CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • M. Adams
  • B.C. van Beers
  • A.A.L. Beers & K.T. Meijer
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • S.C. van Bijsterveld & B.P. Vermeulen
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard & J. Uzman
  • G. Boogaard, J. Uzman & J.J. But
  • G. Boogaard & J.J. But
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • S. Daniëls
  • J.W.A. Fleuren
  • F. Fleurke
  • J.L.M. Gribnau & M.R.T Pauwels
  • M.M. Groothuis
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • H.G. Hoogers
  • M. Houwerzijl & N. Zekic
  • M. Houwerzijl & F. Vlemminx
  • P. Jacobs
  • N.M.C.P. Jägers & J.P. Loof
  • E.J. Janse de Jonge
  • S. Jellinghaus & E. Huisman
  • J. Kiewiet & G.F.M. van der Tang †
  • T. Kooijmans en J. van der Ham
  • E.J. Koops en R. Passchier
  • G. Leenknegt
  • K.T. Meijer
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • B.M.J. van der Meulen
  • F.M.C. Vlemminx en R. Passchier
  • T. Peters
  • J.C.A. de Poorter
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • G. van der Schyff
  • J. Uzman & G. Boogaard
  • J. Uzman
  • B.P. Vermeulen
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx & G. van der Schyff
  • F.M.C. Vlemminx & A.C.M. Meuwese
  • W.J.M. Voermans
  • B.W.N. de Waard
  • W. van der Woude
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buitenstaatverklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Aanstelling burgemeester en commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 132a  Caribische openbare lichamen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

HOOFDSTUK 1

Grondrechten

INLEIDING

Artikel 1 - Gelijke behandeling

Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Artikel 2 - Nederlandschap en vreemdelingen

  1. De wet regelt wie Nederlander is.
  2. De wet regelt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen.
  3. Uitlevering kan slechts geschieden krachtens verdrag. Verdere voorschriften omtrent uitlevering worden bij de wet gegeven.
  4. Ieder heeft het recht het land te verlaten, behoudens in de gevallen, bij de wet bepaald.

Artikel 3 - Gelijke benoembaarheid

Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.

Artikel 4 - Kiesrecht

Iedere Nederlander heeft gelijkelijk recht de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen alsmede tot lid van deze organen te worden verkozen, behoudens bij de wet gestelde beperkingen en uitzonderingen.

Artikel 5 - Petitierecht

Ieder heeft het recht verzoeken schriftelijk bij het bevoegd gezag in te dienen.

Artikel 6 - Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging

  1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 7 - Vrijheid van meningsuiting

  1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- of televisieuitzending.
  3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar regelen ter bescherming van de goede zeden.
  4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.

Artikel 8 - Recht tot vereniging

Het recht tot vereniging wordt erkend. Bij de wet kan dit recht worden beperkt in het belang van de openbare orde.

Artikel 9 - Recht tot vergadering en betoging

  1. Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 10 - Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer

  1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.
  2. De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens.
  3. De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.

Artikel 11 - Onaantastbaarheid van het lichaam

Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.

Artikel 12 - Binnentreden woning

  1. Het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen.
  2. Voor het binnentreden overeenkomstig het eerste lid zijn voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden vereist, behoudens bij de wet gestelde uitzonderingen.
  3. Aan de bewoner wordt zo spoedig mogelijk een schriftelijk verslag van het binnentreden verstrekt. Indien het binnentreden in het belang van de nationale veiligheid of dat van de strafvordering heeft plaatsgevonden, kan volgens bij de wet te stellen regels de verstrekking van het verslag worden uitgesteld. In de bij de wet te bepalen gevallen kan de verstrekking achterwege worden gelaten, indien het belang van de nationale veiligheid zich tegen verstrekking blijvend verzet.

Artikel 13 - Vertrouwelijke communicatie

  1. Het briefgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, op last van de rechter.
  2. Het telefoon- en telegraafgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, door of met machtiging van hen die daartoe bij de wet zijn aangewezen.

Artikel 14 - Onteigening

  1. Onteigening kan alleen geschieden in het algemeen belang en tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander naar bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.
  2. De schadeloosstelling behoeft niet vooraf verzekerd te zijn, wanneer in geval van nood onverwijld onteigening geboden is.
  3. In de gevallen bij of krachtens de wet bepaald bestaat recht op schadeloosstelling of tegemoetkoming in de schade, indien in het algemeen belang eigendom door het bevoegd gezag wordt vernietigd of onbruikbaar gemaakt of de uitoefening van het eigendomsrecht wordt beperkt.

Artikel 15 - Vrijheidsontneming

  1. Buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen.
  2. Hij aan wie anders dan op rechterlijk bevel zijn vrijheid is ontnomen, kan aan de rechter zijn invrijheidstelling verzoeken. Hij wordt in dat geval door de rechter gehoord binnen een bij de wet te bepalen termijn. De rechter gelast de onmiddellijke invrijheidstelling, indien hij de vrijheidsontneming onrechtmatig oordeelt.
  3. De berechting van hem aan wie met het oog daarop zijn vrijheid is ontnomen, vindt binnen een redelijke termijn plaats.
  4. Hij aan wie rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, kan worden beperkt in de uitoefening van grondrechten voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt.

Artikel 16 - Nulla poena

Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.

Artikel 17 - Wettelijk toegekende rechter

Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent.

Artikel 18 - Rechtsbijstand

  1. Ieder kan zich in rechte en in administratief beroep doen bijstaan.
  2. De wet stelt regels omtrent het verlenen van rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen.

Artikel 19 - Werkgelegenheid en arbeidskeuze

  1. Bevordering van voldoende werkgelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de rechtspositie van hen die arbeid verrichten en omtrent hun bescherming daarbij, alsmede omtrent medezeggenschap.
  3. Het recht van iedere Nederlander op vrije keuze van arbeid wordt erkend, behoudens de beperkingen bij of krachtens de wet gesteld.

Artikel 20 - Bestaanszekerheid

  1. De bestaanszekerheid der bevolking en spreiding van welvaart zijn voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de aanspraken op sociale zekerheid.
  3. Nederlanders hier te lande, die niet in het bestaan kunnen voorzien, hebben een bij de wet te regelen recht op bijstand van overheidswege.

Artikel 21 - Milieubescherming

De zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu.

Artikel 22 - Volksgezondheid en woongelegenheid

  1. De overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid.
  2. Bevordering van voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  3. Zij schept voorwaarden voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding.

Artikel 23 - Onderwijs

  1. Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.
  2. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.
  3. Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld.
  4. In elke gemeente en in elk van de openbare lichamen, bedoeld in artikel 132a, wordt van overheidswege voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal openbare scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven, al dan niet in een openbare school.
  5. De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.
  6. Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.
  7. Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.
  8. De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten-Generaal.
HOOFDSTUK 2

Regering INLEIDING

Artikel 24 - Koningschap

Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau.

Artikel 25 - Erfopvolging

Het koningschap gaat bij overlijden van de Koning krachtens erfopvolging over op zijn wettige nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft, met plaatsvervulling volgens dezelfde regel. Bij gebreke van eigen nakomelingen gaat het koningschap op gelijke wijze over op de wettige nakomelingen eerst van zijn ouder, dan van zijn grootouder, in de lijn van erfopvolging, voor zover de overleden Koning niet verder bestaand dan in de derde graad van bloedverwantschap.

Artikel 26 - Status ongeboren kind Koning

Het kind, waarvan een vrouw zwanger is op het ogenblik van het overlijden van de Koning, wordt voor de erfopvolging als reeds geboren aangemerkt. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

Artikel 27 - Afstand koningschap

Afstand van het koningschap leidt tot erfopvolging overeenkomstig de regels in de voorgaande artikelen gesteld. Na de afstand geboren kinderen en hun nakomelingen zijn van de erfopvolging uitgesloten.

Artikel 28 - Afstand koningschap door huwelijk

  1. De Koning, een huwelijk aangaande buiten bij de wet verleende toestemming, doet daardoor afstand van het koningschap.
  2. Gaat iemand die het koningschap van de Koning kan beërven een zodanig huwelijk aan, dan is hij met de uit dit huwelijk geboren kinderen en hun nakomelingen van de erfopvolging uitgesloten.
  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake van een voorstel van wet, strekkende tot het verlenen van toestemming, in verenigde vergadering.

Artikel 29 - Uitsluiting troonopvolging

  1. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden daartoe nopen, kunnen bij een wet een of meer personen van de erfopvolging worden uitgesloten.

  2. Het voorstel daartoe wordt door of vanwege de Koning ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 30 - Benoemde Koning

  1. Wanneer vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal ontbreken, kan deze worden benoemd bij een wet. Het voorstel wordt door of vanwege de Koning ingediend. Na de indiening van het voorstel worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  2. Indien bij overlijden van de Koning of bij afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt, worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers komen binnen vier maanden na het overlijden of de afstand in verenigde vergadering bijeen ten einde te besluiten omtrent de benoeming van een Koning. Zij kunnen een opvolger alleen benoemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 31 - Erfopvolging benoemde koning

  1. Een benoemde Koning kan krachtens erfopvolging alleen worden opgevolgd door zijn wettige nakomelingen.

  2. De bepalingen omtrent de erfopvolging en het eerste lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op een benoemde opvolger, zolang deze nog geen Koning is.

Artikel 32 - Inhuldiging Koning

Nadat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen, wordt hij zodra mogelijk beëdigd en ingehuldigd in de hoofdstad Amsterdam in een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Hij zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt. De wet stelt nadere regels vast.

Artikel 33 - Koningschap en meerderjarigheid

De Koning oefent het koninklijk gezag eerst uit, nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

Artikel 34 - Ouderlijk gezag minderjarige Koning

De wet regelt het ouderlijk gezag en de voogdij over de minderjarige Koning en het toezicht daarop. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 35 - Buitenstaatverklaring

  1. Wanneer de ministerraad van oordeel is dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, bericht hij dit onder overlegging van het daartoe gevraagde advies van de Raad van State aan de Staten-Generaal, die daarop in verenigde vergadering bijeenkomen.

  2. Delen de Staten-Generaal dit oordeel, dan verklaren zij dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen. Deze verklaring wordt bekend gemaakt op last van de voorzitter der vergadering en treedt terstond in werking.

  3. Zodra de Koning weer in staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, wordt dit bij de wet verklaard. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Terstond na de bekendmaking van deze wet hervat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag.

  4. De wet regelt zo nodig het toezicht over de persoon van de Koning indien hij buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 36 - Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag

De Koning kan de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk neerleggen en die uitoefening hervatten krachtens een wet, waarvan het voorstel door of vanwege hem wordt ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 37 - Uitoefening koninklijk gezag door regent

  1. Het koninklijk gezag wordt uitgeoefend door een regent:
    a. zolang de Koning de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt;
    b. indien een nog niet geboren kind tot het koningschap geroepen kan zijn;
    c. indien de Koning buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen;
    d. indien de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk heeft neergelegd;
    e. zolang na het overlijden van de Koning of na diens afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt.

  2. De regent wordt benoemd bij de wet. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  3. In de gevallen, genoemd in het eerste lid onder c en d, is de nakomeling van de Koning die zijn vermoedelijke opvolger is, van rechtswege regent indien hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

  4. De regent zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt, in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal. De wet geeft nadere regels omtrent het regentschap en kan voorzien in de opvolging en de vervanging daarin. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  5. Op de regent zijn de artikelen 35 en 36 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38 - Uitoefening koninklijk gezag door RvS

Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk gezag is voorzien, wordt dit uitgeoefend door de Raad van State.

Artikel 39 - Lidmaatschap koninklijk huis

De wet regelt, wie lid is van het koninklijk huis.

Artikel 40 - Uitkering koninklijk huis

  1. De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het Rijk uitkeringen naar regels bij de wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het koninklijk huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen.

  2. De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, zijn vrij van persoonlijke belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of zijn vermoedelijke opvolger krachtens erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van het koninklijk huis vrij van de rechten van successie, overgang en schenking. Verdere vrijdom van belasting kan bij de wet worden verleend.

  3. De kamers der Staten-Generaal kunnen voorstellen van in de vorige leden bedoelde wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 41 - Inrichting huis Koning

De Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis in.

Artikel 42 - Ministeriële verantwoordelijkheid

  1. De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.

  2. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.

Artikel 43 - Regering en ministers

De minister-president en de overige ministers worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.

Artikel 44 - Ministeries

  1. Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.

  2. Ook kunnen ministers worden benoemd die niet belast zijn met de leiding van een ministerie.

Artikel 45 - Ministerraad

  1. De ministers vormen te zamen de ministerraad.

  2. De minister-president is voorzitter van de ministerraad.

  3. De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid.

Artikel 46 - Staatssecretarissen

  1. Bij koninklijk besluit kunnen staatssecretarissen worden benoemd en ontslagen.

  2. Een staatssecretaris treedt in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister.

Artikel 47 - Ondertekening en contraseign

Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.

Artikel 48 - Ontslag en benoeming ministers

Het koninklijk besluit waarbij de minister-president wordt benoemd, wordt mede door hem ondertekend. De koninklijke besluiten waarbij de overige ministers en de staatssecretarissen worden benoemd of ontslagen, worden mede door de minister-president ondertekend.

Artikel 49 - Ambtseed minister en staatssecretaris

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de ministers en de staatssecretarissen bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.
HOOFDSTUK 3

Staten-Generaal INLEIDING

Artikel 50 - Vertegenwoordiging

De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk.

Artikel 51 - Eerste en Tweede Kamer

  1. De Staten-Generaal bestaan uit de Tweede Kamer en de Eerste Kamer.

  2. De Tweede Kamer bestaat uit honderdvijftig leden.

  3. De Eerste Kamer bestaat uit vijfenzeventig leden.

  4. Bij een verenigde vergadering worden de kamers als één beschouwd.

Artikel 52 - Zittingsduur

  1. De zittingsduur van beide kamers is vier jaren.
  2. Indien voor de provinciale staten bij de wet een andere zittingsduur dan vier jaren wordt vastgesteld, wordt daarbij de zittingsduur van de Eerste Kamer in overeenkomstige zin gewijzigd.

Artikel 53 - Evenredige vertegenwoordiging

  1. De leden van beide kamers worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  2. De verkiezingen worden gehouden bij geheime stemming.

Artikel 54 - Verkiezing Tweede Kamer

  1. De leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen ten aanzien van Nederlanders die geen ingezetenen zijn.

  2. Van het kiesrecht is uitgesloten hij die wegens het begaan van een daartoe bij de wet aangewezen delict bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste een jaar en hierbij tevens is ontzet van het kiesrecht.

Artikel 55 - Verkiezing Eerste Kamer

De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten en de leden van een kiescollege als bedoeld in artikel 132a, derde lid. De verkiezing wordt, behoudens in geval van ontbinding der kamer, gehouden binnen drie maanden na de verkiezing van de leden van provinciale staten.

Artikel 56 - Vereisten voor lidmaatschap

Om lid van de Staten-Generaal te kunnen zijn is vereist dat men Nederlander is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.

Artikel 57 - Incompatibiliteiten

  1. Niemand kan lid van beide kamers zijn.

  2. Een lid van de Staten-Generaal kan niet tevens zijn minister, staatssecretaris, lid van de Raad van State, lid van de Algemene Rekenkamer, Nationale ombudsman of substituut-ombudsman, of lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij de Hoge Raad.

  3. Niettemin kan een minister of staatssecretaris, die zijn ambt ter beschikking heeft gesteld, dit ambt verenigen met het lidmaatschap van de Staten-Generaal, totdat omtrent die beschikbaarstelling is beslist.

  4. De wet kan ten aanzien van andere openbare betrekkingen bepalen dat zij niet gelijktijdig met het lidmaatschap van de Staten-Generaal of van een der kamers kunnen worden uitgeoefend.

Artikel 57a - Zwangerschap en ziekte

De wet regelt de tijdelijke vervanging van een lid van de Staten-Generaal wegens zwangerschap en bevalling, alsmede wegens ziekte.

Artikel 58 - Geloofsbrieven

Elke kamer onderzoekt de geloofsbrieven van haar nieuwbenoemde leden en beslist met inachtneming van bij de wet te stellen regels de geschillen welke met betrekking tot de geloofsbrieven of de verkiezing zelf rijzen.

Artikel 59 - Kiesrecht en verkiezingen

Alles, wat verder het kiesrecht en de verkiezingen betreft, wordt bij de wet geregeld.

Artikel 60 - Ambtsaanvaarding

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de leden van de kamers bij de aanvaarding van hun ambt in de vergadering een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

Artikel 61 - Voorzitter en griffier

  1. Elk der kamers benoemt uit de leden een voorzitter.

  2. Elk der kamers benoemt een griffier. Deze en de overige ambtenaren van de kamers kunnen niet tevens lid van de Staten-Generaal zijn.

Artikel 62 - Verenigde vergadering

De voorzitter van de Eerste Kamer heeft de leiding van de verenigde vergadering.

Artikel 63 - Geldelijke voorzieningen

Geldelijke voorzieningen ten behoeve van leden en gewezen leden van de Staten-Generaal en van hun nabestaanden worden bij de wet geregeld. De kamers kunnen een voorstel van wet ter zake alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 64 - Ontbinding Kamers

  1. Elk der kamers kan bij koninklijk besluit worden ontbonden.

  2. Het besluit tot ontbinding houdt tevens de last in tot een nieuwe verkiezing voor de ontbonden kamer en tot het samenkomen van de nieuw gekozen kamer binnen drie maanden.

  3. De ontbinding gaat in op de dag waarop de nieuw gekozen kamer samenkomt.

  4. De wet stelt de zittingsduur van een na ontbinding optredende Tweede Kamer vast; de termijn mag niet langer zijn dan vijf jaren. De zittingsduur van een na ontbinding optredende Eerste Kamer eindigt op het tijdstip waarop de zittingsduur van de ontbonden kamer zou zijn geëindigd.

Artikel 65 - Troonrede

Jaarlijks op de derde dinsdag van september of op een bij de wet te bepalen eerder tijdstip wordt door of namens de Koning in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal een uiteenzetting van het door de regering te voeren beleid gegeven.

