CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • M. Adams
  • B.C. van Beers
  • A.A.L. Beers & K.T. Meijer
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • S.C. van Bijsterveld & B.P. Vermeulen
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard & J. Uzman
  • G. Boogaard, J. Uzman & J.J. But
  • G. Boogaard & J.J. But
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • S. Daniëls
  • J.W.A. Fleuren
  • F. Fleurke
  • J.L.M. Gribnau & M.R.T Pauwels
  • M.M. Groothuis
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • H.G. Hoogers
  • M. Houwerzijl & N. Zekic
  • M. Houwerzijl & F. Vlemminx
  • P. Jacobs
  • N.M.C.P. Jägers & J.P. Loof
  • E.J. Janse de Jonge
  • S. Jellinghaus & E. Huisman
  • J. Kiewiet & G.F.M. van der Tang †
  • T. Kooijmans en J. van der Ham
  • E.J. Koops en R. Passchier
  • G. Leenknegt
  • K.T. Meijer
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • B.M.J. van der Meulen
  • F.M.C. Vlemminx en R. Passchier
  • T. Peters
  • J.C.A. de Poorter
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • G. van der Schyff
  • J. Uzman & G. Boogaard
  • J. Uzman
  • B.P. Vermeulen
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx & G. van der Schyff
  • F.M.C. Vlemminx & A.C.M. Meuwese
  • W.J.M. Voermans
  • B.W.N. de Waard
  • W. van der Woude
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buitenstaatverklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Aanstelling burgemeester en commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 132a  Caribische openbare lichamen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

HOOFDSTUK 1

Grondrechten

INLEIDING

Artikel 1 - Gelijke behandeling

Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Artikel 2 - Nederlandschap en vreemdelingen

  1. De wet regelt wie Nederlander is.
  2. De wet regelt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen.
  3. Uitlevering kan slechts geschieden krachtens verdrag. Verdere voorschriften omtrent uitlevering worden bij de wet gegeven.
  4. Ieder heeft het recht het land te verlaten, behoudens in de gevallen, bij de wet bepaald.

Artikel 3 - Gelijke benoembaarheid

Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.

Artikel 4 - Kiesrecht

Iedere Nederlander heeft gelijkelijk recht de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen alsmede tot lid van deze organen te worden verkozen, behoudens bij de wet gestelde beperkingen en uitzonderingen.

Artikel 5 - Petitierecht

Ieder heeft het recht verzoeken schriftelijk bij het bevoegd gezag in te dienen.

Artikel 6 - Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging

  1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 7 - Vrijheid van meningsuiting

  1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- of televisieuitzending.
  3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar regelen ter bescherming van de goede zeden.
  4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.

Artikel 8 - Recht tot vereniging

Het recht tot vereniging wordt erkend. Bij de wet kan dit recht worden beperkt in het belang van de openbare orde.

Artikel 9 - Recht tot vergadering en betoging

  1. Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 10 - Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer

  1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.
  2. De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens.
  3. De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.

Artikel 11 - Onaantastbaarheid van het lichaam

Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.

Artikel 12 - Binnentreden woning

  1. Het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen.
  2. Voor het binnentreden overeenkomstig het eerste lid zijn voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden vereist, behoudens bij de wet gestelde uitzonderingen.
  3. Aan de bewoner wordt zo spoedig mogelijk een schriftelijk verslag van het binnentreden verstrekt. Indien het binnentreden in het belang van de nationale veiligheid of dat van de strafvordering heeft plaatsgevonden, kan volgens bij de wet te stellen regels de verstrekking van het verslag worden uitgesteld. In de bij de wet te bepalen gevallen kan de verstrekking achterwege worden gelaten, indien het belang van de nationale veiligheid zich tegen verstrekking blijvend verzet.

Artikel 13 - Vertrouwelijke communicatie

  1. Het briefgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, op last van de rechter.
  2. Het telefoon- en telegraafgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, door of met machtiging van hen die daartoe bij de wet zijn aangewezen.

Artikel 14 - Onteigening

  1. Onteigening kan alleen geschieden in het algemeen belang en tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander naar bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.
  2. De schadeloosstelling behoeft niet vooraf verzekerd te zijn, wanneer in geval van nood onverwijld onteigening geboden is.
  3. In de gevallen bij of krachtens de wet bepaald bestaat recht op schadeloosstelling of tegemoetkoming in de schade, indien in het algemeen belang eigendom door het bevoegd gezag wordt vernietigd of onbruikbaar gemaakt of de uitoefening van het eigendomsrecht wordt beperkt.

Artikel 15 - Vrijheidsontneming

  1. Buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen.
  2. Hij aan wie anders dan op rechterlijk bevel zijn vrijheid is ontnomen, kan aan de rechter zijn invrijheidstelling verzoeken. Hij wordt in dat geval door de rechter gehoord binnen een bij de wet te bepalen termijn. De rechter gelast de onmiddellijke invrijheidstelling, indien hij de vrijheidsontneming onrechtmatig oordeelt.
  3. De berechting van hem aan wie met het oog daarop zijn vrijheid is ontnomen, vindt binnen een redelijke termijn plaats.
  4. Hij aan wie rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, kan worden beperkt in de uitoefening van grondrechten voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt.

Artikel 16 - Nulla poena

Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.

Artikel 17 - Wettelijk toegekende rechter

Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent.

Artikel 18 - Rechtsbijstand

  1. Ieder kan zich in rechte en in administratief beroep doen bijstaan.
  2. De wet stelt regels omtrent het verlenen van rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen.

Artikel 19 - Werkgelegenheid en arbeidskeuze

  1. Bevordering van voldoende werkgelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de rechtspositie van hen die arbeid verrichten en omtrent hun bescherming daarbij, alsmede omtrent medezeggenschap.
  3. Het recht van iedere Nederlander op vrije keuze van arbeid wordt erkend, behoudens de beperkingen bij of krachtens de wet gesteld.

Artikel 20 - Bestaanszekerheid

  1. De bestaanszekerheid der bevolking en spreiding van welvaart zijn voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de aanspraken op sociale zekerheid.
  3. Nederlanders hier te lande, die niet in het bestaan kunnen voorzien, hebben een bij de wet te regelen recht op bijstand van overheidswege.

Artikel 21 - Milieubescherming

De zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu.

Artikel 22 - Volksgezondheid en woongelegenheid

  1. De overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid.
  2. Bevordering van voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  3. Zij schept voorwaarden voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding.

Artikel 23 - Onderwijs

  1. Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.
  2. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.
  3. Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld.
  4. In elke gemeente en in elk van de openbare lichamen, bedoeld in artikel 132a, wordt van overheidswege voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal openbare scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven, al dan niet in een openbare school.
  5. De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.
  6. Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.
  7. Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.
  8. De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten-Generaal.
HOOFDSTUK 2

Regering INLEIDING

Artikel 24 - Koningschap

Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau.

Artikel 25 - Erfopvolging

Het koningschap gaat bij overlijden van de Koning krachtens erfopvolging over op zijn wettige nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft, met plaatsvervulling volgens dezelfde regel. Bij gebreke van eigen nakomelingen gaat het koningschap op gelijke wijze over op de wettige nakomelingen eerst van zijn ouder, dan van zijn grootouder, in de lijn van erfopvolging, voor zover de overleden Koning niet verder bestaand dan in de derde graad van bloedverwantschap.

Artikel 26 - Status ongeboren kind Koning

Het kind, waarvan een vrouw zwanger is op het ogenblik van het overlijden van de Koning, wordt voor de erfopvolging als reeds geboren aangemerkt. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

Artikel 27 - Afstand koningschap

Afstand van het koningschap leidt tot erfopvolging overeenkomstig de regels in de voorgaande artikelen gesteld. Na de afstand geboren kinderen en hun nakomelingen zijn van de erfopvolging uitgesloten.

Artikel 28 - Afstand koningschap door huwelijk

  1. De Koning, een huwelijk aangaande buiten bij de wet verleende toestemming, doet daardoor afstand van het koningschap.
  2. Gaat iemand die het koningschap van de Koning kan beërven een zodanig huwelijk aan, dan is hij met de uit dit huwelijk geboren kinderen en hun nakomelingen van de erfopvolging uitgesloten.
  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake van een voorstel van wet, strekkende tot het verlenen van toestemming, in verenigde vergadering.

Artikel 29 - Uitsluiting troonopvolging

  1. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden daartoe nopen, kunnen bij een wet een of meer personen van de erfopvolging worden uitgesloten.

  2. Het voorstel daartoe wordt door of vanwege de Koning ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 30 - Benoemde Koning

  1. Wanneer vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal ontbreken, kan deze worden benoemd bij een wet. Het voorstel wordt door of vanwege de Koning ingediend. Na de indiening van het voorstel worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  2. Indien bij overlijden van de Koning of bij afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt, worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers komen binnen vier maanden na het overlijden of de afstand in verenigde vergadering bijeen ten einde te besluiten omtrent de benoeming van een Koning. Zij kunnen een opvolger alleen benoemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 31 - Erfopvolging benoemde koning

  1. Een benoemde Koning kan krachtens erfopvolging alleen worden opgevolgd door zijn wettige nakomelingen.

  2. De bepalingen omtrent de erfopvolging en het eerste lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op een benoemde opvolger, zolang deze nog geen Koning is.

Artikel 32 - Inhuldiging Koning

Nadat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen, wordt hij zodra mogelijk beëdigd en ingehuldigd in de hoofdstad Amsterdam in een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Hij zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt. De wet stelt nadere regels vast.

Artikel 33 - Koningschap en meerderjarigheid

De Koning oefent het koninklijk gezag eerst uit, nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

Artikel 34 - Ouderlijk gezag minderjarige Koning

De wet regelt het ouderlijk gezag en de voogdij over de minderjarige Koning en het toezicht daarop. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 35 - Buitenstaatverklaring

  1. Wanneer de ministerraad van oordeel is dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, bericht hij dit onder overlegging van het daartoe gevraagde advies van de Raad van State aan de Staten-Generaal, die daarop in verenigde vergadering bijeenkomen.

  2. Delen de Staten-Generaal dit oordeel, dan verklaren zij dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen. Deze verklaring wordt bekend gemaakt op last van de voorzitter der vergadering en treedt terstond in werking.

  3. Zodra de Koning weer in staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, wordt dit bij de wet verklaard. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Terstond na de bekendmaking van deze wet hervat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag.

  4. De wet regelt zo nodig het toezicht over de persoon van de Koning indien hij buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 36 - Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag

De Koning kan de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk neerleggen en die uitoefening hervatten krachtens een wet, waarvan het voorstel door of vanwege hem wordt ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 37 - Uitoefening koninklijk gezag door regent

  1. Het koninklijk gezag wordt uitgeoefend door een regent:
    a. zolang de Koning de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt;
    b. indien een nog niet geboren kind tot het koningschap geroepen kan zijn;
    c. indien de Koning buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen;
    d. indien de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk heeft neergelegd;
    e. zolang na het overlijden van de Koning of na diens afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt.

  2. De regent wordt benoemd bij de wet. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  3. In de gevallen, genoemd in het eerste lid onder c en d, is de nakomeling van de Koning die zijn vermoedelijke opvolger is, van rechtswege regent indien hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

  4. De regent zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt, in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal. De wet geeft nadere regels omtrent het regentschap en kan voorzien in de opvolging en de vervanging daarin. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  5. Op de regent zijn de artikelen 35 en 36 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38 - Uitoefening koninklijk gezag door RvS

Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk gezag is voorzien, wordt dit uitgeoefend door de Raad van State.

Artikel 39 - Lidmaatschap koninklijk huis

De wet regelt, wie lid is van het koninklijk huis.

Artikel 40 - Uitkering koninklijk huis

  1. De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het Rijk uitkeringen naar regels bij de wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het koninklijk huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen.

  2. De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, zijn vrij van persoonlijke belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of zijn vermoedelijke opvolger krachtens erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van het koninklijk huis vrij van de rechten van successie, overgang en schenking. Verdere vrijdom van belasting kan bij de wet worden verleend.

  3. De kamers der Staten-Generaal kunnen voorstellen van in de vorige leden bedoelde wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 41 - Inrichting huis Koning

De Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis in.

Artikel 42 - Ministeriële verantwoordelijkheid

  1. De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.

  2. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.

Artikel 43 - Regering en ministers

De minister-president en de overige ministers worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.

Artikel 44 - Ministeries

  1. Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.

  2. Ook kunnen ministers worden benoemd die niet belast zijn met de leiding van een ministerie.

Artikel 45 - Ministerraad

  1. De ministers vormen te zamen de ministerraad.

  2. De minister-president is voorzitter van de ministerraad.

  3. De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid.

Artikel 46 - Staatssecretarissen

  1. Bij koninklijk besluit kunnen staatssecretarissen worden benoemd en ontslagen.

  2. Een staatssecretaris treedt in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister.

Artikel 47 - Ondertekening en contraseign

Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.

Artikel 48 - Ontslag en benoeming ministers

Het koninklijk besluit waarbij de minister-president wordt benoemd, wordt mede door hem ondertekend. De koninklijke besluiten waarbij de overige ministers en de staatssecretarissen worden benoemd of ontslagen, worden mede door de minister-president ondertekend.

Artikel 49 - Ambtseed minister en staatssecretaris

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de ministers en de staatssecretarissen bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.
HOOFDSTUK 3

Staten-Generaal INLEIDING

Artikel 50 - Vertegenwoordiging

De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk.

Artikel 51 - Eerste en Tweede Kamer

  1. De Staten-Generaal bestaan uit de Tweede Kamer en de Eerste Kamer.

  2. De Tweede Kamer bestaat uit honderdvijftig leden.

  3. De Eerste Kamer bestaat uit vijfenzeventig leden.

  4. Bij een verenigde vergadering worden de kamers als één beschouwd.

Artikel 52 - Zittingsduur

  1. De zittingsduur van beide kamers is vier jaren.
  2. Indien voor de provinciale staten bij de wet een andere zittingsduur dan vier jaren wordt vastgesteld, wordt daarbij de zittingsduur van de Eerste Kamer in overeenkomstige zin gewijzigd.

Artikel 53 - Evenredige vertegenwoordiging

  1. De leden van beide kamers worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  2. De verkiezingen worden gehouden bij geheime stemming.

Artikel 54 - Verkiezing Tweede Kamer

  1. De leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen ten aanzien van Nederlanders die geen ingezetenen zijn.

  2. Van het kiesrecht is uitgesloten hij die wegens het begaan van een daartoe bij de wet aangewezen delict bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste een jaar en hierbij tevens is ontzet van het kiesrecht.

Artikel 55 - Verkiezing Eerste Kamer

De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten en de leden van een kiescollege als bedoeld in artikel 132a, derde lid. De verkiezing wordt, behoudens in geval van ontbinding der kamer, gehouden binnen drie maanden na de verkiezing van de leden van provinciale staten.

Artikel 56 - Vereisten voor lidmaatschap

Om lid van de Staten-Generaal te kunnen zijn is vereist dat men Nederlander is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.

Artikel 57 - Incompatibiliteiten

  1. Niemand kan lid van beide kamers zijn.

  2. Een lid van de Staten-Generaal kan niet tevens zijn minister, staatssecretaris, lid van de Raad van State, lid van de Algemene Rekenkamer, Nationale ombudsman of substituut-ombudsman, of lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij de Hoge Raad.

  3. Niettemin kan een minister of staatssecretaris, die zijn ambt ter beschikking heeft gesteld, dit ambt verenigen met het lidmaatschap van de Staten-Generaal, totdat omtrent die beschikbaarstelling is beslist.

  4. De wet kan ten aanzien van andere openbare betrekkingen bepalen dat zij niet gelijktijdig met het lidmaatschap van de Staten-Generaal of van een der kamers kunnen worden uitgeoefend.

Artikel 57a - Zwangerschap en ziekte

De wet regelt de tijdelijke vervanging van een lid van de Staten-Generaal wegens zwangerschap en bevalling, alsmede wegens ziekte.

Artikel 58 - Geloofsbrieven

Elke kamer onderzoekt de geloofsbrieven van haar nieuwbenoemde leden en beslist met inachtneming van bij de wet te stellen regels de geschillen welke met betrekking tot de geloofsbrieven of de verkiezing zelf rijzen.

Artikel 59 - Kiesrecht en verkiezingen

Alles, wat verder het kiesrecht en de verkiezingen betreft, wordt bij de wet geregeld.

Artikel 60 - Ambtsaanvaarding

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de leden van de kamers bij de aanvaarding van hun ambt in de vergadering een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

Artikel 61 - Voorzitter en griffier

  1. Elk der kamers benoemt uit de leden een voorzitter.

  2. Elk der kamers benoemt een griffier. Deze en de overige ambtenaren van de kamers kunnen niet tevens lid van de Staten-Generaal zijn.

Artikel 62 - Verenigde vergadering

De voorzitter van de Eerste Kamer heeft de leiding van de verenigde vergadering.

