CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • G. Leenknegt
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • A.A.L. Beers en K.T. Meijer
  • B.C. van Beers
  • B.M.J. van der Meulen
  • B.P. Vermeulen
  • B.W.N. de Waard
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • E.J. Janse de Jonge
  • E.J. Koops
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • F. Fleurke
  • F.C.M.A. Michiels
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx en A.C.M. Meuwese
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard en J. Uzman
  • G. Leenknegt
  • G. Overkleeft-Verburg
  • G. van der Schyff en B.M.J. van der Meulen
  • J. Kiewiet en G.F.M. van der Tang †
  • J. Uzman
  • J. Uzman en G. Boogaard
  • J.C.A. de Poorter
  • J.L.M. Gribnau en M.R.T Pauwels
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • J.W.A. Fleuren
  • K.T. Meijer
  • M. Adams
  • Mijke Houwerzijl & Nuna Zekic
  • Mijke Houwerzijl en Frank Vlemminx
  • P. Jacobs
  • S. Daniëls
  • S. Jellinghaus en E. Huisman
  • S.C. van Bijsterveld
  • S.C. van Bijsterveld en B.P. Vermeulen
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • T. Kooijmans
  • T. Peters
  • W. van der Woude
  • W.J.M. Voermans
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

HOOFDSTUK 1

Grondrechten

INLEIDING

Artikel 1 - Gelijke behandeling

Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Artikel 2 - Nederlandschap en vreemdelingen

  1. De wet regelt wie Nederlander is.
  2. De wet regelt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen.
  3. Uitlevering kan slechts geschieden krachtens verdrag. Verdere voorschriften omtrent uitlevering worden bij de wet gegeven.
  4. Ieder heeft het recht het land te verlaten, behoudens in de gevallen, bij de wet bepaald.

Artikel 3 - Gelijke benoembaarheid

Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.

Artikel 4 - Kiesrecht

Iedere Nederlander heeft gelijkelijk recht de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen alsmede tot lid van deze organen te worden verkozen, behoudens bij de wet gestelde beperkingen en uitzonderingen.

Artikel 5 - Petitierecht

Ieder heeft het recht verzoeken schriftelijk bij het bevoegd gezag in te dienen.

Artikel 6 - Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging

  1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 7 - Vrijheid van meningsuiting

  1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- of televisieuitzending.
  3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar regelen ter bescherming van de goede zeden.
  4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.

Artikel 8 - Recht tot vereniging

Het recht tot vereniging wordt erkend. Bij de wet kan dit recht worden beperkt in het belang van de openbare orde.

Artikel 9 - Recht tot vergadering en betoging

  1. Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 10 - Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer

  1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.
  2. De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens.
  3. De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.

Artikel 11 - Onaantastbaarheid van het lichaam

Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.

Artikel 12 - Binnentreden woning

  1. Het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen.
  2. Voor het binnentreden overeenkomstig het eerste lid zijn voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden vereist, behoudens bij de wet gestelde uitzonderingen.
  3. Aan de bewoner wordt zo spoedig mogelijk een schriftelijk verslag van het binnentreden verstrekt. Indien het binnentreden in het belang van de nationale veiligheid of dat van de strafvordering heeft plaatsgevonden, kan volgens bij de wet te stellen regels de verstrekking van het verslag worden uitgesteld. In de bij de wet te bepalen gevallen kan de verstrekking achterwege worden gelaten, indien het belang van de nationale veiligheid zich tegen verstrekking blijvend verzet.

Artikel 13 - Vertrouwelijke communicatie

  1. Het briefgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, op last van de rechter.
  2. Het telefoon- en telegraafgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, door of met machtiging van hen die daartoe bij de wet zijn aangewezen.

Artikel 14 - Onteigening

  1. Onteigening kan alleen geschieden in het algemeen belang en tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander naar bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.
  2. De schadeloosstelling behoeft niet vooraf verzekerd te zijn, wanneer in geval van nood onverwijld onteigening geboden is.
  3. In de gevallen bij of krachtens de wet bepaald bestaat recht op schadeloosstelling of tegemoetkoming in de schade, indien in het algemeen belang eigendom door het bevoegd gezag wordt vernietigd of onbruikbaar gemaakt of de uitoefening van het eigendomsrecht wordt beperkt.