Artikel 66 - Openbaarheid vergaderingen

  1. De vergaderingen van de Staten-Generaal zijn openbaar.

  2. De deuren worden gesloten, wanneer een tiende deel van het aantal aanwezige leden het vordert of de voorzitter het nodig oordeelt.

  3. Door de kamer, onderscheidenlijk de kamers in verenigde vergadering, wordt vervolgens beslist of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd en besloten.

Artikel 67 - Quorum

  1. De kamers mogen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering alleen beraadslagen of besluiten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden ter vergadering aanwezig is.

  2. Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen.

  3. De leden stemmen zonder last.

  4. Over zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, wanneer één lid dit verlangt.

Artikel 68 - Inlichtingenplicht bewindslieden

De ministers en de staatssecretarissen geven de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat.

Artikel 69 - Aanwezigheid bewindslieden

  1. De ministers en de staatssecretarissen hebben toegang tot de vergaderingen en kunnen aan de beraadslaging deelnemen.

  2. Zij kunnen door de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn.

  3. Zij kunnen zich in de vergaderingen doen bijstaan door de personen, daartoe door hen aangewezen.

Artikel 70 - Recht van enquête

Beide kamers hebben, zowel ieder afzonderlijk als in verenigde vergadering, het recht van onderzoek (enquête), te regelen bij de wet.

Artikel 71 - Parlementaire onschendbaarheid

De leden van de Staten-Generaal, de ministers, de staatssecretarissen en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging, kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergaderingen van de Staten-Generaal of van commissies daaruit hebben gezegd of aan deze schriftelijk hebben overgelegd.

Artikel 72 - Reglement van orde

De kamers stellen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering een reglement van orde vast.
HOOFDSTUK 4

Adviesorganen INLEIDING

Artikel 73 - Taak Raad van State

  1. De Raad van State of een afdeling van de Raad wordt gehoord over voorstellen van wet en ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur, alsmede over voorstellen tot goedkeuring van verdragen door de Staten-Generaal. In bij de wet te bepalen gevallen kan het horen achterwege blijven.

  2. De Raad of een afdeling van de Raad is belast met het onderzoek van de geschillen van bestuur die bij koninklijk besluit worden beslist en draagt de uitspraak voor.

  3. De wet kan aan de Raad of een afdeling van de Raad de uitspraak in geschillen van bestuur opdragen.

Artikel 74 - Rechtspositie leden

  1. De Koning is voorzitter van de Raad van State. De vermoedelijke opvolger van de Koning heeft na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar van rechtswege zitting in de Raad. Bij of krachtens de wet kan aan andere leden van het koninklijk huis zitting in de Raad worden verleend.

  2. De leden van de Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  3. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  4. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Raad worden geschorst of ontslagen.

  5. De wet regelt overigens hun rechtspositie

Artikel 75 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Raad van State.

  2. Bij de wet kunnen aan de Raad of een afdeling van de Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 76 - Algemene rekenkamer

De Algemene Rekenkamer is belast met het onderzoek van de ontvangsten en uitgaven van het Rijk.

Artikel 77 - Rechtpositie leden rekenkamer

  1. De leden van de Algemene Rekenkamer worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Hoge Raad worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 78 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Algemene Rekenkamer.

  2. Bij de wet kunnen aan de Algemene Rekenkamer ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 78a - Nationale ombudsman

  1. De Nationale ombudsman verricht op verzoek of uit eigen beweging onderzoek naar gedragingen van bestuursorganen van het Rijk en van andere bij of krachtens de wet aangewezen bestuursorganen.
  2. De Nationale ombudsman en een substituut-ombudsman worden voor een bij de wet te bepalen termijn benoemd door de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Tweede Kamer der Staten-Generaal worden geschorst of ontslagen. De wet regelt overigens hun rechtspositie.
  3. De wet regelt de bevoegdheid en werkwijze van de Nationale ombudsman.
  4. Bij of krachtens de wet kunnen aan de Nationale ombudsman ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 79 - Vaste colleges van advies

  1. Vaste colleges van advies in zaken van wetgeving en bestuur van het Rijk worden ingesteld bij of krachtens de wet.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van deze colleges.

  3. Bij of krachtens de wet kunnen aan deze colleges ook andere dan adviserende taken worden opgedragen.

Artikel 80 - Openbaarmaking advies

  1. De adviezen van de in dit hoofdstuk bedoelde colleges worden openbaar gemaakt volgens regels bij de wet te stellen.

  2. Adviezen, uitgebracht ter zake van voorstellen van wet die door of vanwege de Koning worden ingediend, worden, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen, aan de Staten-Generaal overgelegd.

HOOFDSTUK 5

Wetgeving en bestuur INLEIDING

Artikel 81 - Wetgevende macht

De vaststelling van wetten geschiedt door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk.

Artikel 82 - Indienen wetsvoorstel

  1. Voorstellen van wet kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Voorstellen van wet waarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en, voor zover de betreffende artikelen van hoofdstuk 2 dit toelaten, door de verenigde vergadering.

  3. Voorstellen van wet, in te dienen door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering, worden bij haar door een of meer leden aanhangig gemaakt.

Artikel 83 - Toezending wetsvoorstel TK

Voorstellen van wet, ingediend door of vanwege de Koning, worden gezonden aan de Tweede Kamer of, indien daarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, aan deze vergadering.

Artikel 84 - Wijziging wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet, ingediend door of vanwege de Koning, niet door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering is aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en vanwege de regering worden gewijzigd.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden gewijzigd.

Artikel 85 - Toezending wetsvoorstel EK

Zodra de Tweede Kamer een voorstel van wet heeft aangenomen of tot indiening van een voorstel heeft besloten, zendt zij het aan de Eerste Kamer, die het voorstel overweegt zoals het door de Tweede Kamer aan haar is gezonden. De Tweede Kamer kan een of meer van haar leden opdragen een door haar ingediend voorstel in de Eerste Kamer te verdedigen.

Artikel 86 - Intrekking wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet niet door de Staten-Generaal is aangenomen, kan het door of vanwege de indiener worden ingetrokken.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden ingetrokken.

Artikel 87 - Aanneming en bekrachtiging

  1. Een voorstel wordt wet, zodra het door de Staten-Generaal is aangenomen en door de Koning is bekrachtigd.

  2. De Koning en de Staten-Generaal geven elkaar kennis van hun besluit omtrent enig voorstel van wet.

Artikel 88 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de wetten. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 89 - Algemene maatregel van bestuur

  1. Algemene maatregelen van bestuur worden bij koninklijk besluit vastgesteld.

  2. Voorschriften, door straffen te handhaven, worden daarin alleen gegeven krachtens de wet. De wet bepaalt de op te leggen straffen.

  3. De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de algemene maatregelen van bestuur. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

  4. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op andere vanwege het Rijk vastgestelde algemeen verbindende voorschriften.

Artikel 90 - Bevordering internationale rechtsorde

De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde.

Artikel 91 - Goedkeuring verdrag

  1. Het Koninkrijk wordt niet aan verdragen gebonden en deze worden niet opgezegd zonder voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. De wet bepaalt de gevallen waarin geen goedkeuring is vereist.

  2. De wet bepaalt de wijze waarop de goedkeuring wordt verleend en kan voorzien in stilzwijgende goedkeuring.

  3. Indien een verdrag bepalingen bevat welke afwijken van de Grondwet dan wel tot zodanig afwijken noodzaken, kunnen de kamers de goedkeuring alleen verlenen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 92 - Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties

Met inachtneming, zo nodig, van het bepaalde in artikel 91, derde lid, kunnen bij of krachtens verdrag aan volkenrechtelijke organisaties bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak worden opgedragen.

Artikel 93 - Verbindende kracht verdrag

Bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 94 - Verdrag boven wet

Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 95 - Bekendmaking verdrag

De wet geeft regels omtrent de bekendmaking van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 96 - Oorlogsverklaring

  1. Het Koninkrijk wordt niet in oorlog verklaard dan na voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal.

  2. De toestemming is niet vereist, wanneer het overleg met de Staten-Generaal ten gevolge van een feitelijk bestaande oorlogstoestand niet mogelijk is gebleken.

  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  4. Het bepaalde in het eerste en het derde lid is van overeenkomstige toepassing voor een verklaring dat een oorlog beëindigd is.

Artikel 97 - Krijgsmacht

  1. Ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk, alsmede ten behoeve van de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde, is er een krijgsmacht.

  2. De regering heeft het oppergezag over de krijgsmacht.

Artikel 98 - Samenstelling krijgsmacht

  1. De krijgsmacht bestaat uit vrijwillig dienenden en kan mede bestaan uit dienstplichtigen.

  2. De wet regelt de verplichte militaire dienst en de bevoegdheid tot opschorting van de oproeping in werkelijke dienst.

Artikel 99 - Gewetensbezwaren militaire dienst

De wet regelt vrijstelling van militaire dienst wegens ernstige gewetensbezwaren.

Artikel 99a - Civiele verdediging

Volgens bij de wet te stellen regels kunnen plichten worden opgelegd ten behoeve van de civiele verdediging.

Artikel 100 - Inlichtingen over krijgsmacht

  1. De regering verstrekt de Staten-Generaal vooraf inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. Daaronder is begrepen het vooraf verstrekken van inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht voor humanitaire hulpverlening in geval van gewapend conflict.

  2. Het eerste lid geldt niet, indien dwingende redenen het vooraf verstrekken van inlichtingen verhinderen. In dat geval worden inlichtingen zo spoedig mogelijk verstrekt.

Artikel 101 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 20 juli 1995

Artikel 102 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 22 juni 2000

Artikel 103 - Uitzonderingstoestand

  1. De wet bepaalt in welke gevallen ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid bij koninklijk besluit een door de wet als zodanig aan te wijzen uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd; zij regelt de gevolgen.

  2. Daarbij kan worden afgeweken van de grondwetsbepalingen inzake de bevoegdheden van de besturen van provincies, gemeenten, openbare lichamen als bedoeld in artikel 132a en waterschappen, van de grondrechten geregeld in de artikelen 6, voor zover dit de uitoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen van het in dit artikel omschreven recht betreft, 7, 8, 9, 12, tweede en derde lid, en 13, alsmede van artikel 113, eerste en derde lid.
  3. Terstond na de afkondiging van een uitzonderingstoestand en voorts, zolang deze niet bij koninklijk besluit is opgeheven, telkens wanneer zij zulks nodig oordelen beslissen de Staten-Generaal omtrent het voortduren daarvan; zij beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 104 - Belastingheffing

Belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet. Andere heffingen van het Rijk worden bij de wet geregeld.

Artikel 105 - Recht van begroting

  1. De begroting van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt bij de wet vastgesteld.

  2. Jaarlijks worden voorstellen van algemene begrotingswetten door of vanwege de Koning ingediend op het in artikel 65 bedoelde tijdstip.

  3. De verantwoording van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt aan de Staten-Generaal gedaan overeenkomstig de bepalingen van de wet. De door de Algemene Rekenkamer goedgekeurde rekening wordt aan de Staten-Generaal overgelegd.

  4. De wet stelt regels omtrent het beheer van de financiën van het Rijk.

Artikel 106 - Geldstelsel

De wet regelt het geldstelsel.

Artikel 107 - Codificatie

  1. De wet regelt het burgerlijk recht, het strafrecht en het burgerlijk en strafprocesrecht in algemene wetboeken, behoudens de bevoegdheid tot regeling van bepaalde onderwerpen in afzonderlijke wetten.

  2. De wet stelt algemene regels van bestuursrecht vast.

Artikel 108 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 25 februari 1999

Artikel 109 - Rechtspositie ambtenaren

De wet regelt de rechtspositie van de ambtenaren. Zij stelt tevens regels omtrent hun bescherming bij de arbeid en omtrent medezeggenschap.

 

Artikel 110 - Openbaarheid van bestuur

De overheid betracht bij de uitvoering van haar taak openbaarheid volgens regels bij de wet te stellen.

 

Artikel 111 - Ridderorden

Ridderorden worden bij de wet ingesteld.
HOOFDSTUK 6

Rechtspraak INLEIDING

Artikel 112 - Civiele en administratieve rechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is opgedragen de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen.

  2. De wet kan de berechting van geschillen die niet uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, opdragen hetzij aan de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren. De wet regelt de wijze van behandeling en de gevolgen van de beslissingen.

Artikel 113 - Strafrechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van strafbare feiten.

  2. Tuchtrechtspraak door de overheid ingesteld wordt bij de wet geregeld.

  3. Een straf van vrijheidsontneming kan uitsluitend door de rechterlijke macht worden opgelegd.

  4. Voor berechting buiten Nederland en voor het oorlogsstrafrecht kan de wet afwijkende regels stellen.

Artikel 114 - Doodstraf

De doodstraf kan niet worden opgelegd.

Artikel 115 - Administratief beroep

Ten aanzien van de in artikel 112, tweede lid, bedoelde geschillen kan administratief beroep worden opengesteld.

Artikel 116 - Rechterlijke macht

  1. De wet wijst de gerechten aan die behoren tot de rechterlijke macht.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de rechterlijke macht.

  3. De wet kan bepalen, dat aan rechtspraak door de rechterlijke macht mede wordt deelgenomen door personen die niet daartoe behoren.

  4. De wet regelt het toezicht door leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast uit te oefenen op de ambtsvervulling door zodanige leden en door de personen bedoeld in het vorige lid.

Artikel 117 - Rechtspositie leden rechterlijke macht

  1. De leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal bij de Hoge Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet bepaald kunnen zij door een bij de wet aangewezen, tot de rechterlijke macht behorend gerecht worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 118 - Hoge Raad

  1. De leden van de Hoge Raad der Nederlanden worden benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. De Hoge Raad is in de gevallen en binnen de grenzen bij de wet bepaald, belast met de cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van het recht.

  3. Bij de wet kunnen aan de Hoge Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 119 - Ambtsmisdrijven

De leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreden terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.

Artikel 120 - Toetsingsverbod

De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.

Artikel 121 - Openbaarheid terechtzittingen

Met uitzondering van de gevallen bij de wet bepaald vinden de terechtzittingen in het openbaar plaats en houden de vonnissen de gronden in waarop zij rusten. De uitspraak geschiedt in het openbaar.

Artikel 122 - Gratie

  1. Gratie wordt verleend bij koninklijk besluit na advies van een bij de wet aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.

  2. Amnestie wordt bij of krachtens de wet verleend.

HOOFDSTUK 7

Decentralisatie INLEIDING

Artikel 123 - Instelling provincies en gemeenten

  1. Bij de wet kunnen provincies en gemeenten worden opgeheven en nieuwe ingesteld.

  2. De wet regelt de wijziging van provinciale en gemeentelijke grenzen.

Artikel 124 - Autonomie en medebewind

  1. Voor provincies en gemeenten wordt de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake hun huishouding aan hun besturen overgelaten.

  2. Regeling en bestuur kunnen van de besturen van provincies en gemeenten worden gevorderd bij of krachtens de wet.

Artikel 125 - Organen decentrale besturen

  1. Aan het hoofd van de provincie en de gemeente staan provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad. Hun vergaderingen zijn openbaar, behoudens bij de wet te regelen uitzonderingen.

  2. Van het bestuur van de provincie maken ook deel uit gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning, van het bestuur van de gemeente het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester.

Artikel 126 - Ambtsinstructie commissaris koning

Bij de wet kan worden bepaald, dat de commissaris van de Koning wordt belast met de uitvoering van een door de regering te geven ambtsinstructie.

Artikel 127 - Vaststelling verordening

Provinciale staten en de gemeenteraad stellen, behoudens bij de wet of door hen krachtens de wet te bepalen uitzonderingen, de provinciale onderscheidenlijk de gemeentelijke verordeningen vast.

Artikel 128 - Toekenning bevoegdheden

Behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 123, kan de toekenning van bevoegdheden, als bedoeld in artikel 124, eerste lid, aan andere organen dan die, genoemd in artikel 125, alleen door provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad geschieden.

Artikel 129 - Verkiezing vertegenwoordigend orgaan

  1. De leden van provinciale staten en van de gemeenteraad worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders, tevens ingezetenen van de provincie onderscheidenlijk de gemeente, die voldoen aan de vereisten die gelden voor de verkiezing van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Voor het lidmaatschap gelden dezelfde vereisten.
  2. De leden worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  3. De artikelen 53, tweede lid, en 59 zijn van toepassing. Artikel 57a is van overeenkomstige toepassing.
  4. De zittingsduur van provinciale staten en de gemeenteraad is vier jaren, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen.
  5. De wet bepaalt welke betrekkingen niet gelijktijdig met het lidmaatschap kunnen worden uitgeoefend. De wet kan bepalen, dat beletselen voor het lidmaatschap voortvloeien uit verwantschap of huwelijk en dat het verrichten van bij de wet aangewezen handelingen tot het verlies van het lidmaatschap kan leiden.
  6. De leden stemmen zonder last.

Artikel 130 - Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders

De wet kan het recht de leden van de gemeenteraad te kiezen en het recht lid van de gemeenteraad te zijn toekennen aan ingezetenen, die geen Nederlander zijn, mits zij tenminste voldoen aan de vereisten die gelden voor ingezetenen die tevens Nederlander zijn.

Artikel 131 - Aanstelling burgemeester en commissaris Koning

De commissaris van de Koning en de burgemeester worden aangesteld, geschorst en ontslagen op een bij de wet te bepalen wijze. Krachtens de wet kunnen nadere regels worden gesteld over de daarbij te volgen procedures.

Artikel 132 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen

  1. De wet regelt de inrichting van provincies en gemeenten, alsmede de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen.

  2. De wet regelt het toezicht op deze besturen.

  3. Besluiten van deze besturen kunnen slechts aan voorafgaand toezicht worden onderworpen in bij of krachtens de wet te bepalen gevallen.

  4. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden bij koninklijk besluit wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

  5. De wet regelt de voorzieningen bij in gebreke blijven ten aanzien van regeling en bestuur, gevorderd krachtens artikel 124, tweede lid. Bij de wet kunnen met afwijking van de artikelen 125 en 127 voorzieningen worden getroffen voor het geval het bestuur van een provincie of een gemeente zijn taken grovelijk verwaarloost.

  6. De wet bepaalt welke belastingen door de besturen van provincies en gemeenten kunnen worden geheven en regelt hun financiële verhouding tot het Rijk.

