CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • G. Leenknegt
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • A.A.L. Beers en K.T. Meijer
  • B.C. van Beers
  • B.M.J. van der Meulen
  • B.P. Vermeulen
  • B.W.N. de Waard
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • E.J. Janse de Jonge
  • E.J. Koops
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • F. Fleurke
  • F.C.M.A. Michiels
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx en A.C.M. Meuwese
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard en J. Uzman
  • G. Leenknegt
  • G. Overkleeft-Verburg
  • G. van der Schyff en B.M.J. van der Meulen
  • J. Kiewiet en G.F.M. van der Tang †
  • J. Uzman
  • J. Uzman en G. Boogaard
  • J.C.A. de Poorter
  • J.L.M. Gribnau en M.R.T Pauwels
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • J.W.A. Fleuren
  • K.T. Meijer
  • M. Adams
  • Mijke Houwerzijl & Nuna Zekic
  • Mijke Houwerzijl en Frank Vlemminx
  • P. Jacobs
  • S. Daniëls
  • S. Jellinghaus en E. Huisman
  • S.C. van Bijsterveld
  • S.C. van Bijsterveld en B.P. Vermeulen
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • T. Kooijmans
  • T. Peters
  • W. van der Woude
  • W.J.M. Voermans
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

HOOFDSTUK 1

Grondrechten

INLEIDING

Artikel 1 - Gelijke behandeling

Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Artikel 2 - Nederlandschap en vreemdelingen

  1. De wet regelt wie Nederlander is.
  2. De wet regelt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen.
  3. Uitlevering kan slechts geschieden krachtens verdrag. Verdere voorschriften omtrent uitlevering worden bij de wet gegeven.
  4. Ieder heeft het recht het land te verlaten, behoudens in de gevallen, bij de wet bepaald.

Artikel 3 - Gelijke benoembaarheid

Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.

Artikel 4 - Kiesrecht

Iedere Nederlander heeft gelijkelijk recht de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen alsmede tot lid van deze organen te worden verkozen, behoudens bij de wet gestelde beperkingen en uitzonderingen.

Artikel 5 - Petitierecht

Ieder heeft het recht verzoeken schriftelijk bij het bevoegd gezag in te dienen.

Artikel 6 - Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging

  1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 7 - Vrijheid van meningsuiting

  1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- of televisieuitzending.
  3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar regelen ter bescherming van de goede zeden.
  4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.

Artikel 8 - Recht tot vereniging

Het recht tot vereniging wordt erkend. Bij de wet kan dit recht worden beperkt in het belang van de openbare orde.

Artikel 9 - Recht tot vergadering en betoging

  1. Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 10 - Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer

  1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.
  2. De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens.
  3. De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.

Artikel 11 - Onaantastbaarheid van het lichaam

Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.

Artikel 12 - Binnentreden woning

  1. Het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen.
  2. Voor het binnentreden overeenkomstig het eerste lid zijn voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden vereist, behoudens bij de wet gestelde uitzonderingen.
  3. Aan de bewoner wordt zo spoedig mogelijk een schriftelijk verslag van het binnentreden verstrekt. Indien het binnentreden in het belang van de nationale veiligheid of dat van de strafvordering heeft plaatsgevonden, kan volgens bij de wet te stellen regels de verstrekking van het verslag worden uitgesteld. In de bij de wet te bepalen gevallen kan de verstrekking achterwege worden gelaten, indien het belang van de nationale veiligheid zich tegen verstrekking blijvend verzet.

Artikel 13 - Vertrouwelijke communicatie

  1. Het briefgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, op last van de rechter.
  2. Het telefoon- en telegraafgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, door of met machtiging van hen die daartoe bij de wet zijn aangewezen.

Artikel 14 - Onteigening

  1. Onteigening kan alleen geschieden in het algemeen belang en tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander naar bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.
  2. De schadeloosstelling behoeft niet vooraf verzekerd te zijn, wanneer in geval van nood onverwijld onteigening geboden is.
  3. In de gevallen bij of krachtens de wet bepaald bestaat recht op schadeloosstelling of tegemoetkoming in de schade, indien in het algemeen belang eigendom door het bevoegd gezag wordt vernietigd of onbruikbaar gemaakt of de uitoefening van het eigendomsrecht wordt beperkt.

Artikel 15 - Vrijheidsontneming

  1. Buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen.
  2. Hij aan wie anders dan op rechterlijk bevel zijn vrijheid is ontnomen, kan aan de rechter zijn invrijheidstelling verzoeken. Hij wordt in dat geval door de rechter gehoord binnen een bij de wet te bepalen termijn. De rechter gelast de onmiddellijke invrijheidstelling, indien hij de vrijheidsontneming onrechtmatig oordeelt.
  3. De berechting van hem aan wie met het oog daarop zijn vrijheid is ontnomen, vindt binnen een redelijke termijn plaats.
  4. Hij aan wie rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, kan worden beperkt in de uitoefening van grondrechten voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt.

Artikel 16 - Nulla poena

Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.

Artikel 17 - Wettelijk toegekende rechter

Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent.

Artikel 18 - Rechtsbijstand

  1. Ieder kan zich in rechte en in administratief beroep doen bijstaan.
  2. De wet stelt regels omtrent het verlenen van rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen.

Artikel 19 - Werkgelegenheid en arbeidskeuze

  1. Bevordering van voldoende werkgelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de rechtspositie van hen die arbeid verrichten en omtrent hun bescherming daarbij, alsmede omtrent medezeggenschap.
  3. Het recht van iedere Nederlander op vrije keuze van arbeid wordt erkend, behoudens de beperkingen bij of krachtens de wet gesteld.

Artikel 20 - Bestaanszekerheid

  1. De bestaanszekerheid der bevolking en spreiding van welvaart zijn voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de aanspraken op sociale zekerheid.
  3. Nederlanders hier te lande, die niet in het bestaan kunnen voorzien, hebben een bij de wet te regelen recht op bijstand van overheidswege.

Artikel 21 - Milieubescherming

De zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu.

Artikel 22 - Volksgezondheid en woongelegenheid

  1. De overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid.
  2. Bevordering van voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  3. Zij schept voorwaarden voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding.

Artikel 23 - Onderwijs

  1. Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.
  2. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.
  3. Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld.
  4. In elke gemeente wordt van overheidswege voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal openbare scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven, al dan niet in een openbare school.
  5. De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.
  6. Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.
  7. Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.
  8. De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten-Generaal.
HOOFDSTUK 2

Regering INLEIDING

Artikel 24 - Koningschap

Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau.

Artikel 25 - Erfopvolging

Het koningschap gaat bij overlijden van de Koning krachtens erfopvolging over op zijn wettige nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft, met plaatsvervulling volgens dezelfde regel. Bij gebreke van eigen nakomelingen gaat het koningschap op gelijke wijze over op de wettige nakomelingen eerst van zijn ouder, dan van zijn grootouder, in de lijn van erfopvolging, voor zover de overleden Koning niet verder bestaand dan in de derde graad van bloedverwantschap.

Artikel 26 - Status ongeboren kind Koning

Het kind, waarvan een vrouw zwanger is op het ogenblik van het overlijden van de Koning, wordt voor de erfopvolging als reeds geboren aangemerkt. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

Artikel 27 - Afstand koningschap

Afstand van het koningschap leidt tot erfopvolging overeenkomstig de regels in de voorgaande artikelen gesteld. Na de afstand geboren kinderen en hun nakomelingen zijn van de erfopvolging uitgesloten.

Artikel 28 - Afstand koningschap door huwelijk

  1. De Koning, een huwelijk aangaande buiten bij de wet verleende toestemming, doet daardoor afstand van het koningschap.
  2. Gaat iemand die het koningschap van de Koning kan beërven een zodanig huwelijk aan, dan is hij met de uit dit huwelijk geboren kinderen en hun nakomelingen van de erfopvolging uitgesloten.
  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake van een voorstel van wet, strekkende tot het verlenen van toestemming, in verenigde vergadering.

Artikel 29 - Uitsluiting troonopvolging

  1. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden daartoe nopen, kunnen bij een wet een of meer personen van de erfopvolging worden uitgesloten.

  2. Het voorstel daartoe wordt door of vanwege de Koning ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 30 - Benoemde Koning

  1. Wanneer vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal ontbreken, kan deze worden benoemd bij een wet. Het voorstel wordt door of vanwege de Koning ingediend. Na de indiening van het voorstel worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  2. Indien bij overlijden van de Koning of bij afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt, worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers komen binnen vier maanden na het overlijden of de afstand in verenigde vergadering bijeen ten einde te besluiten omtrent de benoeming van een Koning. Zij kunnen een opvolger alleen benoemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 31 - Erfopvolging benoemde koning

  1. Een benoemde Koning kan krachtens erfopvolging alleen worden opgevolgd door zijn wettige nakomelingen.

  2. De bepalingen omtrent de erfopvolging en het eerste lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op een benoemde opvolger, zolang deze nog geen Koning is.

Artikel 32 - Inhuldiging Koning

Nadat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen, wordt hij zodra mogelijk beëdigd en ingehuldigd in de hoofdstad Amsterdam in een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Hij zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt. De wet stelt nadere regels vast.

Artikel 33 - Koningschap en meerderjarigheid

De Koning oefent het koninklijk gezag eerst uit, nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

Artikel 34 - Ouderlijk gezag minderjarige Koning

De wet regelt het ouderlijk gezag en de voogdij over de minderjarige Koning en het toezicht daarop. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 35 - Buiten staat verklaring

  1. Wanneer de ministerraad van oordeel is dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, bericht hij dit onder overlegging van het daartoe gevraagde advies van de Raad van State aan de Staten-Generaal, die daarop in verenigde vergadering bijeenkomen.

  2. Delen de Staten-Generaal dit oordeel, dan verklaren zij dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen. Deze verklaring wordt bekend gemaakt op last van de voorzitter der vergadering en treedt terstond in werking.

  3. Zodra de Koning weer in staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, wordt dit bij de wet verklaard. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Terstond na de bekendmaking van deze wet hervat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag.

  4. De wet regelt zo nodig het toezicht over de persoon van de Koning indien hij buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 36 - Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag

De Koning kan de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk neerleggen en die uitoefening hervatten krachtens een wet, waarvan het voorstel door of vanwege hem wordt ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 37 - Uitoefening koninklijk gezag door regent

  1. Het koninklijk gezag wordt uitgeoefend door een regent:
    a. zolang de Koning de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt;
    b. indien een nog niet geboren kind tot het koningschap geroepen kan zijn;
    c. indien de Koning buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen;
    d. indien de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk heeft neergelegd;
    e. zolang na het overlijden van de Koning of na diens afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt.

  2. De regent wordt benoemd bij de wet. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  3. In de gevallen, genoemd in het eerste lid onder c en d, is de nakomeling van de Koning die zijn vermoedelijke opvolger is, van rechtswege regent indien hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

  4. De regent zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt, in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal. De wet geeft nadere regels omtrent het regentschap en kan voorzien in de opvolging en de vervanging daarin. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  5. Op de regent zijn de artikelen 35 en 36 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38 - Uitoefening koninklijk gezag door RvS

Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk gezag is voorzien, wordt dit uitgeoefend door de Raad van State.

Artikel 39 - Lidmaatschap koninklijk huis

De wet regelt, wie lid is van het koninklijk huis.

Artikel 40 - Uitkering koninklijk huis

  1. De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het Rijk uitkeringen naar regels bij de wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het koninklijk huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen.

  2. De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, zijn vrij van persoonlijke belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of zijn vermoedelijke opvolger krachtens erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van het koninklijk huis vrij van de rechten van successie, overgang en schenking. Verdere vrijdom van belasting kan bij de wet worden verleend.

  3. De kamers der Staten-Generaal kunnen voorstellen van in de vorige leden bedoelde wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 41 - Inrichting huis Koning

De Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis in.

Artikel 42 - Ministeriële verantwoordelijkheid

  1. De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.

  2. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.

Artikel 43 - Regering en ministers

De minister-president en de overige ministers worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.

Artikel 44 - Ministeries

  1. Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.

  2. Ook kunnen ministers worden benoemd die niet belast zijn met de leiding van een ministerie.

Artikel 45 - Ministerraad

  1. De ministers vormen te zamen de ministerraad.

  2. De minister-president is voorzitter van de ministerraad.

  3. De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid.

Artikel 46 - Staatssecretarissen

  1. Bij koninklijk besluit kunnen staatssecretarissen worden benoemd en ontslagen.

  2. Een staatssecretaris treedt in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister.

Artikel 47 - Ondertekening en contraseign

Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.

Artikel 48 - Ontslag en benoeming ministers

Het koninklijk besluit waarbij de minister-president wordt benoemd, wordt mede door hem ondertekend. De koninklijke besluiten waarbij de overige ministers en de staatssecretarissen worden benoemd of ontslagen, worden mede door de minister-president ondertekend.

Artikel 49 - Ambtseed minister en staatssecretaris

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de ministers en de staatssecretarissen bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.
HOOFDSTUK 3

Staten-Generaal INLEIDING

Artikel 50 - Vertegenwoordiging

De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk.

Artikel 51 - Eerste en Tweede Kamer

  1. De Staten-Generaal bestaan uit de Tweede Kamer en de Eerste Kamer.

  2. De Tweede Kamer bestaat uit honderdvijftig leden.

  3. De Eerste Kamer bestaat uit vijfenzeventig leden.

  4. Bij een verenigde vergadering worden de kamers als één beschouwd.

Artikel 52 - Zittingsduur

  1. De zittingsduur van beide kamers is vier jaren.
  2. Indien voor de provinciale staten bij de wet een andere zittingsduur dan vier jaren wordt vastgesteld, wordt daarbij de zittingsduur van de Eerste Kamer in overeenkomstige zin gewijzigd.