Artikel 15 - Vrijheidsontneming

  1. Buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen.
  2. Hij aan wie anders dan op rechterlijk bevel zijn vrijheid is ontnomen, kan aan de rechter zijn invrijheidstelling verzoeken. Hij wordt in dat geval door de rechter gehoord binnen een bij de wet te bepalen termijn. De rechter gelast de onmiddellijke invrijheidstelling, indien hij de vrijheidsontneming onrechtmatig oordeelt.
  3. De berechting van hem aan wie met het oog daarop zijn vrijheid is ontnomen, vindt binnen een redelijke termijn plaats.
  4. Hij aan wie rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, kan worden beperkt in de uitoefening van grondrechten voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt.

Artikel 16 - Nulla poena

Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.

Artikel 17 - Wettelijk toegekende rechter

Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent.

Artikel 18 - Rechtsbijstand

  1. Ieder kan zich in rechte en in administratief beroep doen bijstaan.
  2. De wet stelt regels omtrent het verlenen van rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen.

Artikel 19 - Werkgelegenheid en arbeidskeuze

  1. Bevordering van voldoende werkgelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de rechtspositie van hen die arbeid verrichten en omtrent hun bescherming daarbij, alsmede omtrent medezeggenschap.
  3. Het recht van iedere Nederlander op vrije keuze van arbeid wordt erkend, behoudens de beperkingen bij of krachtens de wet gesteld.

Artikel 20 - Bestaanszekerheid

  1. De bestaanszekerheid der bevolking en spreiding van welvaart zijn voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de aanspraken op sociale zekerheid.
  3. Nederlanders hier te lande, die niet in het bestaan kunnen voorzien, hebben een bij de wet te regelen recht op bijstand van overheidswege.

Artikel 21 - Milieubescherming

De zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu.

Artikel 22 - Volksgezondheid en woongelegenheid

  1. De overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid.
  2. Bevordering van voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  3. Zij schept voorwaarden voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding.

Artikel 23 - Onderwijs

  1. Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.
  2. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.
  3. Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld.
  4. In elke gemeente wordt van overheidswege voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal openbare scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven, al dan niet in een openbare school.
  5. De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.
  6. Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.
  7. Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.
  8. De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten-Generaal.
HOOFDSTUK 2

Regering INLEIDING

Artikel 24 - Koningschap

Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau.

Artikel 25 - Erfopvolging

Het koningschap gaat bij overlijden van de Koning krachtens erfopvolging over op zijn wettige nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft, met plaatsvervulling volgens dezelfde regel. Bij gebreke van eigen nakomelingen gaat het koningschap op gelijke wijze over op de wettige nakomelingen eerst van zijn ouder, dan van zijn grootouder, in de lijn van erfopvolging, voor zover de overleden Koning niet verder bestaand dan in de derde graad van bloedverwantschap.

Artikel 26 - Status ongeboren kind Koning

Het kind, waarvan een vrouw zwanger is op het ogenblik van het overlijden van de Koning, wordt voor de erfopvolging als reeds geboren aangemerkt. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

Artikel 27 - Afstand koningschap

Afstand van het koningschap leidt tot erfopvolging overeenkomstig de regels in de voorgaande artikelen gesteld. Na de afstand geboren kinderen en hun nakomelingen zijn van de erfopvolging uitgesloten.

Artikel 28 - Afstand koningschap door huwelijk

  1. De Koning, een huwelijk aangaande buiten bij de wet verleende toestemming, doet daardoor afstand van het koningschap.
  2. Gaat iemand die het koningschap van de Koning kan beërven een zodanig huwelijk aan, dan is hij met de uit dit huwelijk geboren kinderen en hun nakomelingen van de erfopvolging uitgesloten.
  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake van een voorstel van wet, strekkende tot het verlenen van toestemming, in verenigde vergadering.

Artikel 29 - Uitsluiting troonopvolging

  1. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden daartoe nopen, kunnen bij een wet een of meer personen van de erfopvolging worden uitgesloten.

