat deze voorzieningen niet tot godsdienstige of levensbeschouwelijke instellingen beperkt zijn.[130] Een andere variant van (overigens in omvang beperkte) financiële steunverlening zien wij bij monumentenzorg die zich ook uitstrekt tot kerkelijke monumenten. De overheid streeft daarmee het doel na van behoud van cultureel erfgoed, niet het bevorderen van godsdienst. Ten derde zien wij  dat de overheid wanneer zij financiële voorzieningen in het leven roept (bekostigingsarrangementen of subsidies) voor maatschappelijke doelen, activiteiten of organisaties, religieuze en levensbeschouwelijke organisaties daarin delen op gelijke voet als de niet-religieus of –levensbeschouwelijk georiënteerde equivalenten daarvan. De laatste jaren spelen vragen rond financiele verhoudingen tussen overheid en kerken of religieuze en levensbeschouwelijke organisaties vooral op lokaal niveau. Voor vragen hierover en andere lokale vragen rond de houding van de lokale overheid tot religie en levensovertuiging gaven het ministerie van BZK en de VNG gezamenlijk speciaal een handreiking uit.[131]

Weliswaar is uit de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging sec geen aanspraak op financiering af te leiden,[132] dit neemt niet weg dat de ‘sociale component’ van de vrijheid van godsdienst wel een legitimatie kan vormen voor financiële overheidsbetrokkenheid. Dit is met name het geval bij de bekostiging van geestelijke verzorging door de overheid. De redenering is dan dat het personen betreft die in een bijzondere relatie tot de overheid staan en voor wie door de omstandigheden waarin zij verkeren de reguliere geestelijke verzorging niet beschikbaar is.[133] In de andere gevallen is het vooral in samenhang met het gelijkheidsbeginsel dat er wel zo een aanspraak in het leven geroepen kan worden. Als immers aan de ene (religieuze of levensbeschouwelijke) groepering bepaalde faciliteiten toegekend worden, kan dit beginsel met zich brengen dat aan de andere groeperingen hetzelfde gegund moet worden. Dezelfde redenering gaat op voor de verhouding tussen niet-religieuze of –levensbeschouwelijke organisaties in relatie tot organisaties die wel een dergelijke grondslag hebben. Aldus verkrijgt de belijdenisvrijheid, een klassiek vrijheidsrecht, aspecten van een sociaal grondrecht. Consensus bestaat er dat de scheiding van kerk en staat daarbij dan wel vereist dat de overheid de organisatorische zelfstandigheid respecteert en de hiervoor genoemde uitgangspunten in acht neemt. Ten aanzien van de concrete invulling hiervan is minder overeenstemming. Subsidiëring van algemeen-maatschappelijke activiteiten van religieuze en levensbeschouwelijke organisaties op het gebied van onderwijs (zie artikel 23, zevende lid, Gw), maatschappelijk werk, hulpverlening e.d. is aanvaard;[134] zie de zojuist geschetste jurisprudentie. Het verlenen van financiële steun specifiek voor religieuze/levensbeschouwelijke activiteiten wordt echter soms in twijfel getrokken op grond van de scheiding van kerk en staat.[135]

Scheiding van kerk en staat sluit samenwerking tussen overheid en kerken of andere religieuze of levensbeschouwelijke genootschappen en organisaties op religieuze of levensbeschouwelijke grondslag niet uit. Scheiding van kerk en staat in de zin als hierboven omschreven, vormt wel een randvoorwaarde voor die samenwerking: de eigen positie en verantwoordelijkheden van beide dienen in acht te worden genomen. Juist vanwege veranderingen in de rol en taakopvatting van de overheid en de veranderde relatie tussen de overheid en de samenleving komen meer dan voorheen het geval was ten tijde van het hoogtepunt van de klassieke sociale verzorgingsstaat, nieuwe samenwerkingsmodellen in het vizier. Te denken valt bijvoorbeeld aan samenwerking in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuninge (Wmo) of samenwerking via aanbestedingsprocedures.[136]

10. De horizontale werking van de vrijheid van
      godsdienst of levensovertuiging[137]

In hoeverre heeft de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging horizontale werking? Regeringscommissaris Simons die zich ten tijde van de algehele grondwetsherziening van 1983 hierover uitliet, was van mening dat dit grondrecht zo gewichtig is dat het vermoedelijk de verst strekkende horizontale werking heeft, in de zin dat het slechts afwijkingen toestaat die tot de beperkingsclausule herleidbaar zijn.[138]Deze maatstaf is echter met name in contractuele relaties en verenigingsverbanden onhanteerbaar. Niet is in te zien hoe aanvaardbare beperkingen van de belijdenisvrijheid die voortvloeien uit het lidmaatschap van een organisatie of een overeenkomst herleid kunnen worden tot de op publiekrech­telijke verhoudingen toegesneden clausuleringen; bovendien is een dergelijk criterium te grof gezien de grote variëteit van primair door het privaatrecht beheerste verhoudingen. Het lijkt dan ook zinvoller onderscheid te maken tussen verschillende typen rechtsrelaties, en daarop toegesneden afwegingscriteria te hanteren.

Binnen de interne sfeer van een kerkgenootschap of ander genootschap op geestelijke grondslag komt aan ‘ondergeschikten’ (leden, ambtsdragers e.d.)[139] geen beroep toe op de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging: veeleer komt dit beroep toe aan het genootschap. Dit recht omvat voor het individu in dit verband immers enkel de vrijheid om tot zo een genootschap toe te treden (en er uit te stappen);[140] door toetreding doet het individu ten opzichte van deze organisatie van zijn vrijheid afstand, verplicht het zich aan haar doelstellingen en (haar interpretatie van de) grondslag te onderwerpen. In deze interne sfeer is de organisatie als totaliteit, gerepresenteerd door de leiding, krachtens de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging bevoegd de belijdenis te organiseren en zonodig door disciplinaire maatregelen conformiteit af te dwingen.[141]

Dit betekent in concreto dat de rechter bij een geloofsgeschil tussen leiding en individuele leden of groepen van leden de interpretatie die de leiding van de in het geding zijnde dogma's, voorschriften e.d. geeft als de geldende heeft te aanvaarden[142] (aldus wordt ook vermeden dat hij een inhoudelijk oordeel geeft omtrent geloofskwesties, een oordeel waartoe hij niet bevoegd is).[143] Gaat de leiding naar aanleiding van een dergelijke controverse over tot disciplinaire maatregelen (berisping, schorsing, ontslag, excommunicatie etc.) dan zal een hiertegen voor de rechter aangevoerd beroep op de godsdienstige en levensbeschouwelijke belijdenisvrijheid niet slagen. (Uiteraard vloeit uit deze vrijheid wel voort dat de betrokkene te allen tijde uit de organisatie kan treden).[144].

Een tweede te onderscheiden rechtssfeer betreft maatschappelijke instellingen als scholen, welzijnsorganisaties e.d. op bijzondere grondslag.[145] Ook hier staat voorop dat de instelling op grond van haar vrijheid van godsdienst of levensovertui­ging van haar personeelsleden en cliënten instemming met de grondslag mag vragen, waarbij haar uitleg van de grondslag uitgangspunt is; voorwaarde is overigens wel, dat die instelling op dat punt consistentie en helderheid betracht. Zo is het bestuur van een school op confessionele grondslag (richting) in principe niet verplicht een leerling toe te laten of te handhaven die volgens haar niet voldoet aan de criteria voortvloeiend uit de grondslag.[146] Ook mag een bijzondere school (i.c. een katholieke school) een hoofddoekverbod voor leerlingen instellen.[147] Evenzo mag een schoolbestuur van een werknemer instemming met de grondslag vragen, en bij gedrag dat daarmee niet strookt tot weigering/ontslag overgaan;[148] hetzelfde geldt voor andere instellingen op confessionele grondslag. Er is evenwel een tendens te bespeuren in de jurisprudentie[149] waarin de vrijheid van deze instellingen op dit punt beperkt wordt.[150]

Buiten de sfeer van organisaties waarin het godsdienstige of levensbeschouwe­lijke element overweegt, zal een beroep op de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging van de werknemer/cliënt veel eerder gehonoreerd worden, met name ook omdat die organisaties zich niet op die vrijheid kunnen beroepen. Zo zag de rechter het in een pachtcontract opgenomen beding om niet van geloofsovertuiging te veranderen als een ontoelaatbare aantasting van de geloofs- en gewetensvrijheid.[151] De Hoge Raad oordeelde dat een werknemer een snipperdag, gevraagd voor de viering van een voor hem belangrijke godsdienstige feestdag, dient te krijgen, tenzij de gang van zaken in het bedrijf door de afwezigheid van de werknemer ernstig geschaad zal worden.[152] In dezelfde lijn liggen uitspraken waarin maatregelen, genomen omdat een werkneemster uit geloofsovertuiging een hoofddoek draagt, in het algemeen niet aanvaard worden.[153] In zaken als deze is sprake van een (nogal sterke) indirecte werking van de vrijheid van godsdienst: het grondrecht wordt als een zwaarwegend belang meegewogen bij de interpretatie en concretisering van open privaatrechtelijke normen.

Buiten organisatorische en contractuele verbanden kan veelal aan de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging directe horizontale werking toegekend worden, hetgeen inhoudt dat beperkingen van deze vrijheid slechts geoorloofd zijn voorzover zij binnen de betreffende clausuleringen vallen. Met name waar het gaat om de verkondiging, waarmee beoogd wordt anderen ervan te overtuigen dat hun godsdienst of overtuiging onjuist, zondig etc. is, valt dat te bepleiten. Een pluriforme samenleving als de onze vergt dat met betrekking tot zulke uitlatingen een verregaande tolerantie wordt opgebracht. De zorvuldig­heidsnorm van artikel 6:162 BW is weinig specifiek; sterker nog, het is de meest algemene privaatrechtelijke norm, die de rechter in zulke zaken wel erg grote interpretatiemarges biedt. Het is dan ook te gemakkelijk dat de Hoge Raad in de zaken tegen de Goerees zonder reserves aanvaard heeft dat de zorgvuldigheidsnorm grenzen kan stellen aan de vrijheid van geloofsverkondi­ging.[154] Aldus wordt deze vrijheid gereduceerd tot een gewone afwegingsfactor in het kader van de rechterlijke concretisering van een open norm, komt haar zogenaamde sterke, directe horizontale werking er ten onrechte dus enkel op neer dat zij een algemeen ‘mee te wegen belang’ in dit rechterlijk interpretatieproces vormt en derhalve feitelijk slechts ‘zwakke’ horizontale werking heeft.[155]

Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging speelt ook een rol in het personen- en familierecht, ook in de relatie  tussen ouders en kinderen. Zo bepaalde de rechter op grond van de in art. 9 EVRM gewaarborgde vrijheid van godsdienst of levensovertuiging  dat het ouders niet geoorloofd is om aan het (aan hun minderjarig kind) verlenen van toestemming om te huwen de voorwaarde te stellen dat het kind zich bij een kerkgenootschap inschrijft.[156] De laatste uitspraak doet de vraag rijzen hoe ver het uit de belijdenisvrijheid voortvloeiende recht van ouders om hun kinderen overeenkomstig hun godsdienstige en levensbeschouwelijke normen op te voeden strekt. Als algemene maatstaf kan hiertoe dienen het criterium dat de Hoge Raad heeft aangelegd bij de uitleg van art. 27 IVBP: het in die bepaling neergelegde recht van minderheden om (onder andere) de eigen godsdienst te belijden en in de praktijk toe te passen mag niet zodanig worden uitgeoefend dat het de rechten en vrijheden van anderen (in casu de eigen kinderen) dreigt aan te tasten.[157] Dit betekent onder andere dat onder omstandigheden de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging van het minderjarige kind met zich brengt dat het ouderlijk recht inzake de religieuze opvoeding heeft te wijken. In ieder geval vanaf zijn meerderjarigheid dient het kind vrij te zijn in zijn godsdienstige en levensbeschouwelijke keuzes;[158] hetzelfde geldt beneden deze leeftijdsgrens voor zover de minderjarige geacht mag worden zelfstandig dit recht uit te kunnen oefenen, d.w.z. zodra hij voldoende geestelijke rijpheid bezit om in staat te zijn zijn eigen levensbeschouwing te bepalen.[159] Vanuit dit oogpunt bezien handelen allen, ook de ouders, die meewerken aan het zgn. `deprogrammeren' van minderjarige (en uiteraard ook meerderjarige) sekteleden jegens dezen onrechtmatig, maken immers ernstig inbreuk op hun vrijheid van godsdienst of levensovertuiging.[160]

11. Relevant verdragsrecht: het EVRM, het IVBP
      en de EU

Op de betekenis van de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging in de mensenrechtenverdragen wordt hier slechts kort ingegaan.

