CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • G. Leenknegt
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • A.A.L. Beers en K.T. Meijer
  • B.C. van Beers
  • B.M.J. van der Meulen
  • B.P. Vermeulen
  • B.W.N. de Waard
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • E.J. Janse de Jonge
  • E.J. Koops
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • F. Fleurke
  • F.C.M.A. Michiels
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx en A.C.M. Meuwese
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard en J. Uzman
  • G. Leenknegt
  • G. Overkleeft-Verburg
  • G. van der Schyff en B.M.J. van der Meulen
  • J. Kiewiet en G.F.M. van der Tang †
  • J. Uzman
  • J. Uzman en G. Boogaard
  • J.C.A. de Poorter
  • J.L.M. Gribnau en M.R.T Pauwels
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • J.W.A. Fleuren
  • K.T. Meijer
  • M. Adams
  • Mijke Houwerzijl & Nuna Zekic
  • Mijke Houwerzijl en Frank Vlemminx
  • P. Jacobs
  • S. Daniëls
  • S. Jellinghaus en E. Huisman
  • S.C. van Bijsterveld
  • S.C. van Bijsterveld en B.P. Vermeulen
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • T. Kooijmans
  • T. Peters
  • W. van der Woude
  • W.J.M. Voermans
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

HOOFDSTUK 1

Grondrechten

INLEIDING

Artikel 1 - Gelijke behandeling

Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Artikel 2 - Nederlandschap en vreemdelingen

  1. De wet regelt wie Nederlander is.
  2. De wet regelt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen.
  3. Uitlevering kan slechts geschieden krachtens verdrag. Verdere voorschriften omtrent uitlevering worden bij de wet gegeven.
  4. Ieder heeft het recht het land te verlaten, behoudens in de gevallen, bij de wet bepaald.

Artikel 3 - Gelijke benoembaarheid

Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.

Artikel 4 - Kiesrecht

Iedere Nederlander heeft gelijkelijk recht de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen alsmede tot lid van deze organen te worden verkozen, behoudens bij de wet gestelde beperkingen en uitzonderingen.

Artikel 5 - Petitierecht

Ieder heeft het recht verzoeken schriftelijk bij het bevoegd gezag in te dienen.

Artikel 6 - Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging

  1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 7 - Vrijheid van meningsuiting

  1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- of televisieuitzending.
  3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar regelen ter bescherming van de goede zeden.
  4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.

Artikel 8 - Recht tot vereniging

Het recht tot vereniging wordt erkend. Bij de wet kan dit recht worden beperkt in het belang van de openbare orde.

Artikel 9 - Recht tot vergadering en betoging

  1. Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 10 - Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer

  1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.
  2. De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens.
  3. De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.

Artikel 11 - Onaantastbaarheid van het lichaam

Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.

Artikel 12 - Binnentreden woning

  1. Het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen.
  2. Voor het binnentreden overeenkomstig het eerste lid zijn voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden vereist, behoudens bij de wet gestelde uitzonderingen.
  3. Aan de bewoner wordt zo spoedig mogelijk een schriftelijk verslag van het binnentreden verstrekt. Indien het binnentreden in het belang van de nationale veiligheid of dat van de strafvordering heeft plaatsgevonden, kan volgens bij de wet te stellen regels de verstrekking van het verslag worden uitgesteld. In de bij de wet te bepalen gevallen kan de verstrekking achterwege worden gelaten, indien het belang van de nationale veiligheid zich tegen verstrekking blijvend verzet.

Artikel 13 - Vertrouwelijke communicatie

  1. Het briefgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, op last van de rechter.
  2. Het telefoon- en telegraafgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, door of met machtiging van hen die daartoe bij de wet zijn aangewezen.

Artikel 14 - Onteigening

  1. Onteigening kan alleen geschieden in het algemeen belang en tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander naar bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.
  2. De schadeloosstelling behoeft niet vooraf verzekerd te zijn, wanneer in geval van nood onverwijld onteigening geboden is.
  3. In de gevallen bij of krachtens de wet bepaald bestaat recht op schadeloosstelling of tegemoetkoming in de schade, indien in het algemeen belang eigendom door het bevoegd gezag wordt vernietigd of onbruikbaar gemaakt of de uitoefening van het eigendomsrecht wordt beperkt.

Artikel 15 - Vrijheidsontneming

  1. Buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen.
  2. Hij aan wie anders dan op rechterlijk bevel zijn vrijheid is ontnomen, kan aan de rechter zijn invrijheidstelling verzoeken. Hij wordt in dat geval door de rechter gehoord binnen een bij de wet te bepalen termijn. De rechter gelast de onmiddellijke invrijheidstelling, indien hij de vrijheidsontneming onrechtmatig oordeelt.
  3. De berechting van hem aan wie met het oog daarop zijn vrijheid is ontnomen, vindt binnen een redelijke termijn plaats.
  4. Hij aan wie rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, kan worden beperkt in de uitoefening van grondrechten voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt.

Artikel 16 - Nulla poena

Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.

Artikel 17 - Wettelijk toegekende rechter

Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent.

Artikel 18 - Rechtsbijstand

  1. Ieder kan zich in rechte en in administratief beroep doen bijstaan.
  2. De wet stelt regels omtrent het verlenen van rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen.

Artikel 19 - Werkgelegenheid en arbeidskeuze

  1. Bevordering van voldoende werkgelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de rechtspositie van hen die arbeid verrichten en omtrent hun bescherming daarbij, alsmede omtrent medezeggenschap.
  3. Het recht van iedere Nederlander op vrije keuze van arbeid wordt erkend, behoudens de beperkingen bij of krachtens de wet gesteld.

Artikel 20 - Bestaanszekerheid

  1. De bestaanszekerheid der bevolking en spreiding van welvaart zijn voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de aanspraken op sociale zekerheid.
  3. Nederlanders hier te lande, die niet in het bestaan kunnen voorzien, hebben een bij de wet te regelen recht op bijstand van overheidswege.

Artikel 21 - Milieubescherming

De zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu.

Artikel 22 - Volksgezondheid en woongelegenheid

  1. De overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid.
  2. Bevordering van voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  3. Zij schept voorwaarden voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding.

Artikel 23 - Onderwijs

  1. Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.
  2. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.
  3. Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld.
  4. In elke gemeente wordt van overheidswege voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal openbare scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven, al dan niet in een openbare school.
  5. De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.
  6. Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.
  7. Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.
  8. De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten-Generaal.
HOOFDSTUK 2

Regering INLEIDING

Artikel 24 - Koningschap

Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau.

Artikel 25 - Erfopvolging

Het koningschap gaat bij overlijden van de Koning krachtens erfopvolging over op zijn wettige nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft, met plaatsvervulling volgens dezelfde regel. Bij gebreke van eigen nakomelingen gaat het koningschap op gelijke wijze over op de wettige nakomelingen eerst van zijn ouder, dan van zijn grootouder, in de lijn van erfopvolging, voor zover de overleden Koning niet verder bestaand dan in de derde graad van bloedverwantschap.

Artikel 26 - Status ongeboren kind Koning

Het kind, waarvan een vrouw zwanger is op het ogenblik van het overlijden van de Koning, wordt voor de erfopvolging als reeds geboren aangemerkt. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

Artikel 27 - Afstand koningschap

Afstand van het koningschap leidt tot erfopvolging overeenkomstig de regels in de voorgaande artikelen gesteld. Na de afstand geboren kinderen en hun nakomelingen zijn van de erfopvolging uitgesloten.

Artikel 28 - Afstand koningschap door huwelijk

  1. De Koning, een huwelijk aangaande buiten bij de wet verleende toestemming, doet daardoor afstand van het koningschap.
  2. Gaat iemand die het koningschap van de Koning kan beërven een zodanig huwelijk aan, dan is hij met de uit dit huwelijk geboren kinderen en hun nakomelingen van de erfopvolging uitgesloten.
  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake van een voorstel van wet, strekkende tot het verlenen van toestemming, in verenigde vergadering.

Artikel 29 - Uitsluiting troonopvolging

  1. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden daartoe nopen, kunnen bij een wet een of meer personen van de erfopvolging worden uitgesloten.

  2. Het voorstel daartoe wordt door of vanwege de Koning ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 30 - Benoemde Koning

  1. Wanneer vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal ontbreken, kan deze worden benoemd bij een wet. Het voorstel wordt door of vanwege de Koning ingediend. Na de indiening van het voorstel worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  2. Indien bij overlijden van de Koning of bij afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt, worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers komen binnen vier maanden na het overlijden of de afstand in verenigde vergadering bijeen ten einde te besluiten omtrent de benoeming van een Koning. Zij kunnen een opvolger alleen benoemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 31 - Erfopvolging benoemde koning

  1. Een benoemde Koning kan krachtens erfopvolging alleen worden opgevolgd door zijn wettige nakomelingen.

  2. De bepalingen omtrent de erfopvolging en het eerste lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op een benoemde opvolger, zolang deze nog geen Koning is.

Artikel 32 - Inhuldiging Koning

Nadat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen, wordt hij zodra mogelijk beëdigd en ingehuldigd in de hoofdstad Amsterdam in een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Hij zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt. De wet stelt nadere regels vast.

Artikel 33 - Koningschap en meerderjarigheid

De Koning oefent het koninklijk gezag eerst uit, nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

Artikel 34 - Ouderlijk gezag minderjarige Koning

De wet regelt het ouderlijk gezag en de voogdij over de minderjarige Koning en het toezicht daarop. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 35 - Buiten staat verklaring

  1. Wanneer de ministerraad van oordeel is dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, bericht hij dit onder overlegging van het daartoe gevraagde advies van de Raad van State aan de Staten-Generaal, die daarop in verenigde vergadering bijeenkomen.

  2. Delen de Staten-Generaal dit oordeel, dan verklaren zij dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen. Deze verklaring wordt bekend gemaakt op last van de voorzitter der vergadering en treedt terstond in werking.

  3. Zodra de Koning weer in staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, wordt dit bij de wet verklaard. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Terstond na de bekendmaking van deze wet hervat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag.

  4. De wet regelt zo nodig het toezicht over de persoon van de Koning indien hij buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 36 - Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag

De Koning kan de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk neerleggen en die uitoefening hervatten krachtens een wet, waarvan het voorstel door of vanwege hem wordt ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 37 - Uitoefening koninklijk gezag door regent

  1. Het koninklijk gezag wordt uitgeoefend door een regent:
    a. zolang de Koning de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt;
    b. indien een nog niet geboren kind tot het koningschap geroepen kan zijn;
    c. indien de Koning buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen;
    d. indien de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk heeft neergelegd;
    e. zolang na het overlijden van de Koning of na diens afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt.

  2. De regent wordt benoemd bij de wet. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  3. In de gevallen, genoemd in het eerste lid onder c en d, is de nakomeling van de Koning die zijn vermoedelijke opvolger is, van rechtswege regent indien hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

  4. De regent zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt, in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal. De wet geeft nadere regels omtrent het regentschap en kan voorzien in de opvolging en de vervanging daarin. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  5. Op de regent zijn de artikelen 35 en 36 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38 - Uitoefening koninklijk gezag door RvS

Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk gezag is voorzien, wordt dit uitgeoefend door de Raad van State.

Artikel 39 - Lidmaatschap koninklijk huis

De wet regelt, wie lid is van het koninklijk huis.