  2. Het voorstel daartoe wordt door of vanwege de Koning ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 30 - Benoemde Koning

  1. Wanneer vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal ontbreken, kan deze worden benoemd bij een wet. Het voorstel wordt door of vanwege de Koning ingediend. Na de indiening van het voorstel worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  2. Indien bij overlijden van de Koning of bij afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt, worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers komen binnen vier maanden na het overlijden of de afstand in verenigde vergadering bijeen ten einde te besluiten omtrent de benoeming van een Koning. Zij kunnen een opvolger alleen benoemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 31 - Erfopvolging benoemde koning

  1. Een benoemde Koning kan krachtens erfopvolging alleen worden opgevolgd door zijn wettige nakomelingen.

  2. De bepalingen omtrent de erfopvolging en het eerste lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op een benoemde opvolger, zolang deze nog geen Koning is.

Artikel 32 - Inhuldiging Koning

Nadat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen, wordt hij zodra mogelijk beëdigd en ingehuldigd in de hoofdstad Amsterdam in een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Hij zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt. De wet stelt nadere regels vast.

Artikel 33 - Koningschap en meerderjarigheid

De Koning oefent het koninklijk gezag eerst uit, nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

Artikel 34 - Ouderlijk gezag minderjarige Koning

De wet regelt het ouderlijk gezag en de voogdij over de minderjarige Koning en het toezicht daarop. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 35 - Buiten staat verklaring

  1. Wanneer de ministerraad van oordeel is dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, bericht hij dit onder overlegging van het daartoe gevraagde advies van de Raad van State aan de Staten-Generaal, die daarop in verenigde vergadering bijeenkomen.

  2. Delen de Staten-Generaal dit oordeel, dan verklaren zij dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen. Deze verklaring wordt bekend gemaakt op last van de voorzitter der vergadering en treedt terstond in werking.

  3. Zodra de Koning weer in staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, wordt dit bij de wet verklaard. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Terstond na de bekendmaking van deze wet hervat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag.

  4. De wet regelt zo nodig het toezicht over de persoon van de Koning indien hij buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 36 - Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag

De Koning kan de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk neerleggen en die uitoefening hervatten krachtens een wet, waarvan het voorstel door of vanwege hem wordt ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 37 - Uitoefening koninklijk gezag door regent

  1. Het koninklijk gezag wordt uitgeoefend door een regent:
    a. zolang de Koning de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt;
    b. indien een nog niet geboren kind tot het koningschap geroepen kan zijn;
    c. indien de Koning buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen;
    d. indien de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk heeft neergelegd;
    e. zolang na het overlijden van de Koning of na diens afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt.

  2. De regent wordt benoemd bij de wet. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  3. In de gevallen, genoemd in het eerste lid onder c en d, is de nakomeling van de Koning die zijn vermoedelijke opvolger is, van rechtswege regent indien hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

  4. De regent zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt, in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal. De wet geeft nadere regels omtrent het regentschap en kan voorzien in de opvolging en de vervanging daarin. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  5. Op de regent zijn de artikelen 35 en 36 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38 - Uitoefening koninklijk gezag door RvS

Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk gezag is voorzien, wordt dit uitgeoefend door de Raad van State.

Artikel 39 - Lidmaatschap koninklijk huis

De wet regelt, wie lid is van het koninklijk huis.

Artikel 40 - Uitkering koninklijk huis

  1. De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het Rijk uitkeringen naar regels bij de wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het koninklijk huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen.

  2. De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, zijn vrij van persoonlijke belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of zijn vermoedelijke opvolger krachtens erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van het koninklijk huis vrij van de rechten van successie, overgang en schenking. Verdere vrijdom van belasting kan bij de wet worden verleend.

  3. De kamers der Staten-Generaal kunnen voorstellen van in de vorige leden bedoelde wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 41 - Inrichting huis Koning

De Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis in.

Artikel 42 - Ministeriële verantwoordelijkheid

  1. De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.

  2. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.

Artikel 43 - Regering en ministers

De minister-president en de overige ministers worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.

Artikel 44 - Ministeries

  1. Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.

  2. Ook kunnen ministers worden benoemd die niet belast zijn met de leiding van een ministerie.

Artikel 45 - Ministerraad

  1. De ministers vormen te zamen de ministerraad.

  2. De minister-president is voorzitter van de ministerraad.

  3. De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid.

Artikel 46 - Staatssecretarissen

  1. Bij koninklijk besluit kunnen staatssecretarissen worden benoemd en ontslagen.

  2. Een staatssecretaris treedt in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister.

Artikel 47 - Ondertekening en contraseign

Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.