Voor een goed begrip van de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging in het verdragsrecht is op vergelijkbare wijze als bij de Nederlandse Grondwet niet alleen het artikel dat specifiek over vrijheid van godsdienst of levensovertuiging handelt van belang. Ook bepalingen over onderwijsvrijheid en gelijke behandeling bevatten verwijzingen naar godsdienst of levensovertuiging. Ook onder het verdragsrecht komen conflicterende grondrechtsaanspraken voor. Voor een goede duiding van van de betekenis van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging volgens de internationale mensenrechtenverdragen is dus ook internationale jurisprudentie van belang, vooral die van het Europees Hof voor de rechten van de mens dat het EVRM uitlegt. De betekenis daarvan is de laatste jaren sterk toegenomen vanwege de kwantitatieve toename van de jurisprudentie. Voor uitgebreide analyses zij dus verwezen naar andere geschriften.[161]

In het kader van de bekende mensenrechtenverdragen dienen hier in elk geval genoemd te worden artikel 9 EVRM en artikel 18 van het IVBP. Deze artikelen garanderen de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst. Deze artikelen worden ook als ieder verbindende verdragsbepalingen in de zin van artikel 94 Gw. door de Nederlandse rechter toegepast. Artikel 9 EVRM omvat met name de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid zijn godsdienst of overtuiging alleen of met anderen, privé zowel als in het openbaar te belijden door de eredienst, door het onderwijzen ervan, door de praktische toepassing ervan en door het onderhouden van de geboden en voorschriften. Ingevolge het tweede lid kan dit recht enkel onderworpen worden aan wettelijke beperkingen die in een democratische samenleving nodig zijn in het belang van de openbare veiligheid, voor de bescherming van de openbare orde, gezondheid of zedelijkheid of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Het IVBP bevat in artikel 18, respectievelijk in het eerste en derde lid, nagenoeg gelijkluidende bepalingen; in rechtszaken is ook enkele keren hierop een beroep gedaan. In het navolgende wordt alleen artikel 9 EVRM besproken: aangenomen kan worden dat artikel 18 IVBP op dezelfde wijze als artikel 9 EVRM uitgelegd zal worden.

De in artikel 9 EVRM geformuleerde vrijheid van godsdienst en overtuiging wordt door de Nederlandse rechter in het algemeen restrictief opgevat.[162] Volgens vaste jurisprudentie komt deze vrijheid niet de betekenis toe van het recht om de eigen religieuze of levensbeschouwelijke normen in de praktijk des levens op te volgen, valt derhalve niet samen met een ieders vrijheid wettelijke voorschriften aan zijn godsdienstige of levensovertuiging te toetsen.[163] Een beroep op artikel 9 EVRM, gedaan om van een wettelijke plicht ontslagen te worden, is dan ook enkel zinvol indien de betreffende regeling betrekking heeft op het tot uiting brengen van godsdienst of levensovertuiging in enigerlei vorm, dat wil zeggen op handelingen die onderdeel uitmaken van een algemeen als zodanig erkende religieuze of levensbeschouwelijke praktijk. Meestal wordt geoordeeld dat de aangevallen regeling niet op het specifiek religieus‑levensbeschouwelijke handelen betrekking heeft, zodat de betrokkene geen beroep op de in artikel 9 EVRM garandeerde vrijheid toekomt. Aldus is onder andere beslist ten aanzien van verzekeringsregelingen, [164] de Kalkarheffing,[165] verdedigingsplichten,[166] de verplichting tot kennisgeving van een rituele slacht[167] en het voor de verkrijging van een beginseltoestemming tot het opnemen van een pleegkind gestelde vereiste om in te stemmen met een eventuele bloedtransfusie.[168] Soms laat de Nederlandse rechter in het midden of het gedrag in kwestie bestreken wordt door artikel 9, eerste lid, EVRM, en beslist hij dat de eventueel uit de bestreden regeling voortvloeiende beperkingen van de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging gerechtvaardigd zijn in het licht van artikel 9, tweede lid, EVRM. Deze weg is hem wel zeer gemakkelijk gemaakt door de jurisprudentie van de Hoge Raad. In het tweede Geertruidenbergarrest.[169] overwoog deze dat de vraag, of een regeling (in casu een processieverbod) die de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging beperkt in overeenstemming is met artikel 9 EVRM, slechts dan ontkennend beantwoord zou kunnen worden indien het ten enenmale ondenkbaar zou moeten worden geacht dat een wetgever deze regeling ter bescherming van de in het tweede lid genoemde belangen had kunnen treffen. Deze uiterst marginale toets vereiste slechts een beoordeling in abstracto: de rechter diende niet als maatstaf aan te leggen of deze regeling nu juist in dit concrete geval noodzakelijk was. Deze abstract‑marginale maatstaf, in combinatie met de opvatting van de Hoge Raad dat het in artikel 9 EVRM geformuleerde recht ook door andere dan formele wetten beperkt kan worden,[170] kan slechts in uitzonderingsgevallen leiden tot de conclusie dat het recht geschonden is. De rechter had dan ook geen moeite te beslissen dat een gemeentelijk optochtverbod behoudens vergunning,[171] de Wet gewetensbezwaren militaire dienst,.[172] artikel 449 Sr.,[173] wettelijke bepalingen met betrekking tot geslachtsnaamwijziging[174] en de verplichting in het verkeer een helm te dragen[175] te verenigen zijn met artikel 9, tweede lid, EVRM.

De Nederlandse rechter is inmiddels tot een meer concrete verdragstoetsing overgegaan en beoordeelt  in toenemende mate of de toepassing van de betreffende regeling in concreto verenigbaar is met bepalingen van internationaal recht.[176] Het ligt ‑ gegeven de bovengeschetste restrictieve interpretatie ‑ in de lijn der verwachtingen dat een dergelijke toetsing aan art. 9 EVRM weinig consequenties voor het nationale recht zal hebben; wellicht zal de rechter met behulp van een enge uitleg nog eerder concluderen dat een aangevallen regeling buiten het bereik van deze bepaling valt. Een enkele keer heeft een beroep voor de Nederlandse rechter op artikel 9 EVRM wel succes. Zo ontsloeg het Hof Amsterdam een verdachte van alle rechtsvervolging die in strijd met de wet zgn. Ayahuasca-thee naar Nederland meebracht. Deze thee speelt een rol speelt in de eredienst van een bepaald kerkgenootschap waarvan hij lid was. Via concrete toetsing achtte de het Hof de toepassing van de wet niet een noodzakelijke beperking in de zin van artikel 9, tweede lid, EVRM.[177]

Wat het EU-Verdragsrecht betreft, dient naast de algemene incorporatie van het EVRM gewezen te worden op het Handvest van de Grondrechten van de EU. Artikel 10, eerste lid, van het Handvest is ontleend aan artikel 9, eerste lid, EVRM. Ook bij dit Handvest geldt dat andere bepalingen ervan ook relevant (kunnen) zijn uit een oogpunt van godsdienst en levensovertuiging. Van bijzondere betekenis is artikel 17 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Dit bepaalt dat de Unie ‘de status die kerken en religieuze verenigingen en gemeenschappen volgens het nationaal recht in de lidstaten hebben’ eerbiedigt en daaraan ‘geen afbreuk’ doet. Een vergelijkbare bepaling geldt voor ‘levensbeschouwelijke en niet-confessionele organisaties’. Het artikel gaat verder met de bepaling dat de Unie ‘een open, transparante en regelmatige dialoog met die kerkenen organisaties [voert], onder erkenning van hun identiteit en hun specifieke bijdrage.’ [178]

12. Jurisprudentie

- AbRvS 27 oktober 1994, Bijlage NJB 2 december 1994, afl. 43, nr. 45
- AbRvS 5 januari 1996, AB 1996, 179
- AbRvS 3 december 1998, AB 2000, 291
 
- AgRvS 3 april 1992, 483, AB 1992, 483
 
- ArRvS 26 mei 1978, AB 1978, 430
- ArRvS 30 november 1978, Yb 22, 557
- ArRvS 20 januari 1983, AB 1983, 389
-ArRvS 7 april 1983, AB 1983, 430
- ArRvS 1 augustus 1983, AB 1984, 532
- ArRvS 19 juni 1984, AB 1985, 79
- ArRvS 21 maart 1985, AB 1986, 16
- ArRvS 13 mei 1985, WORvS 1985, no. 2.93
- ArRvS 18 november 1985, AB 1986, 293
- ArRvS 18 december 1986, AB 1987, 260
- ArRvS 12 maart 1987, AB 1987, 287
- ArRvS 18 maart 1988, AB 1988, 342
- ArRvS 20 mei 1988, Gst. 6864, 5
- ArRvS 19 juli 1988, Gst. 6870, 2
- ArRvS 15 juli 1991, AB 1992, 27, Gst. 6931, 6
- ArRvS 16 juni 1993, AB 1994, 424
 
- Cgb 7 augustus 1995, RV 1995, 100
- Cgb 29 april 1999, AB 2000, 71
 
- CRvB 6 april 1966, AB 1966, 641
- CRvB 4 juni 1986, RSV 1987, 16
- CRvB 25 oktober 1990, TAR 1990, 243
- CRvB 14 maart 1991, TAR 1991, 105
- CRvB 17 november 1994, AB 1995, 322
- CRvB 29 december 1997, AB 1998, 125
- CRvB 24 februari 1998, JABW 1998, 72
 
- ECRM 8 maart 1976, D&R 5, 157
- ECRM 12 oktober 1978, D&R 19, 5
- ECRM 15 december 1983, D&R 37, 142 en 5 juli 1984, D&R 39, 267
- ECRM 8 maart 1985, D&R 42, 247
- ECRM 8 maart 1985, D&R 42, 247
 
- EHRM 27 juni 2000, Jewish liturgical association Cha’are Shalom Ve Tsedek v. Frankrijk
 
- HMG 23 november 1977, MRT 1978, 155
 
- Hof Amsterdam 6 september 2011 (200.086.954/01), BR 6764
- Hof Amsterdam 24 februari 2012 (zaaknr. 23-001916-09)
- Hof Amsterdam (belastingkamer) 17 oktober 2013 (zaaknr. 12/00652)
- Hof Arnhem 25 oktober 1948, AB 1949, 584
- Hof Arnhem 24 juni 1958, NJ 1959, 473
- Hof Arnhem 15 november 1958, NJ 1959, 472
- Hof Arnhem 11 juli 1984, NJ 1985, 536
- Hof Arnhem 29 mei 1987, NJ 1987, 816; AB 1988, 275
- Hof Den Bosch 22 december 1989, NJ 1990, 487
- Hof Den Haag 30 juni 1978, BNB 1979, 230
- Hof Den Haag 9 juni 1999, AB 1999, 328
- Hof Den Haag 18 november 2002, Zknr. 2200359302
- Hof Leeuwarden 16 maart 1989, NJ 1989, 810
 