Artikel 40 - Uitkering koninklijk huis

  1. De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het Rijk uitkeringen naar regels bij de wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het koninklijk huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen.

  2. De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, zijn vrij van persoonlijke belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of zijn vermoedelijke opvolger krachtens erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van het koninklijk huis vrij van de rechten van successie, overgang en schenking. Verdere vrijdom van belasting kan bij de wet worden verleend.

  3. De kamers der Staten-Generaal kunnen voorstellen van in de vorige leden bedoelde wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 41 - Inrichting huis Koning

De Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis in.

Artikel 42 - Ministeriële verantwoordelijkheid

  1. De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.

  2. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.

Artikel 43 - Regering en ministers

De minister-president en de overige ministers worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.

Artikel 44 - Ministeries

  1. Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.

  2. Ook kunnen ministers worden benoemd die niet belast zijn met de leiding van een ministerie.

Artikel 45 - Ministerraad

  1. De ministers vormen te zamen de ministerraad.

  2. De minister-president is voorzitter van de ministerraad.

  3. De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid.

Artikel 46 - Staatssecretarissen

  1. Bij koninklijk besluit kunnen staatssecretarissen worden benoemd en ontslagen.

  2. Een staatssecretaris treedt in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister.

Artikel 47 - Ondertekening en contraseign

Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.

Artikel 48 - Ontslag en benoeming ministers

Het koninklijk besluit waarbij de minister-president wordt benoemd, wordt mede door hem ondertekend. De koninklijke besluiten waarbij de overige ministers en de staatssecretarissen worden benoemd of ontslagen, worden mede door de minister-president ondertekend.

Artikel 49 - Ambtseed minister en staatssecretaris

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de ministers en de staatssecretarissen bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.
HOOFDSTUK 3

Staten-Generaal INLEIDING

Artikel 50 - Vertegenwoordiging

De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk.

Artikel 51 - Eerste en Tweede Kamer

  1. De Staten-Generaal bestaan uit de Tweede Kamer en de Eerste Kamer.

  2. De Tweede Kamer bestaat uit honderdvijftig leden.

  3. De Eerste Kamer bestaat uit vijfenzeventig leden.

  4. Bij een verenigde vergadering worden de kamers als één beschouwd.

Artikel 52 - Zittingsduur

  1. De zittingsduur van beide kamers is vier jaren.
  2. Indien voor de provinciale staten bij de wet een andere zittingsduur dan vier jaren wordt vastgesteld, wordt daarbij de zittingsduur van de Eerste Kamer in overeenkomstige zin gewijzigd.

Artikel 53 - Evenredige vertegenwoordiging

  1. De leden van beide kamers worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  2. De verkiezingen worden gehouden bij geheime stemming.

Artikel 54 - Verkiezing Tweede Kamer

  1. De leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen ten aanzien van Nederlanders die geen ingezetenen zijn.

  2. Van het kiesrecht is uitgesloten hij die wegens het begaan van een daartoe bij de wet aangewezen delict bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste een jaar en hierbij tevens is ontzet van het kiesrecht.

Artikel 55 - Verkiezing Eerste Kamer

De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten. De verkiezing wordt, behoudens in geval van ontbinding der kamer, gehouden binnen drie maanden na de verkiezing van de leden van provinciale staten.

Artikel 56 - Vereisten voor lidmaatschap

Om lid van de Staten-Generaal te kunnen zijn is vereist dat men Nederlander is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.

Artikel 57 - Incompatibiliteiten

  1. Niemand kan lid van beide kamers zijn.

  2. Een lid van de Staten-Generaal kan niet tevens zijn minister, staatssecretaris, lid van de Raad van State, lid van de Algemene Rekenkamer, Nationale ombudsman of substituut-ombudsman, of lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij de Hoge Raad.

  3. Niettemin kan een minister of staatssecretaris, die zijn ambt ter beschikking heeft gesteld, dit ambt verenigen met het lidmaatschap van de Staten-Generaal, totdat omtrent die beschikbaarstelling is beslist.

  4. De wet kan ten aanzien van andere openbare betrekkingen bepalen dat zij niet gelijktijdig met het lidmaatschap van de Staten-Generaal of van een der kamers kunnen worden uitgeoefend.

Artikel 57a - Zwangerschap en ziekte

De wet regelt de tijdelijke vervanging van een lid van de Staten-Generaal wegens zwangerschap en bevalling, alsmede wegens ziekte.

Artikel 58 - Geloofsbrieven

Elke kamer onderzoekt de geloofsbrieven van haar nieuwbenoemde leden en beslist met inachtneming van bij de wet te stellen regels de geschillen welke met betrekking tot de geloofsbrieven of de verkiezing zelf rijzen.

Artikel 59 - Kiesrecht en verkiezingen

Alles, wat verder het kiesrecht en de verkiezingen betreft, wordt bij de wet geregeld.

Artikel 60 - Ambtsaanvaarding

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de leden van de kamers bij de aanvaarding van hun ambt in de vergadering een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

Artikel 61 - Voorzitter en griffier

  1. Elk der kamers benoemt uit de leden een voorzitter.

  2. Elk der kamers benoemt een griffier. Deze en de overige ambtenaren van de kamers kunnen niet tevens lid van de Staten-Generaal zijn.

Artikel 62 - Verenigde vergadering

De voorzitter van de Eerste Kamer heeft de leiding van de verenigde vergadering.

Artikel 63 - Geldelijke voorzieningen

Geldelijke voorzieningen ten behoeve van leden en gewezen leden van de Staten-Generaal en van hun nabestaanden worden bij de wet geregeld. De kamers kunnen een voorstel van wet ter zake alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 64 - Ontbinding Kamers

  1. Elk der kamers kan bij koninklijk besluit worden ontbonden.

  2. Het besluit tot ontbinding houdt tevens de last in tot een nieuwe verkiezing voor de ontbonden kamer en tot het samenkomen van de nieuw gekozen kamer binnen drie maanden.

  3. De ontbinding gaat in op de dag waarop de nieuw gekozen kamer samenkomt.

  4. De wet stelt de zittingsduur van een na ontbinding optredende Tweede Kamer vast; de termijn mag niet langer zijn dan vijf jaren. De zittingsduur van een na ontbinding optredende Eerste Kamer eindigt op het tijdstip waarop de zittingsduur van de ontbonden kamer zou zijn geëindigd.

Artikel 65 - Troonrede

Jaarlijks op de derde dinsdag van september of op een bij de wet te bepalen eerder tijdstip wordt door of namens de Koning in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal een uiteenzetting van het door de regering te voeren beleid gegeven.

Artikel 66 - Openbaarheid vergaderingen

  1. De vergaderingen van de Staten-Generaal zijn openbaar.

  2. De deuren worden gesloten, wanneer een tiende deel van het aantal aanwezige leden het vordert of de voorzitter het nodig oordeelt.

  3. Door de kamer, onderscheidenlijk de kamers in verenigde vergadering, wordt vervolgens beslist of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd en besloten.

Artikel 67 - Quorum

  1. De kamers mogen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering alleen beraadslagen of besluiten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden ter vergadering aanwezig is.

  2. Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen.

  3. De leden stemmen zonder last.

  4. Over zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, wanneer één lid dit verlangt.

Artikel 68 - Inlichtingenplicht bewindslieden

De ministers en de staatssecretarissen geven de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat.

Artikel 69 - Aanwezigheid bewindslieden

  1. De ministers en de staatssecretarissen hebben toegang tot de vergaderingen en kunnen aan de beraadslaging deelnemen.

  2. Zij kunnen door de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn.

  3. Zij kunnen zich in de vergaderingen doen bijstaan door de personen, daartoe door hen aangewezen.

Artikel 70 - Recht van enquête

Beide kamers hebben, zowel ieder afzonderlijk als in verenigde vergadering, het recht van onderzoek (enquête), te regelen bij de wet.

Artikel 71 - Parlementaire onschendbaarheid

De leden van de Staten-Generaal, de ministers, de staatssecretarissen en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging, kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergaderingen van de Staten-Generaal of van commissies daaruit hebben gezegd of aan deze schriftelijk hebben overgelegd.

Artikel 72 - Reglement van orde

De kamers stellen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering een reglement van orde vast.

HOOFDSTUK 4

Adviesorganen INLEIDING

Artikel 73 - Taak Raad van State

  1. De Raad van State of een afdeling van de Raad wordt gehoord over voorstellen van wet en ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur, alsmede over voorstellen tot goedkeuring van verdragen door de Staten-Generaal. In bij de wet te bepalen gevallen kan het horen achterwege blijven.

  2. De Raad of een afdeling van de Raad is belast met het onderzoek van de geschillen van bestuur die bij koninklijk besluit worden beslist en draagt de uitspraak voor.

  3. De wet kan aan de Raad of een afdeling van de Raad de uitspraak in geschillen van bestuur opdragen.

Artikel 74 - Rechtspositie leden

  1. De Koning is voorzitter van de Raad van State. De vermoedelijke opvolger van de Koning heeft na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar van rechtswege zitting in de Raad. Bij of krachtens de wet kan aan andere leden van het koninklijk huis zitting in de Raad worden verleend.

  2. De leden van de Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  3. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  4. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Raad worden geschorst of ontslagen.

  5. De wet regelt overigens hun rechtspositie

Artikel 75 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Raad van State.

  2. Bij de wet kunnen aan de Raad of een afdeling van de Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 76 - Algemene rekenkamer

De Algemene Rekenkamer is belast met het onderzoek van de ontvangsten en uitgaven van het Rijk.

Artikel 77 - Rechtpositie leden rekenkamer

  1. De leden van de Algemene Rekenkamer worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Hoge Raad worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 78 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Algemene Rekenkamer.

  2. Bij de wet kunnen aan de Algemene Rekenkamer ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 78a - Nationale ombudsman

  1. De Nationale ombudsman verricht op verzoek of uit eigen beweging onderzoek naar gedragingen van bestuursorganen van het Rijk en van andere bij of krachtens de wet aangewezen bestuursorganen.
  2. De Nationale ombudsman en een substituut-ombudsman worden voor een bij de wet te bepalen termijn benoemd door de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Tweede Kamer der Staten-Generaal worden geschorst of ontslagen. De wet regelt overigens hun rechtspositie.
  3. De wet regelt de bevoegdheid en werkwijze van de Nationale ombudsman.
  4. Bij of krachtens de wet kunnen aan de Nationale ombudsman ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 79 - Vaste colleges van advies

  1. Vaste colleges van advies in zaken van wetgeving en bestuur van het Rijk worden ingesteld bij of krachtens de wet.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van deze colleges.

  3. Bij of krachtens de wet kunnen aan deze colleges ook andere dan adviserende taken worden opgedragen.

Artikel 80 - Openbaarmaking advies

  1. De adviezen van de in dit hoofdstuk bedoelde colleges worden openbaar gemaakt volgens regels bij de wet te stellen.

  2. Adviezen, uitgebracht ter zake van voorstellen van wet die door of vanwege de Koning worden ingediend, worden, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen, aan de Staten-Generaal overgelegd.

HOOFDSTUK 5

Wetgeving en bestuur INLEIDING

Artikel 81 - Wetgevende macht

De vaststelling van wetten geschiedt door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk.