Artikel 63 - Geldelijke voorzieningen

Geldelijke voorzieningen ten behoeve van leden en gewezen leden van de Staten-Generaal en van hun nabestaanden worden bij de wet geregeld. De kamers kunnen een voorstel van wet ter zake alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 64 - Ontbinding Kamers

  1. Elk der kamers kan bij koninklijk besluit worden ontbonden.

  2. Het besluit tot ontbinding houdt tevens de last in tot een nieuwe verkiezing voor de ontbonden kamer en tot het samenkomen van de nieuw gekozen kamer binnen drie maanden.

  3. De ontbinding gaat in op de dag waarop de nieuw gekozen kamer samenkomt.

  4. De wet stelt de zittingsduur van een na ontbinding optredende Tweede Kamer vast; de termijn mag niet langer zijn dan vijf jaren. De zittingsduur van een na ontbinding optredende Eerste Kamer eindigt op het tijdstip waarop de zittingsduur van de ontbonden kamer zou zijn geëindigd.

Artikel 65 - Troonrede

Jaarlijks op de derde dinsdag van september of op een bij de wet te bepalen eerder tijdstip wordt door of namens de Koning in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal een uiteenzetting van het door de regering te voeren beleid gegeven.

Artikel 66 - Openbaarheid vergaderingen

  1. De vergaderingen van de Staten-Generaal zijn openbaar.

  2. De deuren worden gesloten, wanneer een tiende deel van het aantal aanwezige leden het vordert of de voorzitter het nodig oordeelt.

  3. Door de kamer, onderscheidenlijk de kamers in verenigde vergadering, wordt vervolgens beslist of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd en besloten.

Artikel 67 - Quorum

  1. De kamers mogen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering alleen beraadslagen of besluiten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden ter vergadering aanwezig is.

  2. Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen.

  3. De leden stemmen zonder last.

  4. Over zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, wanneer één lid dit verlangt.

Artikel 68 - Inlichtingenplicht bewindslieden

De ministers en de staatssecretarissen geven de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat.

Artikel 69 - Aanwezigheid bewindslieden

  1. De ministers en de staatssecretarissen hebben toegang tot de vergaderingen en kunnen aan de beraadslaging deelnemen.

  2. Zij kunnen door de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn.

  3. Zij kunnen zich in de vergaderingen doen bijstaan door de personen, daartoe door hen aangewezen.

Artikel 70 - Recht van enquête

Beide kamers hebben, zowel ieder afzonderlijk als in verenigde vergadering, het recht van onderzoek (enquête), te regelen bij de wet.

Artikel 71 - Parlementaire onschendbaarheid

De leden van de Staten-Generaal, de ministers, de staatssecretarissen en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging, kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergaderingen van de Staten-Generaal of van commissies daaruit hebben gezegd of aan deze schriftelijk hebben overgelegd.

Artikel 72 - Reglement van orde

De kamers stellen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering een reglement van orde vast.
HOOFDSTUK 4

Adviesorganen INLEIDING

Artikel 73 - Taak Raad van State

  1. De Raad van State of een afdeling van de Raad wordt gehoord over voorstellen van wet en ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur, alsmede over voorstellen tot goedkeuring van verdragen door de Staten-Generaal. In bij de wet te bepalen gevallen kan het horen achterwege blijven.

  2. De Raad of een afdeling van de Raad is belast met het onderzoek van de geschillen van bestuur die bij koninklijk besluit worden beslist en draagt de uitspraak voor.

  3. De wet kan aan de Raad of een afdeling van de Raad de uitspraak in geschillen van bestuur opdragen.

Artikel 74 - Rechtspositie leden

  1. De Koning is voorzitter van de Raad van State. De vermoedelijke opvolger van de Koning heeft na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar van rechtswege zitting in de Raad. Bij of krachtens de wet kan aan andere leden van het koninklijk huis zitting in de Raad worden verleend.

  2. De leden van de Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  3. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  4. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Raad worden geschorst of ontslagen.

  5. De wet regelt overigens hun rechtspositie

Artikel 75 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Raad van State.

  2. Bij de wet kunnen aan de Raad of een afdeling van de Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 76 - Algemene rekenkamer

De Algemene Rekenkamer is belast met het onderzoek van de ontvangsten en uitgaven van het Rijk.

Artikel 77 - Rechtpositie leden rekenkamer

  1. De leden van de Algemene Rekenkamer worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Hoge Raad worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 78 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Algemene Rekenkamer.

  2. Bij de wet kunnen aan de Algemene Rekenkamer ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 78a - Nationale ombudsman

  1. De Nationale ombudsman verricht op verzoek of uit eigen beweging onderzoek naar gedragingen van bestuursorganen van het Rijk en van andere bij of krachtens de wet aangewezen bestuursorganen.
  2. De Nationale ombudsman en een substituut-ombudsman worden voor een bij de wet te bepalen termijn benoemd door de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Tweede Kamer der Staten-Generaal worden geschorst of ontslagen. De wet regelt overigens hun rechtspositie.
  3. De wet regelt de bevoegdheid en werkwijze van de Nationale ombudsman.
  4. Bij of krachtens de wet kunnen aan de Nationale ombudsman ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 79 - Vaste colleges van advies

  1. Vaste colleges van advies in zaken van wetgeving en bestuur van het Rijk worden ingesteld bij of krachtens de wet.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van deze colleges.

  3. Bij of krachtens de wet kunnen aan deze colleges ook andere dan adviserende taken worden opgedragen.

Artikel 80 - Openbaarmaking advies

  1. De adviezen van de in dit hoofdstuk bedoelde colleges worden openbaar gemaakt volgens regels bij de wet te stellen.

  2. Adviezen, uitgebracht ter zake van voorstellen van wet die door of vanwege de Koning worden ingediend, worden, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen, aan de Staten-Generaal overgelegd.

HOOFDSTUK 5

Wetgeving en bestuur INLEIDING

Artikel 81 - Wetgevende macht

De vaststelling van wetten geschiedt door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk.

Artikel 82 - Indienen wetsvoorstel

  1. Voorstellen van wet kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Voorstellen van wet waarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en, voor zover de betreffende artikelen van hoofdstuk 2 dit toelaten, door de verenigde vergadering.

  3. Voorstellen van wet, in te dienen door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering, worden bij haar door een of meer leden aanhangig gemaakt.

Artikel 83 - Toezending wetsvoorstel TK

Voorstellen van wet, ingediend door of vanwege de Koning, worden gezonden aan de Tweede Kamer of, indien daarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, aan deze vergadering.

Artikel 84 - Wijziging wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet, ingediend door of vanwege de Koning, niet door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering is aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en vanwege de regering worden gewijzigd.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden gewijzigd.

Artikel 85 - Toezending wetsvoorstel EK

Zodra de Tweede Kamer een voorstel van wet heeft aangenomen of tot indiening van een voorstel heeft besloten, zendt zij het aan de Eerste Kamer, die het voorstel overweegt zoals het door de Tweede Kamer aan haar is gezonden. De Tweede Kamer kan een of meer van haar leden opdragen een door haar ingediend voorstel in de Eerste Kamer te verdedigen.

Artikel 86 - Intrekking wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet niet door de Staten-Generaal is aangenomen, kan het door of vanwege de indiener worden ingetrokken.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden ingetrokken.

Artikel 87 - Aanneming en bekrachtiging

  1. Een voorstel wordt wet, zodra het door de Staten-Generaal is aangenomen en door de Koning is bekrachtigd.

  2. De Koning en de Staten-Generaal geven elkaar kennis van hun besluit omtrent enig voorstel van wet.

Artikel 88 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de wetten. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 89 - Algemene maatregel van bestuur

  1. Algemene maatregelen van bestuur worden bij koninklijk besluit vastgesteld.

  2. Voorschriften, door straffen te handhaven, worden daarin alleen gegeven krachtens de wet. De wet bepaalt de op te leggen straffen.

  3. De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de algemene maatregelen van bestuur. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

  4. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op andere vanwege het Rijk vastgestelde algemeen verbindende voorschriften.

Artikel 90 - Bevordering internationale rechtsorde

De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde.

Artikel 91 - Goedkeuring verdrag

  1. Het Koninkrijk wordt niet aan verdragen gebonden en deze worden niet opgezegd zonder voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. De wet bepaalt de gevallen waarin geen goedkeuring is vereist.

  2. De wet bepaalt de wijze waarop de goedkeuring wordt verleend en kan voorzien in stilzwijgende goedkeuring.

  3. Indien een verdrag bepalingen bevat welke afwijken van de Grondwet dan wel tot zodanig afwijken noodzaken, kunnen de kamers de goedkeuring alleen verlenen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 92 - Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties

Met inachtneming, zo nodig, van het bepaalde in artikel 91, derde lid, kunnen bij of krachtens verdrag aan volkenrechtelijke organisaties bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak worden opgedragen.

Artikel 93 - Verbindende kracht verdrag

Bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 94 - Verdrag boven wet

Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 95 - Bekendmaking verdrag

De wet geeft regels omtrent de bekendmaking van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 96 - Oorlogsverklaring

  1. Het Koninkrijk wordt niet in oorlog verklaard dan na voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal.

  2. De toestemming is niet vereist, wanneer het overleg met de Staten-Generaal ten gevolge van een feitelijk bestaande oorlogstoestand niet mogelijk is gebleken.

  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  4. Het bepaalde in het eerste en het derde lid is van overeenkomstige toepassing voor een verklaring dat een oorlog beëindigd is.

Artikel 97 - Krijgsmacht

  1. Ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk, alsmede ten behoeve van de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde, is er een krijgsmacht.

  2. De regering heeft het oppergezag over de krijgsmacht.

Artikel 98 - Samenstelling krijgsmacht

  1. De krijgsmacht bestaat uit vrijwillig dienenden en kan mede bestaan uit dienstplichtigen.

  2. De wet regelt de verplichte militaire dienst en de bevoegdheid tot opschorting van de oproeping in werkelijke dienst.

Artikel 99 - Gewetensbezwaren militaire dienst

De wet regelt vrijstelling van militaire dienst wegens ernstige gewetensbezwaren.

Artikel 99a - Civiele verdediging

Volgens bij de wet te stellen regels kunnen plichten worden opgelegd ten behoeve van de civiele verdediging.

Artikel 100 - Inlichtingen over krijgsmacht

  1. De regering verstrekt de Staten-Generaal vooraf inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. Daaronder is begrepen het vooraf verstrekken van inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht voor humanitaire hulpverlening in geval van gewapend conflict.

  2. Het eerste lid geldt niet, indien dwingende redenen het vooraf verstrekken van inlichtingen verhinderen. In dat geval worden inlichtingen zo spoedig mogelijk verstrekt.

Artikel 101 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 20 juli 1995

Artikel 102 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 22 juni 2000

Artikel 103 - Uitzonderingstoestand

  1. De wet bepaalt in welke gevallen ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid bij koninklijk besluit een door de wet als zodanig aan te wijzen uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd; zij regelt de gevolgen.

  2. Daarbij kan worden afgeweken van de grondwetsbepalingen inzake de bevoegdheden van de besturen van provincies, gemeenten, openbare lichamen als bedoeld in artikel 132a en waterschappen, van de grondrechten geregeld in de artikelen 6, voor zover dit de uitoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen van het in dit artikel omschreven recht betreft, 7, 8, 9, 12, tweede en derde lid, en 13, alsmede van artikel 113, eerste en derde lid.
  3. Terstond na de afkondiging van een uitzonderingstoestand en voorts, zolang deze niet bij koninklijk besluit is opgeheven, telkens wanneer zij zulks nodig oordelen beslissen de Staten-Generaal omtrent het voortduren daarvan; zij beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 104 - Belastingheffing

Belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet. Andere heffingen van het Rijk worden bij de wet geregeld.

Artikel 105 - Recht van begroting

  1. De begroting van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt bij de wet vastgesteld.

  2. Jaarlijks worden voorstellen van algemene begrotingswetten door of vanwege de Koning ingediend op het in artikel 65 bedoelde tijdstip.

  3. De verantwoording van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt aan de Staten-Generaal gedaan overeenkomstig de bepalingen van de wet. De door de Algemene Rekenkamer goedgekeurde rekening wordt aan de Staten-Generaal overgelegd.

  4. De wet stelt regels omtrent het beheer van de financiën van het Rijk.

Artikel 106 - Geldstelsel

De wet regelt het geldstelsel.

Artikel 107 - Codificatie

  1. De wet regelt het burgerlijk recht, het strafrecht en het burgerlijk en strafprocesrecht in algemene wetboeken, behoudens de bevoegdheid tot regeling van bepaalde onderwerpen in afzonderlijke wetten.

  2. De wet stelt algemene regels van bestuursrecht vast.

Artikel 108 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 25 februari 1999

Artikel 109 - Rechtspositie ambtenaren

De wet regelt de rechtspositie van de ambtenaren. Zij stelt tevens regels omtrent hun bescherming bij de arbeid en omtrent medezeggenschap.

 

Artikel 110 - Openbaarheid van bestuur

De overheid betracht bij de uitvoering van haar taak openbaarheid volgens regels bij de wet te stellen.

 

Artikel 111 - Ridderorden

Ridderorden worden bij de wet ingesteld.
HOOFDSTUK 6

Rechtspraak INLEIDING

Artikel 112 - Civiele en administratieve rechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is opgedragen de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen.

  2. De wet kan de berechting van geschillen die niet uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, opdragen hetzij aan de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren. De wet regelt de wijze van behandeling en de gevolgen van de beslissingen.

Artikel 113 - Strafrechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van strafbare feiten.

  2. Tuchtrechtspraak door de overheid ingesteld wordt bij de wet geregeld.

  3. Een straf van vrijheidsontneming kan uitsluitend door de rechterlijke macht worden opgelegd.

  4. Voor berechting buiten Nederland en voor het oorlogsstrafrecht kan de wet afwijkende regels stellen.

Artikel 114 - Doodstraf

De doodstraf kan niet worden opgelegd.

Artikel 115 - Administratief beroep

Ten aanzien van de in artikel 112, tweede lid, bedoelde geschillen kan administratief beroep worden opengesteld.

Artikel 116 - Rechterlijke macht

  1. De wet wijst de gerechten aan die behoren tot de rechterlijke macht.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de rechterlijke macht.

  3. De wet kan bepalen, dat aan rechtspraak door de rechterlijke macht mede wordt deelgenomen door personen die niet daartoe behoren.

  4. De wet regelt het toezicht door leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast uit te oefenen op de ambtsvervulling door zodanige leden en door de personen bedoeld in het vorige lid.

Artikel 117 - Rechtspositie leden rechterlijke macht

  1. De leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal bij de Hoge Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet bepaald kunnen zij door een bij de wet aangewezen, tot de rechterlijke macht behorend gerecht worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 118 - Hoge Raad

  1. De leden van de Hoge Raad der Nederlanden worden benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. De Hoge Raad is in de gevallen en binnen de grenzen bij de wet bepaald, belast met de cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van het recht.

  3. Bij de wet kunnen aan de Hoge Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 119 - Ambtsmisdrijven

De leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreden terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.

Artikel 120 - Toetsingsverbod

De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.

Artikel 121 - Openbaarheid terechtzittingen

Met uitzondering van de gevallen bij de wet bepaald vinden de terechtzittingen in het openbaar plaats en houden de vonnissen de gronden in waarop zij rusten. De uitspraak geschiedt in het openbaar.

Artikel 122 - Gratie

  1. Gratie wordt verleend bij koninklijk besluit na advies van een bij de wet aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.

  2. Amnestie wordt bij of krachtens de wet verleend.

HOOFDSTUK 7

Decentralisatie INLEIDING

Artikel 123 - Instelling provincies en gemeenten

  1. Bij de wet kunnen provincies en gemeenten worden opgeheven en nieuwe ingesteld.

  2. De wet regelt de wijziging van provinciale en gemeentelijke grenzen.

Artikel 124 - Autonomie en medebewind

  1. Voor provincies en gemeenten wordt de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake hun huishouding aan hun besturen overgelaten.

  2. Regeling en bestuur kunnen van de besturen van provincies en gemeenten worden gevorderd bij of krachtens de wet.

Artikel 125 - Organen decentrale besturen

  1. Aan het hoofd van de provincie en de gemeente staan provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad. Hun vergaderingen zijn openbaar, behoudens bij de wet te regelen uitzonderingen.

  2. Van het bestuur van de provincie maken ook deel uit gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning, van het bestuur van de gemeente het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester.

Artikel 126 - Ambtsinstructie commissaris koning

Bij de wet kan worden bepaald, dat de commissaris van de Koning wordt belast met de uitvoering van een door de regering te geven ambtsinstructie.

Artikel 127 - Vaststelling verordening

Provinciale staten en de gemeenteraad stellen, behoudens bij de wet of door hen krachtens de wet te bepalen uitzonderingen, de provinciale onderscheidenlijk de gemeentelijke verordeningen vast.