Artikel 132a - Caribische openbare lichamen

  1. Bij de wet kunnen in het Caribische deel van Nederland andere territoriale openbare lichamen dan provincies en gemeenten worden ingesteld en opgeheven.

  2. De artikelen 124, 125 en 127 tot en met 132 zijn ten aanzien van deze openbare lichamen van overeenkomstige toepassing.

  3. In deze openbare lichamen worden verkiezingen gehouden voor een kiescollege voor de Eerste Kamer. Artikel 129 is van overeenkomstige toepassing.

  4. Voor deze openbare lichamen kunnen regels worden gesteld en andere specifieke maatregelen worden getroffen met het oog op bijzondere omstandigheden waardoor deze openbare lichamen zich wezenlijk onderscheiden van het Europese deel van Nederland.

Artikel 133 - Waterschappen

  1. De opheffing en instelling van waterschappen, de regeling van hun taken en inrichting, alsmede de samenstelling van hun besturen, geschieden volgens bij de wet te stellen regels bij provinciale verordening, voor zover bij of krachtens de wet niet anders is bepaald.

  2. De wet regelt de verordenende en andere bevoegdheden van de besturen van de waterschappen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen.

  3. De wet regelt het provinciale en overige toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 134 - Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

  1. Bij of krachtens de wet kunnen openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere openbare lichamen worden ingesteld en opgeheven.

  2. De wet regelt de taken en de inrichting van deze openbare lichamen, de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen. Bij of krachtens de wet kan aan hun besturen verordenende bevoegdheid worden verleend.

  3. De wet regelt het toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 135 - Gemeenschappelijke regelingen

De wet geeft regels ter voorziening in zaken waarbij twee of meer openbare lichamen zijn betrokken. Daarbij kan in de instelling van een nieuw openbaar lichaam worden voorzien, in welk geval artikel 134, tweede en derde lid, van toepassing is.

Artikel 136 - Geschillen

De geschillen tussen openbare lichamen worden bij koninklijk besluit beslist, tenzij deze behoren tot de kennisneming van de rechterlijke macht of hun beslissing bij de wet aan anderen is opgedragen.
HOOFDSTUK 8

Herziening grondwet INLEIDING

Artikel 137 - Grondwetswijziging

  1. De wet verklaart, dat een verandering in de Grondwet, zoals zij die voorstelt, in overweging zal worden genomen.

  2. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, een voorstel voor zodanige wet splitsen.

  3. Na de bekendmaking van de wet, bedoeld in het eerste lid, wordt de Tweede Kamer ontbonden.

  4. Nadat de nieuwe Tweede Kamer is samengekomen, overwegen beide kamers in tweede lezing het voorstel tot verandering, bedoeld in het eerste lid. Zij kunnen dit alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  5. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen een voorstel tot verandering splitsen.

Artikel 138 - Aanpassing niet gewijzigde bepalingen

  1. Voordat de in tweede lezing aangenomen voorstellen tot verandering in de Grondwet door de Koning worden bekrachtigd, kunnen bij de wet:

    a. de aangenomen voorstellen en de ongewijzigd gebleven bepalingen van de Grondwet voor zoveel nodig aan elkaar worden aangepast;

    b. de indeling in en de plaats van hoofdstukken, paragrafen en artikelen, alsmede de opschriften worden gewijzigd.

  2. Een voorstel van wet, houdende voorzieningen als bedoeld in het eerste lid onder a, kunnen de kamers alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 139 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De veranderingen in de Grondwet, door de Staten-Generaal aangenomen en door de Koning bekrachtigd, treden terstond in werking, nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 140 - Handhaving bestaande regelgeving

Bestaande wetten en andere regelingen en besluiten die in strijd zijn met een verandering in de Grondwet, blijven gehandhaafd, totdat daarvoor overeenkomstig de Grondwet een voorziening is getroffen.

Artikel 141 - Bekendmaking herziene Grondwet

De tekst van de herziene Grondwet wordt bij koninklijk besluit bekendgemaakt, waarbij hoofdstukken, paragrafen en artikelen kunnen worden vernummerd en verwijzingen dienovereenkomstig kunnen worden veranderd.

Artikel 142 - Aanpassing Grondwet aan Statuut

De Grondwet kan bij de wet met het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in overeenstemming worden gebracht. De artikelen 139, 140 en141 zijn van overeenkomstige toepassing.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

B.P. Vermeulen

ARTIKEL 2 - Nederlandschap en vreemdelingen

INHOUD

 
  1. Historische ontwikkeling
  2. Artikel 2, eerste lid, Grondwet: het Nederlanderschap
  3. Nationaliteit, burgerschap en de multiculturele samenleving
  4. De toelating en uitzetting van Nederlanders
  5. Artikel 2, tweede lid, Grondwet: de toelating en uitzetting van vreemdelingen
  6. Artikel 2, derde lid, Grondwet: uitlevering
  7. Artikel 2, vierde lid, Grondwet: het recht om het land te verlaten
  8. Literatuur
  9. Jurisprudentie
   
  Editie januari 2021
 

1. Historische ontwikkeling

 
Het denken in termen van de Nederlandse nationaliteit – het Nederlanderschap – als zelfstandige juridische status, los van ingezetenschap en ‘inboorlingschap’, is in de grondwetten van 1815 en 1840 nog nauwelijks ontwikkeld. Eerst in de grondwet van 1848 wordt beoogd duidelijkheid te bieden over de vraag wie Nederlander is, en wat de status van vreemdelingen is. Artikel 3, eerste lid, Grondwet 1848 bevat net als eerdere grondwetten de garantie dat allen die zich op het grondgebied van het Rijk bevinden, hetzij ingezetenen hetzij vreemdelingen, gelijke aanspraak hebben op bescherming van persoon en goederen. Het tweede lid van artikel 3 voegt daar een nieuw aspect aan toe: de wet regelt de toelating en uitzetting van vreemdelingen, en de algemene voorwaarden op grond waarvan ten aanzien van hun uitlevering met andere staten verdragen kunnen worden gesloten. De regeling van hun rechtspositie wordt overgelaten aan de wetgever, net als de vraag wie Nederlanders zijn (artikel 7). Om enig burgerschapsrecht te hebben moet men Nederlander zijn (artikel 5), terwijl iedere Nederlander tot elke landsbediening benoembaar is, maar de vreemdeling slechts voor zover de wet dat bepaalt. Aldus krijgt de band tussen natie, nationaliteit en Nederlandse staat gestalte.[1] De grondwetsbepalingen inzake het Nederlanderschap en de positie van vreemdelingen blijven zeer lang inhoudelijk ongewijzigd. Wel wordt de band tussen staat en nationaliteit versterkt, doordat in 1917 het algemeen kiesrecht wordt ingevoerd en wordt voorbehouden aan Nederlanders.
 
Pas de Grondwet van 1983 brengt ten aanzien van deze materie enige inhoudelijke wijzigingen. Materieel ongewijzigd bleven (thans) artikel 2, eerste lid, dat bepaalt dat de wet regelt wie Nederlander is, en artikel 2, tweede lid, dat bepaalt dat de wet de toelating en uitzetting van vreemdelingen regelt. Werd onder de oude Grondwet soms betwist of deze uitlevering zonder verdrag toestond, in ieder geval bepaalt thans het derde lid uitdrukkelijk dat uitlevering slechts kan geschieden krachtens verdrag. Dat de voorschriften omtrent uitlevering voor het overige worden gegeven bij wet stond al lang in de Grondwet. Het vierde lid van artikel 2 Grondwet 1983 is echt nieuw en waarborgt een ieders recht om het land te verlaten behoudens in de gevallen bij de wet bepaald. Een tweede wijziging is, dat de uniforme grondrechtelijke beperkings- en delegatiesystematiek die aan de Grondwet van 1983 ten grondslag ligt ook voor deze materie is ingevoerd. Ten slotte is relevant dat krachtens artikel 130 van de Grondwet 1983 de mogelijkheid geopend is om aan vreemdelingen die ingezetenen zijn het actief en passief kiesrecht voor de gemeenteraad toe te kennen, mits zij ten voldoen aan de vereisten die (ook) gelden voor Nederlandse ingezetenen.[2]

 

2. Artikel 2, eerste lid, Grondwet: het Nederlanderschap[3]


Artikel 2 Grondwet draagt de wetgever op regels te geven inzake het Nederlanderschap (eerste lid), de toelating en uitzetting van vreemdelingen (tweede lid), de uitlevering (derde lid) en het recht om het land te verlaten (vierde lid). Deze bepaling bevat geen inhoudelijke waarborgen. Inhoudelijke garanties vloeien met name voort uit de op het grondwetsartikel gebaseerde wetten of daarop berustende lagere regelingen, uit internationaal recht en uit Unierecht.

Na artikel 1 Grondwet, dat in de eerste volzin opdraagt gelijke gevallen gelijk te behandelen en in de tweede volzin verbiedt om te discrimineren, maakt artikel 2 Grondwet direct duidelijk dat dat niet betekent dat er tussen personen geen belangrijke verschillen kunnen zijn die onderscheid in behandeling kunnen rechtvaardigen. Een van de voornaamste gronden die onderscheid kan rechtvaardigen is het nationaliteitscriterium. Nederlanders hebben een streepje voor. Zo zijn de grondwettelijke gelijk-benoembaarheidseis (artikel 3 Grondwet), de kiesrechtbepaling (artikel 4 Grondwet), het recht op vrije arbeidskeuze (artikel 19, derde lid, Grondwet) en de aanspraak op bijstand (artikel 20, derde lid, Grondwet) slechts op hen van toepassing.

Artikel 2, eerste lid, Grondwet draagt de regeling van het Nederlanderschap op aan de wetgever. Nu deze bepaling de term ‘regelt’ bevat is delegatie mogelijk. Er is nogal wat gedelegeerde regelgeving tot stand gekomen, overigens met een voornamelijk uitvoerend en technisch karakter.

Gezien de aard van de materie, en het gegeven dat artikel 3, eerste lid, onder c van het Statuut het Nederlanderschap onder de aangelegenheden van het Koninkrijk noemt en derhalve uitgaat van één ongedeelde en uniforme nationaliteit welke rijkswetgeving vereist, is delegatie aan decentrale ambten ontoelaatbaar. Uiteenlopend provinciaal of gemeentelijk nationaliteitsrecht zou daarenboven in strijd komen met bepalingen als artikel 1 Grondwet.

Het Nederlanderschap vindt regeling in de Rijkswet op het Nederlanderschap (Rwn).[4] Bovendien zijn er internationale voorschriften met betrekking tot nationaliteit, zoals het Europees verdrag inzake nationaliteit.[5] In dit verband dient verder melding gemaakt te worden van de Wet betreffende de positie van Molukkers[6], op grond waarvan Molukkers die door Nederlandse regering in groepsverband in 1951/2 naar Nederland zijn overgebracht (en hun afstammelingen) bij de toepassing van de Nederlandse wetgeving – daargelaten het kiesrecht – worden behandeld als ware zij Nederlanders.
 
De regeling van het verkrijgen van het Nederlanderschap in de Rijkswet[7] is in grote lijnen als volgt.[8]Ten eerste is er de verkrijging van rechtswege. Hoofdregel is dat Nederlander is het kind van wie de vader of moeder ten tijde van de geboorte Nederlander is (ius sanguinis, artikel 3, eerste lid, Rwn). Dit beginsel leidt er veelal toe dat personen een dubbele nationaliteit hebben (bipatriden), nu ook andere staten vaak deze regel aanhangen. Voorts is er de ‘derde-generatiegel’,[9] inhoudend dat een kind Z dat ten tijde van zijn geboorte in Nederland hoofdverblijf heeft, waarvan een der ouders (Y) ten tijde van de geboorte van Z ook in Nederland hoofdverblijf heeft, en waarvan een der ouders (X) van die ouder (Y) op het tijdstip van de geboorte van Y in Nederland hoofdverblijf had, de Nederlandse nationaliteit heeft (artikel 3, derde lid, Rwn: niet een ius soli – dat vraagt slechts geboorte op het grondgebied – maar een ius domicilii). Meervoudige nationaliteit komt dan ook veel voor, hoewel de Rijkswet uitgaat van een voorkeur van een enkelvoudige nationaliteit.[10] Thans zijn er rond 1,3 miljoen Nederlanders met een meervoudige nationaliteit.

Naast verkrijging van rechtswege (artikel 3 Rwn, zie ook artikel 4-5c Rwn) kan men het Nederlanderschap verkrijgen door optie, alsmede door verlening (dit laatste meestal aangeduid als naturalisatie). Artikelen 6-6a Rwn regelen de optie (verklaring), artikelen 7-13 Rwn betreffen de verlening. De optie is onder meer mogelijk voor de toegelaten meerderjarige vreemdeling die in Nederland is geboren en daar sedert zijn geboorte hoofdverblijf heeft. De verlening van het Nederlanderschap (naturalisatie) geschiedt op verzoek, bij koninklijk besluit.[11] Artikel 8 Rwn bepaalt dat daarvoor in aanmerking komen verzoekers die meerderjarig zijn, tegen wier verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland geen bedenkingen bestaan, die ten minste vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek in Nederland of de overzeese gebiedsdelen toelating en hoofdverblijf hebben gehad en die in de samenleving als ingeburgerd kunnen worden beschouwd. In bepaalde gevallen is een van deze eisen niet van toepassing of gelden kortere termijnen. Artikel 9 Rwn bevat daarnaast nog een aantal afwijzingsgronden, waaronder gevaar voor de openbare orde (eerste lid, onder a), alsmede het niet al het mogelijke gedaan hebben of zullen doen om de nationaliteit van het land van herkomst kwijt te raken (eerste lid, onder b).
 
De artikelen 14-16A Rwn regelen het verlies van het Nederlanderschap. Zo gaat het Nederlanderschap voor de meerderjarige onder meer verloren door intrekking (bijvoorbeeld vanwege bedrog of een veroordeling voor bepaalde misdrijven); het vrijwillig verkrijgen van een andere nationaliteit; of een verklaring van afstand. In het oog springen de recent ingevoerde mogelijkheden om de Nederlandse nationaliteit in te trekken vanwege betrokkenheid bij terroristische activiteiten (artikel 14, tweede lid, onder b en artikel 14, vierde lid, Rwn). Minderjarigen verliezen hun Nederlanderschap in de in artikel 16 en 16A Rwn opgesomde gevallen. Een minderjarige verliest overigens nooit het Nederlanderschap, zolang een van de ouders die ook bezit (artikel 16, tweede lid, onder a Rwn). Bovendien kan men ingevolge artikel 14, achtste lid, Rwn nimmer – behoudens in geval van fraude e.d. - het Nederlanderschap verliezen als dat staatloosheid (apatridie) als gevolg zou hebben,[12] ook niet vanwege bijvoorbeeld betrokkenheid bij terroristische activiteiten.

Van groot belang is artikel 15, tweede lid, Rwn, op grond waarvan veel ‘expats’ in afwijking van artikel 15, eerste lid, onder a, Rwn bij verkrijging van een andere nationaliteit het Nederlanderschap niet verliezen. Van aanzienlijk actueel belang is op dit moment (december 2020) daarnaast de Rijkswet inperking gevolgen Brexit.[13] Op grond van deze rijkswet zullen Nederlanders, die op grond van een aanvraag binnen een bepaald tijdvak – vanaf het Brexit-referendum (juni 2016) tot zes maanden na inwerkingtreding van de rijkswet of 18 maanden na het verkrijgen van een zogenaamde ‘settled status’ - de Britse nationaliteit verkrijgen, hun Nederlandse nationaliteit in afwijking van artikel 15, eerste lid, onder a Rwn behouden. Hierbij is beoogd de rond 100.000 Nederlanders wonend in het Verenigd Koninkrijk zekerheid te bieden in het geval zij zich genoodzaakt zien vanwege het vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie (Brexit) ook de Britse nationaliteit aan te nemen. Of de rijkswet in werking zal treden is afhankelijk van de vraag of de rechten van Nederlanders in het Verenigd Koninkrijk na de Brexit voldoende gewaarborgd zijn, aldus artikel 4, eerste lid van de rijkswet. Op 24 december 2020 is overeenstemming bereikt over een Handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk[14], die mogelijk deze waarborgen zal bieden.
 
Het kan voor een persoon van groot belang zijn om vast te doen stellen of hij Nederlander is, onder meer nu aan het Nederlanderschap belangrijke rechten verbonden zijn. Men denke slechts aan het verblijfsrecht, het kiesrecht en de benoembaarheid in een aantal openbare functies. In verband daarmee bevatten artikelen 17-20 Rwn een aantal bepalingen inzake de vaststelling van het Nederlanderschap. De vaststelling geschiedt in beginsel door de rechtbank te Den Haag, die daartoe het openbaar ministerie hoort. Tegen de vaststelling is slechts beroep in cassatie bij de Hoge Raad mogelijk. Een onherroepelijke vaststelling bindt elk met de uitvoering van enige wettelijke regeling belast ambt, aldus artikel 19 Rwn.
 
