CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • G. Leenknegt
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • A.A.L. Beers en K.T. Meijer
  • B.C. van Beers
  • B.M.J. van der Meulen
  • B.P. Vermeulen
  • B.W.N. de Waard
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • E.J. Janse de Jonge
  • E.J. Koops
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • F. Fleurke
  • F.C.M.A. Michiels
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx en A.C.M. Meuwese
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard en J. Uzman
  • G. Leenknegt
  • G. Overkleeft-Verburg
  • G. van der Schyff en B.M.J. van der Meulen
  • J. Kiewiet en G.F.M. van der Tang †
  • J. Uzman
  • J. Uzman en G. Boogaard
  • J.C.A. de Poorter
  • J.L.M. Gribnau en M.R.T Pauwels
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • J.W.A. Fleuren
  • K.T. Meijer
  • M. Adams
  • Mijke Houwerzijl & Nuna Zekic
  • Mijke Houwerzijl en Frank Vlemminx
  • P. Jacobs
  • S. Daniëls
  • S. Jellinghaus en E. Huisman
  • S.C. van Bijsterveld
  • S.C. van Bijsterveld en B.P. Vermeulen
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • T. Kooijmans
  • T. Peters
  • W. van der Woude
  • W.J.M. Voermans
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

HOOFDSTUK 1

Grondrechten

INLEIDING

Artikel 1 - Gelijke behandeling

Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Artikel 2 - Nederlandschap en vreemdelingen

  1. De wet regelt wie Nederlander is.
  2. De wet regelt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen.
  3. Uitlevering kan slechts geschieden krachtens verdrag. Verdere voorschriften omtrent uitlevering worden bij de wet gegeven.
  4. Ieder heeft het recht het land te verlaten, behoudens in de gevallen, bij de wet bepaald.

Artikel 3 - Gelijke benoembaarheid

Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.

Artikel 4 - Kiesrecht

Iedere Nederlander heeft gelijkelijk recht de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen alsmede tot lid van deze organen te worden verkozen, behoudens bij de wet gestelde beperkingen en uitzonderingen.

Artikel 5 - Petitierecht

Ieder heeft het recht verzoeken schriftelijk bij het bevoegd gezag in te dienen.

Artikel 6 - Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging

  1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 7 - Vrijheid van meningsuiting

  1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- of televisieuitzending.
  3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar regelen ter bescherming van de goede zeden.
  4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.

Artikel 8 - Recht tot vereniging

Het recht tot vereniging wordt erkend. Bij de wet kan dit recht worden beperkt in het belang van de openbare orde.

Artikel 9 - Recht tot vergadering en betoging

  1. Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 10 - Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer

  1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.
  2. De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens.
  3. De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.

Artikel 11 - Onaantastbaarheid van het lichaam

Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.

Artikel 12 - Binnentreden woning

  1. Het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen.
  2. Voor het binnentreden overeenkomstig het eerste lid zijn voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden vereist, behoudens bij de wet gestelde uitzonderingen.
  3. Aan de bewoner wordt zo spoedig mogelijk een schriftelijk verslag van het binnentreden verstrekt. Indien het binnentreden in het belang van de nationale veiligheid of dat van de strafvordering heeft plaatsgevonden, kan volgens bij de wet te stellen regels de verstrekking van het verslag worden uitgesteld. In de bij de wet te bepalen gevallen kan de verstrekking achterwege worden gelaten, indien het belang van de nationale veiligheid zich tegen verstrekking blijvend verzet.

Artikel 13 - Vertrouwelijke communicatie

  1. Het briefgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, op last van de rechter.
  2. Het telefoon- en telegraafgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, door of met machtiging van hen die daartoe bij de wet zijn aangewezen.

Artikel 14 - Onteigening

  1. Onteigening kan alleen geschieden in het algemeen belang en tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander naar bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.
  2. De schadeloosstelling behoeft niet vooraf verzekerd te zijn, wanneer in geval van nood onverwijld onteigening geboden is.
  3. In de gevallen bij of krachtens de wet bepaald bestaat recht op schadeloosstelling of tegemoetkoming in de schade, indien in het algemeen belang eigendom door het bevoegd gezag wordt vernietigd of onbruikbaar gemaakt of de uitoefening van het eigendomsrecht wordt beperkt.

Artikel 15 - Vrijheidsontneming

  1. Buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen.
  2. Hij aan wie anders dan op rechterlijk bevel zijn vrijheid is ontnomen, kan aan de rechter zijn invrijheidstelling verzoeken. Hij wordt in dat geval door de rechter gehoord binnen een bij de wet te bepalen termijn. De rechter gelast de onmiddellijke invrijheidstelling, indien hij de vrijheidsontneming onrechtmatig oordeelt.
  3. De berechting van hem aan wie met het oog daarop zijn vrijheid is ontnomen, vindt binnen een redelijke termijn plaats.
  4. Hij aan wie rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, kan worden beperkt in de uitoefening van grondrechten voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt.

Artikel 16 - Nulla poena

Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.

Artikel 17 - Wettelijk toegekende rechter

Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent.

Artikel 18 - Rechtsbijstand

  1. Ieder kan zich in rechte en in administratief beroep doen bijstaan.
  2. De wet stelt regels omtrent het verlenen van rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen.

Artikel 19 - Werkgelegenheid en arbeidskeuze

  1. Bevordering van voldoende werkgelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de rechtspositie van hen die arbeid verrichten en omtrent hun bescherming daarbij, alsmede omtrent medezeggenschap.
  3. Het recht van iedere Nederlander op vrije keuze van arbeid wordt erkend, behoudens de beperkingen bij of krachtens de wet gesteld.

Artikel 20 - Bestaanszekerheid

  1. De bestaanszekerheid der bevolking en spreiding van welvaart zijn voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de aanspraken op sociale zekerheid.
  3. Nederlanders hier te lande, die niet in het bestaan kunnen voorzien, hebben een bij de wet te regelen recht op bijstand van overheidswege.

Artikel 21 - Milieubescherming

De zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu.

Artikel 22 - Volksgezondheid en woongelegenheid

  1. De overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid.
  2. Bevordering van voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  3. Zij schept voorwaarden voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding.

Artikel 23 - Onderwijs

  1. Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.
  2. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.
  3. Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld.
  4. In elke gemeente wordt van overheidswege voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal openbare scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven, al dan niet in een openbare school.
  5. De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.
  6. Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.
  7. Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.
  8. De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten-Generaal.
HOOFDSTUK 2

Regering INLEIDING

Artikel 24 - Koningschap

Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau.

Artikel 25 - Erfopvolging

Het koningschap gaat bij overlijden van de Koning krachtens erfopvolging over op zijn wettige nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft, met plaatsvervulling volgens dezelfde regel. Bij gebreke van eigen nakomelingen gaat het koningschap op gelijke wijze over op de wettige nakomelingen eerst van zijn ouder, dan van zijn grootouder, in de lijn van erfopvolging, voor zover de overleden Koning niet verder bestaand dan in de derde graad van bloedverwantschap.

Artikel 26 - Status ongeboren kind Koning

Het kind, waarvan een vrouw zwanger is op het ogenblik van het overlijden van de Koning, wordt voor de erfopvolging als reeds geboren aangemerkt. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

Artikel 27 - Afstand koningschap

Afstand van het koningschap leidt tot erfopvolging overeenkomstig de regels in de voorgaande artikelen gesteld. Na de afstand geboren kinderen en hun nakomelingen zijn van de erfopvolging uitgesloten.

Artikel 28 - Afstand koningschap door huwelijk

  1. De Koning, een huwelijk aangaande buiten bij de wet verleende toestemming, doet daardoor afstand van het koningschap.
  2. Gaat iemand die het koningschap van de Koning kan beërven een zodanig huwelijk aan, dan is hij met de uit dit huwelijk geboren kinderen en hun nakomelingen van de erfopvolging uitgesloten.
  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake van een voorstel van wet, strekkende tot het verlenen van toestemming, in verenigde vergadering.

Artikel 29 - Uitsluiting troonopvolging

  1. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden daartoe nopen, kunnen bij een wet een of meer personen van de erfopvolging worden uitgesloten.

  2. Het voorstel daartoe wordt door of vanwege de Koning ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 30 - Benoemde Koning

  1. Wanneer vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal ontbreken, kan deze worden benoemd bij een wet. Het voorstel wordt door of vanwege de Koning ingediend. Na de indiening van het voorstel worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  2. Indien bij overlijden van de Koning of bij afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt, worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers komen binnen vier maanden na het overlijden of de afstand in verenigde vergadering bijeen ten einde te besluiten omtrent de benoeming van een Koning. Zij kunnen een opvolger alleen benoemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 31 - Erfopvolging benoemde koning

  1. Een benoemde Koning kan krachtens erfopvolging alleen worden opgevolgd door zijn wettige nakomelingen.

  2. De bepalingen omtrent de erfopvolging en het eerste lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op een benoemde opvolger, zolang deze nog geen Koning is.

Artikel 32 - Inhuldiging Koning

Nadat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen, wordt hij zodra mogelijk beëdigd en ingehuldigd in de hoofdstad Amsterdam in een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Hij zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt. De wet stelt nadere regels vast.

Artikel 33 - Koningschap en meerderjarigheid

De Koning oefent het koninklijk gezag eerst uit, nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

Artikel 34 - Ouderlijk gezag minderjarige Koning

De wet regelt het ouderlijk gezag en de voogdij over de minderjarige Koning en het toezicht daarop. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 35 - Buiten staat verklaring

  1. Wanneer de ministerraad van oordeel is dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, bericht hij dit onder overlegging van het daartoe gevraagde advies van de Raad van State aan de Staten-Generaal, die daarop in verenigde vergadering bijeenkomen.

  2. Delen de Staten-Generaal dit oordeel, dan verklaren zij dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen. Deze verklaring wordt bekend gemaakt op last van de voorzitter der vergadering en treedt terstond in werking.

  3. Zodra de Koning weer in staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, wordt dit bij de wet verklaard. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Terstond na de bekendmaking van deze wet hervat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag.

  4. De wet regelt zo nodig het toezicht over de persoon van de Koning indien hij buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 36 - Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag

De Koning kan de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk neerleggen en die uitoefening hervatten krachtens een wet, waarvan het voorstel door of vanwege hem wordt ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 37 - Uitoefening koninklijk gezag door regent

  1. Het koninklijk gezag wordt uitgeoefend door een regent:
    a. zolang de Koning de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt;
    b. indien een nog niet geboren kind tot het koningschap geroepen kan zijn;
    c. indien de Koning buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen;
    d. indien de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk heeft neergelegd;
    e. zolang na het overlijden van de Koning of na diens afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt.

  2. De regent wordt benoemd bij de wet. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  3. In de gevallen, genoemd in het eerste lid onder c en d, is de nakomeling van de Koning die zijn vermoedelijke opvolger is, van rechtswege regent indien hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

  4. De regent zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt, in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal. De wet geeft nadere regels omtrent het regentschap en kan voorzien in de opvolging en de vervanging daarin. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  5. Op de regent zijn de artikelen 35 en 36 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38 - Uitoefening koninklijk gezag door RvS

Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk gezag is voorzien, wordt dit uitgeoefend door de Raad van State.

Artikel 39 - Lidmaatschap koninklijk huis

De wet regelt, wie lid is van het koninklijk huis.

Artikel 40 - Uitkering koninklijk huis

  1. De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het Rijk uitkeringen naar regels bij de wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het koninklijk huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen.

  2. De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, zijn vrij van persoonlijke belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of zijn vermoedelijke opvolger krachtens erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van het koninklijk huis vrij van de rechten van successie, overgang en schenking. Verdere vrijdom van belasting kan bij de wet worden verleend.

  3. De kamers der Staten-Generaal kunnen voorstellen van in de vorige leden bedoelde wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 41 - Inrichting huis Koning

De Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis in.

Artikel 42 - Ministeriële verantwoordelijkheid

  1. De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.

  2. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.

Artikel 43 - Regering en ministers

De minister-president en de overige ministers worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.

Artikel 44 - Ministeries

  1. Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.

  2. Ook kunnen ministers worden benoemd die niet belast zijn met de leiding van een ministerie.

Artikel 45 - Ministerraad

  1. De ministers vormen te zamen de ministerraad.

  2. De minister-president is voorzitter van de ministerraad.

  3. De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid.

Artikel 46 - Staatssecretarissen

  1. Bij koninklijk besluit kunnen staatssecretarissen worden benoemd en ontslagen.

  2. Een staatssecretaris treedt in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister.

Artikel 47 - Ondertekening en contraseign

Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.

