CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • G. Leenknegt
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • A.A.L. Beers en K.T. Meijer
  • B.C. van Beers
  • B.M.J. van der Meulen
  • B.P. Vermeulen
  • B.W.N. de Waard
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • E.J. Janse de Jonge
  • E.J. Koops
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • F. Fleurke
  • F.C.M.A. Michiels
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx en A.C.M. Meuwese
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard en J. Uzman
  • G. Leenknegt
  • G. Overkleeft-Verburg
  • G. van der Schyff en B.M.J. van der Meulen
  • J. Kiewiet en G.F.M. van der Tang †
  • J. Uzman
  • J. Uzman en G. Boogaard
  • J.C.A. de Poorter
  • J.L.M. Gribnau en M.R.T Pauwels
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • J.W.A. Fleuren
  • K.T. Meijer
  • M. Adams
  • Mijke Houwerzijl & Nuna Zekic
  • Mijke Houwerzijl en Frank Vlemminx
  • P. Jacobs
  • S. Daniëls
  • S. Jellinghaus en E. Huisman
  • S.C. van Bijsterveld
  • S.C. van Bijsterveld en B.P. Vermeulen
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • T. Kooijmans
  • T. Peters
  • W. van der Woude
  • W.J.M. Voermans
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

HOOFDSTUK 1

Grondrechten

INLEIDING

Artikel 1 - Gelijke behandeling

Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Artikel 2 - Nederlandschap en vreemdelingen

  1. De wet regelt wie Nederlander is.
  2. De wet regelt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen.
  3. Uitlevering kan slechts geschieden krachtens verdrag. Verdere voorschriften omtrent uitlevering worden bij de wet gegeven.
  4. Ieder heeft het recht het land te verlaten, behoudens in de gevallen, bij de wet bepaald.

Artikel 3 - Gelijke benoembaarheid

Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.

Artikel 4 - Kiesrecht

Iedere Nederlander heeft gelijkelijk recht de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen alsmede tot lid van deze organen te worden verkozen, behoudens bij de wet gestelde beperkingen en uitzonderingen.

Artikel 5 - Petitierecht

Ieder heeft het recht verzoeken schriftelijk bij het bevoegd gezag in te dienen.

Artikel 6 - Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging

  1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 7 - Vrijheid van meningsuiting

  1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- of televisieuitzending.
  3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar regelen ter bescherming van de goede zeden.
  4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.

Artikel 8 - Recht tot vereniging

Het recht tot vereniging wordt erkend. Bij de wet kan dit recht worden beperkt in het belang van de openbare orde.

Artikel 9 - Recht tot vergadering en betoging

  1. Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 10 - Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer

  1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.
  2. De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens.
  3. De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.

Artikel 11 - Onaantastbaarheid van het lichaam

Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.

Artikel 12 - Binnentreden woning

  1. Het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen.
  2. Voor het binnentreden overeenkomstig het eerste lid zijn voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden vereist, behoudens bij de wet gestelde uitzonderingen.
  3. Aan de bewoner wordt zo spoedig mogelijk een schriftelijk verslag van het binnentreden verstrekt. Indien het binnentreden in het belang van de nationale veiligheid of dat van de strafvordering heeft plaatsgevonden, kan volgens bij de wet te stellen regels de verstrekking van het verslag worden uitgesteld. In de bij de wet te bepalen gevallen kan de verstrekking achterwege worden gelaten, indien het belang van de nationale veiligheid zich tegen verstrekking blijvend verzet.

Artikel 13 - Vertrouwelijke communicatie

  1. Het briefgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, op last van de rechter.
  2. Het telefoon- en telegraafgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, door of met machtiging van hen die daartoe bij de wet zijn aangewezen.

Artikel 14 - Onteigening

  1. Onteigening kan alleen geschieden in het algemeen belang en tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander naar bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.
  2. De schadeloosstelling behoeft niet vooraf verzekerd te zijn, wanneer in geval van nood onverwijld onteigening geboden is.
  3. In de gevallen bij of krachtens de wet bepaald bestaat recht op schadeloosstelling of tegemoetkoming in de schade, indien in het algemeen belang eigendom door het bevoegd gezag wordt vernietigd of onbruikbaar gemaakt of de uitoefening van het eigendomsrecht wordt beperkt.

Artikel 15 - Vrijheidsontneming

  1. Buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen.
  2. Hij aan wie anders dan op rechterlijk bevel zijn vrijheid is ontnomen, kan aan de rechter zijn invrijheidstelling verzoeken. Hij wordt in dat geval door de rechter gehoord binnen een bij de wet te bepalen termijn. De rechter gelast de onmiddellijke invrijheidstelling, indien hij de vrijheidsontneming onrechtmatig oordeelt.
  3. De berechting van hem aan wie met het oog daarop zijn vrijheid is ontnomen, vindt binnen een redelijke termijn plaats.
  4. Hij aan wie rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, kan worden beperkt in de uitoefening van grondrechten voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt.

Artikel 16 - Nulla poena

Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.

Artikel 17 - Wettelijk toegekende rechter

Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent.

Artikel 18 - Rechtsbijstand

  1. Ieder kan zich in rechte en in administratief beroep doen bijstaan.
  2. De wet stelt regels omtrent het verlenen van rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen.

Artikel 19 - Werkgelegenheid en arbeidskeuze

  1. Bevordering van voldoende werkgelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de rechtspositie van hen die arbeid verrichten en omtrent hun bescherming daarbij, alsmede omtrent medezeggenschap.
  3. Het recht van iedere Nederlander op vrije keuze van arbeid wordt erkend, behoudens de beperkingen bij of krachtens de wet gesteld.

Artikel 20 - Bestaanszekerheid

  1. De bestaanszekerheid der bevolking en spreiding van welvaart zijn voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de aanspraken op sociale zekerheid.
  3. Nederlanders hier te lande, die niet in het bestaan kunnen voorzien, hebben een bij de wet te regelen recht op bijstand van overheidswege.

Artikel 21 - Milieubescherming

De zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu.

Artikel 22 - Volksgezondheid en woongelegenheid

  1. De overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid.
  2. Bevordering van voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  3. Zij schept voorwaarden voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding.

Artikel 23 - Onderwijs

  1. Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.
  2. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.
  3. Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld.
  4. In elke gemeente wordt van overheidswege voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal openbare scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven, al dan niet in een openbare school.
  5. De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.
  6. Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.
  7. Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.
  8. De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten-Generaal.
HOOFDSTUK 2

Regering INLEIDING

Artikel 24 - Koningschap

Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau.

Artikel 25 - Erfopvolging

Het koningschap gaat bij overlijden van de Koning krachtens erfopvolging over op zijn wettige nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft, met plaatsvervulling volgens dezelfde regel. Bij gebreke van eigen nakomelingen gaat het koningschap op gelijke wijze over op de wettige nakomelingen eerst van zijn ouder, dan van zijn grootouder, in de lijn van erfopvolging, voor zover de overleden Koning niet verder bestaand dan in de derde graad van bloedverwantschap.

Artikel 26 - Status ongeboren kind Koning

Het kind, waarvan een vrouw zwanger is op het ogenblik van het overlijden van de Koning, wordt voor de erfopvolging als reeds geboren aangemerkt. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

Artikel 27 - Afstand koningschap

Afstand van het koningschap leidt tot erfopvolging overeenkomstig de regels in de voorgaande artikelen gesteld. Na de afstand geboren kinderen en hun nakomelingen zijn van de erfopvolging uitgesloten.

Artikel 28 - Afstand koningschap door huwelijk

  1. De Koning, een huwelijk aangaande buiten bij de wet verleende toestemming, doet daardoor afstand van het koningschap.
  2. Gaat iemand die het koningschap van de Koning kan beërven een zodanig huwelijk aan, dan is hij met de uit dit huwelijk geboren kinderen en hun nakomelingen van de erfopvolging uitgesloten.
  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake van een voorstel van wet, strekkende tot het verlenen van toestemming, in verenigde vergadering.

Artikel 29 - Uitsluiting troonopvolging

  1. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden daartoe nopen, kunnen bij een wet een of meer personen van de erfopvolging worden uitgesloten.

  2. Het voorstel daartoe wordt door of vanwege de Koning ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 30 - Benoemde Koning

  1. Wanneer vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal ontbreken, kan deze worden benoemd bij een wet. Het voorstel wordt door of vanwege de Koning ingediend. Na de indiening van het voorstel worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  2. Indien bij overlijden van de Koning of bij afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt, worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers komen binnen vier maanden na het overlijden of de afstand in verenigde vergadering bijeen ten einde te besluiten omtrent de benoeming van een Koning. Zij kunnen een opvolger alleen benoemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 31 - Erfopvolging benoemde koning

  1. Een benoemde Koning kan krachtens erfopvolging alleen worden opgevolgd door zijn wettige nakomelingen.

  2. De bepalingen omtrent de erfopvolging en het eerste lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op een benoemde opvolger, zolang deze nog geen Koning is.

Artikel 32 - Inhuldiging Koning

Nadat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen, wordt hij zodra mogelijk beëdigd en ingehuldigd in de hoofdstad Amsterdam in een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Hij zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt. De wet stelt nadere regels vast.

Artikel 33 - Koningschap en meerderjarigheid

De Koning oefent het koninklijk gezag eerst uit, nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

Artikel 34 - Ouderlijk gezag minderjarige Koning

De wet regelt het ouderlijk gezag en de voogdij over de minderjarige Koning en het toezicht daarop. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 35 - Buiten staat verklaring

  1. Wanneer de ministerraad van oordeel is dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, bericht hij dit onder overlegging van het daartoe gevraagde advies van de Raad van State aan de Staten-Generaal, die daarop in verenigde vergadering bijeenkomen.

  2. Delen de Staten-Generaal dit oordeel, dan verklaren zij dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen. Deze verklaring wordt bekend gemaakt op last van de voorzitter der vergadering en treedt terstond in werking.

  3. Zodra de Koning weer in staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, wordt dit bij de wet verklaard. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Terstond na de bekendmaking van deze wet hervat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag.

  4. De wet regelt zo nodig het toezicht over de persoon van de Koning indien hij buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 36 - Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag

De Koning kan de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk neerleggen en die uitoefening hervatten krachtens een wet, waarvan het voorstel door of vanwege hem wordt ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 37 - Uitoefening koninklijk gezag door regent

  1. Het koninklijk gezag wordt uitgeoefend door een regent:
    a. zolang de Koning de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt;
    b. indien een nog niet geboren kind tot het koningschap geroepen kan zijn;
    c. indien de Koning buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen;
    d. indien de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk heeft neergelegd;
    e. zolang na het overlijden van de Koning of na diens afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt.

  2. De regent wordt benoemd bij de wet. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  3. In de gevallen, genoemd in het eerste lid onder c en d, is de nakomeling van de Koning die zijn vermoedelijke opvolger is, van rechtswege regent indien hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

  4. De regent zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt, in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal. De wet geeft nadere regels omtrent het regentschap en kan voorzien in de opvolging en de vervanging daarin. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  5. Op de regent zijn de artikelen 35 en 36 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38 - Uitoefening koninklijk gezag door RvS

Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk gezag is voorzien, wordt dit uitgeoefend door de Raad van State.

Artikel 39 - Lidmaatschap koninklijk huis

De wet regelt, wie lid is van het koninklijk huis.

Artikel 40 - Uitkering koninklijk huis

  1. De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het Rijk uitkeringen naar regels bij de wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het koninklijk huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen.

  2. De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, zijn vrij van persoonlijke belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of zijn vermoedelijke opvolger krachtens erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van het koninklijk huis vrij van de rechten van successie, overgang en schenking. Verdere vrijdom van belasting kan bij de wet worden verleend.

  3. De kamers der Staten-Generaal kunnen voorstellen van in de vorige leden bedoelde wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 41 - Inrichting huis Koning

De Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis in.

Artikel 42 - Ministeriële verantwoordelijkheid

  1. De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.

  2. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.

Artikel 43 - Regering en ministers

De minister-president en de overige ministers worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.

Artikel 44 - Ministeries

  1. Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.

