CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • G. Leenknegt
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • A.A.L. Beers en K.T. Meijer
  • B.C. van Beers
  • B.M.J. van der Meulen
  • B.P. Vermeulen
  • B.W.N. de Waard
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • E.J. Janse de Jonge
  • E.J. Koops
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • F. Fleurke
  • F.C.M.A. Michiels
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx en A.C.M. Meuwese
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard en J. Uzman
  • G. Leenknegt
  • G. Overkleeft-Verburg
  • G. van der Schyff en B.M.J. van der Meulen
  • J. Kiewiet en G.F.M. van der Tang †
  • J. Uzman
  • J. Uzman en G. Boogaard
  • J.C.A. de Poorter
  • J.L.M. Gribnau en M.R.T Pauwels
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • J.W.A. Fleuren
  • K.T. Meijer
  • M. Adams
  • Mijke Houwerzijl & Nuna Zekic
  • Mijke Houwerzijl en Frank Vlemminx
  • P. Jacobs
  • S. Daniëls
  • S. Jellinghaus en E. Huisman
  • S.C. van Bijsterveld
  • S.C. van Bijsterveld en B.P. Vermeulen
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • T. Kooijmans
  • T. Peters
  • W. van der Woude
  • W.J.M. Voermans
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

HOOFDSTUK 1

Grondrechten

INLEIDING

Artikel 1 - Gelijke behandeling

Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Artikel 2 - Nederlandschap en vreemdelingen

  1. De wet regelt wie Nederlander is.
  2. De wet regelt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen.
  3. Uitlevering kan slechts geschieden krachtens verdrag. Verdere voorschriften omtrent uitlevering worden bij de wet gegeven.
  4. Ieder heeft het recht het land te verlaten, behoudens in de gevallen, bij de wet bepaald.

Artikel 3 - Gelijke benoembaarheid

Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.

Artikel 4 - Kiesrecht

Iedere Nederlander heeft gelijkelijk recht de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen alsmede tot lid van deze organen te worden verkozen, behoudens bij de wet gestelde beperkingen en uitzonderingen.

Artikel 5 - Petitierecht

Ieder heeft het recht verzoeken schriftelijk bij het bevoegd gezag in te dienen.

Artikel 6 - Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging

  1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 7 - Vrijheid van meningsuiting

  1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- of televisieuitzending.
  3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar regelen ter bescherming van de goede zeden.
  4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.

Artikel 8 - Recht tot vereniging

Het recht tot vereniging wordt erkend. Bij de wet kan dit recht worden beperkt in het belang van de openbare orde.

Artikel 9 - Recht tot vergadering en betoging

  1. Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 10 - Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer

  1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.
  2. De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens.
  3. De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.

Artikel 11 - Onaantastbaarheid van het lichaam

Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.

Artikel 12 - Binnentreden woning

  1. Het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen.
  2. Voor het binnentreden overeenkomstig het eerste lid zijn voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden vereist, behoudens bij de wet gestelde uitzonderingen.
  3. Aan de bewoner wordt zo spoedig mogelijk een schriftelijk verslag van het binnentreden verstrekt. Indien het binnentreden in het belang van de nationale veiligheid of dat van de strafvordering heeft plaatsgevonden, kan volgens bij de wet te stellen regels de verstrekking van het verslag worden uitgesteld. In de bij de wet te bepalen gevallen kan de verstrekking achterwege worden gelaten, indien het belang van de nationale veiligheid zich tegen verstrekking blijvend verzet.

Artikel 13 - Vertrouwelijke communicatie

  1. Het briefgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, op last van de rechter.
  2. Het telefoon- en telegraafgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, door of met machtiging van hen die daartoe bij de wet zijn aangewezen.

Artikel 14 - Onteigening

  1. Onteigening kan alleen geschieden in het algemeen belang en tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander naar bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.
  2. De schadeloosstelling behoeft niet vooraf verzekerd te zijn, wanneer in geval van nood onverwijld onteigening geboden is.
  3. In de gevallen bij of krachtens de wet bepaald bestaat recht op schadeloosstelling of tegemoetkoming in de schade, indien in het algemeen belang eigendom door het bevoegd gezag wordt vernietigd of onbruikbaar gemaakt of de uitoefening van het eigendomsrecht wordt beperkt.

Artikel 15 - Vrijheidsontneming

  1. Buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen.
  2. Hij aan wie anders dan op rechterlijk bevel zijn vrijheid is ontnomen, kan aan de rechter zijn invrijheidstelling verzoeken. Hij wordt in dat geval door de rechter gehoord binnen een bij de wet te bepalen termijn. De rechter gelast de onmiddellijke invrijheidstelling, indien hij de vrijheidsontneming onrechtmatig oordeelt.
  3. De berechting van hem aan wie met het oog daarop zijn vrijheid is ontnomen, vindt binnen een redelijke termijn plaats.
  4. Hij aan wie rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, kan worden beperkt in de uitoefening van grondrechten voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt.

Artikel 16 - Nulla poena

Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.

Artikel 17 - Wettelijk toegekende rechter

Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent.

Artikel 18 - Rechtsbijstand

  1. Ieder kan zich in rechte en in administratief beroep doen bijstaan.
  2. De wet stelt regels omtrent het verlenen van rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen.

Artikel 19 - Werkgelegenheid en arbeidskeuze

  1. Bevordering van voldoende werkgelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de rechtspositie van hen die arbeid verrichten en omtrent hun bescherming daarbij, alsmede omtrent medezeggenschap.
  3. Het recht van iedere Nederlander op vrije keuze van arbeid wordt erkend, behoudens de beperkingen bij of krachtens de wet gesteld.

Artikel 20 - Bestaanszekerheid

  1. De bestaanszekerheid der bevolking en spreiding van welvaart zijn voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de aanspraken op sociale zekerheid.
  3. Nederlanders hier te lande, die niet in het bestaan kunnen voorzien, hebben een bij de wet te regelen recht op bijstand van overheidswege.

Artikel 21 - Milieubescherming

De zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu.

Artikel 22 - Volksgezondheid en woongelegenheid

  1. De overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid.
  2. Bevordering van voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  3. Zij schept voorwaarden voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding.

Artikel 23 - Onderwijs

  1. Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.
  2. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.
  3. Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld.
  4. In elke gemeente wordt van overheidswege voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal openbare scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven, al dan niet in een openbare school.
  5. De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.
  6. Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.
  7. Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.
  8. De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten-Generaal.
HOOFDSTUK 2

Regering INLEIDING

Artikel 24 - Koningschap

Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau.

Artikel 25 - Erfopvolging

Het koningschap gaat bij overlijden van de Koning krachtens erfopvolging over op zijn wettige nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft, met plaatsvervulling volgens dezelfde regel. Bij gebreke van eigen nakomelingen gaat het koningschap op gelijke wijze over op de wettige nakomelingen eerst van zijn ouder, dan van zijn grootouder, in de lijn van erfopvolging, voor zover de overleden Koning niet verder bestaand dan in de derde graad van bloedverwantschap.

Artikel 26 - Status ongeboren kind Koning

Het kind, waarvan een vrouw zwanger is op het ogenblik van het overlijden van de Koning, wordt voor de erfopvolging als reeds geboren aangemerkt. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

Artikel 27 - Afstand koningschap

Afstand van het koningschap leidt tot erfopvolging overeenkomstig de regels in de voorgaande artikelen gesteld. Na de afstand geboren kinderen en hun nakomelingen zijn van de erfopvolging uitgesloten.

Artikel 28 - Afstand koningschap door huwelijk

  1. De Koning, een huwelijk aangaande buiten bij de wet verleende toestemming, doet daardoor afstand van het koningschap.
  2. Gaat iemand die het koningschap van de Koning kan beërven een zodanig huwelijk aan, dan is hij met de uit dit huwelijk geboren kinderen en hun nakomelingen van de erfopvolging uitgesloten.
  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake van een voorstel van wet, strekkende tot het verlenen van toestemming, in verenigde vergadering.

Artikel 29 - Uitsluiting troonopvolging

  1. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden daartoe nopen, kunnen bij een wet een of meer personen van de erfopvolging worden uitgesloten.

  2. Het voorstel daartoe wordt door of vanwege de Koning ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 30 - Benoemde Koning

  1. Wanneer vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal ontbreken, kan deze worden benoemd bij een wet. Het voorstel wordt door of vanwege de Koning ingediend. Na de indiening van het voorstel worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  2. Indien bij overlijden van de Koning of bij afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt, worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers komen binnen vier maanden na het overlijden of de afstand in verenigde vergadering bijeen ten einde te besluiten omtrent de benoeming van een Koning. Zij kunnen een opvolger alleen benoemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 31 - Erfopvolging benoemde koning

  1. Een benoemde Koning kan krachtens erfopvolging alleen worden opgevolgd door zijn wettige nakomelingen.

  2. De bepalingen omtrent de erfopvolging en het eerste lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op een benoemde opvolger, zolang deze nog geen Koning is.

Artikel 32 - Inhuldiging Koning

Nadat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen, wordt hij zodra mogelijk beëdigd en ingehuldigd in de hoofdstad Amsterdam in een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Hij zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt. De wet stelt nadere regels vast.

Artikel 33 - Koningschap en meerderjarigheid

De Koning oefent het koninklijk gezag eerst uit, nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

Artikel 34 - Ouderlijk gezag minderjarige Koning

De wet regelt het ouderlijk gezag en de voogdij over de minderjarige Koning en het toezicht daarop. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 35 - Buiten staat verklaring

  1. Wanneer de ministerraad van oordeel is dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, bericht hij dit onder overlegging van het daartoe gevraagde advies van de Raad van State aan de Staten-Generaal, die daarop in verenigde vergadering bijeenkomen.

  2. Delen de Staten-Generaal dit oordeel, dan verklaren zij dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen. Deze verklaring wordt bekend gemaakt op last van de voorzitter der vergadering en treedt terstond in werking.

  3. Zodra de Koning weer in staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, wordt dit bij de wet verklaard. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Terstond na de bekendmaking van deze wet hervat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag.

  4. De wet regelt zo nodig het toezicht over de persoon van de Koning indien hij buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 36 - Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag

De Koning kan de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk neerleggen en die uitoefening hervatten krachtens een wet, waarvan het voorstel door of vanwege hem wordt ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 37 - Uitoefening koninklijk gezag door regent

  1. Het koninklijk gezag wordt uitgeoefend door een regent:
    a. zolang de Koning de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt;
    b. indien een nog niet geboren kind tot het koningschap geroepen kan zijn;
    c. indien de Koning buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen;
    d. indien de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk heeft neergelegd;
    e. zolang na het overlijden van de Koning of na diens afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt.

  2. De regent wordt benoemd bij de wet. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  3. In de gevallen, genoemd in het eerste lid onder c en d, is de nakomeling van de Koning die zijn vermoedelijke opvolger is, van rechtswege regent indien hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

  4. De regent zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt, in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal. De wet geeft nadere regels omtrent het regentschap en kan voorzien in de opvolging en de vervanging daarin. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  5. Op de regent zijn de artikelen 35 en 36 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38 - Uitoefening koninklijk gezag door RvS

Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk gezag is voorzien, wordt dit uitgeoefend door de Raad van State.

Artikel 39 - Lidmaatschap koninklijk huis

De wet regelt, wie lid is van het koninklijk huis.

Artikel 40 - Uitkering koninklijk huis

  1. De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het Rijk uitkeringen naar regels bij de wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het koninklijk huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen.

  2. De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, zijn vrij van persoonlijke belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of zijn vermoedelijke opvolger krachtens erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van het koninklijk huis vrij van de rechten van successie, overgang en schenking. Verdere vrijdom van belasting kan bij de wet worden verleend.

  3. De kamers der Staten-Generaal kunnen voorstellen van in de vorige leden bedoelde wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 41 - Inrichting huis Koning

De Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis in.

Artikel 42 - Ministeriële verantwoordelijkheid

  1. De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.

  2. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.

Artikel 43 - Regering en ministers

De minister-president en de overige ministers worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.

Artikel 44 - Ministeries

  1. Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.

  2. Ook kunnen ministers worden benoemd die niet belast zijn met de leiding van een ministerie.

Artikel 45 - Ministerraad

  1. De ministers vormen te zamen de ministerraad.

  2. De minister-president is voorzitter van de ministerraad.

  3. De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid.

Artikel 46 - Staatssecretarissen

  1. Bij koninklijk besluit kunnen staatssecretarissen worden benoemd en ontslagen.

  2. Een staatssecretaris treedt in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister.

Artikel 47 - Ondertekening en contraseign

Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.

Artikel 48 - Ontslag en benoeming ministers

Het koninklijk besluit waarbij de minister-president wordt benoemd, wordt mede door hem ondertekend. De koninklijke besluiten waarbij de overige ministers en de staatssecretarissen worden benoemd of ontslagen, worden mede door de minister-president ondertekend.

Artikel 49 - Ambtseed minister en staatssecretaris

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de ministers en de staatssecretarissen bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.
HOOFDSTUK 3

Staten-Generaal INLEIDING

Artikel 50 - Vertegenwoordiging

De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk.

Artikel 51 - Eerste en Tweede Kamer

  1. De Staten-Generaal bestaan uit de Tweede Kamer en de Eerste Kamer.

  2. De Tweede Kamer bestaat uit honderdvijftig leden.

  3. De Eerste Kamer bestaat uit vijfenzeventig leden.

  4. Bij een verenigde vergadering worden de kamers als één beschouwd.

Artikel 52 - Zittingsduur

  1. De zittingsduur van beide kamers is vier jaren.
  2. Indien voor de provinciale staten bij de wet een andere zittingsduur dan vier jaren wordt vastgesteld, wordt daarbij de zittingsduur van de Eerste Kamer in overeenkomstige zin gewijzigd.