Artikel 48 - Ontslag en benoeming ministers

Het koninklijk besluit waarbij de minister-president wordt benoemd, wordt mede door hem ondertekend. De koninklijke besluiten waarbij de overige ministers en de staatssecretarissen worden benoemd of ontslagen, worden mede door de minister-president ondertekend.

Artikel 49 - Ambtseed minister en staatssecretaris

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de ministers en de staatssecretarissen bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.
HOOFDSTUK 3

Staten-Generaal INLEIDING

Artikel 50 - Vertegenwoordiging

De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk.

Artikel 51 - Eerste en Tweede Kamer

  1. De Staten-Generaal bestaan uit de Tweede Kamer en de Eerste Kamer.

  2. De Tweede Kamer bestaat uit honderdvijftig leden.

  3. De Eerste Kamer bestaat uit vijfenzeventig leden.

  4. Bij een verenigde vergadering worden de kamers als één beschouwd.

Artikel 52 - Zittingsduur

  1. De zittingsduur van beide kamers is vier jaren.
  2. Indien voor de provinciale staten bij de wet een andere zittingsduur dan vier jaren wordt vastgesteld, wordt daarbij de zittingsduur van de Eerste Kamer in overeenkomstige zin gewijzigd.

Artikel 53 - Evenredige vertegenwoordiging

  1. De leden van beide kamers worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  2. De verkiezingen worden gehouden bij geheime stemming.

Artikel 54 - Verkiezing Tweede Kamer

  1. De leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen ten aanzien van Nederlanders die geen ingezetenen zijn.

  2. Van het kiesrecht is uitgesloten hij die wegens het begaan van een daartoe bij de wet aangewezen delict bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste een jaar en hierbij tevens is ontzet van het kiesrecht.

Artikel 55 - Verkiezing Eerste Kamer

De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten. De verkiezing wordt, behoudens in geval van ontbinding der kamer, gehouden binnen drie maanden na de verkiezing van de leden van provinciale staten.

Artikel 56 - Vereisten voor lidmaatschap

Om lid van de Staten-Generaal te kunnen zijn is vereist dat men Nederlander is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.

Artikel 57 - Incompatibiliteiten

  1. Niemand kan lid van beide kamers zijn.

  2. Een lid van de Staten-Generaal kan niet tevens zijn minister, staatssecretaris, lid van de Raad van State, lid van de Algemene Rekenkamer, Nationale ombudsman of substituut-ombudsman, of lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij de Hoge Raad.

  3. Niettemin kan een minister of staatssecretaris, die zijn ambt ter beschikking heeft gesteld, dit ambt verenigen met het lidmaatschap van de Staten-Generaal, totdat omtrent die beschikbaarstelling is beslist.

  4. De wet kan ten aanzien van andere openbare betrekkingen bepalen dat zij niet gelijktijdig met het lidmaatschap van de Staten-Generaal of van een der kamers kunnen worden uitgeoefend.

Artikel 57a - Zwangerschap en ziekte

De wet regelt de tijdelijke vervanging van een lid van de Staten-Generaal wegens zwangerschap en bevalling, alsmede wegens ziekte.

Artikel 58 - Geloofsbrieven

Elke kamer onderzoekt de geloofsbrieven van haar nieuwbenoemde leden en beslist met inachtneming van bij de wet te stellen regels de geschillen welke met betrekking tot de geloofsbrieven of de verkiezing zelf rijzen.

Artikel 59 - Kiesrecht en verkiezingen

Alles, wat verder het kiesrecht en de verkiezingen betreft, wordt bij de wet geregeld.

Artikel 60 - Ambtsaanvaarding

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de leden van de kamers bij de aanvaarding van hun ambt in de vergadering een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

Artikel 61 - Voorzitter en griffier

  1. Elk der kamers benoemt uit de leden een voorzitter.

  2. Elk der kamers benoemt een griffier. Deze en de overige ambtenaren van de kamers kunnen niet tevens lid van de Staten-Generaal zijn.

Artikel 62 - Verenigde vergadering

De voorzitter van de Eerste Kamer heeft de leiding van de verenigde vergadering.

Artikel 63 - Geldelijke voorzieningen

Geldelijke voorzieningen ten behoeve van leden en gewezen leden van de Staten-Generaal en van hun nabestaanden worden bij de wet geregeld. De kamers kunnen een voorstel van wet ter zake alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 64 - Ontbinding Kamers

  1. Elk der kamers kan bij koninklijk besluit worden ontbonden.

  2. Het besluit tot ontbinding houdt tevens de last in tot een nieuwe verkiezing voor de ontbonden kamer en tot het samenkomen van de nieuw gekozen kamer binnen drie maanden.

  3. De ontbinding gaat in op de dag waarop de nieuw gekozen kamer samenkomt.

  4. De wet stelt de zittingsduur van een na ontbinding optredende Tweede Kamer vast; de termijn mag niet langer zijn dan vijf jaren. De zittingsduur van een na ontbinding optredende Eerste Kamer eindigt op het tijdstip waarop de zittingsduur van de ontbonden kamer zou zijn geëindigd.

Artikel 65 - Troonrede

Jaarlijks op de derde dinsdag van september of op een bij de wet te bepalen eerder tijdstip wordt door of namens de Koning in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal een uiteenzetting van het door de regering te voeren beleid gegeven.

Artikel 66 - Openbaarheid vergaderingen

  1. De vergaderingen van de Staten-Generaal zijn openbaar.

  2. De deuren worden gesloten, wanneer een tiende deel van het aantal aanwezige leden het vordert of de voorzitter het nodig oordeelt.

  3. Door de kamer, onderscheidenlijk de kamers in verenigde vergadering, wordt vervolgens beslist of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd en besloten.

Artikel 67 - Quorum

  1. De kamers mogen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering alleen beraadslagen of besluiten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden ter vergadering aanwezig is.

  2. Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen.

  3. De leden stemmen zonder last.

  4. Over zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, wanneer één lid dit verlangt.

Artikel 68 - Inlichtingenplicht bewindslieden

De ministers en de staatssecretarissen geven de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat.

Artikel 69 - Aanwezigheid bewindslieden

  1. De ministers en de staatssecretarissen hebben toegang tot de vergaderingen en kunnen aan de beraadslaging deelnemen.

  2. Zij kunnen door de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn.

  3. Zij kunnen zich in de vergaderingen doen bijstaan door de personen, daartoe door hen aangewezen.

Artikel 70 - Recht van enquête

Beide kamers hebben, zowel ieder afzonderlijk als in verenigde vergadering, het recht van onderzoek (enquête), te regelen bij de wet.

Artikel 71 - Parlementaire onschendbaarheid

De leden van de Staten-Generaal, de ministers, de staatssecretarissen en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging, kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergaderingen van de Staten-Generaal of van commissies daaruit hebben gezegd of aan deze schriftelijk hebben overgelegd.

Artikel 72 - Reglement van orde

De kamers stellen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering een reglement van orde vast.

HOOFDSTUK 4

Adviesorganen INLEIDING

Artikel 73 - Taak Raad van State

  1. De Raad van State of een afdeling van de Raad wordt gehoord over voorstellen van wet en ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur, alsmede over voorstellen tot goedkeuring van verdragen door de Staten-Generaal. In bij de wet te bepalen gevallen kan het horen achterwege blijven.

  2. De Raad of een afdeling van de Raad is belast met het onderzoek van de geschillen van bestuur die bij koninklijk besluit worden beslist en draagt de uitspraak voor.

  3. De wet kan aan de Raad of een afdeling van de Raad de uitspraak in geschillen van bestuur opdragen.

Artikel 74 - Rechtspositie leden

  1. De Koning is voorzitter van de Raad van State. De vermoedelijke opvolger van de Koning heeft na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar van rechtswege zitting in de Raad. Bij of krachtens de wet kan aan andere leden van het koninklijk huis zitting in de Raad worden verleend.

  2. De leden van de Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  3. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  4. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Raad worden geschorst of ontslagen.

  5. De wet regelt overigens hun rechtspositie

Artikel 75 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Raad van State.

  2. Bij de wet kunnen aan de Raad of een afdeling van de Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 76 - Algemene rekenkamer

De Algemene Rekenkamer is belast met het onderzoek van de ontvangsten en uitgaven van het Rijk.

Artikel 77 - Rechtpositie leden rekenkamer

  1. De leden van de Algemene Rekenkamer worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Hoge Raad worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 78 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Algemene Rekenkamer.

  2. Bij de wet kunnen aan de Algemene Rekenkamer ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 78a - Nationale ombudsman

  1. De Nationale ombudsman verricht op verzoek of uit eigen beweging onderzoek naar gedragingen van bestuursorganen van het Rijk en van andere bij of krachtens de wet aangewezen bestuursorganen.
  2. De Nationale ombudsman en een substituut-ombudsman worden voor een bij de wet te bepalen termijn benoemd door de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Tweede Kamer der Staten-Generaal worden geschorst of ontslagen. De wet regelt overigens hun rechtspositie.
  3. De wet regelt de bevoegdheid en werkwijze van de Nationale ombudsman.
  4. Bij of krachtens de wet kunnen aan de Nationale ombudsman ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 79 - Vaste colleges van advies

  1. Vaste colleges van advies in zaken van wetgeving en bestuur van het Rijk worden ingesteld bij of krachtens de wet.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van deze colleges.

  3. Bij of krachtens de wet kunnen aan deze colleges ook andere dan adviserende taken worden opgedragen.

Artikel 80 - Openbaarmaking advies

  1. De adviezen van de in dit hoofdstuk bedoelde colleges worden openbaar gemaakt volgens regels bij de wet te stellen.

  2. Adviezen, uitgebracht ter zake van voorstellen van wet die door of vanwege de Koning worden ingediend, worden, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen, aan de Staten-Generaal overgelegd.

HOOFDSTUK 5

Wetgeving en bestuur INLEIDING

Artikel 81 - Wetgevende macht

De vaststelling van wetten geschiedt door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk.

Artikel 82 - Indienen wetsvoorstel

  1. Voorstellen van wet kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Voorstellen van wet waarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en, voor zover de betreffende artikelen van hoofdstuk 2 dit toelaten, door de verenigde vergadering.

  3. Voorstellen van wet, in te dienen door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering, worden bij haar door een of meer leden aanhangig gemaakt.

Artikel 83 - Toezending wetsvoorstel TK

Voorstellen van wet, ingediend door of vanwege de Koning, worden gezonden aan de Tweede Kamer of, indien daarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, aan deze vergadering.

Artikel 84 - Wijziging wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet, ingediend door of vanwege de Koning, niet door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering is aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en vanwege de regering worden gewijzigd.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden gewijzigd.

Artikel 85 - Toezending wetsvoorstel EK

Zodra de Tweede Kamer een voorstel van wet heeft aangenomen of tot indiening van een voorstel heeft besloten, zendt zij het aan de Eerste Kamer, die het voorstel overweegt zoals het door de Tweede Kamer aan haar is gezonden. De Tweede Kamer kan een of meer van haar leden opdragen een door haar ingediend voorstel in de Eerste Kamer te verdedigen.

Artikel 86 - Intrekking wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet niet door de Staten-Generaal is aangenomen, kan het door of vanwege de indiener worden ingetrokken.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden ingetrokken.

Artikel 87 - Aanneming en bekrachtiging

  1. Een voorstel wordt wet, zodra het door de Staten-Generaal is aangenomen en door de Koning is bekrachtigd.

  2. De Koning en de Staten-Generaal geven elkaar kennis van hun besluit omtrent enig voorstel van wet.

Artikel 88 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de wetten. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 89 - Algemene maatregel van bestuur

  1. Algemene maatregelen van bestuur worden bij koninklijk besluit vastgesteld.

  2. Voorschriften, door straffen te handhaven, worden daarin alleen gegeven krachtens de wet. De wet bepaalt de op te leggen straffen.

  3. De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de algemene maatregelen van bestuur. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

  4. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op andere vanwege het Rijk vastgestelde algemeen verbindende voorschriften.

Artikel 90 - Bevordering internationale rechtsorde

De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde.

Artikel 91 - Goedkeuring verdrag

  1. Het Koninkrijk wordt niet aan verdragen gebonden en deze worden niet opgezegd zonder voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. De wet bepaalt de gevallen waarin geen goedkeuring is vereist.