- Hof van Discipline voor de advocatuur, 11 december 2009, 5499
 
- HMG 23 november 1977, MRT 1978, 155
 
- HR 25 april 1856, W 1744
- HR 3 april 1857, W 1840
- HR 23 juli 1946, NJ 1947, 1
- HR 15 februari 1957, NJ 1957, 201
- HR 13 april 1960, NJ 1960, 436
- HR 19 januari 1962, NJ 1962, 107
- HR 13 maart 1963, AB 1963, 610
- HR 25 juni 1963, NJ 1964, 239
- HR 30 mei 1967, NJ 1968, 64
- HR 16 januari 1968, NJ 1969, 2
- HR 4 november 1969, NJ 1970, 127
- HR 22 juni 1971, NJ 1972, 31
- HR 9 april 1976, NJ 1976, 409
- HR 8 november 1977, NJ 1978, 117
- HR 1 juli 1982, NJ 1983, 201
- HR 21 februari 1984, DD 1984, 285
- HR 30 maart 1984, AB 1984, 366; NJ 1985, 350
- HR 15 maart 1985, NJ 1986, 191
- HR 30 mei 1986, NJ 1986, 702
- HR 31 oktober 1986, NJ 1987, 173
- HR 5 juni 1987, AB 1988, 276; NJ 1988, 702
- HR 22 januari 1988, AB 1988, 96; NJ 1988, 891
- HR 18 oktober 1988, NJ 1989, 476
- HR 2 februari 1990, NJ 1991, 289
- HR 20 oktober 1995, NJ 1996, 330
- HR 26 april 2000, NJB 2000, p. 1300
- HR 12 mei 2000, NJB 2000, p. 1112
- HR 9 januari 2007 (AZ2497)
 
- KB 14 november 1968, AB 1969, 123
- KB 30 juni 1975, AB 1976, 132
- KB 30 november 1979, AB 1980, 123
- KB 4 december 1984, AB 1985, 163
- KB 2 maart 1984, AB 1984, 288
- KB 23 september 1986, WORvS 1986, 1.6
- KB 3 februari 1990, AB 1990, 235, AA 1990, 835
 
- Ktg. Alphen aan den Rijn 22 maart 1994, NJCM-Bulletin 1994, p. 569
- Ktg. Amsterdam 11 februari 1983, AB 1983, 277
- Ktg. Apeldoorn 30 november 1994, Prg. 1995, 4271
- Ktg. Enschede 18 december 1986, Prg. 1987, 2670
- Ktg. Gorinchem 8 november 1982, NJ 1983, 383
- Ktg. Maastricht 31 augustus 1988, Prg. 1989, 3188; 350
- Ktg. Zwolle 7 maart 1991, NJCM-Bulletin 1991, 302
 
- Pres. Rb. Amsterdam 21 maart 1985, KG 1985, 104
- Pres. Rb. Arnhem 9 september 1987, KG 1987, 440
- Pres. Rb. Breda 15 januari 1986, KG 1986, 78
- Pres. Rb. Dordrecht 5 maart 1996, KG 1996, 127
- Pres. Rb. Groningen 22 november 1995, KG 1996, 18
- Pres. Rb. Maastricht 12 september 1974, Yb 17, 672
- Pres. Rb. ‘s-Hertogenbosch, 25 juni 1985, KG 1985, 217
 
- Rb. Amsterdam 3 oktober 1974, NJ 1977, 88
- Rb. Amsterdam, 23 juni 2011 (Zaaknr.: 13/425046-09)
- Rb. Arnhem 24 december 1987, Prg. 1988, 2895
- Rb. Den Haag 25 september 1992, KG 1993, 52.Rb. Den Haag 28 maart 1997, NJ 1998, 342
- Rb. Den Haag 6 oktober 1998, AB 1999, 150
- Rb. Dordrecht 27 juni 1973, NJ 1973, 432
- Rb. Haarlem, 4 april 2011 (zaak/rolnr.: 502067 / VV EXPL 11-29), BQ 0063
- Rb. Rotterdam 21 augustus 1995, NJ 1996, 211
- Rb. Zwolle 9 oktober 1986, NJ 1987, 524
 
- VzArRvS 20 juni 1985, RV 1985, 118
- VzArRvS 17 oktober 1985, AB 1986, 288
- VzArRvS 20 juni 1985, RV 1985, 118
- VzArRvS 14 november 1986, Gst. 6836, 7
- VzArRvS 18 februari 1988, AB 1988, 312
- VzArRvS 16 februari 1989, Gst. 6883, 11, AB 1990, 9, AA 1990, 398
- VzArRvS 16 november 1989, AB 1990, 204, Gst. 6903, 7
- VzArRvS 17 augustus 1990, AB 1991, 44
- VzArRvS 6 augustus 1991, AB 1992, 53

13. Literatuur

- P. de Beer, ‘Waarom vrijheid van godsdienst uit de Grondwet kan’,  in: Socialisme en Democratie, 2007/10, p. 18-24
- Ton Bernts, (red.) Boodschap aan de kerken? Religie als sociaal en moreel kapitaal. (KASKI-reeks. Deel 7.) Zoetermeer: Meinema 2004
- Sophie van Bijsterveld, ‘Scheiding van kerk en staat: een klassieke norm in een moderne tijd’, in: W.B.H.J. van de Donk et.al., (red.), Geloven in het publieke domein. Verkenningen van een dubbele transformative (WRR-Verkenning), Amsterdam: Amsterdam University Press 2006, p. 227-259
- Sophie van Bijsterveld, Overheid en godsdienst. Herijking van een onderlinge relatie, 2de druk, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2009
- Sophie van Bijsterveld, ‘Negotiating the Unfamiliar: Reflections from The Netherlands on the Archbishop of Canterbury’s Lecture’, in Rex Ahdar, Nicholas Aroney (eds.), Shari’a in the West, O.U.P.: Oxford, 2010,  p.207–222
- Sophie van Bijsterveld, Burger tussen religie, staat en markt, oratie, Tilburg 2012
- Sophie van Bijsterveld, ‘De staat als ‘neutral organiser of religions’? Een analyse van de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens (I), in:Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2013 (4), nr.1, p.44 – 64; en id., (II), in:Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2013 (4), nr.2, p.34 – 58
- M.M. den Boer, Artikel 6 Grondwet: vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, NJCM‑Bulletin 1987, p. 110‑127
- M.M. den Boer, Een goede raad inzake de universiteit voor de humanistiek?, NJB 1989, p. 564‑565
- M.J. Bokma, H.P. Vonhögen, Artikel 6 en artikel 9 Grondwet: zwakke waarborgen, gebrekkige uitwerking, in: M.C. Burkens, M.J. Sluijs (red.), De wetgeving ter uitvoering van Hoofdstuk 1 van de Grondwet, Zwolle 1988, p. 97‑119
- Emo Bos, Souvereniteit en Religie. Godsdienstvrijheid onder de eerste Oranjevorsten, Hilversum: Verloren 2009
- Emo Bos, ‘Godsdienstpolitiek onder de Oranjevorsten’, in: Sophie van Bijsterveld, Richard Steenvoorde (red.), 200 jaar Koninkrijk: religie, staat en samenleving, Oisterwijk: Wolf Legal Publishers 2013, p. 17-43
- Wibren van der Burg, Het ideaal van de neutrale staat. Inclusieve, exclusieve en compenserende visies op godsdienst en cultuur (oratie EUR), Den Haag: BJu 2009
- M.C. Burkens e.a., Actuele ontwikkelingen en problemen op het terrein van de gelding van grondwettelijke grondrechten, in: J.B.J.M. ten Berge e.a. (red.), Recht als norm en als aspiratie, Nijmegen 1986, p. 286‑303
- Paul Cliteur, ‘Criteria voor juridisch te beschermen godsdienst’, in: Nederlands Juristenblad 2012, nr. 44-45, p. 3090-3096
- Commissie‑Hirsch Ballin, Eindrapport Overheid, Godsdienst en Levensovertuiging, Den Haag 1988
- Paul Dekker etl.al. (red.), Breekpunt of bindmiddel. Religieus engagement in de civil society, Zoetermeer: Meinema 2011
- I.A. Diepenhorst, De verhouding tussen kerk en staat in Nederland, Utrecht z.j.
- J.E. Doek e.a., Rechten van jeugdigen en gezag van ouders, NJB 1975, p. 97‑104
- J.E. Doek, Polio, ook een zaak voor justitie, Maandblad Geestelijke Volksgezondheid 1978, p. 637‑652
- A.M. Donner, Grondrechten en constitutionele rechten, in: J.F. Glastra van Loon e.a. (red.), Speculum Langemeijer, Zwolle 1973, p. 15‑28
- W.B.H.J. van de Donk et.al., (red.), Geloven in het publieke domein. Verkenningen van een dubbele transformative (WRR-Verkenning), Amsterdam: Amsterdam University Press 2006
- K.J.H. Dorren, Op de grens van recht en theologie, NJB 1954, p. 709‑714
- Pien van den Eijnden, Joyce Overdijk-Francis, in: Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid, 2010 (1),  nr.2. p. 5-18
- Carolyn Evans, Freedom of Religion under the European Convention on Human Rights, Oxford: Oxford University Press
- Silvio Ferrari, ‘De christelijke wortels van de seculiere staat’, in: Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2012 (3) 3, p. 5-17
- Beatrice de Graaf, ‘Religie als probleem van orde en veiligheid. Salafisme onder vuur’, in: Sophie van Bijsterveld, Richard Steenvoorde (red.), 200 jaar Koninkrijk: religie, staat en samenleving, Oisterwijk: Wolf Legal Publishers 2013, p.353-375
- Beatrice de Graaf, ‘Religie als probleem van orde en veiligheid. Salafisme onder vuur’, in: Sophie van Bijsterveld, Richard Steenvoorde (red.), 200 jaar Koninkrijk: religie, staat en samenleving, Oisterwijk: Wolf Legal Publishers 2013, p.353-375
- G.A. den Hartogh, ‘Een martelaarskroontje voor Van Dijke’, in: Nederlands Juristenblad 1998, p. 2017-2020
- Marcel ten Hooven, ‘Hoe anders mag je nog zijn in Nederland’, in: Christendemocratische Verkenningen  2008, nr. 4 (Winter), p.259-271
- Marcel ten Hooven, Theo de Wit (red.), Ongewenste goden. De publieke rol van religie in Nederland, Nijmegen: SUN 2006
- Esther Janssen, Aernout J. Nieuwenhuis, ‘De verhouding tussen vrijheid van meningsuiting en discriminatie in het Wilders-proces: en erna?: een analyse van "het proces van de eeuw’ in: NJCM-bulletin (Nederlands tijdschrift voor de mensenrechten) 2012 (37), nr. 2, p.177-207
- A.K. Koekkoek, Grenzen aan grondrechten, in: A.W. Heringa e.a., Gelijk behandelen, Zwolle 1991, p. 29‑54
- Ben Koolen, ‘Integratie en religie. Godsdienst en levensovertuiging in het integratiebeleid etnische minderheden’, in: Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid,2010 (1) 1, p. 5-26
- Ben Koolen, ‘Het smalle pad van Jan Donner. De ontstaansgeschiedenis van de Lex Donner 1932’, in: Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2011 (2) 1, p. 72-85
- Ben Koolen, ‘Scheiding tussen kerk en staat als bevrijding’, in: Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2012 (3) 2, p. 87-103
- C.A.J.M. Kortmann, De vrijheid van godsdienst en levensovertuiging in de nieuwe Grondwet, in: Godsdienstvrijheid (Handelingen van het Thijmgenootschap), Deventer 1983, p. 55‑67
- C.A.J.M. Kortmann, De Grondwetsherzieningen 1983 en 1987, 2de druk, Deventer: Kluwer 1987
- B.C. Labuschagne, Godsdienstvrijheid en niet-gevestigde religies, Groningen 1994
- B.C. Labuschagne (red.), Religie als brond van sociale cohesive in de democratische rechtsstaat?, Nijmegen: Ars Aequi 2004
- Ian Leigh, Rex Ahdar, ‘Post-Secularism and the European Court of Human Rights: Or How God Never Really Went Away’, in: The Modern Law Review 2012, p.1064-1098
- Ian Leigh, ‘New Trends in Religious Liberty and the European Court of Human Rights, in: Ecclesiastical Law Journal, 2012, p.266-279
- Donald Loose et.al., Religie in het publieke domein. Fundament en fundamentalisme, Budel: Damon 2007
- J.M.M. Maeijer, Rechtspersonen, godsdienst en levensovertuiging, Mededelingen der Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen, Afdeling Letterkunde, Nieuwe Reeks, Deel 49‑No. 2, Amsterdam 1986
- Marcel Maussen, Ruimte voor de islam? Stedelijk beleid, voorzieningen, organisaties, Apeldoorn/Antwerpen: Het Spinhuis 2006
- Marcel Maussen, Constructing Mosques. The governance of Islam in France and the Netherlands, diss. Amsterdam (UvA) 2009
- A.J. Nieuwenhuis, C.M. Zoethout (red.), Rechtsstaat en Religie. (Staatsrechtconferentie 2008), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2009
- F.T. Oldenhuis, Rechtsvinding van de burgerlijke rechter in kerkelijke conflicten, Groningen 1977
- F.T. Oldenhuis et.al., Schurende relaties tussen recht en Religie, Assen: Van Gorcum 2007
- F.T. Oldenhuis (red.), Religie op de werkvloer, Heerenveen: Protestantse Pers 2013
- F.T. Oldenhuis, Een neutrale staat: kreet of credo? Heerenveen: Protestantse Pers 2009
- W.H. den Ouden, Kerk onder patriottenbewind. Kerkelijke financiën en de Bataafse Republiek 1795-1801 (diss. Groningen),Zoetermeer: Boekencentrum 1994
- J. Peet/B.P. Vermeulen, Gelijkheid bij wet?, Nijmegen/Baarn 1991
- P.T. Pel, Geestelijken in het recht. De rechtspositie van geestelijke functionarissen in het licht van het eigen recht van de kerken en religieuze gemeenschappen in de Nederlandse rechtsorde, Den Haag: BJu 2013
- J. Plooy, Strafbare godslastering, s.l. [Amsterdam]: Buijten en Schipperheijn 1986
- Henk Post, Gelijkheid als nieuwe Religie,  Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2010
- Henk Post, Godsdienstvrijheid aan banden. Een essay over het probleem van de godsdienst in het publieke domein, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2011
- Paul van Sasse van Ysselt, 'Financiële verhoudingen tussen overheid, kerk en religieuze organisaties', in: Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid, 2013 (4), nr.1, p. 65-86
- P. Schnabel, Tussen stigma en charisma, Deventer 1982
- Ineke Secker, Het kommervolle bestaan van de departementen van Eredienst, in: C.C. van Baalen et.al. (red.), Jaarboek Parlementaire Geschiedenis 2005. God in de Nederlandse politiek,  p.63-75
- Richard Steenvoorde, ‘In het algemeen belang? Het algemeen nut-criterium in recente wetgeving en jurisprudentie met betrekking tot kerken en religieuze instellingen’, in: Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid, 2011 (2) 1, p. 30-42
- Richard Steenvoorde, Ernst Hirsch Ballin, ‘Een herleving van de departementen van eredienst?’, in: Sophie van Bijsterveld, Richard Steenvoorde (red.), 200 jaar Koninkrijk: religie, staat en samenleving, Oisterwijk: Wolf Legal Publishers 2013, p. 325-352
- Maurice van Stiphout, ‘Scheiding van kerk en staat als oorzaak van kerkvernieuwing. Een verrassende transformatie van de rooms-katholieke kerk in de negentiende en twintigste eeuw’, in: Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2013 (3) 3, p.22-37
- Maurice van Stiphout., Scheiding van kerk en staat en de ontwikkeling van de kerk tot een zelfstandige geloofsgemeenschap. Studies over de rooms-katholieke kerk vanuit juridisch perspectief (1790-1965), (diss. Groningen), Den Haag: BJu 2011
- B.A.M. van Stokkum, H.J. B. Sackers, J.-P. Wils, Godslastering, discriminerende uitingen wegens godsdienst en haatuitingen: een inventariserende studie (WODC), ’s-Gravenhage: BJu 2007
- B.G. Tahzib, Freedom of Religion or Belief, Den Haag 1995
- A.B. Terlouw, J.L.W. Broeksteeg (red.), Overheid, recht en Religie, Deventer: Kluwer 2011
Tweeluik religie en publiek domein. Handvatten voor gemeente, Den Haag: VNG /BZK 2009
- S.J. Vellenga, ‘Religieuze tolerantie op haar retour? Hete discussies, kalme reacties en bedenkelijke effecten’, in: Religie en Samenleving, 7 (2012) 1, p. 110-126
- S.J. Vellenga, ‘Religieuze orthodoxie als bedreiging, Verschuivingen in het publiek debat’, in: Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2011 (2) 2, p. 7-22
- B.P. Vermeulen, Wie bepaalt de reikwijdte van grondrechten?, in: Nederlands Tijdschrift voor Rechtsfilosofie en Rechtstheorie 1992, p. 16-46
- B.P. Vermeulen, De vrijheid van geweten, een fundamenteel rechtsprobleem, diss. EUR, Arnhem 1989
- B.P. Vermeulen, De Goerees en de kardinaal, ofwel: vrijheid van godsdienst versus discriminatieverbod, in: L. Heyde e.a. (red.), Begrensde vrijheid (Scheltensbundel), Zwolle 1989, p. 258‑278
- B.P. Vermeulen, Algemene beperkingen, redelijke uitleg en redelijke toepassing van grondrechten, RegelMaat 1990, p. 78‑85
- B.P Vermeulen, De Goerees en de kardinaal, ofwel: vrijheid van godsdienst versus discriminatieverbod, in: L. Heyde e.a. (red.), Begrensde vrijheid (Scheltensbundel), Zwolle 1989, p. 272-273
- B.P. Vermeulen, Article 9, in: Van Dijk/Van Hoof 1998
- Ben Vermeulen, ‘Waarom godsdienstvrijheid in de Grondwet moet blijven’, in: Socialisme en Democratie 2008/3, p. 14-26
- Ben Vermeulen en Bahija Arrass, ‘De reikwijdte van de vrijheid van godsdienst in een pluriforme samenleving’, in: A.J. Nieuwenhuis, C.M. Zoethout (red.,), Rechtsstaat en religie (Staatsrechtconferentie 2008, UvA), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2009, p.59-87
- Jurn de Vries, ‘De levensbeschouwelijke identiteit van de ongebonden geestelijk verzorger’, in: Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2013 (4) 3, p.6-15
- Jurn de Vries ,‘Tijd voor een ruimere eedspraktijk. Laat ieder de eed afleggen volgens eigen godsdienstige gezindheid’, in: Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2012 (3), p. 5-20
- Sohail Wahedi, ‘Wederrechtelijkheid van jongensbesnijdenis. Een ethische uitdaging voor het strafrecht?’ in: Nederlands Juristenblad  2012, nr. 44-45, p. 3097-3105
- WI-CDA (Maarten Neuteboom), Geloof in de samenleving. Christendemocratische reflecties op religie en levensbeschouwing in het publieke domein, Den Haag: WI-CDA 2013
Anton van Wijk, Bo Bremmers, Manon Hardeman, Tjaza Appelman, Henk Ferwerda (Bureau Beke), Het warme bad en de koude douche. Een onderzoek naar misstanden in nieuwe religieuze bewegingen en de toereikendheid van het instrumentarium voor recht en zorg, WODC, Ministerie van V&J, 2013
- R.E. de Winter, ‘Godsdienst als alibi’, in: Nederlands Juristenblad 1996, p. 1-8
- T.A.M. Witteveen, Overheid en nieuwe religieuze bewegingen, diss. RUG, Den Haag 1984, Kamerstukken II 1983‑1984, 16 635, nr. 4
- Thijs Wöltgens, ‘Schrappen van artikel 6 maakt on seen gidsland voor dictaturen’, in: Socialisme en Democratie 2007/11-12, p. 10-11
- Nelleke van Zessen, Ben Koolen, ‘Geestelijke verzorging in de gevangenis’, in:Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2013 (4) 1, p 2013 (4) 1, p. 29-43