  2. Ook kunnen ministers worden benoemd die niet belast zijn met de leiding van een ministerie.

Artikel 45 - Ministerraad

  1. De ministers vormen te zamen de ministerraad.

  2. De minister-president is voorzitter van de ministerraad.

  3. De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid.

Artikel 46 - Staatssecretarissen

  1. Bij koninklijk besluit kunnen staatssecretarissen worden benoemd en ontslagen.

  2. Een staatssecretaris treedt in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister.

Artikel 47 - Ondertekening en contraseign

Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.

Artikel 48 - Ontslag en benoeming ministers

Het koninklijk besluit waarbij de minister-president wordt benoemd, wordt mede door hem ondertekend. De koninklijke besluiten waarbij de overige ministers en de staatssecretarissen worden benoemd of ontslagen, worden mede door de minister-president ondertekend.

Artikel 49 - Ambtseed minister en staatssecretaris

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de ministers en de staatssecretarissen bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.
HOOFDSTUK 3

Staten-Generaal INLEIDING

Artikel 50 - Vertegenwoordiging

De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk.

Artikel 51 - Eerste en Tweede Kamer

  1. De Staten-Generaal bestaan uit de Tweede Kamer en de Eerste Kamer.

  2. De Tweede Kamer bestaat uit honderdvijftig leden.

  3. De Eerste Kamer bestaat uit vijfenzeventig leden.

  4. Bij een verenigde vergadering worden de kamers als één beschouwd.

Artikel 52 - Zittingsduur

  1. De zittingsduur van beide kamers is vier jaren.
  2. Indien voor de provinciale staten bij de wet een andere zittingsduur dan vier jaren wordt vastgesteld, wordt daarbij de zittingsduur van de Eerste Kamer in overeenkomstige zin gewijzigd.

Artikel 53 - Evenredige vertegenwoordiging

  1. De leden van beide kamers worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  2. De verkiezingen worden gehouden bij geheime stemming.

Artikel 54 - Verkiezing Tweede Kamer

  1. De leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen ten aanzien van Nederlanders die geen ingezetenen zijn.

  2. Van het kiesrecht is uitgesloten hij die wegens het begaan van een daartoe bij de wet aangewezen delict bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste een jaar en hierbij tevens is ontzet van het kiesrecht.

Artikel 55 - Verkiezing Eerste Kamer

De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten. De verkiezing wordt, behoudens in geval van ontbinding der kamer, gehouden binnen drie maanden na de verkiezing van de leden van provinciale staten.

Artikel 56 - Vereisten voor lidmaatschap

Om lid van de Staten-Generaal te kunnen zijn is vereist dat men Nederlander is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.

Artikel 57 - Incompatibiliteiten

  1. Niemand kan lid van beide kamers zijn.

  2. Een lid van de Staten-Generaal kan niet tevens zijn minister, staatssecretaris, lid van de Raad van State, lid van de Algemene Rekenkamer, Nationale ombudsman of substituut-ombudsman, of lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij de Hoge Raad.

  3. Niettemin kan een minister of staatssecretaris, die zijn ambt ter beschikking heeft gesteld, dit ambt verenigen met het lidmaatschap van de Staten-Generaal, totdat omtrent die beschikbaarstelling is beslist.

  4. De wet kan ten aanzien van andere openbare betrekkingen bepalen dat zij niet gelijktijdig met het lidmaatschap van de Staten-Generaal of van een der kamers kunnen worden uitgeoefend.

Artikel 57a - Zwangerschap en ziekte

De wet regelt de tijdelijke vervanging van een lid van de Staten-Generaal wegens zwangerschap en bevalling, alsmede wegens ziekte.

Artikel 58 - Geloofsbrieven

Elke kamer onderzoekt de geloofsbrieven van haar nieuwbenoemde leden en beslist met inachtneming van bij de wet te stellen regels de geschillen welke met betrekking tot de geloofsbrieven of de verkiezing zelf rijzen.

Artikel 59 - Kiesrecht en verkiezingen

Alles, wat verder het kiesrecht en de verkiezingen betreft, wordt bij de wet geregeld.

Artikel 60 - Ambtsaanvaarding

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de leden van de kamers bij de aanvaarding van hun ambt in de vergadering een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

Artikel 61 - Voorzitter en griffier

  1. Elk der kamers benoemt uit de leden een voorzitter.

  2. Elk der kamers benoemt een griffier. Deze en de overige ambtenaren van de kamers kunnen niet tevens lid van de Staten-Generaal zijn.

Artikel 62 - Verenigde vergadering

De voorzitter van de Eerste Kamer heeft de leiding van de verenigde vergadering.

Artikel 63 - Geldelijke voorzieningen

Geldelijke voorzieningen ten behoeve van leden en gewezen leden van de Staten-Generaal en van hun nabestaanden worden bij de wet geregeld. De kamers kunnen een voorstel van wet ter zake alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 64 - Ontbinding Kamers

  1. Elk der kamers kan bij koninklijk besluit worden ontbonden.

  2. Het besluit tot ontbinding houdt tevens de last in tot een nieuwe verkiezing voor de ontbonden kamer en tot het samenkomen van de nieuw gekozen kamer binnen drie maanden.

  3. De ontbinding gaat in op de dag waarop de nieuw gekozen kamer samenkomt.

  4. De wet stelt de zittingsduur van een na ontbinding optredende Tweede Kamer vast; de termijn mag niet langer zijn dan vijf jaren. De zittingsduur van een na ontbinding optredende Eerste Kamer eindigt op het tijdstip waarop de zittingsduur van de ontbonden kamer zou zijn geëindigd.

Artikel 65 - Troonrede

Jaarlijks op de derde dinsdag van september of op een bij de wet te bepalen eerder tijdstip wordt door of namens de Koning in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal een uiteenzetting van het door de regering te voeren beleid gegeven.

Artikel 66 - Openbaarheid vergaderingen

  1. De vergaderingen van de Staten-Generaal zijn openbaar.

  2. De deuren worden gesloten, wanneer een tiende deel van het aantal aanwezige leden het vordert of de voorzitter het nodig oordeelt.

  3. Door de kamer, onderscheidenlijk de kamers in verenigde vergadering, wordt vervolgens beslist of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd en besloten.

Artikel 67 - Quorum

  1. De kamers mogen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering alleen beraadslagen of besluiten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden ter vergadering aanwezig is.

  2. Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen.

  3. De leden stemmen zonder last.

  4. Over zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, wanneer één lid dit verlangt.

Artikel 68 - Inlichtingenplicht bewindslieden

De ministers en de staatssecretarissen geven de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat.

Artikel 69 - Aanwezigheid bewindslieden

  1. De ministers en de staatssecretarissen hebben toegang tot de vergaderingen en kunnen aan de beraadslaging deelnemen.

  2. Zij kunnen door de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn.

  3. Zij kunnen zich in de vergaderingen doen bijstaan door de personen, daartoe door hen aangewezen.

Artikel 70 - Recht van enquête

Beide kamers hebben, zowel ieder afzonderlijk als in verenigde vergadering, het recht van onderzoek (enquête), te regelen bij de wet.

Artikel 71 - Parlementaire onschendbaarheid

De leden van de Staten-Generaal, de ministers, de staatssecretarissen en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging, kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergaderingen van de Staten-Generaal of van commissies daaruit hebben gezegd of aan deze schriftelijk hebben overgelegd.

Artikel 72 - Reglement van orde

De kamers stellen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering een reglement van orde vast.

HOOFDSTUK 4

Adviesorganen INLEIDING

Artikel 73 - Taak Raad van State

  1. De Raad van State of een afdeling van de Raad wordt gehoord over voorstellen van wet en ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur, alsmede over voorstellen tot goedkeuring van verdragen door de Staten-Generaal. In bij de wet te bepalen gevallen kan het horen achterwege blijven.

  2. De Raad of een afdeling van de Raad is belast met het onderzoek van de geschillen van bestuur die bij koninklijk besluit worden beslist en draagt de uitspraak voor.

  3. De wet kan aan de Raad of een afdeling van de Raad de uitspraak in geschillen van bestuur opdragen.

Artikel 74 - Rechtspositie leden

  1. De Koning is voorzitter van de Raad van State. De vermoedelijke opvolger van de Koning heeft na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar van rechtswege zitting in de Raad. Bij of krachtens de wet kan aan andere leden van het koninklijk huis zitting in de Raad worden verleend.

  2. De leden van de Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  3. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  4. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Raad worden geschorst of ontslagen.

  5. De wet regelt overigens hun rechtspositie

Artikel 75 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Raad van State.

  2. Bij de wet kunnen aan de Raad of een afdeling van de Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 76 - Algemene rekenkamer

De Algemene Rekenkamer is belast met het onderzoek van de ontvangsten en uitgaven van het Rijk.

Artikel 77 - Rechtpositie leden rekenkamer

  1. De leden van de Algemene Rekenkamer worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Hoge Raad worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 78 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Algemene Rekenkamer.

  2. Bij de wet kunnen aan de Algemene Rekenkamer ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 78a - Nationale ombudsman

  1. De Nationale ombudsman verricht op verzoek of uit eigen beweging onderzoek naar gedragingen van bestuursorganen van het Rijk en van andere bij of krachtens de wet aangewezen bestuursorganen.
  2. De Nationale ombudsman en een substituut-ombudsman worden voor een bij de wet te bepalen termijn benoemd door de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Tweede Kamer der Staten-Generaal worden geschorst of ontslagen. De wet regelt overigens hun rechtspositie.
  3. De wet regelt de bevoegdheid en werkwijze van de Nationale ombudsman.
  4. Bij of krachtens de wet kunnen aan de Nationale ombudsman ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 79 - Vaste colleges van advies

  1. Vaste colleges van advies in zaken van wetgeving en bestuur van het Rijk worden ingesteld bij of krachtens de wet.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van deze colleges.

  3. Bij of krachtens de wet kunnen aan deze colleges ook andere dan adviserende taken worden opgedragen.

Artikel 80 - Openbaarmaking advies

  1. De adviezen van de in dit hoofdstuk bedoelde colleges worden openbaar gemaakt volgens regels bij de wet te stellen.

  2. Adviezen, uitgebracht ter zake van voorstellen van wet die door of vanwege de Koning worden ingediend, worden, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen, aan de Staten-Generaal overgelegd.

HOOFDSTUK 5

Wetgeving en bestuur INLEIDING

Artikel 81 - Wetgevende macht

De vaststelling van wetten geschiedt door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk.

Artikel 82 - Indienen wetsvoorstel

  1. Voorstellen van wet kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Voorstellen van wet waarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en, voor zover de betreffende artikelen van hoofdstuk 2 dit toelaten, door de verenigde vergadering.

  3. Voorstellen van wet, in te dienen door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering, worden bij haar door een of meer leden aanhangig gemaakt.

Artikel 83 - Toezending wetsvoorstel TK

Voorstellen van wet, ingediend door of vanwege de Koning, worden gezonden aan de Tweede Kamer of, indien daarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, aan deze vergadering.

Artikel 84 - Wijziging wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet, ingediend door of vanwege de Koning, niet door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering is aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en vanwege de regering worden gewijzigd.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden gewijzigd.

Artikel 85 - Toezending wetsvoorstel EK

Zodra de Tweede Kamer een voorstel van wet heeft aangenomen of tot indiening van een voorstel heeft besloten, zendt zij het aan de Eerste Kamer, die het voorstel overweegt zoals het door de Tweede Kamer aan haar is gezonden. De Tweede Kamer kan een of meer van haar leden opdragen een door haar ingediend voorstel in de Eerste Kamer te verdedigen.

Artikel 86 - Intrekking wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet niet door de Staten-Generaal is aangenomen, kan het door of vanwege de indiener worden ingetrokken.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden ingetrokken.

Artikel 87 - Aanneming en bekrachtiging

  1. Een voorstel wordt wet, zodra het door de Staten-Generaal is aangenomen en door de Koning is bekrachtigd.

  2. De Koning en de Staten-Generaal geven elkaar kennis van hun besluit omtrent enig voorstel van wet.

Artikel 88 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de wetten. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 89 - Algemene maatregel van bestuur

  1. Algemene maatregelen van bestuur worden bij koninklijk besluit vastgesteld.

  2. Voorschriften, door straffen te handhaven, worden daarin alleen gegeven krachtens de wet. De wet bepaalt de op te leggen straffen.