Artikel 53 - Evenredige vertegenwoordiging

  1. De leden van beide kamers worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  2. De verkiezingen worden gehouden bij geheime stemming.

Artikel 54 - Verkiezing Tweede Kamer

  1. De leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen ten aanzien van Nederlanders die geen ingezetenen zijn.

  2. Van het kiesrecht is uitgesloten hij die wegens het begaan van een daartoe bij de wet aangewezen delict bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste een jaar en hierbij tevens is ontzet van het kiesrecht.

Artikel 55 - Verkiezing Eerste Kamer

De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten. De verkiezing wordt, behoudens in geval van ontbinding der kamer, gehouden binnen drie maanden na de verkiezing van de leden van provinciale staten.

Artikel 56 - Vereisten voor lidmaatschap

Om lid van de Staten-Generaal te kunnen zijn is vereist dat men Nederlander is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.

Artikel 57 - Incompatibiliteiten

  1. Niemand kan lid van beide kamers zijn.

  2. Een lid van de Staten-Generaal kan niet tevens zijn minister, staatssecretaris, lid van de Raad van State, lid van de Algemene Rekenkamer, Nationale ombudsman of substituut-ombudsman, of lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij de Hoge Raad.

  3. Niettemin kan een minister of staatssecretaris, die zijn ambt ter beschikking heeft gesteld, dit ambt verenigen met het lidmaatschap van de Staten-Generaal, totdat omtrent die beschikbaarstelling is beslist.

  4. De wet kan ten aanzien van andere openbare betrekkingen bepalen dat zij niet gelijktijdig met het lidmaatschap van de Staten-Generaal of van een der kamers kunnen worden uitgeoefend.

Artikel 57a - Zwangerschap en ziekte

De wet regelt de tijdelijke vervanging van een lid van de Staten-Generaal wegens zwangerschap en bevalling, alsmede wegens ziekte.

Artikel 58 - Geloofsbrieven

Elke kamer onderzoekt de geloofsbrieven van haar nieuwbenoemde leden en beslist met inachtneming van bij de wet te stellen regels de geschillen welke met betrekking tot de geloofsbrieven of de verkiezing zelf rijzen.

Artikel 59 - Kiesrecht en verkiezingen

Alles, wat verder het kiesrecht en de verkiezingen betreft, wordt bij de wet geregeld.

Artikel 60 - Ambtsaanvaarding

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de leden van de kamers bij de aanvaarding van hun ambt in de vergadering een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

Artikel 61 - Voorzitter en griffier

  1. Elk der kamers benoemt uit de leden een voorzitter.

  2. Elk der kamers benoemt een griffier. Deze en de overige ambtenaren van de kamers kunnen niet tevens lid van de Staten-Generaal zijn.

Artikel 62 - Verenigde vergadering

De voorzitter van de Eerste Kamer heeft de leiding van de verenigde vergadering.

Artikel 63 - Geldelijke voorzieningen

Geldelijke voorzieningen ten behoeve van leden en gewezen leden van de Staten-Generaal en van hun nabestaanden worden bij de wet geregeld. De kamers kunnen een voorstel van wet ter zake alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 64 - Ontbinding Kamers

  1. Elk der kamers kan bij koninklijk besluit worden ontbonden.

  2. Het besluit tot ontbinding houdt tevens de last in tot een nieuwe verkiezing voor de ontbonden kamer en tot het samenkomen van de nieuw gekozen kamer binnen drie maanden.

  3. De ontbinding gaat in op de dag waarop de nieuw gekozen kamer samenkomt.

  4. De wet stelt de zittingsduur van een na ontbinding optredende Tweede Kamer vast; de termijn mag niet langer zijn dan vijf jaren. De zittingsduur van een na ontbinding optredende Eerste Kamer eindigt op het tijdstip waarop de zittingsduur van de ontbonden kamer zou zijn geëindigd.

Artikel 65 - Troonrede

Jaarlijks op de derde dinsdag van september of op een bij de wet te bepalen eerder tijdstip wordt door of namens de Koning in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal een uiteenzetting van het door de regering te voeren beleid gegeven.

Artikel 66 - Openbaarheid vergaderingen

  1. De vergaderingen van de Staten-Generaal zijn openbaar.

  2. De deuren worden gesloten, wanneer een tiende deel van het aantal aanwezige leden het vordert of de voorzitter het nodig oordeelt.

  3. Door de kamer, onderscheidenlijk de kamers in verenigde vergadering, wordt vervolgens beslist of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd en besloten.

Artikel 67 - Quorum

  1. De kamers mogen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering alleen beraadslagen of besluiten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden ter vergadering aanwezig is.

  2. Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen.

  3. De leden stemmen zonder last.

  4. Over zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, wanneer één lid dit verlangt.

Artikel 68 - Inlichtingenplicht bewindslieden

De ministers en de staatssecretarissen geven de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat.

Artikel 69 - Aanwezigheid bewindslieden

  1. De ministers en de staatssecretarissen hebben toegang tot de vergaderingen en kunnen aan de beraadslaging deelnemen.

  2. Zij kunnen door de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn.

  3. Zij kunnen zich in de vergaderingen doen bijstaan door de personen, daartoe door hen aangewezen.

Artikel 70 - Recht van enquête

Beide kamers hebben, zowel ieder afzonderlijk als in verenigde vergadering, het recht van onderzoek (enquête), te regelen bij de wet.

Artikel 71 - Parlementaire onschendbaarheid

De leden van de Staten-Generaal, de ministers, de staatssecretarissen en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging, kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergaderingen van de Staten-Generaal of van commissies daaruit hebben gezegd of aan deze schriftelijk hebben overgelegd.

Artikel 72 - Reglement van orde

De kamers stellen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering een reglement van orde vast.

HOOFDSTUK 4

Adviesorganen INLEIDING

Artikel 73 - Taak Raad van State

  1. De Raad van State of een afdeling van de Raad wordt gehoord over voorstellen van wet en ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur, alsmede over voorstellen tot goedkeuring van verdragen door de Staten-Generaal. In bij de wet te bepalen gevallen kan het horen achterwege blijven.

  2. De Raad of een afdeling van de Raad is belast met het onderzoek van de geschillen van bestuur die bij koninklijk besluit worden beslist en draagt de uitspraak voor.

  3. De wet kan aan de Raad of een afdeling van de Raad de uitspraak in geschillen van bestuur opdragen.

Artikel 74 - Rechtspositie leden

  1. De Koning is voorzitter van de Raad van State. De vermoedelijke opvolger van de Koning heeft na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar van rechtswege zitting in de Raad. Bij of krachtens de wet kan aan andere leden van het koninklijk huis zitting in de Raad worden verleend.

  2. De leden van de Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  3. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  4. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Raad worden geschorst of ontslagen.

  5. De wet regelt overigens hun rechtspositie

Artikel 75 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Raad van State.

  2. Bij de wet kunnen aan de Raad of een afdeling van de Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 76 - Algemene rekenkamer

De Algemene Rekenkamer is belast met het onderzoek van de ontvangsten en uitgaven van het Rijk.

Artikel 77 - Rechtpositie leden rekenkamer

  1. De leden van de Algemene Rekenkamer worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Hoge Raad worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 78 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Algemene Rekenkamer.

  2. Bij de wet kunnen aan de Algemene Rekenkamer ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 78a - Nationale ombudsman

  1. De Nationale ombudsman verricht op verzoek of uit eigen beweging onderzoek naar gedragingen van bestuursorganen van het Rijk en van andere bij of krachtens de wet aangewezen bestuursorganen.
  2. De Nationale ombudsman en een substituut-ombudsman worden voor een bij de wet te bepalen termijn benoemd door de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Tweede Kamer der Staten-Generaal worden geschorst of ontslagen. De wet regelt overigens hun rechtspositie.
  3. De wet regelt de bevoegdheid en werkwijze van de Nationale ombudsman.
  4. Bij of krachtens de wet kunnen aan de Nationale ombudsman ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 79 - Vaste colleges van advies

  1. Vaste colleges van advies in zaken van wetgeving en bestuur van het Rijk worden ingesteld bij of krachtens de wet.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van deze colleges.

  3. Bij of krachtens de wet kunnen aan deze colleges ook andere dan adviserende taken worden opgedragen.

Artikel 80 - Openbaarmaking advies

  1. De adviezen van de in dit hoofdstuk bedoelde colleges worden openbaar gemaakt volgens regels bij de wet te stellen.

  2. Adviezen, uitgebracht ter zake van voorstellen van wet die door of vanwege de Koning worden ingediend, worden, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen, aan de Staten-Generaal overgelegd.

HOOFDSTUK 5

Wetgeving en bestuur INLEIDING

Artikel 81 - Wetgevende macht

De vaststelling van wetten geschiedt door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk.

Artikel 82 - Indienen wetsvoorstel

  1. Voorstellen van wet kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Voorstellen van wet waarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en, voor zover de betreffende artikelen van hoofdstuk 2 dit toelaten, door de verenigde vergadering.

  3. Voorstellen van wet, in te dienen door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering, worden bij haar door een of meer leden aanhangig gemaakt.

Artikel 83 - Toezending wetsvoorstel TK

Voorstellen van wet, ingediend door of vanwege de Koning, worden gezonden aan de Tweede Kamer of, indien daarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, aan deze vergadering.

Artikel 84 - Wijziging wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet, ingediend door of vanwege de Koning, niet door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering is aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en vanwege de regering worden gewijzigd.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden gewijzigd.

Artikel 85 - Toezending wetsvoorstel EK

Zodra de Tweede Kamer een voorstel van wet heeft aangenomen of tot indiening van een voorstel heeft besloten, zendt zij het aan de Eerste Kamer, die het voorstel overweegt zoals het door de Tweede Kamer aan haar is gezonden. De Tweede Kamer kan een of meer van haar leden opdragen een door haar ingediend voorstel in de Eerste Kamer te verdedigen.

Artikel 86 - Intrekking wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet niet door de Staten-Generaal is aangenomen, kan het door of vanwege de indiener worden ingetrokken.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden ingetrokken.

Artikel 87 - Aanneming en bekrachtiging

  1. Een voorstel wordt wet, zodra het door de Staten-Generaal is aangenomen en door de Koning is bekrachtigd.

  2. De Koning en de Staten-Generaal geven elkaar kennis van hun besluit omtrent enig voorstel van wet.

Artikel 88 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de wetten. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 89 - Algemene maatregel van bestuur

  1. Algemene maatregelen van bestuur worden bij koninklijk besluit vastgesteld.

  2. Voorschriften, door straffen te handhaven, worden daarin alleen gegeven krachtens de wet. De wet bepaalt de op te leggen straffen.

  3. De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de algemene maatregelen van bestuur. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

  4. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op andere vanwege het Rijk vastgestelde algemeen verbindende voorschriften.

Artikel 90 - Bevordering internationale rechtsorde

De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde.

Artikel 91 - Goedkeuring verdrag

  1. Het Koninkrijk wordt niet aan verdragen gebonden en deze worden niet opgezegd zonder voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. De wet bepaalt de gevallen waarin geen goedkeuring is vereist.

  2. De wet bepaalt de wijze waarop de goedkeuring wordt verleend en kan voorzien in stilzwijgende goedkeuring.

  3. Indien een verdrag bepalingen bevat welke afwijken van de Grondwet dan wel tot zodanig afwijken noodzaken, kunnen de kamers de goedkeuring alleen verlenen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 92 - Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties

Met inachtneming, zo nodig, van het bepaalde in artikel 91, derde lid, kunnen bij of krachtens verdrag aan volkenrechtelijke organisaties bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak worden opgedragen.

Artikel 93 - Verbindende kracht verdrag

Bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 94 - Verdrag boven wet

Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 95 - Bekendmaking verdrag

De wet geeft regels omtrent de bekendmaking van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 96 - Oorlogsverklaring

  1. Het Koninkrijk wordt niet in oorlog verklaard dan na voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal.

  2. De toestemming is niet vereist, wanneer het overleg met de Staten-Generaal ten gevolge van een feitelijk bestaande oorlogstoestand niet mogelijk is gebleken.

  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  4. Het bepaalde in het eerste en het derde lid is van overeenkomstige toepassing voor een verklaring dat een oorlog beëindigd is.

Artikel 97 - Krijgsmacht

  1. Ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk, alsmede ten behoeve van de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde, is er een krijgsmacht.

  2. De regering heeft het oppergezag over de krijgsmacht.

Artikel 98 - Samenstelling krijgsmacht

  1. De krijgsmacht bestaat uit vrijwillig dienenden en kan mede bestaan uit dienstplichtigen.

  2. De wet regelt de verplichte militaire dienst en de bevoegdheid tot opschorting van de oproeping in werkelijke dienst.

Artikel 99 - Gewetensbezwaren militaire dienst

De wet regelt vrijstelling van militaire dienst wegens ernstige gewetensbezwaren.

Artikel 99a - Civiele verdediging

Volgens bij de wet te stellen regels kunnen plichten worden opgelegd ten behoeve van de civiele verdediging.

Artikel 100 - Inlichtingen over krijgsmacht

  1. De regering verstrekt de Staten-Generaal vooraf inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. Daaronder is begrepen het vooraf verstrekken van inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht voor humanitaire hulpverlening in geval van gewapend conflict.

  2. Het eerste lid geldt niet, indien dwingende redenen het vooraf verstrekken van inlichtingen verhinderen. In dat geval worden inlichtingen zo spoedig mogelijk verstrekt.

Artikel 101 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 20 juli 1995

Artikel 102 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 22 juni 2000

Artikel 103 - Uitzonderingstoestand

  1. De wet bepaalt in welke gevallen ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid bij koninklijk besluit een door de wet als zodanig aan te wijzen uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd; zij regelt de gevolgen.