Algemeen:
- Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid (Den Haag: BJu)

14. Historische versies

Eerste lid:
Art. 190 Gw 1815: De volkomen vrijheid van godsdienstige begrippen wordt aan elk gewaarborgd (art. 188 Gw 1840).
Art. 164 Gw 1848: Ieder belijdt zijn godsdienstige meeningen met volkomen vrijheid, behoudens de bescherming der maatschappij en harer leden tegen de overtreding der strafwet (art. 167 Gw 1887; art. 168 Gw 1922; art. 174 Gw 1938; art. 181 Gw 1953).
 
Tweede lid:
Art. 135 Gw 1814: Alle openbare uitoefening van Godsdienst wordt toegelaten, voor zoo verre dezelve niet kan gerekend worden eenige stoornis aan de publieke orde en rust te zullen toebrengen.
Art. 193 Gw 1815: Geene openbare oefening van Godsdienst kan worden belemmerd, dan ingevalle dezelve de openbare orde of veiligheid zoude kunnen storen (art. 191 Gw 1840).
Art. 167 Gw 1848: Alle openbare godsdienstoefening binnen gebouwen en besloten plaatsen wordt toegelaten, behoudens de noodige maatregelen ter verzekering der openbare orde en rust.
Onder dezelfde bepaling blijft de openbare godsdienstoefening buiten de gebouwen en besloten plaatsen geoorloofd, waar zij thans naar de wetten en reglementen is toegelaten (art. 170 Gw 1887; art. 171 Gw 1922; art. 177 Gw 1938; art. 184 Gw 1953).