  3. De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de algemene maatregelen van bestuur. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

  4. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op andere vanwege het Rijk vastgestelde algemeen verbindende voorschriften.

Artikel 90 - Bevordering internationale rechtsorde

De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde.

Artikel 91 - Goedkeuring verdrag

  1. Het Koninkrijk wordt niet aan verdragen gebonden en deze worden niet opgezegd zonder voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. De wet bepaalt de gevallen waarin geen goedkeuring is vereist.

  2. De wet bepaalt de wijze waarop de goedkeuring wordt verleend en kan voorzien in stilzwijgende goedkeuring.

  3. Indien een verdrag bepalingen bevat welke afwijken van de Grondwet dan wel tot zodanig afwijken noodzaken, kunnen de kamers de goedkeuring alleen verlenen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 92 - Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties

Met inachtneming, zo nodig, van het bepaalde in artikel 91, derde lid, kunnen bij of krachtens verdrag aan volkenrechtelijke organisaties bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak worden opgedragen.

Artikel 93 - Verbindende kracht verdrag

Bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 94 - Verdrag boven wet

Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 95 - Bekendmaking verdrag

De wet geeft regels omtrent de bekendmaking van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 96 - Oorlogsverklaring

  1. Het Koninkrijk wordt niet in oorlog verklaard dan na voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal.

  2. De toestemming is niet vereist, wanneer het overleg met de Staten-Generaal ten gevolge van een feitelijk bestaande oorlogstoestand niet mogelijk is gebleken.

  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  4. Het bepaalde in het eerste en het derde lid is van overeenkomstige toepassing voor een verklaring dat een oorlog beëindigd is.

Artikel 97 - Krijgsmacht

  1. Ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk, alsmede ten behoeve van de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde, is er een krijgsmacht.

  2. De regering heeft het oppergezag over de krijgsmacht.

Artikel 98 - Samenstelling krijgsmacht

  1. De krijgsmacht bestaat uit vrijwillig dienenden en kan mede bestaan uit dienstplichtigen.

  2. De wet regelt de verplichte militaire dienst en de bevoegdheid tot opschorting van de oproeping in werkelijke dienst.

Artikel 99 - Gewetensbezwaren militaire dienst

De wet regelt vrijstelling van militaire dienst wegens ernstige gewetensbezwaren.

Artikel 99a - Civiele verdediging

Volgens bij de wet te stellen regels kunnen plichten worden opgelegd ten behoeve van de civiele verdediging.

Artikel 100 - Inlichtingen over krijgsmacht

  1. De regering verstrekt de Staten-Generaal vooraf inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. Daaronder is begrepen het vooraf verstrekken van inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht voor humanitaire hulpverlening in geval van gewapend conflict.

  2. Het eerste lid geldt niet, indien dwingende redenen het vooraf verstrekken van inlichtingen verhinderen. In dat geval worden inlichtingen zo spoedig mogelijk verstrekt.

Artikel 101 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 20 juli 1995

Artikel 102 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 22 juni 2000

Artikel 103 - Uitzonderingstoestand

  1. De wet bepaalt in welke gevallen ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid bij koninklijk besluit een door de wet als zodanig aan te wijzen uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd; zij regelt de gevolgen.

  2. Daarbij kan worden afgeweken van de grondwetsbepalingen inzake de bevoegdheden van de besturen van provincies, gemeenten en waterschappen, van de grondrechten geregeld in de artikelen 6, voor zover dit de uitoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen van het in dit artikel omschreven recht betreft, 7, 8, 9, 12, tweede en derde lid, en 13, alsmede van artikel 113, eerste en derde lid.

  3. Terstond na de afkondiging van een uitzonderingstoestand en voorts, zolang deze niet bij koninklijk besluit is opgeheven, telkens wanneer zij zulks nodig oordelen beslissen de Staten-Generaal omtrent het voortduren daarvan; zij beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 104 - Belastingheffing

Belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet. Andere heffingen van het Rijk worden bij de wet geregeld.

 
 

Artikel 105 - Recht van begroting

  1. De begroting van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt bij de wet vastgesteld.

  2. Jaarlijks worden voorstellen van algemene begrotingswetten door of vanwege de Koning ingediend op het in artikel 65 bedoelde tijdstip.

  3. De verantwoording van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt aan de Staten-Generaal gedaan overeenkomstig de bepalingen van de wet. De door de Algemene Rekenkamer goedgekeurde rekening wordt aan de Staten-Generaal overgelegd.

  4. De wet stelt regels omtrent het beheer van de financiën van het Rijk.

Artikel 106 - Geldstelsel

De wet regelt het geldstelsel.

Artikel 107 - Codificatie

  1. De wet regelt het burgerlijk recht, het strafrecht en het burgerlijk en strafprocesrecht in algemene wetboeken, behoudens de bevoegdheid tot regeling van bepaalde onderwerpen in afzonderlijke wetten.

  2. De wet stelt algemene regels van bestuursrecht vast.

Artikel 108 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 25 februari 1999

Artikel 109 - Rechtspositie ambtenaren

De wet regelt de rechtspositie van de ambtenaren. Zij stelt tevens regels omtrent hun bescherming bij de arbeid en omtrent medezeggenschap.

 

Artikel 110 - Openbaarheid van bestuur

De overheid betracht bij de uitvoering van haar taak openbaarheid volgens regels bij de wet te stellen.

 

Artikel 111 - Ridderorden

Ridderorden worden bij de wet ingesteld.
HOOFDSTUK 6

Rechtspraak INLEIDING

Artikel 112 - Civiele en administratieve rechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is opgedragen de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen.

  2. De wet kan de berechting van geschillen die niet uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, opdragen hetzij aan de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren. De wet regelt de wijze van behandeling en de gevolgen van de beslissingen.

Artikel 113 - Strafrechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van strafbare feiten.

  2. Tuchtrechtspraak door de overheid ingesteld wordt bij de wet geregeld.

  3. Een straf van vrijheidsontneming kan uitsluitend door de rechterlijke macht worden opgelegd.

  4. Voor berechting buiten Nederland en voor het oorlogsstrafrecht kan de wet afwijkende regels stellen.

Artikel 114 - Doodstraf

De doodstraf kan niet worden opgelegd.

Artikel 115 - Administratief beroep

Ten aanzien van de in artikel 112, tweede lid, bedoelde geschillen kan administratief beroep worden opengesteld.

Artikel 116 - Rechterlijke macht

  1. De wet wijst de gerechten aan die behoren tot de rechterlijke macht.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de rechterlijke macht.

  3. De wet kan bepalen, dat aan rechtspraak door de rechterlijke macht mede wordt deelgenomen door personen die niet daartoe behoren.

  4. De wet regelt het toezicht door leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast uit te oefenen op de ambtsvervulling door zodanige leden en door de personen bedoeld in het vorige lid.

Artikel 117 - Rechtspositie leden rechterlijke macht

  1. De leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal bij de Hoge Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet bepaald kunnen zij door een bij de wet aangewezen, tot de rechterlijke macht behorend gerecht worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 118 - Hoge Raad

  1. De leden van de Hoge Raad der Nederlanden worden benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. De Hoge Raad is in de gevallen en binnen de grenzen bij de wet bepaald, belast met de cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van het recht.

  3. Bij de wet kunnen aan de Hoge Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 119 - Ambtsmisdrijven

De leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreden terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.

Artikel 120 - Toetsingsverbod

De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.

Artikel 121 - Openbaarheid terechtzittingen

Met uitzondering van de gevallen bij de wet bepaald vinden de terechtzittingen in het openbaar plaats en houden de vonnissen de gronden in waarop zij rusten. De uitspraak geschiedt in het openbaar.

Artikel 122 - Gratie

  1. Gratie wordt verleend bij koninklijk besluit na advies van een bij de wet aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.

  2. Amnestie wordt bij of krachtens de wet verleend.

HOOFDSTUK 7

Decentralisatie INLEIDING

Artikel 123 - Instelling provincies en gemeenten

  1. Bij de wet kunnen provincies en gemeenten worden opgeheven en nieuwe ingesteld.

  2. De wet regelt de wijziging van provinciale en gemeentelijke grenzen.

Artikel 124 - Autonomie en medebewind

  1. Voor provincies en gemeenten wordt de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake hun huishouding aan hun besturen overgelaten.

  2. Regeling en bestuur kunnen van de besturen van provincies en gemeenten worden gevorderd bij of krachtens de wet.

Artikel 125 - Organen decentrale besturen

  1. Aan het hoofd van de provincie en de gemeente staan provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad. Hun vergaderingen zijn openbaar, behoudens bij de wet te regelen uitzonderingen.

  2. Van het bestuur van de provincie maken ook deel uit gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning, van het bestuur van de gemeente het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester.

Artikel 126 - Ambtsinstructie commissaris koning

Bij de wet kan worden bepaald, dat de commissaris van de Koning wordt belast met de uitvoering van een door de regering te geven ambtsinstructie.

Artikel 127 - Vaststelling verordening

Provinciale staten en de gemeenteraad stellen, behoudens bij de wet of door hen krachtens de wet te bepalen uitzonderingen, de provinciale onderscheidenlijk de gemeentelijke verordeningen vast.

Artikel 128 - Toekenning bevoegdheden

Behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 123, kan de toekenning van bevoegdheden, als bedoeld in artikel 124, eerste lid, aan andere organen dan die, genoemd in artikel 125, alleen door provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad geschieden.

Artikel 129 - Verkiezing vertegenwoordigend orgaan

  1. De leden van provinciale staten en van de gemeenteraad worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders, tevens ingezetenen van de provincie onderscheidenlijk de gemeente, die voldoen aan de vereisten die gelden voor de verkiezing van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Voor het lidmaatschap gelden dezelfde vereisten.
  2. De leden worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  3. De artikelen 53, tweede lid, en 59 zijn van toepassing. Artikel 57a is van overeenkomstige toepassing.
  4. De zittingsduur van provinciale staten en de gemeenteraad is vier jaren, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen.
  5. De wet bepaalt welke betrekkingen niet gelijktijdig met het lidmaatschap kunnen worden uitgeoefend. De wet kan bepalen, dat beletselen voor het lidmaatschap voortvloeien uit verwantschap of huwelijk en dat het verrichten van bij de wet aangewezen handelingen tot het verlies van het lidmaatschap kan leiden.
  6. De leden stemmen zonder last.

Artikel 130 - Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders

De wet kan het recht de leden van de gemeenteraad te kiezen en het recht lid van de gemeenteraad te zijn toekennen aan ingezetenen, die geen Nederlander zijn, mits zij tenminste voldoen aan de vereisten die gelden voor ingezetenen die tevens Nederlander zijn.

Artikel 131 - Benoeming commissaris Koning

De commissaris van de Koning en de burgemeester worden bij koninklijk besluit benoemd.

Artikel 132 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen

  1. De wet regelt de inrichting van provincies en gemeenten, alsmede de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen.

  2. De wet regelt het toezicht op deze besturen.

  3. Besluiten van deze besturen kunnen slechts aan voorafgaand toezicht worden onderworpen in bij of krachtens de wet te bepalen gevallen.

  4. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden bij koninklijk besluit wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

  5. De wet regelt de voorzieningen bij in gebreke blijven ten aanzien van regeling en bestuur, gevorderd krachtens artikel 124, tweede lid. Bij de wet kunnen met afwijking van de artikelen 125 en 127 voorzieningen worden getroffen voor het geval het bestuur van een provincie of een gemeente zijn taken grovelijk verwaarloost.

  6. De wet bepaalt welke belastingen door de besturen van provincies en gemeenten kunnen worden geheven en regelt hun financiële verhouding tot het Rijk.

Artikel 133 - Waterschappen

  1. De opheffing en instelling van waterschappen, de regeling van hun taken en inrichting, alsmede de samenstelling van hun besturen, geschieden volgens bij de wet te stellen regels bij provinciale verordening, voor zover bij of krachtens de wet niet anders is bepaald.

  2. De wet regelt de verordenende en andere bevoegdheden van de besturen van de waterschappen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen.