Artikel 82 - Indienen wetsvoorstel

  1. Voorstellen van wet kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Voorstellen van wet waarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en, voor zover de betreffende artikelen van hoofdstuk 2 dit toelaten, door de verenigde vergadering.

  3. Voorstellen van wet, in te dienen door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering, worden bij haar door een of meer leden aanhangig gemaakt.

Artikel 83 - Toezending wetsvoorstel TK

Voorstellen van wet, ingediend door of vanwege de Koning, worden gezonden aan de Tweede Kamer of, indien daarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, aan deze vergadering.

Artikel 84 - Wijziging wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet, ingediend door of vanwege de Koning, niet door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering is aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en vanwege de regering worden gewijzigd.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden gewijzigd.

Artikel 85 - Toezending wetsvoorstel EK

Zodra de Tweede Kamer een voorstel van wet heeft aangenomen of tot indiening van een voorstel heeft besloten, zendt zij het aan de Eerste Kamer, die het voorstel overweegt zoals het door de Tweede Kamer aan haar is gezonden. De Tweede Kamer kan een of meer van haar leden opdragen een door haar ingediend voorstel in de Eerste Kamer te verdedigen.

Artikel 86 - Intrekking wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet niet door de Staten-Generaal is aangenomen, kan het door of vanwege de indiener worden ingetrokken.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden ingetrokken.

Artikel 87 - Aanneming en bekrachtiging

  1. Een voorstel wordt wet, zodra het door de Staten-Generaal is aangenomen en door de Koning is bekrachtigd.

  2. De Koning en de Staten-Generaal geven elkaar kennis van hun besluit omtrent enig voorstel van wet.

Artikel 88 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de wetten. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 89 - Algemene maatregel van bestuur

  1. Algemene maatregelen van bestuur worden bij koninklijk besluit vastgesteld.

  2. Voorschriften, door straffen te handhaven, worden daarin alleen gegeven krachtens de wet. De wet bepaalt de op te leggen straffen.

  3. De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de algemene maatregelen van bestuur. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

  4. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op andere vanwege het Rijk vastgestelde algemeen verbindende voorschriften.

Artikel 90 - Bevordering internationale rechtsorde

De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde.

Artikel 91 - Goedkeuring verdrag

  1. Het Koninkrijk wordt niet aan verdragen gebonden en deze worden niet opgezegd zonder voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. De wet bepaalt de gevallen waarin geen goedkeuring is vereist.

  2. De wet bepaalt de wijze waarop de goedkeuring wordt verleend en kan voorzien in stilzwijgende goedkeuring.

  3. Indien een verdrag bepalingen bevat welke afwijken van de Grondwet dan wel tot zodanig afwijken noodzaken, kunnen de kamers de goedkeuring alleen verlenen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 92 - Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties

Met inachtneming, zo nodig, van het bepaalde in artikel 91, derde lid, kunnen bij of krachtens verdrag aan volkenrechtelijke organisaties bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak worden opgedragen.

Artikel 93 - Verbindende kracht verdrag

Bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 94 - Verdrag boven wet

Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 95 - Bekendmaking verdrag

De wet geeft regels omtrent de bekendmaking van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 96 - Oorlogsverklaring

  1. Het Koninkrijk wordt niet in oorlog verklaard dan na voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal.

  2. De toestemming is niet vereist, wanneer het overleg met de Staten-Generaal ten gevolge van een feitelijk bestaande oorlogstoestand niet mogelijk is gebleken.

  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  4. Het bepaalde in het eerste en het derde lid is van overeenkomstige toepassing voor een verklaring dat een oorlog beëindigd is.

Artikel 97 - Krijgsmacht

  1. Ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk, alsmede ten behoeve van de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde, is er een krijgsmacht.

  2. De regering heeft het oppergezag over de krijgsmacht.

Artikel 98 - Samenstelling krijgsmacht

  1. De krijgsmacht bestaat uit vrijwillig dienenden en kan mede bestaan uit dienstplichtigen.

  2. De wet regelt de verplichte militaire dienst en de bevoegdheid tot opschorting van de oproeping in werkelijke dienst.

Artikel 99 - Gewetensbezwaren militaire dienst

De wet regelt vrijstelling van militaire dienst wegens ernstige gewetensbezwaren.

Artikel 99a - Civiele verdediging

Volgens bij de wet te stellen regels kunnen plichten worden opgelegd ten behoeve van de civiele verdediging.

Artikel 100 - Inlichtingen over krijgsmacht

  1. De regering verstrekt de Staten-Generaal vooraf inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. Daaronder is begrepen het vooraf verstrekken van inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht voor humanitaire hulpverlening in geval van gewapend conflict.

  2. Het eerste lid geldt niet, indien dwingende redenen het vooraf verstrekken van inlichtingen verhinderen. In dat geval worden inlichtingen zo spoedig mogelijk verstrekt.

Artikel 101 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 20 juli 1995

Artikel 102 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 22 juni 2000

Artikel 103 - Uitzonderingstoestand

  1. De wet bepaalt in welke gevallen ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid bij koninklijk besluit een door de wet als zodanig aan te wijzen uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd; zij regelt de gevolgen.

  2. Daarbij kan worden afgeweken van de grondwetsbepalingen inzake de bevoegdheden van de besturen van provincies, gemeenten en waterschappen, van de grondrechten geregeld in de artikelen 6, voor zover dit de uitoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen van het in dit artikel omschreven recht betreft, 7, 8, 9, 12, tweede en derde lid, en 13, alsmede van artikel 113, eerste en derde lid.

  3. Terstond na de afkondiging van een uitzonderingstoestand en voorts, zolang deze niet bij koninklijk besluit is opgeheven, telkens wanneer zij zulks nodig oordelen beslissen de Staten-Generaal omtrent het voortduren daarvan; zij beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 104 - Belastingheffing

Belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet. Andere heffingen van het Rijk worden bij de wet geregeld.

 
 

Artikel 105 - Recht van begroting

  1. De begroting van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt bij de wet vastgesteld.

  2. Jaarlijks worden voorstellen van algemene begrotingswetten door of vanwege de Koning ingediend op het in artikel 65 bedoelde tijdstip.

  3. De verantwoording van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt aan de Staten-Generaal gedaan overeenkomstig de bepalingen van de wet. De door de Algemene Rekenkamer goedgekeurde rekening wordt aan de Staten-Generaal overgelegd.

  4. De wet stelt regels omtrent het beheer van de financiën van het Rijk.

Artikel 106 - Geldstelsel

De wet regelt het geldstelsel.

Artikel 107 - Codificatie

  1. De wet regelt het burgerlijk recht, het strafrecht en het burgerlijk en strafprocesrecht in algemene wetboeken, behoudens de bevoegdheid tot regeling van bepaalde onderwerpen in afzonderlijke wetten.

  2. De wet stelt algemene regels van bestuursrecht vast.

Artikel 108 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 25 februari 1999

Artikel 109 - Rechtspositie ambtenaren

De wet regelt de rechtspositie van de ambtenaren. Zij stelt tevens regels omtrent hun bescherming bij de arbeid en omtrent medezeggenschap.

 

Artikel 110 - Openbaarheid van bestuur

De overheid betracht bij de uitvoering van haar taak openbaarheid volgens regels bij de wet te stellen.

 

Artikel 111 - Ridderorden

Ridderorden worden bij de wet ingesteld.
HOOFDSTUK 6

Rechtspraak INLEIDING

Artikel 112 - Civiele en administratieve rechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is opgedragen de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen.

  2. De wet kan de berechting van geschillen die niet uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, opdragen hetzij aan de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren. De wet regelt de wijze van behandeling en de gevolgen van de beslissingen.

Artikel 113 - Strafrechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van strafbare feiten.

  2. Tuchtrechtspraak door de overheid ingesteld wordt bij de wet geregeld.

  3. Een straf van vrijheidsontneming kan uitsluitend door de rechterlijke macht worden opgelegd.

  4. Voor berechting buiten Nederland en voor het oorlogsstrafrecht kan de wet afwijkende regels stellen.

Artikel 114 - Doodstraf

De doodstraf kan niet worden opgelegd.

Artikel 115 - Administratief beroep

Ten aanzien van de in artikel 112, tweede lid, bedoelde geschillen kan administratief beroep worden opengesteld.

Artikel 116 - Rechterlijke macht

  1. De wet wijst de gerechten aan die behoren tot de rechterlijke macht.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de rechterlijke macht.

  3. De wet kan bepalen, dat aan rechtspraak door de rechterlijke macht mede wordt deelgenomen door personen die niet daartoe behoren.

  4. De wet regelt het toezicht door leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast uit te oefenen op de ambtsvervulling door zodanige leden en door de personen bedoeld in het vorige lid.

Artikel 117 - Rechtspositie leden rechterlijke macht

  1. De leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal bij de Hoge Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet bepaald kunnen zij door een bij de wet aangewezen, tot de rechterlijke macht behorend gerecht worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 118 - Hoge Raad

  1. De leden van de Hoge Raad der Nederlanden worden benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. De Hoge Raad is in de gevallen en binnen de grenzen bij de wet bepaald, belast met de cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van het recht.

  3. Bij de wet kunnen aan de Hoge Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 119 - Ambtsmisdrijven

De leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreden terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.

Artikel 120 - Toetsingsverbod

De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.

Artikel 121 - Openbaarheid terechtzittingen

Met uitzondering van de gevallen bij de wet bepaald vinden de terechtzittingen in het openbaar plaats en houden de vonnissen de gronden in waarop zij rusten. De uitspraak geschiedt in het openbaar.

Artikel 122 - Gratie

  1. Gratie wordt verleend bij koninklijk besluit na advies van een bij de wet aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.

  2. Amnestie wordt bij of krachtens de wet verleend.

HOOFDSTUK 7

Decentralisatie INLEIDING

Artikel 123 - Instelling provincies en gemeenten

  1. Bij de wet kunnen provincies en gemeenten worden opgeheven en nieuwe ingesteld.

  2. De wet regelt de wijziging van provinciale en gemeentelijke grenzen.

Artikel 124 - Autonomie en medebewind

  1. Voor provincies en gemeenten wordt de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake hun huishouding aan hun besturen overgelaten.

  2. Regeling en bestuur kunnen van de besturen van provincies en gemeenten worden gevorderd bij of krachtens de wet.

Artikel 125 - Organen decentrale besturen

  1. Aan het hoofd van de provincie en de gemeente staan provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad. Hun vergaderingen zijn openbaar, behoudens bij de wet te regelen uitzonderingen.

  2. Van het bestuur van de provincie maken ook deel uit gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning, van het bestuur van de gemeente het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester.

Artikel 126 - Ambtsinstructie commissaris koning

Bij de wet kan worden bepaald, dat de commissaris van de Koning wordt belast met de uitvoering van een door de regering te geven ambtsinstructie.

Artikel 127 - Vaststelling verordening

Provinciale staten en de gemeenteraad stellen, behoudens bij de wet of door hen krachtens de wet te bepalen uitzonderingen, de provinciale onderscheidenlijk de gemeentelijke verordeningen vast.

Artikel 128 - Toekenning bevoegdheden

Behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 123, kan de toekenning van bevoegdheden, als bedoeld in artikel 124, eerste lid, aan andere organen dan die, genoemd in artikel 125, alleen door provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad geschieden.