Artikel 53 - Evenredige vertegenwoordiging

  1. De leden van beide kamers worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  2. De verkiezingen worden gehouden bij geheime stemming.

Artikel 54 - Verkiezing Tweede Kamer

  1. De leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen ten aanzien van Nederlanders die geen ingezetenen zijn.

  2. Van het kiesrecht is uitgesloten hij die wegens het begaan van een daartoe bij de wet aangewezen delict bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste een jaar en hierbij tevens is ontzet van het kiesrecht.

Artikel 55 - Verkiezing Eerste Kamer

De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten. De verkiezing wordt, behoudens in geval van ontbinding der kamer, gehouden binnen drie maanden na de verkiezing van de leden van provinciale staten.

Artikel 56 - Vereisten voor lidmaatschap

Om lid van de Staten-Generaal te kunnen zijn is vereist dat men Nederlander is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.

Artikel 57 - Incompatibiliteiten

  1. Niemand kan lid van beide kamers zijn.

  2. Een lid van de Staten-Generaal kan niet tevens zijn minister, staatssecretaris, lid van de Raad van State, lid van de Algemene Rekenkamer, Nationale ombudsman of substituut-ombudsman, of lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij de Hoge Raad.

  3. Niettemin kan een minister of staatssecretaris, die zijn ambt ter beschikking heeft gesteld, dit ambt verenigen met het lidmaatschap van de Staten-Generaal, totdat omtrent die beschikbaarstelling is beslist.

  4. De wet kan ten aanzien van andere openbare betrekkingen bepalen dat zij niet gelijktijdig met het lidmaatschap van de Staten-Generaal of van een der kamers kunnen worden uitgeoefend.

Artikel 57a - Zwangerschap en ziekte

De wet regelt de tijdelijke vervanging van een lid van de Staten-Generaal wegens zwangerschap en bevalling, alsmede wegens ziekte.

Artikel 58 - Geloofsbrieven

Elke kamer onderzoekt de geloofsbrieven van haar nieuwbenoemde leden en beslist met inachtneming van bij de wet te stellen regels de geschillen welke met betrekking tot de geloofsbrieven of de verkiezing zelf rijzen.

Artikel 59 - Kiesrecht en verkiezingen

Alles, wat verder het kiesrecht en de verkiezingen betreft, wordt bij de wet geregeld.

Artikel 60 - Ambtsaanvaarding

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de leden van de kamers bij de aanvaarding van hun ambt in de vergadering een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

Artikel 61 - Voorzitter en griffier

  1. Elk der kamers benoemt uit de leden een voorzitter.

  2. Elk der kamers benoemt een griffier. Deze en de overige ambtenaren van de kamers kunnen niet tevens lid van de Staten-Generaal zijn.

Artikel 62 - Verenigde vergadering

De voorzitter van de Eerste Kamer heeft de leiding van de verenigde vergadering.

Artikel 63 - Geldelijke voorzieningen

Geldelijke voorzieningen ten behoeve van leden en gewezen leden van de Staten-Generaal en van hun nabestaanden worden bij de wet geregeld. De kamers kunnen een voorstel van wet ter zake alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 64 - Ontbinding Kamers

  1. Elk der kamers kan bij koninklijk besluit worden ontbonden.

  2. Het besluit tot ontbinding houdt tevens de last in tot een nieuwe verkiezing voor de ontbonden kamer en tot het samenkomen van de nieuw gekozen kamer binnen drie maanden.

  3. De ontbinding gaat in op de dag waarop de nieuw gekozen kamer samenkomt.

  4. De wet stelt de zittingsduur van een na ontbinding optredende Tweede Kamer vast; de termijn mag niet langer zijn dan vijf jaren. De zittingsduur van een na ontbinding optredende Eerste Kamer eindigt op het tijdstip waarop de zittingsduur van de ontbonden kamer zou zijn geëindigd.

Artikel 65 - Troonrede

Jaarlijks op de derde dinsdag van september of op een bij de wet te bepalen eerder tijdstip wordt door of namens de Koning in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal een uiteenzetting van het door de regering te voeren beleid gegeven.

Artikel 66 - Openbaarheid vergaderingen

  1. De vergaderingen van de Staten-Generaal zijn openbaar.

  2. De deuren worden gesloten, wanneer een tiende deel van het aantal aanwezige leden het vordert of de voorzitter het nodig oordeelt.

  3. Door de kamer, onderscheidenlijk de kamers in verenigde vergadering, wordt vervolgens beslist of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd en besloten.

Artikel 67 - Quorum

  1. De kamers mogen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering alleen beraadslagen of besluiten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden ter vergadering aanwezig is.

  2. Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen.

  3. De leden stemmen zonder last.

  4. Over zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, wanneer één lid dit verlangt.

Artikel 68 - Inlichtingenplicht bewindslieden

De ministers en de staatssecretarissen geven de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat.

Artikel 69 - Aanwezigheid bewindslieden

  1. De ministers en de staatssecretarissen hebben toegang tot de vergaderingen en kunnen aan de beraadslaging deelnemen.

  2. Zij kunnen door de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn.

  3. Zij kunnen zich in de vergaderingen doen bijstaan door de personen, daartoe door hen aangewezen.

Artikel 70 - Recht van enquête

Beide kamers hebben, zowel ieder afzonderlijk als in verenigde vergadering, het recht van onderzoek (enquête), te regelen bij de wet.

Artikel 71 - Parlementaire onschendbaarheid

De leden van de Staten-Generaal, de ministers, de staatssecretarissen en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging, kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergaderingen van de Staten-Generaal of van commissies daaruit hebben gezegd of aan deze schriftelijk hebben overgelegd.

Artikel 72 - Reglement van orde

De kamers stellen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering een reglement van orde vast.

HOOFDSTUK 4

Adviesorganen INLEIDING

Artikel 73 - Taak Raad van State

  1. De Raad van State of een afdeling van de Raad wordt gehoord over voorstellen van wet en ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur, alsmede over voorstellen tot goedkeuring van verdragen door de Staten-Generaal. In bij de wet te bepalen gevallen kan het horen achterwege blijven.

  2. De Raad of een afdeling van de Raad is belast met het onderzoek van de geschillen van bestuur die bij koninklijk besluit worden beslist en draagt de uitspraak voor.

  3. De wet kan aan de Raad of een afdeling van de Raad de uitspraak in geschillen van bestuur opdragen.

Artikel 74 - Rechtspositie leden

  1. De Koning is voorzitter van de Raad van State. De vermoedelijke opvolger van de Koning heeft na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar van rechtswege zitting in de Raad. Bij of krachtens de wet kan aan andere leden van het koninklijk huis zitting in de Raad worden verleend.

  2. De leden van de Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  3. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  4. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Raad worden geschorst of ontslagen.

  5. De wet regelt overigens hun rechtspositie

Artikel 75 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Raad van State.

  2. Bij de wet kunnen aan de Raad of een afdeling van de Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 76 - Algemene rekenkamer

De Algemene Rekenkamer is belast met het onderzoek van de ontvangsten en uitgaven van het Rijk.

Artikel 77 - Rechtpositie leden rekenkamer

  1. De leden van de Algemene Rekenkamer worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Hoge Raad worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 78 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Algemene Rekenkamer.

  2. Bij de wet kunnen aan de Algemene Rekenkamer ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 78a - Nationale ombudsman

  1. De Nationale ombudsman verricht op verzoek of uit eigen beweging onderzoek naar gedragingen van bestuursorganen van het Rijk en van andere bij of krachtens de wet aangewezen bestuursorganen.
  2. De Nationale ombudsman en een substituut-ombudsman worden voor een bij de wet te bepalen termijn benoemd door de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Tweede Kamer der Staten-Generaal worden geschorst of ontslagen. De wet regelt overigens hun rechtspositie.
  3. De wet regelt de bevoegdheid en werkwijze van de Nationale ombudsman.
  4. Bij of krachtens de wet kunnen aan de Nationale ombudsman ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 79 - Vaste colleges van advies

  1. Vaste colleges van advies in zaken van wetgeving en bestuur van het Rijk worden ingesteld bij of krachtens de wet.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van deze colleges.

  3. Bij of krachtens de wet kunnen aan deze colleges ook andere dan adviserende taken worden opgedragen.

Artikel 80 - Openbaarmaking advies

  1. De adviezen van de in dit hoofdstuk bedoelde colleges worden openbaar gemaakt volgens regels bij de wet te stellen.

  2. Adviezen, uitgebracht ter zake van voorstellen van wet die door of vanwege de Koning worden ingediend, worden, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen, aan de Staten-Generaal overgelegd.

HOOFDSTUK 5

Wetgeving en bestuur INLEIDING

Artikel 81 - Wetgevende macht

De vaststelling van wetten geschiedt door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk.

Artikel 82 - Indienen wetsvoorstel

  1. Voorstellen van wet kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Voorstellen van wet waarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en, voor zover de betreffende artikelen van hoofdstuk 2 dit toelaten, door de verenigde vergadering.

  3. Voorstellen van wet, in te dienen door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering, worden bij haar door een of meer leden aanhangig gemaakt.

Artikel 83 - Toezending wetsvoorstel TK

Voorstellen van wet, ingediend door of vanwege de Koning, worden gezonden aan de Tweede Kamer of, indien daarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, aan deze vergadering.

Artikel 84 - Wijziging wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet, ingediend door of vanwege de Koning, niet door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering is aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en vanwege de regering worden gewijzigd.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden gewijzigd.

Artikel 85 - Toezending wetsvoorstel EK

Zodra de Tweede Kamer een voorstel van wet heeft aangenomen of tot indiening van een voorstel heeft besloten, zendt zij het aan de Eerste Kamer, die het voorstel overweegt zoals het door de Tweede Kamer aan haar is gezonden. De Tweede Kamer kan een of meer van haar leden opdragen een door haar ingediend voorstel in de Eerste Kamer te verdedigen.

Artikel 86 - Intrekking wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet niet door de Staten-Generaal is aangenomen, kan het door of vanwege de indiener worden ingetrokken.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden ingetrokken.

Artikel 87 - Aanneming en bekrachtiging

  1. Een voorstel wordt wet, zodra het door de Staten-Generaal is aangenomen en door de Koning is bekrachtigd.

  2. De Koning en de Staten-Generaal geven elkaar kennis van hun besluit omtrent enig voorstel van wet.

Artikel 88 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de wetten. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 89 - Algemene maatregel van bestuur

  1. Algemene maatregelen van bestuur worden bij koninklijk besluit vastgesteld.

  2. Voorschriften, door straffen te handhaven, worden daarin alleen gegeven krachtens de wet. De wet bepaalt de op te leggen straffen.

  3. De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de algemene maatregelen van bestuur. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

  4. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op andere vanwege het Rijk vastgestelde algemeen verbindende voorschriften.

Artikel 90 - Bevordering internationale rechtsorde

De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde.

Artikel 91 - Goedkeuring verdrag

  1. Het Koninkrijk wordt niet aan verdragen gebonden en deze worden niet opgezegd zonder voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. De wet bepaalt de gevallen waarin geen goedkeuring is vereist.

  2. De wet bepaalt de wijze waarop de goedkeuring wordt verleend en kan voorzien in stilzwijgende goedkeuring.

  3. Indien een verdrag bepalingen bevat welke afwijken van de Grondwet dan wel tot zodanig afwijken noodzaken, kunnen de kamers de goedkeuring alleen verlenen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 92 - Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties

Met inachtneming, zo nodig, van het bepaalde in artikel 91, derde lid, kunnen bij of krachtens verdrag aan volkenrechtelijke organisaties bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak worden opgedragen.

Artikel 93 - Verbindende kracht verdrag

Bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 94 - Verdrag boven wet

Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 95 - Bekendmaking verdrag

De wet geeft regels omtrent de bekendmaking van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 96 - Oorlogsverklaring

  1. Het Koninkrijk wordt niet in oorlog verklaard dan na voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal.

  2. De toestemming is niet vereist, wanneer het overleg met de Staten-Generaal ten gevolge van een feitelijk bestaande oorlogstoestand niet mogelijk is gebleken.

  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  4. Het bepaalde in het eerste en het derde lid is van overeenkomstige toepassing voor een verklaring dat een oorlog beëindigd is.

Artikel 97 - Krijgsmacht

  1. Ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk, alsmede ten behoeve van de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde, is er een krijgsmacht.

  2. De regering heeft het oppergezag over de krijgsmacht.

Artikel 98 - Samenstelling krijgsmacht

  1. De krijgsmacht bestaat uit vrijwillig dienenden en kan mede bestaan uit dienstplichtigen.

  2. De wet regelt de verplichte militaire dienst en de bevoegdheid tot opschorting van de oproeping in werkelijke dienst.

Artikel 99 - Gewetensbezwaren militaire dienst

De wet regelt vrijstelling van militaire dienst wegens ernstige gewetensbezwaren.

Artikel 99a - Civiele verdediging

Volgens bij de wet te stellen regels kunnen plichten worden opgelegd ten behoeve van de civiele verdediging.

Artikel 100 - Inlichtingen over krijgsmacht

  1. De regering verstrekt de Staten-Generaal vooraf inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. Daaronder is begrepen het vooraf verstrekken van inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht voor humanitaire hulpverlening in geval van gewapend conflict.

  2. Het eerste lid geldt niet, indien dwingende redenen het vooraf verstrekken van inlichtingen verhinderen. In dat geval worden inlichtingen zo spoedig mogelijk verstrekt.

Artikel 101 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 20 juli 1995

Artikel 102 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 22 juni 2000

Artikel 103 - Uitzonderingstoestand

  1. De wet bepaalt in welke gevallen ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid bij koninklijk besluit een door de wet als zodanig aan te wijzen uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd; zij regelt de gevolgen.