Een bijzondere procedure bieden de artikelen 22a-c Rwn, ten aanzien van een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap vanwege aansluiting bij een organisatie die de nationale veiligheid bedreigt (artikel 14, vierde lid, Rwn). Tegen een dergelijk besluit staat ingevolge artikel 22a, eerste lid, Rwn beroep open bij de rechtbank Den Haag, met hoger beroep op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.[15] Bij gebreke van een beroep van de belanghebbende[16] dient de minister van Justitie op grond van artikel 22a, derde lid, Rwn de rechtbank van zijn besluit in kennis te stellen. Met die kennisgeving wordt de belanghebbende geacht beroep ingesteld te hebben tegen het besluit. De rechter moet beoordelen of het besluit in strijd is met de wet dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, aldus artikel 22a, vijfde lid, Rwn. De Afdeling bestuursrechtspraak acht deze procedure niet in strijd met het beginsel van effectieve rechtsbescherming als vervat in artikel 47 van het EU-Grondrechtenhandvest.[17]
 
 

 

3. Nationaliteit, burgerschap en de multiculturele samenleving

 
De regulering van het Nederlanderschap en in het bijzonder de mogelijkheid van een dubbele nationaliteit is de afgelopen 20 jaar sterk gepolitiseerd.[18] Die politisering vloeit voort uit de verscherping van het maatschappelijke, politieke en juridische klimaat inzake immigratie en integratie, sterk bepaald door de aanslagen van Al Qaida op de Twin Towers in New York, de moorden op Fortuyn in 2002 en Van Gogh in 2004, en de terroristische aanslagen in West-Europese steden. Deze en andere gebeurtenissen hebben voedsel gegeven aan de opvatting dat massa-immigratie heeft geleid tot een ‘multicultureel drama’,[19] waarbij met name de islam als oorzaak wordt aangewezen. In reactie hierop is in toenemende mate van nieuwkomers gevraagd zich met de ontvangende Nederlandse samenleving te identificeren (daarin te integreren), vooraleer aan hen gelijke rechten worden toegekend. In dit licht is de Rijkswet op het Nederlanderschap in 2003 gewijzigd.[20] De naturalisatieprocedure wordt daarin niet langer primair gezien als een aansporing tot integratie, maar veeleer als een instrument om vast te stellen of een immigrant zijn integratieproces heeft voltooid en in staat is volwaardig in de Nederlandse samenleving te functioneren.[21] In lijn hiermee is de naturalisatietoets verzwaard[22] en is de eis om afstand van de andere nationaliteit te doen om de Nederlandse nationaliteit te kunnen verwerven naar meer gevallen uitgebreid.[23] Bovendien moeten optanten en naturalisandi sinds 2009 in een verplicht gestelde ceremonie ter gelegenheid van de uitreiking van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap een eed of verklaring van verbondenheid afleggen, inhoudende dat ze de grondwettelijke orde van het Koninkrijk, haar vrijheden en rechten respecteren, en de plichten die het staatsburgerschap met zich brengt getrouw zullen vervullen (artikel 23, tweede lid, Rwn).

Deze regelingen, gericht op een sterke relatie met en bijdrage van de burger aan de Nederlandse staat, vormen een uitdrukking van de opvatting dat het Nederlanderschap niet een louter juridisch-staatkundige relatie is, maar een bijzondere band vooronderstelt. Die band houdt bij voorkeur een unieke loyaliteit met en inzet voor Nederland in. Anders gezegd: juridisch burgerschap (de Nederlandse nationaliteit) vooronderstelt burgerschap in psychologisch-morele en economische zin (geïntegreerd zijn; bij de Nederlandse natiestaat kunnen en willen horen; en daaraan een zinvolle bijdrage kunnen leveren).[24]
 
4. De toelating en uitzetting van Nederlanders
 
Artikel 2, tweede lid, Grondwet draagt de regeling van de toelating en uitzetting van vreemdelingen op aan de wetgever, maar zwijgt over Nederlanders. Dit doet de vraag rijzen of toelating en uitzetting van Nederlanders geoorloofd is. De Grondwet noch het Statuut geven hierover uitsluitsel.
In ieder geval is de wetgever bij het formuleren van een toelatings- en uitzettingsregeling met betrekking tot Nederlanders gebonden aan artikelen 2 en 3 Protocol 4 EVRM, alsmede aan artikel 12 van het IVBPR. Artikel 2 Protocol 4 EVRM en artikel 12 IVBPR waarborgen de verplaatsingsvrijheid, maar clausuleren deze. Artikel 3 Protocol 4 EVRM sluit uitzetting en beperking van het recht op terugkeer voor eigen onderdanen echter uitdrukkelijk uit. Artikel 12 IVBPR is minder categorisch en bepaalt in het vierde lid dat het terugkeerrecht niet ‘willekeurig’ ontnomen mag worden. Gelet op deze bepalingen zou het op het eerste gezicht voor de hand liggen ook in de Grondwet een recht op toelating en niet-uitzetting van Nederlanders op te nemen. De regering wilde echter de handen vrijhouden voor een eventuele toelatings- en uitzettingsregeling inzake Antilliaanse Nederlanders.[25] In verband daarmee heeft zij een verklaring als bedoeld in artikel 5, vierde lid, Protocol 4 EVRM afgelegd, alsmede een voorbehoud bij artikel 12 IVBPR gemaakt, inhoudend dat Nederland en de Nederlandse Antillen voor de toepassing van deze bepalingen als ‘separate territories’ aangemerkt worden.[26]
 
Ook het Statuut verzet zich niet tegen een regeling inzake toelating en uitzetting voor Nederlanders uit andere gebiedsdelen. Artikel 3, eerste lid, onder f van het Statuut bepaalt slechts dat het toezicht op algemene regels betreffende de toelating en uitzetting van Nederlanders een Koninkrijksaangelegenheid is. Uit deze formulering kan opgemaakt worden dat de regeling als zodanig van de toelating en uitzetting van Nederlanders een landsaangelegenheid is. Dat betekent derhalve dat de vier landen binnen het Koninkrijk de toelating van de uit andere landen van het Koninkrijk afkomstige Nederlanders in principe aan beperkingen kunnen onderwerpen.

Een regeling zoals van het land Curaçao, die beoogt aan de toelating van Nederlanders afkomstig uit het Europese deel – zij die geen ‘landskinderen’ zijn - beperkingen te stellen, is dus mogelijk. De Hoge Raad achtte aanvaardbaar dat de toenmalige Nederlandse Antillen in hun toelatingsbeleid onderscheid maakten tussen geboren en getogen Antillianen/Nederlanders (landskinderen, die onbeperkt recht op toelating en verblijf hebben) en andere Nederlanders die dat recht niet hadden. Een dergelijke regeling is niet in strijd met onder meer de gelijkheidsnorm van artikel 26 IVBPR. Het daarmee beoogde doel – de bescherming van de economische belangen van de (toenmalige) Nederlandse Antillen – is legitiem, en het betreffende toelatingsbeleid met het oog op dit doel proportioneel.[27] Pogingen om - spiegelbeeldig – de vestiging van Nederlanders afkomstig uit Aruba, Curaçao en Sint Maarten in Nederland te reguleren zijn tot op heden niet succesvol. Een wetsvoorstel in deze richting werd door de Raad van State kritisch beoordeeld vanuit het perspectief van de evenredigheid en de houdbaarheid in het licht van non-discriminatieverboden van het gemaakte onderscheid naar (nationale) afkomst.[28] In oktober 2016 verwierp de Tweede Kamer het voorstel.
 
Een toelatings- en verblijfsregeling, zonder voorwaarden voor de ‘landskinderen’ van Bonaire, St. Eustatius en Saba (Caribisch Nederland) maar met voorwaarden voor andere Nederlanders, zoals neergelegd in de Wet toelating en uitzetting BES[29], is evenmin discriminatoir. De gelijkheidsnorm van artikel 1 Grondwet, gelezen in het licht van de differentiatieclausule van artikel 132a, vierde lid, Grondwet, laat een dergelijk onderscheid toe. Het verschil in de sociaal-economische omstandigheden en de risico’s voor de kwetsbare arbeidsmarkt op de BES-eilanden kunnen rechtvaardigen dat voor deze eilanden wel een toelatingsregeling voor ‘Europese Nederlanders’ geldt, terwijl andersom geen toelatingsvoorwaarden worden gesteld.
 

5. Artikel 2, tweede lid, Grondwet: de toelating en uitzetting van vreemdelingen[30]


Op grond van het tweede lid van artikel 2 Grondwet moet de wetgever de toelating en uitzetting van vreemdelingen regelen. Op zichzelf laat de term ‘regelt’ delegatie toe. Aangenomen moet worden dat naar de aard van de zaak decentraal vreemdelingenrecht, net als decentraal nationaliteitsrecht, niet toegelaten is; het zou al snel met de gelijkheidsnorm van artikel 1 Grondwet in strijd komen.

De bevoegdheden, verblijfstitels en procedures zijn met name geregeld in de Vreemdelingenwet 2000. Inhoudelijke normen ten aanzien van toelating e.d. zijn vooral te vinden in een daarop gebaseerde AMvB – het Vreemdelingenbesluit 2000 – en wat betreft technische details in een krachtens subdelegatie gegeven ministeriële regeling – het Voorschrift Vreemdelingen 2000.[31] Anders dan artikel 2, tweede lid, Grondwet suggereert, bevatten deze algemeen verbindende voorschriften slechts een deel van de materiële normen met betrekking tot de toelating en uitzetting van vreemdelingen. Deze normen zijn daarnaast te vinden in beleidsregels, met name in enkele honderden pagina’s tellende Vreemdelingencirculaire 2000. Of vastlegging van de verblijfsrechtelijke positie van vreemdelingen in beleidsregels spoort met de legaliteitseisen die de grondwetgever voor ogen stonden, kan betwijfeld worden. De praktijk van het vreemdelingenbeleid kan echter niet zonder.
 
5.1 Structuur van de Vreemdelingenwet 2000[32]
 
Het vreemdelingenrecht is complex, onder meer door het specifieke, deels van de Algemene wet bestuursrecht afwijkende procedurerecht en de grote invloed van het internationale recht (EVRM, Vluchtelingenverdrag, Verdrag inzake de Rechten van het Kind) alsmede het Unierecht. Aan die complexiteit ligt een spanningsveld tussen twee normatieve uitgangspunten ten grondslag. Enerzijds is er het uitgangspunt van nationale soevereiniteit, die traditioneel ten aanzien van toelating en uitzetting van vreemdelingen groot is. Daartegenover staan internationale mensenrechtennormen en Unieregels, die die soevereiniteit juist vergaand beperken. Hier wordt volstaan met een korte beschrijving van de structuur van de Vreemdelingenwet 2000, en het aanstippen van de internationale en EU-normen die de nationale beleidsvrijheid ten aanzien van de toelating en uitzetting van vreemdelingen begrenzen en reguleren.
 
De Vreemdelingenwet 2000 is gestructureerd op basis van een volgorde in de tijd: de wet loopt min of meer parallel met het verloop van de vreemdelingenrechtelijke procedures. Daarnaast gaat de wet uit van een scherp onderscheid, veelal aangeduid als ‘waterscheiding’, tussen enerzijds vreemdelingen die asiel zoeken en anderzijds overige vreemdelingen die toelating vragen op een andere - merkwaardigerwijze als ‘regulier’ aangeduide - grond, zoals gezinshereniging, arbeid, studie etc.

Als gezegd, is de Vreemdelingenwet 2000 chronologisch opgebouwd: binnenkomst, rechtmatig verblijf op grond van een vergunning voor bepaalde respectievelijk vervolgens voor onbepaalde tijd, toezicht en vrijheidsbeperking en -beneming (al dan niet gericht op uitzetting), en als sluitstuk de rechtsbescherming. Hoofdstuk 2 Vw 2000 regelt de aanvang van het verblijf, de toegang van vreemdelingen. De wet doet dit in artikel 3[33] door te regelen aan wie de toegang wordt geweigerd. Het artikel bevat zelf enige criteria en verwijst verder naar regels bij of krachtens AMvB gesteld. Toegang duidt op feitelijke binnenkomst. Er is geen recht op verblijf als gevolg van de enkele verlening van toegang. Is de toegang geweigerd, dan moet de vreemdeling Nederland onmiddellijk verlaten (artikel 5), tenzij hij de zogeheten verblijfsvergunning asiel aanvraagt. Een vreemdeling aan wie de toegang is geweigerd kan worden verplicht zich op te houden in een bepaalde ruimte of plaats (artikel 6).

Hoofdstuk 3 bevat regels inzake rechtmatig verblijf: respectievelijk de kortdurende ‘vrije termijn’; de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd; de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd; de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd; en de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Artikel 8 Vw 2000 is hierin een kernbepaling, die uitputtend opsomt wanneer een vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf heeft. Rechtmatig verblijf is een voorwaarde om in aanmerking te kunnen komen voor verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen. Dit vloeit voort uit het zogenaamde ‘koppelingsbeginsel’, dat illegalen van toegang tot de verzorgingsstaat uitsluit (artikel 10, eerste lid), op enige basisvoorzieningen na (artikel 10, tweede lid).

5.2 Verblijfstitels

Afgezien van burgers van de Europese Unie en zij die beroep kunnen doen op het associatierecht EU-Turkije heeft een vreemdeling voor rechtmatig verblijf in principe een verblijfsvergunning nodig. Dat is echter niet het geval voor kortdurend verblijf (familiebezoek, toerisme etc.), dat maximaal zes maanden mag duren (artikel 12, tweede lid[34]). Artikel 8 sub i bezigt voor deze periode de term ‘vrije termijn’. Daarnaast zijn er, lopende de verblijfsrechtelijke procedure, wanneer een vreemdeling rechtens niet uitgezet mag worden, minder sterke vormen van legaal verblijf, aldus artikel 8, onder f e.v. Van groot belang is de opschortende of ‘schorsende werking’ lopende bepaalde ‘reguliere’ (artikel 73) respectievelijk asielprocedures (artikel 82).
 
Artikel 13 bepaalt wanneer een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning wordt ingewilligd. Dit geschiedt als ‘a) internationale verplichtingen daartoe nopen; b) met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, of c) klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen’. De wet onderscheidt vervolgens – uitgaande van de ‘waterscheiding’ tussen - reguliere en asielvergunningen, en bevat het volgordelijk onderscheid tussen tijdelijke en permanente verblijfsvergunningen – vier typen verblijfstitels. Dat zijn enerzijds de ‘verblijfsvergunningen regulier’,[35] onderverdeeld in de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (artikelen 14 e.v.) en de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (artikel 20 e.v.). Anderzijds zijn dat de ‘verblijfsvergunningen asiel’, dat wil zeggen vergunningen voor vluchtelingen[36] en met hen op een lijn gestelde asielgerechtigde personen, te onderscheiden in een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (artikelen 28 e.v.) respectievelijk voor onbepaalde tijd (artikelen 33 e.v.). Vanzelfsprekend bestaat er verschil tussen deze verblijfstitels, zowel wat betreft de criteria voor de verlening ervan, als wat betreft de aanspraken die de vergunninghouder eraan ontleent. De verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd kan niet onder beperkingen worden verleend en er kunnen geen voorschriften aan worden verbonden (artikel 20, tweede lid). Verder is intrekking slechts op beperkte gronden mogelijk (artikel 22). Hetzelfde geldt voor de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd (artikel 35).

5.3 Toezicht, vrijheidsbeperking en -beneming
 
Hoofdstuk 4 van de Vreemdelingenwet 2000 (artikelen 46 e.v.) is met name van belang omdat het een aantal ambtenaren met belangrijke toezichtsbevoegdheden uitrust. Zij kunnen in bepaalde gevallen personen staande houden, hen overbrengen naar een plaats voor verhoor en aan hun kleding of lichaam onderzoeken, voertuigen, vaartuigen en vliegtuigen onderzoeken, reis- en identiteitspapieren innemen en in bewaring nemen en woningen betreden (artikelen 50-53). Verder kunnen aan de vreemdeling diverse verplichtingen worden opgelegd, zoals de plicht tot kennisgeving van de verblijfplaats, tot verlenen van medewerking aan identificatie en aan medisch onderzoek, tot (periodieke) aanmelding etc. (artikel 54). Ook fouillering en onderzoek van bagage is mogelijk (artikel 55).

Vergaande maatregelen zijn vervat in hoofdstuk 5, dat handelt over vrijheidsbeperking en vrijheidsontneming. Krachtens artikel 56 e.v. kan de vrijheid van beweging van een vreemdeling worden beperkt. Als de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen, kan de vreemdeling verplicht worden zich op te houden in een bepaalde ruimte of plaats (artikel 57), welke indien nodig voor de uitzetting tegen ongeoorloofd vertrek beveiligd kan worden (vrijheidsbeneming ex artikel 58). Daarnaast is er de vreemdelingenbewaring (vrijheidsbeneming met het oog op uitzetting, artikel 59).
Volgens hoofdstuk 6 moet een vreemdeling die niet (langer) rechtmatig in Nederland verblijft het land uit eigen beweging verlaten (artikel 61). Nu zal niet iedere vreemdeling geneigd zijn dit te doen. Hij kan dan worden uitgezet (artikelen 63 e.v.).[37] De minister kan in bepaalde gevallen een vreemdeling ongewenst verklaren, in welk geval deze per definitie geen rechtmatig verblijf (meer) kan hebben (artikel 67) en zijn verblijf alhier strafbaar is (artikel 197 Sr).

5.4 Rechtsbescherming
 
Gezien de vele ingrijpende besluiten en handelingen ten aanzien van de vreemdeling is diens rechtsbescherming van groot belang. In beginsel is de Algemene wet bestuursrecht (bezwaar, beroep, hoger beroep) van toepassing, maar onder meer hoofdstuk 7 van de Vreemdelingenwet bevat daarop veel afwijkingen. Zo is er in asielzaken geen bezwaarfase (artikel 80), maar – alleen - een voornemenprocedure (artikel 39), waarbinnen verschillende varianten met verschillende termijnen onderscheiden worden.[38] In asielzaken wordt in plaats van de gebruikelijke rechterlijke beoordeling naar het tijdstip van het besluit (ex tunc) een ex nunc-beoordeling voorgeschreven (artikel 83). De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift is vier weken, voor beroep soms slechts één week (artikel 69, eerste en tweede lid). In een aantal gevallen heeft het indienen van bezwaar of beroep schorsende werking (artikelen 73 en 82). Ten aanzien van vrijheidsbeperkende en -benemende maatregelen is er evenals bij asielzaken geen bezwaarfase (artikel 75), en in diverse gevallen staat geen hoger beroep op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State open (artikel 84; maar zie de uitzondering daarop in artikel 95, eerste lid ten aanzien van vrijheidsontnemende maatregelen). Ten slotte: in de procedure bij de Afdeling wordt een grievenstelsel gehanteerd, waarbij de Afdeling zich kan beperken tot de beoordeling van de aangevoerde grieven (artikel 91, eerste lid). Wanneer in het hoger beroepschrift geen rechtsvragen aan de orde gesteld zijn die in het belang van de rechtseenheid, -ontwikkeling of -bescherming in algemene zin (de zogenaamde ‘tritsvragen’) beantwoording behoeven en hetgeen daarin is aangevoerd niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak kan leiden, kan zonder nadere motivering met dat oordeel volstaan worden (artikel 91, tweede lid). Deze wijze van verkorte afdoening vindt in verreweg de meeste gevallen plaats.
 