  2. Daarbij kan worden afgeweken van de grondwetsbepalingen inzake de bevoegdheden van de besturen van provincies, gemeenten en waterschappen, van de grondrechten geregeld in de artikelen 6, voor zover dit de uitoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen van het in dit artikel omschreven recht betreft, 7, 8, 9, 12, tweede en derde lid, en 13, alsmede van artikel 113, eerste en derde lid.

  3. Terstond na de afkondiging van een uitzonderingstoestand en voorts, zolang deze niet bij koninklijk besluit is opgeheven, telkens wanneer zij zulks nodig oordelen beslissen de Staten-Generaal omtrent het voortduren daarvan; zij beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 104 - Belastingheffing

Belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet. Andere heffingen van het Rijk worden bij de wet geregeld.

 
 

Artikel 105 - Recht van begroting

  1. De begroting van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt bij de wet vastgesteld.

  2. Jaarlijks worden voorstellen van algemene begrotingswetten door of vanwege de Koning ingediend op het in artikel 65 bedoelde tijdstip.

  3. De verantwoording van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt aan de Staten-Generaal gedaan overeenkomstig de bepalingen van de wet. De door de Algemene Rekenkamer goedgekeurde rekening wordt aan de Staten-Generaal overgelegd.

  4. De wet stelt regels omtrent het beheer van de financiën van het Rijk.

Artikel 106 - Geldstelsel

De wet regelt het geldstelsel.

Artikel 107 - Codificatie

  1. De wet regelt het burgerlijk recht, het strafrecht en het burgerlijk en strafprocesrecht in algemene wetboeken, behoudens de bevoegdheid tot regeling van bepaalde onderwerpen in afzonderlijke wetten.

  2. De wet stelt algemene regels van bestuursrecht vast.

Artikel 108 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 25 februari 1999

Artikel 109 - Rechtspositie ambtenaren

De wet regelt de rechtspositie van de ambtenaren. Zij stelt tevens regels omtrent hun bescherming bij de arbeid en omtrent medezeggenschap.

 

Artikel 110 - Openbaarheid van bestuur

De overheid betracht bij de uitvoering van haar taak openbaarheid volgens regels bij de wet te stellen.

 

Artikel 111 - Ridderorden

Ridderorden worden bij de wet ingesteld.
HOOFDSTUK 6

Rechtspraak INLEIDING

Artikel 112 - Civiele en administratieve rechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is opgedragen de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen.

  2. De wet kan de berechting van geschillen die niet uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, opdragen hetzij aan de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren. De wet regelt de wijze van behandeling en de gevolgen van de beslissingen.

Artikel 113 - Strafrechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van strafbare feiten.

  2. Tuchtrechtspraak door de overheid ingesteld wordt bij de wet geregeld.

  3. Een straf van vrijheidsontneming kan uitsluitend door de rechterlijke macht worden opgelegd.

  4. Voor berechting buiten Nederland en voor het oorlogsstrafrecht kan de wet afwijkende regels stellen.

Artikel 114 - Doodstraf

De doodstraf kan niet worden opgelegd.

Artikel 115 - Administratief beroep

Ten aanzien van de in artikel 112, tweede lid, bedoelde geschillen kan administratief beroep worden opengesteld.

Artikel 116 - Rechterlijke macht

  1. De wet wijst de gerechten aan die behoren tot de rechterlijke macht.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de rechterlijke macht.

  3. De wet kan bepalen, dat aan rechtspraak door de rechterlijke macht mede wordt deelgenomen door personen die niet daartoe behoren.

  4. De wet regelt het toezicht door leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast uit te oefenen op de ambtsvervulling door zodanige leden en door de personen bedoeld in het vorige lid.

Artikel 117 - Rechtspositie leden rechterlijke macht

  1. De leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal bij de Hoge Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet bepaald kunnen zij door een bij de wet aangewezen, tot de rechterlijke macht behorend gerecht worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 118 - Hoge Raad

  1. De leden van de Hoge Raad der Nederlanden worden benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. De Hoge Raad is in de gevallen en binnen de grenzen bij de wet bepaald, belast met de cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van het recht.

  3. Bij de wet kunnen aan de Hoge Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 119 - Ambtsmisdrijven

De leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreden terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.

Artikel 120 - Toetsingsverbod

De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.

Artikel 121 - Openbaarheid terechtzittingen

Met uitzondering van de gevallen bij de wet bepaald vinden de terechtzittingen in het openbaar plaats en houden de vonnissen de gronden in waarop zij rusten. De uitspraak geschiedt in het openbaar.

Artikel 122 - Gratie

  1. Gratie wordt verleend bij koninklijk besluit na advies van een bij de wet aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.

  2. Amnestie wordt bij of krachtens de wet verleend.

HOOFDSTUK 7

Decentralisatie INLEIDING

Artikel 123 - Instelling provincies en gemeenten

  1. Bij de wet kunnen provincies en gemeenten worden opgeheven en nieuwe ingesteld.

  2. De wet regelt de wijziging van provinciale en gemeentelijke grenzen.

Artikel 124 - Autonomie en medebewind

  1. Voor provincies en gemeenten wordt de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake hun huishouding aan hun besturen overgelaten.

  2. Regeling en bestuur kunnen van de besturen van provincies en gemeenten worden gevorderd bij of krachtens de wet.

Artikel 125 - Organen decentrale besturen

  1. Aan het hoofd van de provincie en de gemeente staan provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad. Hun vergaderingen zijn openbaar, behoudens bij de wet te regelen uitzonderingen.

  2. Van het bestuur van de provincie maken ook deel uit gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning, van het bestuur van de gemeente het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester.

Artikel 126 - Ambtsinstructie commissaris koning

Bij de wet kan worden bepaald, dat de commissaris van de Koning wordt belast met de uitvoering van een door de regering te geven ambtsinstructie.

Artikel 127 - Vaststelling verordening

Provinciale staten en de gemeenteraad stellen, behoudens bij de wet of door hen krachtens de wet te bepalen uitzonderingen, de provinciale onderscheidenlijk de gemeentelijke verordeningen vast.

Artikel 128 - Toekenning bevoegdheden

Behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 123, kan de toekenning van bevoegdheden, als bedoeld in artikel 124, eerste lid, aan andere organen dan die, genoemd in artikel 125, alleen door provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad geschieden.

Artikel 129 - Verkiezing vertegenwoordigend orgaan

  1. De leden van provinciale staten en van de gemeenteraad worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders, tevens ingezetenen van de provincie onderscheidenlijk de gemeente, die voldoen aan de vereisten die gelden voor de verkiezing van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Voor het lidmaatschap gelden dezelfde vereisten.
  2. De leden worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  3. De artikelen 53, tweede lid, en 59 zijn van toepassing. Artikel 57a is van overeenkomstige toepassing.
  4. De zittingsduur van provinciale staten en de gemeenteraad is vier jaren, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen.
  5. De wet bepaalt welke betrekkingen niet gelijktijdig met het lidmaatschap kunnen worden uitgeoefend. De wet kan bepalen, dat beletselen voor het lidmaatschap voortvloeien uit verwantschap of huwelijk en dat het verrichten van bij de wet aangewezen handelingen tot het verlies van het lidmaatschap kan leiden.
  6. De leden stemmen zonder last.

Artikel 130 - Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders

De wet kan het recht de leden van de gemeenteraad te kiezen en het recht lid van de gemeenteraad te zijn toekennen aan ingezetenen, die geen Nederlander zijn, mits zij tenminste voldoen aan de vereisten die gelden voor ingezetenen die tevens Nederlander zijn.

Artikel 131 - Benoeming commissaris Koning

De commissaris van de Koning en de burgemeester worden bij koninklijk besluit benoemd.

Artikel 132 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen

  1. De wet regelt de inrichting van provincies en gemeenten, alsmede de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen.

  2. De wet regelt het toezicht op deze besturen.

  3. Besluiten van deze besturen kunnen slechts aan voorafgaand toezicht worden onderworpen in bij of krachtens de wet te bepalen gevallen.

  4. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden bij koninklijk besluit wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

  5. De wet regelt de voorzieningen bij in gebreke blijven ten aanzien van regeling en bestuur, gevorderd krachtens artikel 124, tweede lid. Bij de wet kunnen met afwijking van de artikelen 125 en 127 voorzieningen worden getroffen voor het geval het bestuur van een provincie of een gemeente zijn taken grovelijk verwaarloost.

  6. De wet bepaalt welke belastingen door de besturen van provincies en gemeenten kunnen worden geheven en regelt hun financiële verhouding tot het Rijk.

Artikel 133 - Waterschappen

  1. De opheffing en instelling van waterschappen, de regeling van hun taken en inrichting, alsmede de samenstelling van hun besturen, geschieden volgens bij de wet te stellen regels bij provinciale verordening, voor zover bij of krachtens de wet niet anders is bepaald.

  2. De wet regelt de verordenende en andere bevoegdheden van de besturen van de waterschappen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen.

  3. De wet regelt het provinciale en overige toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 134 - Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

  1. Bij of krachtens de wet kunnen openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere openbare lichamen worden ingesteld en opgeheven.

  2. De wet regelt de taken en de inrichting van deze openbare lichamen, de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen. Bij of krachtens de wet kan aan hun besturen verordenende bevoegdheid worden verleend.

  3. De wet regelt het toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 135 - Gemeenschappelijke regelingen

De wet geeft regels ter voorziening in zaken waarbij twee of meer openbare lichamen zijn betrokken. Daarbij kan in de instelling van een nieuw openbaar lichaam worden voorzien, in welk geval artikel 134, tweede en derde lid, van toepassing is.

Artikel 136 - Geschillen

De geschillen tussen openbare lichamen worden bij koninklijk besluit beslist, tenzij deze behoren tot de kennisneming van de rechterlijke macht of hun beslissing bij de wet aan anderen is opgedragen.
HOOFDSTUK 8

Herziening grondwet INLEIDING

Artikel 137 - Grondwetswijziging

  1. De wet verklaart, dat een verandering in de Grondwet, zoals zij die voorstelt, in overweging zal worden genomen.

  2. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, een voorstel voor zodanige wet splitsen.

  3. Na de bekendmaking van de wet, bedoeld in het eerste lid, wordt de Tweede Kamer ontbonden.

  4. Nadat de nieuwe Tweede Kamer is samengekomen, overwegen beide kamers in tweede lezing het voorstel tot verandering, bedoeld in het eerste lid. Zij kunnen dit alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  5. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen een voorstel tot verandering splitsen.

Artikel 138 - Aanpassing niet gewijzigde bepalingen

  1. Voordat de in tweede lezing aangenomen voorstellen tot verandering in de Grondwet door de Koning worden bekrachtigd, kunnen bij de wet:

    a. de aangenomen voorstellen en de ongewijzigd gebleven bepalingen van de Grondwet voor zoveel nodig aan elkaar worden aangepast;

    b. de indeling in en de plaats van hoofdstukken, paragrafen en artikelen, alsmede de opschriften worden gewijzigd.

  2. Een voorstel van wet, houdende voorzieningen als bedoeld in het eerste lid onder a, kunnen de kamers alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 139 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De veranderingen in de Grondwet, door de Staten-Generaal aangenomen en door de Koning bekrachtigd, treden terstond in werking, nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 140 - Handhaving bestaande regelgeving

Bestaande wetten en andere regelingen en besluiten die in strijd zijn met een verandering in de Grondwet, blijven gehandhaafd, totdat daarvoor overeenkomstig de Grondwet een voorziening is getroffen.

Artikel 141 - Bekendmaking herziene Grondwet

De tekst van de herziene Grondwet wordt bij koninklijk besluit bekendgemaakt, waarbij hoofdstukken, paragrafen en artikelen kunnen worden vernummerd en verwijzingen dienovereenkomstig kunnen worden veranderd.

Artikel 142 - Aanpassing Grondwet aan Statuut

De Grondwet kan bij de wet met het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in overeenstemming worden gebracht. De artikelen 139, 140 en141 zijn van overeenkomstige toepassing.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

F.M.C. Vlemminx

ARTIKEL 22 - Volksgezondheid en woongelegenheid

INHOUD
  1. Inleiding
  2. Het recht op gezondheid van artikel 22, eerste lid, Grondwet
  3. Het recht op gezondheid in het internationale recht
  4. Het recht op huisvesting van artikel 22, tweede lid, Grondwet
  5. Het recht op huisvesting in het internationale recht
  6. Het recht op culturele ontplooiing van artikel 22, derde lid, Grondwet
  7. Het recht op culturele ontplooiing in het internationale recht
  8. Jurisprudentie
  9. Literatuur
  10. Historische versies
 

Versie december 2013

1. Inleiding

In artikel 22 zijn diverse sociale grondrechten vervat en zonder enige twijfel zijn het recht op gezondheid van het eerste lid en het recht op huisvesting van het tweede lid belangrijke fundamentele rechten. Wanneer ze straks nader worden bekeken, zal blijken dat op het punt van gezondheid en huisvesting ook de klassieke grondrechten soms een stevige duit in het zakje doen zodat in bepaalde gevallen een zekere mate van afdwingbaarheid via de rechter niet is uitgesloten. Daar komt nog bij dat de rechten in artikel 22 – net als de rechten van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESCR) – kunnen worden uitgewerkt via de zogenaamde ‘typologie van verplichtingen’.[1] Deze leer benadert de mensenrechten door ze te kwalificeren als plichten voor de overheid. Ze ontstond in het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw in het kader van ‘the right to subsistence’, het recht op een bestaansminimum,[2] en ‘the right to food’, het recht op voedsel,[3] maar vond al snel bij alle economische, sociale en culturele rechten toepassing. Ze blijkt ook het inzicht in de klassieke rechten van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) te verhogen en benadrukt de eenheid tussen het IVESCR en het IVBPR. Van de typologie zijn verschillende variaties in omloop. Vaak worden er drie soorten plichten onderscheiden: de ‘obligation to respect’ (de onthoudingsplicht die voorheen vrijwel louter met de rechten in het IVBPR in verband werd gebracht), de ‘obligation to protect’ (de plicht om de rechten in de relaties tussen burgers te beschermen) en de ‘obligation to fulfil’ (de plicht om positieve maatregelen te nemen teneinde de rechten effectief te verwezenlijken). Wanneer tevens de rechten in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in de beschouwing worden betrokken en er rekening wordt gehouden met de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens  (EHRM) dat - eveneens vanaf het begin van de jaren tachtig - rechtens afdwingbare positieve verplichtingen voor de overheid uit de rechten destilleert, verdient het aanbeveling om de suggestie van Van Hoof te volgen en de tamelijk algemene ‘obligation to fulfil’ verder uit te splitsen in de ‘obligation to ensure’ en de ‘obligation to promote’.[4] De eerste plicht houdt in dat de overheid een recht op korte termijn concreet inhoud moet geven, terwijl haar een beperkte beleidsvrijheid wordt gelaten. Op dit punt is er een controlerende taak voor de rechter weggelegd. Die taak ontbreekt in beginsel ten aanzien van de ‘obligation to promote’. Bij deze plicht gaat het om beleidsvoering op lange termijn en dan wordt de overheid een ruime beleidsvrijheid gegund.[5] Wanneer een recht uit het IVESCR (of het IVBPR) mede aan de hand van deze typologie wordt geanalyseerd, ontstaat er een tamelijk nauwkeurig beeld van wat van de overheid wordt verlangd. Een dergelijke analyse is bijvoorbeeld door Toebes met betrekking tot het recht op gezondheid van artikel 12 IVESCR verricht.[6] Daarnaast kan de typologie worden gehanteerd om de (theoretische) inhoud van de sociale (en de klassieke) grondrechten in de Grondwet te verduidelijken. In het kader van artikel 22 vormen de uitkomsten van de typologie een goed tegengewicht voor de formules die in de drie leden van deze grondwetsbepaling werden neergelegd.