  2. De wet bepaalt de wijze waarop de goedkeuring wordt verleend en kan voorzien in stilzwijgende goedkeuring.

  3. Indien een verdrag bepalingen bevat welke afwijken van de Grondwet dan wel tot zodanig afwijken noodzaken, kunnen de kamers de goedkeuring alleen verlenen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 92 - Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties

Met inachtneming, zo nodig, van het bepaalde in artikel 91, derde lid, kunnen bij of krachtens verdrag aan volkenrechtelijke organisaties bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak worden opgedragen.

Artikel 93 - Verbindende kracht verdrag

Bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 94 - Verdrag boven wet

Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 95 - Bekendmaking verdrag

De wet geeft regels omtrent de bekendmaking van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 96 - Oorlogsverklaring

  1. Het Koninkrijk wordt niet in oorlog verklaard dan na voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal.

  2. De toestemming is niet vereist, wanneer het overleg met de Staten-Generaal ten gevolge van een feitelijk bestaande oorlogstoestand niet mogelijk is gebleken.

  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  4. Het bepaalde in het eerste en het derde lid is van overeenkomstige toepassing voor een verklaring dat een oorlog beëindigd is.

Artikel 97 - Krijgsmacht

  1. Ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk, alsmede ten behoeve van de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde, is er een krijgsmacht.

  2. De regering heeft het oppergezag over de krijgsmacht.

Artikel 98 - Samenstelling krijgsmacht

  1. De krijgsmacht bestaat uit vrijwillig dienenden en kan mede bestaan uit dienstplichtigen.

  2. De wet regelt de verplichte militaire dienst en de bevoegdheid tot opschorting van de oproeping in werkelijke dienst.

Artikel 99 - Gewetensbezwaren militaire dienst

De wet regelt vrijstelling van militaire dienst wegens ernstige gewetensbezwaren.

Artikel 99a - Civiele verdediging

Volgens bij de wet te stellen regels kunnen plichten worden opgelegd ten behoeve van de civiele verdediging.

Artikel 100 - Inlichtingen over krijgsmacht

  1. De regering verstrekt de Staten-Generaal vooraf inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. Daaronder is begrepen het vooraf verstrekken van inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht voor humanitaire hulpverlening in geval van gewapend conflict.

  2. Het eerste lid geldt niet, indien dwingende redenen het vooraf verstrekken van inlichtingen verhinderen. In dat geval worden inlichtingen zo spoedig mogelijk verstrekt.

Artikel 101 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 20 juli 1995

Artikel 102 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 22 juni 2000

Artikel 103 - Uitzonderingstoestand

  1. De wet bepaalt in welke gevallen ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid bij koninklijk besluit een door de wet als zodanig aan te wijzen uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd; zij regelt de gevolgen.

  2. Daarbij kan worden afgeweken van de grondwetsbepalingen inzake de bevoegdheden van de besturen van provincies, gemeenten en waterschappen, van de grondrechten geregeld in de artikelen 6, voor zover dit de uitoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen van het in dit artikel omschreven recht betreft, 7, 8, 9, 12, tweede en derde lid, en 13, alsmede van artikel 113, eerste en derde lid.

  3. Terstond na de afkondiging van een uitzonderingstoestand en voorts, zolang deze niet bij koninklijk besluit is opgeheven, telkens wanneer zij zulks nodig oordelen beslissen de Staten-Generaal omtrent het voortduren daarvan; zij beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 104 - Belastingheffing

Belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet. Andere heffingen van het Rijk worden bij de wet geregeld.

 
 

Artikel 105 - Recht van begroting

  1. De begroting van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt bij de wet vastgesteld.

  2. Jaarlijks worden voorstellen van algemene begrotingswetten door of vanwege de Koning ingediend op het in artikel 65 bedoelde tijdstip.

  3. De verantwoording van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt aan de Staten-Generaal gedaan overeenkomstig de bepalingen van de wet. De door de Algemene Rekenkamer goedgekeurde rekening wordt aan de Staten-Generaal overgelegd.

  4. De wet stelt regels omtrent het beheer van de financiën van het Rijk.

Artikel 106 - Geldstelsel

De wet regelt het geldstelsel.

Artikel 107 - Codificatie

  1. De wet regelt het burgerlijk recht, het strafrecht en het burgerlijk en strafprocesrecht in algemene wetboeken, behoudens de bevoegdheid tot regeling van bepaalde onderwerpen in afzonderlijke wetten.

  2. De wet stelt algemene regels van bestuursrecht vast.

Artikel 108 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 25 februari 1999

Artikel 109 - Rechtspositie ambtenaren

De wet regelt de rechtspositie van de ambtenaren. Zij stelt tevens regels omtrent hun bescherming bij de arbeid en omtrent medezeggenschap.

 

Artikel 110 - Openbaarheid van bestuur

De overheid betracht bij de uitvoering van haar taak openbaarheid volgens regels bij de wet te stellen.

 

Artikel 111 - Ridderorden

Ridderorden worden bij de wet ingesteld.
HOOFDSTUK 6

Rechtspraak INLEIDING

Artikel 112 - Civiele en administratieve rechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is opgedragen de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen.

  2. De wet kan de berechting van geschillen die niet uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, opdragen hetzij aan de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren. De wet regelt de wijze van behandeling en de gevolgen van de beslissingen.

Artikel 113 - Strafrechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van strafbare feiten.

  2. Tuchtrechtspraak door de overheid ingesteld wordt bij de wet geregeld.

  3. Een straf van vrijheidsontneming kan uitsluitend door de rechterlijke macht worden opgelegd.

  4. Voor berechting buiten Nederland en voor het oorlogsstrafrecht kan de wet afwijkende regels stellen.

Artikel 114 - Doodstraf

De doodstraf kan niet worden opgelegd.

Artikel 115 - Administratief beroep

Ten aanzien van de in artikel 112, tweede lid, bedoelde geschillen kan administratief beroep worden opengesteld.

Artikel 116 - Rechterlijke macht

  1. De wet wijst de gerechten aan die behoren tot de rechterlijke macht.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de rechterlijke macht.

  3. De wet kan bepalen, dat aan rechtspraak door de rechterlijke macht mede wordt deelgenomen door personen die niet daartoe behoren.

  4. De wet regelt het toezicht door leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast uit te oefenen op de ambtsvervulling door zodanige leden en door de personen bedoeld in het vorige lid.

Artikel 117 - Rechtspositie leden rechterlijke macht

  1. De leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal bij de Hoge Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet bepaald kunnen zij door een bij de wet aangewezen, tot de rechterlijke macht behorend gerecht worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 118 - Hoge Raad

  1. De leden van de Hoge Raad der Nederlanden worden benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. De Hoge Raad is in de gevallen en binnen de grenzen bij de wet bepaald, belast met de cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van het recht.

  3. Bij de wet kunnen aan de Hoge Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 119 - Ambtsmisdrijven

De leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreden terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.

Artikel 120 - Toetsingsverbod

De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.

Artikel 121 - Openbaarheid terechtzittingen

Met uitzondering van de gevallen bij de wet bepaald vinden de terechtzittingen in het openbaar plaats en houden de vonnissen de gronden in waarop zij rusten. De uitspraak geschiedt in het openbaar.

Artikel 122 - Gratie

  1. Gratie wordt verleend bij koninklijk besluit na advies van een bij de wet aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.

  2. Amnestie wordt bij of krachtens de wet verleend.

HOOFDSTUK 7

Decentralisatie INLEIDING

Artikel 123 - Instelling provincies en gemeenten

  1. Bij de wet kunnen provincies en gemeenten worden opgeheven en nieuwe ingesteld.

  2. De wet regelt de wijziging van provinciale en gemeentelijke grenzen.

Artikel 124 - Autonomie en medebewind

  1. Voor provincies en gemeenten wordt de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake hun huishouding aan hun besturen overgelaten.

  2. Regeling en bestuur kunnen van de besturen van provincies en gemeenten worden gevorderd bij of krachtens de wet.

Artikel 125 - Organen decentrale besturen

  1. Aan het hoofd van de provincie en de gemeente staan provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad. Hun vergaderingen zijn openbaar, behoudens bij de wet te regelen uitzonderingen.

  2. Van het bestuur van de provincie maken ook deel uit gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning, van het bestuur van de gemeente het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester.

Artikel 126 - Ambtsinstructie commissaris koning

Bij de wet kan worden bepaald, dat de commissaris van de Koning wordt belast met de uitvoering van een door de regering te geven ambtsinstructie.

Artikel 127 - Vaststelling verordening

Provinciale staten en de gemeenteraad stellen, behoudens bij de wet of door hen krachtens de wet te bepalen uitzonderingen, de provinciale onderscheidenlijk de gemeentelijke verordeningen vast.

Artikel 128 - Toekenning bevoegdheden

Behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 123, kan de toekenning van bevoegdheden, als bedoeld in artikel 124, eerste lid, aan andere organen dan die, genoemd in artikel 125, alleen door provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad geschieden.

Artikel 129 - Verkiezing vertegenwoordigend orgaan

  1. De leden van provinciale staten en van de gemeenteraad worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders, tevens ingezetenen van de provincie onderscheidenlijk de gemeente, die voldoen aan de vereisten die gelden voor de verkiezing van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Voor het lidmaatschap gelden dezelfde vereisten.
  2. De leden worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  3. De artikelen 53, tweede lid, en 59 zijn van toepassing. Artikel 57a is van overeenkomstige toepassing.
  4. De zittingsduur van provinciale staten en de gemeenteraad is vier jaren, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen.
  5. De wet bepaalt welke betrekkingen niet gelijktijdig met het lidmaatschap kunnen worden uitgeoefend. De wet kan bepalen, dat beletselen voor het lidmaatschap voortvloeien uit verwantschap of huwelijk en dat het verrichten van bij de wet aangewezen handelingen tot het verlies van het lidmaatschap kan leiden.
  6. De leden stemmen zonder last.

Artikel 130 - Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders

De wet kan het recht de leden van de gemeenteraad te kiezen en het recht lid van de gemeenteraad te zijn toekennen aan ingezetenen, die geen Nederlander zijn, mits zij tenminste voldoen aan de vereisten die gelden voor ingezetenen die tevens Nederlander zijn.

Artikel 131 - Benoeming commissaris Koning

De commissaris van de Koning en de burgemeester worden bij koninklijk besluit benoemd.

Artikel 132 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen

  1. De wet regelt de inrichting van provincies en gemeenten, alsmede de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen.

  2. De wet regelt het toezicht op deze besturen.

  3. Besluiten van deze besturen kunnen slechts aan voorafgaand toezicht worden onderworpen in bij of krachtens de wet te bepalen gevallen.

  4. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden bij koninklijk besluit wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

  5. De wet regelt de voorzieningen bij in gebreke blijven ten aanzien van regeling en bestuur, gevorderd krachtens artikel 124, tweede lid. Bij de wet kunnen met afwijking van de artikelen 125 en 127 voorzieningen worden getroffen voor het geval het bestuur van een provincie of een gemeente zijn taken grovelijk verwaarloost.

  6. De wet bepaalt welke belastingen door de besturen van provincies en gemeenten kunnen worden geheven en regelt hun financiële verhouding tot het Rijk.

Artikel 133 - Waterschappen

  1. De opheffing en instelling van waterschappen, de regeling van hun taken en inrichting, alsmede de samenstelling van hun besturen, geschieden volgens bij de wet te stellen regels bij provinciale verordening, voor zover bij of krachtens de wet niet anders is bepaald.

  2. De wet regelt de verordenende en andere bevoegdheden van de besturen van de waterschappen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen.

  3. De wet regelt het provinciale en overige toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 134 - Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

  1. Bij of krachtens de wet kunnen openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere openbare lichamen worden ingesteld en opgeheven.

  2. De wet regelt de taken en de inrichting van deze openbare lichamen, de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen. Bij of krachtens de wet kan aan hun besturen verordenende bevoegdheid worden verleend.

  3. De wet regelt het toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 135 - Gemeenschappelijke regelingen

De wet geeft regels ter voorziening in zaken waarbij twee of meer openbare lichamen zijn betrokken. Daarbij kan in de instelling van een nieuw openbaar lichaam worden voorzien, in welk geval artikel 134, tweede en derde lid, van toepassing is.

Artikel 136 - Geschillen

De geschillen tussen openbare lichamen worden bij koninklijk besluit beslist, tenzij deze behoren tot de kennisneming van de rechterlijke macht of hun beslissing bij de wet aan anderen is opgedragen.
HOOFDSTUK 8

Herziening grondwet INLEIDING

Artikel 137 - Grondwetswijziging

  1. De wet verklaart, dat een verandering in de Grondwet, zoals zij die voorstelt, in overweging zal worden genomen.

  2. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, een voorstel voor zodanige wet splitsen.