Artikel 128 - Toekenning bevoegdheden

Behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 123, kan de toekenning van bevoegdheden, als bedoeld in artikel 124, eerste lid, aan andere organen dan die, genoemd in artikel 125, alleen door provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad geschieden.

Artikel 129 - Verkiezing vertegenwoordigend orgaan

  1. De leden van provinciale staten en van de gemeenteraad worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders, tevens ingezetenen van de provincie onderscheidenlijk de gemeente, die voldoen aan de vereisten die gelden voor de verkiezing van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Voor het lidmaatschap gelden dezelfde vereisten.
  2. De leden worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  3. De artikelen 53, tweede lid, en 59 zijn van toepassing. Artikel 57a is van overeenkomstige toepassing.
  4. De zittingsduur van provinciale staten en de gemeenteraad is vier jaren, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen.
  5. De wet bepaalt welke betrekkingen niet gelijktijdig met het lidmaatschap kunnen worden uitgeoefend. De wet kan bepalen, dat beletselen voor het lidmaatschap voortvloeien uit verwantschap of huwelijk en dat het verrichten van bij de wet aangewezen handelingen tot het verlies van het lidmaatschap kan leiden.
  6. De leden stemmen zonder last.

Artikel 130 - Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders

De wet kan het recht de leden van de gemeenteraad te kiezen en het recht lid van de gemeenteraad te zijn toekennen aan ingezetenen, die geen Nederlander zijn, mits zij tenminste voldoen aan de vereisten die gelden voor ingezetenen die tevens Nederlander zijn.

Artikel 131 - Aanstelling burgemeester en commissaris Koning

De commissaris van de Koning en de burgemeester worden aangesteld, geschorst en ontslagen op een bij de wet te bepalen wijze. Krachtens de wet kunnen nadere regels worden gesteld over de daarbij te volgen procedures.

Artikel 132 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen

  1. De wet regelt de inrichting van provincies en gemeenten, alsmede de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen.

  2. De wet regelt het toezicht op deze besturen.

  3. Besluiten van deze besturen kunnen slechts aan voorafgaand toezicht worden onderworpen in bij of krachtens de wet te bepalen gevallen.

  4. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden bij koninklijk besluit wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

  5. De wet regelt de voorzieningen bij in gebreke blijven ten aanzien van regeling en bestuur, gevorderd krachtens artikel 124, tweede lid. Bij de wet kunnen met afwijking van de artikelen 125 en 127 voorzieningen worden getroffen voor het geval het bestuur van een provincie of een gemeente zijn taken grovelijk verwaarloost.

  6. De wet bepaalt welke belastingen door de besturen van provincies en gemeenten kunnen worden geheven en regelt hun financiële verhouding tot het Rijk.

Artikel 132a - Caribische openbare lichamen

  1. Bij de wet kunnen in het Caribische deel van Nederland andere territoriale openbare lichamen dan provincies en gemeenten worden ingesteld en opgeheven.

  2. De artikelen 124, 125 en 127 tot en met 132 zijn ten aanzien van deze openbare lichamen van overeenkomstige toepassing.

  3. In deze openbare lichamen worden verkiezingen gehouden voor een kiescollege voor de Eerste Kamer. Artikel 129 is van overeenkomstige toepassing.

  4. Voor deze openbare lichamen kunnen regels worden gesteld en andere specifieke maatregelen worden getroffen met het oog op bijzondere omstandigheden waardoor deze openbare lichamen zich wezenlijk onderscheiden van het Europese deel van Nederland.

Artikel 133 - Waterschappen

  1. De opheffing en instelling van waterschappen, de regeling van hun taken en inrichting, alsmede de samenstelling van hun besturen, geschieden volgens bij de wet te stellen regels bij provinciale verordening, voor zover bij of krachtens de wet niet anders is bepaald.

  2. De wet regelt de verordenende en andere bevoegdheden van de besturen van de waterschappen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen.

  3. De wet regelt het provinciale en overige toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 134 - Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

  1. Bij of krachtens de wet kunnen openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere openbare lichamen worden ingesteld en opgeheven.

  2. De wet regelt de taken en de inrichting van deze openbare lichamen, de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen. Bij of krachtens de wet kan aan hun besturen verordenende bevoegdheid worden verleend.

  3. De wet regelt het toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 135 - Gemeenschappelijke regelingen

De wet geeft regels ter voorziening in zaken waarbij twee of meer openbare lichamen zijn betrokken. Daarbij kan in de instelling van een nieuw openbaar lichaam worden voorzien, in welk geval artikel 134, tweede en derde lid, van toepassing is.

Artikel 136 - Geschillen

De geschillen tussen openbare lichamen worden bij koninklijk besluit beslist, tenzij deze behoren tot de kennisneming van de rechterlijke macht of hun beslissing bij de wet aan anderen is opgedragen.
HOOFDSTUK 8

Herziening grondwet INLEIDING

Artikel 137 - Grondwetswijziging

  1. De wet verklaart, dat een verandering in de Grondwet, zoals zij die voorstelt, in overweging zal worden genomen.

  2. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, een voorstel voor zodanige wet splitsen.

  3. Na de bekendmaking van de wet, bedoeld in het eerste lid, wordt de Tweede Kamer ontbonden.

  4. Nadat de nieuwe Tweede Kamer is samengekomen, overwegen beide kamers in tweede lezing het voorstel tot verandering, bedoeld in het eerste lid. Zij kunnen dit alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  5. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen een voorstel tot verandering splitsen.

Artikel 138 - Aanpassing niet gewijzigde bepalingen

  1. Voordat de in tweede lezing aangenomen voorstellen tot verandering in de Grondwet door de Koning worden bekrachtigd, kunnen bij de wet:

    a. de aangenomen voorstellen en de ongewijzigd gebleven bepalingen van de Grondwet voor zoveel nodig aan elkaar worden aangepast;

    b. de indeling in en de plaats van hoofdstukken, paragrafen en artikelen, alsmede de opschriften worden gewijzigd.

  2. Een voorstel van wet, houdende voorzieningen als bedoeld in het eerste lid onder a, kunnen de kamers alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 139 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De veranderingen in de Grondwet, door de Staten-Generaal aangenomen en door de Koning bekrachtigd, treden terstond in werking, nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 140 - Handhaving bestaande regelgeving

Bestaande wetten en andere regelingen en besluiten die in strijd zijn met een verandering in de Grondwet, blijven gehandhaafd, totdat daarvoor overeenkomstig de Grondwet een voorziening is getroffen.

Artikel 141 - Bekendmaking herziene Grondwet

De tekst van de herziene Grondwet wordt bij koninklijk besluit bekendgemaakt, waarbij hoofdstukken, paragrafen en artikelen kunnen worden vernummerd en verwijzingen dienovereenkomstig kunnen worden veranderd.

Artikel 142 - Aanpassing Grondwet aan Statuut

De Grondwet kan bij de wet met het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in overeenstemming worden gebracht. De artikelen 139, 140 en141 zijn van overeenkomstige toepassing.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

F. Fleurke

ARTIKEL 21 - Milieubescherming

INHOUD
  1. Historische ontwikkeling
  2. Artikel 21 Gw in het licht van artikel 2 en 8 EVRM
  3. Het EVRM in de Nederlandse rechtsorde
  4. Urgenda en het EVRM
  5. Artikel 21 in het licht van artikel 37 Handvest van de grondrechten van de EU
  6. Conclusie
    F.M. Fleurke[1]
 
Editie januari 2021

1.      Historische ontwikkeling

 
Het sociale grondrecht betreffende de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu is sinds 1983 opgenomen in de Nederlandse Grondwet. Dat de zorg voor en om het milieu in de Grondwet werd verankerd, kan vooral worden beschouwd als een intentieverklaring van de overheid om rekening te houden met het milieu in haar beleid. Niet onbelangrijk in een land dat voor een groot deel onder de zeespiegel ligt.

Zoals zal blijken uit onderstaand commentaar heeft het neerleggen van het recht op een schoon milieu echter niet geleid tot een inroepbaar recht in de Nederlandse jurisprudentie. Het was ook nooit de bedoeling met de invoering van artikel 21 Grondwet een afdwingbaar recht in het leven te roepen.[2] De grondwetgever overwoog dat alleen in zeer uitzonderlijke gevallen de rechter zou kunnen concluderen dat een besluit onverbindend zou kunnen worden verklaard wegens strijd met deze bepaling.[3] Het verbaast dan ook niet dat het artikel zonder veel debat in de Staten-Generaal werd aangenomen.

In dit verband verwees Verschuuren in de derde druk van dit commentaar naar het jarenlange en rijke debat dat in Duitsland over het grondrecht op een schoon milieu werd gevoerd, waar het als staatsdoel geformuleerde artikel 20a[4] in 1994 in het Grundgesetz werd opgenomen.[5] De conclusie die uit het Duitse debat kan worden getrokken is heel duidelijk, aldus Verschuuren: uit de bepaling zijn, behalve een algemene inspanningsverplichting voor de wetgever, ook concrete, in rechte afdwingbare, verplichtingen af te leiden, zoals de verplichting voor bestuursorganen om te kiezen voor de minst milieubelastende alternatieven en een verzwaarde motiveringsplicht voor besluiten die het milieu aantasten.[6] Uit de grondwetsgeschiedenis hier te lande valt op te maken dat in Nederland de enige betekenis van het grondwetsartikel 21, zoals bij alle sociale grondrechten, gelegen is in de bescherming tegen intrekking van bestaande (milieu)wetgeving en tegen verlaging van het bestaande beschermingsniveau.[7] Hiermee wordt gedoeld op het stand still- beginsel dat in het Nederlandse milieurecht geldt voor milieukwaliteitseisen, maar ook meer in het algemeen wordt gehanteerd bij het handhaven van mensenrechten.[8] Het beginsel komt erop neer dat in het geval de feitelijke milieukwaliteit beter is dan de eisen die zijn opgenomen in de wetgeving, de feitelijke milieukwaliteit niet achteruit mag gaan.

Het Grondwettelijk Hof van België definieerde het beginsel als het verbod om ‘maatregelen te nemen die een aanzienlijke achteruitgang zouden betekenen (…) maar zij ontzegt hun (de wetgever) niet de bevoegdheid om te oordelen hoe dat recht op de meest adequate wijze zou worden gewaarborgd’.[9]

Artikel 21 Gw bevat een aantal kernbegrippen. Aanvankelijk sprak de Staatscommissie-Cals/Donner in haar eerste voorstel nog over ‘leefbaarheid’, een term die in het uiteindelijke voorstel van de regering is vervangen door de termen ‘bewoonbaarheid’ en ‘leefmilieu’, waardoor beter wordt aangegeven dat het gaat om milieubescherming in de meest ruime zin.[10] Het grondrechtkarakter zit in de onderliggende gedachte dat de burgers aanspraak hebben op een land waarvan de bewoonbaarheid van hoge kwaliteit is, alsmede op een goed leefmilieu. Het artikel heeft daarmee een duidelijk antropocentrisch karakter. Opvallend is daarom dat begrippen als ‘toekomstige generaties’ en ‘duurzame ontwikkeling’ ontbreken. Het begrip ‘de bewoonbaarheid van het land’ is een breed begrip waaronder uiteraard waterbeheer valt, maar ook een evenwichtige planologische ordening, het aanleggen van infrastructurele voorzieningen voor verkeer, industrie, wonen en recreatie en het behoud van het stedelijk en landschappelijk schoon.[11] Het tweede kernelement, ‘verbetering en bescherming van het leefmilieu’, is eveneens een open begrip dat ziet op bescherming van mens en milieu.

Hoewel beide kernbegrippen zeker raakvlakken hebben, bijvoorbeeld op het gebied van planologische ontwikkeling, is het duidelijk dat zij ook direct conflicterend kunnen zijn. Zo valt uit jurisprudentie af te leiden dat het verhogen van dijken (t.b.v. de bewoonbaarheid van het land) negatieve gevolgen kan hebben voor beschermde natuurgebieden (die eveneens onder het begrip ‘leefmilieu’ vallen).[12] In dergelijke gevallen verplicht het grondrecht de overheid te streven naar waterbeheerbeleid dat ecologisch inpasbaar is.[13] Tijdens de grondwetsbehandeling was men zich van deze spanning bewust, maar zag men het als een taak van de politiek om in het concrete geval een afweging te maken, zoals dat ook geldt voor andere situaties waarin grondrechten met elkaar botsen.[14]

In 2006 werd een initiatiefwetsvoorstel ingediend om artikel 21 Gw uit te breiden met een zorgplicht voor het welzijn van dieren.[15]  Blijkens de toelichting beogen de voorstellers hiermee het belang van het dier en de eigen intrinsieke waarde van dieren in de Grondwet vast te leggen. De toelichting op het voorstel gaat echter verder door te spreken in termen van ‘rechten van dieren’, waarmee de toevoeging aan het artikel niet als een mensenrecht maar als een ‘grondrecht van dieren’ wordt voorgesteld. De Raad van State wijst er in haar advies over dit wetsvoorstel op dat dieren naar huidige rechtsopvatting geen dragers van rechten in juridische zin, geen rechtssubjecten kunnen zijn; zij zijn rechtsobject.[16] Waar het vooral op aankomt, zo meent de Raad, is dat de wetgever de nodige regels stelt en dat de naleving daarvan wordt verzekerd door effectieve uitvoering en handhaving. ‘Wijziging van de Grondwet is daarvoor niet direct nodig noch direct behulpzaam; een zorgplichtbepaling in de Grondwet brengt als zodanig nog geen verandering in de bestaande rechten en plichten.’ Hiermee lijkt de Raad van State de instructiewaarde van artikel 21 in het bijzonder en de instructiewaarde van andere zorgplichten in de Grondwet in het algemeen enigszins te bagatelliseren.
 
Betekenis van artikel 21 voor de wetgever
De sociale grondrechten ofwel solidariteitsrechten hebben een gemengd karakter. Zij worden enerzijds tot de grondrechten gerekend in zoverre ze betrekking hebben op fundamentele belangen van de burgers, belangen waarvan de noodzaak van behartiging door de overheid zo wezenlijk wordt geacht dat de Grondwet er uitdrukkelijk op wijst. Ze hebben als het ware een proclamerende waarde.[17] Anderzijds hebben de sociale grondrechten zoals geformuleerd in de Grondwet vooral het karakter van instructienormen voor de overheid. Artikel 21 Gw – de zorg van de overheid voor de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu – is hiervan een duidelijk voorbeeld. Interessant in dit verband is dat de Grondwet expliciet spreekt over ‘bescherming én verbetering’ van het milieu. De laatste term gaat een stuk verder dan de gebruikelijke opdracht tot het nemen van een preventieve maatregel. Gesteld kan dan ook worden dat het artikel een actieve zorgplicht voor de overheid in zich bergt om een actief milieubeleid te voeren.[18] Met andere woorden, artikel 21 van de Grondwet heeft de tweeledige betekenis van proclamatie en doelregulering.

De crux is uiteraard het toetsingsverbod van artikel 120 Gw waardoor het niet tot een daadwerkelijke toetsing van formele wetgeving aan artikel 21 Gw kan komen.[19] In de literatuur wordt aan deze wetgevende activiteit een drietal eisen gesteld.[20] De wetgever moet ervoor zorgen dat milieubelangen een voldoende gewicht toebedeeld wordt in de besluitvorming, waarbij rekening wordt gehouden met de intrinsieke waarde van natuur en milieu; wetgeving moet procedurele waarborgen garanderen, zoals inspraak en rechtsbescherming voor een ieder die wil opkomen voor het milieubelang;  de wetgever mag geen verslechtering van de bescherming van het milieu in de hand werken door bijvoorbeeld wetgeving in te trekken of te vervangen door minder beschermende regelgeving. Zoals nog hieronder zal blijken heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) voor een belangrijk deel invulling gegeven aan wat er redelijkerwijs verwacht mag worden van de Staat.