Noten

  1. Het commentaar van de hand van B.P. Vermeulen, zoals gepubliceerd in de tweede en de derde druk, is voor de editie 2013 herzien en bewerkt door S.C. van Bijsterveld.
  2. Deze paragraaf is een geactualiseerde versie van de tweede druk van het commentaar.
  3. Zie in deze zin B.P. Vermeulen, De vrijheid van geweten, een fundamenteel rechtsprobleem, diss. EUR, Arnhem 1989, p. 42 e.v. en 56 e.v.
  4. Als zodanig kunnen niet gelden de godsdienstvrede van Augsburg (1555), gebaseerd op het beginsel cuius regio, eius religio (de vorst bepaalt welke religie in zijn territorium toegelaten is), noch de Franse tolerantie edicten (zoals de Edicten van Amboise (1563) en Nantes (1598)), die alleen aan rooms katholieken en hugenoten godsdienstvrijheid toekenden. Zie Vermeulen 1989, p. 56-58.
  5. Hierover I.A. Diepenhorst, De verhouding tussen kerk en staat in Nederland, Utrecht z.j., p. 62 e.v. Diepenhorst wijst er echter op dat de godsdienstwetten ten aanzien van andersgelovigen veelal niet of nauwelijks uitgevoerd werden, zodat de Republiek een gematigde godsdienstvrijheid kende.
  6. Zie hierover S.C. den Dekker-Van Bijsterveld, De verhouding tussen kerk en staat in het licht van de grondrechten, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1988, p. 10 e.v.; zie voor de eerste helft van de 19de eeuw in het bijzonder, Emo Bos, Souvereniteit en Religie. Godsdienstvrijheid onder de eerste Oranjevorsten, Hilversum: Verloren 2009, en Emo Bos, ‘Godsdienstpolitiek onder de Oranjevorsten’, in: Sophie van Bijsterveld, Richard Steenvoorde (red.), 200 jaar Koninkrijk: religie, staat en samenleving, Oisterwijk: Wolf Legal Publishers 2013, p. 17-43. Zie voorts Ben Koolen, ‘Scheiding tussen kerk en staat als bevrijding’, in: Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2012 (3) 2, p. 87-103.
  7. Zie over de financiële verhouding tussen kerk en staat in de Bataafse Republiek, W.H. den Ouden, Kerk onder patriottenbewind. Kerkelijke financiën en de Bataafse Republiek 1795-1801 (diss. Groningen), Zoetermeer: Boekencentrum 1994.
  8. Zie over de betrekkelijkheid van ‘ontvlechting’ c.q. het veranderde karakter van overheidsoptreden ten opzichte van kerk en godsdienst, Richard Steenvoorde, Ernst Hirsch Ballin, ‘Een herleving van de departementen van eredienst?’, in: Sophie van Bijsterveld, Richard Steenvoorde (red.), 200 jaar Koninkrijk: religie, staat en samenleving, Oisterwijk: Wolf Legal Publishers 2013, p. 325-352. Over de voormalige departementen van eredienst als zodanig, Ineke Secker, Het kommervolle bestaan van de departementen van Eredienst, in: C.C. van Baalen et.al. (red.), Jaarboek Parlementaire Geschiedenis 2005. God in de Nederlandse politiek, p.63-75. Zie ten aanzien van de islam, Beatrice de Graaf, ‘Religie als probleem van orde en veiligheid. Salafisme onder vuur’, in: Sophie van Bijsterveld, Richard Steenvoorde (red.), 200 jaar Koninkrijk: religie, staat en samenleving, Oisterwijk: Wolf Legal Publishers 2013, p. 353-375.
  9. Art. 135 Gw. 1814, art. 193 Gw. 1815, art. 167 Gw. 1848 (art. 184 Gw. 1972); thans art. 6 Gw.
  10. Art. 134 Gw. 1814; art. 191 Gw. 1815; art. 165 Gw. 1848 (art. 182 Gw. 1972) spreekt dit beginsel uit voor alle (dus niet alleen de bestaande, gevestigde) kerkgenootschappen. Thans wordt dit beginsel gewaarborgd door art. 6 jo. 1 Gw.
  11. Art. 134 Gw. 1814; art. 192 Gw. 1815; art. 166 Gw. 1848 (art. 183 Gw. 1972); berust thans op art. 6 jo. 1 Gw. en art. 3 Gw.
  12. Zie hierover Sophie van Bijsterveld, Overheid en godsdienst. Herijking van een onderlinge relatie, 2de druk, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2009. Zie ook T.A.M. Witteveen, Overheid en nieuwe religieuze bewegingen, diss. RUG, Den Haag 1984, Kamerstukken II 1983 1984, 16 635, nr. 4, p. 18.
  13. Art. 1, eerste lid: `Aan alle kerkgenootschappen is en blijft de volkomen vrijheid verzekerd alles wat hunne godsdienst en de uitoefening daarvan in hunnen eigen boezem betreft, te regelen.' Het beginsel van kerkelijke autonomie werd in feite reeds eerder aanvaard, onder andere blijkens art. 170 Gw. 1848 (art. 187 Gw. 1972), dat het recht van placet (overheidstoezicht op de afkondiging van kerkelijke voorschriften en op de briefwisseling met hoofden van kerkgenootschappen) afschafte. Zie over de overheidsbemoeienis met kerk en religie in die tijd verder Emo Bos, Souvereniteit en Religie. Godsdienstvrijheid onder de eerste Oranjevorsten, Hilversum: Verloren 2009, en Emo Bos, ‘Godsdienstpolitiek onder de Oranjevorsten’, in: Sophie van Bijsterveld, Richard Steenvoorde (red.), 200 jaar Koninkrijk: religie, staat en samenleving, Oisterwijk: Wolf Legal Publishers 2013, p. 17-43.
  14. Art. 186 schreef de Koning voor er voor te waken dat de kerkgenootschappen zich aan de wet houden; voor art. 187 zie de vorige noot.
  15. Zie hierover Den Dekker-Van Bijsterveld 1988, p. 48 e.v.; zie ook C.A.J.M. Kortmann, De Grondwetsherzieningen 1983 en 1987, 2de druk, Deventer: Kluwer 1987, p.78- 83.
  16. Zie de Wet van 17 april 1997 tot wijziging van bepalingen van verschillende wetten in verband met de erkenning van de vrijheid van levensovertuiging als grondrecht, Stb. 1997, 192.
  17. Zie hieromtrent Burkens 1989, p. 114 e.v. Zie ook C.A.J.M. Kortmann, De Grondwetsherzieningen 1983 en 1987, 2de druk, Deventer: Kluwer 1987, p,78-83. Zie voor een relativering bij de toepassing van de beperkingssystematiek, hierna paragraaf 6.
  18. Vgl. art. 181 Gw. 1972 (`behoudens (...) de overtreding der strafwet') en art. 184, eerste lid, Gw. 1972 (`behoudens de nodige maatregelen ter verzekering der openbare rust').
  19. Vgl. art. 184, tweede lid, Gw. 1972: godsdienstoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen is `geoorloofd waar zij thans (=1848) naar de wetten en reglementen is toegelaten'.
  20. Zie hierover Sophie van Bijsterveld, Overheid en godsdienst. Herijking van een onderlinge relatie, 2de druk, Nijmegen: Wolf Publishers 2009, met name de hoofdstukken 6 en 8. Zie over de verhouding tot artikel 1 Gw. Zie ook Henk Post, Gelijkheid als nieuwe Religie, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2010; zie ook Marcel ten Hooven, ‘Hoe anders mag je nog zijn in Nederland’, in: Christendemocratische Verkenningen 2008, nr. 4 (Winter), p.259-271. Zie verder het commentaar op artikel 1, waar ook wordt ingegaan op de rechtspraak inzake het zgn. ‘vrouwenstandpunt’ van de SGP (zie daarvoor ook het commentaar op artikel 3).
  21. Zie afgezien van de verder in dit commentaar genoemde literatuur van het laatste anderhalf decennium, ook B.C. Labuschagne (red.), Religie als brond van sociale cohesive in de democratische rechtsstaat?, Nijmegen: Ars Aequi 2004; Marcel ten Hooven, Theo de Wit (red.), Ongewenste goden. De publieke rol van religie in Nederland, Nijmegen: SUN 2006; F.T. Oldenhuis et.al., Schurende relaties tussen recht en Religie, Assen: Van Gorcum 2007; W.B.H.J. van de Donk et.al., (red.), Geloven in het publieke domein. Verkenningen van een dubbele transformative (WRR-Verkenning), Amsterdam: Amsterdam University Press 2006; Donald Loose et.al., Religie in het publieke domein. Fundament en fundamentalisme, Budel: Damon 2007; A.J. Nieuwenhuis, C.M. Zoethout (red.), Rechtsstaat en Religie. (Staatsrechtconferentie 2008), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2009.
  22. Zie ook Henk Post, Godsdienstvrijheid aan banden. Een essay over het probleem van de godsdienst in het publieke domein, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2011; zie ook S.J. Vellenga, ‘Religieuze tolerantie op haar retour? Hete discussies, kalme reacties en bedenkelijke effecten’, in: Religie en Samenleving, 7 (2012) 1, p. 110-126; en id., ‘Religieuze orthodoxie als bedreiging, Verschuivingen in het publiek debat’, in: Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2011 (2) 2, p. 7-22; alsmede Beatrice de Graaf, ‘Religie als probleem van orde en veiligheid. Salafisme onder vuur’, in: Sophie van Bijsterveld, Richard Steenvoorde (red.), 200 jaar Koninkrijk: religie, staat en samenleving, Oisterwijk: Wolf Legal Publishers 2013, p.353-375; Richard Steenvoorde, Ernst Hirsch Ballin, ‘Een herleving van de departementen van eredienst?’, in: Sophie van Bijsterveld, Richard Steenvoorde (red.), 200 jaar Koninkrijk: religie, staat en samenleving, Oisterwijk: Wolf Legal Publishers 2013, p. 325-352.
  23. Zie over jongensbesnijdenis, Sohail Wahedi, ‘Wederrechtelijkheid van jongensbesnijdenis. Een ethische uitdaging voor het strafrecht?’ in: Nederlands Juristenblad 2012, nr. 44-45, p. 3097-3105.
  24. Vgl. P. de Beer, ‘Waarom vrijheid van godsdienst uit de Grondwet kan’, in: Socialisme en Democratie, 2007/10, p. 18-24; en R.E. de Winter, ‘Godsdienst als alibi’, in: Nederlands Juristenblad 1996, p. 1-8; daartegen Thijs Wöltgens, ‘Schrappen van artikel 6 maakt on seen gidsland voor dictaturen’, in: Socialisme en Democratie 2007/11-12, p. 10-11; Ben Vermeulen, ‘Waarom godsdienstvrijheid in de Grondwet moet blijven’, in: Socialisme en Democratie 2008/3, p. 14-26; en Ben Vermeulen en Bahija Arrass, ‘De reikwijdte van de vrijheid van godsdienst in een pluriforme samenleving’, in: A.J. Nieuwenhuis, C.M. Zoethout (red.,), Rechtsstaat en religie (Staatsrechtconferentie 2008, UvA), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2009, p.59-87, m.n. p. 66 e.v.. Zie hierover ook WI-CDA (Maarten Neuteboom), Geloof in de samenleving. Christendemocratische reflecties op religie en levensbeschouwing in het publieke domein, Den Haag: WI-CDA 2013.
  25. Daarbij komt behalve waardegeladen vraagstukken vooral aan de orde het al of niet bindende karakter van religie. Zie hierover onder meer Ton Bernts, (red.) Boodschap aan de kerken? Religie als sociaal en moreel kapitaal. (KASKI-reeks. Deel 7.) Zoetermeer: Meinema 2004; Paul Dekker etl.al. (red.), Breekpunt of bindmiddel. Religieus engagement in de civil society, Zoetermeer: Meinema 2011. Over religie en integratie, zie Ben Koolen, ‘Integratie en religie. Godsdienst en levensovertuiging in het integratiebeleid etnische minderheden’, in: Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid,2010 (1) 1, p. 5-26.
  26. Deze paragraaf is identiek aan de overeenkomstige paragraaf van de derde druk.
  27. Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 3, p. 11 en 29 (Nng Ia, p. 11 en 29).
  28. B.P. Vermeulen, Article 9, in: Van Dijk/Van Hoof 1998, p. 552-553. Onder andere expliciet erkend in EHRM 27 juni 2000, Jewish liturgical association Cha’are Shalom Ve Tsedek v. Frankrijk, r.o. 72.
  29. ‘De grondrechtsartikelen [...] gelden voor een ieder, ongeacht de leeftijd, mits een dergelijke gelding inhoud kan hebben’ (Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 3, p. 11 (Nng Ia, p. 11).
  30. Aldus minister Korthals Altes in UCV 1985/86, nr. 67, p. 22-23.
  31. Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 3, p. 11 (Nng, Ia, p. 11); CRvB 17 november 1994, AB 1995, 322, m.nt. HH.
  32. Deze paragraaf is een geactualiseerde versie van de derde druk van dit commentaar.
  33. Kamerstukken I 1987/88, 19 427, nr. 135b, p. 4.
  34. Vermeulen 1989, p. 142 e.v.
  35. Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 3, p. 32; Hand. II 1976/77, p. 2118, 2145 (Nng Ia, p. 32, 414, 434, 435).
  36. HR 13 april 1960, NJ 1960, 436 (AOW); HR 13 maart 1963, AB 1963, 610; HR 21 februari 1984, DD 1984, 285.
  37. HR 13 april 1960, NJ 1960, 436; herbevestigd in HR 26 april 2000, NJB 2000, p. 1300.
  38. ArRvS 20 januari 1983, AB 1983, 389; ArRvS 7 april 1983, AB 1983, 430 (antroposofische huisarts). In dezelfde lijn CRvB 4 juni 1986, RSV 1987, 16. Zie aldus ook ECRM 12 oktober 1978, D&R 19, 5 (Arrowsmith): ‘when the actions of the individuals do not actually express the belief concerned they cannot be considered to be as such protected by Article 9.1.’
  39. CRvB 29 december 1997, AB 1998, 125 (overigens afwijzing op grond van de clausulering van art. 9, tweede lid, EVRM); CRvB 24 februari 1998, JABW 1998, 72. Zie daarentegen echter de uitspraak van het Hof van Discipline voor de advocatuur, 11 december 2009 (Hof van Discipline Den Bosch, 5499) inzake een islamitische advocaat die (als enige moslim) de overtuiging had dat hij slechts voor Allah mocht opstaan en daarom weigerde op te staan voor de rechter.
  40. Deze paragraaf is een geactualiseerde versie van de derde druk.
  41. ECRM 15 december 1983, D&R 37, 142 en 5 juli 1984, D&R 39, 267.
  42. Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 3, p. 29 (Nng Ia, p. 29).
  43. Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 3, p. 29 en Kamerstukken II 1976/77, 13 872, nr. 7, p. 25 (Nng Ia, p. 29, 193). Zie Hof Amsterdam (belastingkamer) 17 oktober 2013 (zaaknr. 12/00652), waarin de activiteiten van de Scientology Kerk (Amsterdam) voor toepassing van fiscale wetgeving als ‘ Anbi’ (Algemeen nut beogende instelling) werd aangemerkt‘. Zie over de Anbi-wetgeving en de toetsing daarvan door de rechter, Richard Steenvoorde, ‘In het algemeen belang? Het algemeen nut-criterium in recente wetgeving en jurisprudentie met betrekking tot kerken en religieuze instellingen’, in: Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid, 2011 (2) 1, p. 30-42.