  3. De wet regelt het provinciale en overige toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 134 - Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

  1. Bij of krachtens de wet kunnen openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere openbare lichamen worden ingesteld en opgeheven.

  2. De wet regelt de taken en de inrichting van deze openbare lichamen, de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen. Bij of krachtens de wet kan aan hun besturen verordenende bevoegdheid worden verleend.

  3. De wet regelt het toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 135 - Gemeenschappelijke regelingen

De wet geeft regels ter voorziening in zaken waarbij twee of meer openbare lichamen zijn betrokken. Daarbij kan in de instelling van een nieuw openbaar lichaam worden voorzien, in welk geval artikel 134, tweede en derde lid, van toepassing is.

Artikel 136 - Geschillen

De geschillen tussen openbare lichamen worden bij koninklijk besluit beslist, tenzij deze behoren tot de kennisneming van de rechterlijke macht of hun beslissing bij de wet aan anderen is opgedragen.
HOOFDSTUK 8

Herziening grondwet INLEIDING

Artikel 137 - Grondwetswijziging

  1. De wet verklaart, dat een verandering in de Grondwet, zoals zij die voorstelt, in overweging zal worden genomen.

  2. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, een voorstel voor zodanige wet splitsen.

  3. Na de bekendmaking van de wet, bedoeld in het eerste lid, wordt de Tweede Kamer ontbonden.

  4. Nadat de nieuwe Tweede Kamer is samengekomen, overwegen beide kamers in tweede lezing het voorstel tot verandering, bedoeld in het eerste lid. Zij kunnen dit alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  5. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen een voorstel tot verandering splitsen.

Artikel 138 - Aanpassing niet gewijzigde bepalingen

  1. Voordat de in tweede lezing aangenomen voorstellen tot verandering in de Grondwet door de Koning worden bekrachtigd, kunnen bij de wet:

    a. de aangenomen voorstellen en de ongewijzigd gebleven bepalingen van de Grondwet voor zoveel nodig aan elkaar worden aangepast;

    b. de indeling in en de plaats van hoofdstukken, paragrafen en artikelen, alsmede de opschriften worden gewijzigd.

  2. Een voorstel van wet, houdende voorzieningen als bedoeld in het eerste lid onder a, kunnen de kamers alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 139 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De veranderingen in de Grondwet, door de Staten-Generaal aangenomen en door de Koning bekrachtigd, treden terstond in werking, nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 140 - Handhaving bestaande regelgeving

Bestaande wetten en andere regelingen en besluiten die in strijd zijn met een verandering in de Grondwet, blijven gehandhaafd, totdat daarvoor overeenkomstig de Grondwet een voorziening is getroffen.

Artikel 141 - Bekendmaking herziene Grondwet

De tekst van de herziene Grondwet wordt bij koninklijk besluit bekendgemaakt, waarbij hoofdstukken, paragrafen en artikelen kunnen worden vernummerd en verwijzingen dienovereenkomstig kunnen worden veranderd.

Artikel 142 - Aanpassing Grondwet aan Statuut

De Grondwet kan bij de wet met het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in overeenstemming worden gebracht. De artikelen 139, 140 en141 zijn van overeenkomstige toepassing.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

G. van der Schyff en B.M.J. van der Meulen

ARTIKEL 5 - Petitierecht

INHOUD
  1. Historie en hedendaagse betekenis
  2. Het begrip ‘verzoeken’
  3. Dragers van het petitierecht
  4. Toegangsrecht en ontvangstverplichting
  5. Recht op antwoord?
  6. Soorten petities
  7. Vrijheidsrecht en beperking
  8. ‘Bevoegd gezag’ als petitie-adressaat
  9. Internationaal recht
  10. Jurisprudentie
  11. Literatuur
  12. Historische versies
 

Editie maart 2013[1]

1. Historie en hedendaagse betekenis

Artikel 5 heeft betrekking op het petitierecht. Het betreft hier een grondrecht dat zijn wortels in de middeleeuwen heeft, aanvankelijk als louter feitelijke mogelijkheid, later als recht van de standen tegenover de landsheer om verzoeken in te dienen.[2] Aan het einde van de achttiende eeuw is het in een aantal landen als grondrecht gecodificeerd.[3]
 
In de Staatsregeling voor het Bataafse Volk uit 1798[4] kwam het petitierecht voor de eerste maal voor in Nederlands grondwettelijk recht, nadat een door de Nationale Vergadering aanvaard voorstel voor een constitutie, waarin het vijftiende van 24 beginselen over het petitierecht ging, in 1797 door de kiesgerechtigde burgers in de grondvergaderingen waren verworpen.[5] Met een onderbreking onder de Grondwet van 1814 is het voortdurend in de Grondwet opgenomen geweest. Er werd ook daadwerkelijk van het recht gebruik gemaakt door burgers. Hiervan getuigen de petities rondom de Aprilbeweging van 1853 aan koning Willem III tegen het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland. De courante formulering van het recht dateert van de grondwetsherziening van 1983.
 
Aanvankelijk stond bepaald niet het huidige karakter van grondrecht op de voorgrond. Het ging veeleer om het voorkomen van het tumult waarmee indiening van petities door menigten wel gepaard ging.[6] Daartoe werd het petitioneren aan banden gelegd. Het mocht slechts op individuele basis of door erkende rechtspersonen, slechts schriftelijk en niet anoniem geschieden.
 
Inmiddels is het petitierecht uitgegroeid tot een politiek participatierecht en een uitingsrecht dat, wegens het ontbreken van een beperkingsclausule, van overheidswege niet mag worden beperkt. Het hedendaagse petitierecht brengt een zekere intimiteit tussen burgers en hun overheid tot uitdrukking.[7] Het geeft iedere burger het recht om zich zonder vrees voor benadeling van overheidswege, schriftelijk tot de overheid te wenden. Het petitierecht kan individueel worden uitgeoefend, maar ook collectief. Een goed voorbeeld hiervan betreft het volkspetitionnement tegen het plaatsen van kruisraketten met kernkoppen in Woensdrecht ter uitvoering van het NAVO-dubbelbesluit van 12 december 1979. Het protest werd georganiseerd door het Komitee Kruisraketten Nee en mondde onder anderen uit in het aanbieden van een petitie met 3,7 miljoen handtekeningen aan premier Lubbers op 26 oktober 1985.
 
Sommige auteurs menen echter dat het petitierecht vandaag nauwelijks van betekenis is voor de (publieke) politieke wilsvorming.[8] De verregaande democratisering heeft ertoe geleid dat veel van de politieke inbrengfunctie van het petitierecht is overgenomen door de pers en andere media en tevens andere grondrechten zoals het kiesrecht en de vrijheid van meningsuiting. Opgemerkt moet worden dat hoewel misschien deels overbodig, er nog veel van het recht wordt gebruikgemaakt.[9] Het nut van het petitierecht bewijst zich door het feit dat het het enige kanaal tot de overheid is dat werkelijk openstaat voor iedereen. [10]
Rondom het petitierecht zijn – met name in het bestuursrecht – rechten tot ontwikkeling gekomen inzake behandeling en beantwoording die er nauw mee samenhangen, maar niet delen in het grondrechtelijke karakter en in de immuniteit tegen beperking.[11]

2. Het begrip ‘verzoeken’

De Grondwet zegt niets over de betekenis van het begrip ‘verzoeken’. Omdat artikel 5 slechts schriftelijke verzoeken betreft, geldt het petitierecht kennelijk alleen voor verzoekschriften, niet voor mondelinge verzoeken.[12]
 
Een verzoekschrift (petitie) is een geschrift waarin een petitum (verzoek) is opgenomen. Het verzoeken kan expliciet plaatsvinden, of meer impliciet door het ongevraagd leveren van kritiek op (voorgenomen) overheidsoptreden.[13] Schriftelijkheid is het enige vormvoorschrift dat nog geldt voor de uitoefening van het petitierecht. Onder schriftelijkheid dient ook te worden verstaan petities die elektronisch worden aangemaakt of aangeleverd. Voorheen is algemeen aanvaard dat het begrip ‘schriftelijk’ niet betrekking had op elektronisch ingediende petities, maar dat het begrip op enig moment zo uitgelegd kon worden dat ook een petitie via elektronische weg hieronder kon vallen.[14] Redelijkerwijs kan worden aangenomen dat dit moment nu is bereikt gegeven het onontbeerlijke belang van elektronisch verkeer voor de moderne maatschappij.[15]
 
Aan de inhoud noch aan de hoedanigheid van de indiener worden eisen gesteld. Dit betekent dat de – beperkte – rechten die artikel 5 toekent niet mogen worden onthouden op de grond dat bepaalde vormvoorschriften niet zijn nageleefd. Slechts voor zover een behandeling in het vooruitzicht wordt gesteld die boven deze minimumstandaard uitgaat (bijvoorbeeld een inhoudelijke beslissing op een aanvraag, bezwaar- of beroepschrift) mogen aanvullende eisen worden gesteld. Het burgerinitiatief is hier een voorbeeld van.[16] Het burgerinitiatief, dat mogelijk werd gemaakt met de inwerkintreding van artikel 132a Reglement van Orde van de Tweede Kamer op 7 februari 2006, verplicht de Tweede Kamer een onderwerp te behandelen dat is gericht op de vervaardiging, wijziging of intrekking van een wettelijke regeling dan wel op het te voeren regeringsbeleid voor zover het initiatief niet betrekking heeft op de Grondwet, de belastingen of de begrotingswetten. Gedurende de voorafgaande twee jaar mocht het onderwerp ook niet aan de orde zijn geweest in de Tweede Kamer en voorts mag een voorstel niet indruisen tegen de in ons land diep gewortelde normen en waarden.[17] Als aanvullende eis is gesteld dat het initiatief gesteund wordt door ten minste 40.000 handtekeningen van kiesgerechtigden voor de leden van de Tweede Kamer.[18] De Kamer is bevoegd de indiener uit te nodigen het voorstel mondeling toe te lichten, in een commissievergadering of zelfs in de plenaire vergadering alvorens een standpunt over het voorstel in te nemen. Als verder voorbeeld van een behandeling die uitgaat boven de minimumstandaard toegekend door artikel 5 kan ook worden genoemd de Nationale ombudsman, die zijn werkzaamheden op 1 januari 1982 is begonnen. Op verzoek of op eigen initiatief stelt de ombudsman onderzoek in naar gedragingen van bestuursorganen.[19] Hoewel deze functie een eigen grondwettelijke regeling kent (artikel 78a Grondwet) kan het worden beschouwd als een specifieke uitwerking van het petitierecht voor zover er verzoekschriften worden ontvangen.
 
Artikel 5 verzet zich dan ook niet tegen niet-ontvankelijkverklaringen op gronden die samenhangen met de inrichting van een geschrift (zie bijvoorbeeld artikel 6:5 Awb) of de hoedanigheid van de indiener (bijvoorbeeld belanghebbende in de zin van artikel 1:2 Awb), dan wel betaling van leges of griffierechten voor de behandeling van aanvragen.[20] Niet-ontvankelijkverklaring impliceert de ontvangst door het desbetreffende orgaan en een reactie op het geschrift (zij het niet het gewenste antwoord). De petent die zich in anonimiteit hult, kan geen aanspraak maken op het bezitten van enige hoedanigheid.[21] In de meeste gevallen is het aan de discretie van het ontvangende orgaan hoe het met het anonieme verzoek zal handelen.[22]
 
Verzoeken ten aanzien waarvan een specifieke wettelijke regeling is getroffen (zoals aanvragen van vergunningen, verzoeken om informatie op basis van de Wob en geschriften waarmee een wettelijk geregelde klacht‑, bezwaar‑ of beroepsprocedure in gang wordt gezet), zijn ook als petities aan te merken. Dit betekent dat de minimumwaarborgen die uit artikel 5 voortvloeien in acht genomen moeten worden. De rechtsgevolgen van deze verzoeken zijn in het algemeen in de wet geregeld en met ruimere waarborgen omgeven, zodat aanmerking ervan als petitie weinig praktische betekenis heeft.