Een groot aantal wetten en bepalingen geeft de zogenoemde ‘actieve’ zorgplicht gestalte, en dan met name het doelreguleringselement, zoals bijvoorbeeld artikel 1.6 en 1.7 van de nieuwe Omgevingswet waarin een zorgplicht voor de fysieke leefomgeving voor eenieder is vastgesteld. Nieuwenhuis merkt terecht op dat de veelheid van milieuwetgeving de betekenis van artikel 21 Gw relativeert; de rechter zal daarom toetsen aan de desbetreffende wetgeving. Opvallend is dat in consideransen en de Memories van Toelichting nauwelijks wordt verwezen naar artikel 21 Gw. Bestuursorga­nen verwijzen wel naar artikel 21, zij het zeer sporadisch: ze komen vooral voor in beleidsnotities zoals het nationale milieubeleidsplan.[21]
 
Rechterlijke toetsing artikel 21
Hoewel de jurisprudentie over artikel 21 Gw zeer beperkt is kunnen er grofweg drie categorieën van procedures worden onderscheiden waar artikel 21 wordt opgeworpen door partijen in het geding. De eerste betreft een procedure waarin lagere wetgeving ter discussie staat en er wordt gesteld dat deze regeling in strijd is met artikel 21 Gw.[22] De tweede categorie betreft zaken waarin de Staat zelf een beroep doet op de bepaling om een bevoegdheid van de overheid tegenover de burger te legitimeren, bijvoorbeeld ter beperking van een grondrecht als het eigendomsrecht.[23] De derde categorie betreft het geval waarin de rechter door burgers wordt gevraagd overheidshandelen of het nalaten van handelen te toetsen aan artikel 21.[24] Uit de geringe jurisprudentie is duidelijk op te maken dat artikel 21 Gw geen afdwingbare norm bevat, zoals al reeds is opgemerkt in de Memorie van Toelichting:

In de redacties waarbij opdrachten worden gegeven aan de wetgever of de overheid is een ruime marge vervat voor de tot regeling of zorg geroepen organen. De ruime beleidsmarge die deze bepalingen inhouden voor de wetgevende en besturende organen maakt dat zij zich niet of nauwelijks tot toetsingscriterium lenen. Het moet wel zeer uitzonderlijk geval zijn, wil de rechter tot de slotsom komen dat het hem voorgelegde besluit van een lager lichaam onverbindend is wegens strijd met een der bepalingen inzake sociale rechten.[25]

 Indien de bepaling wordt opgeworpen door partijen bij de administratieve of de burgerlijke rechter overweegt de rechter in de regel ‘dat er niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die ertoe moeten leiden dat de bestreden besluiten voor rechtstreekse toetsing in aanmerking komen’.[26]

In een zaak waar het ging om schade vanwege een hoge grondwaterstand was de rechtbank van mening dat de maatregelen die de gemeente had genomen, ‘bezien in het licht van artikel 21 van de Grondwet’ geen onredelijke invulling te zien gaf van de autonomie die de gemeente op grond van de Gemeentewet toekomt.[27] Verschuuren spreekt in dit verband dan ook van een vangnetfunctie. Illustratief in dit verband is het Benckiser-arrest. Het ging hier om de vraag of de Staat in kort geding kon vorderen dat diverse partijen illegaal gedumpt chemisch afval door het verantwoordelijke bedrijf zelf verwijderd zouden worden. Het Hof wijst de vordering toe, daarin gesteund door de Hoge Raad, mede omdat artikel 21 Gw bepaalt dat de overheid zich de zorg voor het milieu dient aan te trekken en er in casu geen publiekrechte­lijke wegen openstonden waarmee een vergelijkbaar resultaat had kunnen worden behaald.[28]

De nationale rechter toetst in milieuzaken wel aan het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).[29] Hieronder zal daarom eerst worden besproken de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens te Straatburg worden besproken. Vervolgens zal in worden gegaan op de rol het EVRM in de Nederlandse rechtspraktijk betreffende milieuzaken.  Tenslotte zal art. 37 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie worden besproken in de context van het EU-milieurecht.


2. Artikel 21 Gw in het licht van artikel 2 en 8 EVRM
 

In het EVRM is geen verwijzing naar het begrip ‘milieu’ opgenomen. Toch heeft, zoals hieronder zal worden besproken, juist het Hof in Straatsburg een interessante jurisprudentie ontwikkeld op basis van de artikelen 8 en 2 en in bepaalde gevallen positieve verplichtingen geconstrueerd om milieuvervuiling tegen te gaan of te voorkomen. Relevant is daarbij dat het EVRM gezien wordt als een ‘levend instrument’ hetgeen wordt weerspiegeld in de jurisprudentie. Het is dan ook vaste rechtspraak dat het EHRM overweegt dat ‘the Convention ... must be interpreted in the light of present-day conditions’.[30]

Artikel 2, eerste lid, eerste volzin, betreft het recht op leven: ‘Het recht van een ieder op leven wordt beschermd door de wet.’ Artikel 8, eerste lid, betreft het recht op privacy en gezinsleven: ‘Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.’
De eerste vraag die daarbij rijst is welke aantastingen van het milieu leiden tot een schending van artikel 2 en/of 8 van het Verdrag. Al in 1991 stelt het Hof in Fredin vast dat ‘in today’s society the protection of the environment is an increasingly important consideration.’[31] Inmiddels is het ook door de Verdragspartijen onomstreden dat milieukwesties binnen het bereik van het EVRM vallen.[32] De rechtspraak van het EHRM overziend, omvat de jurisprudentie zaken over o.a. vervuiling, geluidhinder, hinder door industriële activiteiten, natuurlijke rampen en overstromingen. Het EHRM heeft in zijn rechtspraak aldus vastgesteld dat de reikwijdte van deze bepalingen ruim is, mits er een ernstig gevaar is voor de fysieke veiligheid. Dit is bijvoorbeeld het geval bij het lange termijn risico van blootstelling aan asbest.[33] In Budayeva e.a./Rusland oordeelde het Hof dat het niet optreden tegen terugkerende levensbedreigende modderstromen eveneens tot een schending van artikel 2 EVRM kan leiden. Zowel menselijke activiteiten als natuurverschijnselen kunnen derhalve positieve rechten voor staten in het leven roepen.[34]

Artikel 1 bepaalt dat de verplichting tot eerbiediging van de rechten van de mens uit het Verdrag moet worden verzekert van ‘een ieder die ressorteert onder haar rechtsmacht’. Tot nu toe betreffen alle milieuzaken die voor het EHRM zijn gekomen gevallen waarin de schade op het gebied van de Verdragsluitende partij plaatsvond maar aangezien artikel 1 spreekt van ‘rechtsmacht’ kan aangenomen worden dat bijvoorbeeld grensoverschrijdende milieuverontreiniging als deze kan worden toegerekend aan de staat in kwestie ook onder de reikwijdte van het EVRM valt, zoals ook volgt uit de Louizidou zaak.[35]

Toch is milieubescherming op grond van artikel 2 en 8 zeker niet onbegrensd. Ten eerste is de toegang tot het EHRM beperkt tot individuen wiens rechten zijn geschonden door een actuele bedreiging; toekomstige generaties of natuurlijke objecten kunnen derhalve niet vertegenwoordigd worden.[36] Ten tweede zijn de artikelen 2 en 8 EVRM alleen van toepassing zijn als een milieukwestie ertoe leidt ‘that there is an actual interference with the applicant’s private sphere.’[37] Er moet daarvoor sprake zijn van een ‘direct link between the applicant and the harm they consider they have sustained on account of the alleged violation’.[38] Elementen die bij die vaststelling een rol kunnen spelen zijn bijvoorbeeld de geografische nabijheid van de milieuschade[39] of de duur van de blootstelling aan de verontreiniging.[40] Het EHRM geeft bij de invulling van de verdragsschending aan dat het moet gaan om een concrete bedreiging die individualiseerbaar is.[41] In Cordello v. Italië  oordeelde het Hof dat de relatie tussen de verzoekers en de schending te afgeleid was omdat de verzoekers niet in het gebied woonden dat aangemerkt werd als het risicogebied.[42] De verplichting is niet zozeer het beschermen van het milieu of de aarde, maar het beschermen van mensen die geraakt worden door significante milieueffecten: er is geen mogelijkheid tot een actio popularis onder het EVRM.[43] Er kan eveneens geen beroep worden gedaan op artikel 8 ingeval de zaak gaat om de destructie van natuur op zich.[44]
 
Negatieve en positieve plichten artikel 2 en 8 EVRM
Uit de rechtspraak van het EHRM blijkt duidelijk dat milieurechten aanleiding geven tot een tweeledige statelijke verplichting. Staten hebben ‘negatieve verplichtingen’, in de zin dat ze zich ter bescherming van eerste generatie vrijheidsrechten (in het bijzonder het recht op privacy en gezinsleven opgenomen in artikel 8 EVRM,[45] maar ook het eigendomsrecht van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM[46] en het recht op leven van artikel 2 EVRM) hebben te onthouden van bepaalde handelingen.
‘Positieve verplichtingen’ van staten bestaan dan uit het nemen van adequate maatregelen teneinde ernstige milieuschade te voorkomen of te beëindigen,[47] en vloeien tevens voort uit verschillende procedurele rechten met betrekking tot het milieu.[48] Positieve verplichtingen bestaan voor de staat in die zin dat de staat wordt geacht alle redelijkerwijs mogelijke maatregelen te nemen om schendingen van het recht op een leefbaar milieu door bedrijven te voorkomen of te beëindigen. In Fadeyeva v Russia wees het Hof erop dat:
 
(…) the State’s responsibility in environmental cases may arise from a failure to regulate private industry. Accordingly, the applicant’s complaints fall to be analysed in terms of a positive duty on the State to take reasonable and appropriate measures to secure the applicant’s rights under Article 8(1) of the Convention. …

Het Hof oordeelde in deze zaak aldus dat indien het bevoegde gezag de mogelijkheid heeft om noodzakelijke maatregelen te nemen (bijv. d.m.v. vergunningverlening) om schendingen op een leefbaar milieu te beperken of te voorkomen dit een positieve verplichting in de zin van artikel 8 EVRM oplevert.[49]

Het is zonder meer duidelijk dat de staat die zich geconfronteerd ziet met de positieve verplichting om op te treden tegen schendingen van het recht op een leefbaar milieu (door een bedrijf of publiek orgaan) daarbij een grotere beleidsvrijheid geniet, dan de staat waarop een negatieve verplichting rust een einde te maken aan wat rechtens wordt aangemerkt als haar eigen schending.
 
Wat betreft de reikwijdte van deze inspanningsverplichting van de staat moeten er uiteraard redelijkerwijs grenzen bestaan. Die grenzen werden in algemene bewoordingen geaccepteerd in Appleby:

In determining whether or not a positive obligation exists, regard must be had to the fair balance that has to be struck between the general interest of the community and the interests of the individual, the search for which is inherent throughout the Convention. The scope of this obligation will inevitably vary, having regard to the diversity of situations obtaining in Contracting States and the choices which must be made in terms of priorities and resources. Nor must such an obligation be interpreted in such a way as to impose an impossible or disproportionate burden on the authorities.[50]

Uiteraard blijft de vraag wat ‘redelijkerwijs’ van een staat verwacht mag worden bij het vervullen van haar positieve verplichtingen moeilijk in absolute zin te beantwoorden. De uitspraak van het EHRM in Öneryildiz maakt dan ook duidelijk dat de intensiteit van die inspanningsverplichting inderdaad context-afhankelijk is. Gaat het bijvoorbeeld om zeer gevaarlijke activiteiten, zoals afvalverwerking in het onderhavige geval, dan zal ook de verantwoordelijkheid van de staat om de artikelen 2 en 8 van het EVRM met handelend optreden te beschermen toenemen:

 
The positive obligation on States to take appropriate steps to safeguard the lives of those within their jurisdiction ... must be construed as applying in the context of any activity, whether public or not, in which the right to life may be at stake, and a fortiori in the case of industrial activities, which by their very nature are dangerous, such as the operation of waste-collection sites. ...
The positive obligation to take all appropriate steps to safeguard life for the purposes of Article 2 entails above all a primary duty on the State to put in place a legislative and administrative framework designed to provide effective deterrence against threats to the right to life.


This obligation indisputably applies in the particular context of dangerous activities, where, in addition, special emphasis must be placed on regulations geared to the special features of the activity in question, particularly with regard to the level of the potential risk to human lives. They must govern the licensing, setting up, operation, security and supervision of the activity and must make it compulsory for all those concerned to take practical measures to ensure the effective protection of citizens whose lives might be endangered by the inherent risks.[51]

Het EHRM verwijst als het gaat om het verrichten van gevaarlijke activiteiten en het continueren daarvan expliciet naar het voorzorgbeginsel, zonder daarvan een definitie te geven.[52] In Tartar verwees het Hof daarbij naar  het voorzorgbeginsel zoals dat is neergelegd in Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.[53] Een belangrijke vraag die moet worden beantwoord voordat een positieve verplichting kan worden vastgesteld is of de Staat wist of behoorde te weten van de (dreigende) schending van artikel 2 en/of 8 EVRM.[54] In de zaak Brincat e.a. v. Malta, waar blootstelling aan asbest op het spel stond, baseerde het EHRM zich voor deze vaststelling bijvoorbeeld expliciet op wetenschappelijke rapporten.[55] Indien er een serieus en substantieel risico voor de gezondheid bestaat, maar er geen volledig causaal verband kan worden gelegd, kan er toch een positieve verplichting zijn om beschermingsmaatregelen te nemen. Zo moest Turkije in Taskin optreden tegen mogelijke gezondheidsgevaren door blootstelling aan natriumcyanide en andere gevaarlijke stoffen door plaatselijke goudwinning.[56] Het is onduidelijk of deze lijn in de jurisprudentie wordt voortgezet; in Hardy and Maile liet het Hof de mogelijkheid om zich verder uit te laten over de toepassing van het voorzorgbeginsel liggen.[57]
 
EVRM en discretionaire bevoegdheid
De Staat komt onder het EVRM zoals gezegd beleidsvrijheid toe, de zogeheten margin of appreciation. Dit betekent dat staten, tot op zekere hoogte, zelf mogen beslissen hoe zij de rechten uit het EVRM waarborgen. De reikwijdte van deze beleidsvrijheid was één van de hoofdvragen in de Urgenda-zaken (zie hieronder) bij beroep op het EVRM in het kader van staatsaansprakelijkheid voor klimaatverandering. Indien een staat helemaal geen maatregelen treft om haar burgers te beschermen tegen milieuvervuiling, wordt de beleidsvrijheid niet benut en zal een beroep hierop door die staat niet slagen. Echter, wanneer een Staat wel maatregelen treft, maar die als onvoldoende worden beschouwd, dan kan een beroep op het EVRM wel mogelijk afketsen op de margin of appreciation.[58]

De mate van beleidsvrijheid onder het EVRM is afhankelijk van verschillende factoren. Zo zal de beleidsvrijheid kleiner zijn indien een staat weet (of behoort te weten) dat een gevaarlijke activiteit een reëel en onmiddellijk risico vormt voor één of meer individuen.[59] Het EHRM oordeelde verder dat de discretionaire bevoegdheid van de staat afneemt naarmate het recht dat in geding is een gevoeliger aspect van het recht op privacy betreft.[60] Uiteraard resulteert ook niet-nakoming van nationale wetgeving door publieke autoriteiten in een belangrijke inperking van de discretionaire bevoegdheid.[61] Daarentegen wordt minder snel een schending van het EVRM aangenomen als een staat al wet- en regelgeving heeft aangenomen.[62] Interessant is de zaak Budayeva/Rusland,[63] waar het EHRM bepaalde dat:
 
“As to the choice of particular practical measures, the Court has consistently held that where the State is required to take positive measures, the choice of means is in principle a matter that falls within the Contracting State's margin of appreciation.” [64]

Verder overweegt het EHRM dat in complexe maatschappelijke en technische aangelegenheden, een staat doorgaans kan kiezen uit verschillende maatregelen die afhankelijk kunnen zijn van gestelde prioriteiten en beschikbare middelen.[65] Ten slotte volgt uit Budayeva/Rusland dat de beleidsvrijheid voor een Staat groter is: “in relation to a meteorological event, which is as such beyond human control, than in the sphere of dangerous activities of a man-made nature.[66] In de literatuur is betoogd dat deze situatie ook aan de orde is bij klimaatverandering.[67] Dit doet echter geen recht aan de vaststelling dat het broeikaseffect nu juist een van de weinige meteorologische gebeurtenissen is die door de mens veroorzaakt wordt, en daarmee een antropocentrischeactiviteit is.[68]
 
Acties door private actoren en het EVRM
Uit de rechtspraak van het EHRM kan worden afgeleid dat verplichtingen die voortvloeien uit het sociale grondrecht op een leefbaar milieu private actoren direct kunnen regarderen, en dus niet zoals een klassieke opvatting zou kunnen doen vermoeden enkel staten.[69] Hoewel voor het realiseren van het recht evident van het allergrootste belang, is deze implicatie van de jurisprudentie in die zin opmerkelijk dat een letterlijke interpretatie van de tekst van het EVRM zich lijkt te verzetten tegen het direct opleggen van mensenrechtenverplichtingen aan private actoren.[70] Of dergelijke directe verplichtingen voor private partijen (in het bijzonder bedrijven) daadwerkelijk bestaan blijft betwist, maar het Hof lijkt in ieder geval niet geheel wars van die gedachte.[71] Het is echter hoe dan ook mogelijk dat staten zelf verantwoordelijk worden gehouden voor de acties van bedrijven. In een rapport van de Special Representative of the Secretary General over het onderwerp wordt hierover gesteld:

Indeed, where companies are owned by and/or act as mere State agents, the State itself may be held legally responsible for such entities’ wrongful acts.[72]

In deze gevallen, waar de handelingen van een bedrijf dus direct aan de staat worden toegerekend, rijzen directe negatieve verplichtingen voor de staat zelf, in de zin dat ze zich dient te onthouden van handelingen die het recht op een leefbaar milieu schenden.[73] Er bestaat echter geen eenduidig criterium waardoor het mogelijk wordt een heldere scheidslijn aan te brengen tussen ‘staatsbedrijven’ (waarvoor negatieve statelijke verplichtingen kunnen gelden) en bedrijven waarvan het handelen niet aan de staat kan worden toegerekend (waaraan positieve verplichtingen kunnen zijn verbonden). Het EHRM boog zich over dit onderscheid in Yershova, waar het stelde:

In deciding whether the municipal company’s acts or omissions are attributable under the Convention to the municipal authority concerned, the Court will have regard to such factors as the company’s legal status, the rights that such status gives it, the nature of the activity it carries out and the context in which it is carried out, and the degree of its independence from the authorities. The Court will notably have to consider whether the company enjoyed sufficient institutional and operational independence from the State to absolve the latter from its responsibility under the Convention for its acts and omissions.[74]

De voor de toerekeningsvraag uiteraard cruciale begrippen ‘staat’ en ‘staatsorgaan’ zijn door het EHRM in een reeks zaken functioneel en contextueel geïnterpreteerd op een wijze die doet denken aan de teleologische uitleg van het begrip ‘staat’ door het Europese Hof van Justitie in de zaak Foster v British Gas.[75] Zoals hierboven werd gepreciseerd ontslaat het feit dat een gedraging van een bedrijf (of particulier) niet aan de staat kan worden toegerekend diezelfde staat nog niet van de positieve verplichting alles wat redelijkerwijs mogelijk is in het werk te stellen om inbreuken van dat bedrijf op (milieu)mensenrechten:

(a) te voorkomen (door middel van materiële wetgeving zoals vergunningstelsels, en door middel van procedurele waarborgen die transparantie en participatie van en in milieubesluitvorming garanderen)[76] en;
(b) te beëindigen (door middel van effectieve handhaving).