2. Het recht op gezondheid van artikel
    22, eerste lid, Grondwet

De typologie van verplichtingen leert dat de sociale grondrechten, net als de klassieke, de overheid onthoudingsplichten opleggen. In artikel 22, eerste lid, is de onthoudingsplicht niet als zodanig gecodificeerd. De te respecteren vrijheid ligt als beginsel besloten in de term ‘bevordering’. In de memorie van toelichting bij de algehele grondwetsherziening wordt gesteld dat onder ‘bevordering’ mede begrepen is ‘bescherming’[7] en bescherming impliceert dat de overheid zelf geen inbreuken mag maken op de gezondheid van burgers. In deze sfeer valt te wijzen op een arrest van de Hoge Raad (HR) uit 1991[8] betreffende een ingesloten arrestant die aan epilepsie leed en van wie de medicijnen waren afgepakt. De HR oordeelde dat er onder zulke omstandigheden een zorgverplichting op de overheid rustte welke was veronachtzaamd. Maar het valt ook te verdedigen dat de overheid door de medicijnen af te pakken niet zozeer een zorgverplichting schond als wel inbreuk maakte op het recht op gezondheid van de epilepticus.
 
Op het vlak van de echte zorgverplichtingen verplicht het eerste lid tot het treffen van ‘maatregelen’. Dit begrip omvat naast wetgeving het voeren van beleid en het beheer van allerlei instellingen. Ook ten aanzien van de particuliere gezondheidszorg dient een beleid te worden gevoerd.[9] Hoewel de opdracht een globaal karakter draagt valt op grond van de typologie van verplichtingen niet uit te sluiten dat uit artikel 22, eerste lid, tevens concrete zorgplichten, anders gezegd ‘obligations to ensure’, worden afgeleid. De term ‘maatregelen’ duidt immers tegelijkertijd op kordaat en effectief optreden. Daarom was het niet echt overtuigend toen het Gerechtshof Amsterdam in 2007, geconfronteerd met een beroep op artikel 22 Grondwet omdat adequate wetgeving ter bescherming tegen bacteriële besmetting ontbrak, mededeelde dat deze ‘instructienorm’ niet rechtstreeks voor de rechter kon worden ingeroepen.[10] Toen de Nationale ombudsman, twaalf jaar eerder, in 1995, te maken kreeg met het ontbreken van wetgeving om het gevaar van besmetting door ziektekiemen te keren, ontvouwde hij een andere visie op artikel 22, eerste lid. Hij stelde vast dat aan de opdracht van artikel 22 onvoldoende inhoud was gegeven. Hoewel de overheid al eind 1984/begin 1985 goed op de hoogte was van de gevaren van aidsbesmetting door Nederlandse bloedproducten, liet zij na actief te zoeken naar mogelijkheden om de risico’s voor hemofiliepatiënten die met die producten werden behandeld, zoveel mogelijk te beperken.[11] Recent boog de Nationale ombudsman zich opnieuw over het vraagstuk van de medische zorg. In het rapport ‘Medische zorg vreemdelingen. Over toegang en continuïteit van medische zorg voor asielzoekers en uitgeprocedeerde asielzoekers’ van 3 oktober 2013 stelde hij vast dat asielzoekers niet altijd terechtkunnen bij een huisarts of in het ziekenhuis en dat het vooral fout gaat bij asielzoekers die op straat leven. Hij wees er bij het recht op medisch noodzakelijke zorg van deze ‘ongedocumenteerden’ op dat ‘[d]it recht is vastgelegd in het Internationale Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (artikel 12), dat is geratificeerd door de Nederlandse regering’.[12] Artikel 22 Grondwet bleef hier onvermeld. Het rapport is in te zien via http://www.nationaleombudsman.nl/rapporten/2013/125#.

3. Het recht op gezondheid in het
    internationale recht

Allereerst verdient hier het recht van de International Labour Organisation (ILO) vermelding want het is in dit kader dat zich het enige, dus volstrekt unieke, geval heeft voorgedaan dat de Nederlandse rechter (een aspect van) het internationale recht op gezondheid rechtstreekse werking toekende. Er werd zelfs een schending vastgesteld: in 1996 sprak de Centrale Raad van Beroep (CRvB) uit dat ILO-verdrag 102 ten onrechte niet in acht was genomen.[13] Dit verdrag behelst een verbod tot het heffen van een eigen bijdrage in de kosten ter zake van kraamzorg, wanneer de bevalling om medische redenen in het ziekenhuis heeft plaatsgevonden. De CRvB stelde vast dat het Comité van Deskundigen van de ILO de Nederlandse regering tot driemaal toe over de werking van dit verbod had voorgelicht en dat de regering het wettelijke voorschrift dat een eigen bijdrage voorschreef inmiddels had ingetrokken. Daarom leek er weinig aan in de weg te staan om als rechter consequenties te verbinden aan het verbod. Toch veroorzaakte het rechterlijke oordeel nogal wat opschudding. De regering besloot over te gaan tot opzegging van Deel VI van de Europese Code inzake sociale zekerheid, een met ILO-verdrag 102 te vergelijken regeling, maar gelukkig weigerde de Tweede Kamer deze opzegging goed te keuren.[14]
 
Het recht op gezondheid ondervindt vanuit verschillende internationale instrumenten bescherming. Op Europees niveau gaan de gedachten meteen uit naar artikel 11 van het Europees Sociaal Handvest (ESH) waarin het recht op bescherming van de gezondheid is neergelegd. Hoewel het recht in artikel 11 vrij bondig is geformuleerd, verplicht het tot een heel pakket aan maatregelen. Een verduidelijking van de inhoud van artikel 11 is te vinden op de website van de Raad van Europa: http://www.coe.int/t/dghl/monitoring/socialcharter/Theme%20factsheets/FactsheetHealth_en.pdf. Naast het ESH valt te wijzen op het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie dat in artikel 35 een recht op gezondheidszorg garandeert. Artikel 35 kan mensen overigens op het verkeerde been zetten. Het wekt de indruk dat het recht op gezondheid moet worden opgevat als en dus identiek is aan het recht op gezondheidszorg. Het recht op gezondheid omvat echter veel meer. Dit blijkt al uit artikel 11 ESH dat de lidstaten er met zoveel woorden ook toe verplicht om voorzieningen te treffen op het terrein van voorlichting en onderwijs. Maar het recht op gezondheid is nog ruimer. Het houdt ook nadrukkelijk het recht in op voorwaarden voor gezondheid zoals toegang tot zuiver drinkwater en gezonde voeding en tot goede huisvesting en degelijke sanitaire voorzieningen. Dat wordt meteen duidelijk wanneer de verdragen van de Verenigde Naties in de beschouwing worden betrokken. Het gaat dan om artikel 12 van het IVESCR dat een tamelijk gedetailleerde opsomming geeft van de maatregelen die nodig zijn om tot een algehele verwezenlijking van het recht te komen, en artikel 24 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) dat artikel 12 IVESCR in de nadere specificatie van de maatregelen zelfs nog overtreft. De toezichthoudende internationale instanties van het IVESCR en het IVRK besteden uitgebreid aandacht aan de vraag hoe het recht op gezondheid moet worden omschreven en afgebakend.[15] Het VN Comité inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten licht in General Comment 14 de inhoud van artikel 12 IVESCR nader toe. Dit document is te raadplegen op de website van de Verenigde Naties: http://tbinternet.ohchr.org/_layouts/treatybodyexternal/TBSearch.aspx?Lang=en&TreatyID=9&DocTypeID=11. Volgens het Comité blijkt zowel uit de wetshistorie als de tekst van artikel 12, tweede lid, ‘that the right to health embraces a wide range of socio economic factors that promote conditions in which people can lead a healthy life, and extends to the underlying determinants of health, such as food and nutrition, housing, access to safe and potable water and adequate sanitation, safe and healthy working conditions, and a healthy environment.’[16] Ook in het kader van artikel 24 IVRK wordt een ruime omschrijving van het recht op gezondheid gehanteerd.[17] Het VN Kinderrechten Comité voorziet dit artikel van commentaar in General Comment 15, een document dat eveneens te raadplegen valt op de website van de Verenigde Naties: http://www2.ohchr.org/english/bodies/crc/comments.htm. Het beschouwt het recht op gezondheid van kinderen als ‘an inclusive right, extending not only to timely and appropriate prevention, health promotion, curative, rehabilitative and palliative services, but also to a right to grow and develop to their full potential and live in conditions that enable them to attain the highest standard of health through the implementation of programmes that address the underlying determinants of health.’[18]
 
Nu is het recht op gezondheid weliswaar uitgebreid gecodificeerd in artikel 12 IVESCR terwijl het VN Comité in par. 59 van General Comment 14 ook nog eens opmerkt:[19] ‘Any person or group victim of a violation of the right to health should have access to effective judicial or other appropriate remedies at both national and international levels’, daar staat tegenover dat het recht in de Nederlandse rechtspraak consequent rechtstreekse werking wordt onthouden.[20]Bij de rechter kan dus geen rechtstreeks beroep op artikel 12 worden gedaan. Overigens veroorzaakte een vonnis van de Kantonrechter Maastricht in 2008 enige ophef.[21] In deze zaak werd een vrouw vanwege wanbetaling afgesloten van de watervoorziening. De Kantonrechter vond de afsluiting onrechtmatig en wees erop dat ‘het recht  op water’ werd gefrustreerd. De Kantonrechter merkte op: ‘Dit recht is besloten in reeds lang gecodificeerde en door Nederland erkende rechten, met name het recht op een adequate levensstandaard en het recht op gezondheid (respectievelijk artikel 11 en 12 van het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten). Erkenning van het recht op water en sanitatie is dus een explicitering van dit element van bestaande rechten. Daarenboven heeft Nederland op de zevende zitting van de Mensenrechtenraad (3 tot 28 maart 2008) te Geneve het recht op water en sanitatie als mensenrecht erkend.’ De vraag of de artikelen 11 en 12 IVESCR wel rechtstreekse werking hadden, dat wil zeggen, als ‘een ieder verbindend’ konden worden beschouwd in de zin van de artikelen 93 en 94 Grondwet, liet de Kantonrechter rusten. Wie meende dat deze zaak de rechtstreekse werking van artikel 12 IVESCR inluidde, kreeg twee jaar later een teleurstelling te verduren. Het vonnis sneuvelde in hoger beroep. In 2010 oordeelde het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch[22] ‘dat noch uit de artikelen 11 en 12 van het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (IVESC), noch uit andere door Nederland erkende verdragen of internationale rechtsbronnen, een absoluut recht op water - ook zonder daartegenoverstaande betaling - kan worden afgeleid.’ Het voegde er aan toe: ‘Nog daargelaten of de artikelen 11 en 12 IVESC een ieder verbindende bepalingen in de zin van artikel 93 Grondwet zijn (…).’ Wie het jammer vindt dat de rechtstreekse werking van artikel 12 IVESCR door de Nederlandse rechter zo gemakkelijk en zo consequent wordt ontkend kan enige troost putten uit de omstandigheid dat artikel 12 wel indirect van betekenis kan zijn en wel via het recht op privacy van artikel 8 EVRM. In 2010 overwoog de CRvB nadrukkelijk dat artikel 12 IVESCR ‘in voorkomende gevallen een rol [kan] spelen bij de uitleg van het EVRM.’[23] Op de betekenis van het EVRM zal hieronder nader worden ingegaan.
 