Artikel 129 - Verkiezing vertegenwoordigend orgaan

  1. De leden van provinciale staten en van de gemeenteraad worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders, tevens ingezetenen van de provincie onderscheidenlijk de gemeente, die voldoen aan de vereisten die gelden voor de verkiezing van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Voor het lidmaatschap gelden dezelfde vereisten.
  2. De leden worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  3. De artikelen 53, tweede lid, en 59 zijn van toepassing. Artikel 57a is van overeenkomstige toepassing.
  4. De zittingsduur van provinciale staten en de gemeenteraad is vier jaren, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen.
  5. De wet bepaalt welke betrekkingen niet gelijktijdig met het lidmaatschap kunnen worden uitgeoefend. De wet kan bepalen, dat beletselen voor het lidmaatschap voortvloeien uit verwantschap of huwelijk en dat het verrichten van bij de wet aangewezen handelingen tot het verlies van het lidmaatschap kan leiden.
  6. De leden stemmen zonder last.

Artikel 130 - Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders

De wet kan het recht de leden van de gemeenteraad te kiezen en het recht lid van de gemeenteraad te zijn toekennen aan ingezetenen, die geen Nederlander zijn, mits zij tenminste voldoen aan de vereisten die gelden voor ingezetenen die tevens Nederlander zijn.

Artikel 131 - Benoeming commissaris Koning

De commissaris van de Koning en de burgemeester worden bij koninklijk besluit benoemd.

Artikel 132 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen

  1. De wet regelt de inrichting van provincies en gemeenten, alsmede de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen.

  2. De wet regelt het toezicht op deze besturen.

  3. Besluiten van deze besturen kunnen slechts aan voorafgaand toezicht worden onderworpen in bij of krachtens de wet te bepalen gevallen.

  4. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden bij koninklijk besluit wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

  5. De wet regelt de voorzieningen bij in gebreke blijven ten aanzien van regeling en bestuur, gevorderd krachtens artikel 124, tweede lid. Bij de wet kunnen met afwijking van de artikelen 125 en 127 voorzieningen worden getroffen voor het geval het bestuur van een provincie of een gemeente zijn taken grovelijk verwaarloost.

  6. De wet bepaalt welke belastingen door de besturen van provincies en gemeenten kunnen worden geheven en regelt hun financiële verhouding tot het Rijk.

Artikel 133 - Waterschappen

  1. De opheffing en instelling van waterschappen, de regeling van hun taken en inrichting, alsmede de samenstelling van hun besturen, geschieden volgens bij de wet te stellen regels bij provinciale verordening, voor zover bij of krachtens de wet niet anders is bepaald.

  2. De wet regelt de verordenende en andere bevoegdheden van de besturen van de waterschappen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen.

  3. De wet regelt het provinciale en overige toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 134 - Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

  1. Bij of krachtens de wet kunnen openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere openbare lichamen worden ingesteld en opgeheven.

  2. De wet regelt de taken en de inrichting van deze openbare lichamen, de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen. Bij of krachtens de wet kan aan hun besturen verordenende bevoegdheid worden verleend.

  3. De wet regelt het toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 135 - Gemeenschappelijke regelingen

De wet geeft regels ter voorziening in zaken waarbij twee of meer openbare lichamen zijn betrokken. Daarbij kan in de instelling van een nieuw openbaar lichaam worden voorzien, in welk geval artikel 134, tweede en derde lid, van toepassing is.

Artikel 136 - Geschillen

De geschillen tussen openbare lichamen worden bij koninklijk besluit beslist, tenzij deze behoren tot de kennisneming van de rechterlijke macht of hun beslissing bij de wet aan anderen is opgedragen.
HOOFDSTUK 8

Herziening grondwet INLEIDING

Artikel 137 - Grondwetswijziging

  1. De wet verklaart, dat een verandering in de Grondwet, zoals zij die voorstelt, in overweging zal worden genomen.

  2. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, een voorstel voor zodanige wet splitsen.

  3. Na de bekendmaking van de wet, bedoeld in het eerste lid, wordt de Tweede Kamer ontbonden.

  4. Nadat de nieuwe Tweede Kamer is samengekomen, overwegen beide kamers in tweede lezing het voorstel tot verandering, bedoeld in het eerste lid. Zij kunnen dit alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  5. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen een voorstel tot verandering splitsen.

Artikel 138 - Aanpassing niet gewijzigde bepalingen

  1. Voordat de in tweede lezing aangenomen voorstellen tot verandering in de Grondwet door de Koning worden bekrachtigd, kunnen bij de wet:

    a. de aangenomen voorstellen en de ongewijzigd gebleven bepalingen van de Grondwet voor zoveel nodig aan elkaar worden aangepast;

    b. de indeling in en de plaats van hoofdstukken, paragrafen en artikelen, alsmede de opschriften worden gewijzigd.

  2. Een voorstel van wet, houdende voorzieningen als bedoeld in het eerste lid onder a, kunnen de kamers alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 139 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De veranderingen in de Grondwet, door de Staten-Generaal aangenomen en door de Koning bekrachtigd, treden terstond in werking, nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 140 - Handhaving bestaande regelgeving

Bestaande wetten en andere regelingen en besluiten die in strijd zijn met een verandering in de Grondwet, blijven gehandhaafd, totdat daarvoor overeenkomstig de Grondwet een voorziening is getroffen.

Artikel 141 - Bekendmaking herziene Grondwet

De tekst van de herziene Grondwet wordt bij koninklijk besluit bekendgemaakt, waarbij hoofdstukken, paragrafen en artikelen kunnen worden vernummerd en verwijzingen dienovereenkomstig kunnen worden veranderd.

Artikel 142 - Aanpassing Grondwet aan Statuut

De Grondwet kan bij de wet met het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in overeenstemming worden gebracht. De artikelen 139, 140 en141 zijn van overeenkomstige toepassing.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

B.W.N. de Waard

ARTIKEL 17 - Wettelijk toegekende rechter

INHOUD
  1. Historische ontwikkeling
  2. Rechter die de wet toekent
  3. Tegen zijn wil
  4. Door wie of wat wordt men van de rechter afgehouden?
  5. Staatsnoodrecht
  6. Verdragen en EU-recht
  7. Jurisprudentie
  8. Literatuur
  9. Historische versies
 

Editie december 2013[1]

1. Historische ontwikkeling

In de huidige tijd wordt vooral een beroep gedaan op deze bepaling als iemand zijn recht op toegang tot de overheidsrechter niet kan realiseren. De vraag is dan of het standpunt dat betrokkene geen aanspraak kan maken op een oordeel door de rechter wel in overeenstemming is met artikel 17 van de Grondwet. In zoverre lijkt de functie van de grondwetsbepaling veel op die van artikel 6 van het Europese Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM), voorzover die verdragsbepaling de burgers van de aangesloten staten een recht op toegang tot een onafhankelijke rechter garandeert. Volgens reeds lang gevestigde jurisprudentie omvat het in het EVRM neergelegde recht op rechtspraak door een onafhankelijke rechter een recht op toegang tot die rechter.[2] Een principieel verschil is wel dat de Grondwet (anders dan het EVRM) niet zelf een rechtsgang bij een onafhankelijke rechter toekent. Daar staat tegenover dat dit in verschillende wetten wel gebeurt en de jurisprudentie er op neerkomt dat er als regel altijd een beroep op de overheidsrechter kan worden gedaan: als er voor een bepaalde vordering niet een speciale rechter door de wet is aangewezen, dan stelt de gewone (civiele) rechter zich – ook weer: sinds jaar en dag[3] – open om over de vordering te oordelen. Nu de bepaling een basale rol vervult bij de toegang tot de overheidsrechter, kan de bepaling ook worden aangemerkt als zeer wezenlijk voor de rechtsstaatgedachte. Een rechtsstaat is immers nog niet compleet als kan worden gezegd dat iedereen, ook de overheid, zich aan de wet dient te houden. Daarnaast is nodig dat aan de onafhankelijke rechter de vraag kan worden voorgelegd of iemand (inclusief de overheid) zich inderdaad aan de wet houdt of heeft gehouden.
 
Voor zover het gaat om het recht op toegang tot de onafhankelijke rechter is hetgeen in artikel 17 Grondwet tot uitdrukking wordt gebracht, terug te vinden in de traditie van diverse Europese landen. Duitsland en Italië kennen een grondwettelijke bepaling, in Frankrijk is het een ongeschreven beginsel, terwijl het recht in het Verenigd Koninkrijk deel uitmaakt van de Magna Charta. Ook de Nederlandse bepaling heeft een respectabele ouderdom. De bepaling heeft een plaats gehad in alle Nederlandse grondwetten, maar de betekenis ervan is in de loop van de jaren wel veranderd. Het recht gaat terug op het in de landsheerlijke tijd belangrijke ‘ius de non evocando’, het recht om niet voor een andere rechtbank gedaagd te worden dan voor een college van gelijken in stand (collegium parium).[4] Maar toen met de vestiging van de eenheidsstaat werd vastgelegd dat ‘alomme in het rijk’ werd recht gesproken ‘uit naam en vanwege den Souvereinen Vorst’ (art. 99 Grw. 1814), en er algemene wetboeken werden ingevoerd, veranderde de betekenis van het ius de non evocando. Het recht werd opgevat als een waarborg aan burgers voor op de wet gegronde rechtspraak, en zou in de weg staan aan de oprichting door de regering van (haar meer welgevallige) buitengewone rechtbanken.[5] Artikel 17 werd na de Franse tijd bovendien gezien als een bepaling die zich verzet tegen gedwongen arbitrage (‘arbitrage forcé’).[6]
 
In de Proeve[7] was het ius de non evocando gehandhaafd. De opstellers waren van oordeel dat de Grondwettelijke bepaling zijn betekenis had behouden. Daarbij wees de Proeve er op dat de Grondwetsbepaling waarin het ius de non evocando was neergelegd de grond vormde voor artikel 2, vijfde lid, van de Wet op het algemeen verbindend verklaren van collectieve arbeidsovereenkomsten. In dat artikel is neergelegd dat bepalingen van een CAO die ten doel hebben de beslissing van de rechter omtrent twistgedingen uit te sluiten, niet algemeen verbindend mogen worden verklaard. Verder wees de Proeve naar een arrest uit 1951, waarin de Hoge Raad uitdrukkelijk overwoog dat de Grondwetsbepaling waarin het ius de non evocando was neergelegd er aan in de weg stond dat in een CAO de verplichting wordt neergelegd bindend advies in te winnen.[8] Deze passage in de Proeve geeft daarmee blijk van een verdere betekenisverschuiving of in ieder geval een verandering in accent. In de Proeve is de betekenis immers niet primair dat bescherming wordt geboden tegen onderworpenheid aan bijzondere rechtscolleges en ook niet dat wordt gegarandeerd dat rechtspraak plaatsvindt op basis van de wet. De Proeve stelt vooral, dat de aanspraak die de burger heeft op toegang tot de rechter die de wet hem toekent, hem niet (buiten zijn wil) mag worden ontnomen. (Een betekenis die overigens uitstekend aansluit bij de bewoordingen van de Grondwetsbepaling.)
 