  3. Na de bekendmaking van de wet, bedoeld in het eerste lid, wordt de Tweede Kamer ontbonden.

  4. Nadat de nieuwe Tweede Kamer is samengekomen, overwegen beide kamers in tweede lezing het voorstel tot verandering, bedoeld in het eerste lid. Zij kunnen dit alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  5. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen een voorstel tot verandering splitsen.

Artikel 138 - Aanpassing niet gewijzigde bepalingen

  1. Voordat de in tweede lezing aangenomen voorstellen tot verandering in de Grondwet door de Koning worden bekrachtigd, kunnen bij de wet:

    a. de aangenomen voorstellen en de ongewijzigd gebleven bepalingen van de Grondwet voor zoveel nodig aan elkaar worden aangepast;

    b. de indeling in en de plaats van hoofdstukken, paragrafen en artikelen, alsmede de opschriften worden gewijzigd.

  2. Een voorstel van wet, houdende voorzieningen als bedoeld in het eerste lid onder a, kunnen de kamers alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 139 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De veranderingen in de Grondwet, door de Staten-Generaal aangenomen en door de Koning bekrachtigd, treden terstond in werking, nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 140 - Handhaving bestaande regelgeving

Bestaande wetten en andere regelingen en besluiten die in strijd zijn met een verandering in de Grondwet, blijven gehandhaafd, totdat daarvoor overeenkomstig de Grondwet een voorziening is getroffen.

Artikel 141 - Bekendmaking herziene Grondwet

De tekst van de herziene Grondwet wordt bij koninklijk besluit bekendgemaakt, waarbij hoofdstukken, paragrafen en artikelen kunnen worden vernummerd en verwijzingen dienovereenkomstig kunnen worden veranderd.

Artikel 142 - Aanpassing Grondwet aan Statuut

De Grondwet kan bij de wet met het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in overeenstemming worden gebracht. De artikelen 139, 140 en141 zijn van overeenkomstige toepassing.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

G. Leenknegt

ARTIKEL 4 - Kiesrecht

INHOUD
  1. Historische ontwikkeling
  2. Betekenis en functie
  3. Reikwijdte: algemeen vertegenwoordigende organen
  4. Reikwijdte: iedere Nederlander gelijkelijk
  5. Beperkingsmogelijkheden
  6. Kiesrecht voor het Europees Parlement
  7. Relevant verdragsrecht
  8. Jurisprudentie
  9. Literatuur
  10. Historische versies
 

Editie maart 2013[1]

1. Historische ontwikkeling

Artikel 4 kan worden gezien als de grondwettelijke bepaling waarin de democratische staatsvorm is vastgelegd. Hoewel de Grondwet geen preambule of algemene bepaling kent die uitdrukkelijk het rechtsstatelijke en democratische karakter van de Nederlandse constitutionele ordening benoemt, liggen die beginselen wel degelijk aan het constitutionele recht ten grondslag. Artikel 4 legt in dat verband vast dat elke Nederlander het recht heeft om betrokken te zijn bij de samenstelling van de algemeen vertegenwoordigende organen, hetgeen een van de fundamenten van de democratiegedachte is. Artikel 4 is in die zin een kernbepaling in onze Grondwet.
 
Tot 1983 kende de Grondwet niet een met artikel 4 vergelijkbare algemene bepaling betreffende het actief en passief kiesrecht voor de algemeen vertegenwoordigende organen. Daarvóór kon wel uit een samenstel van bepalingen in de Grondwet zelf en in diverse wetten het recht op actief en passief kiesrecht worden afgeleid. Zo voorziet de Grondwet al vanaf 1887 in de mogelijkheid van uitsluiting van de uitoefening van het kiesrecht,[2] en geeft de Kieswet sinds 1896 de burger een recht op verbetering van de kiesregistratie in het geval men niet op de juiste wijze of in het geheel niet in het kiesregister is geregistreerd.[3] Daarnaast kent de Grondwet vanaf 1848 steeds bepalingen die meer concreet het actief en passief kiesrecht voor de belangrijkste vertegenwoordigende organen op gemeentelijk, provinciaal en rijksniveau waarborgen, zoals de artikelen 54-56 en 129 en 130 Grondwet dat nu doen voor de beide kamers van de Staten-Generaal, de gemeenteraden en de provinciale staten.

Tweede Kamer

Men kan zich de vraag stellen waarom de behoefte aan een steviger fundament in de vorm van een expliciet grondwettelijk grondrecht niet eerder is gevoeld. Een mogelijke verklaring daarvoor is dat lange tijd – van 1917 tot 1970 – een stemplicht gold, waardoor het deelnemen aan de verkiezingen voor de burger een wettelijke verplichting was.[4] Het is niet onwaarschijnlijk dat men het gevoel heeft gehad dat een activiteit tot welke een burger niet alleen gerechtigd, maar waartoe hij of zij tevens verplicht is, zich wat minder goed leende voor het toedelen van de status van grondrecht.[5]
 
De opneming in de Grondwet van het kiesrecht als een grondrecht werd voor het eerst voorgesteld door de meerderheid van de Staatscommissie Cals/Donner met de argumentatie dat het ‘hier een recht op participatie in de publieke zaak betreft’ en dat de opneming ‘voorts overeen(stemt) met de opzet van verschillende internationale documenten op het terrein van de grondrechten’.[6] De commissie wees daarbij op de Franse Déclaration des droits de l’homme et du citoyen van 1789 (tweede volzin van artikel 6), de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (het eerste lid van artikel 21) en op het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (artikel 25). Ook in de constitutionele geschiedenis van Nederland zijn volgens de commissie aanknopingspunten te vinden, zoals de artikelen 10 en 11 van de burgerlijke en staatkundige grondregels van de Staatsregeling van 1798.[7] Daarnaast vindt het kiesrecht erkenning in artikel 3 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), maar dan geformuleerd als een verplichting voor de verdragsluitende staten om regelmatig vrije en geheime verkiezingen te organiseren (zie par. 7). Het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie garandeert daarnaast alle EU-burgers het recht deel te nemen aan verkiezingen voor het Europees Parlement en voor gemeenteraden in de lidstaat waar men verblijf houdt onder gelijke voorwaarden als de onderdanen van die lidstaat (zie par. 6).
 
De regering schaarde zich ten tijde van de grondwetsherziening van 1983 aan de zijde van de meerderheid van de Staatscommissie-Cals/Donner; zij achtte het actief en passief kiesrecht – terecht – van zodanig fundamenteel belang dat opneming in de grond­rechten­catalogus in het eerste hoofdstuk van de Grondwet gerechtvaardigd was.[8]

2. Betekenis en functie

Het kiesrecht is in artikel 4 geformuleerd als een klassiek grondrecht. Uitgangspunt is dat iedere Nederlander het recht heeft om de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te kiezen en om zelf verkozen te worden. Hoewel artikel 4 dat niet uitdrukkelijk verwoordt, dienen die verkiezingen vrij en geheim te zijn,[9] wat wil zeggen dat geen bedreiging of dwang mag worden uitgeoefend om voor een bepaalde kandidaat of politieke beweging te stemmen, of om dat juist niet te doen, en dat een kiezer niet verplicht is openbaar te maken hoe hij of zij heeft gestemd.[10] Het grondrecht heeft daarmee een duidelijke democratische functie: het beoogt te garanderen dat burgers betrokken kunnen zijn bij de samenstelling van overheidsorganen en dat zij kunnen bijdragen aan het goed functioneren van die overheidsorganen.

Dat vereist meer dan onthouding van de zijde van de overheid; er vloeien ook verplichtingen voor de overheid uit voort. Zo is het voor de werking van het kiesrecht nood­zakelijk dat met enige regelmaat verkiezingen worden georganiseerd. Kortmann geeft aan dat het niet wenselijk is dat verkiezingen te vaak plaatsvinden, aangezien dan afbreuk zou worden gedaan aan de noodzakelijke continuïteit in de samenstelling en werkzaamheden van de vertegenwoordigende organen.[11] Aan de andere kant zijn er omstandigheden denkbaar waarin de continuïteit van de werkzaamheid van een vertegenwoordigend orgaan juist gebaat kan zijn bij snel opeenvolgende verkiezingen. Wanneer een vertegenwoordigend orgaan onvoldoende krachtig kan besluiten of stelling innemen, bijvoorbeeld door sterke interne verdeeldheid of conflicten, zijn snelle verkiezingen te prefereren boven stagnatie in het politieke bedrijf.
 
Ook veronderstelt het kiesrecht het bestaan van een politieke structuur met geor­ganiseerde politieke partijen;[12] de overheid moet burgers niet alleen de ruimte laten om zich te organiseren voor het verrichten van politieke activiteiten, maar dat proces ook faciliteren en zelfs deels financieren als dat nodig is.[13]
 
Verder veronderstelt het (actief) kiesrecht idealiter dat burgers goed geïnformeerd zijn, zodat zij in staat zijn zich in verkiezingstijd een oordeel te vormen over belangrijke maatschappelijke en sociaal-economische vraagstukken en over de opvattingen en kwaliteiten van verkiesbare kandidaten. Immers, alleen dan kan een kiezer in vrijheid een rationele keuze maken. Nu is het weliswaar de vraag of de doorsnee kiezer zich in het stemhokje werkelijk hoofdzakelijk door dergelijke rationele overwegingen laat leiden, maar dat doet niet af aan de vaststelling dat het kiesrecht uitgaat van de gedachte dat burgers in staat moeten worden gesteld om een rationele keuze te maken. Dat betekent dat burgers via onafhankelijke media kennis moeten kunnen nemen van de opvattingen en kwaliteiten van kandidaten, dat die kandidaten vrij moeten zijn hun ideeën in verkiezingscampagnes uit te dragen en dat kiezers vervolgens hun opvattingen daarover kenbaar kunnen maken door het uitbrengen van een stem. Het kiesrecht is als grondrecht dus sterk verbonden met andere vrijheidsrechten die een democratische functie hebben, zoals de vrijheid van meningsuiting en andere uitingsrechten, het recht tot vereniging en niet in de laatste plaats het recht op onderwijs. In de tekst van de Grondwet is dit niet tot uitdrukking gebracht; overeenkomende verdragsbepalingen die het actief en passief kiesrecht beschermen – met name artikel 3 van het Eerste Protocol bij het EVRM – leggen de verbinding tussen het kiesrecht en de uitings- en gelijkheidsrechten in een aantal gevallen wel nadrukkelijk (zie par. 7). 

3. Reikwijdte: algemeen vertegenwoordigende
    organen

De reikwijdte van het door artikel 4 gewaarborgde actief en passief kiesrecht wordt in belangrijke mate bepaald door de betekenis van de term ‘algemeen vertegenwoordigende organen.’ Het algemeen actief en passief kiesrecht wordt uitsluitend gegarandeerd voor de samenstelling van organen die een algemeen vertegenwoordigend karakter hebben. Er bestaan daarnaast allerlei organen die een specifieke beroepsgroep, bedrijfstak, maatschappelijk veld of groepsbelang vertegenwoordigen; de samenstelling van die organen hoeft niet gebaseerd te zijn op het beginsel van algemeen kiesrecht.
 