Artikel 24 IVRK deelt het lot van artikel 12 IVESCR. In 2007 gaf de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) expliciet te kennen dat artikel 24 zich, gelet op bewoordingen, aard en strekking, niet leent voor rechtstreekse toepassing door de rechter.[24] In een andere uitspraak uit datzelfde jaar bleek ze zich overigens ook goed te kunnen vinden in het standpunt van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie dat met artikel 24 IVRK niet wordt ‘beoogd een uitbreiding te geven aan de verplichtingen die uit artikel 8 van het EVRM voortvloeien’.[25] Doek en Spronk concluderen dat op grond van dergelijke uitspraken mag worden aangenomen dat schending van het recht op gezondheid niet met succes aan een rechterlijke toetsing kan worden onderworpen. Terecht werpen zij vervolgens de vraag op ‘of dit onder alle omstandigheden het geval zal zijn, bijvoorbeeld als het gaat om een zeer ernstige schending of als er sprake is van ernstige en bijzondere omstandigheden (…).’[26] Maar of zulke omstandigheden tot rechtstreekse werking van artikel 24 zullen leiden valt te betwijfelen. Het ligt meer voor de hand om te veronderstellen dat artikel 8 EVRM dan geschonden wordt geacht. Er is dus alle reden om bij de bespreking van het internationale recht op gezondheid vooral ook aandacht te besteden aan het EVRM. Het recht op gezondheid mag dan wel niet als zodanig in het EVRM zijn neergelegd, aspecten van dit recht kunnen niettemin onder de noemer van bepaalde andere rechten aan de orde komen. Het gaat dan vooral om het recht op leven van artikel 2, het verbod op foltering en onmenselijke behandeling van artikel 3 en het recht op privacy van artikel 8 EVRM.
 
Wanneer het erom gaat of aan de rechten in het EVRM aanspraken vallen te ontlenen op zorg of voorzieningen in verband met ziekte of handicap dient allereerst aandacht te worden besteed aan personen waar de overheid een bijzondere verantwoordelijkheid voor draagt, te weten, personen in detentie. Aangezien de gedetineerden zelf volledig zijn beroofd van de mogelijkheid om de hulp van een arts of een andere medische beroepsoefenaar in te schakelen laat de vaststelling van een schending vanwege nalatigheid van overheidswege zich hier verreweg het gemakkelijkst voorstellen. De eisen liggen hoog.[27] Het EHRM heeft dan ook een reeks uitspraken gedaan waarin het vanwege een gebrek aan medische zorg tot een schending van het EVRM concludeerde. Wanneer de gedetineerde kwam te overlijden werd in zulke gevallen het recht op leven van artikel 2 geschonden[28] en zaken met minder dramatische gevolgen betroffen dan het verbod op foltering en onmenselijke behandeling van artikel 3 EVRM.[29] In verband met deze artikelen uit het EVRM mag de kwestie Dolmatov niet onvermeld blijven. Deze Russische asielzoeker beroofde zich op 17 januari 2013 in zijn cel in het Detentiecentrum Rotterdam van het leven. In het rapport ‘Het overlijden van Alexander Dolmatov’ komt de Inspectie van Veiligheid en Justitie ‘tot het oordeel dat er op verschillende momenten door verschillende organisaties in de vreemdelingenketen onzorgvuldig is gehandeld. Dit geldt ook voor hen die betrokken zijn bij de aan de heer Dolmatov na zijn inbewaringstelling geboden juridische bijstand en medische zorg. De Inspectie kan niet beoordelen of zorgvuldiger handelen door de Nederlandse overheid uiteindelijk tot een andere afloop had geleid. Wel stelt zij vast dat Dolmatov ten onrechte in vreemdelingenbewaring is gesteld, dat er ten aanzien van de verleende rechtsbijstand niet conform wet- en regelgeving is gehandeld en dat de verstrekte medische zorg tekort is geschoten.’ Het rapport kan worden geraadpleegd op http://www.ivenj.nl/actueel/inspectierapporten/rapport-het-overlijden-van-alexander-dolmatov.aspx?cp=131&cs=64448. In het rapport ‘Medische zorg vreemdelingen. Over toegang en continuïteit van medische zorg voor asielzoekers en uitgeprocedeerde asielzoekers’ van 3 oktober 2013 constateert de Nationale ombudsman dat na eerdere incidenten zoals de kwestie Dolmatov bij vreemdelingendetentie voortaan ieder gezondheidsrisico wordt vermeden en hij doet de aanbeveling om de toegang tot zorg voor vreemdelingen in detentie te verbeteren door bijvoorbeeld zelfzorgmedicatie, zoals paracetamol en hoestdrank, op cel toe te staan, ze te informeren over geplande onderzoeken of behandelingen buiten het detentiecentrum en ze alleen geboeid te vervoeren als dat nodig is.[30] Dit rapport is te raadplegen via http://www.nationaleombudsman.nl/rapporten/2013/125#.
 
Buiten de context van detentie zijn schendingen van het EVRM omdat medische zorg of een medische voorziening wordt onthouden, zeldzaam. In verband met het recht op leven van artikel 2 verdient de zaak Cyprus tegen Turkije vermelding. In het arrest dat in 2001 werd gewezen,[31] merkt het EHRM op dat artikel 2 in het geding komt wanneer vaststaat dat een lidstaat het leven van een burger op spel zet door het de gezondheidszorg te onthouden die de bevolking in het algemeen ter beschikking is gesteld. Schending van artikel 2 werd toen echter niet aangenomen. Ook van het verbod op foltering en onmenselijke behandeling van artikel 3 laat zich onder omstandigheden een schending voorstellen. Is iemand ‘wholly dependent on State support’ en wordt hij geconfronteerd ‘with official indifference when in a situation of serious deprivation or want incompatible with human dignity’ dan sluit het EHRM staatsaansprakelijkheid onder artikel 3 EVRM niet uit.[32] Maar uit de jurisprudentie van het EHRM zijn daarvan in de sfeer van het onthouden van medische zorg vooralsnog geen voorbeelden bekend.[33] Voor het recht op privacy van artikel 8 EVRM geldt hetzelfde.[34] Het EHRM houdt de mogelijkheid van een schending principieel open maar laat de lidstaat bij de beslissing op het punt van de medische zorg steeds een ruime ‘margin of appreciation’, dat wil zeggen, een grote beoordelingsvrijheid. In de kwestie Pentiacova wordt bijvoorbeeld geklaagd over onvoldoende financiële ondersteuning bij de behandeling van een ernstige nierziekte en het EHRM wijst er op dat het stelsel van gezondheidszorg inmiddels is verbeterd.[35] In de Nederlandse kwestie Sentges betreft het een kind dat aan een ernstige spierziekte lijdt en vergeefs om een robotarm verzoekt.[36] Juist omdat het EHRM de lidstaten zo’n ruime beslissingsmarge laat is de positie van de Nederlandse rechter van groot gewicht. In 2008 stelde de CRvB zich principieel op het standpunt dat artikel 8 EVM ‘onder omstandigheden ook inherente positieve verplichtingen [kan] meebrengen die noodzakelijk zijn voor een effectieve waarborg van het recht op privé-leven. Daarbij hebben kinderen en andere kwetsbare personen in het bijzonder recht op bescherming.’[37] In latere jurisprudentie maakte de CRvB duidelijk dat zulke bescherming ook betrekking kon hebben op de gezondheid. Er werd bijvoorbeeld overwogen dat het recht op gezondheid van artikel 12 IVESCR van belang kon zijn voor de uitleg van artikel 8 EVRM.[38] Voor zover bekend is er door de Nederlandse rechter tot nu toe nog geen schending van artikel 8 EVRM aangenomen omdat de zorg in verband met ziekte of handicap ontbrak of te zeer te wensen overliet.
 
Tot slot vloeien er uit het EVRM nog eisen voort met betrekking tot de inrichting van het stelsel van gezondheidszorg. Zo moet de lidstaat er ingevolge het recht op leven van artikel 2 via wetgeving voor zorgen dat het leven van een patiënt wordt beschermd tegen medische nalatigheid en dat artsen die zich schuldig maken aan nalatigheid door de nabestaanden voor het overlijden aansprakelijk kunnen worden gesteld.[39] In 2010 achtte het EHRM artikel 2 geschonden omdat een kind via bloedtransfusie met aids werd besmet en oordeelde het dat het kind als schadevergoeding heel zijn leven lang kosteloos moest worden behandeld.[40] Het recht op privacy van artikel 8 schrijft voor dat de lichamelijke integriteit van de patiënt wordt beschermd tegen medische blunders en dat de arts zo nodig aansprakelijk kan worden gesteld.[41] Daarnaast brengt artikel 8 met zich mee dat ingrijpende operaties uitsluitend mogen plaatsvinden op basis van ‘informed consent’, dat wil zeggen, toestemming die de patiënt verleent na eerst fatsoenlijk over de risico’s te zijn voorgelicht,[42] of dat bij ingrijpende beslissingen betreffende de behandeling van een kind toestemming wordt verkregen van de ouder.[43]

4. Het recht op huisvesting van artikel
    22, tweede lid, Grondwet

Het recht op huisvesting,[44] neergelegd in het tweede lid van artikel 22, is onmiskenbaar verwant aan het huisrecht dat wordt beschermd door artikel 12 van de Grondwet. Dit huisrecht is weer een verbijzondering van het recht op privacy van artikel 10 Grondwet. De verwantschap met deze klassieke rechten maakt duidelijk dat ook in het recht op huisvesting onthoudingsplichten voor overheid besloten liggen. Deze vaststelling strookt met wat te leren valt uit de typologie van verplichtingen. In het kader van het recht op huisvesting heeft de onthoudingsplicht betrekking op gedwongen uitzettingen uit de woning of op ernstige verstoringen van het woongenot. In het tweede lid van artikel 22 Grondwet wordt deze onthoudingsplicht voor de overheid jammer genoeg niet expliciet verwoord. Net als bij het eerste lid ligt de te respecteren vrijheid als beginsel besloten in het woord ‘bevordering’.
 
Meer nog dan bij het eerste lid dat zich van de clausule ‘treft maatregelen’ bedient, lijkt bij het tweede lid van artikel 22 vanwege de uitdrukking ‘voorwerp van zorg’ het oog vooral gericht op algemene zorgverplichtingen in de vorm van beleidsvoering op de langere termijn, een aangelegenheid waarbij de overheid een zeer ruime beleidsvrijheid toekomt en politieke overwegingen van velerlei aard doorslaggevend zijn. Binnen de typologie van verplichtingen wordt dan gesproken van ‘obligations to promote’. Maar hoe open dergelijke zorgverplichtingen in beginsel ook mogen zijn, een bepaalde normering valt allesbehalve uit te sluiten. Dat is ook bij artikel 22, tweede lid, het geval. In de memorie van toelichting bij de grondwetsbepaling verwoordt de regering deze nadere normering op het vlak van het huisvestingsbeleid als volgt:[45] ‘Onder “voldoende woongelegenheid” is niet alleen te verstaan een voldoende aantal woningen. De term heeft mede betrekking op het volume, de kwaliteit, de veiligheid, de gezondheid etc. van de woningen.’ Er geldt dus ‘zowel een kwalitatieve als een kwantitatieve taakstelling’, merkt de regering op wanneer ze in de memorie van antwoord nadere uitleg verschaft.[46]
 
De nadere uitleg in de memorie van antwoord is ook om een andere reden bijzonder relevant. De regering stelt eveneens dat de uitdrukking ‘voldoende woongelegenheid’ naar haar oordeel inhoudt ‘dat het beleid er op gericht moet zijn, dat slechts in noodgevallen een situatie van onvoldoende aantal wooneenheden mag bestaan.’[47] Volgens deze toelichting biedt de grondwetsbepaling dus tevens aanknopingspunten voor concrete zorgplichten, dus voor ‘obligations to ensure’. Daarom maakt de rechtbank Maastricht er zich in 2008 wel erg gemakkelijk van af wanneer wordt opgemerkt dat artikel 22, tweede lid, ‘slechts een aansporing’ aan het adres van de overheid bevat.[48] De Nederlandse rechter heeft in ieder geval een keer geoordeeld dat de overheid in het kader van het tweede lid van artikel 22 een concrete zorgverplichting veronachtzaamde.[49] In 1991 sprak de rechtbank Utrecht uit dat een gemeente die woningen verhuurde uit een eigen woningbestand weliswaar over zeer ruime beleidsvrijheid beschikte maar dat in het onderhavige geval de weigering niet als redelijk kon worden beschouwd. Het betrof een ‘echt noodgeval’.[50] Een moeder met drie kinderen had al bijna anderhalf jaar geen eigen woonruimte meer. Sinds enige tijd moest de moeder zelf dagelijks naar het ziekenhuis om te worden bestraald en ten aanzien van het oudste kind was een behandeling op de afdeling Kinderpsychiatrie van het ziekenhuis geïndiceerd. In verband met dit soort concrete zorgplichten verdient nog de daklozenproblematiek speciale aandacht. In Nederland geldt een wettelijke verplichting tot ‘maatschappelijk opvang’, dat wil zeggen, het bieden van tijdelijk verblijf aan mensen zonder dak boven hun hoofd. Het wettelijke kader voor die maatschappelijke opvang bestaat uit de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) die van kracht is sinds 1 januari 2007. Het is nadrukkelijk het uitgangspunt dat mensen die in Nederland wonen en maatschappelijke opvang nodig hebben, altijd opgevangen moeten kunnen worden. Dit uitgangspunt dat ook wel de landelijke toegankelijkheid van de maatschappelijke opvang wordt genoemd, ligt verankerd in artikel 20, zesde lid, WMO: ‘De door gemeenten (…) bekostigde voorzieningen op het terrein van maatschappelijke opvang (…) zijn toegankelijk voor iedereen die in Nederland woont.’ Om de maatschappelijke opvang binnen het kader van de WMO in goede banen te leiden, zijn 43 centrumgemeenten verantwoordelijk gemaakt voor de uitvoering van een samenhangend aanbod aan maatschappelijke opvang. Deze centrumgemeenten ontvangen hiervoor specifieke uitkeringen van het Rijk. Meer informatie over de maatschappelijke opvang is te vinden op www.opvang.nl. Helaas blijken steden in strijd met het regime van de WMO daklozen van elders uit de opvang te weren. Dit meldt de staatssecretaris van Volksgezondheid Van Rijn op 2 september 2013 aan de Tweede Kamer en wel op basis van een onderzoek door het Trimbos instituut. Zie:
http://nos.nl/artikel/547237-gemeente-laat-dakloze-in-de-steek.html.