De uitspraak van het EHRM’s in Guerra is in dit opzicht van fundamenteel belang:

 The Court considers that Italy cannot be said to have ‘interfered’ with the applicants’ private or family life; they complained not of an act by the State but of its failure to act. However, although the object of Article 8 is essentially that of protecting the individual against arbitrary interference by the public authorities, it does not merely compel the State to abstain from such interference; in addition to this primarily negative undertaking, there may be positive obligations inherent in the effective respect for private or family life.[77]

Procedurele rechten
Naast deze positieve verplichtingen van inhoudelijke/materiële aard kenmerkt het recht op een leefbaar milieu, wellicht meer nog dan andere mensenrechten, zich door een stelsel van positieve statelijke procedurele plichten dat burgers garandeert geïnformeerd te zijn en te blijven over hun leefmilieu, op verschillende wijzen te participeren in milieubesluitvorming en toegang te kunnen krijgen tot een onafhankelijke rechter in geval van een conflict. Het EHRM heeft het belang van deze procedurele plichten in een aantal zaken beklemtoond.[78] Daarbij wordt aansluiting gezocht bij internationale verdragen. Zo verwees het EHRM in Taşkin bijvoorbeeld expliciet naar en naar het Verdrag van Århus.[79] Een heldere uiteenzetting van het belang van deze procedurele plichten en hun relatie tot artikel 8 EVRM geeft het EHRM in Taskin, waar het risicovolle gebruik van cyanide bij het winnen van goud werd betwist:[80]
 
The Court reiterates that, according to its settled case law, whilst Article 8 contains no explicit procedural requirements, the decision-making process leading to measures of interference must be fair and such as to afford due respect for the interests of the individual as safeguarded by Article 8. It is therefore necessary to consider all the procedural aspects, including the type of policy or decision involved, the extent to which the views of individuals were taken into account throughout the decision-making process, and the procedural safeguards available.

 Het EHRM gebruikte Taskin ook om te wijzen op de noodzaak milieubesluitvorming te baseren op een degelijke risico-analyses,[81] en de omstandigheid dat, wanneer een voorafgaande milieueffectenrapportage uitwijst dat burgers een gerede kans lopen blootgesteld te worden aan gevaarlijke effecten als gevolg van een activiteit, artikel 8 EVRM in het geding is, ook indien het gevaar zich pas over een termijn van decennia zal voordoen.
Zoals is gebleken uit deze jurisprudentie zijn staten, als onderdeel van hun positieve verplichtingen die voortvloeien uit milieugrondrechten, ook verplicht het (nationale) milieurecht te handhaven en een einde te maken aan zowel publieke als private inbreuken op het milieurecht. In Oneryildiz formuleerde het EHRM deze plichten ondubbelzinnig en alomvattend:

 where lives have been lost in circumstances potentially engaging the responsibility of the State, [Article 2] entails a duty for the State to ensure, by all means at its disposal, an adequate response – judicial or otherwise – so that the legislative and administrative framework set up to protect the right to life is properly implemented and any breaches of that right are repressed and punished. (…) The judicial system required by Article 2 must make provision for an independent and impartial official investigation procedure that satisfies certain minimum standards as to effectiveness and is capable of ensuring that criminal penalties are applied where lives are lost as the result of dangerous activities if and to the extent that this is justified by the findings of the investigation. In such cases, the competent authorities must act with exemplary diligence and promptness and must of their own motion initiate investigations capable of, firstly, ascertaining the circumstances in which the incident took place and any shortcomings in the operation of the regulatory system and, secondly, identifying the State officials or authorities involved in whatever capacity in the chain of events in issue.[82] (…) The national courts should not under any circumstances be prepared to allow life endangering offences to go unpunished. This is essential for maintaining public confidence and ensuring adherence to the rule of law and for preventing any appearance of tolerance of or collusion in unlawful acts. The Court’s task therefore consists in reviewing whether and to what extent the courts, in reaching their conclusion, may be deemed to have submitted the case to the careful scrutiny required by Article 2 of the Convention, so that the deterrent effect of the judicial system in place and the significance of the role it is required to play in preventing violations of the right to life are not undermined.[83]
 
Kortom, deze rechtspraak laat zien dat een beroep op de bescherming van artikel 8 EVRM kan worden gedaan indien er sprake is van een algemeen erkend en voorzienbaar gezondheidsrisico.Bij risicovolle activiteiten moet een effectief wettelijk en bestuurlijk kader worden aangenomen om bescherming te bieden tegen activiteiten die inbreuk maken op artikel 2 en/of 8 EVRM.

Op grond van de bovenstaande uiteenzetting kan worden geconcludeerd dat uit het recht op leven (artikel 2 EVRM) en het recht op privéleven (artikel 8 EVRM) de positieve plicht van een actieve overheid volgt waar milieukwesties deze grondrechten verstoren. Hierbij behoudt de staat een zekere beleidsvrijheid en mag alleen het redelijke worden verwacht. Inmiddels ligt er een jurisprudentie waarin dit nader is geconcretiseerd.
 
 
 

3.      Het EVRM in de Nederlandse rechtsorde

 
De nationale rechter toetst wél - in navolging van het EHRM - aan de artikelen 2 en 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).[84]
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de ABRvS of de Afdeling) heeft bijvoorbeeld in enkele zaken de vraag geadresseerd of de overheid in strijd had gehandeld met haar positieve verplichtingen uit artikel 2 en 8 EVRM. Een voorbeeld daarvan gaat bijvoorbeeld om de vraag of een bestemmingsplan of inpassingsplan voldoende bescherming bood aan de rechten uit artikel 2 en 8 EVRM.[85] Het gerechtshof in Amsterdam oordeelde eveneens dat de burgerlijke rechter dient te beoordelen of door het ontbreken van wetgeving in formele zin een inbreuk werd gemaakt op artikel 2 of 8 (het recht op privacy en gezinsleven) en 2 (recht op leven) EVRM om zodoende te kunnen beoordelen of de Staat onrechtmatig gehandeld had.[86] Juist de in de Urgenda-zaken speelden deze twee EVRM-rechten een centrale rol bij de vaststelling dat de Staat een zorgplicht heeft om gevaarlijke klimaatverandering te voorkomen (zie hieronder). Ook in andere recente milieuzaken toetst de rechter aan het EVRM.
Ook in een zaak bij het Hof Amsterdam over legionellabesmetting achtte het Hof zich bevoegd mogelijke staatsaansprakelijkheid te toetsen aan artikel 2 en EVRM.[87]  De Consumentenbond verweet hier ten behoeve van slachtoffers van de ‘Westfriese Flora’ de Staat nagelaten te hebben veiligheidsvoorschriften te hebben aangenomen ter voorkoming van legionellabesmetting voor het water in tentoongestelde bubbelbaden. Het Hof concludeert echter dat niet geoordeeld kon worden dat de Staat op de hoogte was of behoorde te zijn van een zo groot en concreet gevaar dat het nalaten van formele wetgeving een schending was van artikel 2 EVRM en artikel 8 EVRM.[88]  Daarbij ging het Hof van Amsterdam met name in op de wetenschap die de overheid heeft of behoort te hebben van de gevolgen van een activiteit als begrenzing van de positieve verplichting om regelgeving uit te vaardigen: de Staat hield van internationale wetenschappelijke publicaties bij om te bezien of er aanleiding bestond voor (nadere) maatregelen ter voorkoming of bestrijding van infectieziekten.[89]

De rechtbank Den Haag refereerde uitgebreid naar artikel 2 en 8 EVRM in een zaak aangespannen door slachtoffers van de Q-koorts over de aansprakelijkheid van de staat.[90] De rechtbank concludeerde hier dat de staat o.g.v. de positieve verplichtingen uit het EVRM wel genoeg informatie had verschaft en verwierp het verzoek om aansprakelijkheid. Ook de gaswinning in Groningen was onderwerp van verschillende rechtszaken tegen de staat waar eveneens een beroep werd gedaan op artikel 2 en 8 EVRM.[91] Vermeldenswaardig is hier het beroep tegen het instemmingsbesluit van 30 november 2016 hadden verschillende particulieren, belangenbehartigers en overheden.[92] De ABRvSbestuursrechtspraak oordeelde in haar uitspraak dat de aard en de schaal van de met de gaswinning gepaard gaande gevolgen zodanig zijn, dat de in de artikelen 2 en 8 EVRM genoemde grondrechten van toepassing zijn. Er was immers sprake van een ingrijpende en langdurige aantasting van de directe private woonomgeving van mensen en het is onzeker hoe lang en hoe intensief die aantasting nog zal voortduren. De Afdeling herhaalt de rechtspraak van het EHRM en stelt dat uit artikel 2 EVRM de positieve verplichting van de Staat volgt om:
 ‘alle gepaste maatregelen te nemen om het leven te beschermen mee, dat de Staat verplicht is te voorzien in een effectief wettelijk en bestuurlijk kader ter bescherming van het recht op leven. Deze verplichting is van toepassing op alle activiteiten, door de overheid verricht of door anderen, waardoor het recht op leven mogelijk in gevaar is, in het bijzonder op industriële activiteiten die uit de aard der zaak gevaarlijk zijn. Bij gevaarlijke activiteiten moet nadruk worden gelegd op regulering die is toegesneden op de specifieke kenmerken, en in het bijzonder het niveau van het potentieel risico voor het menselijk leven, van de activiteit.’[93]

Hoewel de Afdeling in navolging van het EHRM benadrukt dat bij de keuze van de maatregelen de Staat een ruime beoordelingsmarge heeft – het EVRM verplicht niet om activiteiten waaraan risico’s zijn verbonden, zoals gaswinning, geheel te beletten – concludeert de Afdeling dat de motivering van het bestreden besluit ontoereikend is: Gelet op de ernst en de aard van de gevolgen van gaswinning, moet blijken dat de noodzakelijke voorzorg is betracht. Ook zal moeten blijken dat de door de grondrechten beschermde belangen van burgers zijn afgewogen tegen de betrokken algemene belangen. Zo moet bij het besluit de uit artikel 2 en 8 van het EVRM voortvloeiende verplichtingen om alle gepaste maatregelen te nemen om het leven en de woningen van de bewoners van het aardbevingsgebied te beschermen, worden betrokken.
In navolging van de uitspraak van de Afdeling was het aan de rechtbank om vast te stellen of de Staat onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 BW had gehandeld m.b.t. tot het toelaten van de gaswinning.[94] Eisers stelden dat de Staat onvoldoende maatregelen had genomen om de schade te voorkomen, terwijl hij daartoe (onder meer) ingevolge artikelen 2 en 8 EVRM (…) wel gehouden was. Zij voerden aan dat als gevolg van de (dreiging van) aardbevingen het eigen huis op mentale en fysieke wijze een bedreiging is geworden en verwijten de Staat dat hij met het oog op hun gezondheidsbelangen meer maatregelen had moeten nemen om hun schade te voorkomen dan wel weg te nemen. De Staat heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan concreet en algemeen toezichtsfalen. De rechtbank is met eisers van oordeel dat het recht op eerbiediging van de integriteit van hun persoon, de veiligheid van hun woning en hun persoonlijke levenssfeer belangrijke fundamentele rechten zijn.[95] De rechtbank volgt de Afdeling en concludeert dat de minister gehouden was om de gasproductie met het oog op de veiligheidsrisico's voor inwoners in het Groningenveld zoveel als gelet op de leveringszekerheid mogelijk was te beperken, en heeft zijn zorgplicht als bedoeld in 6:162 BW onvoldoende heeft ingevuld.[96]

Een andere zaak die veel aandacht trok betrof een vordering tot onrechtmatige daad van Milieudefensie c.s. jegens de Staat ter verbetering van de luchtkwaliteit (stikstofdioxide (NO2 ) en fijnstof (PM10)).[97] Hoewel de Haagse Rechtbank de vordering afwees, toetste de Rechtbank wel aan artikel 2 en 8 EVRM. Het kwam tot de conclusie dat Milieudefensie c.s. onvoldoende had bewezen dat de Staat de ‘margin of appreciation’had overschreden.[98] Hetzelfde resulteerde in een andere zaak die was aangespannen door Milieudefensie tegen het besluit over de snelheidsverhoging van 80 naar 100 km/h op de A12 Voorburg/Den Haag.[99] Hier was niet bewezen dat de stikstofdioxide-concentraties ter plaatse van de A12 uitkomen boven de huidig geldende of de toekomstig geldende grenswaarden (ontleend aan de Europese Richtlijn luchtkwaliteit), en daarom kon er geen aantasting van het milieu in de zin van artikel 8 worden vastgesteld.
 
 

4.      Urgenda en het EVRM

 
Het belang van het EVRM in de nationale rechtsorde stond centraal in de veelbesproken Urgenda-zaken, en verdient hier aparte bespreking. Urgenda betoogde in haar dagvaarding uitgebreid dat het Nederlandse CO2-reductiebeleid – dat slechts zal leiden tot een reductie van 14 tot 17% in 2020 ten opzichte van 1990[100]– een schending van artikel 2 en 8 EVRM oplevert.[101] Urgenda staat daarin niet alleen: in november 2015 betoogde bijvoorbeeld ook de VN High Commissioner for Human Rights dat Staten die nalaten om de nodige CO2-reductiemaatregelen te treffen, hun mensenrechtenverplichtingen schenden.[102] Het EHRM heeft zich tot dusver niet uitgelaten over klimaatverandering in het kader van artikel 2 en 8 EVRM.
 
In 2019 bevestigde de Hoge Raad de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag uit 2018.[103] De Staat is op grond van de art. 2 en 8 EVRM jegens de ingezetenen van Nederland gehouden om, overeenkomstig zijn aandeel, passende maatregelen te nemen om de uitstoot van broeikasgassen vanaf het Nederlandse grondgebied te beperken.[104] Wat deze maatregelen inhouden behoort in beginsel tot het politieke domein, zowel internationaal als nationaal.[105]

De rechtbank wijdde slechts vijf overwegingen van het 57 pagina tellende Urgenda-vonnis aan de vraag of de Staat het EVRM schendt door onvoldoende CO2-reductie na te streven.[106] Volgens de rechtbank was Urgenda geen direct of indirect slachtoffer, zodat haar geen rechtstreeks beroep op het EVRM toekomt (artikel 34 EVRM).[107] Wel kan het EVRM volgens de rechtbank een rol spelen bij de inkleuring van de zorgvuldigheidsnorm uit artikel 6:162 BW (over de onrechtmatige daad).[108] Het EVRM lijkt voor de rechtbank vooral een extra argument om de Staat tot verdergaande CO2-reductie te verplichten.
Het Gerechtshof en de Hoge Raad baseren hun uitspraken wel direct op artikel 2 en 8 EVRM. Zo stelt het Gerechtshof dat het gehouden is om rechtstreeks werkende bepalingen van verdragen waarbij Nederland partij is, zoals de artikelen 2 en 8 EVRM, toe te passen.[109] In beide uitspraken werd bevestigd dat deze bepalingen het milieu kunnen betreffen en kunnen leiden tot positieve verplichtingen om te garanderen dat de betreffende rechten voldoende beschermd worden: uit negatief geformuleerde mensenrechten kunnen positieve verplichtingen volgen.