  2. Daarbij kan worden afgeweken van de grondwetsbepalingen inzake de bevoegdheden van de besturen van provincies, gemeenten en waterschappen, van de grondrechten geregeld in de artikelen 6, voor zover dit de uitoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen van het in dit artikel omschreven recht betreft, 7, 8, 9, 12, tweede en derde lid, en 13, alsmede van artikel 113, eerste en derde lid.

  3. Terstond na de afkondiging van een uitzonderingstoestand en voorts, zolang deze niet bij koninklijk besluit is opgeheven, telkens wanneer zij zulks nodig oordelen beslissen de Staten-Generaal omtrent het voortduren daarvan; zij beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 104 - Belastingheffing

Belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet. Andere heffingen van het Rijk worden bij de wet geregeld.

 
 

Artikel 105 - Recht van begroting

  1. De begroting van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt bij de wet vastgesteld.

  2. Jaarlijks worden voorstellen van algemene begrotingswetten door of vanwege de Koning ingediend op het in artikel 65 bedoelde tijdstip.

  3. De verantwoording van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt aan de Staten-Generaal gedaan overeenkomstig de bepalingen van de wet. De door de Algemene Rekenkamer goedgekeurde rekening wordt aan de Staten-Generaal overgelegd.

  4. De wet stelt regels omtrent het beheer van de financiën van het Rijk.

Artikel 106 - Geldstelsel

De wet regelt het geldstelsel.

Artikel 107 - Codificatie

  1. De wet regelt het burgerlijk recht, het strafrecht en het burgerlijk en strafprocesrecht in algemene wetboeken, behoudens de bevoegdheid tot regeling van bepaalde onderwerpen in afzonderlijke wetten.

  2. De wet stelt algemene regels van bestuursrecht vast.

Artikel 108 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 25 februari 1999

Artikel 109 - Rechtspositie ambtenaren

De wet regelt de rechtspositie van de ambtenaren. Zij stelt tevens regels omtrent hun bescherming bij de arbeid en omtrent medezeggenschap.

 

Artikel 110 - Openbaarheid van bestuur

De overheid betracht bij de uitvoering van haar taak openbaarheid volgens regels bij de wet te stellen.

 

Artikel 111 - Ridderorden

Ridderorden worden bij de wet ingesteld.
HOOFDSTUK 6

Rechtspraak INLEIDING

Artikel 112 - Civiele en administratieve rechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is opgedragen de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen.

  2. De wet kan de berechting van geschillen die niet uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, opdragen hetzij aan de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren. De wet regelt de wijze van behandeling en de gevolgen van de beslissingen.

Artikel 113 - Strafrechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van strafbare feiten.

  2. Tuchtrechtspraak door de overheid ingesteld wordt bij de wet geregeld.

  3. Een straf van vrijheidsontneming kan uitsluitend door de rechterlijke macht worden opgelegd.

  4. Voor berechting buiten Nederland en voor het oorlogsstrafrecht kan de wet afwijkende regels stellen.

Artikel 114 - Doodstraf

De doodstraf kan niet worden opgelegd.

Artikel 115 - Administratief beroep

Ten aanzien van de in artikel 112, tweede lid, bedoelde geschillen kan administratief beroep worden opengesteld.

Artikel 116 - Rechterlijke macht

  1. De wet wijst de gerechten aan die behoren tot de rechterlijke macht.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de rechterlijke macht.

  3. De wet kan bepalen, dat aan rechtspraak door de rechterlijke macht mede wordt deelgenomen door personen die niet daartoe behoren.

  4. De wet regelt het toezicht door leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast uit te oefenen op de ambtsvervulling door zodanige leden en door de personen bedoeld in het vorige lid.

Artikel 117 - Rechtspositie leden rechterlijke macht

  1. De leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal bij de Hoge Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet bepaald kunnen zij door een bij de wet aangewezen, tot de rechterlijke macht behorend gerecht worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 118 - Hoge Raad

  1. De leden van de Hoge Raad der Nederlanden worden benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. De Hoge Raad is in de gevallen en binnen de grenzen bij de wet bepaald, belast met de cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van het recht.

  3. Bij de wet kunnen aan de Hoge Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 119 - Ambtsmisdrijven

De leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreden terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.

Artikel 120 - Toetsingsverbod

De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.

Artikel 121 - Openbaarheid terechtzittingen

Met uitzondering van de gevallen bij de wet bepaald vinden de terechtzittingen in het openbaar plaats en houden de vonnissen de gronden in waarop zij rusten. De uitspraak geschiedt in het openbaar.

Artikel 122 - Gratie

  1. Gratie wordt verleend bij koninklijk besluit na advies van een bij de wet aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.

  2. Amnestie wordt bij of krachtens de wet verleend.

HOOFDSTUK 7

Decentralisatie INLEIDING

Artikel 123 - Instelling provincies en gemeenten

  1. Bij de wet kunnen provincies en gemeenten worden opgeheven en nieuwe ingesteld.

  2. De wet regelt de wijziging van provinciale en gemeentelijke grenzen.

Artikel 124 - Autonomie en medebewind

  1. Voor provincies en gemeenten wordt de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake hun huishouding aan hun besturen overgelaten.

  2. Regeling en bestuur kunnen van de besturen van provincies en gemeenten worden gevorderd bij of krachtens de wet.

Artikel 125 - Organen decentrale besturen

  1. Aan het hoofd van de provincie en de gemeente staan provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad. Hun vergaderingen zijn openbaar, behoudens bij de wet te regelen uitzonderingen.

  2. Van het bestuur van de provincie maken ook deel uit gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning, van het bestuur van de gemeente het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester.

Artikel 126 - Ambtsinstructie commissaris koning

Bij de wet kan worden bepaald, dat de commissaris van de Koning wordt belast met de uitvoering van een door de regering te geven ambtsinstructie.

Artikel 127 - Vaststelling verordening

Provinciale staten en de gemeenteraad stellen, behoudens bij de wet of door hen krachtens de wet te bepalen uitzonderingen, de provinciale onderscheidenlijk de gemeentelijke verordeningen vast.

Artikel 128 - Toekenning bevoegdheden

Behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 123, kan de toekenning van bevoegdheden, als bedoeld in artikel 124, eerste lid, aan andere organen dan die, genoemd in artikel 125, alleen door provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad geschieden.

Artikel 129 - Verkiezing vertegenwoordigend orgaan

  1. De leden van provinciale staten en van de gemeenteraad worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders, tevens ingezetenen van de provincie onderscheidenlijk de gemeente, die voldoen aan de vereisten die gelden voor de verkiezing van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Voor het lidmaatschap gelden dezelfde vereisten.
  2. De leden worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  3. De artikelen 53, tweede lid, en 59 zijn van toepassing. Artikel 57a is van overeenkomstige toepassing.
  4. De zittingsduur van provinciale staten en de gemeenteraad is vier jaren, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen.
  5. De wet bepaalt welke betrekkingen niet gelijktijdig met het lidmaatschap kunnen worden uitgeoefend. De wet kan bepalen, dat beletselen voor het lidmaatschap voortvloeien uit verwantschap of huwelijk en dat het verrichten van bij de wet aangewezen handelingen tot het verlies van het lidmaatschap kan leiden.
  6. De leden stemmen zonder last.

Artikel 130 - Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders

De wet kan het recht de leden van de gemeenteraad te kiezen en het recht lid van de gemeenteraad te zijn toekennen aan ingezetenen, die geen Nederlander zijn, mits zij tenminste voldoen aan de vereisten die gelden voor ingezetenen die tevens Nederlander zijn.

Artikel 131 - Benoeming commissaris Koning

De commissaris van de Koning en de burgemeester worden bij koninklijk besluit benoemd.

Artikel 132 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen

  1. De wet regelt de inrichting van provincies en gemeenten, alsmede de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen.

  2. De wet regelt het toezicht op deze besturen.

  3. Besluiten van deze besturen kunnen slechts aan voorafgaand toezicht worden onderworpen in bij of krachtens de wet te bepalen gevallen.

  4. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden bij koninklijk besluit wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

  5. De wet regelt de voorzieningen bij in gebreke blijven ten aanzien van regeling en bestuur, gevorderd krachtens artikel 124, tweede lid. Bij de wet kunnen met afwijking van de artikelen 125 en 127 voorzieningen worden getroffen voor het geval het bestuur van een provincie of een gemeente zijn taken grovelijk verwaarloost.

  6. De wet bepaalt welke belastingen door de besturen van provincies en gemeenten kunnen worden geheven en regelt hun financiële verhouding tot het Rijk.

Artikel 133 - Waterschappen

  1. De opheffing en instelling van waterschappen, de regeling van hun taken en inrichting, alsmede de samenstelling van hun besturen, geschieden volgens bij de wet te stellen regels bij provinciale verordening, voor zover bij of krachtens de wet niet anders is bepaald.

  2. De wet regelt de verordenende en andere bevoegdheden van de besturen van de waterschappen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen.

  3. De wet regelt het provinciale en overige toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 134 - Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

  1. Bij of krachtens de wet kunnen openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere openbare lichamen worden ingesteld en opgeheven.

  2. De wet regelt de taken en de inrichting van deze openbare lichamen, de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen. Bij of krachtens de wet kan aan hun besturen verordenende bevoegdheid worden verleend.

  3. De wet regelt het toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 135 - Gemeenschappelijke regelingen

De wet geeft regels ter voorziening in zaken waarbij twee of meer openbare lichamen zijn betrokken. Daarbij kan in de instelling van een nieuw openbaar lichaam worden voorzien, in welk geval artikel 134, tweede en derde lid, van toepassing is.

Artikel 136 - Geschillen

De geschillen tussen openbare lichamen worden bij koninklijk besluit beslist, tenzij deze behoren tot de kennisneming van de rechterlijke macht of hun beslissing bij de wet aan anderen is opgedragen.
HOOFDSTUK 8

Herziening grondwet INLEIDING

Artikel 137 - Grondwetswijziging

  1. De wet verklaart, dat een verandering in de Grondwet, zoals zij die voorstelt, in overweging zal worden genomen.

  2. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, een voorstel voor zodanige wet splitsen.

  3. Na de bekendmaking van de wet, bedoeld in het eerste lid, wordt de Tweede Kamer ontbonden.

  4. Nadat de nieuwe Tweede Kamer is samengekomen, overwegen beide kamers in tweede lezing het voorstel tot verandering, bedoeld in het eerste lid. Zij kunnen dit alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  5. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen een voorstel tot verandering splitsen.

Artikel 138 - Aanpassing niet gewijzigde bepalingen

  1. Voordat de in tweede lezing aangenomen voorstellen tot verandering in de Grondwet door de Koning worden bekrachtigd, kunnen bij de wet:

    a. de aangenomen voorstellen en de ongewijzigd gebleven bepalingen van de Grondwet voor zoveel nodig aan elkaar worden aangepast;

    b. de indeling in en de plaats van hoofdstukken, paragrafen en artikelen, alsmede de opschriften worden gewijzigd.

  2. Een voorstel van wet, houdende voorzieningen als bedoeld in het eerste lid onder a, kunnen de kamers alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 139 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De veranderingen in de Grondwet, door de Staten-Generaal aangenomen en door de Koning bekrachtigd, treden terstond in werking, nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 140 - Handhaving bestaande regelgeving

Bestaande wetten en andere regelingen en besluiten die in strijd zijn met een verandering in de Grondwet, blijven gehandhaafd, totdat daarvoor overeenkomstig de Grondwet een voorziening is getroffen.

Artikel 141 - Bekendmaking herziene Grondwet

De tekst van de herziene Grondwet wordt bij koninklijk besluit bekendgemaakt, waarbij hoofdstukken, paragrafen en artikelen kunnen worden vernummerd en verwijzingen dienovereenkomstig kunnen worden veranderd.

Artikel 142 - Aanpassing Grondwet aan Statuut

De Grondwet kan bij de wet met het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in overeenstemming worden gebracht. De artikelen 139, 140 en141 zijn van overeenkomstige toepassing.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

Mijke Houwerzijl en Frank Vlemminx

ARTIKEL 20 - Bestaanszekerheid

INHOUD
  1. Betekenis, ontstaansgeschiedenis en ontwikkeling
  2. Relevant verdragsrecht
  3. Artikel 20, eerste lid: overheidszorg voor bestaanszekerheid en spreiding welvaart
  4. Artikel 20, tweede lid: aanspraak op sociale zekerheid
  5. Artikel 20, derde lid: recht op bijstand
  6. Jurisprudentie
  7. Literatuur
  8. Historische versies
 

Editie februari 2014[1]

1. Betekenis, ontstaansgeschiedenis en ontwikkeling

Artikel 20 Grondwet brengt het recht op een toereikende levensstandaard tot uitdrukking. Dit cruciale recht voor het leiden van een menswaardig bestaan, geldt voor de gehele bevolking, dus ook voor ingezetenen die niet (meer volledig) zelf in hun levensonderhoud kunnen voorzien. In artikel 20, eerste lid, Grondwet, worden bestaanszekerheid en spreiding van welvaart tot voorwerp van overheidszorg verklaard. De rechten op sociale zekerheid en bijstand, neergelegd in respectievelijk artikel 20, tweede lid, en artikel 20, derde lid, vormen een nadere invulling van het breed geformuleerde artikel 20, eerste lid, Grondwet.
 