5. Het recht op huisvesting in het internationale
    recht

De typologie van verplichtingen leert dat het internationale recht op huisvesting uitgesproken onthoudingsplichten aan de overheid oplegt. De overheid mag niet zo maar overgaan tot uitzettingen uit de woning. Het VN Comité inzake economische, sociale en culturele rechten heeft General Comment 7 speciaal gewijd aan deze onthoudingsplicht, besloten in het recht op adequate huisvesting van artikel 11 IVESCR. Het commentaar is te raadplegen op de website van de Verenigde Naties:
http://tbinternet.ohchr.org/_layouts/treatybodyexternal/TBSearch.aspx?Lang=en&TreatyID=9&DocTypeID=11. Het Comité geeft aan dat ‘[i]n cases where eviction is considered tob e justified, it should be carried out in strict compliance with the relevant provisions of international human rights law and in accordance with general principles of reasonableness and proportionality.’[51] Daarbij wijst het in het bijzonder op het regime dat voortvloeit uit het recht op privacy van artikel 17 IVBPR. Daarnaast vraagt natuurlijk vooral ook het recht op privacy van artikel 8 EVRM aandacht. Anders dan artikel 17 IVBPR bevat artikel 8 een uitgewerkte beperkingsclausule. Daarbij dient voorts te worden bedacht dat de toets aan deze beperkingsclausule volgens het EHRM bij uitzettingen uit de woning met zich brengt dat tevens aandacht moet worden besteed aan de ‘procedural safeguards available to the individual’: ‘In particular, the Court must examine whether the decision-making process leading to measures of interference was fair and such as to afford due respect to the interests safeguarded to the individual by Article 8 (…).’[52] In General Comment 7 vestigt ook het VN Comité inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten uitgebreid de aandacht op de eis van ‘appropriate procedural protection’.[53]
 
Naast deze ‘normale’ onthoudingsplicht vloeien er uit het internationale recht op adequate huisvesting nog bijzondere ‘onthoudingsplichten’ voor de overheid voort.  Centraal staat dan de gezondheid van de woningen. Wanneer het VN Comité inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten in General Comment 4 een algemene toelichting geeft op het recht op adequate huisvesting van artikel 11 IVESCR, wijst het met klem op het aspect van de gezondheid:[54] ‘[H]ousing should not be built on polluted sites nor in immediate proximity to pollution sources that threaten the right to health of the inhabitants.’ Dit commentaar kan worden ingezien via: http://www.unhchr.ch/tbs/doc.nsf/(Symbol)/469f4d91a9378221c12563ed0053547e?Opendocument. Er mogen van overheidswege geen huizen worden gebouwd op vervuilde grond. Tegelijkertijd legt deze kant van het recht op huisvesting de overheid een heel concrete zorgverplichting op: de overheid moet er ook op toezien dat er door particulieren als woningcorporaties en projectontwikkelaars geen woningen worden gebouwd op vervuilde grond.   
 
Bij de concrete zorgverplichtingen, anders gezegd de ‘obligations to ensure’, die bij het recht op huisvesting om de hoek komen kijken, gaan de gedachten in het bijzonder uit naar de plicht om als overheid om voor individuen in bepaalde concrete noodsituaties voor huisvesting te zorgen. Deze verplichting manifesteert zich het krachtigst onder het EVRM en wel in twee rechten, het recht op privacy van artikel 8 EVRM en het verbod op foltering en onmenselijke behandeling van artikel 3 EVRM.[55] Dat volgens het EHRM aan artikel 8 EVRM in bijzondere omstandigheden aanspraak op een voorziening valt te ontlenen kwam al aan de orde bij de bespreking van het internationale recht op gezondheid in paragraaf 3. Op het punt van de huisvesting dient allereerst te worden gewezen op de kwestie Marzari. Wanneer een zwaar gehandicapte man klaagt over een schending van artikel 8 omdat hem geen aangepaste huisvesting ter beschikking werd gesteld, overweegt het EHRM:[56] ‘[A]lthough Article 8 does not guarantee the right to have one’s housing problem solved by the authorities, a refusal of the authorities to provide assistance in this respect to an individual suffering from a severe disease might in certain circumstances raise an issue under Article 8 of the Convention because of the impact of such refusal on the private life of the individual. The Court recalls in this respect that, while the essential object of Article 8 is to protect the individual against arbitrary interference by public authorities, this provision does not merely compel the State to abstain from such interference: in addition to this negative undertaking, there may be positive obligations inherent in effective respect for private life. A State has obligations of this type where there is a direct and immediate link between the measures sought by an applicant and the latter’s private life (…).’ Vervolgens blijkt de klacht ongegrond te zijn omdat Marzari de huisvesting die werd voorgesteld heeft afgewezen.
 
De plicht om in een concreet geval huisvesting te verzekeren heeft niet alleen betrekking op mensen met een handicap of  gezondheidsproblemen. De plicht is ruimer. In het recente arrest Yordanova and Others v. Bulgaria verwoordt het EHRM het als volgt:[57] ‘Article 8 does not in terms give a right to be provided with a home (…) and, accordingly, any positive obligation to house the homeless must be limited (…). However, an obligation to secure shelter to particularly vulnerable individuals may flow from Article 8 of the Convention in exceptional cases (…).’ Tegelijkertijd maakt dit arrest duidelijk dat het EHRM dat het terughoudendheid betracht bij het aannemen van een schending op dit vlak. Boven, in paragraaf 3, werd al aangegeven dat daarom de positie van de Nederlandse rechter extra belangrijk is en dat volgens de Nederlandse rechter kinderen en andere kwetsbare personen op grond van artikel 8 EVRM in het bijzonder recht hebben op bescherming.[58] Op de oordeelsvorming van de Nederlandse rechter over artikel 8 en het verschaffen van huisvesting wordt straks ingegaan. Hier worden de schijnwerpers eerst nog gericht op artikel 3 EVRM en de geruchtmakende zaak M.S.S. v. Belgium and Greece.[59] In dit arrest oordeelt het EHRM dat Griekenland artikel 3 EVRM schendt door een asielzoeker aan zijn lot over te laten zodat hij in uiterst armoedige omstandigheden moet leven. Bij de vaststelling van deze schending neemt het EHRM in overweging dat Griekenland de wettelijke minimumnormen die het zelf op grond van een richtlijn van de Europese Unie heeft vastgesteld, met voeten treedt.

De jurisprudentie van de Nederlandse rechter over artikel 8 EVRM en het verschaffen van huisvesting is vooral in gang gezet door de oordeelsvorming van het Europees Comité voor Sociale Rechten (ECSR) dat toeziet op de naleving van het ESH en bij wie groepsklachten kunnen worden ingediend. Op 27 oktober 2009 doet in verband met het recht op huisvesting een oordeel van het ESCR flink wat stof opwaaien. Het is van mening dat Nederland de artikelen 17 en 31 ESH schendt door kinderen van uitgeprocedeerde asielzoekers op straat te zetten.[60] Nu is het ECSR weliswaar geen rechter die een juridisch bindende uitspraak wijst terwijl het ESH bovendien door de bank genomen geen rechtstreekse werking wordt verleend zodat er ten overstaan van de Nederlandse rechter geen beroep op kan worden gedaan, daar staat echter tegenover dat het ECSR wel degelijk een gezaghebbende instantie van de Raad van Europa is en diens oordeelsvorming stevig gewicht in de schaal behoort te leggen. De Nederlandse rechter heeft het oordeel van het ECSR overgenomen maar dan opgehangen aan een positieve verplichting, voortvloeiend uit het recht op privacy van artikel 8 EVRM.[61]
 
Op 25 oktober 2013 veroorzaakt het ECSR opnieuw de nodige ophef. Naar aanleiding van een klacht die op 1 juli 2013 ontvankelijk werd verklaard en betrekking heeft op het gebrek aan opvang van uitgeprocedeerde asielzoekers,[62] spoort het de Nederlandse regering in een voorlopig oordeel aan tot het nemen van ‘all possible measures with a view to avoiding serious, irreparable injury to the integrity of persons at immediate risk of destitution, through the implementation of a co-ordinated approach at national and municipal levels with a view to ensuring that their basic needs (shelter, clothes and food) are met (…).’ Tot er een definitieve uitspraak is moet de overheid deze uitgeprocedeerde asielzoekers in Nederland dus voorzien van eten, kleding en onderdak. Zie: http://nos.nl/artikel/569362-comite-keurt-asielbeleid-af.html.
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie Teeven is niet blij met dit voorlopige oordeel. Hij noemt het zelfs ‘buitengewoon onwenselijk’. Zie: http://www.elsevier.nl/Politiek/nieuws/2013/10/Teeven-niet-blij-met-opmerking-Raad-van-Europa-over-illegalen-1401471W/.

6. Het recht op culturele ontplooiing van
    artikel 22, derde lid, Grondwet

Het recht op culturele ontplooiing, neergelegd in het derde lid, hangt ten nauwste samen met de vrijheid van meningsuiting van artikel 7 Grondwet. Dit laat mooi zien hoe ook in het derde lid van artikel 22, conform de typologie van verplichtingen, als beginsel een vrijheidsrecht met bijbehorende onthoudingsplicht voor de overheid besloten ligt. Deze onthoudingsplicht spreekt uit de formule ‘voorwaarden scheppen’. Deze formule drukt uit dat de overheid slechts mogelijkheden voor de burgers mag creëren, ze mag geen (bepaalde) culturele interesse opdringen. In de memorie van toelichting bij de grondwetsherziening merkt de regering hierover op:[63] ‘Het spreekt vanzelf dat ieder zelf behoort te kunnen beslissen (...) aan welke cultuuruitingen hij wil deelnemen.’
 
Het begrip ‘cultuur’ valt moeilijk af te bakenen. Vooral de afgrenzing naar de ‘vrijetijdsbesteding’ levert problemen op. In de visie van de regering kan er een onderscheid worden gemaakt door de klemtoon te leggen op ‘de ontplooiende elementen’ van het begrip cultuur.[64] Zulke ‘ontplooiende’ elementen zouden bij louter ‘vrijetijdsbesteding’ ontbreken. Tegelijkertijd geeft de regering echter toe dat het onderscheid vaag blijft. In de literatuur is voorgesteld om onder ‘cultuur’ in de zin van artikel 22 te verstaan: ‘alle uitingen van een beschaving die niet tot onmiddellijk praktisch nut dienen’. Deze omschrijving omvat niet alleen professionele kunst en literatuur maar bijvoorbeeld ook volkskunst, carnaval en andere activiteiten die dicht tegen vrijetijdsbesteding aanleunen. De omschrijving is zo ruim met het oog op het vrijheidsrecht. Gaat het om de zorgverplichtingen dan dient de overheid de beschikbare middelen verantwoord aan te wenden en de prioriteit te leggen bij professionele kunstbeoefening met een beperkt draagvlak in de samenleving. Op dit punt wordt dan conform de tekst van artikel 15 IVESCR eerder aansluiting gezocht bij de wetenschapsbeoefening dan bij de vrijetijdsbesteding.[65] Tegen deze visie kan echter worden ingebracht dat de regering met een beroep op de Intergouvernementele Conferentie inzake het cultuurbeleid van UNESCO onder ‘cultuur’ in de zin van artikel 15 IVESCR mede vormen van sport en recreatie verstaat. Het begrip zou eveneens allerlei vormen van maatschappelijke ontplooiing zoals samenlevingsopbouw en zelfs ook natuur- en landschapsbescherming omvatten.[66] In de volgende paragraaf wordt nader ingegaan op een dergelijke brede omschrijving van het begrip ‘cultuur’.

7. Het recht op culturele ontplooiing in
    het internationale recht

Op internationaal niveau trekt in het kader van het recht op culturele ontplooiing vooral artikel 15 IVESCR de aandacht. Deze verdragsbepaling verankert diverse culturele rechten. Het eerste lid garandeert onder a het recht om deel te nemen aan het culturele leven, onder b het recht om de voordelen te genieten van de wetenschappelijke vooruitgang en de toepassing daarvan en onder c het recht om als schepper de geestelijke en stoffelijke voordelen te genieten van wetenschappelijk, literair of artistiek werk. Het derde lid beschermt de wetenschapsvrijheid en de kunstvrijheid. Deze rechten die teruggaan op artikel 27 van de Universele Verklaring van de mens, vormen een geïntegreerd onderdeel van het rechtenpakket in de mensenrechtenverdragen. Er is een intrinsieke samenhang met rechten als de vrijheid van meningsuiting van de artikelen 10 EVRM en 19 IVBPR, de vrijheid van onderwijs van de artikelen 2 Eerste Protocol EVRM en 13 en 14 IVESCR, de godsdienstvrijheid van de artikelen 9 EVRM en 18 IVBPR, de verenigingsvrijheid van de artikelen 11 EVRM en 21 IVBPR of het zelfbeschikkingsrecht van volken van de artikelen 1 IVESCR en 1 IVBPR. Volgens het VN Comité inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten zijn de culturele rechten van artikel 15 dan ook, net als zulke andere mensenrechten, ‘essential for the maintenance of human dignity and positive social interaction between individuals and communities in a diverse and multicultural world.’ Dit standpunt verkondigt het Comité nadrukkelijk wanneer het in General Comment 14 een toelichting geeft op het recht om deel te nemen aan het culturele leven, verankerd in artikel 15, eerste lid, IVESCR.[67] Het commentaar is te raadplegen op de website van de Verenigde Naties:
http://tbinternet.ohchr.org/_layouts/treatybodyexternal/TBSearch.aspx?Lang=en&TreatyID=9&DocTypeID=11.
 