Verplichten de artikelen 2 en 8 EVRM de Staat tot het nemen van maatregelen?
De Staat beargumenteerde dat uit de art. 2 en 8 EVRM geen verplichting volgt om bescherming te bieden tegen de reële dreiging van een gevaarlijke klimaatverandering. De Staat betoogde dat dit gevaar niet voldoende specifiek is om onder de bescherming van de art. 2 en 8 EVRM te vallen omdat het gevaar van mondiale aard is, en bovendien het milieu betreft, dat volgens de Staat als zodanig niet wordt beschermd door het EVRM. 
 
Het gerechtshofoverweegt onder meer:
‘Kort samengevat rust dus op de Staat op grond van artikel 2 EVRM de positieve verplichting om het leven van burgers binnen zijn jurisdictie te beschermen, terwijl artikel 8 EVRM de verplichting schept om het recht op woning en privéleven te beschermen. Deze verplichting geldt voor alle activiteiten, publieke gezamenlijk: van industriële activiteiten die naar hun aard gevaarlijk zijn. Wanneer de overheid weet dat er sprake is van een reëel en onmiddellijk dreigend gevaar, moet de Staat preventieve maatregelen nemen om de aantasting zoveel mogelijk te voorkomen. In het licht hiervan zal het hof de gestelde (dreigende) klimaatgevaren beoordelen.[110]

Wat betreft de trias politica en de rol van de rechter waar de Staat een beroep op doet, stelt het Gerechtshof: ‘Het hof is gehouden om rechtstreeks werkende bepalingen van verdragen waarbij Nederland partij is, zoals de artikelen 2 en 8 EVRM, toe te passen. Dergelijke bepalingen maken immers deel uit van de Nederlandse rechtssfeer en zij hebben zelfs voorrang boven Nederlandse wetten die daarvan afwijken.’[111]
De Hoge Raad bespreekt de verplichtingen uit de art. 2 en 8 EVRM gezamenlijk omdat van een staat dezelfde maatregelen worden verwacht bij voor de omgeving gevaarlijke activiteiten op grond van art. 8 EVRM als die welke hij zou moeten nemen op grond van art. 2 EVRM.[112]
 
De Hoge Raad verwijst eerst naar de vaste rechtspraak van het EHRM. Artikel 2 behelst mede de positieve verplichting van een verdragsstaat om passende maatregelen te nemen om het leven te beschermen van eenieder die onder zijn rechtsmacht valt. Deze verplichting geldt volgens die rechtspraak onder meer als sprake is van gevaarlijke industriële activiteiten, ongeacht of deze door de overheid zelf of door anderen worden verricht, en ook met betrekking tot natuurrampen. De Hoge Raad overweegt:
 
‘De gehoudenheid tot het nemen van passende maatregelen bestaat als er een ‘real and immediate risk’ voor personen is en de betrokken staat van dat gevaar op de hoogte is. Onder ‘real and immediate risk’ valt in dit verband te verstaan een gevaar dat reëel en direct is. Het begrip ‘immediate’ ziet niet op de onmiddellijkheid van het gevaar in de betekenis dat sprake moet zijn van een kort tijdsverloop tot de verwezenlijking ervan, maar in de betekenis dat sprake moet zijn van een gevaar dat de betrokken personen rechtstreeks bedreigt. De bescherming van art. 2 EVRM ziet ook op gevaren die zich pas op langere termijn kunnen verwezenlijken.[113]
 
Ook betreffende art. 8 EVRM verwijst de Hoge Raad naar de vaste rechtspraak van het EHRM: een verdragsstaat heeft in milieukwesties een positieve verplichting om redelijke en passende maatregelen te nemen ter bescherming van individuen tegen mogelijk ernstige milieuschade.  De gehoudenheid tot het nemen van maatregelen bestaat als het risico aanwezig is van een ernstige milieuverontreiniging die het welzijn van personen kan aantasten. Bij klimaatverandering is er sprake van een reëel en ernstig risico, maar dit risico is niet onmiddellijk. Een kenmerk van het broeikaseffect is nu juist dat de gevolgen hiervan zich over een periode van decennia langzaam openbaren.[114] Dit zou pleiten voor een grotere beleidsvrijheid voor de Nederlandse Staat. Ook hier merkt de Hoge Raad echter op dat dit risico niet op korte termijn hoeft te bestaan.[115] De bescherming van de art. 2 en 8 EVRM ziet bovendien volgens de Hoge Raad niet alleen op specifieke personen, maar ook op de samenleving of bevolking als geheel. Bij milieugevaren die een geheel gebied bedreigen, bieden de art. 2 en 8 EVRM bescherming aan de ingezetenen van dat gebied.[116]
 
De verplichting om op grond van de art. 2 en 8 EVRM passende maatregelen te nemen, houdt mede in dat staten gehouden zijn om preventief maatregelen te nemen tegen het gevaar, ook als niet zeker is dat het gevaar zich zal verwezenlijken. Dit strookt met het voorzorgsbeginsel:
Als duidelijk is dat het hiervoor in 5.2.2 en 5.2.3 bedoelde ‘real and immediate risk’ bestaat, hebben de staten, zonder dat hun daarbij een ‘margin of appreciation’ toekomt, een verplichting tot het nemen van passende maatregelen. De staten hebben wel vrijheid bij de keuze van de te nemen maatregelen, zij het dat deze daadwerkelijk redelijk en geschikt moeten zijn.[117].

Welke maatregelen in het gegeven geval passend zijn, hangt af van de omstandigheden van dat geval. Maar de rechter kán onderzoeken of de maatregelen die een staat neemt, redelijk en geschikt zijn. Het beleid dat een staat bij het nemen van maatregelen voert, moet consistent zijn en de staat moet de maatregelen tijdig nemen. Een staat moet bij zijn beleid ‘due diligence’ in acht nemen.[118]

De art. 2 en 8 EVRM mogen echter niet ertoe leiden dat een onmogelijke of in de gegeven omstandigheden onevenredige last op de staten wordt gelegd. Als een staat redelijke en geschikte maatregelen heeft genomen, brengt het enkele feit dat deze maatregelen het gevaar niet hebben kunnen afwenden, niet mee dat hij is tekortgeschoten in de op hem rustende verplichting; de bepalingen van het EVRM moeten zo worden uitgelegd en toegepast, dat de daarin gewaarborgde rechten praktisch en effectief zijn.[119]  Kortom: er moet effectieve rechtsbescherming worden geboden tegen mogelijke schendingen van de rechten en vrijheden van het EVRM.[120]

Daarbij wijst de Hoge Raad erop dat bij de uitleg van het EVRM volgens de rechtspraak van het EHRM rekening moet worden gehouden met internationaal recht, wetenschappelijke inzichten en algemeen aanvaarde standaarden.[121]
 
Zijn de art. 2 en 8 EVRM van toepassing op het mondiale probleem van het gevaar van klimaatverandering? 
De Hoge Raad stelt dat er geen andere conclusie mogelijk is dan dat de Staat op grond van de art. 2 en 8 EVRM gehouden is om maatregelen te nemen tegen de reële dreiging van een gevaarlijke klimaatverandering, ook als deze slechts een nationaal probleem zouden betreffen.[122] Het betreft immers een ‘real and immediate risk’ en is hierbij het risico aanwezig van een ernstige aantasting van het leven en welzijn van ingezetenen van Nederland. Dit geldt onder meer voor de mogelijkheid van een sterke stijging van de zeespiegel, waardoor Nederland voor een deel onbewoonbaar kan worden. De omstandigheid dat dit risico zich pas over enkele decennia zal kunnen realiseren en geen specifieke (groep van) personen betreft maar grote delen van de bevolking, brengt, anders dan de Staat aanvoert, niet mee dat de art. 2 en 8 EVRM geen bescherming zouden bieden tegen deze dreiging – daarbij verwijzend naar het voorzorgsbeginsel. Het bestaan van een voldoende reële mogelijkheid van verwezenlijking van dit risico is voldoende voor de noodzaak passende maatregelen te nemen.  De Hoge Raad meent bovendien dat Nederland op grond van de art. 2 en 8 EVRM verplicht is om ‘het zijne’ te doen om een gevaarlijke klimaatverandering te voorkomen, ook al betreft het een mondiaal probleem.[123]
 
Dit wordt onderbouwd met verwijzing naar het VN-Klimaatverdrag, het ‘no harm’-beginsel en de Draft Articles on Responsibility of States for Internationally Wrongful Acts, zoals voorgesteld door de International Law Commission van de VN en aangenomen door de General Assembly van de VN. Het verweer dat een plicht van de individuele staten om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, niet helpt omdat andere landen toch doorgaan met hun uitstoot, gaat ook om deze reden niet op: geen enkele reductie is verwaarloosbaar aldus de Hoge Raad.[124]

Uit het bovenstaande blijkt dat de Hoge Raad evenals het Gerechtshof artikel 2 en 8 meer als zelfstandige rechten behandelt dan enkel ter invulling van de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm uit artikel 6:162 BW. Barkhuyzen en Van Emmerikmerken daarbij op dat de toepassing van artikel 2 en 8 EVRM mogelijk tot een ruimere aansprakelijkheid uit onrechtmatige overheidsdaad kan leiden.[125] Dit is niet onwaarschijnlijk aangezien artikel 53 EVRM stelt dat het EVRM rechten zoals uitgelegd door het EHRM minimumnormen bevat. Het is wachten op de uitkomst van de eerste klimaatzaak voor het EHRM van de Portugese kinderen tegen 33 Europese staten om te bezien of de Hoge Raad inderdaad gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid van artikel 53 EVRM.
 

5.      Artikel 21 in het licht van artikel 37 Handvest van de grondrechten van de EU

Zoals hiervoor bleek wordt als er grondrechten in het geding zijn in de Nederlandse rechtspraktijk in de regel vooral een beroep gedaan op het EVRM. Sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon kennen wij echter nog een andere gecodificeerde en bindende grondrechtencatalogus: het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.[126] Artikel 6, eerste lid, VEU erkent in dat opzicht de rechten, vrijheden en beginselen die zijn vastgesteld in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat dezelfde juridische waarde als de Verdragen heeft.

Artikel 37 van het Handvest wordt geduid als een ‘solidariteitsrecht’, en is als volgt geformuleerd: Een hoog niveau van milieubescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu moeten worden geïntegreerd in het beleid van de Unie en worden gewaarborgd overeenkomstig het beginsel van duurzame ontwikkeling.[127] Het in dit artikel neergelegde beginsel is gebaseerd op de artikel 3 lid 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en de artikelen 11 (integratiebeginsel) en artikel 191 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Het is ook geïnspireerd op de bepalingen van een aantal nationale grondwetten.

Artikel 3, derde lid, VEU instrueert de Unie zich (samen met de lidstaten)[128] in te zetten voor een hoog niveau van bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu. Artikel 191, eerste lid, (VWEU) verklaart het ‘behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu’ tot kerndoelstelling van het EU-milieubeleid, maar die opgave moet worden geïnterpreteerd in het licht van het daarop direct volgende doel van de ‘bescherming van de gezondheid van de mens’. De antropocentrische opdracht van de milieuwetgever wordt ook duidelijk in het derde lid, dat immers stelt dat rekening moet worden gehouden met ‘de voordelen en lasten die kunnen voortvloeien uit optreden, onderscheidenlijk niet-optreden’. Dit komt neer op een proportionaliteitstoets die, zoals hierna ook uit de jurisprudentie zal blijken, meer in het algemeen typerend is voor het mensenrecht op een leefbaar milieu en een discretionaire bevoegdheid voor wetgevers impliceert.

De verwijzing in artikel 37 van het Handvest naar ‘het beginsel van duurzame ontwikkeling’ betekent daarbij echter wel dat de EU hierbij niet alleen met huidige, maar ook met toekomstige generaties van burgers rekening heeft te houden. De Toelichting bij het Handvest noemt expliciet milieubescherming uit artikel 37 als voorbeeld van een ‘beginsel’ (in tegenstelling tot de twee andere categorieën ‘rechten’ en ‘vrijheden’).[129] Volgens artikel 52 lid 5 Handvest kunnen beginselen worden toegepast door middel van wetgeving of uitvoeringshandelingen. Beginselen zijn daarmee voor de rechter alleen van belang als interpretatiemiddel en brengen derhalve geen bij de rechter afdwingbare positieve rechten met zich mee.

Het Handvest volgens artikel 51 lid 1 geldt binnen de rechtsorde van de lidstaten ‘uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, tot de lidstaten’. Deze zinsnede is door het Hof van Justitie ruim uitgelegd: ‘ten uitvoer brengen’ sluit ook nationale wetgeving in die beoogt gevolg te geven aan EU-recht, en niet alleen wetgeving die wordt vastgesteld om gevolg te geven aan EU-recht[130]. Gezien de competentie van de EU voor milieubeleid en het feit dat het overgrote deel van het Nederlands milieurecht een implementatie is van EU recht maakt artikel 37 Handvest daarmee ook deel uit van de Nederlandse rechtsorde en zal door wetgever, bestuur en rechter in acht moeten worden genomen. Daarvan is in eerste instantie sprake bij de omzetting en uitvoering van een richtlijn alsmede bij de toepassing van nationaal recht dat is aangenomen ter uitvoering daarvan. Recente voorbeelden waarbij het Handvest een interpretatierol speelde bij de uitleg van een richtlijn zijn twee arresten betreffende de luchtkwaliteit. Het EU Hof van Justitie overweegt in Craynest  datde luchtkwaliteitseisen uit Richtlijn 2008/50/EG een concretisering zijn van de beschermingsverplichtingen van de Unie die voortvloeien uit het fundamentele recht op leven ex artikel 2 lid 1 Handvest en het volgens artikel 3 lid 3 VEU, artikel 37 Handvest en artikel 191 lid 2 VWEU vereiste hoge niveau van milieubescherming, maar gaat hier zelf niet verder op in.[131] In Deutsche Umwelthilfeworden de handhaving van Richtlijn 2008/50/EG en het specifieke belang daarvan expliciet door het Hof van Justitiein het licht geplaatst van fundamentele rechten uit het Handvest en het Verdrag van Aarhus.[132] Ook bij de tenuitvoerlegging van andere EU-verplichtingen (bijvoorbeeld op basis van verordeningen of beschikkingen) geldt het Handvest.

In de praktijk toetst zoals gezegd de Nederlandse rechter voornamelijk aan artikel 2 en 8 EVRM en de daaronder gewezen jurisprudentie, en wordt artikel 37 Handvest niet als interpretatierichtlijn gebruikt.[133] Relevant daarbij is dat artikel 53 bepaalt dat dat rechten uit het Handvest die corresponderen met rechten uit het EVRM minimaal dezelfde bescherming moeten bieden, maar dat de bescherming ook groter mag zijn. In die zin, is het interessant om te bezien of het Hof van Justitie een eigen interpretatie gaat geven aan artikel 37 die past bij bredere context van het EU-milieurecht.
 
De onderlinge verhouding tussen het EU recht en het EVRM is, in ieder geval op het gebied dat wordt beslagen door artikel 21 Gw, omvat een grote mate van convergentie. De positieve statelijke verplichting die voortvloeit uit de rechtspraak van het EHRM om door middel van een actief materieelrechtelijk milieurecht het grondrecht op een leefbaar milieu in acht te nemen is zoals hierboven is aangegeven in het EU recht verankerd in artikel 191 VWEU e.v., en resulteerde in een omvangrijk corpus EU-milieurecht. Daarnaast doet het EU milieurecht recht aan het vereiste dat staten zorg hebben te dragen voor procedurele garanties die burgers in staat stellen over het milieu te worden geïnformeerd en geconsulteerd, met als ultieme garantie de verzekering van toegang tot een onafhankelijke rechter.[134] Tenslotte kan worden opgemerkt dat de EU haar lidstaten verplicht het EU milieurecht door middel van effectieve en voldoende afschrikkende sancties te handhaven, en daarbij geen onderscheid te maken tussen inbreuken begaan door private partijen dan wel door publieke organen.
 