Bij de voorbereiding van de grondwetsherziening van 1983, werd de opname van een bepaling over de bestaanszekerheid nauwelijks als een punt van discussie beschouwd; slechts een minderheid van de Staatscommissie-Cals/Donner zag de wenselijkheid hiervan niet in.[2] Het in overwegende mate welwillende oordeel van de staatscommissie was sterk beïnvloed door een advies van de Sociaal-Economische Raad (SER).[3]Vervolgens heeft de regering, op enige redactionele wijzigingen na, bij artikel 20 de formulering gevolgd die de staatscommissie had voorgesteld. Dit regeringsvoorstel is zonder veel weerstand door het parlement geloodst, iets wat men twee eeuwen geleden niet voor mogelijk zou hebben gehouden. Weliswaar stonden al vanaf 1814 voorlopers van artikel 20 in de Grondwet, toch konden wetgever en bestuur burgers er in die tijd slechts met moeite van overtuigen dat de overheid een taak had op het terrein van (in moderne termen) de bestaanszekerheid van haar bevolking.[4] Zo vermeldt Buijs dat de zogenoemde ‘Negenmannen’[5] die met de indiening van een voorstel in de Tweede Kamer aan het einde van 1844 de aanzet gaven voor de grondwetsherziening van 1848, de grondwettelijke bepaling over de armenzorg wensten te handhaven, ‘minder als aanbeveling aan de Kroon om 't zij de noodige voorstellen van wet te doen, 't zij de vereischte maatregelen van bestuur te nemen, dan, tegenover de tallooze bijzondere armen‑inrichtingen, als kiem eener publieke bevoegdheid, die zij, strijdig met het algemeen belang, niet zeldzaam weigeren te erkennen’.[6]

Vanaf 1965 zijn de zogenoemde Armenwetten uit 1912 en 1854, die waren gebaseerd op de grondwettelijke bepaling over de armenzorg uit 1848, vervangen door de Algemene Bijstandswet.[7] In deze wet, ingevoerd onder de verantwoordelijkheid van de toenmalige minister Marga Klompé, werd voor het eerst erkend dat bijstand in geval van behoeftigheid geen gunst is maar een juridisch afdwingbaar recht.[8] De Bijstandswet vormde het sluitstuk van een vooral na de Tweede Wereldoorlog uitgebouwd socialezekerheidsstelsel.[9] Bij de grondwetsherziening van 1983 werd het grondwetsartikel over de armenzorg dan ook niet meer representatief geacht voor het brede en kwalitatief hoogwaardige socialezekerheidsstelsel dat de overheid inmiddels had ontwikkeld in het kader van de zogeheten verzorgingsstaat.[10]
 
In dit grondrecht ter wering van gebrek en behoeftigheid werkt zowel het rechtszekerheidsbeginsel als het solidariteitsbeginsel sterk door. In dat licht is het opmerkelijk dat rond artikel 20 vrijwel elke dogmatiek ontbreekt. Waarschijnlijk is van invloed dat de regering zich bij de grondwetsher­ziening op het standpunt stelde dat met een globale opzet van de sociale grondrechten kon worden volstaan omdat de uitwerking reeds grotendeels was gerealiseerd.[11] De opdracht aan de overheid om (wettelijke) maatregelen op het gebied van bestaanszekerheid en sociale zekerheid te treffen, werd daarom vooral opgevat als een prikkel om ook in de toekomst te blijven streven naar verbeteringen van het stelsel.[12] Van een dergelijke inspirerende rol is het echter niet gekomen. Sinds de opname van artikel 20 in de Grondwet, heeft het socialezekerheidsbeleid vooral in het teken gestaan van bezuinigingen.[13] Ook manifesteert zich sinds het einde van de twintigste eeuw een serieuze armoedeproblematiek (denk aan de opkomst van de voedselbanken), die weliswaar op de politieke agenda staat maar nauwelijks tot structurele maatregelen leidt.
 
Het is de vraag hoe de soms fundamentele verslechteringen die sinds eind jaren tachtig van de vorige eeuw zijn doorgevoerd in het Nederlandse socialezekerheidsstelsel, zich verhouden tot artikel 20 Grondwet. Een barrière tegen versobering of privatisering[14] lijkt het grondrecht in ieder geval niet te zijn. Toen de Raad van State, in het kader van de privatisering van de Ziektewet medio jaren negentig van de vorige eeuw, vraagtekens zette bij de verenigbaarheid met artikel 20 Grondwet, antwoordde de regering bevestigend: zolang de (potentieel) negatieve effecten van privatisering opgeheven worden door een wettelijk kader dat de betrokken werknemers voldoende bescherming biedt is er geen sprake van strijdigheid. De regering benoemde tevens concreet welke wettelijke begrenzingen zij daarbij stelde aan de privatiseringsoperatie.[15] In het kader van dit commentaar bij artikel 20 Grondwet, is minder van belang welke grenzen dat waren en of die inderdaad (op termijn) duurzame bescherming bieden, maar meer dat de regering tamelijk precies geformuleerde eisen uit het grondrecht wist af te leiden en hiermee een rol gaf aan de grondwetsbepaling als grensbewaarder bij een privatiseringsoperatie op het gebied van de sociale zekerheid (zie tevens hieronder in paragraaf 5).[16] Dat het in een concrete situatie mogelijk blijkt vrij precies aan te geven welke eisen uit het grondrecht moeten worden afgeleid, relativeert, zoals Vonk terecht opmerkt, de vaak gehoorde kritiek dat (sociale) grondrechten zo onbepaald van aard zijn.

2. Relevant verdragsrecht

Gelet op de schriftelijke stukken van de grondwetsherziening van 1983 is de bestaanszekerheid die bedoeld wordt in artikel 20 eerste lid, Grondwet, de financiële bestaanszekerheid van burgers; de zorg hiervoor moet blijken uit het algemeen economisch beleid van de overheid[17] en uit sociale wetgeving, breder dan alleen socialezekerheidswetgeving. Ook het wettelijke minimumloon valt hier bijvoorbeeld onder.[18] Als we kijken naar de tekst van het eerste lid, verdient opmerking dat welvaart een ruimer begrip is dan bestaanszekerheid.  In het begrip welvaart is ook een ideële component te herkennen: het gaat hierbij niet alleen om het streven naar materiële welvaart, maar ook om het bereiken van ‘een zekere tevredenheid’, zoals de regering destijds opmerkte.[19] Aldus kunnen vele bepalingen van internationale verdragen waarin zelfs maar aspecten van bestaanszekerheid, welvaart en daarmee gepaard gaande tevredenheid te herkennen zijn, als parallel aan het eerste lid beschouwd worden. De bepaling van artikel 11 IVESCR nadert de tekst van het eerste lid enigszins: daar is, als een instructienorm voor de overheid, het recht op een toereikende of een ‘adequate’ levensstandaard geformuleerd. Een vergelijkbare doelstelling is te vinden in art. 22 UVRM (in combinatie met artikel 25 UVRM) en in artikel 27 IVRK.[20] Interessant in dit verband is ook dat het nastreven van een ‘adequate sociale bescherming’ al vanaf 1957 deel uit maakt van de doelstellingen van de sociale politiek die in het kader van de Europese samenwerking in het Verdrag van Rome zijn neergelegd (thans in artikel 151 VWEU). Daarbij wordt ook gesproken over verbetering van de levensstandaard en arbeidsvoorwaarden, door het gebruik van terminologie als ‘op de weg van de vooruitgang’ en, in oudere versies (zie artikel 117 EEG en artikel 136 EG) ‘door onderlinge opwaartse aanpassing’. In deze formuleringen lijkt een opdracht besloten te liggen tot voortschrijdende waarborging van de levensstandaard van burgers.
 
Net als in artikel 20 Grondwet worden ook in het internationale recht bestaanszekerheid en sociale zekerheid direct aan elkaar gekoppeld. Het recht op een adequate levensstandaard is inderdaad nauw verbonden met het recht op sociale zekerheid. Immers, wie huis of werk kwijtraakt en tengevolge daarvan (tijdelijk) niet meer zelfstandig kan voorzien in een adequate levensstandaard, zal vroeger of later een beroep moeten doen op socialezekerheidsvoorzieningen. In de internationale equivalenten van artikel 20, tweede lid, Grondwet wordt het recht op sociale zekerheid dan ook zonder meer erkend als een mensenrecht. Verdragsbepalingen, parallel aan artikel 20, tweede lid, zijn onder meer neergelegd in artikel 25 UVRM, artikel 9 en 10 IVESCR, artikel 34 van het Handvest van de grondrechten van de EU en artikel 26 IVRK.[21] Binnen het internationale verdragsrecht dat betrekking heeft op sociale zekerheid, kan een onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds de hiervoor genoemde bepalingen die uitdrukking geven aan het recht op sociale zekerheid als (sociaal) grondrecht en anderzijds normstellende bepalingen die aan dit grondrecht nader inhoud beogen te geven.[22] Belangrijke voorbeelden van de laatste categorie zijn (delen van) artikel 12 ESH, de Europese Code inzake sociale zekerheid en Verdrag 102 van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO).[23]

De artikelen 12, 13 en 14 ESH handelen over aspecten van sociale zekerheid; zo verplicht artikel 12 de overeenkomst sluitende partijen onder meer tot invoering of instandhouding van een stelsel van sociale zekerheid, artikel 13 legt hun onder andere de taak op, het recht op sociale en geneeskundige bijstand te waarborgen voor een ieder die geen toereikende inkomsten heeft of kan verwerven, zonder dat daarbij om die reden zijn politieke of sociale rechten een vermindering ondergaan, terwijl artikel 14 ESH een opdracht formuleert met betrekking tot het recht op het gebruik van diensten voor sociale zorg. De juridische betekenis van deze bepalingen voor individuele rechtzoekenden is vooralsnog betrekkelijk gering: het gaat immers om instructienormen aan overheden, niet om een ieder verbindende bepalingen in de zin van art. 94 Grondwet.[24] Wel wordt op de naleving van de verplichtingen die het ESH oplegt aan de verdragspartijentoegezien door het Comité voor Sociale Rechten (ECSR), waarbij het Comité in geval van schendingen zijn rapportage aan de lidstaten openbaar maakt. Deze primair op ‘naming and shaming’ gerichte procedure heeft tot doel lidstaten ertoe aan te zetten om geconstateerde tekortkomingen recht te zetten.

Ten slotte wordt het Nederlandse stelsel van sociale zekerheid tevens in grote mate beïnvloed door meer klassieke mensenrechten, zoals artikel 26 IVBP, artikel 8 EVRM en artikel 1, eerste Protocol EVRM (zie tevens hieronder in paragraaf 5), al dan niet in combinatie met artikel 14 EVRM.[25] Het onderwerp sociale zekerheid is bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) te Straatsburg bovendien in discussie gekomen bij de behandeling van de vraag of rechten op (vormen en onderdelen van) sociale zekerheid ‘civil rights’ zijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. Het antwoord hierop was bevestigend.[26]
 
Artikel 20, derde lid Grondwet betreft het recht op bijstand als sluitstuk van sociale zekerheid. Dat is weliswaar niet een typisch Nederlandse voorziening, maar wel een die – in ieder geval als uniform landelijk geldend instrument - veel minder vaak voor komt dan andere socialezekerheidsregelingen.[27] Wellicht heeft het daarom veel minder parallellen in internationale verdragen. Zoals al aangehaald, wordt in artikel 13 ESH het recht op ‘sociale bijstand’ tot onderwerp van overheidszorg verklaard. In het hierboven ook al genoemde artikel 34 Handvest van de grondrechten van de EU, wordt in het derde lid het recht op ‘sociale bijstand’ erkend en geëerbiedigd.[28]

3. Artikel 20, eerste lid: overheidszorg voor
    bestaanszekerheid en spreiding welvaart

Artikel 20, eerste lid Grondwet wijkt enigszins af van de tekst zoals voorgesteld door de Staatscommissie-Cals/Donner. Artikel 81, eerste lid, van het advies van de Staatscommissie bepaalde dat de zorg van de overheid gericht moest zijn op ‘de verhoging van de bestaansze­kerheid’. Bij de grondwetsherziening verklaarde de regering dat het juister leek ‘om die overheidszorg te doen slaan op de bestaanszekerheid zelf en niet slechts op de verhoging daarvan.’[29]Het resultaat is dat artikel 20, eerste lid, scherper dan het voorstel van de staatscommissie tot uitdrukking brengt dat er een bepaald minimum moet worden gegarandeerd. Dat minimum heeft niet alleen betrekking op uitkeringen maar bijvoorbeeld ook op het minimumloon.[30] Wel is de ‘verhoging van de bestaanszekerheid’ weggevallen uit het artikellid maar dit wordt gecompenseerd door de voorgeschreven ‘spreiding van de welvaart’. Overigens bevat dit artikellid weinig juridische aanknopingspunten. De beleidsopdracht van het eerste lid is te breed geformuleerd om er concrete opdrachten aan te kunnen ontlenen.[31]
 
In het internationale recht is in dit verband de zogenaamde ‘typologie van verplichtingen’ ontwikkeld. Deze leer benadert de mensenrechten door ze te kwalificeren als plichten voor de overheid. Ze ontstond in het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw in het kader van ‘the right to subsistence’, het recht op een bestaansminimum en iseerst in het kader van artikel 11 IVESCR (‘Right to Food’) en later ook op de andere rechten in het IVESC en zelfs op de rechten in het IVBP toegepast. Deze leer wordt nader besproken bij artikel 22 Grondwet.[32] Hier is van belang dat de ‘Right to Food’ de overheid niet alleen zorgverplichtingen maar ook onthoudingsplichten oplegt: de overheid mag burgers niet van hun middelen van bestaan beroven. Deze onthoudingsplicht is niet als zodanig in artikel 20 Grondwet neergelegd. Het valt evenwel te verdedigen dat ze besloten ligt in de term ‘bestaanszekerheid’, te meer daar de regering verklaarde dat er een grens gold: de armoedegrens, het bestaansminimum.[33] In de tweede plaats is het zogenaamde ‘Minimum Threshold’-model ontworpen. Dit model probeert het minimum dat de overheid dient te garanderen nader te lokaliseren door het als een ‘drempel’ op te vatten. Wanneer burgers boven deze drempel verkeren, zijn zij in staat om op eigen kracht hun sociale grondrechten progressief te verwezenlijken. Onder deze drempel komen zij onvermijdelijk in een neerwaartse spiraal terecht. Hoewel het model is toegespitst op ontwikkelingslanden, kan het, gelet op de armoedepro­blematiek, ook in Nederland dienst bewijzen.[34] Uit dit alles mag echter niet worden geconcludeerd dat art. 20 Grondwet helemaal geen eigen normen behelst.
 