Ook de Staatscommissie-Cals/Donner achtte het recht van voldoende belang om het te handhaven, maar meende dat het niet om een grondrecht ging.[9] De regering was evenwel van oordeel dat het artikel wel degelijk een grondrecht bevat en zag ook in de werking ervan in verhoudingen tussen burgers onderling (horizontale werking) een reden om het in het eerste hoofdstuk van de Grondwet op te nemen.[10] In de Tweede Kamer werd aan het artikel nagenoeg geen aandacht besteed; het werd zonder stemming aangenomen.[11]
           
De betekenis van artikel 17 in de rechtspraktijk moet tegenwoordig, zoals gezegd, vooral gezocht worden in het verband van de vraag of de burger wiens aanspraak op een rechtspraak bij de gewone rechter wordt betwist (bijvoorbeeld omdat de burger op een of andere wijze gebonden is aan een bijzondere vorm van geschilbeslechting), zich toch kan beroepen op een bij de wet geregelde gewone rechtsgang bij de overheidsrechter. De grondrechtelijke dimensie is dan helder: er wordt een beroep gedaan op het recht op toegang tot de (overheids-)rechter. Veelal wordt daarbij in de rechtspraak uitdrukkelijk een verbinding gelegd tussen artikel 17 Grw en het recht op toegang tot de rechter zoals dat ten grondslag ligt aan een bepaling als artikel 6 EVRM.

2. Rechter die de wet toekent

Het ‘ius de non evocando’ vormt geen echte grondwettelijke waarborg van het recht op rechtspraak door een onafhankelijke rechter. Doordat de grondwet spreekt van de rechter ‘die de wet … toekent’ is het recht op rechtspraak afhankelijk van de wetgever. De bescherming bevindt zich dus een niveau lager dan dat van de Grondwet.
      
Het is op grond van artikel 17 aan de wetgever in formele zin om aan te wijzen welke geschillen voor welke rechter kunnen worden gebracht. Een ander dan de wetgever is volgens deze bepaling niet bevoegd invloed uit te oefenen op wie in een bepaalde zaak als rechter zal/zullen oordelen.

Het begrip ‘rechter’ wordt in de Grondwet niet gedefinieerd. Artikel 117 verwijst met het begrip ‘leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast’ slechts naar personen die zijn benoemd bij een gerecht dat behoort tot de rechterlijke macht. Aangenomen moet worden dat het begrip ‘rechter’ in elk geval de betekenis heeft van een van het openbaar bestuur onafhankelijke instantie.[12]

Artikel 17 biedt geen waarborg tegen de wetgever in formele zin: als de wetgever buitengewone gerechten instelt is het dan ingestelde gerecht de rechter die de wet toekent.[13] Zo zou de wetgever een bestuursorgaan kunnen aanwijzen. In het verleden is het standpunt ingenomen dat de gewone rechter dan (materieel) niet bevoegd is het betreffende geschil te beoordelen.[14] De situatie dat een mogelijkheid van administratief beroep in de weg stond aan ontvankelijkheid bij de civiele rechter bestond in Nederland, voorafgaand aan het Benthem-arrest van het Europese Hof voor de rechten van de mens.[15] Het Nederlandse bestuursrecht kende toen nog een rechtsgang waarin de Kroon de hoogste instantie vormde. De betreffende procedure was met verschillende waarborgen omgeven, met name doordat de toenmalige ‘Afdeling voor de geschillen van bestuur’ van de Raad van State als adviesinstantie optrad. Gelet op die waarborgen gaf de civiele rechter in zaken die aan de Kroon waren voorgelegd (of hadden kunnen worden voorgelegd) geen eigen oordeel over de vragen die aan de Kroon ter beantwoording waren.[17] Als gevolg daarvan ontbrak destijds in dergelijke zaken de mogelijkheid een oordeel te verkrijgen van de onafhankelijke rechter. Dit veranderde door het Benthem-arrest. Het Europese Hof bepaalde in die uitspraak dat sprake was van strijd met art. 6 EVRM, nu de rechtsgang niet leidde tot een oordeel van een onafhankelijke rechter. Daarin zag de Nederlandse civiele rechter aanleiding te oordelen dat het beroep op de Kroon niet langer beschouwd kon worden van een ‘met voldoende waarborgen omklede’ procedure. Als gevolg daarvan was er voor de civiele rechter wel degelijk plaats voor een eigen oordeel, zij het dat eerst de (onvolkomen) bestuursrechtelijke rechtsgang doorlopen diende te worden voordat de zaak aan de civiele rechter voorgelegd kon worden.
      
De vrijheid van de wetgever is derhalve niet onbeperkt. Een beperking van de vrijheid van de wetgever vloeit voort uit artikel 6 EVRM, in het geval een zaak de vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtin­gen of een vervolging in de zin van dat artikel betreft.[17] Voor dergelijke geschillen stelt artikel 6 EVRM de eis dat men toegang heeft tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter.[18] Ook de Grondwet begrenst de vrijheid van de wetgever. Indien het de berechting betreft van geschillen ter zake van burgerlijke rechten en schuldvorderingen die uit burgerlijke rechtsbetrekking zijn ontstaan, dan wel berechting van strafbare feiten, dan kan hij die geschillen op grond van de artikelen 112 en 113 Grondwet slechts toedelen aan gerechten, behorend tot de rechterlijke macht.

Dient het woord ‘rechter’ te worden geïnterpreteerd als betrekking hebbend op de instantie (het ‘gerecht’) of (ook) op de persoon van ‘de rechter’? Mede gelet op de historie van de bepaling ligt het voor de hand het woord ‘rechter’ op te vatten als alleen betrekking hebbend op de institutie. Dat is ook de gangbare opvatting. Niettemin is wel betoogd dat de wijze waarop binnen de rechterlijke instanties rechters worden ingezet, spanning kan opleveren met artikel 17 Grondwwet.[19] Ik ben daarvan niet overtuigd. Men kan zeker stellen dat het voor een behoorlijke rechtspleging nodig is dat de burger er achter moet kunnen komen welke rechter(s) op zijn zaak zullen zitten. Ook is het zo dat de wijze van toedeling van zaken binnen een rechterlijke instantie het recht op een onpartijdige rechtspraak in gevaar kan brengen. Het is echter vergezocht om artikel 17 Grondwet te zien als bepaling die de inzet van individuele rechters normeert.

3. Tegen zijn wil


Vrijwillig en ondubbelzinnig afstand gedaan?

Artikel 17 Grondwet mag niet worden opgevat als een bepaling die de overheidsrechtspraak presenteert als het te prefereren middel van rechtsbescherming. Alternatieven voor de overheidsrechtspraak, zoals arbitrage en bindend advies, bestaan al heel lang en de laatste decennia is het regeringsbeleid er sterk op gericht geweest om alternatieve geschillenbeslechting, waaronder mediation, te bevorderen.[20] Artikel 17 verzet zich daar helemaal niet tegen. Het artikel roept alleen de vraag op onder welke omstandigheden men aan een keuze voor een alternatieve rechtsgang is gebonden. Als men zich er – voordat een conflict ontstaat – toe verplicht te kiezen voor een andere vorm van geschilbeslechting, kan men dan van die keuze terugkomen? En – als dat niet zomaar kan – moeten dan eisen worden gesteld aan de wijze waarop men de gang naar de overheidsrechter voor zichzelf afsluit?
      
Dat men afstand kan doen van zijn recht op toegang tot de overheidsrechter ligt eigenlijk al besloten in de woorden ‘tegen zijn wil’. Die woorden impliceren dat het mogelijk is om bij overeenkomst, dus niet tegen zijn wil, de rechtsgang bij de rechter die de wet toekent, voor zichzelf af te sluiten. Die mogelijkheid heeft ons rechtssysteem steeds gekend; arbitrage (zie art. 1020 e.v. Rv.; art. 272 VWEU (voorheen art. 238 EG-verdrag)), bindend-adviesclausules[21] en prorogatie van rechtspraak (zie art. 329 Rv) leveren geen strijd op met artikel 17 Grondwet. Al in het begin van de vorige eeuw oordeelde de Hoge Raad dat de bepaling niet in de weg staat aan ‘de bevoegdheid van hen die “sui iuris” zijn de beslissing hunner geschillen op te dragen aan daartoe door hen gekozen scheidslieden’.[22] Wat arbitrage betreft bepaalt het BW dat de rechter bij wie een geschil aanhangig is gemaakt waarover een overeenkomst tot arbitrage is gesloten, zich onbevoegd moet verklaren indien een partij zich voor alle weren op het bestaan van deze overeenkomst beroept.[23]
      
Wel is nodig dat betrokkene vrijwillig en ondubbelzinnig afstand doet van zijn recht.[24] Uitdrukkelijke afstand is echter niet nodig. Een werknemer op wie een CAO met een arbitraal beding dat de rechtsgang naar de overheidsrechter uitsluit op zichzelf niet van toepassing is, kan desondanks daaraan gebonden worden geacht als hij in zijn arbeidscontract is overeengekomen dat de CAO op de arbeidsovereenkomst van toepassing zal zijn.[25]
      
Meer twijfel of iemand wel vrijwillig en ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn recht op rechtspraak komt op, als een voorwaarde die de gang naar de rechter uitsluit niet uitdrukkelijk in standaardvoorwaarden is opgenomen, maar gesteld wordt dat de betreffende voorwaarde als bestendig gebruikelijk beding deel uitmaakt van die standaardvoorwaarden. Het Hof Den Haag moest beslissen over een casus waarin die stelling was geponeerd. Het hof achtte het in beginsel mogelijk dat een arbitragebeding in standaardvoorwaarden bij wijze van bestendig gebruikelijk beding tussen partijen geldt. Wel stelde het hof zich daarbij op het standpunt dat voor toepassing van algemene voorwaarden bij wijze van bestendig gebruikelijk beding op buiten de organisatie staande ondernemers zware eisen gesteld moeten worden. Dat geldt met name wanneer dergelijke voorwaarden een arbitragebeding inhouden, nu daarmee wordt afgeweken van artikel 17 Grondwet, aldus het hof. In het betreffende geval achtte het hof het bewijs niet geleverd dat van een dergelijk beding sprake was.[26]
      
Aan de voorwaarde dat vrijwillig en ondubbelzinnig afstand is gedaan van het recht op toegang tot de rechter is niet voldaan als een regeling inhoudt dat ook personen die niet vertegenwoordigd waren bij het sluiten van een overeenkomst waarin de afstand wordt gedaan, desondanks aan die overeenkomst kunnen worden gebonden. Daarom kunnen CAO’s waarin een dergelijke afstand wordt gedaan (bijv. de verplichting geschillen voor te leggen in een bindend adviesprocedure) niet algemeen verbindend worden verklaard, zoals in paragraaf 1 al even ter sprake kwam. Door een algemeen verbindendverklaring zouden immers ook personen worden gebonden die niet zelf afstand hebben gedaan van hun recht op toegang tot de rechter. Dit is uitgemaakt in een arrest van de Hoge Raad uit 1951.[27] In de zaak stonden de woorden ‘tegen zijn wil’ centraal. Het arrest betrof de algemeen verbindend verklaring van een collectieve arbeidsovereenkomst die een bindend adviesclausule bevatte. De algemeen verbindend verklaring werd in strijd geacht met de grondwetsbepaling, omdat daardoor die clausule ook (en dan: ‘tegen hun wil’) toepasselijk zou zijn op werkgevers en werknemers die niet waren aangesloten bij een van de verenigingen tussen wie de betreffende collectieve arbeidsovereenkomst was overeengekomen. In dit arrest was geen sprake van horizontale werking: het ging om de relatie tussen de overheid die over algemeen verbindend verklaren besliste en burgers. In latere arresten greep de Hoge Raad eveneens terug op het ius de non evocando.[28]
      