Artikel 48 - Ontslag en benoeming ministers

Het koninklijk besluit waarbij de minister-president wordt benoemd, wordt mede door hem ondertekend. De koninklijke besluiten waarbij de overige ministers en de staatssecretarissen worden benoemd of ontslagen, worden mede door de minister-president ondertekend.

Artikel 49 - Ambtseed minister en staatssecretaris

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de ministers en de staatssecretarissen bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.
HOOFDSTUK 3

Staten-Generaal INLEIDING

Artikel 50 - Vertegenwoordiging

De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk.

Artikel 51 - Eerste en Tweede Kamer

  1. De Staten-Generaal bestaan uit de Tweede Kamer en de Eerste Kamer.

  2. De Tweede Kamer bestaat uit honderdvijftig leden.

  3. De Eerste Kamer bestaat uit vijfenzeventig leden.

  4. Bij een verenigde vergadering worden de kamers als één beschouwd.

Artikel 52 - Zittingsduur

  1. De zittingsduur van beide kamers is vier jaren.
  2. Indien voor de provinciale staten bij de wet een andere zittingsduur dan vier jaren wordt vastgesteld, wordt daarbij de zittingsduur van de Eerste Kamer in overeenkomstige zin gewijzigd.

Artikel 53 - Evenredige vertegenwoordiging

  1. De leden van beide kamers worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  2. De verkiezingen worden gehouden bij geheime stemming.

Artikel 54 - Verkiezing Tweede Kamer

  1. De leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen ten aanzien van Nederlanders die geen ingezetenen zijn.

  2. Van het kiesrecht is uitgesloten hij die wegens het begaan van een daartoe bij de wet aangewezen delict bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste een jaar en hierbij tevens is ontzet van het kiesrecht.

Artikel 55 - Verkiezing Eerste Kamer

De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten. De verkiezing wordt, behoudens in geval van ontbinding der kamer, gehouden binnen drie maanden na de verkiezing van de leden van provinciale staten.

Artikel 56 - Vereisten voor lidmaatschap

Om lid van de Staten-Generaal te kunnen zijn is vereist dat men Nederlander is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.

Artikel 57 - Incompatibiliteiten

  1. Niemand kan lid van beide kamers zijn.

  2. Een lid van de Staten-Generaal kan niet tevens zijn minister, staatssecretaris, lid van de Raad van State, lid van de Algemene Rekenkamer, Nationale ombudsman of substituut-ombudsman, of lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij de Hoge Raad.

  3. Niettemin kan een minister of staatssecretaris, die zijn ambt ter beschikking heeft gesteld, dit ambt verenigen met het lidmaatschap van de Staten-Generaal, totdat omtrent die beschikbaarstelling is beslist.

  4. De wet kan ten aanzien van andere openbare betrekkingen bepalen dat zij niet gelijktijdig met het lidmaatschap van de Staten-Generaal of van een der kamers kunnen worden uitgeoefend.

Artikel 57a - Zwangerschap en ziekte

De wet regelt de tijdelijke vervanging van een lid van de Staten-Generaal wegens zwangerschap en bevalling, alsmede wegens ziekte.

Artikel 58 - Geloofsbrieven

Elke kamer onderzoekt de geloofsbrieven van haar nieuwbenoemde leden en beslist met inachtneming van bij de wet te stellen regels de geschillen welke met betrekking tot de geloofsbrieven of de verkiezing zelf rijzen.

Artikel 59 - Kiesrecht en verkiezingen

Alles, wat verder het kiesrecht en de verkiezingen betreft, wordt bij de wet geregeld.

Artikel 60 - Ambtsaanvaarding

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de leden van de kamers bij de aanvaarding van hun ambt in de vergadering een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

Artikel 61 - Voorzitter en griffier

  1. Elk der kamers benoemt uit de leden een voorzitter.

  2. Elk der kamers benoemt een griffier. Deze en de overige ambtenaren van de kamers kunnen niet tevens lid van de Staten-Generaal zijn.

Artikel 62 - Verenigde vergadering

De voorzitter van de Eerste Kamer heeft de leiding van de verenigde vergadering.