Wat betreft de centrale begrippen van het eerste lid van artikel 20 Grondwet verdient nog het volgende opmerking. Onder ‘overheid’ valt niet alleen de centrale overheid. Ook gemeentelijke overheden kunnen en moeten activiteiten ontwikkelen op economisch en sociaal gebied. Verder wordt ergesproken van ‘de bevolking', zonder eventueel verder onderscheid naar Nederlanders en niet‑Nederlanders of naar burgers en ingezetenen.[35] Aangezien ‘de bevolking’ aan het eerste lid echter geen concrete aanspraken kan ontlenen, lijkt dit niet een wezenlijk probleem. Toch voelde het College voor de rechten van de mens  (hierna CRM) zich onlangs genoodzaakt om er de aandacht op te vestigen dat, ‘net als ieder ander [..] Poolse arbeidsmigranten in Nederland recht [hebben] op een adequate levensstandaard. (..) Een behoorlijke levensstandaard staat voor het recht om voor zichzelf en eventueel het gezin te kunnen zorgen. (..) Mocht een Poolse arbeidsmigrant buiten zijn schuld niet zelfstandig kunnen voorzien in een toereikende levensstandaard, bijvoorbeeld vanwege onvrijwillige werkloosheid, arbeidsongeschiktheid of ziekte, dan rust op de regering of de gemeenten de verplichting om onder omstandigheden voorzieningen te treffen die voorzien in de basisbehoeften van de arbeidsmigranten.’[36] In zijn rapport constateert het CRM dat de Nederlandse overheid in deze verplichting[37] tekortschiet.  De realisatie van het recht op een adequate levensstandaard en op sociale zekerheid wordt belemmerd doordat de Poolse arbeidsmigrant bij plotseling ontslag niet weet dat hij, onder omstandigheden, in aanmerking kan komen voor tijdelijke opvang en bijstand.[38] Het CRM verzoekt de Nederlandse overheid dan ook meer werk te maken van de kenbaarheid van deze – onder meer in artikel 20 Grondwet vervatte – rechten om daadwerkelijke toegang daartoe van de rechthebbenden te verzekeren.[39]

4. Artikel 20, tweede lid: aanspraak op
    sociale zekerheid 

Artikel 20, tweede lid, Grondwet laat de overheid minder beleidsvrijheid dan het eerste lid. De instructienorm van het eerste lid omvat die van het tweede lid. Maar de afzonderlijke formulering en nadere specificering van het tweede lid heeft als rechtsgevolg dat de aanspraken op sociale zekerheid niet tot nul gereduceerd kunnen worden. Artikel 20, tweede lid, draagt de wetgever op het socialezekerheidsstelsel in te richten en bescherming te verlenen bij ouderdom, weduw(naar)schap, ziekte, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid. Voor de burger vloeien uit artikel 20, tweede lid, geen aanspraken voort; de (hierop gebaseerde) socialezekerheidswetgeving bepaalt of en in hoeverre burgers aanspraken op sociale zekerheid toekomen.[40] Voorts is een wettelijke basis vereist voor lagere regelingen van het recht op sociale zekerheid. Delegatie is toegestaan mits de hoofdlijnen in de wet zelf zijn vastgelegd.
 
Zoals hierboven al aan de orde kwam, is vanaf het begin van de twintigste eeuw langzamerhand een stelsel van sociale zekerheid tot ontwikkeling gebracht. Artikel 20, tweede lid, kan beschouwd worden als een verankering van die ontwikkeling, maar de bepaling verzet zich niet tegen ingrijpende wijziging van het stelsel, ook niet als daarbij een verlaging van het niveau van sociale zekerheid optreedt.[41] De nationale rechter laat stelselmatig na zich een inhoudelijk oordeel te vormen over de implicaties van het grondrecht op sociale zekerheid, omdat dit niet zou kwalificeren als een ieder verbindende bepaling in de zin van artikel 94 Grondwet. Vonk vraagt zich af hoe zich dit verhoudt met de in het kader van artikel 9 IVESCR gestelde eis dat lidstaten een rechtsgang open dienen te stellen waarin schendingen van het (grond)recht op sociale zekerheid onafhankelijk kunnen worden beoordeeld.[42] Dit blijft vooralsnog de vraag.[43]
 
Ondertussen is wel duidelijk geworden dat de speelruimte van de wetgever bij het (neerwaarts) wijzigen van bestaande socialezekerheidswetgeving zijn begrenzing vindt in andere aangegane internationale verdragsverplichtingen. Zo kan blijkens rechtspraak de wetgever niet om het beginsel van rechtszekerheid heen. Belangrijk aanknopingspunt voor de rechter is vooral de in het internationale recht erkende eigendomsbescherming (zoals hierboven in paragraaf 3 al werd genoemd). In dat kader zijn ook aanspraken op het terrein van de sociale zekerheid gekwalificeerd als ‘eigendom’.[44] Overigens betekent dit in de regel niet dat het oude recht volledig in stand moet blijven voor de bestaande gevallen.[45] Het is de Staat toegestaan om door middel van wetswijzigingen te snijden in socialezekerheidsaanspraken. Daarbij dient echter wel het proportionaliteitsbeginsel in acht te worden genomen. Er moet sprake zijn van evenredigheid tussen de getroffen maatregel en het nagestreefde doel dat eigendomsberoving tot gevolg heeft. Wijzigingen in wettelijke regelingen kunnen immers van grote invloed zijn op het dagelijkse leven van mensen die voor hun inkomensvoorziening afhankelijk zijn van een sociale uitkering. De overheid dient dan ook bij het intrekken, wijzigen of invoeren van wetten waarin rechten aan de burger worden ontnomen een zorgvuldige afweging te maken tussen eerder toegekende rechten en gewekte verwachtingen enerzijds en het wijzigen van de bestaande situatie anderzijds. Bij de bepaling of het algemeen belang en individuele belangen goed zijn afgewogen en of de maatregel niet onevenredig belastend is, speelt een rol of enige vorm van compensatie wordt geboden. In het algemeen geldt: hoe zwaarder de negatieve gevolgen van de inmenging zijn, hoe ruimer de compensatie moet zijn om een rechtvaardig evenwicht te bereiken. Overgangsrecht is in de sociale zekerheid dan ook een belangrijke rol gaan spelen. Al was het maar omdat de internationaalrechtelijke erkenning van socialezekerheidsaanspraken als eigendomsrecht belanghebbenden de mogelijkheid biedt om een nadeel ontstaan door wetswijziging aan te vechten bij de rechter.
 
Een voorbeeld daarvan betrof de intrekking van de Wet werk en inkomen kunstenaars (WWIK) per 1 januari 2012. Hierbij was - in eerste instantie – niet in overgangsrecht voorzien voor bestaande aanspraken. Deze keuze werd tijdens de parlementaire behandeling nadrukkelijk aan de orde gesteld, maar de regering hield vast aan zijn standpunt dat het voldoende was de kunstenaars die al gebruik maakten van de regeling tijdig te informeren. Een motie in de Eerste Kamer die de strekking had de Intrekkingswet niet aan te nemen totdat in een adequaat overgangsrecht  zou zijn voorzien werd verworpen. Pas na een rechterlijke uitspraak van het Hof Den Haag is alsnog in overgangsrecht voorzien.[46] Zeker nu tot aan het einde van de parlementaire behandeling gediscussieerd is over het treffen van een overgangsmaatregel kon het argument dat de intrekking van de WWIK al geruime tijd voorzienbaar was en de uitkeringsgerechtigden tijdig waren geïnformeerd, het hof niet overtuigen. Onder deze omstandigheden hoefden de kunstenaars naar het oordeel van het hof niet reeds voordat het wetsvoorstel was aangenomen op de ongewijzigde totstandkoming daarvan te anticiperen. Gelet op deze uitspraak dient er bij volgende wetgevingstrajecten rekening mee te worden gehouden dat vooraankondiging gedurende de parlementaire behandeling geen reden kan zijn om een overgangsmaatregel achterwege te laten.[47]

Een ander voorbeeld waarbij ter discussie is gesteld of de wetgever het rechtszekerheidsbeginsel heeft veronachtzaamd, gaat over de positie van degenen die in de afgelopen jaren gebruik hebben gemaakt van vroegpensioen- en vutregelingen in de veronderstelling dat zij bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar aanspraak zouden krijgen op AOW. Naar aanleiding van hun dreigende ‘AOW-gat’, zijn gedupeerden een rechtszaak begonnen met de insteek dat er een ongerechtvaardigde inbreuk is gemaakt op hun recht op eigendomsbescherming nu ze niet hebben kunnen anticiperen op de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd.[48]
 
Bij verslechteringen van aanspraken op sociale zekerheid kan ook strijdigheid ontstaan met artikel 12 ESH. Dit artikel bepaalt namelijk dat lidstaten hun socialezekerheidsstelsel niet alleen in stand (eerste lid) moeten houden, maar ook op een toereikend niveau (tweede lid).[49] Bovendien maakt ook het streven naar een geleidelijke verhoging van het niveau deel uit van deze bepaling (derde lid). Het ECSR heeft zich in het verleden dan ook kritisch betoond.[50] In 1998 concludeerde dit Comité dat toeziet op de naleving van het ESH, dat de privatisering van de Ziektewet  in 1996[51] zich niet verdroeg met ‘Article 12, para. 3 in its principle’.[52] In 2005 deed het ECSR hierover echter opnieuw uitspraak en constateerde toen dat (nog) geen sprake is van schending van artikel 12 (derde lid), maar dat er wel reden was de ontwikkelingen naar aanleiding van de privatisering nauwgezet te volgen. Ook het Comité van Deskundigen van de ILO oordeelde in deze zin ten aanzien van de verenigbaarheid van deze wijziging met ILO-Verdrag nr. 102. Belangrijk bij de oplettende houding van beide Comité’s is dat de privatisering op gespannen voet staat met het solidariteitsbeginsel dat zo fundamenteel is voor de sociale zekerheid. Privatisering tast namelijk het principe van collectieve financiering aan. Flankerende maatregelen kunnen echter alsnog een bepaalde mate van solidariteit met kwetsbare groepen (de ‘slechte risico’s’) waarborgen. Als daarin (blijvend en) op adequate wijze wordt voorzien, hoeft privatisering geen schending op te leveren met artikel 12 ESH.[53] Waar de Comité’s wat tijd nodig hadden om tot deze conclusie te komen, was de CRvB van meet af aan al minder kritisch. Zolang er maar een toereikende minimumstandaard gewaarborgd blijft, is de nationale wetgever bevoegd in te grijpen in bestaande aanspraken als economische omstandigheden hiertoe noodzaken, aldus de CRvB in meerdere uitspraken.[54] De grondwettelijke implicaties van het recht op sociale zekerheid is in deze rechtspraak niet (bewust) meegewogen.[55] De toetsing aan artikel 12 ESC heeft dus nog geen (aantoonbare) gevolgen gehad voor de invulling en betekenis die in ons land aan artikel 20, tweede lid Grondwet wordt gegeven.

5. Artikel 20, derde lid: recht op bijstand

Zoals al in paragraaf 2 aan de orde kwam, is het stelsel van sociale zekerheid waarvan de bijstandsregeling deel uitmaakt, tot stand gekomen zonder een grondwettelijke basis. In formele en andere wettelijke regelingen wordt het recht op bijstand gerealiseerd, thans is dit recht neergelegd in de Wet Werk en Bijstand (WWB). De beperking van het recht op bijstand tot Nederlanders‑ingezetenen in artikel 20, derde lid Grondwet heeft een praktische achtergrond. Zonder deze beperking zou de kring van rechthebbenden zo groot kunnen worden dat de algemene middelen niet meer toereikend zijn.[56] Overigens kent de WWB wel degelijk de mogelijkheid van bijstand aan vreemdelingen en aan Nederlanders niet‑ingezetenen.[57] Artikel 20, derde lid Grondwet geeft slechts een benedengrens aan, het is de wetgever niet verboden een ruimere regeling te treffen. De woorden ‘het bestaan’ geven aan dat het niet gaat om de mening van bijstandvragenden, maar dat bijstand volgens objectieve normen verleend wordt.
 
In vergelijking met de andere leden van artikel 20 Grondwet laat het derde lid de minste beleidsvrijheid aan de wetgever. Deze bepaling biedt de burger aanspraken op de overheid, ook al is de omvang daarvan niet duidelijk.[58] Duidelijk is vooral dat artikel 20, derde lid een recht op de realisering van bijstand verleent (uit de context blijkt dat het om financiële bijstand gaat):[59] bijstand is niet (meer) een gunst. Volledige afschaffing van bijstand zou dan ook strijd opleveren met de Grondwet. Toch zag de regering in artikel 20, derde lid Grondwet geen belemmering om het recht op bijstand voor jongeren af te schaffen.[60]

De ruimte die de wetgever geboden wordt, is dus nog altijd heel groot. Artikel 20, derde lid Grondwet schrijft immers niet een concrete inhoud van bijstandswetgeving voor. Gelet op de in het artikellid opgenomen tussenzin: ‘die niet in het bestaan kunnen voorzien’, zou echter een, door sommigen wel bepleit,[61] basisinkomen niet op artikel 20, derde lid kunnen worden gebaseerd.
 