Tegelijkertijd maakt General Comment 14 duidelijk dat in het kader van artikel 15 het begrip ‘cultuur’ allerminst beperkt mag worden opgevat. Het Comité stelt:[68] ‘[C]ulture is a broad, inclusive concept encompassing all manifestations of human existence. The expression “cultural life” is an explicit reference to culture as a living process, historical, dynamic and evolving, with a past, a present and a future.’ Onder ‘cultuur’ verstaat het dan ook onder meer ‘ways of life, language, oral and written literature, music and song, non-verbal communication, religion or belief systems, rites and ceremonies, sport and games, methods of production or technology, natural and man-made environments, food, clothing and shelter and the arts, customs and traditions through which individuals, groups of individuals and communities express their humanity and the meaning they give to their existence, and build their world view representing their encounter with the external forces affecting their lives.’[69] Inherent aan een dergelijk breed cultuurbegrip is de manifestatie van een bepaalde diversiteit en daarom strekken de culturele rechten zich ook expliciet uit over de rechten van minderheden en de rechten van individuen die tot minderheden behoren.[70] Daar mag echter niet uit worden geconcludeerd alle tradities zonder meer bescherming ondervinden van artikel 15. De intrinsieke verwevenheid met alle andere mensenrechten brengt mee dat gewoonten en praktijken die schadelijk zijn voor het welzijn van individuen of groepen zoals vrouwenbesnijdenis niet met een beroep op artikel 15 te rechtvaardigen vallen. Het Comité stelt zich juist op het standpunt dat de overheid het recht op deelname aan het culturele leven schendt wanneer zij het nalaat om zulke schadelijke praktijken te bestrijden.[71] 
 
In dit kader kan niet voorbij worden gegaan aan het felle debat dat zich in het najaar van 2013 ontspon rond de vraag of Zwarte Piet, de Moorse knecht die in 1848 door Jan Schenkman in het boek ‘Sint Nicolaas en zijn knecht’ werd geïntroduceerd, racistisch is. Zowel voor- als tegenstanders van Zwarte Piet klaagden over discriminatie. Zie: http://www.nrc.nl/nieuws/2013/11/09/antidiscriminatiebureaus-krijgen-klachten-van-autochtonen-om-zwarte-piet-debat/. Het debat liep mede zo hoog omdat Verene Shepherd, het hoofd van de VN-werkgroep die onderzoek deed naar Zwarte Piet, opmerkte dat Nederland moest ophouden met het vieren van het Sinterklaasfeest omdat het fenomeen van Zwarte Piet een terugkeer vormde naar de tijd van de slavernij. Zie: http://www.nrc.nl/nieuws/2013/10/22/vn-onderzoeker-zwarte-piet-is-terugkeer-naar-slavernij-en-moet-stoppen/. Nu is dat wel erg kras uitgedrukt maar anderzijds valt zeker te verdedigen dat vanwege de moeilijk te ontkennen historische achtergrond van slavernij de traditie van Zwarte Piet, anders dan het feest van Sinterklaas dat zelfs teruggaat tot de Middeleeuwen, de bescherming van artikel 15 IVESCR moet ontberen.   
 
Terwijl de typologie van verplichtingen bij het recht op gezondheid en het recht op huisvesting al goede diensten bewijst is zij bij het recht op culturele ontplooiing bijzonder nuttig. Zo springt bij artikel 15, eerste lid, meteen de onthoudingsplicht in het oog:[72] ‘The right to take part in cultural life can be characterized as a freedom.’. Bovendien besteedt artikel 15 in het derde lid bijzondere aandacht aan de vrijheid van de kunstenaar om scheppend werk te verrichten. Deze vrijheid wordt op één lijn gesteld met de vrijheid om wetenschappelijk onderzoek te verrichten. Deze vrijheden van artikel 15 zijn vatbaar voor beperkingen maar bij de vaststelling daarvan dient rekening te worden gehouden met het regime van de beperkingsclausule, te vinden in artikel 4 IVESCR, en het regime van de beperkingsclausules van allerlei parallel lopende klassieke rechten als de vrijheid van meningsuiting of de vrijheid van godsdienst in het EVRM en het IVBPR. 
 
In artikel 15, tweede lid, IVESCR valt te lezen welke aspecten er aan het cultuurbeleid kunnen worden onderscheiden. Ten eerste moet de overheid de ontwikkeling van de cultuur bevorderen. In dit verband kan worden gewezen op de voormalige Wet werk en inkomen kunstenaars (WWik). Ingevolge deze wet konden (beginnende) kunstenaars die met de uitoefening van hun beroep niet in hun inkomen konden voorzien, maximaal achtenveertig maanden lang aanspraak maken op een uitkering die hen in de gelegenheid stelde een renderende beroepspraktijk op te bouwen. Toen de wet per 1 januari 2012 werd ingetrokken zonder dat was voorzien in een overgangsregeling voor uitkeringsgerechtigden die al vóór 1 januari 2012 een Wwik-beschikking hadden ontvangen en hun rechten op grond van die beschikking nog niet hadden verbruikt, concludeerde de rechter tot een schending van het recht op eigendom van artikel 1 Eerste Protocol EVRM.[73] Deze uitspraken deden in politiek Nederland flink wat stof opwaaien.
 
Ten tweede moet ingevolge het tweede lid van artikel 15 IVESCR de verbreiding van de cultuur onder de bevolking worden bevorderd. Hier valt onder meer te wijzen op Kosmopolis, een door de overheid gefinancierd multimediaal platform dat kunst, cultuur en debat inzet om een diepgaande dialoog tussen ‘oude’ en ‘nieuwe’ Nederlanders, jong en oud, denkers en doeners tot stand te brengen en te voeden. Zie http://www.kosmopolis.nl/.
 
Ten derde schrijft artikel 15, tweede lid, IVESCR voor dat het culturele erfgoed in het belang van het nageslacht wordt beschermd. Op dit vlak zijn eveneens twee Europese verdragen het vermelden waard. Het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed van 16 januari 1992 (Trb 2007, 126), ook wel het Verdrag van Malta of de Conventie van Valletta genoemd, beoogt het cultureel erfgoed dat zich in de bodem bevindt beter te beschermen. Het verdrag heeft zijn doorwerking gekregen in de Monumentenwet 1988. De essentie is dat voorafgaand aan de uitvoering van allerlei plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden in de bodem en dat daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee moet werden gehouden. Het Europees landschapsverdrag van 20 oktober 2000 (Trb 2005, 23), ook wel het Verdrag van Florence genoemd, is een verdrag waarin in het thema landschap integraal behandeld wordt. Belangrijke doelen van dit verdrag zijn de bescherming, het beheer en de inrichting van landschappen en het organiseren van Europese samenwerking op dit gebied. In Nederland is dit uitgewerkt in het Landschapsmanifest, een samenwerkingsverband van 45 organisaties dat ernaar streeft om de kwaliteit van het Nederlandse landschap hoog te houden en waar nodig te verbeteren. Staatsbosbeheer is bijvoorbeeld aangesloten bij deze organisatie. Zie: http://www.staatsbosbeheer.nl/Nieuws%20en%20achtergronden/Themas/Landschap/Landschapsmanifest.aspx. Op het punt van de bescherming van het culturele erfgoed mag zeker de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE) niet worden vergeten. Zie: www.cultureelerfgoed.nl. Zie voorts : http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/monumenten-en-erfgoed-archeologie. Met het oog op de bescherming van het culturele erfgoed is de reeds genoemde Monumentenwet tot stand gebracht. De Wet tot behoud van cultuurbezit die cultuurhistorische en wetenschappelijke voorwerpen beschermt die voor Nederland onmisbaar en onvervangbaar zijn. Op naleving van deze wet wordt toegezien door de Erfgoedinspectie. Zie: http://www.erfgoedinspectie.nl/.
 
Tot slot verplicht het eerste lid, sub c, van artikel 15 de overheid nog de belangen te beschermen die voor de kunstenaar voortvloeien uit door hem geschapen kunstwerken. Dit onderdeel van artikel 15 werd door het VN Comité inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten in General Comment 17 apart van een toelichting voorzien. Het commentaar is te vinden op:
http://tbinternet.ohchr.org/_layouts/treatybodyexternal/TBSearch.aspx?Lang=en&TreatyID=9&DocTypeID=11. Het Comité geeft aan dat de inhoud van het eerste lid, sub c, van artikel 15 zich ook weer laat verduidelijken via de typologie van verplichtingen:[74] ‘The right of everyone to benefit from the protection of the moral and material benefits resulting from any scientific, literary or artistic production of which he or she is the author, like all human rights, imposes three types or levels of obligations on States parties:  the obligations to respect, protect and fulfil. The obligation to respect requires States parties to refrain from interfering directly or indirectly with the enjoyment of the right to benefit from the protection of the moral and material interests of the author. The obligation to protect requires States parties to  take measures that prevent third parties from interfering with the moral and material interests of authors. Finally, the obligation to fulfil requires States parties to adopt appropriate legislative, administrative, budgetary, judicial, promotional and other measures towards the full realization of article 15, paragraph 1 (c).’ Het eerste lid, sub c, van artikel 15 bestrijkt dus ook weer een uitgebreid terrein. Het belangrijkste instrument ter bescherming van de rechten van kunstenaars is de Auteurswet. Artikel 1 van deze wet definieert het begrip ‘auteursrecht’ als ‘het uitsluitend recht van den maker van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst, of van diens rechtverkrijgenden, om dit openbaar te maken en te verveelvoudigen, behoudens de beperkingen, bij de wet gesteld’. Volgens de Hoge Raad is voor de gelding van dit auteursrecht vereist dat het werk een eigen oorspronkelijk karakter heeft en ook het persoonlijke stempel van de maker draagt.[75]Het auteursrecht is op veel zaken van toepassing, niet alleen op teksten maar bijvoorbeeld ook op muziek, beeldend werk, foto’s, films, software of bouwwerken. Gaat het om visuele auteursrechten dan neemt de Stichting Pictoright voor de bij haar aangesloten kunstenaars de inning voor haar rekening. Zie: http://www.pictoright.nl/. Betreft het muziek dan is Buma/Stemra de auteursrechtenorganisatie die de belangen van haar leden wereldwijd vertegenwoordigt. Zie: http://www.bumastemra.nl/.  

8. Jurisprudentie

- ABRvS 12 april 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA3394
- ABRvS 27 april 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA4654
- CRvB 29 mei 1996, RSV 1997, 9
- CRvB 22 december 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG8776
- CRvB 14 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO6734
- Gerechtshof Amsterdam 25 oktober 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BB6504
- Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 2 maart 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BL6583
- Gerechtshof ’s-Gravenhage 5 juni 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BW7457
- ECSR 27 oktober 2009, (DCI v. the Netherlands), NTM/NJCM-Bull. 2010, p. 205-219 m.nt. Antoine Buyse
- ECSR 1 juli 2013, 90/2013 (CEC v. the Netherlands)
- EHRM 4 mei 1999 (decision), 36448/97 (Marzari v. Italy)
- EHRM 10 mei 2001, 25781/94 (Cyprus v. Turkey)
- EHRM 17 januari 2002, 32967/96 (Calvelli and Ciglio v. Italy)
- EHRM 8 juli 2003 (decision), 27677/02 (Sentges v. the Netherlands)
- EHRM 9 maart 2004, 61827/00 (Glass v. the United Kingdom)
- EHRM 27 mei 2004, 66746/01 (Connors v. the United Kingdom)
- EHRM 4 januari 2005 (decision), 14462/03 (Pentiacova v. Moldova)
- EHRM 5 oktober 2006 (decision), 75725/01 (Trocellier v. France)
- EHRM 14 december 2006, 4353/03 (Tarariyeva v. Russia)
- EHRM 2 juni 2009, 31675/04 (Codarcea v. Romania)
- EHRM 18 juni 2009 (decision), 45603/05 (Budina v. Russia)
- EHRM 23 maart 2010, 4864/05 (Oyal v. Turkey)
- EHRM 21 januari 2011, 30696/09 (M.S.S. v. Belgium and Greece)
- EHRM 5 april 2011, 2974/05 (Vasyukov v. Russia)
- EHRM 24 april 2012, 25446/06 (Yordanova and Others v. Bulgaria)
- HR 4 januari 1991, NJ 1991, 608 (Van Dale/Romme)
- HR 28 juni 1991, AB 1992, 116
- HR 21 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5328
- Kantonrechter Maastricht 25 juni 2008, ECLI:NL:RBMAA:2008:BD5759
- Nationale ombudsman 18 juli 1995, rapportnr. 95/271
- Nationale ombudsman, rapportnr. 2013/125
- Rechtbank Utrecht 18 juni 1991, NJ 1992, 370
- Rechtbank Maastricht 6 mei 2008, ECLI:NL:RBMAA:2008:BD6937
- Rechtbank Utrecht 6 april 2010, ECLI:NL:RBUTR:2010:BM0846
- Rechtbank ’s-Gravenhage 3 januari 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BU9921

9. Literatuur

- Ph. Alston en A. Eide, Advancing the right to food in international law, in: A. Eide e.a., Food as a human right, Tokyo 1984
- Committee on Economic, Social and Cultural Rights, General Comment No. 4 (1991), The right to adequate housing (art. 11 (1) of the Covenant), E/1992/23
- Committee on Economic, Social and Cultural Rights, General Comment No. 7, The right to adequate housing (art. 11.1 of the Covenant): forced evictions, E/1998/22
- Committee on Economic, Social and Cultural Rights, General Comment No. 14, The right to the highest attainable standard of health (art. 12), E/C.12/2000/4, par. 4.
- Committee on Economic, Social and Cultural Rights, General Comment No. 17, The right of everyone to benefit from the protection of the moral and material interests resulting from any scientific, literary or artistic production of which he or she is the author (article 15, paragraph 1 (c), of the Covenant), E/C.12/GC/17
- Committee on Economic, Social and Cultural Rights, General Comment No. 21, Right of everyone to take part in cultural life (art. 15, para. 1 (a), of the International Covenant on Economic, Social and Cultural Rights), E/C.12/GC/21
- Committee on the Rights of the Child, General Comment No. 15, The right of the child to the enjoyment of the highest attainable standard of health, CRC/C/GC/15
- J. Doek en S. Spronk, Het recht van kinderen op gezondheid, NTM/NJCM-Bulletin 2013, p. 482-499
- G.J.H. van Hoof, The Legal Nature of Economic, Social and Cultural Rights: a Rebuttal of Some Traditional Views, in: P. Alston en K. Tomasevski (ed.), The Right to Food, ’s-Gravenhage 1984
- B. Hubeau/R. de Lange (ed.), Het grondrecht op wonen; de grondwettelijke erkenning van het recht op huisvesting in Nederland en België, Antwerpen/Apeldoorn 1995
- H. Shue, Basic Rights, Subsistence, Affluence and U.S. Foreign Policy, Princeton, New Jersey 1980
- Brigit C.A. Toebes, The Right to Health as a Human Right in International Law, Antwerpen/Groningen/Oxford 1999
- F.M.C. Vlemminx, Een nieuw profiel van de grondrechten; Een analyse van de prestatieplichten ingevolge klassieke en sociale grondrechten, BJu: Den Haag 2002
- F.M.C. Vlemminx, Grondrechten en moderne beeldende kunst, Tjeenk Willink: Zwolle 1992
- F.M.C. Vlemminx, Het moderne EVRM, BJu: Den Haag 2013

10. Historische versies

Geen eerdere versies.