Artikel 63 - Geldelijke voorzieningen

Geldelijke voorzieningen ten behoeve van leden en gewezen leden van de Staten-Generaal en van hun nabestaanden worden bij de wet geregeld. De kamers kunnen een voorstel van wet ter zake alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 64 - Ontbinding Kamers

  1. Elk der kamers kan bij koninklijk besluit worden ontbonden.

  2. Het besluit tot ontbinding houdt tevens de last in tot een nieuwe verkiezing voor de ontbonden kamer en tot het samenkomen van de nieuw gekozen kamer binnen drie maanden.

  3. De ontbinding gaat in op de dag waarop de nieuw gekozen kamer samenkomt.

  4. De wet stelt de zittingsduur van een na ontbinding optredende Tweede Kamer vast; de termijn mag niet langer zijn dan vijf jaren. De zittingsduur van een na ontbinding optredende Eerste Kamer eindigt op het tijdstip waarop de zittingsduur van de ontbonden kamer zou zijn geëindigd.

Artikel 65 - Troonrede

Jaarlijks op de derde dinsdag van september of op een bij de wet te bepalen eerder tijdstip wordt door of namens de Koning in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal een uiteenzetting van het door de regering te voeren beleid gegeven.

Artikel 66 - Openbaarheid vergaderingen

  1. De vergaderingen van de Staten-Generaal zijn openbaar.

  2. De deuren worden gesloten, wanneer een tiende deel van het aantal aanwezige leden het vordert of de voorzitter het nodig oordeelt.

  3. Door de kamer, onderscheidenlijk de kamers in verenigde vergadering, wordt vervolgens beslist of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd en besloten.

Artikel 67 - Quorum

  1. De kamers mogen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering alleen beraadslagen of besluiten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden ter vergadering aanwezig is.

  2. Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen.

  3. De leden stemmen zonder last.

  4. Over zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, wanneer één lid dit verlangt.

Artikel 68 - Inlichtingenplicht bewindslieden

De ministers en de staatssecretarissen geven de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat.

Artikel 69 - Aanwezigheid bewindslieden

  1. De ministers en de staatssecretarissen hebben toegang tot de vergaderingen en kunnen aan de beraadslaging deelnemen.

  2. Zij kunnen door de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn.

  3. Zij kunnen zich in de vergaderingen doen bijstaan door de personen, daartoe door hen aangewezen.

Artikel 70 - Recht van enquête

Beide kamers hebben, zowel ieder afzonderlijk als in verenigde vergadering, het recht van onderzoek (enquête), te regelen bij de wet.

Artikel 71 - Parlementaire onschendbaarheid

De leden van de Staten-Generaal, de ministers, de staatssecretarissen en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging, kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergaderingen van de Staten-Generaal of van commissies daaruit hebben gezegd of aan deze schriftelijk hebben overgelegd.

Artikel 72 - Reglement van orde

De kamers stellen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering een reglement van orde vast.

HOOFDSTUK 4

Adviesorganen INLEIDING

Artikel 73 - Taak Raad van State

  1. De Raad van State of een afdeling van de Raad wordt gehoord over voorstellen van wet en ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur, alsmede over voorstellen tot goedkeuring van verdragen door de Staten-Generaal. In bij de wet te bepalen gevallen kan het horen achterwege blijven.

  2. De Raad of een afdeling van de Raad is belast met het onderzoek van de geschillen van bestuur die bij koninklijk besluit worden beslist en draagt de uitspraak voor.

  3. De wet kan aan de Raad of een afdeling van de Raad de uitspraak in geschillen van bestuur opdragen.

Artikel 74 - Rechtspositie leden

  1. De Koning is voorzitter van de Raad van State. De vermoedelijke opvolger van de Koning heeft na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar van rechtswege zitting in de Raad. Bij of krachtens de wet kan aan andere leden van het koninklijk huis zitting in de Raad worden verleend.

  2. De leden van de Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  3. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  4. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Raad worden geschorst of ontslagen.

  5. De wet regelt overigens hun rechtspositie

Artikel 75 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Raad van State.

  2. Bij de wet kunnen aan de Raad of een afdeling van de Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 76 - Algemene rekenkamer

De Algemene Rekenkamer is belast met het onderzoek van de ontvangsten en uitgaven van het Rijk.

Artikel 77 - Rechtpositie leden rekenkamer

  1. De leden van de Algemene Rekenkamer worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Hoge Raad worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 78 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Algemene Rekenkamer.