 

6.      Conclusie

 
Bovenstaande analyse geeft aanleiding tot de stelling dat het EVRM en het EU recht het Nederlandse grondrecht betreffende de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, dat is neergelegd in artikel 21 Grondwet, zowel ondersteunen als nader concretiseren. Hiermee wordt artikel 21 Gw ingebed in een dynamische en ondersteunende internationaal juridische context, waarmee haar belang in de toekomst naar alle waarschijnlijkheid eerder zal toe- dan afnemen.
De Nederlandse rechter toetst regelmatig met uitgebreide verwijzingen aan artikel 2 en 8 EVRM. De Urgenda-zaken springen hierbij het meest in het oog. Hier baseerden zowel het Gerechtshof als de Hoge Raad hun uitspraken op de genoemde positieve verplichtingen uit het EVRM, en gaven een ruimere interpretatie aan dan kan worden afgeleid uit de EHRM-jurisprudentie. Ook het Europese Hof van Justitie toetst in milieuzaken in toenemende mate aan de fundamentele rechten zoals die zijn gewaarborgd door het Handvest en het EVRM.
Gegeven het feit dat het onderscheid tussen mens en natuur steeds meer onder druk is komen te staan zijn milieu en gezondheid in elkaars verlengde komen te liggen. Milieukwesties als biodiversiteitsverlies, klimaatverandering en luchtkwaliteit komen daarmee binnen het bereik van mensenrechten te vallen.[135] Het wordt interessant of en hoe de Nederlandse rechter, het Europese Hof van Justitie en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens op zulke beroepen zullen reageren, en in welke mate er een convergentie tussen de verschillende systemen zal ontstaan.
 
Lang werd aangenomen dat gezien het sterk antropocentrische karakter van het EVRM het niet voor de hand ligt dat het EHRM zich uitspreekt over mogelijke schendingen door algemeen biodiversiteitsverlies of klimaatverandering. Momenteel ligt er een eerste klimaatzaak voor het EHRM. De zaak is aangespannen door zes Portugese kinderen/jongeren tegen 33 staten die stellen dat de toenemende dreiging van klimaatverandering het welzijn van deze jonge mensen – zowel fysiek als mentaal – concreet aantast.[136] De eerste drempel voor deze zaak is genomen doordat het EHRM heeft aangekondigd de zaak bespoedigd te behandelen en de opdracht heeft gegeven aan de 33 aangeklaagde regeringen voor februari 2021 een schriftelijk respons te geven. In een recente toespraak reflecteert de President van het EHRM Robert Spano openlijk over de argumenten voor en tegen betrokkenheid van het EHRM in klimaatzaken.[137] Hoewel hij vanwege zijn functie als dienende rechter uiteraard terughoudendheid moet betrachten is zijn toespraak op zijn minst interessant te noemen. Hij noemt twee elementen die de ontwikkeling van milieu-jurisprudentie van het EHRM verklaren: het EVRM als ‘levend instrument’ en de ontwikkelingen in het internationale recht middels het beginsel van harmonieuze interpretatie. Dit zijn ook juist de twee elementen die het mogelijk zouden kunnen maken dat klimaatschade onder het bereik van het EVRM komt te vallen. President Spano verwijst voor wat betreft het laatste element naar de mogelijkheid dat het EHRM de positieve verplichtingen van artikel 2 en 8 van staten interpreteert in het licht van de verplichtingen uit het Akkoord van Parijs. Hij sluit zijn toespraak af met:

‘No one can legitimately call into question that we are facing a dire emergency that requires concerted action by all of humanity. For its part, the European Court of Human Rights will play its role within the boundaries of its competences as a court of law forever mindful that Convention guarantees must be effective and real, not illusory.’[138]
 