5.5 Unieburgers[39]
 
Zoals hiervoor reeds werd opgemerkt, wordt de beleidsvrijheid van de Nederlandse overheid om de toelating en uitzetting van vreemdelingen te reguleren in belangrijke mate beperkt door internationaal en EU-recht. Daarbij moet onderscheid gemaakt worden tussen burgers van de Europese Unie en hun naaste familieleden enerzijds, en overige vreemdelingen.

Burger van de Unie is eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit.[40] Unieburgers hebben het recht om zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en aldaar te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij het EU-werkingsverdrag en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld, aldus artikel 20, eerste lid en 21, eerste lid, VWEU. Artikel 45 inzake het vrij werknemersverkeer en artikel 49 inzake de vrijheid van vestiging bevatten nadere waarborgen voor werknemers en zelfstandigen. Een en ander is verder uitgewerkt in richtlijn 2004/38, op grond waarvan EU-burgers en hun naaste familieleden zich vrij kunnen bewegen naar en verblijven in andere lidstaten. Beperkingen zijn slechts mogelijk op grond van openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid inclusief voldoende ziektekostenverzekering, en ter voorkoming van het ten laste komen van de openbare kas (bijstand).

5.6 Recht op gezinsleven
 
Ten aanzien van ‘derdelanders’ - niet EU-burgers - die niet onder een geprivilegieerd EU-rechtelijk regime (geen familielid zijn van een Unieburger) vallen heeft de Nederlandse overheid een beduidend grotere beleidsvrijheid om een eigen toelatings- en uitzettingsbeleid te voeren. Ook dan gelden echter belangrijke begrenzingen, die primair voortvloeien uit het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en daarmee parallelle EU-regelingen. Daarin zijn drie soorten normen te onderscheiden: normen met het oog op de bescherming van het gezinsleven, ten aanzien van asiel en met betrekking tot procedurele zorgvuldigheid. Deze zullen hier kort aangestipt worden. Het Europees arbeidsmigratierecht en de positie van internationale studenten wordt niet besproken.[41]
 
Ten eerste is er het recht op gezinsleven zoals gewaarborgd door artikel 8 EVRM. Deze bepaling houdt geen algemeen recht in op toegang en verblijf in een land waar andere familieleden wonen. Zo houdt artikel 8 EVRM niet een algemene verplichting voor de staat in om de woonplaatskeuze van echtparen en andere gezinsleden te respecteren en hun dienovereenkomstig recht op gezinshereniging op zijn grondgebied te verlenen.[42] Niettemin kan het vereiste van een ‘fair balance’ tussen de persoonlijke belangen van het individu en zijn gezin enerzijds en van de gemeenschap als geheel anderzijds in bijzondere omstandigheden een positieve verplichting met zich brengen om gezinshereniging toe te staan. Of sprake is van een positieve verplichting hangt af van de mate waarin het gezinsleven anders daadwerkelijk aangetast zou worden: de sterkte van de banden met de ontvangende staat en de (on)overkomelijkheid van obstakels die er aan in de weg staan om het gezinsleven in het land van oorsprong uit te oefenen.[43] Tot nu toe heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens alleen positieve verplichtingen aangenomen in zaken van gezinnen met jonge kinderen, die waren geboren, geïntegreerd en legaal verblijf hebben (gehad) in het land van ontvangst.[44] Het Hof gaat daarbij zeker niet zover dat artikel 8 EVRM een troefkaart is die altijd toelating vereist als kinderen in de ontvangende staat beduidend beter af zijn.[45]

Indien het besluit de strekking heeft de vreemdeling op grond van openbare orde-redenen een verblijfstitel te ontnemen die hem tot het uitoefenen van het gezinsleven in Nederland in staat stelt, dan wel strekt tot ongewenst-verklaring, is per definitie sprake van inmenging, welke moet voldoen aan de beperkingsclausule van artikel 8, tweede lid, EVRM.[46] Daarbij moeten de, naar het betreffende arrest genoemde, Boultif-criteria in acht worden genomen.[47] Zowel bij de toetsing van een weigering van een eerste toelating – meestal bezien vanuit de vraag of daarmee een positieve verplichting geschonden wordt – als van het ontnemen van een verblijfstitel, waarbij sprake is van een inmenging en aan de orde is of de inbreuk op de in het eerste lid van artikel 8 EVRM neergelegde negatieve (onthoudings)verplichting voldoet aan het tweede lid, staat de evenredigheid centraal. Zoals reeds gezegd, laat het Hof de staat bij de toetsing van weigering van een eerste toelating beduidend meer ruimte, een grotere ‘margin of appreciation’.

Van belang is ten slotte dat bij maatregelen die gezinshereniging beperken geen discriminerend onderscheid wordt gemaakt. Zo oordeelde het EHRM dat sprake was van schending van artikel 8 jo. 14 EVRM in een geval waarbij de beperkende regels strenger waren voor vluchtelingen dan voor werknemers of studenten.[48]
 
Naast artikel 8 EVRM is ook het Unierecht van groot belang. In het bijzonder valt te wijzen op de Gezinsherenigingsrichtlijn (richtlijn 2003/86) die onder meer de maatstaven van artikel 8 EVRM nader concretiseert en preciseert, maar daaraan nadere specifieke eisen aan toevoegt. Daarmee is niet meer enkel een globaal kader voor belangenafweging gegeven, maar ook een recht op gezinshereniging, met nauw omlijnde beperkingsgronden.[49] Zo oordeelde het Hof van Justitie dat het algemeen hanteren van een inkomensvereiste van 120 procent van het minimumloon bij gezinsvorming met artikel 7, eerste lid, onder c van de richtlijn in strijd is.[50] Wat betreft het in artikel 16, eerste lid, onder h Vw 2000 neergelegde vereiste van het aanvangen van inburgering in het buitenland, het niveau waarvan aan de hand van een toets aldaar voldoende beoordeeld moet worden om een visum voor gezinshereniging of -vorming te verkrijgen, heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat dit vereiste op zichzelf door de beugel van de richtlijn kon[51], maar stelde daar wel proportionaliteitseisen aan.

Merkwaardig is, dat de Gezinsherenigingsrichtlijn niet van toepassing is op de hereniging van derdelanders met Nederlanders (artikel 3, derde lid, van de richtlijn). Een dergelijke ‘omgekeerde discriminatie’, die de mogelijkheid open laat van een slechtere behandeling van de eigen burgers ten opzichte van vreemdelingen, is niet eenvoudig te rechtvaardigen.[52] Het is begrijpelijk dat de Afdeling bestuursrechtspraak heeft geoordeeld dat de Gezinsherenigingsrichtlijn in het Nederlandse recht zo is omgezet dat de bepalingen van de richtlijn ook geacht moeten worden te zien op Nederlanders met een derdelander-gezinslid.[53]
 
5.7 Asielrecht
 
Ook andere internationale en EU-normen stellen grenzen aan het nationale migratiebeleid. Dat betreft met name bepalingen die verbieden om asielzoekers te verwijderen naar een land waar zij in een mensenrechtelijk onaanvaardbare situatie terecht kunnen komen: de ‘refoulementverboden’.[54] Als betrokkene door een dergelijk verbod tegen uitzetting is beschermd, zal daaruit meestal ook op grond van artikel 29, eerste lid, Vw 2000 een aanspraak op een verblijfstitel uit voortvloeien. Bovendien wordt aan meegereisde of binnen een bepaalde termijn nagereisde gezinsleden dan een ruime mogelijkheid tot gezinshereniging geboden op grond van artikel 29, tweede lid, Vw 2000.

Het bekendste expliciete refoulementverbod is artikel 33, eerste lid, Vluchtelingenverdrag, dat luidt: ‘Geen der Verdragsluitende Staten zal, op welke wijze ook, een vluchteling uitzetten of terugleiden naar de grenzen van een grondgebied waar zijn leven of vrijheid bedreigd zou worden op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging.’ Een ander uitdrukkelijk geformuleerd verwijderingsverbod is vervat in artikel 3, eerste lid, van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing: ‘Geen enkele Staat die partij is bij dit Verdrag, mag een persoon uitzetten of terugzenden (“refouler”) naar of uitleveren aan een andere Staat wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat hij daar gevaar zou lopen te worden onderworpen aan foltering.’

Daarnaast vloeien uit andere verdragsbepalingen ‘impliciete verwijderingsverboden’ voort. Deze bepalingen verbieden niet uitdrukkelijk dat een vreemdeling in bepaalde gevallen verwijderd wordt. Zij verbieden (slechts) dat hij binnen de rechtsmacht van de betreffende staat onderworpen wordt aan een mensenrechtelijk onaanvaardbare behandeling (zie bijvoorbeeld artikel 1 EVRM). Niettemin wordt een staat die de betrokkene door verwijdering aan het reële risico van zo een behandeling blootstelt voor dat resultaat verantwoordelijk gehouden, ook al zijn het anderen buiten zijn rechtsmacht die de persoon in kwestie aan die behandeling onderwerpen. Men zou deze aansprakelijkheid kunnen kwalificeren als een vorm van indirect of middellijk daderschap: als de verwijderingshandeling een cruciaal onderdeel vormt in de keten van gebeurtenissen, culminerend in een dergelijke behandeling, dan is (ook) de verwijderende staat voor die behandeling verantwoordelijk. Het belangrijkste impliciete refoulementverbod vormt artikel 3 EVRM: ‘Niemand mag worden onderworpen aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen.’ Op grond van vaste jurisprudentie van het EHRM sinds eind jaren tachtig[55] vormt verwijdering naar een land waar iemand het reële risico (real risk) loopt aan zo een behandeling te worden onderworpen een schending van artikel 3 EVRM door de verwijderende verdragsstaat op. Ook artikel 2 EVRM (recht op leven) kan geschonden worden, in het bijzonder wanneer sprake is van een doodstrafrisico in het land waarnaar de verwijdering plaatsvindt.[56]
De verhouding tussen de twee belangrijkste refoulementverboden, artikel 33 Vluchtelingenverdrag en artikel 3 EVRM, is complex. Verondersteld mag worden dat de risicocriteria – ‘gegronde vrees’ respectievelijk ‘real risk’[57]– grofweg identiek zijn. Niettemin is artikel 3 EVRM ruimer dan artikel 33 Vluchtelingenverdrag. Zo heeft artikel 3 EVRM anders dan het Vluchtelingenverdrag – zie de uitsluiting van erkenning als vluchteling in artikel 1F (o.a. oorlogsmisdadigers) en artikel 33, tweede lid (criminelen) – een absoluut karakter en kent het dus geen uitzonderingen.[58] Artikel 3 EVRM is anders dan artikel 33 Vluchtelingenverdrag ook niet gekoppeld aan bepaalde vervolgingsgronden. Het verbiedt ook verwijdering naar onmenselijke omstandigheden die niet het gevolg zijn van vervolging maar bijvoorbeeld van extreme hongersnood[59] of van ontoereikende medische zorg voor een terminale patiënt.[60] Ten slotte vindt toetsing aan het Vluchtelingenverdrag slechts plaats door de nationale rechter, terwijl toetsing aan artikel 3 EVRM ook door de internationale rechter, het EHRM, plaatsvindt.

Ook het Unierecht is een belangrijke bron van asielrecht, met als laatste interpreterende rechter het Hof van Justitie van de EU. Artikel 19, tweede lid, van het EU-Grondrechtenhandvest bevat een aan artikel 3 EVRM ontleend expliciet refoulementverbod. En zoals artikel 8 EVRM een nadere concretisering heeft gekregen in de Gezinsherenigingsrichtlijn, zo zijn de refoulementverboden in het EVRM en het Vluchtelingenverdrag inspiratiebron voor de Kwalificatierichtlijn (richtlijn 2011/95). Artikel 33 Vluchtelingenverdrag vindt nadere concretisering in de artikelen 5-12 van deze richtlijn. Artikel 15 van de richtlijn biedt bescherming ingeval bij uitzetting sprake is van een reëel risico op (a) doodstraf of executie, (b) foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, of (c) ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. De (a)-grond correspondeert met artikel 2 EVRM (recht op leven) en de (b)-grond met artikel 3 EVRM. Naar het oordeel van het Hof van Justitie in het Elgafaji-arrest voegt de (c)-grond een extra dimensie toe, naast de bescherming tegen individuele risico’s bestreken door artikel 2 en 3 EVRM, door ook situaties van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict - waarin het risico categoriaal-generiek is - als grond voor een refoulementverbod aan te merken.[61] Daarmee miskende het Hof van Justitie de jurisprudentie van het EHRM, waarin een dergelijk risico evenzeer onder artikel 3 EVRM valt.[62]
 
Daarnaast is het Unierecht van belang doordat de overdracht van asielzoekers naar het voor de beoordeling van het asielverzoek relevante EU-land (vaak het land van binnenkomst) geregeld wordt door de zogenaamde Dublin II-verordening (verordening 343/2003; gewijzigd in de Dublin III-verordening 604/2013). Uitgangspunt van deze verordening is het interstatelijk vertrouwensbeginsel.[63] Op grond van dit beginsel mag ervan uitgegaan worden dat de overnemende, verantwoordelijke EU-lidstaat veilig is, in de zin dat deze staat bij de behandeling van het verzoek het EVRM en het Vluchtelingenverdrag in acht neemt, zodat er geen risico is van indirect refoulement (veroorzaakt doordat deze staat in strijd met genoemde verdragen refouleert, waarvoor ook de overdragende staat verantwoordelijk is). Dit vertrouwen geldt evenwel niet onvoorwaardelijk, en is dus voor weerlegging vatbaar.[64] Zo oordeelde het EHRM dat Dublin-overdracht door België aan Griekenland vanwege de uiterst gebrekkige asielprocedure aldaar in strijd is met artikel 3 EVRM.[65]
           
Het Dublin-systeem staat al een aantal jaren onder druk. In het bijzonder de asielcrisis sinds 2015, waarbij grote aantallen asielzoekers uit Syrië en Afrika naar Europese landen doorreisden, bracht en brengt met zich dat de (eerste) opvang en verantwoordelijkheid voor die asielzoekers eenzijdig ligt bij Turkije, Libanon en zuidelijke Europese lidstaten, met name Griekenland, Italië en de Balkanlanden. In antwoord daarop werd in maart 2016 een akkoord gesloten tussen een aantal EU-lidstaten met Turkije[66] (de zogenoemde ‘Turkije-deal’), waarbij Turkije als veilig derde land aangemerkt werd (hoewel dit land asielzoekers uit niet-Europese landen niet als vluchteling erkent[67]). Resultaat daarvan was dat Turkije, onder meer in ruil voor miljarden euro’s en de belofte van vrijstelling van het visumvereiste, asielzoekers belette naar Europa door te reizen.[68] Daarnaast bouwden de Balkanlanden muren en hekken en versterkten ze ook anderszins hun grensbewaking. EU-besluiten om te komen tot een zekere herverdeling ten gunste van Griekenland en Italië mislukten, onder meer vanwege verzet van Hongarije, Polen en Tsjechië. Deze landen zijn door het Hof van Justitie in een inbreukprocedure veroordeeld[69]; effect heeft dat niet gehad. Onlangs heeft de Commissie een voorstel voor een nieuw Migratie- en asielpact ingediend.[70]
 
5.8 Procedurele eisen[71]

Naast inhoudelijke waarborgen ten behoeve van het recht op gezinsleven en bescherming tegen refoulement vloeien uit internationaal en EU-recht ook eisen van procedurele aard voort. Zo vereist artikel 13 EVRM dat in immigratiezaken[72] een effectief rechtsmiddel (‘effective remedy’) openstaat tegen beweerdelijke schendingen van onder meer artikel 3 en 8 EVRM. In asielzaken moet dan sprake zijn van een strenge toetsing (‘rigorous scrutiny’).[73] Grote impact hebben de zogenaamde ‘interim measures’ van (de President van) het EHRM, waarin lidstaten verzocht wordt, hangende een nadere beoordeling door het Hof van een klacht op grond van artikel 3 EVRM, om de uitzetting van de asielzoeker op te schorten. Deze ordemaatregelen, hoewel slechts gebaseerd op artikel 39 van de Rules of the Court (het door het Hof opgestelde Procesreglement), zijn rechtens bindend nu naleving daarvan een vereiste is met het oog op de doeltreffende uitoefening van het individueel klachtrecht (artikel 34 EVRM).[74] Gevolg van een dergelijke ordemaatregel is dat de uitzetting niet alleen in het individuele geval maar ook in vergelijkbare gevallen opgeschort zal moeten worden. Daarnaast schrijft artikel 47 van het EU-Grondrechtenhandvest voor dat er in zaken waarin door het Unierecht gewaarborgde rechten en vrijheden in het geding zijn – zoals het refoulementverbod en het recht op gezinshereniging – een doeltreffende voorziening voor een rechterlijke instantie beschikbaar moet zijn. De Procedurerichtlijn (richtlijn 2005/85; gewijzigd bij richtlijn 2013/32) geeft uitgewerkte criteria die in de asielprocedure inclusief de procedure voor de rechter (artikel 46 van de richtlijn) in acht genomen moeten worden. Verder stelt artikel 5 EVRM specifieke eisen aan vreemdelingenbewaring en de rechterlijke toetsing daarvan,[75] en vloeien ook uit de Terugkeerrichtlijn (richtlijn 2008/115) ter zake relevante maatstaven voort.[76]


6. Artikel 2, derde lid, Grondwet: uitlevering[77]

 
6.1 Uitlevering, overlevering
 
Artikel 2, derde lid, Grondwet bepaalt dat uitlevering slechts kan geschieden krachtens verdrag en dat verdere voorschriften omtrent uitlevering bij de wet gegeven worden. De wettelijke regeling is vervat in de Uitleveringswet (Uw).[78] Deze wet is een van de zeldzame voorbeelden van een wet die beoogt de verdragsluitende bevoegdheid van de regering te normeren. Zo mag de regering in principe geen verdrag sluiten krachtens welk uitlevering van Nederlanders kan plaatsvinden (artikel 4, eerste lid, Uw), hoewel de Grondwet zelf daarover niets bepaalt.