  44. Voor een dergelijke restrictieve uitleg kan steun gevonden worden in Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 3, p. 29 en Kamerstukken II 1976/77, 13 872, nr. 7, p. 24-25 (Nng Ia, p. 29, 193): een ruime interpretatie, waardoor verschillende uitingen aan de werking van art. 7 Gw. worden onttrokken en onder art. 6 Gw. worden gebracht zou ‘over het doel heenschieten’.
  45. Zie over dit beginsel B.P. Vermeulen, Wie bepaalt de reikwijdte van grondrechten?, in: Nederlands Tijdschrift voor Rechtsfilosofie en Rechtstheorie 1992, p. 16-46, en voor een nadere uitwerking ervan met het oog op de vrijheid van godsdienst: B.C. Labuschagne, Godsdienstvrijheid en niet-gevestigde religies, Groningen 1994. Zie in deze discussie ook Paul Cliteur, ‘Criteria voor juridisch te beschermen godsdienst’, in: Nederlands Juristenblad 2012, nr. 44-45, p. 3090-3096. Zie over religie in relatie tot verschuivende waardepatronen in de samenleving ook Sophie van Bijsterveld, Burger tussen religie, staat en markt, Oratie, Tilburg 2012.
  46. Zo oordeelt de Hoge Raad dat gezien de vrijheid van godsdienst ‘de burgerlijke rechter geen partij mag kiezen in [...] geschillen omtrent geloof en belijdenis en met name ook niet [...] zijn uitspraak omtrent enig rechtspunt afhankelijk mag stellen van zijn oordeel met betrekking tot theologische leerstellingen, omtrent welker juistheid, onjuistheid of gewicht aldaar verdeeldheid bestaat’ (HR 15 februari 1957, NJ 1957, 201). In dezelfde zin Kamerstukken II 1987/88, 19 427, nr. 8, p. 9.
  47. HR 30 maart 1984, AB 1984, 366; NJ 1985, 350.
  48. Hof Arnhem 11 juli 1984, NJ 1985, 536. Zie over de eed, Jurn de Vries ,‘Tijd voor een ruimere eedspraktijk. Laat ieder de eed afleggen volgens eigen godsdienstige gezindheid’, in: Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2012 (3), p. 5-20.
  49. CRvB 17 november 1994, AB 1995, 322.
  50. HR 22 januari 1988, AB 1988, 96; NJ 1988, 891.
  51. Cgb 7 augustus 1995, RV 1995, 100.
  52. HR 31 oktober 1986, NJ 1987, 173.
  53. Deze paragraaf is een geactualiseerde versie van de derde druk.
  54. A.M. Donner, Grondrechten en constitutionele rechten, in: J.F. Glastra van Loon e.a. (red.), Speculum Langemeijer, Zwolle 1973, p. 19.
  55. Kamerstukken II 1985/86, 16 635, nr. 7, p. 6-7.
  56. Rb. Den Haag 28 maart 1997, NJ 1998, 342. Zie over nieuwe religieuze bewegingen en het recht, T.A.M. Witteveen, Overheid en nieuwe religieuze bewegingen, diss. RUG, Den Haag 1984, Kamerstukken II 1983 1984, 16 635, nr. 4; zie recent het onderzoek dat in opdracht van het ministerie van V&J (op verzoek van de Tweede Kamer) is uitgevoerd, Anton van Wijk, Bo Bremmers, Manon Hardeman, Tjaza Appelman, Henk Ferwerda (Bureau Beke), Het warme bad en de koude douche. Een onderzoek naar misstanden in nieuwe religieuze bewegingen en de toereikendheid van het instrumentarium voor recht en zorg, WODC, Ministerie van V&J, 2013.
  57. HR 19 januari 1962, NJ 1962, 107.
  58. Kamerstukken II 1987/88, 19 427, nr. 21, p. 2.
  59. CRvB 25 oktober 1990, TAR 1990, 243; CRvB 17 november 1994, AB 1995, 322.
  60. HMG 23 november 1977, MRT 1978, 155 (sacramenten); Pres. Rb. Arnhem 9 september 1987, KG 1987, 440 (begrafenisrituelen).
  61. Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 3, p. 23 (Nng Ia, p. 23). Ingeval van (te) globale criteria, die nadere invulling door lagere organen vergen, is sprake van verboden delegatie.
  62. Kamerstukken II 1988/89, 19 403, nr. 10, p. 95-101.
  63. CRvB 17 november 1994, AB 1995, 322.
  64. Rb. Den Haag 25 september 1992, KG 1993, 52.
  65. Een initiatiefwetsvoorstel om werknemers de mogelijkheid te geven op grond van gewetensbezwaren te weigeren arbeid te verrichten op zondag of een andere met hun godsdienstige opvattingen samenhangende rustdag (Kamerstukken II 1999/2000, 27 075) werd later weer ingetrokken (Kamerstukken II, 2004-2005, 27 705, nr.4). Buiten de sfeer van de bijzondere rechtsverhoudingen staat de ‘vrije zondag’ onder druk. Zie de in 2013 doorgevoerde wijziging van de Winkeltijdenwet, waardoor het besluiten omtrent de mogelijkheid van zondagsopenstelling van winkels volledig naar de gemeenteraad is gedelegeerd en niet meer aan enig maximumaantal zondagen per jaar is gebonden of moet voldoen aan een nadere clausulering (zoals het beschouwd kunnen worden als toeristisch gebied).
  66. Artikel 108, eerste lid, Gemeentewet en andere bepalingen waarin algemene bevoegdheden zijn geformuleerd zijn in deze zin niet specifiek genoeg en kunnen derhalve in dit verband niet dienen als delegatiebepaling (Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 7, p. 14 (Nng Ia, p. 182)).
  67. Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 3, p. 23-24, 31 en Kamerstukken II 1976/77, 13 872, nr. 7, p. 14 (Nng Ia, p. 23, 24, 31, 182).
  68. Wet van 20 april 1988, Stb. 157.
  69. Kamerstukken II 1985/86, 19 427, nr. 3, p. 17.
  70. HR 3 april 1857, W 1840; evenzo HR 25 april 1856, W 1744.
  71. Kamerstukken II 1985/86, 19 427, nr. 3, p. 6.
  72. AbRvS 27 oktober 1994, Bijlage NJB 2 december 1994, afl. 43, nr. 45.
  73. Deze jurisprudentie is met name te danken aan de nogal luidruchtige Evangeliegemeente De Deur: VzArRvS 16 februari 1989, AB 1990, 9; VzArRvS 17 augustus 1990, AB 1991, 44; ArRvS 15 juli 1991, AB 1992, 27; ArRvS 15 juli 1991, Gst. 6931, 6; ArRvS 16 juni 1993, AB 1994, 424; AbRvS 5 januari 1996, AB 1996, 179.
  74. AbRvS 3 december 1998, AB 2000, 291. Vgl. verder ArRvS 19 juni 1984, AB 1985, 79; alsmede Pres. Rb. Breda 15 januari 1986, KG 1986, 78 en de vergelijkbare beslissing van het Hof Den Bosch 22 december 1989, NJ 1990, 487.
  75. Een witte raaf is de uitspraak van de Pres. Rb. ‘s-Hertogenbosch, 25 juni 1985, KG 1985, 217 (Bedrijfspand als gebedsruimte) waarin de delegatiesystematiek strict werd toegepast. Gedelegeerde regelgeving krachtens de Wet op de ruimtelijke ordening die gebruik van een pand als gebedsruimte niet mogelijk maakte, werd als beperking niet in overeenstemming met de delegatiesystematiek van artikel 6, eerste lid, Gw gezien.
  76. Zie bijvoorbeeld ArRvS 16 juni 1993, AB 1994, 424: de gemeentelijke regeling is als zodanig niet, maar de toepassing ervan in casu wel in strijd met de vrijheid van godsdienst.
  77. Kb 23 september 1986, WORvS 1986, 1.6.
  78. VzArRvS 20 juni 1985, RV 1985, 118; VzArRvS 17 oktober 1985, AB 1986, 288; VzArRvS 16 februari 1989, Gst. 6883, 11, AB 1990, 9, AA 1990, 398; VzArRvS 6 augustus 1991, AB 1992, 53. In de laatste twee uitspraken kwam art. 6 Gw. expliciet aan de orde. Een slordige toetsing aan art. 6, tweede lid, Gw. laat ArRvS 15 juli 1991, AB 1992, 27, Gst. 6931, 6 zien.
  79. ArRvS 20 mei 1988, Gst. 6864, 5; VzArRvS 16 november 1989, AB 1990, 204, Gst. 6903, 7. De rechter beperkte zich overigens tot een belangenafweging zonder zich expliciet op de vrijheid van godsdienst te beroepen.
  80. Kb 3 februari 1990, AB 1990, 235, AA 1990, 835.
  81. Vermeulen 1990, p. 83-85.
  82. HR 9 april 1976, NJ 1976, 409; HR 22 januari 1988, NJ 1988, 891. Zie ook het commentaar op artikel 23 en zijn verdragsrechtelijke equivalenten en de daarop gebaseerde jurisprudentie.
  83. HR 1 juli 1982, NJ 1983, 201.
  84. Rb. Dordrecht 27 juni 1973, NJ 1973, 432; HR 1 juli 1982, NJ 1983, 201.
  85. Hof Leeuwarden 16 maart 1989, NJ 1989, 810. Vooraf gingen Rb. Zwolle 9 oktober 1986, NJ 1987, 524 (strafbaar, maar rechterlijk pardon ex art. 9a Sr.); Hof Arnhem 29 mei 1987, NJ 1987, 816; AB 1988, 275 (vrijspraak); HR 18 oktober 1988, NJ 1989, 476 (vernietiging, verwijzing).
  86. Rb. Den Haag 6 oktober 1998, AB 1999, 150, kwam weliswaar tot een veroordeling; dit vonnis werd in hoger beroep echter vernietigd (Hof Den Haag 9 juni 1999, AB 1999, 328). Zie ook Hof Den Haag 18 november 2002, Zknr.2200359302, vrijspraak, arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de Rb. Rotterdam van 8 april 2002 (El Moumni); zie over beide zaken Sophie van Bijsterveld, Overheid en godsdienst. Herijking van een onderlinge relatie, 2de druk, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2009, hoofdstuk.8. Voorts: G.A. den Hartogh, ‘Een martelaarskroontje voor Van Dijke’, in: Nederlands Juristenblad 1998, p. 2017-2020. Zie over de toepassing van de artikelen 137c, eerste lid, en 137d, eerste lid, Sr. ook het proces-Wilders, Rb. Amsterdam, 23 juni 2011 (Zaaknr.: 13/425046-09).
  87. Zie over de achtergronden van dit artikel, Ben Koolen, ‘Het smalle pad van Jan Donner. De ontstaansgeschiedenis van de Lex Donner 1932’, in: Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2011 (2) 1, p. 72-85. Zie voorts J. Plooy, Strafbare godslastering, s.l. [Amsterdam]: Buijten en Schipperheijn 1986; en B.A.M. van Stokkum, H.J. B. Sackers, J.-P. Wils, Godslastering, discriminerende uitingen wegens godsdienst en haatuitingen: een inventariserende studie (WODC), ’s-Gravenhage: BJu 2007.
  88. Zie over de kerkelijke organisatievrijheid met name S.C. van Bijsterveld, Godsdienstvrijheid in Europees perspectief, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink: Deventer 1998, p. 42-76.
  89. Voor een nadere bepaling hiervan: J.M.M. Maeijer, Rechtspersonen, godsdienst en levensovertuiging, Mededelingen KNAW afd. Letterkunde, Amsterdam 1986, p. 58-59. Een minder vrijheidslievende opvatting huldigt J.W. van Ee, ‘In strijd met de wet’, in: RM Themis 1996, p. 163-179. Zie ook P.T. Pel, Geestelijken in het recht. De rechtspositie van geestelijke functionarissen in het licht van het eigen recht van de kerken en religieuze gemeenschappen in de Nederlandse rechtsorde, Den Haag: BJu 2013.
  90. ArRvS 26 mei 1978, AB 1978, 430.
  91. Codificatie van HR 15 maart 1985, NJ 1986, 191.
  92. In deze richting gaat HR 12 mei 2000, NJB 2000, p. 1112.
  93. Pres. Rb. Groningen 22 november 1995, KG 1996, 18; Pres. Rb. Dordrecht 5 maart 1996, KG 1996, 127.
  94. De consequenties hiervan voor de verhouding organisatie-werknemer/cliënt worden besproken in de paragraaf over horizontale werking.
  95. HR 20 oktober 1995, NJ 1996, 330: de RK Kerk kan op grond van deze bepaling vrouwen uitsluiten van de diakenopleiding.
  96. Zie voor een grondige studie over de rechtspositie van geestelijken, P.T. Pel, Geestelijken in het recht. De rechtspositie van geestelijke functionarissen in het licht van het eigen recht van de kerken en religieuze gemeenschappen in de Nederlandse rechtsorde, Den Haag: BJu 2013.
  97. Zie hierover B.P. Vermeulen, in I.P. Asscher-Vonk/C.A. Groenendijk (red.), Gelijke behandeling: regels en realiteit, Den Haag 1999, p. 168-178 en 187-192.
  98. Waaronder Richtlijn nr.2000/78/EG van de Raad van de Europese Unie van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (PbEG L 303). Voor een verdere toelichting zie Kamerstukken II, 2008-2009, 31 832, nr.1-3.
  99. Wet van 7 november 2011, Stb. 2011, 554. Zie hierover ook het commentaar op artikel 1 Grondwet.
  100. Zie voor de eerste twee zaken (alsmede thuisonderwijs en leerlingenvervoer) de brief van de staatssecretaris van OCW van 12 juli 2013, Kamerstukken II, 2012-2013, 33 400 VIII, nr. 164 (een reactie op het advies van de Onderwijsraad ‘Artikel 23 Grondwet in maatschappelijk perspectief’). Voor de derde zaak, zie het initiatiefvoorstel van wet tot instelling van een acceptatieplicht van leerlingen, Kamerstukken II, 2005-2006, 30 417, (initiatiefvoorstel regeling toelatingsrecht onderwijs). Zie verder het commentaar op artikel 23.
  101. Zie hierover ook paragraaf 2.
  102. Bijv. Cgb. 7 augustus 1995, RV 1995, 100.
  103. Aanh. Hand. II 1984/85, nr. 40.
  104. Uiteraard kan deze vrijheid bij formele wet beperkt worden: Rb. Rotterdam 21 augustus 1995, NJ 1996, 211.
  105. KB 3 februari 1990, AB 1990, 235.
  106. Deze paragraaf stamt uit de tweede druk van het commentaar.
  107. Zie naast de hierna genoemde gevallen Hof Den Haag 30 juni 1978, BNB 1979, 230; VzArRvS 20 juni 1985, RV 1985, 118; VzArRvS 17 oktober 1985, AB 1986, 288; VzArRvS 14 november 1986, Gst. 6836, 7.
  108. CRvB 6 april 1966, AB 1966, 641 (geloofsgemotiveerde weigering röntgenologisch onderzoek) en KB 30 november 1979, AB 1980, 123 (weigering Jehova Getuige/kleuterleidster om aan bepaalde `heidense festiviteiten' deel te nemen).
  109. Lichtere maatregelen zoals de ondertoezichtstelling en de schorsing zijn voldoende om de vereiste medische behandelingen mogelijk te maken. Van deze opvatting getuigt Rb. Dordrecht 27 juni 1973, NJ 1973, 432.
  110. Zie hierover Vermeulen 1989, p. 285 e.v.
  111. Deze paragraaf is overgenomen van de tweede druk.
  112. Art. 9 EVRM is niet `notstandsfest' (art. 15, tweede lid, EVRM).
  113. Deze paragraaf is overgenomen van de tweede druk.
  114. Aldus het kamerlid Roethof in Hand. II 1976 1977, p. 1997 (Nng, Ia, p. 394), en annotator Boon in AB 1991, 44, punt 5. Art. 60 EVRM en art. 5, tweede lid, IVBP spreken dezelfde gedachte uit. In de zaken betreffende de Goerees achtte de rechter art. 6 en 7 Gw. terecht allebei van toepassing.