Welk overheidsorgaan de bijstand moet toekennen en/of uitbetalen, is ook niet uit artikel 20, derde lid, op te maken. De wetgever moet dit regelen. Het stelsel van de WWB is gebaseerd op het uitgangspunt dat de plaatselijke overheid het best geïnformeerd kan zijn over iemands situatie en daarom voor het nemen van beslissingen ter zake de meest aangewezen instantie is. Over de wenselijke mate van beleidsvrijheid van gemeenten hierbij (en over hun financiële verantwoordelijkheid) heeft de grondwetgever zich bij de herziening van 1983 echter niet uitgelaten. Als we kijken naar de bijstandswetgeving die in de loop der jaren is uitgevaardigd, dan lijkt de wetgever sinds 1996 steeds meer vrijheid aan het decentrale niveau te willen bieden.[62] In het kader van de Abw heeftde rechter weliswaar beoordeeld of het gemeentebestuur binnen de eigen bevoegdheden gelijke behandeling betracht,[63] maar een beroep op beleid dat door andere gemeentebesturen wordt gevoerd, wordt afgewezen.[64]
 
Dat het derde lid minder beleidsvrijheid laat dan het tweede lid van artikel 20 Grondwet hangt samen met het gegeven dat de bijstand als vangnet fungeert voor burgers die geen aanspraken (meer) hebben op andere socialezekerheidsregelingen. De vraag naar het minimum, die in de inleidende paragraaf werd aangestipt, is hier bijzonder prangend. Soms getuigt de jurisprudentie daarvan. In 1998[65] sprak de President van de Rechtbank Groningen uit dat de opgelegde strafkortingen moesten worden beperkt omdat de bijstandsuitkering een uitkering op minimumniveau was ter voorziening in de kosten van het levensonderhoud. In deze uitspraak werd overigens niet naar artikel 20 Grondwet verwezen.
 
De trend tot aanscherping van verplichtingen en sancties is echter onstuitbaar gebleken. Re-integratieverplichtingen (ook wel ‘Work First’-programma’s genoemd) in het kader van een bijstandsuitkering, vinden hun begrenzing in het internationale verdragsrecht, zo blijkt uit de rechtspraak van de CRvB en de rapportages van het ECSR. Laatstgenoemde beoordeelt of het recht op bijstand zoals verwoord in artikel 13 ESH gewaarborgd blijft.[66] Rechters toetsen aan het verbod op verplichte arbeid, zoals verwoord in artikel 4 lid 2 EVRM.[67] Zo oordeelde de rechtbank Arnhem dat ‘het voor langere tijd inschakelen van uitkeringsgerechtigden in het kader van Work First-trajecten kan leiden tot een vorm van (bij verdrag verboden) verplichte arbeid.’[68] In februari 2010 moest de CRvB zich uitspreken over de mogelijke strijd met artikel 4 EVRM.[69] Volgens de CRvB was het ter discussie gestelde disciplineringtraject aan te merken als een re-integratievoorziening in de zin van artikel 9 WWB. Bij de toets aan artikel 4 EVRM achtte de CRvB in ieder geval de volgende omstandigheden van belang: ‘De aard, de plaats, de duur en de werktijden van de in het kader van de aangeboden voorziening te verrichten werkzaamheden in relatie tot de mogelijkheden, de werkervaring en de opleiding en de gezinssituatie van de betrokkene; de duur van de werkloosheid van de betrokkene; de vraag of en zo ja, hoe de aangeboden voorziening kan bijdragen aan de arbeidsinschakeling van de betrokkene en; de zwaarte van de sanctie bij het niet meewerken aan de aangeboden voorziening.’ Aan de hand van dit toetsingskader luidde het oordeel van de CRvB dat er geen sprake was van een schending van artikel 4 EVRM dan wel van artikel 8 IVBPR. ‘Zodra van een (beoogde) deelnemer aan een voorziening als het Hoyatraject, gelet op alle omstandigheden, niet (meer) verlangd kan worden de opgedragen activiteiten of werkzaamheden te verrichten vanwege het excessief of disproportioneel belastende karakter ervan en/of het totaal ontbreken daaraan van enig perspectief richting arbeidsinschakeling, zou naar het oordeel van de Raad sprake kunnen zijn van verplichte arbeid en zal in zoverre met succes een beroep kunnen worden gedaan op artikel 4 van het EVRM.’[70]
 
Anno 2014 is de vraag actueel hoe geoordeeld zal gaan worden over de soms vergaande tegenprestaties die steeds meer gemeenten, op straffe van sancties, tegenwoordig verlangen in ruil voor een WWB-uitkering.[71] Deze tegenprestaties behoeven niet gerelateerd te zijn aan toeleiding naar betaalde arbeid. Onder verwijzing naar de uitzonderingsbepaling op het verbod op verplichte arbeid dat is opgenomen in het derde lid onderdeel d van art. 4 EVRM, stelt de Nederlandse regering zich op het standpunt dat een ‘tegenprestatie naar vermogen’ moet worden opgevat als een ‘normale burgerplicht’ en daarmee niet strijdig kan worden geacht met het verbod op verplichte arbeid.[72] De vraag is hoe in de toekomst zal worden geoordeeld als het niet-accepteren van een verlangde tegenprestatie leidt tot weigering van het recht op bijstand. Op grond van artikel 13 lid 1 ESH hoeft een bijstandsuitkering weliswaar niet onvoorwaardelijk te worden toegekend, maar de voorwaarden mogen een persoon niet van zijn bestaansmiddelen beroven.[73]

6. Jurisprudentie

- EHRM 23 november 1983 (Van der Mussele), 8919/80;
- EHRM 29 mei 1986 (Feldbrugge), NJB 1986, p. 885‑886;
- EHRM 26 juli 2005 (Siliadin vs Frankrijk), 73316/01;
- HvJ EU 25 april 2013 (Hogan), nr. C-398/11;
- CRvB 21 januari 1994, RSV 1994/192;
- CRvB 31 maart 1995, RSV 1996/28;  
- CRvB 29 mei 1996, RSV 1997/9; AB 1996/501;
- CRvB 24 februari 1999, JB 1999/110;
- CRvB 1 september 1999, RSV 1999/289;
- CRvB 4 februari 2005, USZ 2005/135;
- CRvB 11 september 2007, USZ 2007/312;
- CRvB 10 juli 2008, USZ 2008/266;
- CRvB 8 februari 2010, LJN BL1093, RSV 2010, 79; AB 2010, 79;
- CRvB 20 april 2010, LJN BM3541, JWWB 2010/134;
- CRvB 22 juni 2010, JWWB 2010/180;
- CRvB 31 augustus 2010, LJN BO1214.
- Hof Amsterdam 19 oktober 2006, LJN AZ0509
- Hof ’s-Gravenhage, 5 juni 2012, RSV 2012/184; JWWB 2012/117; NJF 2012/326;
- Rechtbank Utrecht 11 december 1997, Rechtshulp 1998, 9;
- Pres. Rechtbank Den Bosch 24 januari 1997, Rechtshulp 1997, 16;
- Pres. Rechtbank Groningen 28 januari 1998, KG 1998, 136;
- Rechtbank Den Haag 25 juli 2007 LJN BB 0334.;
- Rb. Arnhem 8 oktober 2008, LJN BF7284; JWWB 2008, 310; RSV 2009, 11.

7. Literatuur

- J. Berghman, A. Nagelkerke, K. Boos, R. Doeschot. G. Vonk (red.), Honderd jaar sociale zekerheid in Nederland, Delft: Eburon 2003.
- K. Boonstra, Intrekken WWik zonder overgangsrecht disproportioneel. Wet intrekking van de Wet werk en inkomen kunstenaars bij gebrek aan overgangsrecht in strijd met artikel 1 Eerste Protocol EVRM, TRA 2012/31, p. 27-29.
- W.H.A.C.M. Bouwens, Onderhoudsplicht en bijstand: een onderzoek naar de verhouding tussen overheidszorg en onderhoud door familie- en gezinsleden, Nijmegen: Ars Aequi 1996
- J.T. Buijs, De Grondwet: Toelichting en kritiek, deel II, P. Gouda Quint, 1887.
- M.J.A.C. Driessen, ‘Privatisering van sociale zekerheid en internationaalrechtelijke grenzen’, in: S. Klosse (red.), Arbeid en gezondheid: schipperen tussen verantwoordelijkheid en bescherming. Had Geers het geweten, Deventer: Kluwer 2006, p. 209-221.
- Malva Driessen, ‘De internationaalrechtelijke grenzen van re-integratie’, in: B.B.B. Lanting, S.S.M. Peters en M. Westerveld (red.), Een trip langs de hagen van het socialezekerheidsrecht, Den Haag: Bju 2011, p. 161 – 175.
- A. Eleveld, De arbeidsplicht en het rechtskarakter van de bijstandswetgeving, Nederlands Juristenblad 2013, p. 1631-1637.
- Anja Eleveld, ‘Arbeidsplicht, rechtvaardigheid en de grondslagen van het socialezekerheidsrecht’, Netherlands Journal of Legal Philosophy, 2012/1, p. 28-43.
- Engbersen in : J.W. Holtslag, M. Kremer, E. Schrijvers, In betere banen, de toekomst van arbeidsmigratie in de Europese Unie, Den Haag: Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid 2012.
- Samuel Fleischacker, A short history of distributive justice, Cambridge (Mass.), 2004.
- J. van Genabeek, Met vereende kracht risico’s verzacht: de plaats van onderlinge hulp binnen de negentiende-eeuwse particuliere regelingen van sociale zekerheid (diss. VU), 1999.
- N. van Gestel, P. de Beer en M. van der Meer, Het hervormingsmoeras van de verzorgingsstaat. Veranderingen in de organisatie van de sociale zekerheid, Amsterdam: University Press, 2010.
- G.J.J. Heerma van Voss en S. Klosse, ‘Arbeidsrechtelijke sociale zekerheid: wat is dat eigenlijk?’, in: M. Herweijer, G.J. Vonk en W.A. Zondag (red.), Sociale zekerheid voor het oog van de meester, Deventer: Kluwer 2006.
- A.W. Heringa, Jeugd, behoefte en bijstand, NJB 1993, p. 746 e.v.
- K.H. Hermans, De WW en nieuwe sociale risico’s. Internationaalrechtelijke grenzen aan hervormingsvoorstellen, Deventer: Kluwer 2014.
- B. Hofman & F.J.L. Pennings,  Privatisering en activering in de Nederlandse sociale zekerheid, en solidariteit. Een internationaal perspectief,  Deventer: Kluwer 2013.
- A.T.J.M. Jacobs (red.), Het Nederlandse sociale zekerheidsrecht en de minimumnormen van de IAO en de Raad van Europa, Deventer: Kluwer 1992.
- Antoine Jacobs, Labour and the law in Europe. A satellite view on labour law and social security law in Europe, Nijmegen: WLP 2011.
- S. Klosse, Moderne sociale zekerheid: efficiency met behoud van fundamentele waarden, Den Haag: Sdu 2003.
- S. Klosse, Socialezekerheidsrecht, Deventer: Kluwer 2012, 11e druk.
- Matti Mikkola, Social Human Rights of Europe, Porvoo: Karelactie 2010.
- F.M. Noordam, ‘Sociale verzekering 1890-1950 en 1950-2000’ in: J. van Gerwen en M.H.D. van Leeuwen (red.), Studies over zekerheidsarrangementen: risico’s, risicobestrijding in Nederland vanaf de Middeleeuwen, Amsterdam/Den Haag: NEHA 1998, p. 570-604 en p. 807-853.
- F.J.L. Pennings, Regering wil Deel IV van Europese code opzeggen, NJB 1997, p. 1763 e.v.
- F.J.L. Pennings, De betekenis van internationale normen voor de Nederlandse sociale zekerheid, Deventer: Kluwer 2006.
- D.C.H.M. Pieters, J.L.M. Schell, The Social Security Systems of the Member States of the European Union, Antwerpen: Intersentia 2002.
- C W van der Pot; D J Elzinga; Roel de Lange; H G Hoogers, Handboek van het Nederlandse staatsrecht,  Deventer : Kluwer, 2006, 15e druk.
- Eibe Riedel (ed.), Social Security as a Human Right, drafting a General Comment on Article 9 ICESCR, Berlin 2007.
- J. Riphagen, ‘Privatisering als opgave en als probleem’, in: W.H.A.C.M. Bouwens e.a. (red.), Sociaal recht: de grenzen verkend, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1994, p. 381-404.
- J.M. Roebroek en M. Hertogh, ‘De beschavende invloed des tijds’: twee eeuwen sociale politiek, verzorgingsstaat en sociale zekerheid in Nederland, Den Haag: VUGA 1998.
- F.M.C. Vlemminx, Een nieuw profiel van de grondrechten; Een analyse van de prestatieplichten ingevolge klassieke en sociale grondrechten, Bju: Den Haag 2002.
- F.M.C. Vlemminx, Het moderne EVRM, Den Haag: Bju 2013.
- G.J. Vonk, Recht op sociale zekerheid; van identiteitscrisis naar hernieuwd bewustzijn, Den Haag: Sdu 2008.
- Gijsbert Vonk & Albertjan Tollenaar (eds.), Social Security als a Public Interest. A Multidisciplinary Inquiry into the Foundations of the Regulatory Welfare State, Antwerpen: Intersentia 2010.
- C.H.E. de Wit, Thorbecke, staatsman en historicus, in: Thorbecke en de wording van de Nederlandse natie, Nijmegen 1980, p. 48‑49.
- WRR, de verzorgingsstaat herwogen. Over verzorgen, verzekeren, verheffen en verbinden (rapport van 5 oktober 2006, WRR 2006/76), Amsterdam: AUP 2006.