Zoals gezegd, geschiedt uitlevering slechts krachtens verdrag. Nederland heeft een groot aantal bilaterale en multilaterale uitleveringsverdragen gesloten. Te denken valt aan het Europees verdrag inzake uitlevering, met drie daarbij behorende protocollen.[79] Ten aanzien van dit verdrag moet evenwel in het oog worden gehouden dat het niet meer van toepassing is in de relatie van Nederland met de lidstaten van de Europese Unie. In die betrekkingen geldt het (EU) Kaderbesluit betreffende het Europees Aanhoudingsbevel, en vindt de Overleveringswet[80] toepassing. In de verhouding tot de lidstaten van de Raad van Europa die geen EU-lidstaat zijn geldt het Europees verdrag inzake uitlevering nog wel, en is de Uitleveringswet nog steeds wel van toepassing. Ten aanzien van de overige landen geldt uiteraard het daarmee gesloten uitleveringsverdrag en de Uitleveringswet.
Artikel 5 Uw regelt de gevallen waarin uitlevering mag geschieden. Het stelsel komt er – enige uitzonderingen daargelaten – op neer dat uitlevering kan plaatsvinden voor feiten waarvoor zowel volgens het recht van de verzoekende staat als naar Nederlands recht een vrijheidsstraf van minimaal een jaar kan worden opgelegd. Artikel 8 Uw verbiedt uitlevering indien volgens het recht van de verzoekende staat de doodstraf is gesteld op het feit waarvoor de uitlevering is gevraagd. Uitlevering kan echter toch plaatsvinden als naar het oordeel van de minister voldoende is gewaarborgd dat die straf, wanneer veroordeling mocht volgen, niet ten uitvoer zal worden gelegd. Ook de artikelen 9 tot en met 12 Uw sommen een aantal gevallen op waarin uitlevering niet of slechts onder voorwaarden is toegestaan. Het betreft hier onder meer verjaring naar Nederlands recht; een gegrond vermoeden dat strafoplegging in de verzoekende staat geschiedt in verband met de godsdienstige of politieke overtuiging, de nationaliteit, het ras of de bevolkingsgroep waartoe de opgeëiste persoon behoort; jeugdige of hoge leeftijd; de gezondheidstoestand; strafbare feiten van politieke aard; militaire en fiscale delicten (tenzij het verdrag anders bepaalt). Uitlevering is een tweezijdige rechtshandeling;[81] zij geschiedt op verzoek. De minister van Justitie beslist omtrent de uitlevering, nadat de rechter (de rechtbank, met mogelijkheid van cassatie bij de Hoge Raad) een oordeel heeft gegeven omtrent de toelaatbaarheid ervan. Luidt het rechterlijk oordeel dat de uitlevering, anders dan wegens ongenoegzaamheid van de stukken, ontoelaatbaar is, dan wijst de minister het verzoek af (artikel 33 Uw).

6.2 Mensenrechtenexcepties
 
Omstreden is in hoeverre de uitleveringsrechter ook buiten de hiervoor in de Uw genoemde gronden uitlevering ontoelaatbaar mag verklaren wegens het risico van mensenrechtenschendingen in de uitlevering vragende staat.[82] De wet geeft hem daartoe geen bevoegdheid.[83] Verder is er volkenrechtelijk geen hiërarchie tussen verdragen, en dus ook geen automatische voorrang voor mensenrechtennormen.[84] Bovendien wordt in het uitleveringsrecht uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.[85] Vanwege de verdragsband mag aangenomen worden dat de uitlevering vragende staat de mensenrechten van de opgeëiste persoon zal eerbiedigen. Niettemin kan het vertrouwensbeginsel uitzondering lijden.

De jurisprudentie op dit punt was nogal wisselend.[86] Deze komt er blijkens een overzichtsarrest uit 2017[87] al met al op neer, dat de uitleveringsrechter in beginsel moet uitgaan van het vertrouwensbeginsel, en slechts een beperkte bevoegdheid heeft om uitleveringsverzoeken aan mensenrechten te toetsen. Het oordeel over een dreigende inbreuk op fundamentele rechten als bedoeld in met name de artikelen 3 en 6 EVRM is voorbehouden aan de minister. Is evenwel vast komen te staan dat sprake is van een voltooide inbreuk op artikel 3 EVRM, dan dient de uitleveringsrechter de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren. Datzelfde geldt wat betreft een uitleveringsverzoek ter tenuitvoerlegging van een strafrechtelijke veroordeling waarin een flagrante inbreuk is gemaakt op artikel 6 EVRM. Wat betreft dreigende schendingen van artikel 6 EVRM is ontoelaatbaarverklaring slechts aan de orde als vaststaat dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op zijn recht onder artikel 6 EVRM en in het betreffende land daartegen geen effectief rechtsmiddel openstaat.

Wanneer zich een mogelijke bevoegdheidslacune voordoet, dient (na toelaatbaarverklaring door de uitleveringsrechter) tegen de uitleveringsbeslissing van de minister bij de burgerlijke (rest)rechter opgekomen te worden. Verwacht mag worden dat deze rechter – ondanks het ontbreken van een duidelijke voorrang van mensenrechtenverdragen – ingeval van het risico van schending van EVRM-bodemnormen zoals artikel 2 en 3 EVRM de uitlevering zal verbieden.[88]Ten aanzien van artikel 3 EVRM zou voorrang op uitleveringsverdragen bepleit kunnen worden op de grond dat deze bepaling een dwingende norm van algemeen volkenrecht is als bedoeld in artikel 53 Weens Verdragenverdrag (ius cogens). Maar ook los daarvan zal dat het EHRM er niet van weerhouden om schending van het EVRM aan te nemen, ook al zou die schending voortvloeien uit de verplichting om een ander verdrag na te leven.[89]

 
6.3 Overlevering[90]
 
Hiervoor is reeds vermeld dat tussen de lidstaten van de EU niet het Europees uitleveringsverdrag, maar het Kaderbesluit betreffende het Europese aanhoudingsbevel geldt. De Overleveringswet (Olw)[91] is, een enkele uitzondering daargelaten, in de plaats getreden van de Uitleveringswet, aldus artikel 74 Olw.[92] Overlevering is een vereenvoudigde vorm van uitlevering.[93] Aan de eis in artikel 2, derde lid, Grondwet dat uitlevering – ook in de vorm van overlevering – krachtens een verdrag geschiedt, is voldaan doordat het Kaderbesluit berustte op artikel 34, tweede lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, en thans berust op artikel 82 VWEU.
 
De verschillen tussen uitlevering en overlevering zijn aanzienlijk. De overleveringsprocedure vangt niet aan met een uitleveringsverzoek maar met een Europees aanhoudingsbevel, een rechterlijke beslissing uitgevaardigd met het oog op aanhouding en overlevering door een andere lidstaat van een persoon, gezocht met het oog op strafvervolging of tenuitvoerlegging van straf. Besluitvorming hiervoor vindt, anders dan in uitleveringsprocedures waarin de minister een belangrijke rol speelt, uitsluitend plaats door de officier van justitie bij het parket te Amsterdam en de rechtbank Amsterdam (er staat alleen cassatie in het belang der wet open). In de uitleveringsverdragen en de Uw staan geen beslistermijnen; het Kaderbesluit schrijft daarentegen wel – strikte – beslistermijnen voor. Ten slotte bevat de Olw, anders dan de Uw, een algemene mensenrechtenexceptie, inhoudend dat overlevering niet is toegestaan in gevallen waarin er een gegrond vermoeden bestaat dat deze zou leiden tot flagrante schending van de fundamentele rechten van de betrokken persoon (artikel 11 Olw). Of dit tot een ruimere toetsing aan de hand van mensenrechtenverweren leidt dan in het kader van uitleveringsprocedures, valt te betwijfelen. Een beroep op artikel 6 EVRM en mogelijk ook andere bepalingen (artikel 5 EVRM bijvoorbeeld) zou in principe niet inhoudelijk beoordeeld hoeven te worden, nu dat beroep ook tegen de uitlevering vragende staat, die immers evenzeer aan het EVRM is gebonden, gedaan zal kunnen worden.[94] Ten aanzien van een verweer op grond van artikel 3 EVRM ligt een dergelijke benaderingswijze gezien het onherstelbare karakter van een dergelijke schending echter niet voor de hand. Een verschil met de uitleveringsprocedure zal dan ook zijn, dat niet alleen een voltooide maar ook dreigende schending van artikel 3 EVRM[95] aan de (overleverings)rechter voorgelegd kan worden. Overigens zal het beroep op deze norm vanwege het interstatelijk vertrouwensbeginsel, dat binnen de Europese Unie nog sterker geldt dan in relatie met derde-staten,[96] slechts in het geval van een volstrekt evident risico van schending tot weigering van de overlevering leiden.

Dat doorbreking van het vertrouwensbeginsel binnen de context van het EU-overleveringsrecht niettemin geen theoretische mogelijkheid is, blijkt uit de aantasting van de waarborgen van fundamentele rechten in een aantal EU-lidstaten, zoals Polen en Hongarije, waartegen thans zogenaamde artikel 7-procedures[97] lopen. Twijfel over het rechtsstatelijk gehalte heeft geleid tot een arrest van het Hof van Justitie in de zaak Celmer, waarin het Hof had te beoordelen of overlevering aan Polen op grond van een Europees aanhoudingsbevel nog doorgang kon vinden, gezien de aantasting van de onafhankelijkheid van de rechtspraak aldaar. Het Hof vereiste in dit verband een concrete beoordeling, of de rechtsstatelijke gebreken een reëel gevaar opleveren voor de essentie van het recht op een eerlijk proces in de specifieke, individuele zaak.[98] In een tweetal zaken heeft de Amsterdamse rechtbank (internationale rechtshulpkamer) in juli resp. september 2020 prejudicieel de vraag gesteld of een op de individuele zaak gericht onderzoek door de overleveringsrechter nog wel nodig is in het geval van een systemische aanval op de rechterlijke onafhankelijkheid. Het Hof oordeelde dat een dergelijke individuele toets nog steeds noodzakelijk is.[99]{NOOT]
 

7. Artikel 2, vierde lid, Grondwet: het recht het land te verlaten

 
Artikel 2, vierde lid, Grondwet garandeert een ieder het recht om het land te verlaten, behoudens in de gevallen bij de wet bepaald. Het artikel sluit aan bij artikel 2, tweede lid, Protocol 4 EVRM en artikel 12, tweede lid, IVBPR. De wetgeving bevat slechts een enkele bepaling die het in Nederland verblijvenden verbiedt het land te verlaten. Men denke aan tot gevangenisstraf veroordeelden die hun straf nog moeten ondergaan en aan personen die een belastingschuld hebben of in staat van faillissement verkeren. Voor het overige mag een ieder, ook zonder paspoort of ander identiteitsbewijs, vrijelijk het land uit. Mede omdat men echter zonder zo een document veelal niet in andere landen terecht kan, meende de regering dat artikel 2, vierde lid, Grondwet een recht op een paspoort of ander identiteitsbewijs inhoudt. Wij zien hier een voorbeeld van een uit een klassiek grondrecht afgeleide positieve verplichting.#!100!#
Deze materie is geregeld in de Paspoortwet.[101] Deze wet regelt verstrekking, weigering, vervallenverklaring, verval van rechtswege, inhouding en inlevering van reisdocumenten. Reisdocumenten zijn het nationaal paspoort, het diplomatiek paspoort, het dienstpaspoort, het reisdocument voor vluchtelingen, het reisdocument voor vreemdelingen, het nooddocument en andere reisdocumenten, door de minister vast te stellen.[102] Het gebruikelijke document, het nationaal paspoort voor Nederlanders, wordt, uitzonderingen daargelaten, verstrekt door de burgemeester (artikel 40, eerste lid, sub a Paspoortwet). Het is geldig voor tien jaren en voor alle landen (artikel 9 Paspoortwet). Dit laatste kan de Nederlandse wetgever overigens wel stellen, maar het houdt niet in dat een andere staat de Nederlander dan ook altijd toelaat: een geldig paspoort is geen garantie voor toelating tot een ander land.
Voor ambtenaren en militairen zijn reisbeperkingen naar andere landen mogelijk krachtens artikel 14, eerste lid sub b van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017, op grond waarvan bij ministeriële regeling landen aangewezen kunnen worden waarheen bepaalde ambtenaren niet mogen reizen. Daarnaast bepaalt artikel 13 Ambtenarenwet 2017 (voorheen artikel 125f Ambtenarenwet) dat bij AMvB categorieën ambtenaren, die uit hoofde van hun functie kennis kunnen nemen van geheime gegevens, aan reisbeperkingen onderworpen kunnen worden. De regering meende dat dergelijke beperkingen met het grondwettelijke delegatieverbod verenigbaar zijn, nu de formele wet de wezenlijke bepalingen met de inhoudelijke normstellingen bevat, de wet slechts het geven van (gebonden) uitvoeringsvoorschriften aan lagere regelgevers overlaat en er dus geen sprake is van ‘echte’ delegatie van regelgevende bevoegdheid.[103]

Verkort geciteerde literatuur
 

- H. Battjes, European asylum law and international law, Leiden: Nijhoff 2006
- H. Battjes e.a., ‘Kroniek van het migratierecht’, NJB 2020. P. 2690-2691.
- H. Battjes, ‘Straatsburgs toezicht op Unie-asielrecht – M.S.S. t. België en Griekenland’, A&MR 2011, p. 66 e.v.
- W.J van Bennekom en J.H. van der Winden, Asielrecht, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2011
- B. van Dokkum en G. Cornelisse, ‘Artikel 5 EVRM en de voorwaarden voor rechtmatige detentie’, A&MR 2010, p. 448 e.v.
- B. van Dokkum, Kernthema’s vreemdelingenbewaring, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2010
- B. van Dokkum, Vreemdelingenbewaring in nationaal en europeesrechtelijk perspectief, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2013
- D.J. Elzinga, R. de Lange, H.G. Hoogers, Van der Pot, Handboek van het Nederlandse staatsrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 225-235
- F. Fonville, Vreemdelingenbewaring, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2009
- G.R. de Groot en M. Tratnik, Nederlands nationaliteitsrecht, Deventer: Kluwer 2020 (4e druk)
- B. de Hart, Dubbele nationaliteit: verschil moet er zijn, A&M  2010, p. 456-463
- M. den Heijer, J.J. Rijpma, T.P. Spijkerboer, ‘Dwang, verbod en groots verwachtingen. Over het falende Europese asielbeleid’, NJB 2020, p. 1672-1682.
- E. Heijs, Van vreemdeling tot Nederlander. De verlening van het Nederlanderschap aan vreemdelingen 1813-1992, Amsterdam: Het Spinhuis 1995
- T. Kraniotis, Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking, Deventer: Wolters Kluwer 2016.
- T. Kraniotis, ‘Het vertrouwensbeginsel bij strafrechtelijke samenwerking in de Europese Unie’, in P.H.P.H.M.C. van Kempen e.a. (red.), Levend strafrecht. Strafrechtelijke vernieuwingen in een maatschappelijke context, Deventer: Kluwer 2011, p. 343-362
- G.G. Lodders, Vreemdelingenrecht in vogelvlucht, Den Haag: Sdu 2018
- J.B. Mus, Verdragsconflicten voor de Nederlandse rechter, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1996
- J.C.M. van Oort, ‘De strafrechtelijk veroordeelde vreemdeling en artikel 8 EVRM,’ A&MR 2020, p. 220-225.
- C.S. Poortman, ‘Nederlanderschap en kleinkinderen van immigranten: de derde generatieregel’, A&MR 2010, p. 28-32
- S. Rafi, ‘Kroniek toelatingsgronden asiel’, A&MR 2020, p. 391-406.
- E. Rieter, ‘Interim measures: uitzetting opschorten om onherstelbaar letsel te voorkomen’, A&MR 2010, p. 116 e.v.
- E. Rieter, Preventing irreparable harm. Provisional measures in international human rights’ adjudication, Antwerpen: Intersentia 2010
- N. Rozemond, Begrensd vertrouwen. Mensenrechtenbescherming bij uitlevering en overlevering, Zutphen: Paris 2009
- H. Sanders, Handboek Uitleverings- en overleveringsrecht, Deventer: Kluwer 2014.
- H. Sanders, Handboek overleveringsrecht, Antwerpen: Intersentia 2014
- T. Spijkerboer en B.P. Vermeulen, Vluchtelingenrecht, Ars Aequi: Nijmegen 2005
- T. Strik en A. Terlouw, ‘Territorialiteit en vluchtelingenrecht’, Handelingen NJV 2019, p. 179 e.v.
- R. van Oers, De naturalisatietoets geslaagd? Een onderzoek naar de totstandkoming en effecten van de naturalisatietoets, Nijmegen: WLP 2006, p. 23-27.
- B.P. Vermeulen, Vrijheid, gelijkheid, burgerschap, Den Haag: Sdu 2007
- K.M. de Vries, Integration at the border. The Dutch Act on integration abroad in relation to international immigration law, Oxford: Hart Publishing 2013.
- K.M. de Vries, ‘Het nieuwe inburgeringsstelsel’, Migrantenrecht 2006, p. 272-282
- H.C.F.J.A. de Waele, ‘Niet-nakoming EU-besluiten over herverdeling asielzoekers’, A&MR 2020, p. 241-244.
- M. Wijngaarden, Kroniek openbare orde, A&MR 2020, p. 253-264
- J.H. van der Winden, H.W. Groeneweg (red.), Sdu Commentaar Vreemdelingenwet 2000, Den Haag: Sdu Uitgevers 2016.
- K. Zwaan e.a., Nederlands Migratierecht, Den Haag: Boom juridisch 2018 (2e druk)

 