De vraag of een orgaan ‘algemeen vertegenwoordigend’ is, dient beantwoord te worden aan de hand van de aard en omvang van het takenpakket daarvan. Een orgaan dat ‘wat betreft samenstelling en bevoegdheden een zodanige positie in het openbaar bestuur’ inneemt, of ‘een zodanig algemeen karakter en een zodanige zwaarte in het bestuursproces’ heeft, moet tot de door artikel 4 Grondwet bedoelde algemeen vertegenwoordigende organen worden gerekend.[14] Het gaat dus om organen die niet een specifieke taakopdracht en beperkte, daarop gerichte bevoegdheden bezitten, maar om organen die een ‘algemeen veld van belangenbehartiging’ bestrijken.[15] Zij behartigen het algemeen belang binnen een lokale of regionale gemeenschap of van geheel Nederland.[16]
 
In elk geval – zoveel werd tijdens de voorbereiding van de grondwetsherziening van 1983 duidelijk – behoren daartoe de beide Kamers der Staten-Generaal, de provinciale staten en de gemeenteraden. De besturen van functioneel gedecentraliseerde overheden, zoals waterschappen en publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties, vallen er daarentegen niet onder.[17] De politie- en veiligheidsregio’s hebben evenmin een algemeen takenpakket met bijbehorende bevoegdheden en ook van universiteits- en faculteitsraden, ondernemingsraden en vergelijkbare organen mag worden aangenomen dat zij niet tot de in artikel 4 bedoelde ‘algemeen vertegenwoordigende organen’ behoren.[18]
 
Deelgemeenteraden[19] konden onder omstandigheden wel tot de algemeen vertegen­woordigende organen worden gerekend. In 2013 werd echter (onder andere) de Gemeentewet gewijzigd, waardoor de mogelijkheid om deelgemeenten in te richten en uit te rusten met raadsbevoegdheden werd geschrapt. Daarmee verloren ook de bestaande deelgemeenten[20] hun wettelijke grondslag.[21]

4. Reikwijdte: iedere Nederlander gelijkelijk

De waarborg die artikel 4 biedt, geldt alleen voor Nederlanders. Dat betekent dat, behoudens beperkingen en uitzonderingen, in elk geval iedere Nederlander het recht heeft om te kiezen en gekozen te worden voor algemeen vertegenwoordigende organen. Nederlanders hebben het recht te beslissen over de samenstelling van de organen die de gemeenschap vertegenwoordigen waarvan zij zelf, op basis van hun nationaliteit, deel uitmaken. Artikel 4 staat er niet aan in de weg ingezetenen met een andere nationaliteit actief en passief kiesrecht toe te kennen voor de vertegenwoordigende organen van de gemeenschap waarmee zij verbonden zijn.[22] De Grondwet zelf stelt hieraan echter grenzen: uit de artikelen 54 en 130 Grondwet kan worden afgeleid dat dit niet mogelijk is voor de verkiezing van de beide kamers der Staten-Generaal of provinciale staten.[23]
 
Voor de gemeenteraden is wel actief en passief kiesrecht toegekend aan bepaalde cate­gorieën niet-Nederlandse ingezetenen, waaronder burgers van andere EU-lidstaten.[24] Dat laatste vloeit voort uit de artikelen 20, tweede lid, onder b, en 22, eerste lid, van het EU-Werkingsverdrag. Deze bepalingen kennen alle burgers van de Unie actief en passief kiesrecht toe bij de verkiezingen voor gemeenteraden in de lidstaat waar zij verblijf houden, onder dezelfde voorwaarden als de eigen onderdanen van de betreffende lidstaat. Ook artikel 40 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie garandeert dat recht aan elke burger van de Unie.
 
Artikel 4 eist niet dat Nederlanders hun werkelijke woonplaats in Nederland hebben om kiesrecht te hebben voor de algemeen vertegenwoordigende organen. Artikel 129 Grondwet eist voor de verkiezing van provinciale staten en gemeenteraden om voor de hand liggende redenen wel het ingezetenschap van de betreffende provincie en gemeente, maar de artikelen 54 en 55 eisen het ingezetenschap van Nederland niet als voorwaarde voor de verkiezing van de leden van respectievelijk de Tweede en de Eerste Kamer. Artikel 54 geeft slechts aan dat ten aanzien van het kiesrecht van niet-ingezetenen uitzonderingen kunnen worden gemaakt. De Kieswet bepaalt slechts dat Nederlanders actief kiesrecht hebben voor de Tweede Kamer (artikel B1, eerste lid, Kieswet); buiten Nederland wonende Nederlanders zijn dientengevolge niet van het kiesrecht uitgesloten. Zij kunnen hun stem uitbrengen per brief, zoals is geregeld in hoofdstuk M van de Kieswet. De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten (artikel Q1, eerste lid, Kieswet);deze laatsten zijn per definitie ingezetenen (art. 129 Gw). Niet-ingezetenen kunnen wel worden gekozen tot lid van de Eerste Kamer.
 
In beginsel hebben de inwoners van Aruba, Curaçao en Sint Maarten geen kiesrecht voor de Tweede Kamer, maar voor het vertegenwoordigend orgaan van het land waar zij ingezetene zijn, tenzij men ten minste tien jaar ingezetene van Nederland is geweest (artikel B1, tweede lid, Kieswet). De kiesgerechtigde inwoners van Bonaire, Sint Eustatius en Saba hebben kiesrecht voor de verkiezingen voor hun eilandsraden, voor de Tweede Kamer, de Eerste Kamer (via de eilandsraden) en het Europees Parlement (zie hoofdstuk Ya van de Kieswet).
 
In 2007 ontstond naar aanleiding van standpunten van de Partij Voor de Vrijheid (PVV) enige discussie over de dubbele nationaliteit van enkele bewindslieden en Kamerleden. Het hebben van een dubbele nationaliteit zou volgens critici voor de genoemde ambtsdragers niet moeten worden toegestaan, omdat die dubbele nationaliteit per definitie een dubbele loyaliteit tot gevolg zou hebben en dientengevolge een belangenverstrengeling zou op­leveren, terwijl van Kamerleden en bewindslieden zou mogen worden verwacht dat zij uitsluitend loyaal zijn aan Nederland en de belangen van de Nederlanders. Deze bewering is in algemene zin nogal onzinnig: het hebben van een dubbele nationaliteit betekent niet per definitie een gebrek aan loyaliteit aan Nederland.[25] In elk geval vormt artikel 4 Grondwet voor Nederlanders met een dubbele nationaliteit geen beletsel voor de verkiesbaarheid voor de beide Kamers der Staten-Generaal of andere algemeen vertegenwoordigende organen.[26]
 
Artikel 4 kent het actief en passief kiesrecht ‘gelijkelijk’ toe aan iedere Nederlander. Dit wil zeggen dat de stem van elke kiezer evenveel gewicht dient te hebben. Zo kan men niet bijvoorbeeld aan bepaalde categorieën personen een zwaarder wegende stem of meer stemmen toekennen dan aan andere.[27] Op grond van artikel 4 geldt in Nederland dus ‘one man one vote’, aldus de regering ten tijde van de herziening van 1983.[28]

5. Beperkingsmogelijkheden

Volgens artikel 4 kunnen bij de wet aan het actief en passief kiesrecht beperkingen en uitzonderin­gen worden gesteld. Dit houdt in dat de bevoegdheid om beperkingen te stellen is voorbehouden aan de wetgever in formele zin en dat de bevoegdheid daartoe niet kan worden gedelegeerd aan andere regelgevende organen, zoals bijvoorbeeld de gemeentelijke en provinciale vertegenwoordigende organen.
 
In het aanvankelijke wetsvoorstel was wel een bevoegdheid tot delegatie opgenomen. De Tweede Kamer vond in meerderheid zo’n delegatiemogelijkheid niet wenselijk omdat dan de situatie zou kunnen ontstaan dat bij gemeentelijke (of provinciale) verordening algemeen vertegenwoordigende organen in het leven zouden worden geroepen en dat het daaraan verbonden kiesrecht aan sterk uiteenlopende beperkingen zou kunnen worden onderworpen. Verschillende Kamerfracties achtten dat onwenselijk; de regering volgde de kamer in deze gedachtegang en gaf te kennen voor lief te nemen dat een delegatieverbod tot wat extra wetgeving zou leiden.[29]  
 
Het begrip ‘wet’ in de beperkingsclausule omvat volgens de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel ook de Grondwet zelf.[30] Kortmann merkt op dat dit voor de hand ligt wanneer men artikel 4 in verband ziet met artikelen 54-56 Grondwet. Deze bepalingen houden namelijk beperkingen van het actief en passief kiesrecht voor de beide kamers van de Staten-Generaal in. Ze moeten gezien worden als ‘lex specialis’ ten opzichte van de algemene regel van artikel 4.[31] Wil men de beperkingen in kaart brengen die ten aanzien van het actief en passief kiesrecht gelden, dan dient men vooral te zien naar artikelen 54-56 Grondwet (de leeftijdsgrens van achttien jaar, het ingezetenschap en de strafrechtelijke uitsluiting van het kiesrecht) en de Kieswet.[32]
 
De term ‘uitzonderingen’ werd, mede op aandringen van de Raad van State, opgenomen in verband met de getrapte wijze van verkiezing van de Eerste Kamer.[33] De Eerste Kamer wordt niet rechtstreeks door de bevolking gekozen, maar door de leden van de provinciale staten, waarbij bovendien een weging van de stemmen van de verschillende provinciale staten wordt toegepast.[34] De regering achtte de getrapte wijze van verkiezing zonder meer gedekt door de beperkingsclausule van artikel 4,[35] die op dit punt toepassing krijgt in artikel 55 Grondwet en in de Kieswet. Overigens had ook zonder deze uitzonderingsmogelijkheid in artikel 4 elders in de Grondwet een afwijkende regeling voor de verkiezing van de Eerste Kamer kunnen worden getroffen. De grondrechten in hoofdstuk 1 zijn niet van een hogere orde dan de overige Grondwetsbepalingen en artikel 55 kan, zoals hierboven aangegeven, worden gezien als een ‘lex specialis’ ten opzichte van de algemene regeling van het kiesrecht in artikel 4.[36]

6. Kiesrecht voor het Europees Parlement

Artikel 4 Grondwet garandeert niet het actief en passief kiesrecht voor het Europees Parlement, omdat met de ‘algemeen vertegenwoordigende organen’ in die bepaling uitsluitend nationale vertegenwoordigende organen worden bedoeld. Het kiesrecht voor het Europees Parlement is geregeld in afdeling V van de Kieswet. In grote lijnen komt de wijze van verkiezen overeen met die van de Tweede Kamer; artikel Y2 van de Kieswet verklaart de bepalingen van afdeling II inzake de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer van overeenkomstige toepassing. Het actief kiesrecht voor het Europees Parlement is echter, anders dan het kiesrecht voor de Tweede Kamer, niet beperkt tot Nederlanders, maar komt ook toe aan ingezetenen die onderdaan zijn van een andere lidstaat van de Europese Unie (artikel Y3).
 
De bepalingen in de Kieswet over de verkiezing van de leden van het Europees Parlement dienen niet ter uitvoering van een regelingsopdracht in de Grondwet. Het ligt voor de hand de basis voor het actief en passief kiesrecht van Europese burgers voor het Europees Parlement in het Europees recht te zoeken, maar gek genoeg is er in het Europees recht geen uitdrukkelijke garantie te vinden. In algemene zin wordt in artikel 10 van het Verdrag betreffende de Europese Unie gesteld dat de werking van de Unie is gegrond op de representatieve democratie; artikel 14, derde lid, bepaalt vervolgens dat het Europees Parlement rechtstreeks wordt gekozen, maar daarbij wordt niet aangegeven wie dan het recht hebben de leden van dat parlement te kiezen en erin gekozen te worden. De Akte betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in het Europees Parlement[37] bevat voorts wel regels met betrekking tot de wijze van verkiezen, maar evenmin een uitdrukke­lijke regeling betreffende het actief en passief kiesrecht. Het Hof van Justitie van de EU concludeert dan ook dat noch in de verdragen, noch in het secundair Europees recht een waarborg is neergelegd voor het actief en passief kiesrecht voor het Europees Parlement. Het staat de lidstaten dus vrij om binnen de grenzen van het Europees recht te bepalen wie kunnen kiezen en gekozen worden voor het Europees Parlement.[38]
 
De verdragen kennen wel enkele non-discriminatiebepalingen in verband met het kiesrecht voor het Europees Parlement. De artikelen 20, tweede lid, onder b, en 22, tweede lid, van het EU-Werkingsverdrag kennen burgers van de Unie het recht toe deel te nemen aan verkiezingen voor het Europees Parlement in de lidstaat waar zij verblijf houden, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van de betreffende staat; hetzelfde beginsel komt tot uitdrukking in artikel 39 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.[39] Het bovengenoemde artikel Y3 van de Kieswet geeft gestalte aan deze bepalingen in het Nederlandse recht.
 