8. Historische versies

Eerste lid:
Geen eerdere versies.
Tweede lid:
Geen eerdere versies.
Derde lid:
Art. 141 Gw 1814: Als eene zaak van hoog belang wordt ook het armbestuur en de opvoeding der arm‑kinderen der aanhoudende zorg der Regering aanbevolen. De Souvereine Vorst doet insgelijks van de inrigtingen dienaangaande jaarlijks een uitvoerig verslag aan de Staten Generaal geven.
Art. 228 Gw 1815: Als eene zaak van hoog belang wordt ook het armbestuur en de opvoeding der arme kinderen aan de aanhoudende zorg der Regering bevolen. De Koning doet insgelijks, van de inrigtingen dien aangaande, jaarlijks een uitvoerig verslag aan de Staten‑Generaal geven (art. 226 Gw 1840).
Art. 195 Gw 1848: Het armbestuur is een onderwerp van aanhoudende zorg der Regering, en wordt door de wet geregeld. De Koning doet van de verrigtingen dienaangaande jaarlijks een uitvoerig verslag aan de Staten‑Generaal geven (art. 193 Gw 1887; art. 196 Gw 1922; art. 201 Gw1938; art. 202 Gw 1948; art. 209 Gw 1953).

 

Noten

  1. In deze bijdrage bouwt de eerste auteur voort op de tweede en de derde druk van het commentaar bij Artikel 20 Grondwet, van de hand van F.M.C. Vlemminx. Ten opzichte van de eerdere edities zijn gedeeltelijke wijzigingen aangebracht in de indeling en de volgorde van de tekst. Tevens zijn tekstdelen en voetnoten geactualiseerd en aangevuld.
  2. Staatscommissie Cals/Donner Eindrapport, art. 81, p. 216 e.v., p. 224 e.v.
  3. SER-Adviesnr. 1969/10 - 20 juni 1969 inzake ‘Proeve van een nieuwe grondwet’, p. 7. Zie voor de volledige tekst http://www.ser.nl/nl/publicaties/adviezen/1960-1969/1969/b04975.aspx
  4. Daarbij moet wel worden bedacht worden dat er in die tijd nog geen algemeen (en direct) kiesrecht was. Zie over de evolutie in het denken over armoede en sociale gerechtigheid: Samuel Fleischacker, A short history of distributive justice, Cambridge (Mass.), 2004. Overigens is aan de opbouw van een wettelijk socialezekerheidsstelsel een lange traditie van onderlinge hulpfondsen vooraf gegaan. Zie J. van Genabeek, Met vereende kracht risico’s verzacht: de plaats van onderlinge hulp binnen de negentiende-eeuwse particuliere regelingen van sociale zekerheid (diss. VU), 1999.
  5. Deze Negenmannen bestonden uit Johan Rudolph Thorbecke en acht andere Tweede Kamerleden die in december 1844 een liberaal initiatiefvoorstel tot herziening van de Nederlandse Grondwet indienden, het zogenoemde Voorstel der Negenmannen. Zie C.H.E. de Wit, ‘Thorbecke, staatsman en historicus’, in: Thorbecke en de wording van de Nederlandse natie, Nijmegen 1980, p. 48-49. Zie tevens www.parlement.com/id/vj38jvam82wy/voorstel_negenmannen_in_1844 .
  6. Buijs II 1887, p. 78.
  7. De ABW werd in 1996 ‘heringericht’ (en voortaan afgekort tot Abw) en in 2004 vervangen door de Wet werk en bijstand (WWB) (Stb. 2003, 375). Op 21 februari 2014 heeft de Tweede Kamer de zogenoemde Participatiewet aangenomen (zie kamerstukken II 2013/2014, 33 161, nr. 107). Beoogd wordt in deze wet de WWB, WSW en een deel van de Wajong samen te voegen.
  8. Zie hierover W.H.A.C.M. Bouwens, Onderhoudsplicht en bijstand: een onderzoek naar de verhouding tussen overheidszorg en onderhoud door familie- en gezinsleden, Nijmegen: Ars Aequi 1996
  9. Zie hierover F.M. Noordam, ‘Sociale verzekering 1890-1950 en 1950-2000’ in: J. van Gerwen en M.H.D. van Leeuwen (red.), 1998.
  10. Kamerstukken II 1975/1976, 13 873, nr. 3, p. 12-13; Zie voor een monumentale studie naar het ontstaan en de ontwikkeling van de sociale verzorgingsstaat J.M. Roebroek, M. Hertogh, ‘De beschavende invloed des tijds’. Twee eeuwen sociale politiek, verzorgingsstaat en sociale zekerheid in Nederland, Den Haag: VUGA 1998. Zie tevens J. Berghman, A. Nagelkerke, K. Boos, R. Doeschot. G. Vonk (red.), Honderd jaar sociale zekerheid in Nederland, Delft: Eburon 2003.
  11. Kamerstukken II 1975/76, 13 873, nr. 3, p. 4.
  12. Kamerstukken II 1975/76, 13 873, nr. 3, p. 7 e.v. Zie Van der Pot-Donner, a.w. 15e druk 2006, p. 456; S. Klosse, Socialezekerheidsrecht, Deventer: Kluwer 2012 (11de druk), p. 13.
  13. Zie N. van Gestel, P. de Beer en M. van der Meer, Het hervormingsmoeras van de verzorgingsstaat. Veranderingen in de organisatie van de sociale zekerheid, Amsterdam: Amsterdam University Press 2010; WRR, de verzorgingsstaat herwogen. Over verzorgen, verzekeren, verheffen en verbinden (rapport van 5 oktober 2006, WRR 2006/76), Amsterdam: AUP 2006.
  14. Zie hierover J. Riphagen, ‘Privatisering als opgave en als probleem’, in: W.H.A.C.M. Bouwens e.a. (red.), Sociaal recht: de grenzen verkend, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1994, p. 381-404.
  15. Kamerstukken II 1995/1996, 24 439, nr. 3, 5.
  16. Zie G.J. Vonk, Recht op sociale zekerheid. Van identiteitscrisis naar hernieuwd zelfbewustzijn (oratie Groningen), Den Haag: Sdu 2008, p. 14. Vonk duidt de privatiseringstendens (die nu overigens alweer minder populair lijkt te worden) als een beweging richting een ‘regulatory welfare state’, waarbij de overheid op afstand het gedrag van private partijen wil sturen. Ook het nieuwe zorgverzekeringsstelsel (sinds 2006) past in dit beeld. Zie hierover Gijsbert Vonk & Albertjan Tollenaar (eds.), Social Security als a Public Interest. A Multidisciplinary Inquiry into the Foundations of the Regulatory Welfare State, Antwerpen: Intersentia 2010.
  17. Kamerstukken I 1976 1977, 13 873, nr. 55b, p. 48.
  18. Kamerstukken II 1975 1976, 13 873, nr. 5, p. 16.
  19. Kamerstukken II 1976 1977, 13 873, nr. 7, p. 19.
  20. Artikel 27 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind luidt: ‘Ieder kind heeft recht op een levensstandaard die voldoende is voor zijn of haar lichamelijke, geestelijke, intellectuele, zedelijke en maatschappelijke ontwikkeling. Ouders zijn primair verantwoordelijk voor de levensomstandigheden van het kind maar de overheid moet hen hierbij helpen door bijstand en ondersteuning zodat het kind op het minst voldoende eten en kleding en adequate huisvesting heeft.’
  21. Artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind luidt: Ieder kind heeft het recht op voorzieningen voor sociale zekerheid’. Hierbij heeft Nederland als voorbehoud gemaakt dat Nederland kinderen geen eigen aanspraak geeft op sociale zekerheid maar dit regelt via de ouders.
  22. Voor een uitgebreid overzicht, zie F.J.L. Pennings, De betekenis van internationale normen voor de Nederlandse sociale zekerheid, Deventer: Kluwer 2006. Zie tevens voor een overzicht van sociale verdragsnormen van de Raad van Europa: Matti Mikkola, Social Human Rights of Europe, Porvoo: Karelactie 2010.
  23. Aan artikel 49 lid 2 en artikel 10 lid 1 sub b van ILO-Verdrag nr. 102 betreffende het verbod om een eigen bijdrage te vragen voor verstrekkingen bij zwangerschap en bevalling, is door de Centrale Raad van Beroep rechtstreekse werking toegekend (zie CRvB 29 mei 1996, RSV 1997/9). De regering schrok hiervan en zegde naar aanleiding daarvan deel IV van de Europese code inzake socialezekerheid op, hetgeen later weer werd teruggedraaid toen het parlement hieraan zijn goedkeuring onthield (Kamerstukken II, 1997-1998, 25 524, nr. 8). Zie F.J.L. Pennings, Regering wil Deel IV van Europese code opzeggen, NJB 1997, p. 1763 e.v. Later werd dit alsnog gedaan (zie hieronder nt 47).
  24. Ten aanzien van artikel 12 en 13 ESH is dit inderdaad in rechtspraak bevestigd. Zie (onder meer) de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) 21 januari 1994, RSV 1994/192 en CRvB 4 februari 2005, USZ 2005/135.
  25. Zie over artikel 14 EVRM en artikel 1 Twaalfde Protocol bij het EVRM, F.M.C. Vlemminx, Het moderne EVRM, Den Haag: Bju 2013.
  26. EHRM 29 mei 1986 (Feldbrugge), kort weergegeven in NJB 1986, p. 885 886; NJCM Bulletin 1986, p. 452 e.v., m.nt. A.W.M. Willems. Zie hierover ook het commentaar bij artikel 1 Grondwet.
  27. Alhoewel alle EU-lidstaten wel vormen van sociale bijstand kennen, gaat het hierbij, anders dan in Nederland, vaak niet om een uniform stelsel op nationaal niveau. Aanspraak op financiële bijstand is minimaal geregeld in Italië en Portugal, waar het per gemeente kan verschillen of (en zo ja, hoeveel) financiële bijstand dan wel bijstand in natura wordt verleend. Zie voor een globaal overzicht Antoine Jacobs, Labour and the law in Europe. A satellite view on labour law and social security law in Europe, Nijmegen: WLP 2011, par. 13.4 p. 203-206. Zie tevens D.C.H.M. Pieters, J.L.M. Schell, The Social Security Systems of the Member States of the European Union, Antwerpen: Intersentia 2002. Voor meer precieze informatie en regelmatig geactualiseerde overzichten zie de site van de Europese Commissie over de socialezekerheidsstelsels van alle lidstaten: http://ec.europa.eu/social/main.jsp?catId=858&langId=nl.
  28. Artikel 34, derde lid luidt: Om sociale uitsluiting en armoede te bestrijden erkent en eerbiedigt de Unie het recht op sociale bijstand en op bijstand ten behoeve van huisvesting, teneinde al diegenen die niet over voldoende middelen beschikken een waardig bestaan te verzekeren, onder de door het Gemeenschapsrecht en de nationale wetgevingen en praktijken gestelde voorwaarden.
  29. Kamerstukken II 1975/76, 13 873, nr. 3, p. 11-12.
  30. Idem, p. 12.
  31. Van der Pot, Handboek van het Nederlandse staatsrecht, 2006 (15e druk), p. 456.
  32. Zie tevens uitgebreid F.M.C. Vlemminx, Een nieuw profiel van de grondrechten; Een analyse van de prestatieplichten ingevolge klassieke en sociale grondrechten, Bju: Den Haag 2002. Voor een invulling van het grondrecht op sociale zekerheid volgens deze ‘typologie’, Gijsbert Vonk & George Katrougalos, ‘The public interest and the welfare state: a legal approach, in: Gijsbert Vonk & Albertjan Tollenaar, a.w., p. 74 – 79.
  33. Kamerstukken II 1976/77, 13 873, nr. 7, p. 17.
  34. Zie voor een uitgebreidere bespreking: Vlemminx 1998, p. 165-166. Zie tevens G.J. Vonk, Recht op socialezekerheid; van identiteitscrisis naar hernieuwd bewustzijn, Den Haag: Sdu 2008.
  35. Discriminatie binnen het sociale stelsel naar (onder andere) herkomst is echter niet toegestaan. Beperkingen op het recht kunnen echter wel gerechtvaardigd zijn, bijvoorbeeld op grond van de mate van binding met Nederland (ingezetene of niet?). Zo is er bijvoorbeeld geen plicht om een recht op bijstand toe te kennen aan een EU-migrant tijdens de eerste drie maanden van verblijf of zo veel langer dat deze serieus op zoek is naar werk; zie Richtlijn 2004/38/EU, art. 24 lid 2. Onder voorwaarden ontstaan hier na drie maanden wel recht op, zie art. 11 WWB.
  36. College voor de rechten van de mens, Rapportage: Poolse arbeidsmigranten in mensenrechtenperspectief, april 2013, p. 43.
  37. In het internationale recht ook wel aangeduid als de ‘duty to fulfill’ , volgens de typologie van de verplichtingen die hierboven al is aangehaald en in het commentaar bij artikel 22 Grondwet nader wordt toegelicht.
  38. Idem, p. 45. Zie in dit verband tevens de bijdrage van Engbersen in : J.W. Holtslag, M. Kremer, E. Schrijvers, In betere banen, de toekomst van arbeidsmigratie in de Europese Unie, Den Haag: Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid 2012.
  39. Het CMR steunt daarbij met name op het internationale verdragsrecht en wijst erop dat zijn advies in lijn ligt met een aanbeveling van het Comité inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (CESCR) uit 2010, waarin Nederland gevraagd wordt om alle nodige maatregelen te blijven nemen om de bekendheid op het recht op bijstand te vergroten.
  40. Van der Pot, a.w., 15e druk 2006, p. 456.
  41. Als het gaat om de vraag tot hoever een staat daadwerkelijk mag gaan bij een verslechtering van de aanspraken, is het recente arrest van het HvJ EU 25 april 2013 (Hogan), nr. C-398/11 interessant. In een Ierse zaak overeen overheidsgarantiefonds voor (bedrijfspensioen)aanspraken van werknemers van een insolvente werkgever, oordeelde het Hof dat ondanks de grote beleidsvrijheid van de lidstaten een percentage van minder dan de helft van de opgebouwde rechten als onacceptabel minimumniveau van bescherming heeft te gelden. Anders zou het vereiste niveau aan minimumbescherming van de betreffende Europese regeling (artikel 8 van richtlijn 2008/94) elke betekenis verliezen.
  42. De normatieve inhoud van dit verdragsrecht is uitgewerkt aan de hand van de criteria availability (het bestaan van een stelsel van sociale zekerheid), adequacy (het stelsel moet een bepaalde mate van bescherming geven) en accessibility (hierbij gaat het zowel om de mate van feitelijke toegang tot het stelsel, de betaalbaarheid voor de direct betrokkenen en de samenleving in zijn totaliteit, alsmede het recht op informatie en participatie bij de uitvoering van het stelsel).
  43. Sinds kort bestaat bij het IVESCR een individueel klachtrecht. Wellicht zal de juridische betekenis van artikel 9 IVESCR in de toekomst dus toenemen.
  44. Het EVRM kent in artikel 1 van het Eerste Protocol een bepaling die het eigendomsrecht beschermt, ook voor socialezekerheidsaanspraken. In artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie komt een met artikel 1 van het Eerste Protocol vergelijkbare bepaling voor. In het kader van artikel 14 Grondwet is een verband met socialezekerheidsaanspraken overigens niet gelegd.
  45. Alleen bij uitzondering wordt besloten tot uitgestelde en eerbiedigende werking, zie CRvB 1 september 1999, RSV 1999/289. Een voorbeeld hiervan is de WIA. Na de inwerkingtreding van deze wet bleef voor oude gevallen de WAO gelden, althans zolang geen wijziging in hun situatie optreedt.
  46. Zie Hof ’s-Gravenhage (voorlopige voorziening), 5 juni 2012, Intrekking Wwik; Intrekkingswet onverbindend? ECLI:NL:GHSGR:2012:BW7457; RSV 2012/184; JWWB 2012/117 ; NJF 2012/326; zie ook in eerste instantie: Voorzieningenrechter Rechtbank ’s-Gravenhage, 3 juni 2012, 407848/KG ZA 11-1377, LJN: BU9921 2012.
  47. In reactie op dit echec is gereageerd met het pleidooi en vervolgens het initiatiefwetsvoorstel om artikel 94 Gw te wijzigen; zie brief van de Staatssecretaris van SZW van 24 september 2012, Kamerstukken I 32 701, I. Zie tevens Kamerstukken II 2011-2012, 33 359 nr. 3.
  48. Vooral voor degenen die niet langer kunnen doorwerken of opnieuw kunnen gaan werken en niet in aanmerking komen voor de overbruggingsregeling of verlengde sociale zekerheid speelt dit. De Stichting BeGAG (Belangen Gedupeerden AOW-gat) en 19 vakbonden hebben een civiele procedure aangespannen tegen de Nederlandse staat. Zie http://www.begag.nl/update.html. De rechtbank doet uitspraak op 26 februari 2014.
  49. Met ‘toereikend’ wordt bedoeld dat het stelsel tenminste aan het niveau moet voldoen dat nodig is voor een bekrachtiging van de zogeheten Europese Code inzake sociale zekerheid, die in 1964 door de Raad van Europa is aangenomen (Trb. 1965, 47). Zowel qua opbouw als inhoudelijk komt dit verdrag in belangrijke mate overeen met ILO-verdrag 102. De Code is herzien in 1990 en 1993(Tb. 1993, 123). De herziene Code is door Nederland als tot nu toe enige staat geratificeerd in 2009 (Stb. 2009, 421).
  50. Zo heeft het ECSR in 2006 de afschaffing van de WAZ in strijd bevonden met artikel 12, derde lid, ESH. Zie bevindingen ECSR 2006, XVIII (1).
  51. Wet van 8 februari 1996, Stb. 1996, 134; Kamerstukken II 1995/96, 24 439.
  52. Council of Europe, European Social Charter, Conclusions XIV-1, Vol. 2, p. 565.
  53. Zie hierover uitgebreid K.H. Hermans, De WW en nieuwe sociale risico’s. Internationaalrechtelijke grenzen aan hervormingsvoorstellen, Deventer: Kluwer 2014, p. 165 - 176; B. Hofman & F.J.L. Pennings, Privatisering en activering in de Nederlandse sociale zekerheid, en solidariteit. Een internationaal perspectief, Deventer: Kluwer 2013, p. 137-138; M.J.A.C. Driessen, ‘Privatisering van sociale zekerheid en internationaalrechtelijke grenzen’, in: S. Klosse (red.), Arbeid en gezondheid: schipperen tussen verantwoordelijkheid en bescherming. Had Geers het geweten, Deventer: Kluwer 2006, p. 209-221; G.J.J. Heerma van Voss en S. Klosse, ‘Arbeidsrechtelijke sociale zekerheid: wat is dat eigenlijk?’, in: M. Herweijer, G.J. Vonk en W.A. Zondag (red.), Sociale zekerheid voor het oog van de meester, Deventer: Kluwer 2006.
  54. Zie CRvB 31 maart 1995, RSV 1996/28; CRvB 24 februari 1999, JB 1999/110; CRvB 11 september 2007, USZ 2007/312 en CRvB 10 juli 2008, USZ 2008/266.
  55. Zie bijvoorbeeld de procedures die gevoerd werden over de afschaffing van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), toen bleek dat particuliere verzekeraars voorwaarden hanteerden die zwangere zzp’ers van de verzekering weerden. Tegen deze (later door de wetgever opgeloste) lacune werd niet het recht op sociale zekerheid in stelling gebracht, maar (tevergeefs) het recht op gelijke behandeling. Zie Hof Amsterdam 19 oktober 2006, LJN AZ0509 en Rechtbank Den Haag 25 juli 2007 LJN BB 0334.
  56. Kamerstukken II 1975 1976, 13 873, nr. 5, p. 20
  57. Art. 11 WWB, zie ook hierboven onder nt 30.
  58. Artikel 20, derde lid is geen regelingsopdracht sec, maar een in wetgeving uit te werken subjectief recht. Horizontale werking is dan ook moeilijk voorstelbaar. Zie Van der Pot, a.w., 2006 15e druk p. 446, p 448, 457.
  59. Kamerstukken II 1975 1976, 13 873, nr. 7, p. 21
  60. Zo bleek tijdens de parlementaire behandeling van een voorstel om in het kader van de herinrichting van de ABW om het recht op bijstand voor jongeren van 18 tot 21 jaar, behoudens uitzonderingen, af te schaffen. Zie Kamerstukken II, 1993-1994, 22545, nr. 18.
  61. Zo is er een poging gedaan om 1 miljoen stemmen te verzamelen die nodig zijn voor het aanbieden van een petitie bij het Europees Parlement om een basisinkomen te regelen op Europees niveau. Zie www.burgerforum-eu.nl.
  62. De ABW werd in 1996 ‘heringericht’ (en voortaan afgekort tot Abw) en in 2004 vervangen door de Wet werk en bijstand (WWB) (Stb. 2003, 375). Op 21 februari 2014 heeft de Tweede Kamer de zogenoemde Participatiewet aangenomen (zie kamerstukken II 2013/2014, 33 161, nr. 107). Beoogde wordt met deze wet per 1 januari 2015 de WWB, WSW en een deel van de Wajong samen te voegen. De Participatiewet is controversieel omdat meer taken voor de gemeenten gepaard gaan met forse bezuinigingen op het budget en de sociale werkvoorziening zal worden afgesloten voor toekomstige instroom.
  63. Bijvoorbeeld Rechtbank Utrecht 11 december 1997, Rechtshulp 1998, 9.
  64. Bijvoorbeeld Pres. Rechtbank Den Bosch 24 januari 1997, Rechtshulp 1997, 16. De vraag kan gesteld worden of deze lokale verschillen steeds te verenigen zijn met artikel 2, tweede lid, juncto 9 respectievelijk 11 IVESC.
  65. Pres. Rechtbank Groningen 28 januari 1998, KG 1998, 136.
  66. In zijn laatste verslag oordeelt het ECSR dat de Nederlandse WWB in overeenstemming is met artikel 13 lid 1 ESH. Wel wil hij in de volgende verslagperiode nadere informatie krijgen over wat er gebeurt als iemand algemeen geaccepteerde arbeid weigert te aanvaarden. Zie Conclusions, The Netherlands, p. 29 (www.coe.int ).
  67. Belangrijk hierbij zijn de uitspraken EHRM 23 november 1983 (Van der Mussele), 8919/80 en EHRM 26 juli 2005 (Siliadin vs Frankrijk), 73316/01. In Van der Mussele oordeelt het Hof dat ook sprake kan zijn van verplichte arbeid als betrokkene toestemming heeft gegeven voor de werkzaamheden. Toestemming kan immers van relatieve waarde zijn, bijvoorbeeld omdat het nodig is om toegang te krijgen tot een beroep. In Siliadin nuanceerde het Hof het sanctiebegrip; onder sanctie moet niet alleen ‘straf’ worden verstaan, maar ook het in stand houden van angst en het afhankelijk maken van iemand. Zie uitgebreid Malva Driessen, ‘De internationaalrechtelijke grenzen van re-integratie’, in: B.B.B. Lanting, S.S.M. Peters en M. Westerveld (red.), Een trip langs de hagen van het socialezekerheidsrecht, Den Haag: Bju 2011, p. 165-166.
  68. Driessen, M.J.A.C., Re-integratie in de WWB: de Arnhemse schoffelaar. TRA 2009 1(2), p. 26-27.
  69. CRvB 8 februari 2010, LJN: BL1093. Zie tevens Malva Driessen, a.w. 2011, p. 168-174, over drie hieraan gelieerde uitspraken: CRvB 20 april 2010, LJN BM3541, JWWB 2010/134; CRB 22 juni 2010, JWWB 2010/180; CRvB 31 augustus 2010, LJN BO1214.
  70. Idem. Deze rechtspraak is ook besproken in het commentaar bij artikel 19 lid 3 Grondwet paragraaf 7 voor de relatie tussen het grondrecht op vrije keuze van arbeid en het internationaal erkende verbod op dwangarbeid.
  71. In het voorstel voor de onlangs door de Tweede Kamer aangenomen Participatiewet waarin de WWB zal opgaan, was in eerste instantie zelfs een verplichting opgenomen voor gemeenten om alle uitkeringsgerechtigden om een tegenprestatie te gaan vragen. Zie A. Eleveld, De arbeidsplicht en het rechtskarakter van de bijstandswetgeving, Nederlands Juristenblad 2013, p. 1631-1637. Zie ook kritisch over de conformiteit van de activerende maatregelen in WWB en (de inmiddels alweer afgeschafte wet WIJ) Malva Driessen, a.w. 2011, p. 168-174.
  72. Kamerstukken II 2010/11, 32 815, nr. 3, p. 15. Zie Anja Eleveld, ‘Arbeidsplicht, rechtvaardigheid en de grondslagen van het socialezekerheidsrecht’, Netherlands Journal of Legal Philosophy, 2012/1, p. 28-43.
  73. Digest of the caselaw of the committee of social rights 2008, p. 97 en p. 281.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    Mijke Houwerzijl en Frank Vlemminx, Commentaar op artikel 20 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2017 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Bestaanszekerheid