Jurisprudentie

 
-ABRvS 29 mei 2001, AB 2001, 266 (Uitzetting)
-ABRvS 15 november 2005, AB 2006, 104 m.nt. Vermeulen en Battjes.
- ARRvS 10 januari 1983, AB 1983, 306 m.nt. Boon
- ABRvS 17 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4650, JV 2015/60.
- ABRvS 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:990, JV 2019/117, AB 2019/272, JB 2019/97.
- EHRM 28 mei 1985, RV 1985, 105 m.nt. Swart (Abdulaziz)
- EHRM 21 juni 1988, RV 1988, 17 m.nt. Boeles (Berrehab)
- EHRM 7 juli 1989, ECLI:NL:XX:1989:AB9902, RV 1989, 94 m.nt. Swart (Soering)
- EHRM 30 oktober 1991, RV 1991, 19 m.nt. Vermeulen (Vilvarajah).
- EHRM 19 februari 1996, RV 1996, 23 m.nt. Steenbergen (Gűhl)
- EHRM 17 december 1996, RV 1996, 21 (Ahmed)
- EHRM 2 mei 1997, RV 1997, 70 (St. Kitts)
- EHRM 7 maart  2000, AB 2000, 284 m.nt. Vermeulen, JV 2000,103 m.nt. Spijkerboer (T.I.)
- EHRM 11 juli 2000, JV 2000, 240 m.nt. Vermeulen, RV 2000, 2 m.nt. Battjes (Jabari)
- EHRM 5 oktober 2000, ECLI:NL:XX:2000:AD4680, JV 2000, 264 m.nt. Boeles, RV 2000, 61 (Maaouia)
- EHRM 2 augustus 2001, ECLI:NL:XX:2001:AD3516, RV 2001, 23 m.nt. Van Walsum (Boultif)
- EHRM 21 december 2001, RV 2001, 24 m.nt. Boeles (Sen)
- EHRM (GK) 4 februari 2005, JV 2005, 89 m.nt. Vermeulen en De Vries (Mamatkulov)
- EHRM 8 november 2005, JV 2005, 451 (Bader).
- EHRM 5 juli 2005, JV 2005, 304 m.nt. Spijkerboer, AB 2005, 369 m.nt. Battjes en Vermeulen (Said)
- EHRM 1 december 2005, ECLI:NL:XX:2005:AU7355, JV 2006, 34 m.nt. Van Walsum (Tuquabo-Tekle)
- EHRM 31 januari 2006, ECLI:NL:XX:2006:AV3568, JV 2006, 90 m.nt. Boeles (Rodrigues da Silva and Hoogkamer)
- EHRM 18 oktober 2006, ECLI:CE:ECHR:2006:1018JUD004641099, JV 2006, 417 m.nt. Boeles (Űner)
- EHRM 11 januari 2007, ECLI:NL:XX:2007:BA5147, AB 2007, 70 m.nt. Vermeulen (Salah
Sheekh)
- EHRM 4 oktober 2007, nr. 12049/06 (Cenaj).
- EHRM 28 februari 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:0228JUD003720106, JV 2008, 131 (Saadi).
- EHRM 27 mei 2008, ECLI:NL:XX:2008:BD6647, JV 2008, 266 (N. t. Verenigd Koninkrijk)
- EHRM (GK) 23 juni 2008, ECLI:NL:XX:2008:BD8475, JV 2008, 267 m.nt. Boeles (Maslov)
- EHRM 17 juli 2008, ECLI:NL:XX:2008:BF0248, JV 2008, 329 m.nt. Spijkerboer (NA vs. Verenigd Koninkrijk)
- EHRM 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907, JV 2011, 332 m.nt. Battjes, EHRC 2011, 125 m.nt. Den Heijer (Sufi en Elmi)
- EHRM 28 juni 2011, JV 2011, 402 m.nt. Van Walsum, EHRC 2011, 133 m.nt. Woltjer (Nunez).
- EHRM 6 november 2012, JV 2013/1 (Hode & Abdi t. VK)
- EHRM (GK) 3 oktober 2014, JV 2014, (Jeunesse)
- EHRM 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712, JV 2014/384 (Tarakhel).
- EHRM 6 maart 2016, JV 2016/149 (A.A. tegen VK).
- EHRM (GK) 24 mei 2016, JV 2016/215 (Biao t. Denemarken)
- EHRM (GK) 13 december 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD004173810, JV 2017/22 (Paposhvili)
- EHRM 19 januari 2016, JV 2016/66.
- HvJ EU 27 juni 2006, ECLI:EU:C:2006:429, JV 2006, 313 m.nt. Boeles, AB 2007, 16 m.nt. Battjes en Vermeulen (Europees Parlement tegen Raad)
- HvJ EU 17 februari 2009, ECLI:EU:C:2009:94, JV 2009, 111 (Elgafaji).
- HvJ EU 4 maart 2010, ECLI:EU:C:2010:117, JV 2010, 177 (Chakroun).
- HvJ EU 28 april 2011, ECLI:EU:C:2011:268, JV 2011, 242 m.nt. Boeles (El Dridi)
- HvJ EU 6 december 2011, ECLI:EU:C:2011:807, JV 2012, 75 m.nt. Van Dokkum (Achughbabian)
- HvJ EU 21 december 2011, ECLI:EU:C:2011:865, JV 2012, 77 m.nt. Battjes, EHRC 2012, 36 m.nt. Woltjer (N.S.)
- HvJ EU 9 juli 2015, ECLI:EU:C:2015:453, JV 2015/232 K&A
- HvJ EU 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127, JV 2017/94.
- HvJ EU 25 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:586, EHRC 2018/190, AB 2019/74 (LM).
- HvJ EU 12 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:189, JV 2019/102 (Tjebbes)
- HvJ EU 17 december 2020, C-354/20 PPU en C-412/20 PPU.
- HR 13 september 1963, ECLI:NL:HR:1963:147, NJ 1963, 509 (Wallace)
- HR 13 januari 1987, ECLI:NL:PHR:1987:AC9656, NJ 1987, 835 m.nt. Swart (Ibraïm T.)
- HR 28 mei 1987, NJ 1987, 892
- HR 30 maart 1990, ECLI:NL:PHR:1990:AD7494, NJ 1991, 249 (Short),
- HR 16 september 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1450, NJ 1995, 563
- HR 18 november 1994, NJ 1996, 579 m.nt. Swart (R. tegen Staat)
- HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0547, NJ 1997, 533
- HR 17 december 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0602, NJ 1997, 534 m.nt. Schalken (Baybasin)
- HR 21 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5215, NJ 2000, 540 m.nt. Schalken (Murillo)
- HR 24 november 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA8448, NJ 2001, 376 m.nt. Boon (Mattos)
- HR 11 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3312, NJ 2004, 42
- HR 20 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3308, NJ 2004, 41 m.nt. Buruma
- HR 7 november 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AI0355, NJ 2004, 99 (Uitlevering Aruba).
- HR 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV7387, RV 2006, 5 m.nt. Vermeulen, JV 2006, 395 m.nt. Spijkerboer, NJ 2007, 277 m.nt. Klip (Kesbir)
- HR 28 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY6631, NJ 2007, 487-489 m.nt. Klip
- HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1680, AB 2015, 64 en NJ 2016, 14.
- HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, NJ 2017/276.
 