3. Dragers van het petitierecht

Artikel 5 geeft ‘ieder’ het recht verzoeken in te dienen. Het begrip ‘ieder’ houdt geen enkele beperking in. Het omvat elke natuurlijke of rechtspersoon, maar ook andere individualiseerbare entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid zoals actiegroepen of bestuursorganen (zoals ook het begrip ‘belanghebbende’ in artikel 1:2 Awb ruimer is dan natuurlijke persoon of rechtspersoon). Onverschillig is of de petent (verzoeker) zich in eigen land of daarbuiten bevindt.[23] Vreemdelingen hebben dezelfde aanspraak als Nederlanders. Indiening van een verzoekschrift bij een Nederlandse ambassade is mogelijk terzake van onderwerpen ten aanzien waarvan een Nederlands orgaan bevoegd is.
 
Vanaf de Staatsregeling van 1798 tot de grondwetsherziening van 1887 kon een verzoekschrift niet namens meerdere mensen worden uitgebracht, tenzij dat geschiedde door erkende rechtspersonen over zaken die binnen hun bevoegdheid vielen. In 1887 maakte de grondwetgever indiening namens anderen wel mogelijk onder voorwaarde dat een volmacht werd overgelegd. In 1983 werd het volmachtsvereiste tezamen met het ondertekeningsvereiste uit de Grondwet geschrapt.
 
Ook overheidsorganen richten verzoeken tot het bevoegd gezag.[24] Hoewel grondrechten primair burgers beschermen tegen de overheid, wordt gesteld dat ook overheidsorganen het recht verzoeken te doen ontlenen aan het petitierecht.[25] Daarom zijn in 1983 de artikelen 147 en 157 van de Grondwet van 1972 geschrapt die het petitierecht voor provincies en gemeenten uitbreidden tot belangen van hun ingezetenen.

4. Toegangsrecht en ontvangstverplichting

Het petitierecht geeft aanspraak op schriftelijke toegang tot het bevoegd gezag. In zoverre is het vergelijkbaar met het ius de non evocando (het recht op toegang tot de rechter; artikel 17 Grondwet). Een petitie kan zich richten tot met rechtspraak belaste organen.[26] Voordat het stelsel van rechtsbescherming min of meer dekkend was, kon het petitierecht een aanvullende rol spelen. Bij het ontbreken van een rechtsingang was een verzoek aan een ander bevoegd gezag een mogelijkheid toch (rechts)bescherming in te roepen.[27]
 
Het recht op toegang kan zowel worden ingeroepen jegens het bevoegd gezag waarbij toegang wordt gezocht, als jegens andere overheidsorganen die deze toegang niet mogen beletten of belemmeren. Zo mogen Nederlandse overheidsorganen de toegang tot niet-Nederlands bevoegd gezag (buitenlandse overheden, internationale organisaties) niet belemmeren, al geeft de Nederlandse Grondwet uiteraard geen aanspraken jegens niet-Nederlands gezag. Het toegangsrecht omvat niet het persoonlijk mogen aanbieden van de petitie.[28]
 
Complement van het recht om schriftelijk toegang tot de overheid te krijgen, is een (positieve) verplichting voor de overheid om een verzoek in ontvangst te nemen en er kennis van te nemen.[29] Hierin ligt een belangrijke uitbreiding ten opzichte van de vrijheid van meningsuiting. Het petitierecht biedt een garantie méér dan de straffeloosheid van een gegeven mening: overheidsorganen zijn niet verplicht kennis te nemen van meningsuitingen, maar wel van petities.

5. Recht op antwoord?

De vraag of op een petitie een reactie moet volgen, is een onderwerp van aanhoudende aandacht.[30] De opstellers van de Proeve van een nieuwe Grondwet overwogen een algemene plicht tot antwoorden ‘tenzij gegronde redenen zich daartegen verzetten’. Zij hebben daarvan afgezien omdat een antwoordplicht tot moeilijkheden aanleiding kon geven.[31] Bovendien bestond reeds de gewoonte om verzoeken gemotiveerd te beantwoorden.[32]
 
De Staatscommissie‑Cals/Donner wilde een verplichting voor de wetgever regels te stellen omtrent behandeling en beantwoording van verzoekschriften.[33] De regering nam dit aanvankelijk over, maar zag daarvan af na kritiek van de Raad van State vanwege onduidelijkheid van het begrip beantwoording.[34] Zij vreesde moeilijkheden bij de uitvoering; bovendien zou zo’n opdracht aan de wetgever een omvangrijke taak zijn omdat de casusposities zeer uiteen kunnen lopen. Daar kwam volgens de regering bij dat zich reeds de bestuurspraktijk heeft gevormd verzoeken van burgers te beantwoorden; deze bestuurspraktijk zou zich aldus kunnen ontwikkelen, dat behandeling en beantwoording van verzoekschriften worden beheerst door de beginselen van behoorlijk bestuur.[35] De regering wilde deze ontwikkeling niet doorkruisen door het grondwettelijk accent te leggen bij de wetgever.
 
Op 19 juli 1997 heeft zij alsnog een voorstel ingediend om aan artikel 5 een tweede lid toe te voegen: ‘De wet stelt regels omtrent de behandeling van verzoekschriften.’ De Tweede Kamer heeft dit voorstel verworpen, nadat zij eerst een amendement had aanvaard dat na ‘behandeling’ invoegde ‘en de beantwoording’. De kamerleden zagen de noodzaak van zo’n tweede lid niet in. Zij vreesden daarvan zelfs ongewenste gevolgen doordat beperkingen op de verplichting verzoekschriften te behandelen zouden kunnen doorwerken in het – ongeclausuleerde – recht verzoekschriften in te dienen. Ook zou het ertoe kunnen leiden dat de wetgever regels zou gaan stellen over de wijze waarop (leden van) het parlement verzoekschriften zou(den) behandelen. Dit werd uit een oogpunt van machtenscheiding ongewenst gevonden.[36]
 
De conclusie moet zijn dat er geen grondrechtelijke aanspraak op antwoord bestaat en a fortiori niet op een inhoudelijk beslissing.[37] Volgens de Nationale ombudsman bestaat een recht op antwoord wel op basis van (ongeschreven) normen van bestuurlijke behoorlijkheid. Voor bepaalde soorten verzoeken aan de overheid is voorts voorzien in een wettelijk recht op antwoord en vaak ook op een beslissing. Uit artikel 4:13 Awb volgt bijvoorbeeld dat op een aanvraag beschikt moet worden. Ingevolge artikel 6:14 Awb moet de ontvangst van een bezwaar- of beroepschrift worden bevestigd en ingevolge artikel 7:10 en 7:24 Awb moet daarop binnen een bepaalde termijn worden beslist. Iets soortgelijks geldt voor klaagschriften inzake overheidsgedragingen (artikel 9:6 Awb: ontvangstbevestiging; artikel 9:12 Awb schriftelijke en gemotiveerde kennisgeving van bevindingen).
 
Op zichzelf staan geen bestuursrechtelijke rechtsmiddelen open tegen het uitblijven van antwoord op een petitie. Voor zover de petitie tevens is aan te merken als een aanvraag een besluit te nemen, staan tegen het uitblijven daarvan over het algemeen wel rechtsmiddelen open (artikel 6:2 Awb).[38]

6. Soorten petities

Inhoudelijk pleegt onderscheiden te worden tussen politieke petities en klachtpetities.[39] In de eerste categorie vallen verzoeken die betrekking hebben op mogelijke onderwerpen van politieke besluitvorming. Zoals het aandringen op vaststelling of wijziging van bepaalde wetgeving, van beleid of andere onderwerpen van algemeen belang. Het petitierecht garandeert ieder de mogelijkheid rechtstreeks meningen in te brengen in de (politieke) besluitvorming.[40] Dit politiek participatierecht kan worden beschouwd als een direct democratisch element in een stelsel waarin politieke besluitvorming vooral plaats vindt in vertegenwoordigende organen.[41] Het vormt een aanvulling op het representatieve stelsel. Volgens de regering kan het petitierecht een belangrijke rol spelen bij het versterken van de banden tussen overheid en burger.
 
In klachtpetities wordt opgekomen tegen overheidsoptreden in een bepaald geval. Het woord klacht wordt voorts gebruikt voor verzoeken aan instanties met toezichthoudende of handhavende bevoegdheden om op te treden jegens gedragingen van medeburgers die als onrechtmatig of hinderlijk worden ervaren. Het petitierecht biedt zo een informele aanvulling op de bestaande mogelijkheden voor rechtsbescherming en rechtshandhaving. Bij het eerste kan worden gedacht aan bescherming die het bevoegd gezag kan bieden tegen optreden van zichzelf of van personen waarvoor het verantwoordelijk is, [42] bij het tweede aan optreden jegens derden.
 
De grens tussen beide klachtvarianten is niet scherp en de Grondwet verbindt geen rechtsgevolg aan dit onderscheid. Zo kan het petitierecht worden gebruikt om te trachten hogere bestuursorganen ertoe te bewegen schorsings- en/of (spontane) vernietigingsbevoegdheden in te zetten ten aanzien van andere bestuursorganen. Wat het politieklachtrecht betreft kan worden gedacht aan verzoeken om handhaving (straf- of tuchtrechtelijke beoordeling van de ambtenaar over wiens gedragingen wordt geklaagd) en rechtsbescherming (herstel van of vergoeding voor het getroffen belang van de klager).[43]

7. Vrijheidsrecht en beperking

Het petitierecht brengt mee dat de overheid het indienen van verzoekschriften bij welk bevoegd publiek ambt dan ook, niet mag beletten of belemmeren.[44] In die zin is het te beschouwen als een vrijheidsrecht.[45] Elke situatie waarin aan het enkele feit van het indienen van een verzoek bij het bevoegd gezag, of van het doen van een verzoek met een bepaalde inhoud, een sanctie of andere benadelende maatregel wordt verbonden, is aan te merken als een beperking van het petitierecht. Wegens het ontbreken van een beperkingsclausule is dit niet toelaatbaar. Artikel 5 zelf kent geen beperkingsclausule en in artikel 103, tweede lid, van de Grondwet is het niet genoemd, zodat ook uitzonderingstoestanden geen grondslag kunnen bieden voor strafbaarstelling van het petitioneren.[46] Ratio van dit laatste is waarschijnlijk niet het grote belang dat in zulke omstandigheden aan het petitierecht toekomt, maar het vermoeden dat de uitoefening ervan tijdens een uitzonderingstoestand de te treffen maatregelen niet zal belemmeren.[47]
 
De rechtspraak biedt wel een voorbeeld waarin ligt besloten dat het petitierecht kan worden misbruikt en dat dit door de rechter kan worden beperkt. Van misbruik was sprake bij het onevenredig belasten van het ambtenarenapparaat inclusief ambtenaren thuis benaderen.[48] Deze rechtspraak, hoe sympathiek ook, lijkt moeilijk verenigbaar met het absolute karakter van het petitierecht. [49]
 
De enige uitzondering op het ontbreken van een beperkingsmogelijkheid, betreft gedetineerden (artikel 15, vierde lid). [50] Dit artikel maakt het beperken van het petitierecht van gedetineerden mogelijk (zonder nadere wettelijke grondslag), voor zover de uitoefening van dit grondrecht zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt. De vraag is dus niet of aan gedetineerden in het algemeen het petitierecht toekomt, maar of bij besluit van een gevangenisdirectie of gevangenisreglement beperkingen aan de uitoefening ervan gesteld kunnen worden. Een dergelijke beperking doet zich voor indien de bepalingen in sommige huishoudelijke reglementen die garanderen dat gedetineerden een bepaald verzoek bij de directeur mogen indienen, impliceren dat dergelijke verzoeken niet bij een ander orgaan mogen worden ingediend.
 