  2. Bij de wet kunnen aan de Algemene Rekenkamer ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 78a - Nationale ombudsman

  1. De Nationale ombudsman verricht op verzoek of uit eigen beweging onderzoek naar gedragingen van bestuursorganen van het Rijk en van andere bij of krachtens de wet aangewezen bestuursorganen.
  2. De Nationale ombudsman en een substituut-ombudsman worden voor een bij de wet te bepalen termijn benoemd door de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Tweede Kamer der Staten-Generaal worden geschorst of ontslagen. De wet regelt overigens hun rechtspositie.
  3. De wet regelt de bevoegdheid en werkwijze van de Nationale ombudsman.
  4. Bij of krachtens de wet kunnen aan de Nationale ombudsman ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 79 - Vaste colleges van advies

  1. Vaste colleges van advies in zaken van wetgeving en bestuur van het Rijk worden ingesteld bij of krachtens de wet.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van deze colleges.

  3. Bij of krachtens de wet kunnen aan deze colleges ook andere dan adviserende taken worden opgedragen.

Artikel 80 - Openbaarmaking advies

  1. De adviezen van de in dit hoofdstuk bedoelde colleges worden openbaar gemaakt volgens regels bij de wet te stellen.

  2. Adviezen, uitgebracht ter zake van voorstellen van wet die door of vanwege de Koning worden ingediend, worden, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen, aan de Staten-Generaal overgelegd.

HOOFDSTUK 5

Wetgeving en bestuur INLEIDING

Artikel 81 - Wetgevende macht

De vaststelling van wetten geschiedt door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk.

Artikel 82 - Indienen wetsvoorstel

  1. Voorstellen van wet kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Voorstellen van wet waarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en, voor zover de betreffende artikelen van hoofdstuk 2 dit toelaten, door de verenigde vergadering.

  3. Voorstellen van wet, in te dienen door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering, worden bij haar door een of meer leden aanhangig gemaakt.

Artikel 83 - Toezending wetsvoorstel TK

Voorstellen van wet, ingediend door of vanwege de Koning, worden gezonden aan de Tweede Kamer of, indien daarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, aan deze vergadering.

Artikel 84 - Wijziging wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet, ingediend door of vanwege de Koning, niet door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering is aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en vanwege de regering worden gewijzigd.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden gewijzigd.

Artikel 85 - Toezending wetsvoorstel EK

Zodra de Tweede Kamer een voorstel van wet heeft aangenomen of tot indiening van een voorstel heeft besloten, zendt zij het aan de Eerste Kamer, die het voorstel overweegt zoals het door de Tweede Kamer aan haar is gezonden. De Tweede Kamer kan een of meer van haar leden opdragen een door haar ingediend voorstel in de Eerste Kamer te verdedigen.

Artikel 86 - Intrekking wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet niet door de Staten-Generaal is aangenomen, kan het door of vanwege de indiener worden ingetrokken.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden ingetrokken.

Artikel 87 - Aanneming en bekrachtiging

  1. Een voorstel wordt wet, zodra het door de Staten-Generaal is aangenomen en door de Koning is bekrachtigd.

  2. De Koning en de Staten-Generaal geven elkaar kennis van hun besluit omtrent enig voorstel van wet.

Artikel 88 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de wetten. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 89 - Algemene maatregel van bestuur

  1. Algemene maatregelen van bestuur worden bij koninklijk besluit vastgesteld.

  2. Voorschriften, door straffen te handhaven, worden daarin alleen gegeven krachtens de wet. De wet bepaalt de op te leggen straffen.

  3. De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de algemene maatregelen van bestuur. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

  4. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op andere vanwege het Rijk vastgestelde algemeen verbindende voorschriften.

Artikel 90 - Bevordering internationale rechtsorde

De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde.

Artikel 91 - Goedkeuring verdrag

  1. Het Koninkrijk wordt niet aan verdragen gebonden en deze worden niet opgezegd zonder voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. De wet bepaalt de gevallen waarin geen goedkeuring is vereist.

  2. De wet bepaalt de wijze waarop de goedkeuring wordt verleend en kan voorzien in stilzwijgende goedkeuring.

  3. Indien een verdrag bepalingen bevat welke afwijken van de Grondwet dan wel tot zodanig afwijken noodzaken, kunnen de kamers de goedkeuring alleen verlenen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 92 - Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties

Met inachtneming, zo nodig, van het bepaalde in artikel 91, derde lid, kunnen bij of krachtens verdrag aan volkenrechtelijke organisaties bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak worden opgedragen.