Noten

  1. Zie voor de historie E. Heijs, Van vreemdeling tot Nederlander. De verlening van het Nederlanderschap aan vreemdelingen 1813-1992, Amsterdam: Het Spinhuis 1995. Voor de actuele stand van zaken zij verwezen naar G.R. de Groot en M. Tratnik, Nederlands nationaliteitsrecht, Deventer: Kluwer 2020 (4e druk), en de kronieken Nationaliteitsrecht van G.R. de Groot in A&MR (Asiel- en Migrantenrecht).
  2. Dit recht vloeit voor EU-burgers reeds voort uit artikel 20, tweede lid, onder b VWEU. Voor derdelanders, die sinds vijf jaar een verblijfstitel hebben, vloeit dit recht voort uit artikel 10, tweede lid, Gemeentewet en artikel B3, tweede lid, Kieswet.
  3. D.J. Elzinga, R. de Lange, H.G. Hoogers, Van der Pot, Handboek van het Nederlandse staatsrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 225-235; De Groot en Tratnik 2020.
  4. Rijkswet van 19 december 1984, Staatsblad 184, 628. Laatstelijk (per 1 april 2020) gewijzigd, bij Rijkswet van 18 december 2019, Staatsblad 2020, 1.
  5. Tractatenblad 1998, 10. Zie De Groot en Tratnik 2020, p. 7-27 voor een overzicht van de relevante verdragen.
  6. Wet van 9 september 1976, Staatsblad 1976, 468
  7. Uit HR 16 september 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1450, NJ 1995, 563 blijkt dat de wijzen van verkrijging van het Nederlanderschap limitatief voorzien zijn in de Rijkswet en verdragen.
  8. In deze bespreking blijft verwijzing naar de overzeese gebiedsdelen achterwege.
  9. C.S. Poortman, ‘Nederlanderschap en kleinkinderen van immigranten: de derde generatieregel’, A&MR 2010, p. 28-32
  10. Zie de artikelen 6a, eerste lid, 9, eerste lid en 15, eerste lid van de Rijkswet.
  11. Tegen koninklijke besluiten inzake (weigering van) naturalisatie staat de gebruikelijke bestuursrechtelijke rechtsbescherming open: bezwaar, beroep bij de rechtbank, hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
  12. Deze randvoorwaarde – geen staatsloosheid creëren - vloeit onder meer voort uit het Verdrag tot beperking van staatloosheid (New York 1961; Tractatenblad 1967, 124 met rectificatie Tractatenblad (2015, 15) en de Overeenkomst inzake beperking van het aantal gevallen van staatloosheid (Bern 1973; Tractatenblad 1974, 32). Het Unierecht stelt (ook) los van het geval van staatsloosheid grenzen aan verlies van de nationaliteit: HvJ EU 2 maart 2010, ECLI:EU:C:2010:104, JV 2010, 122 (Janko Rottmann); HvJ EU 12 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:189, JV 2019/102 (Tjebbes).
  13. Rijkswet van 11 september 2020, Staatsblad 2020, 369.
  14. Zie voor de tekst Com(2020) 857 final.
  15. Voor besluitvorming in de overzeese gebieden geldt een analoge procedure: beroep bij het Gerecht van Eerste Aanleg, hoger beroep bij het Gemeenschappelijk Hof.
  16. Die mogelijkerwijze in het buitenland actief zal zijn en veelal niet van het intrekkingsbesluit op de hoogte zal zijn.
  17. ABRvS 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:990, JV 2019/117, AB 2019/272, JB 2019/97.
  18. Het kabinet-Balkenende II viel in 2006 over de kwestie of Hirsi Ali, lid van de Tweede Kamer, al dan niet terecht het Nederlanderschap had verkregen.
  19. De term is ontleend aan een fameus essay van Paul Scheffer, ‘Het multiculturele drama’, NRC Handelsblad 29 januari 2000.
  20. Wet van 21 december 2000, Staatsblad2000, 618, inwerkingstreding Staatsblad2013, 118.
  21. Kamerstukken II 1999/00, 25891, nr. 19; Ricky van Oers, De naturalisatietoets geslaagd? Een onderzoek naar de totstandkoming en effecten van de naturalisatietoets, Nijmegen: WLP 2006, p. 23-27.
  22. Van Oers 2006.
  23. Wet van 17 juni 2010, Staatsblad2010, 242. Zie over deze wet B. de Hart, ‘Dubbele nationaliteit: verschil moet er zijn’, A&MR 2010, p. 456-463.
  24. Zie over deze ontwikkeling B.P. Vermeulen, Vrijheid, gelijkheid, burgerschap, Den Haag: Sdu 2007.
  25. Kamerstukken II 1976/77, 14200, nr. 3, p. 4.
  26. Zie Kamerstukken II 2009/10, 32282, nr. 4, p. 3-4 over de aanpassing van de verklaring en het voorbehoud in het licht van de herstructurering van het Koninkrijk, op grond waarvan Bonaire, Sint Eustatius en Saba sinds oktober 2010 deel uitmaken van het Nederlandse staatsbestel.
  27. HR 24 november 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA8448, NJ 2001, 376 r.o. 4.3 (Mattos).
  28. Kamerstukken 2012/13, 33325, nr. 5; Kamerstukken 2014/15, 33325, nr. 11.
  29. Wet van 29 september 2010. Staatsblad 2010, 532.
  30. Zie hierover Karin Zwaan e.a., Nederlands Migratierecht, Den Haag: Boom juridisch 2018 (2e druk); G.G. Lodders, Vreemdelingenrecht in vogelvlucht, Den Haag: Sdu 2018. Een goed overzicht van actuele ontwikkelingen biedt de jaarlijkse ‘Kroniek van het migratierecht’ in het Nederlands Juristenblad; zie voor de meest recente NJB 2020, p. 2687-2698. Daarnaast biedt A&MR kronieken op specifieke onderdelen van het migratierecht, zie recent M. Wijngaarden, Kroniek openbare orde, A&MR 2020, p. 253-264 en S. Rafi, ‘Kroniek toelatingsgronden asiel’, A&MR 2020, p. 391-406.
  31. Overigens bevat het Voorschrift Vreemdelingen 2000 ook nogal wat inhoudelijke normen: zie bijvoorbeeld artikelen 3.36 e.v., die een uitgebreide uitwerking van de asiel(toelatings)gronden bevatten.
  32. Zie voor een grondig commentaar (1155 pagina’s) J.H. van der Winden, H.W. Groeneweg (red.), Sdu Commentaar Vreemdelingenwet 2000, Den Haag: Sdu Uitgevers 2016.
  33. De verwijzingen naar artikelen in deze paragraaf (5) betreffen de Vreemdelingenwet 2000, tenzij anders vermeld.
  34. Artikel 3.3 Vreemdelingenbesluit 2000 geeft een nadere uitwerking van de maximumtermijn per categorie van kortdurend verblijf.
  35. Zie daarover Karin Zwaan e.a. 2018, p. 91-343; Lodder 2018, p. 67-120.
  36. Ten behoeve van vluchtelingen is een aantal verdragen tot stand gekomen, onder meer het verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Trb. 1951, 131, Trb. 1954, 88) – het Vluchtelingenverdrag – en het daarbij behorende Protocol van 1967 (Trb. 1967, 76). Zie over het vluchtelingenrecht R. Fernhout, Erkenning en toelating als vluchteling in Nederland, Deventer: Kluwer 1990; T.P. Spijkerboer en B.P. Vermeulen, Vluchtelingenrecht, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2005; H. Battjes, European asylum law and international law, Leiden: Nijhoff 2006; W.J. van Bennekom en J.H. van der Winden, Asielrecht, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2011; Zwaan e.a. 2018, p. 345-410; Lodder 2018, p. 121-162.
  37. Uitzetting is volgens ABRvS 29 mei 2001, AB 2001, 266 (Uitzetting) een vorm van bestuursdwang in de zin van artikel 5:21 Awb.
  38. Artikelen 3.108b e.v. Vreemdelingenbesluit 2000.
  39. De uitgave van Boeles, Vos en De Vries van Teksten Internationaal Migratierecht, Deel 2, Den Haag: Sdu 2017 bevat alle relevante Unierechtelijke regelingen die voor het Nederlandse migratierecht van belang zijn.
  40. Onderdanen van IJsland, Noorwegen en Liechtenstein (krachtens het EER-verdrag) en van Zwitserland (krachtens de Overeenkomst EU-Zwitserland) hebben grotendeels vergelijkbare verblijfsrechten. Turkse onderdanen hebben een zekere geprivilegieerde positie krachtens het associatierecht EU-Turkije. Hoe ver die positie reikt is met name ten aanzien van de eerste toelating nog niet uitgekristalliseerd. Ook derdelanders die in een lidstaat de langdurig ingezetenen-status hebben verworven hebben op grond van richtlijn 2003/109 een bevoorrechte positie.
  41. Zie daarover Zwaan e.a. 2018, p. 269-343.
  42. EHRM 28 mei 1985, RV 1985, 105 (Abdulaziz); EHRM 19 februari 1996, RV 1996, 23 (Gűhl); EHRM 31 januari 2006, ECLI:NL:XX:2006:AV3568, JV 2006, 90 (Rodrigues da Silva en Hoogkamer).
  43. EHRM 31 januari 2006, ECLI:NL:XX:2006:AV3568, JV 2006, 90 (Rodrigues da Silva en Hoogkamer).
  44. EHRM 21 december 2001, RV 2001, 24 (Sen); EHRM 1 december 2005, ECLI:NL:XX:2005:AU7355, JV 2006, 34 (Tuquabo-Tekle); EHRM 31 januari 2006, ECLI:NL:XX:2006:AV3568, JV 2006, 90 (Rodrigues da Silva and Hoogkamer); EHRM 28 juni 2011, JV 2011, 402 EHRC 2011, 133 (Nunez); EHRM (GK) 3 oktober 2014, JV 2014, (Jeunesse).
  45. EHRM 6 maart 2016, JV 2016/149 (A.A. tegen VK).
  46. EHRM 21 juni 1988, RV 1988, 17 (Berrehab); EHRM 2 augustus 2001, ECLI:NL:XX:2001:AD3516, RV 2001, 23 (Boultif); EHRM 18 oktober 2006, ECLI:CE:ECHR:2006:1018JUD004641099, JV 2006, 417 (Üner); EHRM (GK) 23 juni 2008, ECLI:NL:XX:2008:BD8475, JV 2008, 267(Maslov).
  47. Zie in deze ook de Vreemdelingencirculaire B2/10.2.3.1. Zie voor een update ter zake van de toepassing van de Boultif-criteria J.C.M. van Oort, ‘De strafrechtelijk veroordeelde vreemdeling en artikel 8 EVRM,’ A&MR 2020, p. 220-225.
  48. EHRM 6 november 2012, JV 2013/1 (Hode & Abdi t. VK). Zie ook EHRM (GK) 24 mei 2016, JV 2016/215 (Biao t. Denemarken), over indirecte discriminatie bij het stellen van ogenschijnlijk neutrale criteria als de duur dat de referent de Deense nationaliteit heeft.
  49. HvJ EU 27 juni 2006, ECLI:EU:C:2006:429, JV 2006, 313, AB 2007, 16 (Europees Parlement t. Raad).
  50. HvJ EU 4 maart 2010, ECLI:EU:C:2010:117, JV 2010, 177 (Chakroun).
  51. HvJ EU 9 juli 2015, ECLI:EU:C:2015:453, JV 2015/232 K&A). Groenendijk heeft – ten onrechte - betoogd dat dit vereiste op zichzelf niet toelaatbaar zou zijn, zie ‘Nieuw inburgeringsrecht strijdig met Gemeenschapsrecht’, Migrantenrecht 2006, p. 366-368, in reactie op K.M. de Vries, ‘Het nieuwe inburgeringsstelsel’, Migrantenrecht 2006, p. 272-282, waarin beargumenteerd werd dat een vooraf-inburgeringsvereiste onder condities zeer wel toelaatbaar is. Zie over randvoorwaarden en knelpunten, voortvloeiend uit internationaal en EU-recht: K.M. de Vries, Integration at the border. The Dutch Act on integration abroad in relation to international immigration law, Oxford: Hart Publishing 2013.
  52. Vermeulen 2007, p. 67 e.v.
  53. ABRvS 17 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4650, JV 2015/60.
  54. Vgl. Spijkerboer en Vermeulen 2005, p. 67-105; Wouters 2009; Van Bennekom en Van der Winden 2010, p. 155 e.v.; Zwaan e.a 2018, p. 345 e.v.; Lodder 2018, p. 121 e.v.
  55. EHRM 7 juli 1989, ECLI:NL:XX:1989:AB9902, RV 1989, 94 (Soering).
  56. EHRM 8 november 2005, JV 2005, 451 (Bader).
  57. Het Hof eiste oorspronkelijk bij de toepassing van het ‘real risk’-criterium een hoge mate van geïndividualiseerd risico (‘special distinguishing features’) aldus EHRM 30 oktober 1991, RV 1991, 19 (Vilvarajah). Deze eis is in de loop des tijds afgezwakt: EHRM 5 juli 2005, JV 2005, 304, AB 2005, 369; EHRM 11 januari 2007, ECLI:NL:XX:2007:BA5147, JV 2007, 30 en AB 2007, 70 (Salah Sheekh). Daarnaast erkent het Hof expliciet, dat in extreme gevallen van geweld verwijdering naar het land van herkomst van bepaalde groepen als zodanig al in strijd kan zijn met artikel 3 EVRM, in welk geval dus niet vereist is dat sprake is van ‘special distinguishing features’: EHRM 17 juli 2008, ECLI:NL:XX:2008:BF0248, JV 2008, 329 (NA t. Verenigd Koninkrijk); EHRM 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907, JV 2011, 332, EHRC 2011, 125 (Sufi en Elmi).
  58. EHRM 17 december 1996, RV 1996, 21 (Ahmed), ook niet in het geval van terrorismerisico’s, EHRM 28 februari 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:0228JUD003720106, JV 2008, 131 (Saadi).
  59. EHRM 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907, JV 2011, 332 (Sufi en Elmi).
  60. EHRM 2 mei 1997, RV 1997, 70 (St. Kitts). Maar alleen in extreme omstandigheden: EHRM 27 mei 2008, ECLI:NL:XX:2008:BD6647, JV 2008, 266 (N. t. Verenigd Koninkrijk); EHRM (GK) 13 december 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD004173810, JV 2017/22 (Paposhvili), waarin overigens wel nadruk gelegd wordt op een onderzoeksplicht voor de staat.
  61. HvJ EU 17 februari 2009, ECLI:EU:C:2009:94, JV 2009, 111 (Elgafaji).
  62. EHRM 17 juli 2008, ECLI:NL:XX:2008:BF0248, JV 2008, 329 (NA t. Verenigd Koninkrijk). Aldus ook ABRvS 25 mei 2009, JV 2009, 291 en EHRM 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907, JV 2011, 332 EHRC 2011, 125 (Sufi en Elmi). Zekerheidshalve heeft de wetgever niettemin artikel 15c van Richtlijn 2004/83 (thans: Richtlijn 2011/95) letterlijk in de wet geïncorporeerd, zie artikel 29, eerste lid, onder b sub 3 Vw 2000. Overigens is het EHRM wel zeer terughoudend om in gevallen van ongedifferentieerd geweld aan te nemen dat er sprake is van een reëel risico, zie EHRM 19 januari 2016, JV 2016/66.
  63. Uitgangspunt in de Afdelingsjurisprudentie, zie bijv. ABRvS 15 november 2005, AB 2006, 104.
  64. EHRM 7 maart 2000, AB 2000, 284, JV 2000, 103 (T.I.).
  65. EHRM 21 januari 2011, JV 2011, 68 EHRC 2011, 42 (M.S.S. t. België en Griekenland). Zie in deze lijn ook EHRM 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712, JV 2014/384 (Tarakhel). Zie hierover H. Battjes, ‘Straatsburgs toezicht op Unie-asielrecht – M.S.S. t. België en Griekenland’, A&MR 2011, p. 66 e.v. Ook het Hof van Justitie aanvaardt de mogelijkheid van doorbreking van het vertrouwensbeginsel, HvJ EU 21 december 2011, ECLI:EU:C:2011:865, JV 2012, 77, EHRC 2012, 36 (N.S.); HvJ EU 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127, JV 2017/94.
  66. Europese Commissie, Mededeling: Nieuwe Praktische Stappen in de Samenwerking EU-Turkije op het gebied van Migratie, COM(2016) 166 def. De status van dit akkoord is onduidelijk. Het Gerecht van de EU en het Hof van Justitie van de EU verklaarden zich onbevoegd om beroepen tegen deze ‘deal’ behandelen, nu het niet om een handeling van een EU-instelling zou gaan: zie Gerecht EU 28 februari 2017, ECLI:EU:T:2017:129 en hvJ EU 12 seeptember 2018, C-2018/17 (NF e.a. t. Europese Raad); H. de Waele, ‘Toetsing van de Turkijedeal: Gerecht van de EU schuift de hete aardappel door’, A&MR 2017, p. 179-181.
  67. Artikel 1B, eerste lid, onder a van het Vluchtelingenverdrag maakt het mogelijk om de werking van het verdrag te beperken tot Europese vluchtelingen; Turkije heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.
  68. Zie voor kritiek over deze gang van zaken: M. den Heijer, J.J. Rijpma, T.P. Spijkerboer, ‘Dwang, verbod en groots verwachtingen. Over het falende Europese asielbeleid’, NJB 2016, p. 1672-1682; Tineke Strik en Ashley Terlouw, ‘Territorialiteit en vluchtelingenrecht’, Handelingen NJV 2019, p. 179 e.v.
  69. H.C.F.J.A. de Waele, ‘Niet-nakoming EU-besluiten over herverdeling asielzoekers’, A&MR 2020, p. 241-244.
  70. H. Battjes e.a., ‘Kroniek van het migratierecht’, NJB 2020. P. 2690-2691.
  71. Zie hierover de special in Migrantenrecht 2020, nr. 9, met name gewijd aan artikel 47 van het Handvest.
  72. Immigratiezaken vallen buiten de reikwijdte van artikel 6 EVRM, zodat teruggevallen moet worden op artikel 13 EVRM: EHRM 5 oktober 2000, ECLI:NL:XX:2000:AD4680, JV 2000, 264 RV 2000, 61 (Maaouia).
  73. EHRM 11 juli 2000, JV 2000, 240, RV 2000, 2 (Jabari).
  74. EHRM (GK) 4 februari 2005, JV 2005, 89 (Mamatkulov); E. Rieter, Preventing irreparable harm. Provisional measures in international human rights’ adjudication, Antwerpen: Intersentia 2010, en E. Rieter, ‘Interim measures: uitzetting opschorten om onherstelbaar letsel te voorkomen’, A&MR 2010, p. 116 e.v.
  75. F. Fonville, Vreemdelingenbewaring, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2009; B. van Dokkum, Kernthema’s vreemdelingenbewaring, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2010; B. van Dokkum en G. Cornelisse, ‘Artikel 5 EVRM en de voorwaarden voor rechtmatige detentie’, A&MR 2010, p. 448 e.v.
  76. HvJ EU 28 april 2011, ECLI:EU:C:2011:268, JV 2011, 242 (El Dridi); HvJ EU 6 december 2011, ECLI:EU:C:2011:807, JV 2012, 75 (Achughbabian).
  77. H. Sanders, Handboek Uitleverings- en overleveringsrecht, Deventer: Kluwer 2014.
  78. Wet van 9 maart 1967, Staatsblad1967, 139. Deze wet geldt alleen in Nederland, niet in de overzeese gebiedsdelen. Daar is de uitlevering geregeld bij algemene maatregel van rijksbestuur. Zie daarover HR 7 november 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AI0355, NJ 2004, 99 (Uitlevering Aruba).
  79. Trb. 1965, 9; Trb. 1979, 119, 120; Trb. 2011, 200.
  80. Zie 6.3 Overlevering; H. Sanders, Handboek Uitleverings- en overleveringsrecht, Deventer: Kluwer 2014.
  81. HR 13 september 1963, ECLI:NL:HR:1963:147, NJ 1963, 509 (Wallace). De Hoge Raad heeft in deze zaak uitgesproken dat de eenzijdige daad van uitzetting die het effect van een uitlevering zou hebben in beginsel onrechtmatig is. Zie hierover ook HR 18 november 1994, NJ 1996, 579 m.nt. Swart (R. t. Staat).
  82. Zie hierover J.B. Mus, Verdragsconflicten voor de Nederlandse rechter, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1996, p. 129 e.v.; Smeulers 2003; N. Rozemond, Begrensd vertrouwen. Mensenrechtenbescherming bij uitlevering en overlevering, Zutphen: Paris 2009.
  83. Wel kan hij zijn oordeel dat er een risico van mensenrechtenschending is in zijn advies aan de minister kenbaar maken (artikel 30, tweede lid, Uw).
  84. Zie hierover Mus 1996, p. 25 e.v. Uit HR 13 januari 1987, ECLI:NL:PHR:1987:AC9656, NJ 1987, 835 (Ibraïm T.) blijkt dat de HR de categorische voorrang van mensenrechtenverdragen boven uitleveringsverdragen in beginsel afwijst.
  85. T. Kraniotis, Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking, Deventer: Wolters Kluwer 2016.
  86. In HR 28 mei 1987, NJ 1987, 892 werd de mogelijkheid erkend dat bij de toetsing van uitleveringsverzoeken de mogelijke flagrante schending van artikel 6 EVRM betrokken worden. Zie verder HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0547, NJ 1997, 533 en HR 17 december 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0602, NJ 1997, 534 (Baybasin); HR 16 december 1997, NJ 1998, 388; HR 21 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5215, NJ 2000, 540 (Murillo); HR 11 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3312, NJ 2004, 42; HR 20 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3308, NJ 2004, 41. Zie voor een uitgebreide bespreking van de jurisprudentie Kraniotis 2016.
  87. HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, NJ 2017/276.
  88. HR 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV7387, RV 2006, 5 JV 2006, 395 NJ 2007, 277 (Kesbir). Zie in deze zin reeds HR 30 maart 1990, ECLI:NL:PHR:1990:AD7494, NJ 1991, 249 (Short), en ook HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1680, AB 2015, 64 en NJ 2016, 14.
  89. Zie aldus reeds EHRM 7 juli 1989, NJ 1990, 158 (Soering), waarin het Hof uitlevering door het Verenigd Koninkrijk aan de Verenigde Staten in strijd achtte met artikel 3 EVRM.
  90. H. Sanders, Handboek Uitleverings- en overleveringsrecht, Deventer: Kluwer 2014.
  91. Wet van 29 april 2004, Staatsblad 2004, 95. Deze wet geeft uitvoering aan het Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002, betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, PbEG 2002, L 190/1.
  92. Merkwaardig is dat een wet – in casu artikel 74 Olw - blijkbaar kan bepalen dat zij in de plaats treedt van geldende verdragen.
  93. Kamerstukken II 2002/03, 29042, nr. 3, p. 5.
  94. HR 28 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY6631, NJ 2007, 487, 488 en 489; vlg. EHRM 4 oktober 2007, nr. 12049/06 (Cenaj).
  95. Aangenomen mag worden dat elke schending van artikel 3 EVRM als een ‘flagrante schending van de fundamentele rechten’ in de zin van artikel 11 Olw aan te merken is.
  96. T. Kraniotis, ‘Het vertrouwensbeginsel bij strafrechtelijke samenwerking in de Europese Unie’, in P.H.P.H.M.C. van Kempen e.a. (red.), Levend strafrecht. Strafrechtelijke vernieuwingen in een maatschappelijke context, Deventer: Kluwer 2011, p. 343-362; Kraniotis 2016, p. 361 e.v. Vgl. de Dublin-verordening, waaraan eenzelfde versterkt vertrouwen ten aanzien van de behandeling van asielzoekers en -verzoeken door andere lidstaten ten grondslag ligt.
  97. Dit is een procedure op grond van artikel 7 VEU, tegen een lidstaat gevoerd op grond van (het gevaar op) een ernstige en voortdurende schending van de in artikel 2 VEU vervatte democratisch-rechtsstatelijke waarden, welke kan leiden tot ontnemen van rechten van die lidstaat.
  98. HvJ EU 25 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:586, EHRC 2018/190, AB 2019/74 (LM).
  99. HvJ EU 17 december 2020, C-354/20 PPU en C-412/20 PPU.
  100. Zie ook ARRvS 10 januari 1983, AB 1983, 306 (paspoortinstructie, een uitspraak m.b.t. artikel 12, tweede lid, IVBPR).
  101. Rijkswet van 26 september 1991, Staatsblad 1991, 498.
  102. Zie artikel 2 Paspoortwet. Op deze wet berust een aantal uitvoeringsregelingen, zoals het Besluit paspoortgelden en de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001.
  103. Handelingen I 1987/88, p. 212 en 221; Kamerstukken I 1987/88, 19495 en 20033, nr. 159a.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    B.P. Vermeulen, Commentaar op artikel 2 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2021 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Nederlandschap en vreemdelingen

Wie Nederlander is bepaalt de Grondwet niet zelf; de Grondwet draagt wel de wetgever op daarover regels te maken. Volgens de betreffende wet, de Rijkswet op het Nederlanderschap, is in elk geval iedereen die een Nederlandse vader of moeder heeft, ongeacht de plaats van geboorte, van rechtswege Nederlander. Daarnaast is het mogelijk de Nederlandse nationaliteit te verkrijgen door onder meer naturalisatie of adoptie. Binnen het Koninkrijk der Nederlanden bestaat wat betreft de nationaliteit geen onderscheid tussen het Europese deel daarvan en de Caribische delen: alle burgers van het koninkrijk zijn Nederlanders. De Grondwet staat er niet aan in de weg dat Nederlanders tegelijk ook een andere nationaliteit hebben.
 
Het Nederlanderschap is onder meer van belang omdat de Grondwet sommige fundamentele rechten – de burgerrechten – alleen garandeert aan Nederlanders, zoals de gelijke benoembaarheid in openbare dienst (artikel 3 Grondwet) en de uitoefening van het kiesrecht (artikel 4 Grondwet).
 
Verder draagt de Grondwet de wetgever op regels vast te stellen over de toelating en uitzetting van vreemdelingen en over de uitlevering van in Nederland verblijvende personen (waaronder Nederlanders) aan andere staten, bijvoorbeeld wanneer zij een misdrijf hebben gepleegd waarvoor elders strafvervolging wordt verlangd. Aan uitlevering moet in elk geval een verdrag tussen Nederland en de betreffende staat ten grondslag liggen. Tussen de lidstaten van de Europese Unie bestaat een eenvoudiger vorm van uitlevering, die ‘overlevering’ wordt genoemd. Ten slotte heeft iedereen die hier verblijft, het recht om Nederland te verlaten. Dat recht kan wel worden beperkt, bijvoorbeeld om te voorkomen dat iemand zich aan strafvervolging onttrekt.
Achtergronden

Nederlandschap en vreemdelingen

Oratie Burgerrechten prof. Hirsch Ballin


Lees hier de oratie van Ernst Hirsch Ballin getiteld burgerrechten, uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt als hoogleraar rechten van de mens aan de Universiteit van Amsterdam.

Twee paspoorten steeds minder vaak probleem in Europa

Uit het onderzoek uit 2010 van Sara Wallace Goodman blijkt dat landen steeds soepeler omgaan met personen die een meervoudige nationaliteit hebben. Zie ook dit artikel van NRC Next.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Nederlandschap en vreemdelingen

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Nederlandschap en vreemdelingen

Valse/fictieve persoonsgegevens

HR 11-11-2005, NJ 2006, 149
Een naturalisatiebesluit dat valse of fictieve persoonsgegevens kent heeft geen rechtsgevolg omdat het de betrokken persoon niet identificeert.


Uitleveringsverdag boven mensenrechten

HR 13-01-1987, NJ 1987, 835

De Hoge Raad oordeelt dat een verzoek om uitlevering slechts aan het uitleveringsverdrag getoetst wordt. Dit verdrag heeft dus voorrang van mensenrechtenverdragen boven uitleveringsverdragen.

Recente rechtspraak

Nederlandschap en vreemdelingen

Vader geen belanghebbende bij vaststelling nationaliteit kind

HR 25-05-2012
De Hoge Raad stelt dat een vader van een kind uit een huwelijk niet een zodanig eigen belang heeft bij de vaststeling van de nationaliteit van dat kind, dat hij in beroep voor dat eigen belang kan opkomen.
Politiek

Nederlandschap en vreemdelingen

Video
Blogs
IN DE WERELD
Video

Nederlandschap en vreemdelingen

  • Asiel in Europa: hoe werkt het?
  • Paneldiscussie rechten van kinderen op asiel
  • NIEUWE FILM
Asiel in Europa: hoe werkt het?
Blogs

Nederlandschap en vreemdelingen

Staatssecretaris Teeven diende op 30 augustus 2013 een wetsvoorstel in om mensen die deelnemen aan een terroristische organisatie het Nederlanderschap te laten verliezen. Hoogleraar Jessurun d'Oliveira vraagt zich in deze blog af in hoeverre dat mogelijk is binnen de kaders van het Europees Nationaliteitsverdragin en in welke mate terroristisch "on-Nederlands" is.
In de wereld

Nederlandschap en vreemdelingen

Immigratiebeleid in de VS

Lees hier een brief van Arti Kohli, voormalig directeur van Immigration policy bij het Chief Justice Earl Warren Institute, Berkely Law of Law. Hij stelt hierin dat  “[t]he major lesson learned from past reforms is that harsh, punitive measures both in criminal and civil immigration law have not deterred unlawful immigration, nor have they made us safer; rather our current laws wreak havoc on families, particularly U.S.-born children who have been left fatherless or motherless.”