Noten

  1. Zie voor een uitgebreide bespreking van deze typologie: F.M.C. Vlemminx, Een nieuw profiel van de grondrechten; Een analyse van de prestatieplichten ingevolge klassieke en sociale grondrechten, BJu: Den Haag 2002, hoofdstuk 3, paragraaf 7 en hoofdstukken 4 t/m 7.
  2. H. Shue, Basic Rights, Subsistence, Affluence and U.S. Foreign Policy, Princeton, New Jersey 1980.
  3. Ph. Alston en A. Eide, Advancing the right to food in international law, in: A. Eide e.a., Food as a human right, Tokyo 1984, p. 249-259.
  4. G.J.H. van Hoof, The Legal Nature of Economic, Social and Cultural Rights: a Rebuttal of Some Traditional Views, in: P. Alston en K. Tomasevski (ed.), The Right to Food, ’s-Gravenhage 1984, p. 97-110.
  5. F.M.C. Vlemminx, Een nieuw profiel van de grondrechten; Een analyse van de prestatieplichten ingevolge klassieke en sociale grondrechten, Den Haag 2002, p. 58.
  6. Brigit C.A. Toebes, The Right to Health as a Human Right in International Law, Antwerpen/Groningen/Oxford 1999, p. 291-342.
  7. Algehele grondwetsherziening, Deel Ia Grondrechten, ’s-Gravenhage 1979, p. 265.
  8. HR 28 juni 1991, AB 1992, 116.
  9. Algehele grondwetsherziening, Deel Ia Grondrechten, ’s-Gravenhage 1979, p. 336.
  10. Gerechtshof Amsterdam 25 oktober 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BB6504, r.o. 4.8.6.
  11. Nationale ombudsman 18 juli 1995, rapportnr. 95/271, p. 188.
  12. Rapportnr. 2013/125, p. 51-52.
  13. CRvB 29 mei 1996, RSV 1997, 9.
  14. Hand. II 1997/98, p. 4381. De affaire komt uitgebreid aan bod in: F. Vlemminx, Een nieuw profiel van de grondrechten; een analyse van de prestatieplichten ingevolge klassieke en sociale grondrechten, Den Haag 2002, p. 217-219.
  15. Zie over de afbakening van het begrip in het bijzonder: Brigit C.A. Toebes, The Right to Health as a Human Right in International Law, Antwerpen/Groningen/Oxford 1999, hoofdstuk 1, paragraaf 4.1.
  16. Committee on Economic, Social and Cultural Rights, General Comment No. 14, The right to the highest attainable standard of health (art. 12), E/C.12/2000/4, par. 4.
  17. Zie over artikel 24 IVRK uitgebreid: Jaap Doek en Sarah Spronk, Het recht van kinderen op gezondheid, NTM/NJCM-Bulletin 2013, p. 482-499.
  18. Committee on the Rights of the Child, General Comment No. 15, The right of the child to the enjoyment of the highest attainable standard of health, CRC/C/GC/15, par. 2.
  19. Committee on Economic, Social and Cultural Rights, General Comment No. 14, The right to the highest attainable standard of health (art. 12), E/C.12/2000/4, par. 59.
  20. Bijvoorbeeld CRvB 14 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO6734.
  21. Kantonrechter Maastricht 25 juni 2008, ECLI:NL:RBMAA:2008:BD5759.
  22. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 2 maart 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BL6583.
  23. CRvB 14 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO6734.
  24. ABRvS 12 april 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA3394.
  25. ABRvS 27 april 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA4654.
  26. Jaap Doek en Sarah Spronk, Het recht van kinderen op gezondheid, NTM/NJCM-Bulletin 2013, p. 499.
  27. Zie over het EVRM en de medische zorg voor gedetineerden: F.M.C. Vlemminx, Het moderne EVRM, Den Haag 2013, p. 277-278, 293-294 en 305.
  28. Bijvoorbeeld EHRM 14 december 2006, 4353/03 (Tarariyeva v. Russia).
  29. Bijvoorbeeld EHRM 5 april 2011, 2974/05 (Vasyukov v. Russia).
  30. Rapportnr. 2013/125.
  31. EHRM 10 mei 2001, 25781/94 (Cyprus v. Turkey).
  32. EHRM 18 juni 2009 (decision), 45603/05 (Budina v. Russia).
  33. Zie over artikel 3 EVRM en mogelijke aanspraken op voorzieningen: F.M.C. Vlemminx, Het moderne EVRM, Den Haag 2013, p. 310-311.
  34. Zie over artikel 8 EVRM en mogelijke aanspraken op voorzieningen: F.M.C. Vlemminx, Het moderne EVRM, Den Haag 2013, p. 360-362.
  35. [EHRM 4 januari 2005 (decision), 14462/03 (Pentiacova v. Moldova).
  36. EHRM 8 juli 2003 (decision), 27677/02 (Sentges v. the Netherlands).
  37. CRvB 22 december 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG8776.
  38. CRvB 14 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO6734.
  39. Bijvoorbeeld EHRM 17 januari 2002, 32967/96 (Calvelli and Ciglio v. Italy).
  40. EHRM 23 maart 2010, 4864/05 (Oyal v. Turkey).
  41. Bijvoorbeeld EHRM 2 juni 2009, 31675/04 (Codarcea v. Romania).
  42. EHRM 5 oktober 2006 (decision), 75725/01 (Trocellier v. France).
  43. EHRM 9 maart 2004, 61827/00 (Glass v. the United Kingdom).
  44. B. Hubeau/R. de Lange (ed.), Het grondrecht op wonen; de grondwettelijke erkenning van het recht op huisvesting in Nederland en België, Antwerpen/Apeldoorn 1995.
  45. Algehele grondwetsherziening, Deel Ia Grondrechten, ’s-Gravenhage 1979, p. 265.
  46. Algehele grondwetsherziening, Deel Ia Grondrechten, ’s-Gravenhage 1979, p. 337.
  47. Algehele grondwetsherziening, Deel Ia Grondrechten, ’s-Gravenhage 1979, p. 337.
  48. Rechtbank Maastricht 6 mei 2008, ECLI:NL:RBMAA:2008:BD6937, r.o. 3.5.4.
  49. Rechtbank Utrecht 18 juni 1991, NJ 1992, 370.
  50. F.M.C. Vlemminx, Een nieuw profiel van de grondrechten; Een analyse van de prestatieplichten ingevolge klassieke en sociale grondrechten, Den Haag 2002, p. 150.
  51. Committee on Economic, Social and Cultural Rights, General Comment No. 7, The right to adequate housing (art. 11.1 of the Covenant): forced evictions, E/1998/22 paras. Annex IV, par. 15.
  52. EHRM 27 mei 2004, 66746/01 (Connors v. the United Kingdom), par. 83.
  53. Committee on Economic, Social and Cultural Rights, General Comment No. 7, The right to adequate housing (art. 11.1 of the Covenant): forced evictions, E/1998/22, Annex IV, par. 16.
  54. Committee on Economic, Social and Cultural Rights, General Comment No. 4 (1991), The right to adequate housing (art. 11 (1) of the Covenant), E/1992/23, Annex III, par. 8 (f).
  55. Zie over de artikelen 3 en 8 EVRM en mogelijke aanspraken op voorzieningen: F.M.C. Vlemminx, Het moderne EVRM, Den Haag 2013, p. 310-311 en 360-362.
  56. EHRM 4 mei 1999 (decision), 36448/97 (Marzari v. Italy).
  57. EHRM 24 april 2012, 25446/06 (Yordanova and Others v. Bulgaria), par. 130
  58. CRvB 22 december 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG8776.
  59. EHRM 21 januari 2011, 30696/09 (M.S.S. v. Belgium and Greece).
  60. ECSR 27 oktober 2009, (DCI v. the Netherlands), NTM/NJCM-Bull. 2010, p. 205-219 m.nt. Antoine Buyse.
  61. Bijvoorbeeld rechtbank Utrecht 6 april 2010, ECLI:NL:RBUTR:2010:BM0846 of HR 21 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5328.
  62. ECSR 1 juli 2013, 90/2013 (CEC v. the Netherlands).
  63. Algehele grondwetsherziening, Deel Ia Grondrechten, ’s-Gravenhage 1979, p. 265-266.
  64. Algehele grondwetsherziening, Deel Ia Grondrechten, ’s-Gravenhage 1979, p. 266.
  65. F.M.C. Vlemminx, Grondrechten en moderne beeldende kunst, Zwolle 1992, p. 196-198.
  66. TK 1975-1976, 13 932 (R 1037), nr. 3, p. 56.
  67. Committee on Economic, Social and Cultural Rights, General Comment No. 21, Right of everyone to take part in cultural life (art. 15, para. 1 (a), of the International Covenant on Economic, Social and Cultural Rights), E/C.12/GC/21, par. 1.
  68. Committee on Economic, Social and Cultural Rights, General Comment No. 21, Right of everyone to take part in cultural life (art. 15, para. 1 (a), of the International Covenant on Economic, Social and Cultural Rights), E/C.12/GC/21, par. 11.
  69. Committee on Economic, Social and Cultural Rights, General Comment No. 21, Right of everyone to take part in cultural life (art. 15, para. 1 (a), of the International Covenant on Economic, Social and Cultural Rights), E/C.12/GC/21, par. 13.
  70. Committee on Economic, Social and Cultural Rights, General Comment No. 21, Right of everyone to take part in cultural life (art. 15, para. 1 (a), of the International Covenant on Economic, Social and Cultural Rights), E/C.12/GC/21, par. 32.
  71. Committee on Economic, Social and Cultural Rights, General Comment No. 21, Right of everyone to take part in cultural life (art. 15, para. 1 (a), of the International Covenant on Economic, Social and Cultural Rights), E/C.12/GC/21, par. 64.
  72. Committee on Economic, Social and Cultural Rights, General Comment No. 21, Right of everyone to take part in cultural life (art. 15, para. 1 (a), of the International Covenant on Economic, Social and Cultural Rights), E/C.12/GC/21, par. 6.
  73. Rechtbank ’s-Gravenhage 3 januari 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BU9921 en Hof ’s-Gravenhage 5 juni 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BW7457.
  74. Committee on Economic, Social and Cultural Rights, General Comment No. 17, The right of everyone to benefit from the protection of the moral and material interests resulting from any scientific, literary or artistic production of which he or she is the author (article 15, paragraph 1 (c), of the Covenant), E/C.12/GC/17, par. 28.
  75. HR 4 januari 1991, NJ 1991, 608 (Van Dale/Romm

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    F.M.C. Vlemminx , Commentaar op artikel 22 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2017 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Volksgezondheid en woongelegenheid

Deze bepaling omvat een drietal grondrechten: het recht op gezondheidszorg, het recht op woongelegenheid en het recht op culturele ontplooiing.
 
De zorg voor de volksgezondheid komt vooral tot uitdrukking in wetgeving op het terrein van de gezondheidszorg, die tot doel heeft te verzekeren dat iedereen toegang heeft tot noodzakelijke en passende gezondheidszorg. De wetgever heeft er, met het oog op het betaalbaar houden van de gezondheidszorg, voor gekozen deze verantwoordelijkheid voor een belangrijk deel neer te leggen bij zorgaanbieders en zorgverzekeraars en zelf vooral een sturende rol te spelen. Ieder is verplicht een zorgverzekering af te sluiten. Daarnaast geeft de overheid voorlichting over gezondheidsrisico’s en ongezonde leefgewoontes en worden programma’s opgezet om mensen tot een gezonde levensstijl te bewegen.
 
Verder dient de overheid ervoor te zorgen dat mensen veilig kunnen wonen in huizen van behoorlijke kwaliteit. Daartoe schept de overheid onder meer voorwaarden voor een gezonde woningmarkt en stimuleert zij de woningbouw.
 
Het recht op culturele ontplooiing betekent dat de overheid zich moet inspannen, onder meer door subsidiëring, om een klimaat te scheppen waarin literatuur, beeldende kunsten, muziek, toneel en andere vormen van kunst kunnen gedijen, om zo een rijk aanbod van culturele voorzieningen te waarborgen.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Volksgezondheid en woongelegenheid

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Volksgezondheid en woongelegenheid

Recente rechtspraak

Volksgezondheid en woongelegenheid

Politiek

Volksgezondheid en woongelegenheid

Video
Blogs
IN DE WERELD
Blogs

Volksgezondheid en woongelegenheid

In de wereld

Volksgezondheid en woongelegenheid