Voor Nederland zijn de verdragsbepalingen over het kiesrecht voor het Europees Parlement in combinatie met het beginsel van gelijke behandeling en non-discriminatie, dat tot de algemene beginselen van het Europees recht behoort, van betekenis geweest voor ingezete­nen van de Caribische delen van het koninkrijk (destijds Aruba en de Nederlandse Antillen, tegenwoordig Aruba, Curaçao en Sint Maarten). Volgens het Hof van Justitie mag een lidstaat wel het ingezetenschap eisen als voorwaarde voor toekenning van het kiesrecht voor het Europees Parlement, maar mag het daarbij geen ongerechtvaardigd onderscheid maken tussen verschillende categorieën niet-ingezetenen. Nederland kende tot 2009 geen kiesrecht voor het Europees Parlement toe aan inwoners van de andere landen in het koninkrijk, die de Nederlandse nationaliteit bezitten, tenzij ze ten minste tien jaar ingezetene van Nederland zijn geweest en dus ook kiesgerechtigd waren voor de Tweede Kamer; tegelijk hadden Nederlanders die niet in een EU-lidstaat verbleven wel kiesrecht voor het Europees Parlement. De genoemde verdragsbepalingen en het beginsel van gelijke behandeling brengen echter mee dat een dergelijk onderscheid niet is toegestaan, tenzij een objectieve rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling zou bestaan, aldus het Hof van Justitie.[40] Naar aanleiding hiervan is de Kieswet aangepast en hebben in de Caribische delen van het Koninkrijk wonende Nederlanders sinds 2009 allen kiesrecht voor het Europees Parlement.[41]

Eman en Sevinger

V.l.n.r.: een een Canarische functionaris, mr. dr. A.G. (Mito) Croes, oud-minister en procesvertegenwoordiger van de appellanten, mr. Mike Eman en Benny Sevinger


Volgens artikel 223 van het EU-Werkingsverdrag vinden de verkiezingen voor het Europees Parlement in alle landen plaats volgens een eenvormige procedure of volgens beginselen die lidstaten op dit gebied gemeen hebben. Een en ander is, tamelijk globaal, uitgewerkt in de genoemde Akte betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement. Uitgangspunten zijn dat verkiezingen vrij en geheim zijn, dat het beginsel van algemeen stemrecht wordt gehanteerd, dat zetels worden toegekend volgens een systeem dat een evenredige zetelverdeling oplevert [42] en dat een kiesdrempel van maximaal vijf procent mag worden gehanteerd. Dubbelmandaten, dat wil zeggen het gecombineerde lidmaatschap van een nationaal en het Europees Parlement, zijn niet toegestaan.
 
In voorbereiding is een richtlijn die beoogt dubbele en onterechte kandidaturen en dubbel stemmen te voorkomen bij de verkiezingen voor het Europees Parlement door burgers die verblijven in een lidstaat waarvan zij geen onderdaan zijn.[43] In de huidige situatie dient een kandidaat een verklaring van een bevoegde instantie in de lidstaat van herkomst te overleggen dat hij zijn kiesgerechtigheid niet is verloren. Dat zal worden vervangen door een verklaring van de kandidaat zelf, welke door de lidstaat van verblijf bij een aan te wijzen instantie in de lidstaat van herkomst moet worden geverifieerd. Verder wordt het systeem van gegevensuitwisseling aangaande burgers die zich registeren voor deelname aan verkie­zingen vervangen door een eigen verklaring van de burger dat hij niet dubbel zal stemmen. Naleving zal steekproefsgewijs worden gecontroleerd door de bevoegde instanties in de lid­staten; het afgeven van valse verklaringen moet ten slotte door de lidstaten strafbaar worden gesteld.

7. Relevant verdragsrecht

Het actief en passief kiesrecht voor (mede)wetgevende organen wordt in algemene zin door verschillende Europese en internationale verdragen beschermd. Voor de Nederlandse rechtspraktijk is met name artikel 3, Eerste Protocol, van het EVRM van groot belang.[44] Die bepaling is, anders dan artikel 4 Grondwet, juist nadrukkelijk geformuleerd als instructienorm: de staat moet regelmatig vrije en geheime verkiezingen organiseren. Maar in de verdere bewoordingen van de bepaling komt tot uitdrukking dat het kiesrecht ook als een uitingsrecht moet worden gezien: de staat is gehouden verkiezingen te doen plaatsvinden ‘onder voorwaarden die de vrije meningsuiting van het volk bij het kiezen van de wetgevende macht waarborgen.’
 
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens legt in zijn rechtspraak ten aanzien van artikel 3, Eerste Protocol, sterk de nadruk op het element van menings- en informatievrijheid dat in de bepaling besloten ligt. Zo stelt het Hof in uiteenlopende uitspraken dat ‘free elections are inconceivable without free circulation of political opinions and information’.[45] De staat is uiteindelijk verantwoordelijk voor het organiseren en faciliteren van dat proces van vrije uitwisseling van ideeën; het Hof spreekt over ‘the role of the State as “ultimate garantor” of pluralism’.[46] En voorts stelt het Hof dat artikel 3 ‘implies essentially … – apart from freedom of expression – the principle of equality of treatment’.[47] Artikel 3 moet volgens het Hof dus in essentie worden begrepen als een uitingsrecht en een gelijkheidsrecht.
 
Wanneer artikel 3 van het Eerste Protocol aan de staten de verplichting oplegt om met redelijke tussenpozen verkiezingen voor de vertegenwoordigende organen van de wetgevende macht te houden, veronderstelt dat tegelijk het bestaan van individuele rechten voor de burgers van die staat, met name waarborging van het actief en passief kiesrecht.[48] Deze beide rechten zijn echter niet absoluut en kunnen aan de nodige beperkingen worden onderworpen. Daarbij geldt dat staten een ruime beoordelingsvrijheid hebben (een margin of appreciation). Wanneer het gaat om het actief kiesrecht is er echter minder ruimte voor beperkende maatregelen dan in het geval van het passief kiesrecht.[49] Artikel 3 van het Eerste Protocol kent geen beperkingsclausule, maar beperkende maatregelen zijn volgens de rechtspraak van het Hof toegelaten zolang ze de essentie van het recht niet raken, of een effectieve uitoefening van het recht niet onmogelijk maken. Verder moeten beperkende maatregelen bij de wet zijn voorzien, een legitiem doel dienen – de bepaling kent zoals gezegd geen beperkingsclausule met doelcriteria, maar het doel dat met de inbreuk wordt beoogd moet volgens het Hof overeenstemmen met de beginselen van rechtsstaat en democratie en niet strijdig zijn met de doelstellingen van de conventie[50] – en niet disproportioneel of willekeurig zijn.[51] Dat laatste betekent dat de procedurele zorgvuldigheid en de rechtszekerheid gewaarborgd dienen te zijn bij beslissingen om een of meerdere (categorieën) burgers van het actief of passief kiesrecht uit te sluiten.[52]
 
Artikel 3, Eerste Protocol, verbindt het actief en passief kiesrecht aan het bestaan van een ‘wetgevende macht’. Het Europees Hof heeft aangegeven dat een orgaan als wetgevende macht moet worden aangemerkt wanneer het voldoende zelfstandige regelgevende bevoegdheden heeft.[53] Nationale wetgevers voldoen aan dat criterium, evenals, in veel gevallen, de wetgevende organen van deelstaten in een federaal verband. Decentrale besturen in een eenheidsstaat zijn echter niet per definitie steeds aan te merken als wetgevende macht, maar slechts wanneer hun takenpakket en de bijbehorende bevoegdheden voldoende omvattend zijn. Overigens is het Europees Parlement wél een wetgevend orgaan als bedoeld in artikel 3, waarmee deze bepaling een – tegen de overheden van de lidstaten in te roepen – waarborg voor het actief en passief kiesrecht voor het Europees Parlement inhoudt.[54]
 
Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie kent – uiteraard – geen met artikel 3, Eerste Protocol, overeenkomende algemene waarborg voor het actief en passief kiesrecht voor de nationale wetgevende organen. Wel kent het Handvest algemene bepalingen over het kiesrecht van burgers van de Unie voor het Europees Parlement (zie hierboven, par. 6) en voor de gemeenteraden (par. 4).
 
Artikel 25, sub b, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten biedt wel met artikel 3, Eerste Protocol, vergelijkbare waarborgen voor actief en passief kiesrecht. De bepaling gebruikt daarbij iets andere bewoordingen: elke burger heeft het recht te stemmen en gekozen te worden in ‘betrouwbare periodieke verkiezingen’, gehouden krachtens ‘algemeen en gelijkwaardig kiesrecht’ en bij ‘geheime stemming’. Wel wordt in artikel 25, sub b, net als in artikel 3, Eerste Protocol, met zoveel woorden het uitdrukken van de vrije wil van de kiezers als voornaamste doelstelling van het actief en passief kiesrecht genoemd. Ook wordt in de aanhef van artikel 25 verwezen naar artikel 2 van het verdrag, dat een discriminatieverbod inhoudt, waarmee wordt uitgedrukt dat het kiesrecht een waarborg voor gelijke behandeling van burgers bij het kiezen van vertegen­woordigende organen inhoudt.
 
Een non-discriminatiebepaling in verband met het kiesrecht is ook te vinden in het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (VN-Vrouwenverdrag). Artikel 7 van dat verdrag verplicht de aangesloten staten om vrouwen op gelijke voet met mannen (onder meer) het actief en passief kiesrecht bij alle verkiezingen en volksstemmingen (sub a) alsmede de deelname aan niet-overheidsorganisaties en vereni­gingen op het gebied van het openbare en politieke leven (sub c) te verzekeren.
 
Over de betekenis van die bepaling in de Nederlandse rechtsorde deden de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de Hoge Raad deels tegenstrijdige uitspraken.[55] Beide zaken waren gevolg van een proefproces, aangespannen door onder meer de Stichting Proefprocessenfonds Clara Wichmann tegen de Staatkundig Gereformeerde Partij (SGP). Deze partij weigert kort gezegd vanuit haar religieuze grondslag vrouwen het volwaardig lidmaatschap van de partij, in de zin dat zij, anders dan mannelijke leden, niet namens de partij in aanmerking kunnen komen voor een vertegenwoordigende of bestuurlijke functie.
 
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties weigerde in 2005 de partij krachtens de (tooenmalige) Wet subsidiëring politieke partijen (Wspp) subsidie voor het jaar 2006 te verlenen, omdat de staat volgens de minister daarmee de verplichting neergelegd in artikel 7 van het VN-Vrouwenverdrag zou schenden. De hoogste bestuursrechter overweegt naar aanleiding hiervan dat artikel 7, gelet op de bewoordingen en de onderlinge samenhang van de drie onderdelen, een ‘een ieder verbindende bepaling’ zoals bedoeld in artikel 94 Grond­wet is, en derhalve voorrang heeft boven nationale rechtsnormen. De Afdeling meent echter dat daarmee niet vaststaat dat artikel 2 Wspp in het geval van de subsidieaanvraag van de SGP buiten toepassing moet blijven. De staat is krachtens artikel 7 VN-Vrouwenverdrag niet gehouden elke partij of beweging aan te pakken die vrouwen een andere rol in het politieke leven toekent dan mannen. Het discriminatieverbod van artikel 7 moet worden gezien in samenhang met andere rechten en vrijheden, zoals de geloofsvrijheid, de verenigingsvrijheid en de uitingsvrijheden en de staat dient een afweging tussen deze rechten te maken. Die afweging was neergelegd in de artikelen 2 en 16 van de Wspp, waarin was bepaald dat een strafrechtelijke veroordeling wegens discriminatie leidt tot weigering van de subsidie. Dat laatste was ten aanzien van de SGP niet aan de orde.[56]
 
De Hoge Raad zegt echter naar aanleiding van dezelfde feiten dat géén afweging tussen de verschillende betrokken rechten en vrijheden mogelijk is. Schending van het discriminatieverbod kan niet worden gerechtvaardigd met een beroep op de godsdienstvrijheid. De staat is gehouden een effectief middel te kiezen om schending van het discriminatieverbod aan te pakken en heeft hierbij geen beleidsvrijheid, aldus de Hoge Raad. Overigens voegt de Hoge Raad daar aan toe niet bevoegd te zijn om de wetgever op te dragen hiervoor een regeling te treffen, noch om de minister te bevelen de verlening van subsidies krachtens de Wspp stop te zetten.[57]  
 
Het arrest van de Hoge Raad vormde aanleiding voor de SGP om een klacht in te dienen bij het EHRM wegens schending door de Staat der Nederlanden van de vrijheid van religie, de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging, beschermd door de artikelen 9, 10 en 11 van het EVRM. Het Hof geeft aan dat het bevorderen van de gelijkheid van mannen en vrouwen een uiterst belangrijke doelstelling van alle lidstaten van de Raad van Europa is en stelt dat, gelet op zijn eerdere rechtspraak, uit artikel 14 EVRM (non-discriminatie) en 3, Eerste Protocol, in onderlinge samenhang hetzelfde voortvloeit als datgene wat de Hoge Raad uit artikel 7 van het VN Vrouwenverdrag opmaakt. De staat handelt in strijd met de democratische beginselen die ten grondslag liggen aan (onder meer) het EVRM wanneer hij een zienswijze ondersteunt (het Hof gebruikt hier de bewoordingen ‘to lend its support to views …’) die inhoudt dat de vrouw ondergeschikt is aan de man. De opvatting van de SGP dienaangaande is volgens het Hof onacceptabel in het licht van non-discriminatiebepalingen in uiteenlopende verdragen; dat die opvatting gebaseerd is op een diepe religieuze over­tuiging doet daaraan niet af. Het Hof verklaart de klacht kennelijk ongegrond, maar acht het niet zijn taak de Staat te vertellen of en op welke wijze de situatie moet worden beëindigd: ‘… the Court must refrain from stating any view as to what, if anything, the respondent Government should do to put a stop to the present situation’.[58]  
 
Dat het Hof zich moet beperken tot een niet-ontvankelijkverklaring van een kennelijk ongegronde klacht en geen uitspraak doet over de door de Staat te nemen maatregelen is niet verwonderlijk. Aanleiding voor de uitspraak was immers een klacht van de SGP wegens schending van meerdere bepalingen in het EVRM, niet een klacht van een in zijn belangen getroffen burger jegens de Staat vanwege discriminatie door de SGP. De voorgelegde vraag bood het Hof in feite geen ruimte om in te gaan op de vraag welke verplichting op de staat rust om de rechten van vrouwen in relatie tot de handelwijze van de SGP te beschermen. Desondanks heeft het Hof uitdrukkelijk uitgesproken dat de opvatting van de SGP ter zake onacceptabel is; daarmee is toch duidelijk geworden wat de visie van het Hof dienaangaande is en vanuit welk perspectief eventuele toekomstige zaken in relatie tot de SGP zullen worden beoordeeld.
 