Artikel 93 - Verbindende kracht verdrag

Bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 94 - Verdrag boven wet

Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 95 - Bekendmaking verdrag

De wet geeft regels omtrent de bekendmaking van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 96 - Oorlogsverklaring

  1. Het Koninkrijk wordt niet in oorlog verklaard dan na voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal.

  2. De toestemming is niet vereist, wanneer het overleg met de Staten-Generaal ten gevolge van een feitelijk bestaande oorlogstoestand niet mogelijk is gebleken.

  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  4. Het bepaalde in het eerste en het derde lid is van overeenkomstige toepassing voor een verklaring dat een oorlog beëindigd is.

Artikel 97 - Krijgsmacht

  1. Ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk, alsmede ten behoeve van de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde, is er een krijgsmacht.

  2. De regering heeft het oppergezag over de krijgsmacht.

Artikel 98 - Samenstelling krijgsmacht

  1. De krijgsmacht bestaat uit vrijwillig dienenden en kan mede bestaan uit dienstplichtigen.

  2. De wet regelt de verplichte militaire dienst en de bevoegdheid tot opschorting van de oproeping in werkelijke dienst.

Artikel 99 - Gewetensbezwaren militaire dienst

De wet regelt vrijstelling van militaire dienst wegens ernstige gewetensbezwaren.

Artikel 99a - Civiele verdediging

Volgens bij de wet te stellen regels kunnen plichten worden opgelegd ten behoeve van de civiele verdediging.

Artikel 100 - Inlichtingen over krijgsmacht

  1. De regering verstrekt de Staten-Generaal vooraf inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. Daaronder is begrepen het vooraf verstrekken van inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht voor humanitaire hulpverlening in geval van gewapend conflict.

  2. Het eerste lid geldt niet, indien dwingende redenen het vooraf verstrekken van inlichtingen verhinderen. In dat geval worden inlichtingen zo spoedig mogelijk verstrekt.

Artikel 101 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 20 juli 1995

Artikel 102 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 22 juni 2000

Artikel 103 - Uitzonderingstoestand

  1. De wet bepaalt in welke gevallen ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid bij koninklijk besluit een door de wet als zodanig aan te wijzen uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd; zij regelt de gevolgen.

  2. Daarbij kan worden afgeweken van de grondwetsbepalingen inzake de bevoegdheden van de besturen van provincies, gemeenten en waterschappen, van de grondrechten geregeld in de artikelen 6, voor zover dit de uitoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen van het in dit artikel omschreven recht betreft, 7, 8, 9, 12, tweede en derde lid, en 13, alsmede van artikel 113, eerste en derde lid.

  3. Terstond na de afkondiging van een uitzonderingstoestand en voorts, zolang deze niet bij koninklijk besluit is opgeheven, telkens wanneer zij zulks nodig oordelen beslissen de Staten-Generaal omtrent het voortduren daarvan; zij beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 104 - Belastingheffing

Belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet. Andere heffingen van het Rijk worden bij de wet geregeld.

 
 

Artikel 105 - Recht van begroting

  1. De begroting van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt bij de wet vastgesteld.

  2. Jaarlijks worden voorstellen van algemene begrotingswetten door of vanwege de Koning ingediend op het in artikel 65 bedoelde tijdstip.

  3. De verantwoording van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt aan de Staten-Generaal gedaan overeenkomstig de bepalingen van de wet. De door de Algemene Rekenkamer goedgekeurde rekening wordt aan de Staten-Generaal overgelegd.

  4. De wet stelt regels omtrent het beheer van de financiën van het Rijk.

Artikel 106 - Geldstelsel

De wet regelt het geldstelsel.

Artikel 107 - Codificatie

  1. De wet regelt het burgerlijk recht, het strafrecht en het burgerlijk en strafprocesrecht in algemene wetboeken, behoudens de bevoegdheid tot regeling van bepaalde onderwerpen in afzonderlijke wetten.

  2. De wet stelt algemene regels van bestuursrecht vast.

Artikel 108 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 25 februari 1999

Artikel 109 - Rechtspositie ambtenaren

De wet regelt de rechtspositie van de ambtenaren. Zij stelt tevens regels omtrent hun bescherming bij de arbeid en omtrent medezeggenschap.