De regel dat ‘ieder het recht heeft verzoeken schriftelijk in te dienen’ brengt met zich dat een petent niet vervolgd kan worden vanwege het indienen van een verzoek, ook al houdt dat een delict in. In zoverre kan men spreken van een absoluut recht.[51] Volgens de regering: ‘brengt het absolute karakter van het petitierecht mee dat iemand niet kan worden vervolgd wegens het louter indienen van een verzoekschrift en mag de inhoud van een petitum niet in de weg staan aan de behandeling daarvan. Dit laat onverlet dat in de beantwoording van het verzoekschrift erop kan worden gewezen dat het doen van een racistische uitspraak in de openbaarheid tot strafvervolging kan leiden.’[52]
 
Dit impliceert dat een petitie – ongeacht de gekozen bewoordingen – niet kan worden aangemerkt als (aanzetten tot) discriminatie zoals strafbaar gesteld in de artikel 137d e.v. van het Wetboek van Strafrecht, noch als belediging, smaad of laster in de zin van artikel 261 of 262 Sr.[53] Dit zou immers alsnog neerkomen op een beperking. Dat is uiteraard anders wanneer de verzoeker zijn verzoek zelf langs andere weg openbaar maakt. Aan de verhouding petent/bevoegd gezag komt een strikt intern karakter toe.

8. ‘Bevoegd gezag’ als petitie-adressaat

Indiening van een petitie behoort te geschieden bij het ‘bevoegd gezag’. De beperking tot ‘bevoegd’ gezag maakt duidelijk dat het ontvangende ambt naar geldend organisatie‑ en competentierecht enigerlei bevoegdheid moet bezitten ten aanzien van het petitum. Onder ‘bevoegd gezag’ moet worden verstaan ‘bevoegd openbaar gezag’.[54]
 
De gekozen formulering volgens welke verzoekschriften ‘bij het bevoegd gezag’ ingediend kunnen worden, staan eraan in de weg dat artikel 5 in particuliere verhoudingen op dezelfde wijze werkt als tussen overheid en particulier. Dit impliceert dat particulieren niet verplicht zijn op dezelfde wijze met verzoekschriften om te gaan als de overheid. Het staat particulieren vrij onderling af te spreken dat de ene partij sancties verbindt aan het indienen door de andere van een verzoek bij hem of bij een andere particulier. Als echter bijvoorbeeld een werkgever zou willen verhinderen dat een werknemer gebruik maakt van het petitierecht, dan zou hij in strijd kunnen komen met zijn plicht zich als een goed werkgever te gedragen (artikel 7:611 BW).[55] In zo’n geval kan het petitierecht horizontale werking hebben.[56]
 
Onder bevoegd gezag vallen wel privaatrechtelijke organisaties die met openbaar gezag zijn bekleed. Over het algemeen zijn deze bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, onder b, Awb.
 
Aanvankelijk heeft de grondwetgever vooral gedacht aan petities gericht aan vertegenwoordigende organen. Hij plaatste het in de Grondwet van 1815 aan het slot van het hoofdstuk over provinciale staten en gemeentebesturen, volgend op de bepaling die deze besturen bevoegd maakte voor de belangen van hun ingezetenen bij hoger gezag op te komen.
 
Van het Kabinet van de Koningin en de Staten‑Generaal is bekend dat zij verzoeken ontvangen. Dat is opvallend omdat juist deze instanties slechts zelden als bevoegd gezag aangemerkt zullen kunnen worden, in de zin dat zij het verzoek zelfstandig kunnen inwilligen of afwijzen. Op het Kabinet is dit probleem opgelost doordat de Afdeling Wet- en Regelgeving en Verzoekschriften de Koningin informeert over de inhoud van verzoekschriften en ze overdraagt aan de verantwoordelijke minister of staatssecretaris.[57] De desbetreffende bewindspersoon handelt het verzoek af en informeert het Kabinet. De bevoegdheid van (leden van) de Staten‑Generaal met betrekking tot de behandeling van verzoekschriften gaat niet verder dan hun medewetgevende, controlerende en andere bevoegdheden reiken.
 
Beide Kamers kennen een commissie voor de verzoekschriften die zich bezighoudt met de behandeling van petities.[58] Verzoekschriften worden onderzocht door de desbetreffende commissie, waarna verslag wordt uitgebracht aan de desbetreffende Kamer. De Kamer kan het verslag overnemen, wijzigen of afwijzen. In de regel brengt het besluit van de Kamer echter geen rechtsgevolgen met zich. Voor wat betreft de Tweede Kamer toetst de commissie ook of een burgerinitiatief voldoet aan de ontvankelijkheidscriteria en vormvereisten.[59] Uit deze voorbeelden blijkt wel dat het begrip ‘bevoegd gezag’ ruim genomen pleegt te worden.
 
De vermelding van het bevoegd gezag in artikel 5 betreft in het bijzonder het toegangsrecht. Zij betekent niet dat de bescherming van het vrijheidsrecht vervalt wanneer iemand zijn verzoek (al dan niet abusievelijk) bij een ter zake niet bevoegde overheidsinstantie indient. Artikel 5 legt aan de overheid niet uitdrukkelijk de verantwoordelijkheid op de petent behulpzaam te zijn bij het opsporen van het bevoegd gezag. Een dergelijke verplichting bestaat wel krachtens artikel 2:3 Awb en krachtens ongeschreven bestuursrecht. In dit artikel is bepaald dat een bestuursorgaan geschriften tot behandeling waarvan kennelijk een ander orgaan bevoegd is, aan dat orgaan doorzendt.[60]

9. Internationaal recht

Van Maarseveen stelt dat hoewel het petitierecht meestal wordt bezien in de context van nationale stelsels, het recht zich te wenden tot internationale conferenties en internationale organisaties veel ouder is dan over het algemeen wordt gedacht.[61] Zo richtte de Tsjechische filosoof Comenius zich in 1667 bijvoorbeeld tot het Congres van Breda en ontving het Congres van Wenen in 1815 talrijke petities van individuen en collectieven, waaronder de Katholieke kerk in Duitsland en de Joodse gemeente van Frankfurt am Main.[62]
 
Riezebos meent terecht dat op grond van artikel 5 Grondwet de Nederlandse staat en zijn organen het indienen van een petitie bij een supranationale organisatie niet mogen verhinderen of belemmeren.[63] Het bestaan al dan niet van een aanspraak op positieve reactie van het ontvangende orgaan, is logischerwijs een vraag die beantwoord moet worden aan de hand van het institutionele recht van die organisatie en niet aan de hand van artikel 5 Grondwet.[64] In dit verband kent het Handvest van de Verenigde Naties niet een algemene regeling met betrekking tot het recht van petitie, er zijn wel procedures gecreëerd voor de behandeling van klachten over de schending van mensenrechten.[65]
 
Artikel 11 lid een van het Verdrag betreffende de Europese Unie biedt wel een algemene ingang die lijkt op het petitierecht waar het bepaalt dat ‘de instellingen bieden de burgers en de representatieve organisaties langs passende wegen de mogelijkheid hun mening over alle onderdelen van het optreden van de Unie kenbaar te maken (…)’.[66] Artikel 44 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gelezen in samenhang met artikel 227 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (oud artikel 194 VEG) bepalen nader dat iedere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat het recht heeft om individueel of tezamen met andere burgers of personen een verzoekschrift tot het Europees Parlement te richten betreffende een onderwerp dat tot de werkterreinen van de Unie behoort en dat hem of haar rechtstreeks aangaat. Hiertoe kent het Europees Parlement een commissie verzoekschriften die petities overweegt alvorens een besluit te nemen per geval.[67] Zo kan de commissie de Voorzitter van het Parlement verzoeken haar advies of aanbeveling voor verdere actie of antwoord door te sturen aan de Europese Commissie, de Raad van de Europese Unie of de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat. Vergelijkbaar is artikel 228 VWEU (oud artikel 195 VEG). Op grond van dit artikel heeft de Europese ombudsman de bevoegdheid om kennis te nemen van klachten van burgers van de EU of van natuurlijke rechtspersonen over gevallen van wanbeheer bij het optreden van de instellingen, organen of instanties van de EU.[68]
 
Ook kent het EU-recht het burgerinitiatief, geregeld in artikel 11, vierde lid, VEU en artikel 24, eerste lid, VWEU.[69] Het burgerinitiatief verplicht de Europese Commissie om een wetsvoorstel in te dienen over een onderwerp waarvoor de EU wetgevingsbevoegdheid bezit. Een burgerinitiatief moet worden gesteund door minstens één miljoen inwoners uit ten minste een vierde van de lidstaten. Er wordt ook een minimumaantal handtekeningen vereist voor elk van die lidstaten. Verder moet het burgerinitiatief worden georganiseerd door een burgercomité bestaand uit ten minste zeven personen uit ten minste zeven lidstaten. De autonome werking van het EU-recht in de Nederlandse rechtsorde betekent dat het vrij aanspraak maken op deze ‘rechten’ van petitie en burgerinitiatief is gewaarborgd zelfs zonder de aanvullende werking van artikel 5 Grondwet.
 
Ten slotte verdient vermelding artikel 34 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).[70] Volgens dit artikel mag het Europees Hof voor de Rechten van de Mens verzoekschriften ontvangen van ieder natuurlijke persoon, iedere niet-gouvernementele organisatie of iedere groep personen die beweert slachtoffer te zijn van een schending van een de door het EVRM toegekende rechten. Het betreft hier een specifieke vorm van het petitierecht dat de gang naar de supranationale rechter mogelijk maakt. Ingevolge artikel 34 verbinden de verdragspartijen zich ertoe de doeltreffende uitoefening van dit recht op geen wijze te belemmeren.Ook hier fungeert artikel 5 Grondwet als aanvullende bescherming door enige belemmering met het uitoefenen van de aanspraak in artikel 34 EVRM te verbieden.

10. Jurisprudentie

- ABRvS 20 april 2005, LJN AT4247, m.nt. F.C.M.A. Michiels
- ABRvS 22 maart 2006, LJN AV6230
- ABRvS 9 februari 2011, LJN BP3724, m.nt. L.J.A. Damen
- ARRvS 30 juni 1977, AB 1977, 392, m.nt. C.J.M. Cartigny
- ARRvS 26 april 1988, BR 1989, p. 121-123
- Hof Arnhem 15 september 1992, LJN BL2366, m.nt. H.Ph.J.A.M. Hennekens
- Hof ’s-Gravenhage 16 december 1999, NJkort 2000, 7
- Ktg. Leeuwarden 22 september 1931, NJ 1931, p. 1573
- N.o. 28 juni 1989, AB 1989, 478, m.nt. PJS
- N.o. 20 juli 1989, AB 1989, 489
- N.o. 20 juli 1990, AB 1991, 84, m.nt. PJS
- Rb. Arnhem 28 mei 2003, LJN AH8831
 