In januari 2013 heeft de SGP in het licht van de juridische werkelijkheid haar Algemeen Reglement aangepast: het geslacht mag voortaan niet bepalend zijn bij de selectie van kandidaten voor de kandidatenlijst bij verkiezingen. Haar beginselprogramma heeft de partij echter niet aangepast.[59] Welk effect deze aanpassing zal hebben is onzeker: het is niet uitgesloten dat nog altijd alleen mannen namens de SGP op kandidatenlijsten zullen worden geplaatst, niet vanwege hun geslacht, maar om andere redenen van geschiktheid of beschikbaarheid. Er is geen verplichting om ook daadwerkelijk een of meerdere vrouwen te kandideren. En zelfs wanneer zo’n verplichting zou worden opgelegd, zou de partij eenvoudig vrouwen zodanig laag op de lijst kunnen plaatsen dat zij (behoudens voorkeurstemmen) niet verkiesbaar zijn en vrouwen die kandidaat zijn kunnen er langs informele kanalen binnen de partij toe worden bewogen een eventuele toegekende zetel niet daadwerkelijk in te nemen. Strakkere regels kunnen daartegen vermoedelijk weinig uitrichten. 

8. Jurisprudentie

- ABRvS 5 december 2007, 200609224/1 (SGP), AB 2008, 35; Gst. 2008, 17; JB 2008, 24
- ECRM 30 mei 1975, zaken 6745 en 6746/74, W, X, Y, and Z t. België, Yb XVIII (1975), p. 236
- EHRM 2 maart 1987, Mathieu-Mohin en Clerfayt t. België, series A, vol. 113
- EHRM 30 januari 1998, United Communist Party of Turkey and Others v. Turkey, Reports of Judgments and Decisions 1998-I
- EHRM 18 februari 1999, Matthews t. het Verenigd Koninkrijk, NJ 1999, 515; AB 1999, 181
- EHRM 16 maart 2006, Ždanoka v. Latvia, 58278/00
- EHRM 8 juli 2008, Yumak and Sadak v. Turkey, 10226/03
- EHRM 27 april 2010, Tanase v. Moldavia, EHRC 2010/74
- EHRM 26 juli 2011, Orujov v. Azerbaijan, 4508/06
- EHRM 15 maart 2012, Sitaropoulos en Giakoumopoulos t. Griekenland, 42202/07
- EHRM 19 juni 2012, Communist Party of Russia and others v. Russia, 29400/05
- EHRM 10 juli 2012, Staatkundig Gereformeerde Partij vs. The Netherlands, 58369/10
- HR 9 april 2010, 08/01394 (SGP), Gst. 2010, 63
- HvJEU 12 september 2006, Eman en Sevinger, C-300/04, Jur. 2006, p. I-08055 

9. Literatuur

- L.F.M. Besselink, Nederlands postkoloniaal kiesrecht: het Europees Parlement en de Tweede Kamer, in: NTER 2007, nr. 4, p. 64-71
- D.J. Elzinga, H.R.B.M. Kummeling, J. Schipper-Spanninga, Het Nederlandse kiesrecht, Deventer 2012
- H.U. Jessurun d’Oliveira, Kiesrecht voor niet-nationalen, in: NJB 1983, p. 598 e.v.
- H.J.M. Jeukens, Kiesrecht als grondrecht. Theorie en pragmatisme in het staatsrecht, in: De mens in het recht (bundel opstellen aangeboden aan prof.mr. W.F. Prins), Vuga boekerij 1975, p. 125-140.
- C.A.J.M. Kortmann, De nieuwe Gemeentewet; een voorlopig verslag voor de Eerste Kamer, in: Gst. 6915, p. 61-66.
- M.L.P. Loenen, De SGP-discussie revisited, in: NJB 2010/1801, nr. 35, p. 2269-2278.
- H.-M. ten Napel, Het EHRM en de ‘waarlijk democratische regeringsvorm’, in: NJCM-Bulletin, jrg. 32 (2007), nr. 8, p. 1090-1106.
- R. Schutgens, J. Sillen, De SGP, het rechterlijk bevel en het kiesrecht, in: NJB 2010/ 855, nr. 17, p. 1114-1117
- Jo Shaw, The Transformation of Citizenship in the European Union, Electoral Rights and the Restructuring of Political Space, Cambridge, 2007
- P.L.G. van Velzen, Het grondrecht van het kiesrecht, in: Grondrechten (Jeukensbundel), p. 123 e.v.
- G. Visscher, Kiesstelsel en kiesrecht in het minderhedenbeleid, Gelijkheid en rechtvaardig­heid: staatsrechtelijke vraagstukken rondom 'minderheden', in: M. Kroes, J.P. Loof, H.-M. Th. D. ten Napel (red.), Gelijkheid en rechtvaardigheid, Staatsrechtconferentie 2001, p. 95-113, Nijmegen 2001.

10. Historische versies

Geen eerdere versies.