Het effect dat personen die geen partij waren bij een overeenkomst toch worden gebonden, kan ook optreden bij zogenaamde massaschade. Voor dergelijke massaschade is in het BW en in het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een aparte regeling opgenomen. Die regeling komt er op neer dat schadegevallen waarbij veel verschillende partijen betrokken zijn, collectief kunnen worden afgedaan door belangenbehartigende rechtspersonen. Een overeenkomst waarbij een minnelijke schikking wordt getroffen voor dergelijke massaschade kan door de rechter algemeen verbindend worden verklaard. De vaststellingsovereenkomst bindt dan ook andere personen die door de massaschade zijn getroffen dan degenen die bij de overeenkomst uitdrukkelijk waren vertegenwoordigd (art. 7:907 e.v. BW). Op die manier kunnen ook die personen profiteren van de getroffen regeling. Bij het ontwerpen van de regeling voor de afwikkeling van massaschade heeft de wetgever aan de eisen van artikel 17 Grondwet gedacht. Voor de niet-vertegenwoordigde partijen is het mogelijk zich aan de bindende kracht van de overeenkomst te onttrekken, door tijdig op de geëigende wijze kenbaar te maken dat men niet aan de overeenkomst gebonden wil zijn (vgl. art. 7:908, tweede lid, BW). Deze mogelijkheid zou moeten voorkomen dat de betreffende regeling onverenigbaar wordt geacht met het recht op toegang tot de rechter. Vanuit het gezichtspunt van artikel 17 Grondwet zit daar natuurlijk de kwetsbare plek: kan het voorkomen dat mensen tegen hun wil worden gebonden aan een schikking met betrekking tot de door hen geleden schade? Die vraag is bijvoorbeeld aan de orde als hen wordt tegengeworpen dat zij niet op tijd en/of niet op de geëigende wijze, hebben kenbaar gemaakt dat zij zich niet aan de schikking gebonden wilden achten.
      
Het Hof Amsterdam heeft zich op het standpunt gesteld dat het die wettelijke regeling in het BW niet aan artikel 17 Grondwet mag toetsen, in verband met het bepaalde in artikel 120 Grondwet. Dat verbod van toetsing van wetten in formele zin aan de Grondwet sluit echter niet uit dat de rechter toetst aan de eisen die artikel 6 EVRM stelt aan de toegang tot de rechter. Het hof is van oordeel dat bedoelde regeling het recht van de individuele belegger om door de rechter te worden gehoord in voldoende mate respecteert. De belangen van die belegger zijn in het bijzonder gewaarborgd door de wijze waarop de wettelijke regeling de gevolgen van de verbindendverklaring en de zogenaamde uitstapmogelijkheid regelt.[29] In het verlengde hiervan speelt artikel 17 Grondwet wel een rol in geschillen waarbij er met het gebruik maken van die ‘opt out’ mogelijkheid iets is misgegaan. De vraag of in een concreet geval een rechtsgeldige opt-outverklaring is gegeven of niet, ligt in het spanningsveld tussen het belang van een collectieve afwikkeling voor alle bij een geval van massaschade betrokken partijen enerzijds en het belang van het waarborgen van fundamentele rechtsbeginselen als het recht op toegang tot de rechter, zo overwoog Hof ’s-Hertogenbosch. Het hof overwoog in de betreffende uitspraak dat het uitgangspunt dat een ieder toegang heeft tot de rechter zwaarder woog dan het belang van de betrokkenen bij de vaststellingsovereenkomst om procedures te voorkomen.[30]
 
Wat mediation betreft is hierboven al gezegd dat de laatste jaren door verschillende kabinetten is gestreefd naar bevordering van het gebruik van mediation. Inmiddels zijn er twee initiatiefwetsontwerpen die bevordering van mediation tot doel hebben.[31] In reactie op de wetsontwerpen is de vrees geuit dat de druk op partijen om aan mediation mee te doen te sterk zou worden. Een spanning met het in artikel 17 Grondwet neergelegde recht kan ontstaan als de druk op partijen om mee te werken aan een mediation wordt versterkt. Het zou bijvoorbeeld ongewenst zijn te verlangen dat partijen tegenover de rechter verantwoording zou moeten afleggen over de redenen waarom mediation niet is beproefd of waarom een wel gedane poging tot mediation is mislukt, aldus Martin Brink in een NJB-bijdrage.[32]
 
Kan van een vrijwillige afstand worden teruggekomen?

Een vraag is nog, of onder omstandigheden kan worden teruggekomen van een vrijwillige afstand. Wat betreft het recht op toegang tot de bestuursrechter is dit wel gesteld. Van dat recht zou men geen afstand kunnen doen, omdat het van openbare orde is.[33] Uitspraken uit 1990 waarin dit met zoveel woorden is uitgesproken, hebben de nodige aandacht gekregen. De Afdeling rechtspraak van de Raad van State en de Centrale Raad van Beroep overwogen dat het recht van beroep zoals geregeld in de Wet Arob, resp. de Ambtenarenwet 1929, moest worden beschouwd als een recht van openbare orde waarvan geen afstand kan worden gedaan.#34!# Een verband met artikel 17 Grondwet werd overigens niet expliciet gelegd. In de zaak waarin de Afdeling besliste was de appellant opgekomen tegen een aan een ander verleende begunstigende beschikking, ondanks dat hij eerder met de geadresseerde een overeenkomst had gesloten die zo kon worden uitgelegd dat deze een afstand van beroepsrecht inhield.
      
In de publicatie waar zojuist naar werd verwezen,[35] had Kobussen haar standpunt dat afstand van beroepsrecht in bestuursrechtelijke zaken niet mogelijk is, gegrond op de opvatting dat het doel van het bestuursprocesrecht handhaving van het gehele objectieve recht betreft. Dat standpunt is ter discussie gesteld, mede met het argument dat de doelstelling van het bestuursprocesrecht met de invoering van de Awb is gewijzigd. Als primaire doel van het bestuursprocesrecht is in de memorie van toelichting bij de Awb gekozen voor ‘individuele rechtsbescherming’ in plaats van handhaving van het objectieve recht.[36] In die wijziging zou aanleiding kunnen worden gezien te betogen dat het inmiddels wel mogelijk moet zijn om afstand te doen van het recht van bezwaar en beroep.[37] Dat het (onherroepelijk) doen van afstand mogelijk zou moeten zijn, lijkt inmiddels inderdaad het bovenliggende standpunt in de literatuur.[38] In de rechtspraak kan een enkel voorbeeld worden gevonden waarin de rechter een appellant die in het kader van mediation een vaststellingsovereenkomst heeft gesloten niet-ontvankelijk verklaart.[39]

4. Door wie of wat wordt men van de rechter
    afgehouden?

In de vorige paragraaf kwam aan de orde dat er soms discussie mogelijk is over de vraag of iemand door de wetgever wordt afgehouden van de rechter die de wet hem toekent. Die discussie speelde rond de wettelijke regeling met betrekking tot het algemeen verbindend verklaren van CAO’s, en ook bij de wettelijke regeling omtrent de afwikkeling van massaschade. Er moet bij worden aangetekend dat blijkens de jurisprudentie de Hoge Raad en lagere rechters binding van partijen aan standaardvoorwaarden niet snel afwijzen; de geldigheid van arbitrale bedingen of bindend adviesclausules wordt in het algemeen geaccepteerd.[40]
      
Het kan ook zo zijn dat iemand niet door de wetgever, maar door een rechter wordt afgehouden van de rechter die de wet toekent. Een voorbeeld van het laatste levert een geval waarin een politierechter (enkelvoudige kamer) de zaak had moeten doorverwijzen naar de meervoudige kamer, maar dit naliet.[41] Ook in een dergelijk geval is geen sprake van horizontale werking. Horizontale werking is wel aan de orde als artikel 17 Grondwet niet aan een overheidsinstantie, maar aan een particuliere persoon of organisatie wordt tegengeworpen. Soms gebeurt dit in de jurisprudentie niet expliciet, maar wordt gesproken van een – mede aan artikel 17 Grondwet ten grondslag liggend – algemeen rechtsbeginsel inzake toegang tot de rechter. Waar het om gaat, lijkt mij, is of de in artikel 17 Grondwet vervatte norm ook in horizontale verhoudingen wordt toegepast. Dat blijkt het geval. Zo wordt in de civielrechtelijke rechtspraak de stelling dat een bepaalde partij zijn recht om te procederen misbruikt, door de rechter afgewogen tegen het recht op ‘vrije toegang tot de rechter’. Voor dit laatste wordt dan niet alleen gewezen op artikel 6 EVRM, maar vaak ook expliciet op artikel 17 Grondwet.[42]

5. Staatsnoodrecht

Vanaf 1887 heeft de Grondwet een bepaling bevat die het mogelijk maakte in geval van oorlog af te wijken van het ius de non evocando. De Grondwet bepaalde toen namelijk met zoveel woorden dat in het geval van oorlog ook van de Grondwetsbepaling waarin het ius de non evocando was neergelegd kon worden afgeweken, bij de wet die de gevolgen van het afkondigen van de staat van oorlog of de staat van beleg regelt.[43] De volzin waarin deze mogelijkheid expliciet werd aangegeven, ontbreekt sinds 1983 in de Grondwet (vgl. de opsomming in artikel 103, tweede lid, Grondwet). Die weglating roept de vraag op of de mogelijkheid om het ius de non evocando terzijde te stellen sinds 1983 nog wel bestaat. Naar de mening van de regering bij de grondwetsherziening van 1983 is dat wel degelijk het geval. Zij interpreteerde artikel 103, eerste lid, zo, dat de wetgever het militaire recht en de militaire rechtspraak op burgers van toepassing kan verklaren.[44] De interpretatie van de regering bij de grondwetsherziening van 1983 is in de parlementaire behandeling van artikel 103 overeind gebleven.