  115. Soms wordt in dit verband wel gesproken van ‘neutraliteit van de overheid ten aanzien van godsdienst en levensovertuiging’. In de hierboven aangeduide zin is de overheid inderdaad ‘neutraal’. Dit moet echter niet verward worden met ‘waardenneutraliteit’. Zie hierover Sophie van Bijsterveld, Overheid en godsdienst. Een herijking van een onderlinge relatie, 2de druk, Nijmegen: Wolf Publishers, 2009, met name hoofdstuk 9; Zie ook F.T. Oldenhuis, Een neutrale staat: kreet of credo? Heerenveen: Protestantse Pers 2009; zie ook Wibren van der Burg, Het ideaal van de neutrale staat. Inclusieve, exclusieve en compenserende visies op godsdienst en cultuur (oratie EUR), Den Haag: BJu 2009. Zie over ‘neutraliteit’ als norm die het EHRM in dit verband aanlegt, zie Sophie van Bijsterveld, ‘De staat als ‘neutral organiser of religions’? Een analyse van de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens (I), in: Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2013 (4), nr.1, p.44 – 64.
  116. HR 30 mei 1986, NJ 1986, 702.
  117. HR 30 maart 1984, AB 1984, 366; NJ 1985, 350.
  118. Kamerstukken II 1987/88, 19 427, nr. 17.
  119. AgRvS 3 april 1992, 483, AB 1992, 483. Zie verder de Wet van 17 april 1997 tot wijziging van bepalingen van verschillende wetten in verband met de erkenning van de vrijheid van levensovertuiging als grondrecht, Stb. 1997, 192.
  120. ArRvS 1 augustus 1983, AB 1984, 532 en 21 maart 1985, AB 1986, 16. Voor dit onderwijs vindt bekostiging tegenwoordig door de centrale overheid plaats. Een instantie waarin de betrokken partijen vertegenwoordigd worden, ziet toe op de verdeling van de middelen tussen de stromingen.
  121. ArRvS 18 december 1986, AB 1987, 260.
  122. ArRvS 18 maart 1988, AB 1988, 342 en 19 juli 1988, Gst. 6870, 2; VzArRvS 18 februari 1988, AB 1988, 312.
  123. KB 4 december 1984, AB 1985, 163; ArRvS 21 maart 1985, AB 1986, 16; ArRvS 18 november 1985, AB 1986, 293.
  124. KB 2 maart 1984, AB 1984, 288: voor de functie van hoofd van een openbare school mogen op grond van de vereiste levensbeschouwelijke neutraliteit geen voorwaarden gesteld worden met betrekking tot godsdienst of levensovertuiging.
  125. Ook artikel 23 Gw moet hier genoemd worden, met name waar het om de gelijkstelling in financiering van wel en niet op godsdienst of levensovertuiging gebaseerde maatschappelijke organisaties gaat.
  126. Zie ook Sophie van Bijsterveld, Overheid en godsdienst. Herijking van een onderlinge relatie, 2de druk, Nijmegen: Wolf Legal Publishers, met name hoofdstuk 9 en Sophie van Bijsterveld, ‘Scheiding van kerk en staat: een klassieke norm in een moderne tijd’, in: W.B.H.J. van de Donk et.al., (red.), Geloven in het publieke domein. Verkenningen van een dubbele transformative (WRR-Verkenning), Amsterdam: Amsterdam University Press 2006, p. 227-259.
  127. Zie voor een schets, mede in rechtsvergelijkend perspectief, Van Bijsterveld 1998, p. 77 e.v.; voor een actueel overzicht, zie Paul van Sasse van Ysselt, 'Financiële verhoudingen tussen overheid, kerk en religieuze organisaties', in: Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid, 2013 (4), nr.1, p. 65-86.
  128. Zie over ontwikkelingen rond de betekenis van de religieuze of levensbeschouwelijke identiteit van de geestelijke verzorger, Nelleke van Zessen, Ben Koolen, ‘Geestelijke verzorging in de gevangenis’, in: Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2013 (4) 1, p 2013 (4) 1, p. 29-43; en Jurn de Vries, ‘De levensbeschouwelijke identiteit van de ongebonden geestelijk verzorger’, in: Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2013 (4) 3, p.6-15.
  129. Zie Commissie-Hirsch Ballin in haar eindrapport Overheid, godsdienst en levensovertuiging, Den Haag 1988; zie ook Marcel Maussen, Ruimte voor de islam? Stedelijk beleid, voorzieningen, organisaties, Apeldoorn/Antwerpen: Het Spinhuis 2006; en id,, Constructing Mosques. The governance of Islam in France and the Netherlands, diss. Amsterdam (UvA) 2009. Zie ook Wibren van der Burg, Het ideaal van de neutrale staat. Inclusieve, exclusieve en compenserende visies op godsdienst en cultuur (oratie EUR), Den Haag: BJu 2009. Bekend is vooral geworden de casus van de Amsterdamse Westermoskee (mede door de aan de financiele faciliteiten verbonden voorwaarden; zie daarover o.a. Van der Burg (2009); Van Bijsterveld (2008)).
  130. Zie Richard Steenvoorde, ‘In het algemeen belang? Het algemeen nut-criterium in recente wetgeving en jurisprudentie met betrekking tot kerken en religieuze instellingen’, in Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid, 2011 (2) 1, p. 30-42. Richard Steenvoorde, Ernst Hirsch Ballin, ‘Een herleving van de departementen van eredienst?’, in: Sophie van Bijsterveld, Richard Steenvoorde (red.), 200 jaar Koninkrijk: religie, staat en samenleving, Oisterwijk: Wolf Legal Publishers 2013, p. 325-352. Zie Hof Amsterdam (belastingkamer) 17 oktober 2013 (zaaknr. 12/00652), waarin de activiteiten van de Scientology Kerk (Amsterdam) voor toepassing van fiscale wetgeving als ‘ Anbi’ (Algemeen nut beogende instelling) werd aangemerkt‘.
  131. Tweeluik religie en publiek domein. Handvatten voor gemeente, Den Haag: VNG /BZK 2009 (laatst geraadpleegd op 19 december 2013). Zie daarover Pien van den Eijnden, Joyce Overdijk-Francis, in: Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid, 2010 (1), nr.2. p. 5-18.
  132. ArRvS 12 maart 1987, AB 1987, 287; CRvB 14 maart 1991, TAR 1991, 105.
  133. Zie over legitimeringswijzen van financiële steunverlening, Sophie van Bijsterveld, Overheid en godsdienst. Herijking van een onderlinge relatie, 2de druk, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2009, hoofdstuk 5.
  134. Aldus de Commissie-Hirsch Ballin in haar eindrapport Overheid, godsdienst en levensovertuiging, Den Haag 1988, en het instemmende kabinetsstandpunt ter zake: Kamerstukken II 1989/90, 20 868, nr. 2, p. 3.
  135. Aldus o.a. de motie-Wiebenga/Dales, Kamerstukken II 1984/85, 16 102, nr. 99.
  136. Zie hierover onder meer Erik Sengers, ‘Religie en kerk in de zorgzame samenleving. De Wet maatschappelijke ondersteuning kritisch bekeken als nieuwe verhouding van ‘religie’ en ‘samenleving’, in: Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid, 2013 (4), nr.1, p. 16-28; Marja Jager-Vreugdenhil, 'Kerken en de ambitie van de Wet maatschappelijke ondersteuning', in: Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid, 2013 (4), nr.2, p. 79-98; en Wiebe Blauw, 'Kansen voor Utrechtse kerken binnen de Wmo', in: Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid, 2010, (1), nr. 2, p. 63-75.
  137. Deze paragraaf is gebaseerd op de derde druk van het commentaar en op enkele plaatsen aangevuld met toelichtende passages uit de tweede druk.
  138. Hand. II 1976/77, p. 2127 (Nng Ia, p. 427); Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 3, p. 16 (Nng Ia, p. 16).
  139. Voor een omvattende studie over de rechtspositie van geestelijken in het Nederlandse recht, zie P.T. Pel, Geestelijken in het recht. De rechtspositie van geestelijke functionarissen in het licht van het eigen recht van kerken en religieuze gemeenschappen in de Nederlandse rechtsorde, Den Haag, Bju 2013.
  140. HR 23 juli 1946, NJ 1947, 1; ECRM 8 maart 1976, D&R 5, 157; ECRM 8 maart 1985, D&R 42, 247.
  141. De hierna volgende alinea is overgenomen uit de tweede druk.
  142. HR 23 juli 1946, NJ 1947, 1.
  143. HR 15 februari 1957, NJ 1957, 201; HR 15 maart 1985, NJ 1986, 191; Pres.Rb. Amsterdam 21 maart 1985, KG 1985, 104. Dit beginsel van een `interpretatief hands off' is reeds eerder aan de orde gekomen.
  144. HR 23 juli 1946, NJ 1947, 1; ECRM 8 maart 1976, D&R 5, 157; ECRM 8 maart 1985, D&R 42, 247.
  145. Zie voor de werkvloer in het algemeen (dus ook buiten de sfeer van organisaties waarin sprake is van een bijzondere grondslag), F.T. Oldenhuis (red.), Religie op de werkvloer, Heerenveen: Protestantse Pers 2013. HR 9 april 1976, NJ 1976, 409; HR 22 januari 1988, AB 1988, 96; NJ 1988, 891.
  146. HR 9 april 1976, NJ 1976, 409; HR 22 januari 1988, AB 1988, 96; NJ 1988, 891.
  147. Hof Amsterdam 6 september 2011 (200.086.954/01), BR 6764 ; zie in deze zaak ook Rb. Haarlem, 4 april 2011 (zaak/rolnr.: 502067 / VV EXPL 11-29), BQ 0063.
  148. Ktg. Amsterdam 11 februari 1983, AB 1983, 277; Ktg. Zwolle 7 maart 1991, NJCM-Bulletin 1991, 302.
  149. Ktg. Enschede 18 december 1986, Prg. 1987, 2670; Ktg. Maastricht 31 augustus 1988, Prg. 1989, 3188; 350; Cgb 29 april 1999, AB 2000, 71.
  150. De brief van de staatssecretaris van OCW van 12 juli 2013, Kamerstukken II, 2012-2013, 33 400 VIII, nr. 164 (een reactie op het advies van de Onderwijsraad ‘Artikel 23 Grondwet in maatschappelijk perspectief’). Voor de derde zaak, zie het initiatiefvoorstel van wet tot instelling van een acceptatieplicht van leerlingen, Kamerstukken II, 2005-2006, 30 417, (initiatiefvoorstel regeling toelatingsrecht onderwijs). Zie verder het commentaar op artikel 23.
  151. Hof Arnhem 25 oktober 1948, AB 1949, 584; vermoedelijk ook zo Hof Arnhem 24 juni 1958, NJ 1959, 473 en 15 november 1958, NJ 1959, 472.
  152. HR 30 maart 1984, AB 1984, 366, NJ 1985, 350; zie ook Rb. Arnhem 24 december 1987, Prg. 1988, 2895.
  153. Ktg. Alphen aan den Rijn 22 maart 1994, NJCM-Bulletin 1994, p. 569 e.v.; Ktg. Apeldoorn 30 november 1994, Prg. 1995, 4271; Cgb 7 augustus 1995, RV 1995, 100.
  154. HR 5 juni 1987, AB 1988, 276; NJ 1988, 702; HR 2 februari 1990, NJ 1991, 289.
  155. Het bovenstaande betreft de inhoud. Anders ligt dit wat betreft de vorm: zie B.P Vermeulen, De Goerees en de kardinaal, ofwel: vrijheid van godsdienst versus discriminatieverbod, in: L. Heyde e.a. (red.), Begrensde vrijheid (Scheltensbundel), Zwolle 1989, p. 272-273.
  156. Ktg. Gorinchem 8 november 1982, NJ 1983, 383.
  157. HR 1 juli 1982, NJ 1983, 201.
  158. Aldus kamerlid Van der Burg, UCV 1985 1968, nr. 67, p. 3.
  159. Witteveen 1984, p. 266 e.v. Evenzo minister Korthals Altes in UCV 1985 1986, nr. 67, p. 22 23. Helaas liet de grondwetgever zich over deze kwestie nauwelijks uit, zie Kamerstukken II 1975 1976, 13 872, nr. 3, p. 11 (Nng, Ia, p. 11).
  160. Witteveen 1984, p. 228 e.v., en met name p. 231.
  161. B.G. Tahzib, Freedom of Religion or Belief, Den Haag 1995; B.P. Vermeulen, Article 9, in: Van Dijk/Van Hoof 1998, p. 541-557. Voor meer recente analyses van de rechtspraak van het EHRM over artikel 9 EVRM, zie Carolyn Evans, Freedom of Religion under the European Convention on Human Rights, Oxford: Oxford University Press; Ian Leigh, Rex Ahdar, ‘Post-Secularism and the European Court of Human Rights: Or How God Never Really Went Away’, in: The Modern Law Review 2012, p.1064-1098;Ian Leigh, ‘New Trends in Religious Liberty and the European Court of Human Rights, in: Ecclesiastical Law Journal, 2012, p. 266-279.
  162. De navolgende voorbeelden van toepassing van artikel 9 EVRM door de Nederlandse rechter zijn overgenomen uit de tweede druk.
  163. HR 13 april 1960, NJ 1960, 436 (AOW); HR 21 februari 1984, DD 1984, 285 (bezwaren tegen het dragen van een helm). Zie ook HR 13 maart 1963, AB 1963, 610, waarin verworpen werd de stelling dat ware godsdienstvrijheid slechts bestaat waar geloofsinhouden kunnen worden gerealiseerd, zelfs tegen de wetgeving in.
  164. HR 13 april 1960, NJ 1960, 436 (AOW); ArRvS 7 april 1983, AB 1983, 430 (pensioen).
  165. Pres. Rb. Maastricht 12 september 1974, Yb 17, 672.
  166. Rb. Amsterdam 3 oktober 1974, NJ 1977, 88 en HMG 23 november 1977, MRT 1978, 155 (militaire dienst); HR 30 mei 1967, NJ 1968, 64 (noodwacht).
  167. HR 4 november 1969, NJ 1970, 127.
  168. ArRvS 20 januari 1983, AB 1983, 389 en 13 mei 1985, WORvS 1985, no. 2.93.
  169. HR 19 januari 1962, NJ 1962, 107.
  170. HR 25 juni 1963, NJ 1964, 239.
  171. HR 16 januari 1968, NJ 1969, 2.
  172. Kb 14 november 1968, AB 1969, 123.
  173. HR 22 juni 1971, NJ 1972, 31.
  174. Kb 30 juni 1975, AB 1976, 132; ArRvS 30 november 1978, Yb 22, 557.
  175. HR 8 november 1977, NJ 1978, 117.
  176. Terecht, gezien de tekst van art. 94 Gw. die spreekt over de `toepassing' van wettelijke voorschriften, en gezien het ter zake gestelde bij de grondwetsherziening (Kamerstukken II 1979 1980, 15 049, nr. 7, p. 19 (Nng, Vb, p. 77)).
  177. Hof Amsterdam 24 februari 2012 (zaaknr. 23-001916-09). Ayahuasca-thee heeft overigens meer uitspraken opgeleverd. Ook van de Hoge Raad die een een cassatieberoep afwees in een geval inzake Ayahuasca-thee waarin een beroep op artikel 9 EVRM niet slaagde: HR 9 januari 2007 (AZ2497).
  178. Zie hierover Sophie van Bijsterveld, ‘Koninkrijk in verandering. De EU als inspiratie voor een moderne verhouding tussen staat en religie’, in: Sophie van Bijsterveld, Richard Steenvoorde (red.), 200 jaar Koninkrijk: religie, staat en samenleving, Oisterwijk: Wolf Legal Publishers 2013, p. 377- 401.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    S.C. van Bijsterveld en B.P. Vermeulen, Commentaar op artikel 6 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2017 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging

De vrijheid om een geloof of levensovertuiging te belijden en daaraan publiekelijk uiting te geven omvat het recht om een religieuze of levensbeschouwelijke overtuiging te koesteren, om eigen organisaties op te richten, om bijeenkomsten te organiseren, zowel in huiselijke kring als in het openbaar, en zich naar die overtuiging te gedragen, zoals het met symbolen of kleding uiting geven aan de betreffende overtuiging.
 
De vrijheid van godsdienst en levensovertuiging heeft in de Europese geschiedenis na lange periodes van vervolging en godsdienstoorlogen stap voor stap grondwettelijke erkenning gekregen. Maar nog altijd geeft de geloofsvrijheid aanleiding tot principiële en soms emotionele debatten. Religieuze vrijheden geven mensen immers de ruimte om diep gewortelde overtuigingen te uiten, die kunnen botsen met de leefwereld die hen omringt. Regelmatig leveren religieus geïnspireerde opvattingen over ethische en morele kwesties spanning op met de rechten en vrijheden van anderen, bijvoorbeeld bij vragen over het homohuwelijk, abortus, genetisch onderzoek of de zondagsrust.
 
In samenhang met het gelijkheidsbeginsel betekent religieuze vrijheid dat kerk en staat gescheiden dienen te zijn. Er is geen officiële staatsgodsdienst en alle religieuze en levensbeschouwelijke overtuigingen worden door de overheid op gelijke voet behandeld. Een lastige vraag blijft wel wie bepaalt wanneer er sprake is van een religie of levensovertuiging, dan wel van een ander soort groepering of vereniging – denk bijvoorbeeld aan de Scientology-beweging. De overheid dient terughoudend te zijn met oordelen op dat vlak.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging

Evangeliegemeente De Deur

http://www.njcm.nl/site/jurisprudentie/show/54

VZARRvS 16-02-1989
De uitoefening van een grondrecht betekent niet dat daarmee strijdige bepalingen uit een betemmingsplan hun werking verliezen, omdat dit plan niet tot gevolg heeft dat de (kerkelijke) activiteiten nergens in het plangebied mogelijk zijn. 

Pichon en Sajous vs Frankrijk

EHRM 2 oktober 2001
Twee gezamelijke eigenaren van een apotheek mogen de verschafffing van voorgeschreven anticonceptiemiddelen niet weigeren op basis van hun vrijheid van religie. Dit recht streekt zich niet uit tot alle handelingen.

Recente rechtspraak

Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging

"SGP-arrest"

HR 9-04-2010
Vrouwen konden zich binnen de SGP niet verkiesbaar stellen. De Hoge Raad behandelde de vraag of de Nederlandse Staat door dit te gedogen in strijd handelde met (o.a.) het VN-vrouwenverdrag. De SGP deed een beroep op vrijheid van godsdienst. 

EHRM 10-07-2012
De SGP stapte naar het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, maar werd niet ontvankelijk verklaard in zijn klacht.

Zie de website van het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten (een van de procespartijen) voor een samenvatting van de zaak:
Hoge Raad
EHRM
 
Politiek

Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging

Artikel Trouw over weigerambtenaar

Overzicht wetsvoorstel verplichte bedwelming bij ritueel slachten
Video
Blogs
IN DE WERELD
Video

Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging

  • Barbara Oomen over 'freedom of worship'
  • Why freedom of religion is so important
  • Boerkaverbod
  • Job Cohen over vrijheid van religie
  • Discussie over vrijheid van religie
  • Rapportage over SGP-vrouwen
  • NIEUWE FILM
  • NIEUWE FILM
Barbara Oomen over 'freedom of worship'
Blogs

Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging

In dit artikel een interessant perspectief van Prof.Berger op de verhouding tussen religie en democratie in Nederland en het Midden-Oosten.

In de wereld

Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging

Menno R. Kamminga
Eindtijd van de godsdienstvrijheid?: bedreiging in praktijk en theorie

Dossier Nederlands Dagblad godsdienstvrijheid buitenland