De overheid heeft de plicht aan iedereen de noodzakelijke voorzieningen te garanderen om te kunnen leven. De Grondwet zegt niet wat dat bestaansminimum inhoudt; het is aan de wetgever om dat in te vullen. We mogen wel aannemen dat de verplichting in elk geval inhoudt dat iedereen moet kunnen beschikken over voldoende eten en drinken, huisvesting en voldoende mogelijkheden om contacten met anderen te onderhouden. Praktisch gezien betekent dit dat de overheid financiële bijstand verleent aan mensen die niet zelf in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Daarmee wordt een bestaansminimum verzekerd, maar de ambitie van de overheid moet verder reiken: ook de spreiding van welvaart dient te worden bevorderd. Dat betekent dat in wetgeving en beleid voorwaarden moeten worden geschapen voor mensen om hun economische positie te kunnen verbeteren.
 
Wie door ziekte, een ongeval, ouderdom of om een andere reden tijdelijk of blijvend niet in staat is een inkomen te verwerven, moeten kunnen terugvallen op een stelsel van sociale voorzieningen dat een inkomen garandeert. Dat kan de vorm hebben van een geldelijke uitkering, maar ook de verlening van een dienst (bijvoorbeeld verzorging) of het ter beschikking stellen van medische hulpmiddelen of andere producten. De Grondwet biedt hier echter geen concrete aanspraken; het niveau van de voorzieningen op het terrein van de sociale zekerheid is daarmee sterk afhankelijk van economische en politieke mogelijkheden en omstandigheden.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Bestaanszekerheid

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Bestaanszekerheid

Sociaal minimum

ABRvS 20 januari 2000, 2000, 160

De rechter oordeelt dat het geen algemeen rechtsbeginsel is dat iemand moet kunnen beschikken over over financiële middelen ter hoogte van het sociale minimum.

 

Koua Poirrez v. France

EHRM 30-09-2003

Het EHRM bepaalt dat een vreemdeling in zijn eigendomsrecht (art. 1 protocol nr. 1 EVRM) wordt geraakt wanneer deze een gehandicaptentoelage niet ontvangt.

Recente rechtspraak

Bestaanszekerheid

Politiek

Bestaanszekerheid

Video
Blogs
IN DE WERELD
Blogs

Bestaanszekerheid

In de wereld

Bestaanszekerheid