11. Literatuur

- P.W.C. Akkermans, C.J. Bax, L.F.M. Verhey, Grondrechten, Deventer/Heerlen 2005, p. 61-63.
- C.J. van Assen, Het onwettige der petitiën aan de Staten‑Generaal, Leiden 1829.
- P.P.T. Bovend’Eert, H.R.B.M. Kummeling, Het Nederlandse parlement, Deventer, 2010, p. 387-393.
- M. Bovens, De rechtspositie van ambtelijke ‘klokkenluiders’, NJCM‑Bulletin 1987, p. 582‑602.
- M. Bovens, Verantwoordelijkheid en organisatie. Beschouwingen over aansprakelijkheid, institutioneel burgerschap en ambtelijke ongehoorzaamheid, diss. RUL, Zwolle 1990.
- M.C. Burkens, H.R.B.M. Kummeling, B.P. Vermeulen, R.J.G.M. Widdershoven, Beginselen van de democratische rechtsstaat. Inleiding tot de grondslagen van het Nederlandse staat- en bestuursrecht, Deventer 2012, p. 215-217.
- L. Dragstra, N.S. Efthymiou, A.W. Hins, R. de Lange, Beginselen van het Nederlands staatsrecht, Deventer 2012, p. 272-273.
- W. Eitel, Das Grundrecht der Petition, gemäß Artikel 17 des Grundgesetzes, diss. Tübingen 1960.
- D.J. Elzinga, R. de Lange, H.G. Hoogers, Handboek van het Nederlandse staatsrecht, Deventer 2006, p. 335-337.
- H. Franken, Rapport van de Commissie grondrechten in het digitale tijdperk, Den Haag 2000.
- M.P. Gerrits-Janssens, Behoorlijke klachtbehandeling. Contouren van een geharmoniseerd klachtprocesrecht, Zwolle 1994.
- F.H.M. Grapperhaus, Het recht van petitie in belastingzaken, Weekblad voor fiscaal recht 1986, p. 115‑126.
- G.H. Hagelstein, De parlementaire commissies, Groningen 1991.
- A.W. Heringa, J. van der Velde, L.F.M. Verhey, W. van der Woude, Staatsrecht, 2012, p. 329-330.
- J.G. Holthuis, Opmerkingen over artt. 8, 138 en 148 G.W., diss. RUG 1890, p. 19‑25.
- Ph. De Keyser, Het petitierecht afgestoft?, TPB 2000, p. 596-618.
- F.H. Kistenkas, Vrijheid van meningsuiting en petitierecht: relatief versus absoluut grondrecht, Tijdschrift voor Bestuurswetenschappen en Publiekrecht 1984, p. 294‑296.
- C.A.J.M. Kortmann, Constitutioneel recht, Deventer 2006, p. 427-429.
- C.A.J.M. Kortmann, De Grondwetsherzieningen 1983 en 1987, Deventer 1987, p. 76-78.
- M.J.C. Leijten, Interne klachtprocedures, in: B.M.J. van der Meulen (red.), Derde Tranche Algemene wet bestuursrecht, Den Haag 1998.
- M.J.C. Leijten, Tuchtrecht getoetst. Een onderzoek naar de betekenis van grondrechten voor de wettelijke regeling van tuchtrecht en van de tuchtprocedure, diss. KUB, Arnhem 1991.
- J.P. de Maak, Iets over artikel 8 der grondwet, diss. RUL, Den Haag 1893.
- H. van Maarseveen, Petitierecht, in: A.K. Koekkoek, W. Konijnenbelt, F.C.L.M. Crijns (red.), Grondrechten. Commentaar op hoofdstuk 1 van de herziene Grondwet, Nijmegen 1982, p. 140-150.
- H. van Maarseveen, Over het petitierecht, in: P.D.A. Claessen, W. van Ham-Wagner, C.F.J. de Jongh, B. de Goede (red.), Beeld van een goede vriendschap, Amsterdam 1980, p. 135-170.
- H.Th.J.F. van Maarseveen, Kanttekeningen bij het petitierecht, AA 1966, p.289‑297.
- H.Th.J.F. van Maarseveen, Petitierecht in ontwikkeling, NJB 1984, p. 200‑201.
- H.Th.J.F. van Maarseveen, Het petitierecht en de Commissie voor de Verzoekschriften, NJB 1969, p. 241‑251.
- B.M.J. van der Meulen, P.J.M. Koning, Vragen staat vrij: het onbekende grondrecht, Verhalen over de Grondwet, Sdu 1993, 1983-1993, artikel 5, p. 8-11.
- B.M.J. van der Meulen, Artikel 5, in: A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar, Deventer 2000, p. 86-92.
- B.M.J. van der Meulen, H.D. Stout, One-stop-shop. Verwijs- en doorzendverplichtingen op grond van de Awb, Gst. 2000, p. 193 e.v.
- B.J. van der Net, De kamercommissies voor de verzoekschriften, TvO 1981, p. 135‑138.
- Th. Pas, Verzoekschriftencommissies uitgerangeerd?, AA 1982, p. 139‑141.
- Proeve van een nieuwe Grondwet, Den Haag 1966.
- C. Riezebos, Artikel 5, in: P.W.C. Akkermans & A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar, Zwolle 1992, p. 91-105.
- C. Riezebos, De Commissies voor de Verzoekschriften van de Eerste en Tweede Kamer, in: H.J. Snijders e.a. (red.), Overheidsrechter gepasseerd, Arnhem 1988, p. 221‑231.
- C. Riezebos, Petities verrijken de parlementaire democratie, Namens 1986, p. 393‑397.
- C. Riezebos, Publiekrechtelijk klachtrecht, Deventer 2001.
- C. Riezebos, Recht van petitie, een rechtsvergelijkend onderzoek naar een juridische mogelijkheid van toegang tot het politieke systeem in Nederland en in de Bondsrepubliek Duitsland, diss. EUR, Zwolle 1992.
- M.F.R. Schreuder, Een klachtrecht voor ambtenaren, NJB 1990, p. 1560‑1563.
- C. Star Numan, Het petitie‑regt van ingezetenen aan de Staten‑Generaal, Utrecht 1830.
- J.J. Stolk, De Nationale Ombudsman, Zwolle 1991.
- J. Sybenga, De Grondwet van 1887 toegelicht, Den Haag 1921, p. 59 e.v.
- J. Talsma, Het recht van petitie, verzoekschriften aan de Tweede Kamer en het ombudsmanvraagstuk, diss. UvA, Arnhem 1989.
- J. Vande Lanotte, Het petitierecht ont(k)leed?, Antwerpen 1986.
- P.A. van Vugt, Het recht van petitie, Bestuur en belang 1989, nr. 13, p. 14‑15.
- M.A.C. de Wit, Het goed werkgeverschap als intermediair van normen in het arbeidsrecht, diss. KUB, Deventer 1999.

12. Historische versies

Artikel 161 Gw. 1815: Ieder ingezeten heeft het regt om verzoeken aan de bevoegde magt schriftelijk in te dienen, mits die persoonlijk en niet uit naam van meerderen worden onderteekend, welk laatste alleen zal kunnen geschieden door of van wege ligchamen wettiglijk zamengesteld en als zoodanig erkend, en in dat geval niet anders dan over onderwerpen tot derzelver bepaalde werkzaamheden behoorende (artikel 159 Gw. 1840).
Artikel 9 Gw. 1848: Ieder ingezeten heeft het regt om verzoeken aan de bevoegde magt schriftelijk in te dienen, mits die persoonlijk en niet uit naam van meer worden onderteekend, welk laatste alleen kan geschieden door of van wege ligchamen, wettelijk zamengesteld of als zoodanig erkend, en in dat geval niet anders dan over onderwerpen tot hunne bepaalde werkzaamheden behoorende.
Artikel 8 Gw. 1887: Ieder heeft regt om verzoeken, mits schriftelijk, aan de bevoegde magt in te dienen. Elk verzoek moet door den verzoeker onderteekend zijn. Onderteekening uit naam van anderen kan alleen geschieden krachtens schriftelijke bij het verzoek overgelegde volmagt. Wettig bestaande ligchamen kunnen aan de bevoegde magt verzoekschriften indienen, doch alleen over onderwerpen tot hun bepaalden werkkring behoorende.