6. Verdragen en EU-recht

Voor zover in artikel 17 Grondwet een recht op toegang tot de overheidsrechter is vastgelegd kan voor de nationale bepaling een equivalent worden gevonden in artikel 6 EVRM (en artikel 14 IVBPR). Zoals bekend wordt het recht op toegang tot de rechter geacht impliciet te zijn opgenomen in artikel 6 EVRM.[45] Dat recht staat er niet aan in de weg dat vóór die toegang tot de rechter een rechtsgang is voorgeschakeld die niet in alle opzichten aan de eisen van artikel 6 EVRM voldoet. Het hoeft ook niet per se een rechtsgang te zijn. Het kan ook een mediation betreffen, of een bestuurlijke voorprocedure. Dan is echter wel nodig dat er een mogelijkheid van beroep openstaat op een rechter die wél aan die vereisten van artikel 6 EVRM voldoet en bij zijn beoordeling beschikt over full jurisdiction.[46] Als die mogelijkheid ontbreekt, dan kan dat nóg aanvaardbaar zijn, als dan maar vrijwillig is afgezien van het recht op toegang tot de rechter.[47]
      
Het Hof van Justitie van de EU staat niet bij voorbaat afwijzend tegenover een verplichte buitengerechtelijke procedure, zo blijkt uit de beantwoording van de prejudiciële vraag in de Alassini zaak.[48] Daarbij overwoog het hof dat de voorprocedure weliswaar verplicht was, maar het resultaat niet bindend. Partijen konden het geschil derhalve alsnog aan de rechter voorleggen. Het hof achtte het effectiviteitsbeginsel ook niet geschonden. Weliswaar is een dergelijke voorprocedure een extra stap, maar daarmee worden legitieme doeleinden nagestreefd, namelijk efficiënte beslechting van geschillen en ontlasting van de overheidsrechtspraak.[49]

7. Jurisprudentie

- HR 11 maart 1904, W 8046, 8 april 1910, W 9019.
- HR 31 december 1915, NJ 1916, p. 407 (Guldemond / Noordwijkerhout).
- HR 1 februari 1934, NJ 1934, p. 1667 m.nt. EMM.
- HR 8 juni 1951, NJ 1952, 144.
- Rb. Amsterdam 14 januari 1959, RSV 1959, 79.
- HR 24 september 1964, NJ 1965, 359.
- HR 27 oktober 1967, NJ 1968, 3.
- HR 16 januari 1970, NJ 1970, 156.
- EHRM 21 februari 1975 (Golder), Publ. ECHR, Series A, Vol. 18 (1975),NJ1975, 462.
- EHRM 23 juni 1981 (Le Compte, Van Leuven en De Meyere), Publ. ECHR ,Series A, Vol. 43, NJ 1982, 602.
- Hof Den Haag 12 juli 1984, NJ 1985, 323.
- Pres. Rb. Breda 17 december 1984, KG 1985, 23.
- EHRM 23 oktober 1985, AB 1986,1 m.nt. Hirsch Ballin.
- HR 6 februari 1987, AB 1987, 272, m.nt. FHvdB.
- HR 12 december 1987, NJ 1987, 381; AB 1987, 15 m.nt. F.H. v.d. Burg (Dekker-Barneveld).
- ARRvS 27 februari 1990, AB 1990, 597 m.nt. Van Buuren, tB/S 1990, 21 m.a. De Waard.
- CRvB 17 mei 1990, TAR 1990, 236.
- CRvB 11 oktober 1990, TAR 1990, 236.
- HR 29 april 1997, NJ 1998, 189 m.nt. Knigge.
- HR 9 november 2001, NJ 2001, 692.
- HR 17 januari 2003, NJ 2004, 280 m.nt. Snijders, JAR 2003/40.
- CRvB 2 april 2003, AB 2003/383 m.nt. K.J. de Graaf
- Rb. ’s-Hertogenbosch 16 juni 2008, LJN BD7157.
- HvJ EU 18 maart 2010, Rosalba Alassini v. Telecom Italia SpA, nr. C-317/08.
- Hof A’dam 7 december 2010, LJN BP1016.
- Hof A’dam 1 februari 2011, JOR 2011, 332.
- Hof ’s-Hertogenbosch 10 juli 1991, NJ 1992/115.
- Rb ’s-Gravenhage 14 september 2011, LJN BU3672.
- Rb Arnhem 2 november 2011, LJN BU3569.
- Hof ’s-Hertogenbosch 12 juli 2011, LJN BR1531.

8. Literatuur

- P.W.C. Akkermans, ‘Het ius de non evocando’, in: H.J. Snijders e.a. (red.), Overheidsrechter gepasseerd. Conflictbeslechting buiten de overheidsrechter om, Arnhem: Gouda Quint 1988.
- C.J. Bax, ‘Artikel 17’, in A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 2000, p. 214-218.
- A.F.M. Brenninkmeijer, ‘Het jus de non evocando’, in: Grondrechten. Commentaar op Hoofdstuk 1 van de herziene Grondwet (Jeukensbundel), Nijmegen: Ars Aequi Libri 1982, p. 346 e.v.
- A.F.M. Brenninkmeijer, De toegang tot de rechter, diss. KUB, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1987.
- Martin Brink, ‘Naar een wettelijke regeling van mediation?’, NJB 2013, p. 2050-2055.
- M.C. Burkens, Beperking van grondrechten, diss. RUU, Deventer: Kluwer 1971.
- J.T. Buijs, De Grondwet. Toelichting en kritiek, deel II, Arnhem 1887.
- Th.J. Clarenbeek, De oorlogswet voor Nederland, diss. UvA, Alphen a/d Rijn: H.D. Tjeenk Willink 1978.
- L. Combrink-Kuiters, A. Klijn, M. Pel en S. Verberk, Op maat beslecht, Mediation naast rechtspraak 1999-2009, Research Memoranda Raad voor de rechtspraak, 2009, numer 2.
- J.M. van Dunné, ‘In de ban van het bindend advies. Het bindend advies in de ban?’, in: Snijders e.a. (red.), Arnhem: Gouda Quint 1988, p. 45-58.
- K.J. de Graaf, Schikken in het bestuursrecht, diss. RUG, Den Haag: BJu 2004.
- L. Hardenberg, ‘Rechter, arbiter en rechtsmacht’, RMThemis 1996, p. 329, 332.
- E.M.H. Hirsch Ballin, ‘Een grondrecht op toegang tot de rechter inzake administratiefrechtelijke geschillen?’, AA 1986, p. 229-245.
- Rob Jagtenberg en Annie de Roo, ‘Verplichte mediation in het Europese recht’, NJB 2013, p. 2056-2059.
- H.U. Jesserun d’Oliveira, ‘Rechters die afstemmen en afhouden. Vragen over de verenigbaarheid van coördinatiestrategieën met artikel 17 Grondwet en artikel 6 EVRM’, NJB 1999.
- M.H. Kobussen, ‘Afstandsovereenkomst of publiekrechtelijke dading?’, in NJB 1987, p. 140-144.
- M.H. Kobussen, De vrijheid van de overheid, diss. KUB, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 1991
- C.A.J.M. Kortmann, De Grondwetsherzieningen van 1983 en 1987, Deventer: Kluwer 1987.
- C.A.J.M. Kortmann, Constitutioneel Recht, Deventer: Kluwer 1997.
- Ch.J. Langereis, Fiscale rechtsbescherming, diss. KUB, Deventer: Kluwer 1986.
- D.H.M. Meuwissen, ‘Grondrechten en rechtspraak in de Proeve’, RmThemis 1967, p. 434 e.v.
- J.Ph. de Monté ver Loren / J.E. Spruit, Hoofdlijnen uit de ontwikkeling der rechterlijke organisatie in de Noordelijke Nederlanden tot de Bataafse omwentelingen, Deventer: Kluwer 1982.
- E.R. Oppenheim, Arbitrage en rechtspraak, diss. Leiden, Leiden: Eduard IJdo 1911, p. 35.
- P.J. Oud, Het constitutioneel recht van het Koninkrijk der Nederlanden I en II, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1967/1970, Deel II 1970.
- D. Pels Rijcken, ‘Bindend advies als middel tot beslechting van rechtsgeschillen’, NJB 1986, p. 1053-1056.
- C.W. van der Pot, Handboek van het Nederlandse staatsrecht, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1950.
- Proeve van een nieuwe Grondwet, Den Haag: Staatsuitgeverij 1966.
- S. Pront-van Bommel, ‘Afstand van beroep op de administratieve rechter’, NTB 1993, p. 182-189.
- Rapport De toekomst van de rechtsbescherming tegen de overheid. Van toetsing naar geschilbeslechting, van de VAR-Commissie rechtsbescherming (commissie Polak), Den Haag; BJu 2004.
- J.V. Rijpperda Wierdsma, Politie en justitie, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1937.
- P. Sanders, Het nieuwe arbitragerecht, Zwolle 1986.
- P. Sanders, ‘Arbitrage en artikel 17 Grondwet’, in: RMThemis 1997, p. 241-243.
- M.W. Scheltema en M. Scheltema, Gemeenschappelijk recht, Deventer: Kluwer 2003.
- Staatscommissie Cals/Donner, Tweede Rapport.
- Staatscommissie Cals/Donner, Eindrapport.
- H.D. Tolsma, Bemiddelend bestuur, diss. RUG, Den Haag: BJu 2008, p. 153-155.
- I.C. van der Vlies, S. Pront, D. Allewijn, ‘Van toetsen naar bemiddelen, de bestuursrechter als ultimum remedium’, in: NTB 1996, p. 213.
- B.W.N. de Waard, Beginselen van behoorlijke rechtspleging, met name in het administratief procesrecht, diss. RUU, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1987.
- P.A. Wackie Eysten, ‘Anders dan Sanders?’, in Tijdschrift voor Arbitrage 2012, p. 251-255.

9. Historische versies

Art. 101, onder c, Gw 1814: Niemand kan tegen zijnen wil worden afgetrokken van den regter, dien de wet hem toekent (art. 167, eerste lid, Gw 1815; art. 165, eerste lid, Gw 1840; art. 150, eerste lid, Gw 1848; art 156, eerste lid, Gw 1887; art. 157, eerste lid, Gw 1922; art. 163, eerste lid, Gw 1938; art. 170, eerste lid, Gw 1953).