Noten

  1. Bij de vervaardiging van dit commentaar is in paragraaf 2 gebruik gemaakt van delen van de teksten van het commentaar op artikel 4 uit de tweede en derde druk van het artikelsgewijs commentaar op De Grondwet; het commentaar uit de tweede druk was van de hand van J.A.O. Eskes.
  2. Art. 80 Gw 1887. Vgl. het huidige art. 54, tweede lid, Gw. Voor een nadere beschouwing over de strafrechtelijke ontzetting van het kiesrecht, wordt verwezen naar het commentaar bij dat grondwetsartikel.
  3. Thans neergelegd in art. D5-D10 van de Kieswet.
  4. Tussen 1917 en 1922 schreef de Grondwet zelf de kiesgerechtigden een opkomstplicht (de zgn. `stemplicht') voor (art. 80, laatste lid, Gw. 1917), die na de grondwetsherziening van 1922 tot 1970 alleen nog door de Kieswet (laatstelijk art. I9) werd voorgeschreven.
  5. Voor een overzicht van de argumenten pro en contra het grondrechtelijk karakter van het kiesrecht, zie: H.J.M. Jeukens, Kiesrecht als grondrecht. Theorie en pragmatisme in het staatsrecht, in: De mens in het recht (bundel opstellen aangeboden aan prof.mr. W.F. Prins), Vuga boekerij 1975, p. 125-140; P.L.G. van Velzen, Het grondrecht van het kiesrecht, in: Grondrechten (Jeukensbundel), p. 123 e.v.; D.J. Elzinga, H.R.B.M. Kummeling, J. Schipper-Spanninga, Het Nederlandse kiesrecht, Deventer 2012, p. 15 e.v.
  6. Staatscommissie Cals/Donner, Tweede rapport (1969), p. 56, http://www.historici.nl/pdf/cc/1967a_cie_cals-donner/verslag/plenair/data/1969-09-19/1969-09-19.pdf.
  7. Ibid.
  8. Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 3, p. 26 (Nng Ia, p. 26).
  9. Art. 3 Eerste Protocol EVRM zegt dat wel uitdrukkelijk; art. 53, tweede lid, Gw spreekt van verkiezingen, te houden bij ‘geheime stemming’.
  10. Elzinga/Kummeling/Schipper-Spanninga 2012, p. 16.
  11. C.A.J.M. Kortmann, De Grondwetsherzieningen 1983 en 1987, Deventer 1987, p. 73.
  12. C.A.J.M. Kortmann, Constitutioneel recht, 6e dr., Deventer 2008, p. 425 NIEUWE DRUK. Daarbij moet worden bedacht dat tegenwoordig politieke bewegingen deelnemen aan verkiezingen die niet als een ‘klassieke’ politieke partij zijn georganiseerd, zoals de Partij Voor de Vrijheid (PVV). Deze partij heeft maar één lid, te weten Geert Wilders. Zie ook het commentaar bij artikel 8 Grondwet.
  13. Ibid.; Kortmann 1987, p. 73.
  14. Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 3, p. 27 (Nng Ia, p. 27).
  15. Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 4, p. 87 (Nng Ia, p. 86).
  16. Zie ook het commentaar bij artikel 50 Grondwet.
  17. Kamerstukken II 1976/77, 13 872, nr. 7, p. 22 (Nng Ia, p. 190).
  18. Zie Kortmann 2008, p. 426; D.J. Elzinga, R. de Lange, H.G. Hoogers, Van der Pot - Handboek van het Nederlandse staatsrecht, Kluwer, Deventer, 15e dr. 2006, p 330-331.
  19. Tot 2003 beschikte ook het provinciebestuur over de bevoegdheid om deelprovinciebesturen in te richten. Met ingang van 12 maart 2003 kwam de betreffende bepaling in de Provinciewet (art. 85) te vervallen, waar­door die bevoegdheid niet langer bestaat (Wet dualisering provinciebestuur, wet van 16 januari 2003, Stb. 17).
  20. Alleen Amsterdam en Rotterdam zijn de afgelopen jaren overgegaan tot de instelling van deelgemeenten (respectievelijk zeven en veertien).
  21. Wijziging van de Gemeentewet en enige andere wetten in verband met het afschaffen van de bevoegdheid van gemeentebesturen om deelgemeenten in te stellen; voor het wetsvoorstel met toelichting zie Kamerstukken II 2011-2012, 33017, nrs. 2-3; [stand van zaken 2/10/2012: in behandeling EK].
  22. Zie hierover: H.U. Jessurun d’Oliveira, Kiesrecht voor niet-nationalen, in: NJB 1983, p. 598 e.v.; G. Visscher, Kiesstelsel en kiesrecht in het minderhedenbeleid, Gelijkheid en rechtvaardigheid: staatsrechtelijke vraagstukken rondom ‘minderheden’, in: M. Kroes, J.P. Loof, H.-M. Th. D. ten Napel (red.), Gelijkheid en rechtvaardigheid, Staatsrechtconferentie 2001, p. 95-113, Nijmegen 2001; Jo Shaw, The Transformation of Citizenship in the European Union, Electoral Rights and the Restructuring of Political Space, Cambridge, 2007, met name hoofdstuk 3.
  23. Zie ook de commentaren bij de betreffende bepalingen.
  24. Art. 130 Gw. jo. art. B3 van de Kieswet, art. 10 van de Gemeentewet. Behalve EU-burgers hebben ook rechtmatig in Nederland verblij­vende vreemdelingen en personen die werkzaam zijn voor in Nederland gevestigde buitenlandse organisaties kiesrecht voor de gemeenteraden, met uitzondering van buitenlandse diplomaten en hun gezinsleden. Zie ook het commentaar bij artikel 130 .
  25. Zie hieromtrent ook EHRM 27 april 2010, Tanase v. Moldavia, EHRC 2010/74; zie ook de noot van J. Uzman in: NJCM-Bulletin 35, nr. 8, p. 1044-1061.
  26. A.W. Heringa, J. van der Velde, L.M.F. Verhey, W. van der Woude, Staatsrecht, Kluwer, Deventer 2012, p. 120. Zie ook: Adviescommissie voor vreemdelingenzaken, Nederlanderschap in een onbegrensde wereld, Advies over het Nederlandse beleid inzake meervoudige nationaliteit (advies 27, 2008), p. 34 e.v., te vinden op: http://www.acvz.org/publicaties/Advies-ACVZ-NR27-2008.pdf.
  27. Kamerstukken II 1976/77, 13 872, nr. 7, p. 22 en nr. 11, p. 3 (Nng Ia, p. 190, 223); Kortmann 1987, p. 74.
  28. Kamerstukken II 1976/77, 13 872, nr.3, p. 27 (Nng Ia, p. 27).
  29. Kamerstukken II, 1976/77, 13 872, nr. 7, p. 23 (Nng Ia, p. 191).
  30. Kamerstukken II, 1975/76, 13 872, nr. 3, p. 28 (Nng Ia, p. 28).
  31. Kortmann 2008, p. 426.
  32. Zie het commentaar bij art. 54-55 en 129-130 Grondwet.
  33. Kamerstukken II, 1975/76, 13 872, nr. 4, p. 64 en 88 (Nng Ia, p. 26, 63 en 87).
  34. Voor de bijzondere wijze van verkiezing van de leden van de Eerste Kamer wordt verwezen naar art. 55 Gw. en het daarbij behorende commentaar.
  35. Kamerstukken II, 1975/76, 13 872, nr. 4, p. 88 (Nng Ia, p. 87).
  36. Kortmann 1987, p. 75.
  37. Akte betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen, Besluit 76/787/EGKS, EEG, Euratom, zoals gewijzigd bij Besluit van de Raad van 25 juni 2002 en van 23 september 2002 (2002/772/EG, Euratom), http://wetten.overheid.nl/BWBV0005252.
  38. HvJEU 12 september 2006, Eman en Sevinger, Jur. 2006, p. I-08055, par. 40-45, http://curia.europa.eu/juris/showPdf.jsf?docid=63875&pageIndex=0&doclang=NL&mode=doc&dir occ=first&part=1&cid=345482. Interessant is dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft vastgesteld dat een waarborg voor actief en passief kiesrecht voor het Europees Parlement wel is te vinden in artikel 3, Eerste Protocol, EVRM; zie hierover ook par. 8.
  39. Een en ander is uitgewerkt in de Richtlijn 93/109 van de Raad van 6 december 1993 tot vaststelling van de wijze van uitoefening van het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees parlement ten behoeve van burgers van de Unie die verblijven in een lidstaat waarvan zij geen onderdaan zijn.
  40. HvJEU Eman en Sevinger, par. 61; zie hierover ook P.P. Craig, G. de Búrca, EU Law: Text, Cases, and Materials, 5th ed., OUP, Oxford, 2012, p. 848-849.
  41. Wet van 30 oktober 2008 tot wijziging van de Kieswet in verband met het verlenen van het kiesrecht voor de verkiezing van de leden van het Europees Parlement aan alle Nederlanders die in de Nederlandse Antillen en Aruba woonachtig zijn, Stb. 2008, 475.
  42. Dit staat niet per sé in de weg aan een stelsel waarbij verkiezingen worden georganiseerd op basis van districten, maar daarbij moet het gekozen stelsel wel een voldoende evenredige uitkomst opleveren, bijvoorbeeld door meervoudige districten te hanteren, of door een stelsel van preferential voting, zoals het Ierse Single Transferrable Vote-systeem.
  43. Richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 93/109 van de Raad van 6 december 1993 tot vaststelling van de wijze van uitoefening van het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees parlement ten behoeve van burgers van de Unie die verblijven in een lidstaat waarvan zij geen onderdaan zijn, Pb. EU L26 van 26.1.2013, p. 27 (http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:L:2013:026:0027:0029:NL:PDF).
  44. Zie over artikel 3 Eerste Protocol: H.-M. ten Napel, Het EHRM en de ‘waarlijk democratische regeringsvorm’, in: NJCM-Bulletin, jrg. 32 (2007), nr. 8, p. 1090-1106.
  45. Zie onder meer EHRM 19 juni 2012, Communist Party of Russia and others v. Russia, 29400/05, par. 79, http://hudoc.echr.coe.int/sites/eng/pages/search.aspx?i=001-111522; EHRM 30 januari 1998, United Communist Party of Turkey and Others v. Turkey, par. 44, Reports of Judgments and Decisions 1998 I, http://hudoc.echr.coe.int/sites/eng/pages/search.aspx?i=001-58128.
  46. EHRM 8 juli 2008, Yumak and Sadak v. Turkey, 10226/03, par. 106, http://hudoc.echr.coe.int/sites/eng/pages/search.aspx?i=001-87363.
  47. EHRM 2 maart 1987, Mathieu-Mohin en Clerfayt t. België, Series A no. 113, par. 54, http://hudoc.echr.coe.int/sites/eng/pages/search.aspx?i=001-57536.
  48. ECRM 30 mei 1975, zaken 6745 en 6746/74, W, X, Y, and Z t. België, Yb XVIII (1975), p. 236; EHRM 15 maart 2012, Sitaropoulos en Giakoumopoulos t. Griekenland, 42202/07, http://hudoc.echr.coe.int/sites/eng/pages/search.aspx?i=001-109579.
  49. EHRM Yumak and Sadak v. Turkey, par. 109.
  50. EHRM 16 maart 2006, Ždanoka v. Latvia, 58278/00, par. 115, http://hudoc.echr.coe.int/sites/eng/pages/search.aspx?i=001-72794.
  51. Zie onder andere EHRM 26 juli 2011, Orujov v. Azerbaijan, 4508/06, par. 40-42, http://hudoc.echr.coe.int/sites/eng/pages/search.aspx?i=001-105841.
  52. Ibid., par. 42.
  53. Voor enkele voorbeelden zie: Ten Napel 2007, p. 1094, en de daar vermelde rechtspraak van het EHRM.
  54. EHRM 18 februari 1999, Matthews t. het Verenigd Koninkrijk, 24833/94, par. 40, 54. http://hudoc.echr.coe.int/sites/eng/pages/search.aspx?i=001-58910.
  55. Zie hierover onder meer: M.L.P. Loenen, De SGP-discussie revisited, in: NJB 2010/1801, nr. 35, p. 2269-2278, en de reactie van R. Kooijman, SGP-zaak is te moeilijk voor juriste(n), in: NJB 2011/231, nr. 5, p. 302; R. Schutgens, J. Sillen, De SGP, het rechterlijk bevel en het kiesrecht, in: NJB 2010/ 855, nr. 17, p. 1114-1117; Heringa/Van de Velde/Verhey/Van der Woude 2012, p 393-395.
  56. AbrRvSt 5 december 2007, zaak 20060924/1 (SGP), AB 2008, 35; Gst. 2008, 17; JB 2008, 24, www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BB9493.
  57. HR 9 april 2010, zaak 08/01394 (SGP), Gst. 2010, 63; www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BK4549.
  58. EHRM 10 juli 2012, Staatkundig Gereformeerde Partij vs. The Netherlands, 58369/10; www.kiesraad.nl/nieuws/ehrm-verklaart-klacht-sgp-%E2%80%98kennelijk-ongegrond%E2%80%99. Zie hierover T. Zwart, Uitspraak over SGP laat alle opties open, in: De Volkskrant, 24 juli 2012, p. 26.
  59. Zie http://www.sgp.nl/Actueel/SGP past Algemeen Reglement aan

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    G. Leenknegt, Commentaar op artikel 4 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2017 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Kiesrecht

De grondwettelijke waarborg voor het actief en passief kiesrecht is de kern van onze democratie. Dit burgerrecht houdt in dat alle Nederlanders, mannen en vrouwen, het recht hebben om hun stem uit te brengen bij verkiezingen voor de vertegenwoordigende organen en om tot lid daarvan te worden verkozen. Daarbij mag geen onderscheid worden gemaakt tussen burgers: de stem van de ene Nederlander kan niet meer of minder zwaar wegen dan die van elke andere Nederlander.

De hier bedoelde vertegenwoordigende organen zijn in elk geval de Tweede Kamer, de Eerste Kamer, provinciale staten en gemeenteraden. De verkiezingen voor die organen moeten vrij en geheim zijn, zodat niemand vanwege zijn politieke voorkeur of uitgebrachte stem hoeft te vrezen onder druk te worden gezet of zelfs te worden vervolgd (artikel 53 Grondwet). Op de overheid rust de verplichting regelmatig verkiezingen te organiseren en op een ordelijk verloop daarvan toe te zien. Aan de gemeenteraadsverkiezingen mag ook worden deelgenomen door andere Europese burgers die in die gemeente wonen, en door mensen met een andere nationaliteit, mits ze vijf jaar of langer wettig in Nederland wonen (artikel 130 Grondwet).

Volgens de Grondwet kunnen aan het kiesrecht wel beperkingen worden gesteld. Daarbij moet worden gedacht aan de leeftijdsgrens van achttien jaar. Verder kan de rechter voor sommige misdrijven ontzetting van het kiesrecht opleggen als bijkomende straf, naast de sanctie die aan het gepleegde misdrijf is verbonden (artikel 54 Grondwet).
Achtergronden

Kiesrecht

De website " De Nederlandse Grondwet" over het kiesrecht.

Meer informatie over het "Grondwetpad", eenwandelroute langs allerlei constitutionele plekken in Den Haag.

De Nederlandse overheid  over het kiesrecht.

Meer weten over de geschiedenis van het kiesrecht van vrouwen? Raadpleeg dan deze pagina over Aletta Jacobs.

Een beknopte geschiedenis van het kiesrecht op de website van de histotheek.

Informatie over het kiesrecht op parlement.com.

Het kenniscentrum voor de democratie Pro Demos heeft ook interessante informatie over het kiesrecht. 

Wil je meer weten van het kiesrecht van gedetineerden? Bekijk dan deze pagina van de Commissie van Toezicht.




Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Kiesrecht

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Kiesrecht

Matthews vs. VK

EHRM 18 februari 1999
Het EHRM bepaalt dat het Verenigd Koninkrijk het kiesrecht van een inwoner van Gibraltar, horend bij het Verenigd Koninkrijk, heeft geschonden omdat deze niet kon stemmen voor het Europees Parlement.

Recente rechtspraak

Kiesrecht

SGP tegen Nederland

EHRM 10 juli 2012

Het EHRM verklaart een klacht van de SGP wegens een inbreuk op haar geloofsvrijheid en verenigingsvrijheid kennelijk ongegrond, en geeft bijna terloops aan dat de uitgangspunten van de partij, die vrouwen uitsluiten van vertegenwoordigende en bestuurlijke functies, strijdig zijn met de democratie en derhalve onaanvaardbaar. 

Politiek

Kiesrecht

Blinde mensen willen de eletronische stemmachine terug. Dit artikel in Binnenlands Bestuur gaat over het voorstel van Tweede Kamerlid Joost Taverne ter zake.
Video
Blogs
IN DE WERELD
Video

Kiesrecht

  • korte documentaire over de SPG zaak
  • Uitspraak Hoge Raad
  • Eerste vrouwelijke lijsttrekker SGP
  • Video over voorstel om elektronisch stemmen weer in te voeren
  • Korte documentaire naar aanleiding van de uitspraak van de HR over vrouwen op de kiestlijst van de SGP
  • Film 4
  • Film 3
  • Film 2
  • Film1
korte documentaire over de SPG zaak
Stel: je wil de gemeentepolitiek in. Maar de partij van jouw keuze wil alleen mannen op de kieslijst. Dus word je geweigerd omdat je een vrouw bent. Mag dat? De SGP vond van wel en beriep zich daarbij op de Bijbel. Het Proefprocessenfonds Clara Wichmann zag dat anders en startte een zaak die tot aan de Ho
Blogs

Kiesrecht

Dit blog op het NJBlog bespreekt het kiesrecht van ter beschikking gestelden (TBS'ers).

De kiesraad over uitsluiting van het kiesrecht.

Dit blog op Publiekrechtenpolitiek.nl bespreekt de basisregels van de Kieswet. Wat zijn nu de belangrijkste regels van het kiesrecht?

In de wereld

Kiesrecht

De Staat Californië werd door aangeklaagd door mensenrechten bewegingen wegens een beslissing om gedetineerden hun stemrecht te ontnemen.

Belangrijke wetgeving ten aanzien van het kiesrecht in de Verenigde Staten van Amerika, is The Voting Rights Act van 1965. Deze wet maakt discriminatie ten aanzien van het kiesrecht onrechtmatig. 

Tijdlijn op wikipedia waarin het toekennen van het kiesrecht aan vrouwen wereldwijd is weergeven.