Noten

  1. In deze bijdrage bouwt de eerste auteur voort op B.M.J. van der Meulen, Artikel 5, in: Koekkoek 2000 dat op zijn beurt deels voortbouwt op C. Riezebos, Artikel 5, in: Akkermans/Koekkoek 1992. T.o.v. van de laatste editie is de indeling (grotendeels) aangehouden, maar de volgorde niet. Tevens zijn de tekst en voetnoten aangevuld, vooral wat betreft het burgerinitiatief en de Europese en internationale dimensie van het petitierecht.
  2. Petitie en petitionnement zijn synoniemen voor ‘verzoekschrift’. Verouderde termen: adres, request, supplicatie, remonstrantie. Degene die een petitie indient wordt aangeduid als adressant, petent of petitionaris, degene tot wie een petitie is gericht als petitie‑adressaat of gepeteerde.
  3. C. Riezebos, Recht van petitie. Een rechtsvergelijkend onderzoek naar een juridische mogelijkheid van toegang tot het politieke systeem in Nederland en in de Bondsrepu­bliek Duitsland, diss. EUR, Zwolle 1992, p. 23-63.
  4. ‘Elk Ingezeten kan zig, bij Request, Addrès of met anderen voordragt, vervoegen bij zoodanige magten, waarbij hij zal geraaden oordeelen. Alle voordragten zullen persoonlijk, en niet gezamenlijk geschieden; tenzij door lichaamen, wettig zaamgesteld, en als zoodanigen erkend, en wel alsdan over onderwerpen, die tot derzelver erkende werkzaamheden behooren.’
  5. ‘Het staat een iegelyk vrij, om persoonlyke voorstellen en verzoeken aan alle vastgestelde magten te doen.' In een eerder ontwerp uit november 1796 was nog de volgende bepaling opgenomen, art. 747: ‘Elke Burger van Nederland heeft het recht van voordracht, petitie, of verzoek, omtrent 's Lands zaaken; en is dit recht zodanig eigen aan een ieder Burger, hoofd voor hoofd, dat hy het niet vervreemden kan, noch de uitoefening daar van aan een ander opdragen.’
  6. Riezebos 1992, p. 54.
  7. Proeve van een nieuwe Grondwet, 1966, p. 60.
  8. M.C. Burkens, H.R.B.M. Kummeling, B.P. Vermeulen, R.J.G.M. Widdershoven, Beginselen van de democratische rechtsstaat. Inleiding tot de grondslagen van het Nederlandse staat- en bestuursrecht, Deventer 2012, p. 217. Vgl. P.P.T. Bovend’Eert, H.R.B.M. Kummeling, Het Nederlandse parlement, Deventer, 2010, p. 387.
  9. Zo bijv. ontvingen de Kamercommissies Verzoekschriften 216 verzoekschriften in 2010/11 in vergeleken met 201 in 2009/10. In 2010/11 zijn er 68 verslagen uitgebracht n.a.v. de ingediende verzoekschriften, dit aantal betreft vier verslagen meer dan in 2006/07 toen de commissies maar liefst 367 verzoekschriften ontvingen, zie Staten-Generaal 2011/12, 33 030, nr. 1, p. 8. Zie verder H. van Maarseveen, Petitierecht, in: A.K. Koekkoek, W. Konijnenbelt, F.C.L.M. Crijns (red.), Grondrechten. Commentaar op hoofdstuk 1 van de herziene Grondwet, Nijmegen 1982, p. 140, 147-148.
  10. H. van Maarseveen, Over het petitierecht, in: P.D.A. Claessen, W. van Ham-Wagner, C.F.J. de Jongh, B. de Goede (red.), Beeld van een goede vriendschap, Amsterdam 1980, p. 135, 144.
  11. Men denke aan de behandeling van klachten ingediend bij het bestuursorgaan zelf conform hoofdstuk 9 Awb. Verder heeft de TK, een voorstel om aan art. 5 een tweede lid toe te voegen dat aan de wetgever opdraagt regels te stellen omtrent de behandeling van verzoekschriften op 15 januari 1998 verworpen. Zie C. Riezebos, Publiekrechtelijk klachtrecht, Deventer 2001, p. 2-4.
  12. Zonder succes is in het verleden voorgesteld de eis van schriftelijkheid te doen vervallen, zie H. Franken, Rapport van de Commissie grondrechten in het digitale tijdperk, 2000, p. 199, wiens standpunt overgenomen was door de toenmalige regering Kamerstukken II 2000/01 27 460, nr. 1, p. 39, later is weer hiervan afgezien, Kamerstukken II 2004/05 27 460, nr. 3. Opgemerkt kan worden dat hoofdstuk 9 Awb een klachtenregeling bevat die ook mondelinge klachten betreft. Zie tevens C.A.J.M. Kortmann, Constitutioneel recht, Deventer 2006, p. 429 (in tegenstelling tot de eerdere edities van dit werk en afgezien van een terloopse verwijzing op p. 317 bevat de meest recente editie uit 2012 geen verwijzingen meer naar het petitierecht).
  13. Kamerstukken II 1996/97 25 455, nr. 3. p. 3.
  14. Zie Franken 2000, p. 196; Kamerstukken II 2000/01 27 460, nr. 1, p. 39.
  15. Vgl. Kamerstukken II 2004/05 27 460, nr. 3 waar de regering zulke interpretatie steunt.
  16. Terecht een ‘bijzondere vorm van het petitierecht’ genoemd door Kortmann 2006, p. 428. Zie voorts D.J. Elzinga, R. de Lange, H.G. Hoogers, Handboek van het Nederlandse staatsrecht, Deventer 2006, p. 337; A.W. Heringa, J. van der Velde, L.F.M. Verhey, W. van der Woude, Staatsrecht, 2012, p. 205. De Gratiewet van 23 december 1987 geldt als verder voorbeeld.
  17. Het eerste burgerinitiatief dat werd behandeld betrof het op 13 februari 2007 door Milieudefensie en haar jongerenorganisatie Jongeren Milieu Actief ingediende voorstel getiteld ‘Stop fout vlees’ met als doel het omschakelen naar een duurzame veehouderij. Na een grondige analyse van het voorstel heeft een meerderheid van de Tweede Kamer de omvorming van de bio-industrie afgewezen. Zie verder Kamerstukken II 2006/07, 31 060.
  18. Tevens zijn van het burgerinitiatief een aantal onderwerpen uitgesloten, zoals een aangelegenheid van een decentrale overheid - zie verder art. 132a lid twee RvO II. Op zich kent art. 5 Gw. geen dergelijke beperking.
  19. Wet Nationale ombudsman van 4 februari 1981; Wet Kinderombudsman van 1 april 2011; Heringa et al. 2012, p. 324-328.
  20. I.v.m. leges, zie verder Kamerstukken II 1986/87, 19 075, nr. 6, p. 6; C.A.J.M. Kortmann, De Grondwetsherzieningen 1983 en 1987, Deventer 1987, p. 78.
  21. Zie tevens Van Maarseveen 1982, p. 143.
  22. Kortmann 1987, p. 77; Kortmann 2006, p. 427.
  23. Zie nader, Van Maarseveen 1982, p. 143; Riezebos 1992, p. 111-112.
  24. Hof Arnhem 15 september 1992, LJN BL2366, m.nt. H.Ph.J.A.M. Hennekens (let vooral op de annotatie).
  25. Riezebos 1992, p. 119.
  26. Hof ’s-Gravenhage 16 december 1999, NJkort 2000, 7, anders Ktg. Leeuwarden 22 september 1931, NJ 1573. Vgl. P.W.C. Akkermans, C.J. Bax, L.F.M. Verhey, Grondrechten, Deventer/Heerlen 2005, p. 62; Kortmann 2006, p. 427. Anders Ktg. Leeuwarden 22 september 1931, NJ 1573. Zie NJB 1978, p. 844 voor een petitie gericht aan de ‘voorzitter van Afdeling Rechtspraak van de Raad van State’.
  27. In deze zin reeds J.P. de Maak, Iets over artikel 8 der Grondwet, Den Haag 1893, p. 11.
  28. Van Maarseveen 1982, p. 144; Akkermans e.a. 1995, p. 61; Elzinga e.a. 2006, p. 337.
  29. Burkens e.a. 2012, p. 217.
  30. Zie o.a. Riezebos 1992, p. 150-155.
  31. Proeve van een nieuwe Grondwet, Den Haag 1966, p. 60-61.
  32. Zie tevens H.Th.J.F. van Maarseveen, Petitierecht in ontwikkeling, NJB 1984, p. 200.
  33. Tweede rapport Staatscommissie Cals/Donner, 1969, p. 57.
  34. Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 4, p. 64.
  35. Heringa e.a. 2012, p. 329.
  36. ie Kamerstukken II 1996/97 en 1997/98, 25 455, nrs. 1-6 en Hand. II 1997/98, p. 3308 v., 3384 v. Zie Riezebos 2001, p. 3.
  37. Dezelfde mening zijn toegedaan Akkermans e.a. 2005, p. 61; Kortmann 2006, p. 427; L. Dragstra, N.S. Efthymiou, A.W. Hins, R. de Lange, Beginselen van het Nederlands staatsrecht, Deventer 2012, p. 272-273 en tevens het Amerikaans Supreme Court (Minnesota Board of Community Colleges v. Knight 465 US 271 (1984)) m.b.t. het recht van petitie aldaar. Verrassend genoeg nam de regering in de toelichting bij het wetsvoorstel tot invoering van een klachtrecht voor werknemers het standpunt in dat voor ambtenaren geen klachtrecht behoeft te worden gecreëerd, omdat hun petitierecht een recht op behoorlijk antwoord omvat. Kamerstukken II 1989/90, 21 514, nr. 3, p. 2 en 10. Riezebos 1992, p. 152 spreekt van ‘wellicht een ondoordachte “slip of the pen”’.
  38. Vgl. ABRvS 20 april 2005, LJN AT4247, m.nt. F.C.M.A. Michiels (let vooral op de annotatie); ABRvS 22 maart 2006, LJN AV6230.
  39. Riezebos 1992, p. 105. Zie tevens de iets andere indeling van Van Maarseveen 1980, p. 149-151; 1982, p. 143-144 en de kritische kanttekeningen van Riezebos 1992, p. 104 bij die indeling.
  40. Naar de politieke functie van het petitierecht, zie Riezebos 1992, p. 72-74.
  41. Van Maarseveen 1980, p. 145.
  42. Dit gebruik is – naast specifieke regelingen – geformaliseerd in de Wet Nationale ombudsman en in hoofdstuk 9 Awb.
  43. Zie hfdst. X van de Politiewet 1993; Riezebos 2001, p. 44-50 over het politieklachtrecht.
  44. Van Maarseveen 1982, p. 144-145.
  45. Zie tevens Riezebos 1992, p. 140-142. Van Maarseveen 1982, p. 146 benadrukt echter het petitierecht als ‘politiek-sociale’ aanspraak die het recht onderscheidt van de overige vrijheidsrechten. Deze mening baseert hij op het feit dat de overheid juist moet presteren door kennis te nemen van een verzoek.
  46. M.b.t. strafbaarstelling, zie Kamerstukken II 1983/84, 18 120, nr. 1 en 36, p. 4.
  47. M.C. Burkens, Algemene leerstukken van grondrechten naar Nederlands constitutioneel recht, Zwolle 1989, p. 147. Anders Riezebos 1992, p. 144.
  48. Rb. Arnhem 28 mei 2003, LJN AH8831.
  49. Ook het betoog dat de ambtenaar niet zelf het bevoegde gezag is, mag niet baten. Zie hierna paragraaf 9.
  50. Vgl. Akkermans e.a. 2005, p. 62.
  51. Zie tevens Van Maarseveen 1984, p. 201.
  52. Kamerstukken II 1997/98, 25 455, nr. 5, p. 9.
  53. In deze zin Van der Meulen/Koning1993, p. 8-11. Besproken wordt een aangifte door een plaatselijke overheid terzake van een racistisch geformuleerd verzoek op te treden tegen burengerucht. Anders de vorige druk van deze uitgave. Zie tevens F.H. Kistenkas, Vrijheid van meningsuiting en petitierecht, relatief versus absoluut grondrecht?, TBP 1984, p. 294, 295; Kortmann 1987, p. 78; Kortmann 2006, p. 428. Vgl. de Belgische situatie Ph. De Keyser, Het petitierecht afgestoft?, TPB 2000, p. 596, 603.
  54. Riezebos 1992, p. 123.
  55. M.A.C. de Wit, Het goed werkgeverschap als intermediair van normen in het arbeidsrecht, diss. KUB, Deventer 1999.
  56. Anders Van Maarseveen 1980, p. 147; 1982, p. 146 die enige horizontale werking verwerpt.
  57. Zie http://www.kabinetderkoningin.nl/nl/kdk110.html (geraadpleegd op 20 november 2012).
  58. Artikel 20, 131-132 RvO II; artikel 141-142 RvO I. J. Zie voorts J. Talsma, Het recht van petitie, verzoekschriften aan de Tweede Kamer en het ombudsmanvraagstuk, diss. UvA, Arnhem 1989; Bovend’Eert en Kummeling 2010, p. 387-393. Het aantal ingediende verzoekschriften kent een daling, zo werd in het vergaderjaar 1997-1998 ruim 600 verzoekschriften ingediend, terwijl het aantal zich de laatste jaren beweegt rond de 300 verzoekschriften. Volgens Bovend’Eert en Kummeling heeft dit mede te maken met de inwerkintreding van hfst. 9 Awb, dat o.a. het interne klachtrecht regelt, p. 391.
  59. Artikel 20(3) RvO II. Deze toetsing gebeurt door middel van een op steekproefsgewijze schriftelijke controle van de ten minste 40.000 steunbetuigingen voor het burgerinitiatief, waarna de gegevens worden vernietigd.
  60. B.M.J. van der Meulen, H.D. Stout, One-stop-shop. Verwijs- en doorzendverplichtingen op grond van de Awb, Gst. 2000, p. 193.
  61. Van Maarseveen 1982, p. 148. Internationaal recht kan ook het recht van petitie in de nationale context garanderen, artikel XXIV American Declaration of the Rights of Man is hier een zeldzaam vb. van.
  62. Zie Van Maarseveen 1980, p. 143.
  63. C. Riezebos, Artikel 5, in: P.W.C. Akkermans (red.), Grondrechten. Een artikelsgewijs commentaar, Zwolle, W.E.J. Tjeenk Willink, 1992, p. 91, p. 102-103.
  64. Riezebos 1992, p. 103.
  65. Vgl. ECOSOC resolutie 1503 (XLVIII) van 27 mei 1970 en Riezebos 1992, p. 103.
  66. Raadpleeg tevens artikel 24 VWEU.
  67. Artikel 201-203 van het Reglement van het Europees Parlement.
  68. Hiervan is uitgesloten het Hof van Justitie van de Europese Unie bij de uitoefening van zijn gerechtelijke taak.
  69. Zie voor de nadere uitwerking Verordening (EU) nr. 211/2011 van 16 februari 2011 over het burgerinitiatief.
  70. Soortgelijk artikel 2 eerste Facultatief Protocol IVBPR.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    G. van der Schyff en B.M.J. van der Meulen, Commentaar op artikel 5 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2017 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Petitierecht

Het recht van petitie waarborgt dat iedereen zich zonder vrees voor nadelige gevolgen tot de overheid kan richten met een schriftelijk verzoek. Mensen kunnen dit recht individueel of gezamenlijk uitoefenen. Door middel van een petitie kan men de overheid verzoeken om een bepaalde politieke handeling te verrichten, zoals het vaststellen of wijzigen van wetgeving. Een petitie kan ook een klacht inhouden over overheidsoptreden in een bepaald geval. Hoewel de overheid niet verplicht is een verzoek in te willigen, moet de overheid een petitie wel in ontvangst nemen en er kennis van nemen.

Het burgerinitiatief is een vorm van een petitie waarmee de Tweede Kamer wordt verplicht een onderwerp te bespreken. Van een burgerinitiatief is sprake wanneer een verzoek aan de Tweede Kamer wordt gericht dat is ondertekend door ten minste 40.000 kiesgerechtigden voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer. De Tweede Kamer is niet verplicht zo’n verzoek in te willigen, maar moet het wel bespreken voor zover het de bevoegdheden van de Kamer betreft, zoals het vaststellen van wetgeving of het controleren van het beleid van de regering.
 
In algemene zin biedt het petitierecht een ingang voor iedereen die zich tot de overheid wil richten; de verantwoordelijkheid voor eventuele beslissingen betreffende een petitie ligt bij de overheid.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Petitierecht

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Petitierecht

Recente rechtspraak

Petitierecht

Politiek

Petitierecht

Op deze website worden de petities aangeboden aan de Tweede Kamer per week genoemd.

Video
Blogs
IN DE WERELD
Video

Petitierecht

  • Mijn recht, jouw recht
  • Europese petitie: hoe werkt het?
Mijn recht, jouw recht
'Iedereen heeft het recht om schriftelijk verzoeken in te dienen bij het bevoegd gezag'; zo luidt artikel 5 van de Grondwet dat in deze aflevering van 'Mijn recht, jouw recht' centraal staat. Een belangrijk artikel omdat het burgers het recht geeft bezwaar te maken tegen eigenmachtig overheidsoptreden. Hoe kan het dan de voorzieningenrechter onlangs bepaalde dat een Dordtse kamerverhuurder bij de gemeente niet meer dan tien bezwaarschriften per maand mag indienen? Over leefbare wijken, ordners vol brieven en eergevoel.
Blogs

Petitierecht

Het wetenschappelijke blog Sargasso deed samen met het ANP een onderzoek naar het effect van online petities. Zij bevonden dat deze petities zelden de Tweede Kamer bereiken. 

In de wereld

Petitierecht

NRc-columnist Steven de Jong schrijft over het mogelijk maken van online petities door Obama in 2011.  Hierbij volgen de VS het Verenigd Koninkrijk en Duitsland, waar dit al langer mogelijk is.