Noten

  1. F.M. Fleurke is als universitair hoofddocent Europees milieurecht verbonden aan Tilburg Law School.
  2. Zie uitgebreid: R. van Gestel, Het Grondrecht op een schoon leefmilieu: alibi tot terughoudendheid of prikkel tot actie?’ NJCM-Bulletin, jrg. 26 (2001), nr. 8, 981-1000 .
  3. Kamerstukken II 1975/76 13872, nr. 3 en Kamerstukken II 1980/81 16905, nr. 3.
  4. Art. 20a GG luidt: ‘Der Staat schützt auch in Verantwortung für die künftige Generationen die natürlichen Lebensgrundlagen im Rahmen der verfassungsmäßigen Ordnung durch die Gesetzgebung und nach Maßgabe von Gesetz und Recht durch die vollziehende Gewalt und die Rechtsprechung.’
  5. Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 3 (MvT); Kamerstukken II 1980/81, 16 905, nr. 3 (MvT). Zie eveneens A. Nieuwenhuis, Grondrechten, de nationale, Europese en internationale dimensie (Nijmegen: Ars Aequi Libri, 2013), hoofdstuk 20 – Het recht op milieubescherming, p. 408.
  6. D. Murswiek, Staatsziel Umweltschutz (Art. 20a GG), Neue Zeitschrift für Verwaltungs¬recht, 1996, nr. 3, p. 222.
  7. Kamerstukken II 1976/77, 13 873, nr. 3, p. 6.
  8. K. Mertens, ‘Aansprakelijkheid van de overheid voor klimaatverandering. Kan het EVRM een uitweg bieden?’, in: N. Teesing (red.) Naar aansprakelijkheid voor (de gevolgen van) klimaatverandering? (Boom Juridische Uitgevers, 2012), p. 65.
  9. Grondwettelijk Hof 27 november 2002, nr. 169/2002, B6.6, RW 2003-04 93.
  10. Staatscommissie-Cals/Donner Eindrapport (Nng 3, p. 227).
  11. Kamerstukken II 1975/76, nr. 3, p. 31. Zie o.m. ABRvS 27 maart 2002, JB 2002, 160, m.nt. Heringa en ABRvS 4 december 2002, JB 2003, 35, m.nt. Heringa, r.o. 2.3.1: ‘Ingevolge artikel 21 van de Grondwet is de zorg van de overheid gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu.
  12. Kamerstukken II 1975/76, nr. 3, p. 31.
  13. Alfred van Hall, Artikel 21 Grondwet, Het Waterschap 1996, nr. 9, p. 291.
  14. Kamerstukken II 1975/76, 13 873, nr. 3, p. 13.
  15. Kamerstukken II 2006/06, 30 900.
  16. Raad van State, Advies W01.06.0536/I. Het wetsvoorstel Halsema en Van Gent kan geplaatst worden in een lopende discussie over de rechtssubjectiviteit van dieren.
  17. In de nieuwe Omgevingswet wordt in de preambule eveneens verwezen naar artikel 21 Gw., Staatsblad 2016, 156.
  18. Vgl. J.M. Verschuuren, De zorg van de overheid en het recht van de burger, Milieu en Recht 1994, nr. 3, p. 82-83.
  19. Het initiatiefvoorstel tot wijziging van de Grondwet van Halsema strekkende tot invoering van de bevoegdheid tot toetsing van wetten aan een aantal bepalingen van de Grondwet door de rechter beoogt overigens niet toetsing van wetten aan artikel 21 Grondwet mogelijk te maken. Dit voorstel is in 2018 overigens ingetrokken, zie Kamerstukken II, 2018–19, no. 10, item 8.
  20. J.M. Verschuuren, De zorg van de overheid en het recht van de burger, Milieu en Recht 1994, nr. 3, p. 82-83.
  21. Zie bijv. p.13 van het Derde Nationaal Milieubeleidsplan, aangeboden aan de Tweede Kamer op 13 februari 1998, Kamerstukken II 1997/98, 25 887, nr. 1.
  22. Zie bijvoorbeeld ABRvS 27 maart 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE0729, nr. 200003011/2, nr. 200103587/1; ABRvS, 28 28 juli 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AQ5744 JB 2004/339 met annotatie van AWH.
  23. Hof ’s-Gravenhage 25 juni 1987, ECLI:NL:GHSGR:1987:AM9720, M en R 1998, nr. 2, m.nt. Gerritzen-Rode; HR 14 april 1989, AB 1989, 486, m.nt. Kleijs-Wijnnobel.
  24. Zie bijvoorbeeld HR 21 maart 2003, HR 21 maart 2003 NJ2003, 691 (Waterpakt) , NJ2003, 691 (Waterpakt) waarin werd gepoogd de staat aansprakelijk te stellen voor het verzuim wetgeving tot stand te brengen en van de rechter een wetgevingsbevel te krijgen. In dit verband is de rechtszaak die de NGO Urgenda tegen de Staat heeft aangespannen wegens onrechtmatig handelen op het gebied van klimaatbeleid interessant. Eisers voeren hier eveneens schending van artikel 21 Grondwet aan. De dagvaarding is beschikbaar via: http://www.urgenda.nl/documents/DagvaardingKlimaatzaak19-11-13.pdf.
  25. Kamerstukken II 1975/76 13872, nr. 3 en Kamerstukken II 1980/81 16905, nr. 3.
  26. ABRvS 27 maart 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE0729, nr. 200003011/2, nr. 200103587/1.
  27. Rb. Almelo 6 december 1995, NJ 1996, 723.
  28. Hof ’s-Gravenhage 25 juni 1987, M en R 1998, nr. 2, m.nt. Gerritzen-Rode; HR 14 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AC3549, AB 1989, 486, m.nt. Kleijs-Wijnnobel. Zo ook: Pres. Rb. Rotterdam 16 augustus 1989, M en R 1989, nr. 75, m.nt. Gerritzen-Rode.
  29. Zie bijvoorbeeld ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1915, 201301168/R1; ABRvS 19 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX7700, 201103950/1/A4; Rechtbank Utrecht 30 november 2012,ECLI:NL:RBUTR:2012:BY4688, SBR 12/2311.
  30. Soering v. UK,1989 439/11 (EHRM, 1989), p. 102.
  31. Fredin v. Sweden, No. 12033/86 (EHRM, 1991). Zie meer in het algemeen: Council of Europe Manual of Human Rights and the Environment (Council of Europe, 2012).
  32. Dubetska and others v. Ukraine, No. 30499/03 (EHRM, 2011) p. 95.
  33. Brincat e.a.v. Malta, 60908/11, 62110/11, 62129/11, 62312/11, 62338/11 (EHRM 2014).
  34. Budayeva e.a. v. Rusland, ECLI:CE:ECHR:2008:0320JUD001533902, 15339/02, 21166/02, 11673/02, 15343/02 (EHRM, 2008).
  35. Loizidou v. Turkey, 15318/89 (EHRM, 1996), para 52.
  36. Het EHRM neemt wel ontvankelijkheid aan van Non gouvermentele organisaties (Ngo’s) die opkomen tegen een schending van hun rechten, zoals artikel 6 EVRM, zie Collectif Melox et Mox v. France, No. 75218/01(EHRM, 2006). Zie ook Vides Aizsardzības klubs v. Latvia, No. 57829/00 (EHRM, 2004). para 42 en Costel Popa v. Romania, ECLI:CE:ECHR:2016:0426JUD004755810, No. 47558/10 (EHRM, 2016).
  37. Fadeyeva v. Russia, No. 55723/00 (EHRM, 2005), pp. 69–70.
  38. Brudnicka and others v. Poland No. 54723/00 (EHRM 2005) para 26.
  39. Cordella v. Italy, ECLI:CE:ECHR:2019:0124JUD005441413, 54414/13, 54264 (EHRM, 2019) para 100 et seq.
  40. Balmer-Schaffroth v. Switzerland No. 2110/93 (EHRM, 1997).
  41. Öneryıldız v. Turkije, ECLI:CE:ECHR:2004:1130JUD004893999,No. 48939/99 (EHRM 2004) par. 93.
  42. Cordella v. Italy, ECLI:CE:ECHR:2019:0124JUD005441413, 54414/13, 54264 (EHRM, 2019) para 102.
  43. Di Sarno v. Italy, No. 30765/08 (EHRM, 2012) para 80.
  44. Kyrtatos v. Greece, No. 41666/98 (EHRM, 2003), para. 54.
  45. Powell en Rayner v. United Kingdom, No. 9310/81(EHRM, 1990). Powell en Rayner werden geconfronteerd met ernstige geluidhinder veroorzaakt door het vliegveld Heathrow, waardoor artikel 8 EVRM volgens de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens in het geding kwam. Het Hof oordeelde dat de Staat een zekere beoordelingsvrijheid toekomt en vond geen schending van art. 8 EVRM. Zie over het onderscheid positieve en negatieve rechten ook D.K. Anton en D.L Shelton, Environmental Protection and Human Rights (Cambridge University Press, 2011).
  46. Chassagnou e.a. v. France, No. 25088/94 (EHRM, 1999). In deze zaak oordeelde het Hof dat regelgeving die de jacht toestaat op het grondgebied van een burger die op ethische gronden een tegenstander van de jacht is, strijdig is met diens recht gegarandeerd door art. 1 Eerste Protocol.
  47. López Ostra v. Spain, No. 16798/90 EHRM (EHRM, 1994). In deze zaak verzaakte het gemeentebestuur op te treden tegen ernstige milieuvervuiling door een leerlooierij in het Spaanse Lorca. Het Hof concludeert dat de autoriteiten een onzorgvuldige belangenafweging hebben uitgevoerd, waardoor een inbreuk werd gemaakt op art. 8 EVRM.
  48. Guerra e.a. v. Italy, No. 14967/89 (EHRM, 1998). Het recht op privacy en gezinsleven van de omwonenden van een chemische fabriek was volgens het Hof geschonden nu de Italiaanse autoriteiten hen niet informeerden over de milieu-effecten van de fabriek en over de maatregelen die genomen zouden worden bij een ramp met de betreffende fabriek.
  49. Fadeyeva v Russia, No. 55723/00 (EHRM, 2005), para 89.
  50. Appleby & Others v United Kingdom, ECLI:NL:XX:2003:AP0909, no. 44306/98 (EHRM, 2003). Deze zaak betrof voornamelijk artikel 10 EVRM.
  51. Öneryıldız v. Turkije, ECLI:CE:ECHR:2004:1130JUD004893999, No. 48939/99 (EHRM, 2004), para 58.
  52. Appleby & Others v United Kingdom, ECLI:NL:XX:2003:AP0909, no. 44306/98 (EHRM, 2003), at para 40. López Ostra v. Spain, No. 16798/90 EHRM (EHRM, 1994) para 51; Fadeyeva v Russia, No. 55723/00 (EHRM, 2005), para 89.
  53. Tatar v. Roemenië, No. 67021/01 (EHRM, 2009).
  54. Öneryıldız v. Turkije, ECLI:CE:ECHR:2004:1130JUD004893999, No. 48939/99 (EHRM, 2004), par. 101.
  55. Brincat e.a. v. Malta No. 60908/11, 62110/11, 62129/11, 62312/11, 62338/11 EHRM (EHRM. 2014), par. 106. Ook wordt er vaak gebruikgemaakt van deskundigen, zie bijv. Öneryıldız v. Turkije, ECLI:CE:ECHR:2004:1130JUD004893999, No. 48939/99 (EHRM, 2004), par. 97-101.
  56. Taskin v. Turkije, No. 46117/99 (EHRM, 2004).
  57. Hardy and Maile v. United Kingdom, No. 31965/07 (EHRM, 2012). See also Ole W. Pedersen, “Environmental Risks, Rights and Black Swans,” Environmental Law Review 15 (2003), p. 55. Zie ook B. Peters,’ The European Court of Human Rights and the environment’ In: International Courts and Tribunals and the Protection of the Environment, Mead/Samson/Sobenes (eds.) Asser Press, nog niet verschenen, beschikbaar via SSRN: https://ssrn.com/abstract=3668176; O.W. Pedersen, ‘The European Court of Human Rights and International Environmental Law’ . In: Knox JH, Pejan R (eds) The human right to a healthy environment. (Cambridge University Press, 2018), p.86-96.
  58. Zo ook: K. Mertens, ‘Aansprakelijkheid van de overheid voor klimaatverandering. Kan het EVRM een uitweg bieden? Een analyse voor Nederland en België’, VMR 2012-1, p. 73-75.
  59. Öneryıldız v. Turkije, ECLI:CE:ECHR:2004:1130JUD004893999, No. 48939/99 (EHRM, 2004), par. 97-101. Zie uitgebreid over de relevante factoren bij de bepaling van de margin of appreciation: E.C. Gijselaar & E.R. de Jong, ‘Overheidsfalen en het EVRM bij ernstige bedreigingen voor de fysieke veiligheid’, NTBR 2016/6, onder 3.6-3.7.
  60. Öneryıldız v. Turkije, ECLI:CE:ECHR:2004:1130JUD004893999, No. 48939/99 (EHRM, 2004), para 71, 89, 90.
  61. Tatar v Romania EHRM, No.67021/01 (EHRM, 2009). Zie ook het commentaar van Barkhuysen van Emmerik, Tatar v Romania EHRM, 27 januari 2009, 85-88, 113-16, AB 2009, 285 m. nt. T. Barkhuysen en M.L. van Emmerik. Ole W. Pedersen, “The ties that bind: the Environment, the European Convention on Human Rights and the Rule of Law,” European Public Law 16(4) (2009), p 571.
  62. Zammit Maempel v. Malta, ECLI:NL:XX:2011:BV3670, No. 24202/10 (EHRM, 2011), par. 69. Uitgebreid hierover: E.C. Gijselaar & E.R. de Jong, ‘Overheidsfalen en het EVRM bij ernstige bedreigingen voor de fysieke veiligheid’, NTBR 2016/6, onder 3.7.
  63. Budayeva v. Rusland, ECLI:NL:XX:2008:BD6179, No. 15339/02, 21166/02, 11673/02, 15343/02 (EHRM, 2008).
  64. Budayeva v. Rusland, ECLI:NL:XX:2008:BD6179, r.o. 134. Over deze zaak in het kader van klimaatverandering, zie ook: T. Thurlings, ‘Aansprakelijkheid en klimaatverandering: de Nederlandse Staat handelt niet onrechtmatig’, AV&S 2014/19 en K. Mertens, Aansprakelijkheid van de overheid voor klimaatverandering. Kan het EVRM een uitweg bieden? Een analyse voor Nederland en België VMR 2012-1, Den Haag: BJu, p. 71-73.
  65. Budayeva v. Rusland, ECLI:NL:XX:2008:BD6179, r.o. 134-135; Öneryıldız v. Turkije, , ECLI:CE:ECHR:2004:1130JUD004893999, No. 48939/99 (EHRM, 2004), par. 107.
  66. Budayeva v. Rusland, ECLI:NL:XX:2008:BD6179, No. 15339/02, 21166/02, 11673/02, 15343/02 (EHRM, 2008), para. 135.
  67. H.P Brans & K. Winterink, Onzekerheid en aansprakelijkheid voor schade door klimaatverandering. Welke rol speelt het voorzorgsbeginsel?, VMR 2012-1, Den Haag: BJu, p. 127.
  68. Het IPCC oordeelde in zijn 2014 Climate Change Report dat het 95% zeker is dat de opwarming van de aarde hoofdzakelijk veroorzaakt wordt door de mens. Climate Change 2014: Synthesis Report. Contribution of Working Groups I, II and III to the Fifth Assessment Report of the Intergovernmental Panel on Climate Change, Core Writing Team, R.K. Pachauri and L.A. Meyer (eds.), IPCC 2014, Genève, p. v.
  69. Zie voor een uitgebreide analyse D. Augenstein, State Responsibilities to Regulate and Adjudicate Corporate Activities under the European Convention on Human Rights, Submission to the Special Representative of the United Nations Secretary- General (SRSG) on the issue of Human Rights and Transnational Corporations and Other Business Enterprises (2011).
  70. Art. 1 EVRM verplicht slechts staten eenieder die ressorteert onder haar rechtsmacht de rechten en vrijheden die zijn vastgesteld in de Eerste Titel van het Verdrag te verzekeren. Art. 34 EVRM stelt dat het Hof verzoekschriften kan ontvangen van ieder natuurlijk persoon, iedere niet-gouvernementele organisatie of iedere groep personen die beweert slachtoffer te zijn van een schending door een van de Hoge Verdragsluitende Partijen van de rechten die in het Verdrag of de Protocollen daarbij zijn vervat (cursief van de auteur).
  71. In een zaak waarin het recht op privacy werd ingeroepen tegen een media-concern dat zich op haar beurt verdedigde met een beroep op de vrijheid van meningsuiting oordeelde het EHRM: ‘although [de pers] must not overstep certain bounds, in particular in respect of the reputation and rights of others, its duty is nevertheless to impart – in a manner consistent with its obligations and responsibilities – information and ideas on all matters of public interest.’ Von Hannover v Germany, EHRM 24 juni 2004, para 58.
  72. Rapport van de SRSG, Business and Human Rights: Further steps towards the operationalisation of the ‘protect,respect, and remedy’ framework, UN Doc A/HRC/14/27 (9 april 2010), para 27.
  73. Ibid n. 11, para 95-6.
  74. Yershova v Russia, No. 1387/04 (EHRM, 2010), para 55.
  75. Radio France e.a. v. France, No. 53984/00 (EHRM, 2004); Oesterreichischer Rundfunk v. Austria, ECLI:NL:XX:2006:BA1556, No. 35841/02 (EHRM, 2006).
  76. HvJEU, zaak C-188/89 Foster and Others v British Gas plc [1990] ECR I-3313, para 20.
  77. Hatton e.a v. United Kingdom, No. 36002/97 (EHRM, 2003), para 99.
  78. Ibid., para. 102.
  79. Demir and Baykara v. Turkey, ECLI:NL:XX:2008:BH0824, No. 34503/97 (EHRM, 2008), para 83.
  80. López Ostra v. Spain, No. 16798/90 EHRM (EHRM, 1994), para 16-22; Guerra e.a. v. Italy, No. 14967/89 (EHRM, 1998).
  81. Guerra e.a. v. Italy, No. 14967/89 (EHRM, 1998), para 25-27; Taskin e.a. v Turkey, No,46117/99 (EHRM, 2004), para. 117.
  82. Tatar v Romania (EHRM, 2009), 113-16, 121-24; Guerra e.a. v. Italy, No. 14967/89 (EHRM, 1998), para 60; Öneryıldız v. Turkije, ECLI:CE:ECHR:2004:1130JUD004893999, , No. 48939/99 (EHRM, 2004), para 90.
  83. Taskin e.a. v Turkey, No,46117/99 (EHRM, 2004), para 118.
  84. Zie bijvoorbeeld ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1915, 201301168/R1; ABRvS 19 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX7700, 201103950/1/A4; Rechtbank Utrecht 30 november 2012, SBR 12/2311. T. Barkhuysen & M.L. van Emmerik, Europese grondrechten en het Nederlandse bestuursrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2017.
  85. Zie bijvoorbeeld ABRvS 19 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX7700,; ABRvS 18 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1851.
  86. Gerechtshof Amsterdam 25 oktober 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BB6504, LJN BB6504. Zie meer algemeen Vgl.E.R. de Jong, ‘Rechterlijke risico reguleringen het EVRM: over drempels om de civiele rechter als risico reguleerder te laten optreden’, NTM/NJCM-Bulletin 2018/16.
  87. Hof Amsterdam 25 oktober 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BB6504.
  88. Ibid., r.o. 4.8.12.
  89. Zie voor een kritische reflectie D.G.J. Sanderink, Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (Deventer: Kluwer Wolters, 2015), p.
  90. Rb. Den Haag 25 januari 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:587, JA 2017/42, m.nt. Verweij-Hoogendijk.
  91. Rb. Noord-Nederland 1 maart 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:715, JA 2017/88, m.nt. Van Dorsser.
  92. ABRvS 18 november 2015 ECLI:NL:RVS:2015:3578, AB 2016/82, m.nt. Bröring & Brouwer, JB 2015/218, ECLI:NL:RVS:2015:3578, m.nt. Schlössels & Sanderink.
  93. Ibid, r.o.39.4.
  94. Rb. Noord-Nederland 1 maart 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:715 , JA 2017/88, m.nt. Van Dorsser.
  95. Ibid., r.o. 4.4.6.
  96. Ibid., r.o. 4.1.12.2 .
  97. Rb. Den Haag 27 december 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:15380, AB 2018/115, m.nt. Van der Veen & Backes.
  98. Ibid., r.o. 4.89.
  99. Rechtbank Amsterdam, 17-01-2014 ECLI:NL:RBAMS:2014:137.
  100. Rechtbank Den Haag 24 juni 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:7145, AB 2015/336, m.nt. Backes, r.o. 4.26.
  101. Dagvaarding Urgenda, p. 83-98 & 104 (beschikbaar via: urgenda.nl/documents/DagvaardingKlimaatzaak19-11-13.pdf).
  102. UN Human Rights Office of the High Commissioner, Understanding Human Rights and Climate Change. Submission of the Office of the High Commissioner for Human Rights to the 21st Conference of the Parties to the United Nations Framework Convention on Climate Change, 26 November 2015, p. 2 (beschikbaar via: www.ohchr.org/Documents/Issues/ClimateChange/COP21.pdf).
  103. Hoge Raad der Nederlanden [HR], 20 Dec. 2019, ECLI:NL:HR:2019:2006 (Netherlands/Urgenda) Urgenda III]; Gerechtshof Den Haag [Hof], 9 Oct. 2018, ECLI:NL. Zie voor een zeer uitvoerig advies Conclusie PG F.F. Langemeijer en M.H. Wissink aan de Hoge Raad van 13 september 2019, ECLI:NL:PHR:2019:887
  104. Ibid., 6.1.
  105. Ibid., 6.2.
  106. Rechtbank Den Haag 24 juni 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:7145, AB 2015/336, m.nt. Backes, r.o. 4.45-4.50. Zie ook F.M. Fleurke en A. de Vries-Stotijn, ‘Urgenda: convergentie tussen klimaat en mensenrechten?’, Milieu en Recht 2016/42 (afl. 4), p. 273-278; A.E.M. Leijten, ‘De Urgenda-zaak als mensenrechtelijke proeftuin?’, AV&S 2019/10 (afl. 2), p. 50-55.
  107. Rechtbank Den Haag 24 juni 2015, ECLI:NL: RBDHA:2015:7145, AB 2015/336, m.nt. Backes, r.o. 4.45, onder verwijzing naar EHRM 12 mei 2015, 73235/12 (Identoba e.a./Georgië) en EHRM 29 september 2009, ECLI:NL:XX:2009:BK6015, 19221/08 (Melle e.a./Nederland). Dit in tegenstelling tot Urgenda’s betoog in punt 220 en 227 van haar dagvaarding (beschikbaar via: urgenda.nl/documents/DagvaardingKlimaatzaak19-11-13.pdf).
  108. Rechtbank Den Haag 24 juni 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:7145, r.o. 4.46. De rechtbank lijkt van mening dat hierdoor toch hetzelfde effect wordt bereikt als wanneer Urgenda zich wel rechtstreeks op het EVRM had kunnen beroepen, zo blijkt uit r.o. 4.109.
  109. Hof Den Haag 9 oktober 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:2591, AB 2018/417, r.o. 69.
  110. Hof Den Haag 9 oktober 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:2591, AB 2018/417, m.nt. Van der Veen & Backes, O&A 2018/51, ECLI:NL:GHDHA:2018:2591, m.nt. Van der Veen & Oztürk.
  111. Ibid, 69.
  112. Ibid., 5.2.4.
  113. Ibid., 5.2.2.
  114. Zie hierover T.J. Thurlings, ‘Aansprakelijkheid en klimaatverandering: de Nederlandse Staat handelt niet onrechtmatig’, AV&S 2014/19, die in het kader van de beleidsvrijheid betoogt dat het meer in de reden ligt om burgers verder te beschermen door middel van adaptiemaatregelen omdat de Staat geen invloed kan uitoefenen op CO2-uitstoot buiten Nederland.
  115. Ibid., 5.2.3.
  116. Ibid., 5.3.1.
  117. Ibid., 5.3.2. Jak en Vermont stellen dat de marge die de nationale rechter gunt aan wetgever of bestuur niet voortvloeit uit de margin of appreciation zoals door het EHRM geïnterpreteerd, maar uit de nationale taakverdeling tussen de rechter, de wetgever en het bestuur, zie N. Jak en J. Vermont, ‘De Nederlandse rechter en de margin of appreciation’, NTM-NJCM-bulletin 2007 (afl. 2), p. 139
  118. Ibid., 5.3.3.
  119. 5.3.4.
  120. 5.5.3. De Hoge Raad wijst in dit kader ook op artikel 13 EVRM.
  121. 5.4.2 als bedoeld in art. 31 lid 3, onder c, van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht.
  122. 5.6.2.
  123. 5.7.1. VN-Klimaatverdrag, no harm-beginsel.
  124. 5.7.8.
  125. T. Barkhuysen en M.L. van Emmerik, ‘Zorgplichten volgens de Hoge Raad en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens: van Lindenbaum/Cohen via Kelderluik en Öneryildiz naar Urgenda?’ Rechtsgeleerd Magazijn THEMIS 2019-1, p. 43-54.
  126. EU (2012), Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, PB C 326 van 26.10.2012, artikel 52, lid 3.
  127. Artikel 37 is ondergebracht in Titel IV, ‘Solidariteit’.
  128. Art. 4, tweede lid, onder e, VWEU.
  129. Toelichtingen bij het Handvest van de grondrechten, OJ C 303, 14.12.2007, p. 17–35.
  130. Zaak C- C-617/10 Åkerberg Fransson ECLI:EU:C:2013:105, r.o. 28.
  131. HvJ 26 juni 2019, zaak C-723/17, ECLI:EU:C:2019:533 (Lies Craeynest e.a./Brussels Hoofdstedelijk Gewest en Brussels Instituut voor Milieubeheer), punt 33.
  132. HvJ 19 december 2019, zaak C-752/18, ECLI:EU:C:2019:1114 (Deutsche Umwelthilfe eV/Freistaat Bayern).
  133. Wel wordt verwezen naar artikel 7 Handvest (recht op privacy) waarbij wordt aangehaakt bij de jurisprudentie van het EHRM. Zie bijvoorbeeld ABRvS van 29 augustus 2012 ECLI:NL:RVS:2012:BX5932 en Rechtbank Amsterdam, 17-01-2014 ECLI:NL:RBAMS:2014:137.
  134. Dit is gebaseerd op het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (Verdrag van Aarhus) worden genoemd. AUN ECE Convention on Access to Information, Public Participation in Decision-making and Access to Justice in Environmental Matters (Aarhus Convention) United Nations Treaty Series, vol. 2161, 447. Het Verdrag is omgezet in Richtlijn 2003/4/EG inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie, OJ L 41, 14.2.2003, p. 26–32; Richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 tot voorziening in inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma's betreffende het milieu en, met betrekking tot inspraak van het publiek en toegang tot de rechter, tot wijziging van de Richtlijnen 85/337/EEG en 96/61/EG van de Raad, PB L 156 van 25.6.2003, blz. 17–25 en Verordening (EG) nr. 1367/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 betreffende de t
  135. Zowel staten als private actoren worden steeds vaker voor de rechter gedaagd voor hun aandeel aan klimaatverandering. Zie de database van het Sabin Center for Climate Change Law at Columbia Law School and Arnold & Porter: http://climatecasechart.com Zie ook J.Peel en H.M. Osofsky, ‘A Rights Turn in Climate Change Litigation?’ (2018) Transnational Environmental Law 7:37, 67; C. Voigt (ed,) International Judicial Practice on the Environment: Questions of Legitimacy. Studies on International Courts and Tribunals (Cambridge University Press, Cambridge, 2019). In Nederland loopt een zaak van Milieudefensie v. Shell. Zie hierover F. Fleurke & L. Smeehuijzen, ‘Milieudefensie versus Shell; een verkenning’, NJB 2018/1580.
  136. Zie https://www.crowdjustice.com/case/youth4climatejustice/ Interessant is dat hier artikel 3 EVRM wordt ingeroepen.
  137. Speech by Robert Spano President of the European Court of Human Rights ‘Should the European Court of Human Rights become Europe’s environmental and climate change court?’ Strasbourg, 5 October 2020 Conference on Human Rights for the Planet. Beschikbaar op het internet via: https://www.echr.coe.int/Documents/Speech_20201005_Spano_Conference_Planet_ENG.pdf
  138. Ibid, p. 5.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    F. Fleurke, Commentaar op artikel 21 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2021 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Milieubescherming

De zorg van de overheid voor de bewoonbaarheid van het land uit zich in maatregelen op het terrein van de ruimtelijke ordening en in zaken als het voorzien in infrastructuur voor verkeer en vervoer, in waterstaatswerken, in riolering en in het verzekeren van een goede drinkwater- en energievoorziening. De overheid levert niet al deze zaken en diensten daadwerkelijk zelf. Haar zorg kan bestaan uit het vaststellen van regelgeving die verplichtingen oplegt aan bedrijven en private organisaties, zoals bijvoorbeeld op het gebied van de drinkwater- en energievoorziening het geval is. De Grondwet verplicht de overheid slechts de zorg op zich te nemen; de instrumenten om aan die zorg gestalte te geven kiest zij zelf.
 
Daarnaast dient de overheid het milieu te beschermen en te streven naar verbetering daarvan. De gezondheid en diversiteit van flora en fauna moeten worden bewaakt, evenals de kwaliteit van de lucht, van oppervlaktewater en van grondwater. De leefomgeving van mensen moet worden beschermd tegen vernietiging, vervuiling, stank en geluidhinder.
 
De beide opdrachten die deze bepaling de overheid geeft, kunnen in elkaars verlengde liggen: de ruimtelijke ordening kan een instrument zijn om maatregelen te nemen die het milieu beschermen, bijvoorbeeld door in kwetsbare natuurgebieden geen bedrijfsactiviteiten toe te staan. Vaak is er ook spanning tussen de twee belangen; het realiseren van nieuwe wegen of het verbeteren van bestaande verbindingen betekent regelmatig dat de kwaliteit van het milieu dreigt te verslechteren.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Milieubescherming

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Milieubescherming

Recente rechtspraak

Milieubescherming

Politiek

Milieubescherming

Video
Blogs
IN DE WERELD
Video

Milieubescherming

  • Symposium op Harvard Law School over jurisprudentie milieurecht
Symposium op Harvard Law School over jurisprudentie milieurecht
Blogs

Milieubescherming

In de wereld

Milieubescherming