Noten

  1. De bijdrage is geschreven door B.W.N. de Waard, op basis van het Commentaar bij artikel 17 Gw van C.J. Bax uit A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink, 3e dr. 2000 (alsook de 2e dr. 1992).
  2. EHRM 21 februari 1975, Publ. Court, Series A, Vol. 18 (1975), NJ 1975, 462 (Golder).
  3. HR 31 december 1915, NJ 1916, p. 407 (Guldemond / Noordwijkerhout).
  4. C.W. van der Pot, Handboek van het Nederlandse staatsrecht, 4e dr., Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1950, p. 416; J.V. Rijpperda Wierdsma, Politie en justitie, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1937, p. 73, 74, 142, 148; J.Ph. de Monté ver Loren / J.E. Spruit, Hoofdlijnen uit de ontwikkeling der rechterlijke organisatie in de Noordelijke Nederlanden tot de Bataafse omwenteling, 2000, p. 171-172.
  5. Ook al had de grondwetgever van 1887 bedoeld de instelling van buitengewone rechtbanken te voorkomen, uit de tekst van de bepaling volgde dat geenszins, zie J.T. Buijs, De Grondwet. Toelichting en kritiek, deel II, Arnhem 1887, p. 373, 374; P.J. Oud, Het constitutioneel recht van het Koninkrijk der Nederlanden I en II, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1967/1970, Deel II 1970, p. 641; C.A.J.M. Kortmann, Constitutioneel Recht, Deventer: Kluwer 1997, p. 420.
  6. L. Hardenberg, ‘Rechter, arbiter en rechtsmacht’, RMThemis 1996, p. 329, 332; E.R. Oppenheim, Arbitrage en rechtspraak, diss. Leiden, Leiden: Eduard IJdo 1911, p. 35.
  7. De Proeve is een ontwerp voor een geheel nieuwe grondwet, ambtelijk voorbereid, in samenwerking met externe deskundigen. Proeve van een nieuwe Grondwet, Den Haag: Staatsuitgeverij 1966.
  8. Proeve van een nieuwe Grondwet, Den Haag: Staatsuitgeverij 1966, p. 66, onder verwijzing naar onder meer HR 8 juni 1951, NJ 1952, 144.
  9. Staatscommissie Cals/Donner, Tweede Rapport, p. 44, 121; Eindrapport, p. 261.
  10. Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 3, p. 51, 52 (Documentatiereeks Naar een nieuwe Grondwet?, Deel Ia Grondrechten, Den Haag: Staatsuitgeverij 1979, p. 51, 52).
  11. C.A.J.M. Kortmann, De Grondwetsherzieningen van 1983 en 1987, Deventer: Kluwer 1987, p. 112; Brenninkmeijer 1982, p. 349.
  12. C.A.J.M. Kortmann a.w. (1987), p. 112.
  13. P.J. Oud, Het constitutioneel recht van het Koninkrijk der Nederlanden I en II, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1967/1970, p. 701.
  14. Zie Rb. Amsterdam 14 januari 1959, RSV 1959, 79. HR 1 februari 1934, NJ 1934, p. 1667 m.nt. EMM.
  15. EHRM 23 oktober 1985, AB 1986,1 m.nt. Hirsch Ballin.
  16. Zie HR 12 december 1987, NJ 1987, 381; AB 1987, 15 m.nt. F.H. v.d. Burg (Dekker-Barneveld), voor de situatie die na het zojuist genoemde Benthem-arrest was ontstaan.
  17. Vgl. Pres. Rb. Breda 17 december 1984, KG 1985, 23.
  18. EHRM 21 februari 1975, Publ. Court, Series A, Vol. 18 (1975) (Golder). Zie bijv. reeds E.M.H. Hirsch Ballin, ‘Een grondrecht op toegang tot de rechter inzake administra­tiefrechtelijke geschillen?’, AA 1986, p. 229-245.
  19. H.U. Jesserun d’Oliveira, ‘Rechters die afstemmen en afhouden. Vragen over de verenigbaarheid van coördinatiestrategieën met artikel 17 Grondwet en artikel 6 EVRM’, NJB 1999, p. 377-384.
  20. Zie bijv. reeds de Beleidsbrief ADR, Kamerstukken II 1999/2000, 26 352, nr. 19 en brief Minister BZK over alternatieve afdoening van bestuursgeschillen, Kamerstukken II 1999/2000, 27 286, nr. 1. Kabinetsnotitie Rechtsstaat en Rechtsorde, Kamerstukken II 2009/2010 29279, nr. 111. Zie wat de literatuur betreft onder meer reeds I.C. van der Vlies, S. Pront, D. Allewijn, ‘Van toetsen naar bemiddelen, de bestuursrechter als ultimum remedium’, in: NTB 1996, p. 213. L. Combrink-Kuiters, A. Klijn, M. Pel en S. Verberk, Op maat beslecht, Mediation naast rechtspraak 1999-2009, Research Memoranda Raad voor de rechtspraak, 2009, numer 2.
  21. Buijs II 1887, p. 374; P. Sanders, ‘Arbitrage en artikel 17 Grondwet’, in: RMThemis 1997, p. 241-243.
  22. HR 11 maart 1904, W 8046, 8 april 1910, W 9019.
  23. Art. 1022 Rv. Vgl. ook art. 1074 voor arbitrage buiten Nederland.
  24. Een voorbeeld van een zaak waarin de Hoge Raad van oordeel bleek dat geen sprake was van een ondubbelzinnig afstand doen is HR 9 november 2001, NJ 2001, 692. De Hoge Raad overwoog dat de bekostigingsvoorwaarde in art. 4.7 Wet op het hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW), inhoudende dat de Hogeschool moet zijn aangesloten bij een commissie van beroep, niet kan worden aangemerkt als een ondubbelzinnige overeenkomst tussen partijen zich aan bindend advies te onderwerpen.
  25. HR 17 januari 2003, NJ 2004, 280 m.nt. Snijders, JAR 2003/40.
  26. Hof Den Haag 12 juli 1984, NJ 1985, 323.
  27. HR 8 juni 1951, NJ 1952, 144 m.nt. DJV.
  28. HR 24 september 1964, NJ 1965, 359; HR 27 oktober 1967, NJ 1968, 3; HR 16 januari 1970, NJ 1970, 156.
  29. Hof A’dam 7 december 2010, LJN BP1016 (een Dexia-zaak).
  30. Hof ’s-Hertogenbosch 12 juli 2011, LJN BR1531, r.o. 4.16. Anders: Hof A’dam 1 februari 2011, JOR 2011, 332.
  31. Voorstel van wet van het lid Van der Steur tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en de Algemene wet inzake rijksbelastingen ter bevordering van het gebruik van mediation in het bestuursrecht (Wet bevordering van mediation in het bestuursrecht), Kamerstukken II 2012/2013, 33 727, nr. 2 en Voorstel van wet van het lid Van der Steur tot wijziging van Boek 3 en Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering alsmede enkele andere wetten in verband met de bevordering van het gebruik van mediation (Wet bevordering van mediation in het burgerlijk recht), Kamerstukken II, 2012/2013, 33723.
  32. Zie Martin Brink, ‘Naar een wettelijke regeling van mediation?’, NJB 2013, p. 2050-2055, par. 9 (p. 2054). Zie ook Rob Jagtenberg en Annie de Roo, ‘Verplichte mediation in het Europese recht’, NJB 2013, p. 2056-2059. Ook Wackie Eysten benadrukt het belang van vrijwilligheid bij mediation. Hij beoordeelt het gebruik van de terminologie ‘verwijzing’ naar mediation af, omdat dit een zekere dwang suggereert. P.A. Wackie Eysten, ‘Anders dan Sanders?’, in Tijdschrift voor Arbitrage 2012, p. 251-255, p. 253.
  33. In die zin M.H. Kobussen, ‘Afstandsovereenkomst of publiekrechtelijke dading?’, in NJB 1987, p. 140-144.
  34. ARRvS 27 februari 1990, AB 1990, 597 m.nt. Van Buuren, tB/S 1990, 21 m.a. De Waard. CRvB 17 mei 1990, TAR 1990, 236.
  35. Zie noot 35. Later heeft Kobussen overigens afstand genomen van het standpunt dat zij in 1987 in haar NJB-bijdrage innam. Zie M.H. Kobussen, De vrijheid van de overheid, diss. KUB, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 1991, p. 205-206 en in haar noot bij CRvB 11 oktober 1990, TAR 1990, 236.
  36. Kamerstukken II 1991-1992, 22495, nr. 3, p. 35.
  37. Zie S. Pront-van Bommel, ‘Afstand van beroep op de administratieve rechter’, NTB 1993, p. 182-189.
  38. Zie K.J. de Graaf, Schikken in het bestuursrecht, diss. RUG, Den Haag: BJu 2004, p. 203 e.v. De Graaf wijst onder meer op M.W. Scheltema en M. Scheltema, Gemeenschappelijk recht, Deventer: Kluwer 2003, p. 218 en Ch.J. Langereis, Fiscale rechtsbescherming, diss. KUB, Deventer: Kluwer 1986, p. 180-182. Rapport De toekomst van de rechtsbescherming tegen de overheid. Van toetsing naar geschilbeslechting, van de VAR-Commissie rechtsbescherming (commissie Polak), Den Haag; BJu 2004, p. 160. H.D. Tolsma, Bemiddelend bestuur, diss. RUG, Den Haag: BJu 2008, p. 153-155.
  39. Rb. ’s-Hertogenbosch 16 juni 2008, LJN BD7157. Vergelijkbaar, qua strekking: CRvB 2 april 2003, AB 2003/383 m.nt. K.J. de Graaf (verval van procesbelang wegens schikking ter zitting).
  40. P. Sanders a.w. (1986). Over bindend advies: J.M. van Dunné, ‘In de ban van het bindend advies. Het bindend advies in de ban?’, in: Snijders e.a. (red.), Overheidsrechter gepasseerd, Arnhem: Gouda Quint 1988, p. 45-58.
  41. HR 29 april 1997, NJ 1998, 189 m.nt. Knigge.
  42. Rb ’s-Gravenhage 14 september 2011, LJN BU3672; Rb Arnhem 2 november 2011, LJN BU3569; Hof ’s-Hertogenbosch 10 juli 1991, NJ 1992/115.
  43. In art. 202 Grw 1953. Het ius de non evocando was toen geregeld in art. 170 Grw.
  44. Kamerstukken II, 1978 1979, 15 681, nr. 3, p. 11 (Naar een nieuwe Grondwet, Deel Vc, p. 170).
  45. EHRM 21 februari 1975 (Golder), Publ. ECHR, Series A, Vol. 18, NJ 1975, 462. Zie bijv. B.W.N. de Waard, Beginselen van behoorlijke rechtspleging, met name in het administratief procesrecht, diss. RUU, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1987, p. 176 of De Graaf 2004, p. 6.
  46. Zie bijv. De Graaf 2004, p. 7, onder verwijzing naar EHRM 23 juni 1981 (Le Compte, Van Leuven en De Meyere), Publ. ECHR , Series A, Vol. 43, NJ 1982, 602.
  47. Aldus nog eens kort: Jagtenberg en De Roo 2013, p. 2056.
  48. HvJ EU 18 maart 2010, Rosalba Alassini v. Telecom Italia SpA, nr. C-317/08.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    B.W.N. de Waard, Commentaar op artikel 17 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2017 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Wettelijk toegekende rechter

Alleen de wetgever mag bepalen welke geschillen aan de rechter kunnen worden voorgelegd en welke rechter bevoegd is die geschillen te berechten. Dat betekent dat noch het bestuur, noch de rechter zelf hierover kan beslissen. De Grondwet biedt, met andere woorden, een waarborg voor op de wet gegronde rechtspraak. Daarin ligt een element van machtenscheiding besloten: het betreft de afbakening van de taken van rechter, bestuur en wetgever.
 
Deze bepaling moet in verband met de artikelen 112 en 113 van de Grondwet worden gezien. Volgens die artikelen zijn de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en schuldvorderingen en de berechting van strafbare feiten aan de rechterlijke macht opgedragen. Andere geschillen, zoals bestuursrechtelijke geschillen, kunnen volgens de Grondwet ook aan andere organen worden opgedragen.
 
In vroeger tijden had de regering zelf de bevoegdheid over bepaalde categorieën bestuursrechtelijke geschillen te beslissen. De wetgever heeft er inmiddels voor gekozen ook de berechting van vrijwel alle bestuursrechtelijke geschillen in handen van de rechter te leggen. De drie hoogste bestuursrechters (de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, het College van Beroep voor het bedrijfsleven en de Centrale Raad van Beroep) behoren weliswaar niet tot de rechterlijke macht, maar hebben een daarmee vergelijkbare, wettelijk gewaarborgde onafhankelijke positie.
Achtergronden

Wettelijk toegekende rechter

Ulli d'Oliveira meent in een artikel dat wanneer het in de literatuur gaat over de toedeling van zaken onder rechters met geen woord wordt gerept over artikel 17 van de Grondwet. Dat artikel, dat bepaalt dat niemand tegen zijn wil kan worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent, is echter wel degelijk van belang voor de in die bijdragen aangesneden problematiek.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Wettelijk toegekende rechter

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Wettelijk toegekende rechter

Afzien beroep op rechter

HR 24 september 1964, NJ 1965, 359
De Hoge Raad bepaalt dat artikel 17 niet verbiedt dat iemand vrijwillig afziet van een beroep op de rechter.

Recente rechtspraak

Wettelijk toegekende rechter

Politiek

Wettelijk toegekende rechter

Video
Blogs
IN DE WERELD
Blogs

Wettelijk toegekende rechter

In de wereld

Wettelijk toegekende rechter