 

Artikel 110 - Openbaarheid van bestuur

De overheid betracht bij de uitvoering van haar taak openbaarheid volgens regels bij de wet te stellen.

 

Artikel 111 - Ridderorden

Ridderorden worden bij de wet ingesteld.
HOOFDSTUK 6

Rechtspraak INLEIDING

Artikel 112 - Civiele en administratieve rechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is opgedragen de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen.

  2. De wet kan de berechting van geschillen die niet uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, opdragen hetzij aan de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren. De wet regelt de wijze van behandeling en de gevolgen van de beslissingen.

Artikel 113 - Strafrechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van strafbare feiten.

  2. Tuchtrechtspraak door de overheid ingesteld wordt bij de wet geregeld.

  3. Een straf van vrijheidsontneming kan uitsluitend door de rechterlijke macht worden opgelegd.

  4. Voor berechting buiten Nederland en voor het oorlogsstrafrecht kan de wet afwijkende regels stellen.

Artikel 114 - Doodstraf

De doodstraf kan niet worden opgelegd.

Artikel 115 - Administratief beroep

Ten aanzien van de in artikel 112, tweede lid, bedoelde geschillen kan administratief beroep worden opengesteld.

Artikel 116 - Rechterlijke macht

  1. De wet wijst de gerechten aan die behoren tot de rechterlijke macht.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de rechterlijke macht.

  3. De wet kan bepalen, dat aan rechtspraak door de rechterlijke macht mede wordt deelgenomen door personen die niet daartoe behoren.

  4. De wet regelt het toezicht door leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast uit te oefenen op de ambtsvervulling door zodanige leden en door de personen bedoeld in het vorige lid.

Artikel 117 - Rechtspositie leden rechterlijke macht

  1. De leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal bij de Hoge Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet bepaald kunnen zij door een bij de wet aangewezen, tot de rechterlijke macht behorend gerecht worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 118 - Hoge Raad

  1. De leden van de Hoge Raad der Nederlanden worden benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. De Hoge Raad is in de gevallen en binnen de grenzen bij de wet bepaald, belast met de cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van het recht.

  3. Bij de wet kunnen aan de Hoge Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 119 - Ambtsmisdrijven

De leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreden terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.

Artikel 120 - Toetsingsverbod

De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.

Artikel 121 - Openbaarheid terechtzittingen

Met uitzondering van de gevallen bij de wet bepaald vinden de terechtzittingen in het openbaar plaats en houden de vonnissen de gronden in waarop zij rusten. De uitspraak geschiedt in het openbaar.

Artikel 122 - Gratie

  1. Gratie wordt verleend bij koninklijk besluit na advies van een bij de wet aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.

  2. Amnestie wordt bij of krachtens de wet verleend.

HOOFDSTUK 7

Decentralisatie INLEIDING

Artikel 123 - Instelling provincies en gemeenten

  1. Bij de wet kunnen provincies en gemeenten worden opgeheven en nieuwe ingesteld.

  2. De wet regelt de wijziging van provinciale en gemeentelijke grenzen.

Artikel 124 - Autonomie en medebewind

  1. Voor provincies en gemeenten wordt de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake hun huishouding aan hun besturen overgelaten.

  2. Regeling en bestuur kunnen van de besturen van provincies en gemeenten worden gevorderd bij of krachtens de wet.

Artikel 125 - Organen decentrale besturen

  1. Aan het hoofd van de provincie en de gemeente staan provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad. Hun vergaderingen zijn openbaar, behoudens bij de wet te regelen uitzonderingen.

  2. Van het bestuur van de provincie maken ook deel uit gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning, van het bestuur van de gemeente het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester.

Artikel 126 - Ambtsinstructie commissaris koning

Bij de wet kan worden bepaald, dat de commissaris van de Koning wordt belast met de uitvoering van een door de regering te geven ambtsinstructie.

Artikel 127 - Vaststelling verordening

Provinciale staten en de gemeenteraad stellen, behoudens bij de wet of door hen krachtens de wet te bepalen uitzonderingen, de provinciale onderscheidenlijk de gemeentelijke verordeningen vast.

Artikel 128 - Toekenning bevoegdheden

Behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 123, kan de toekenning van bevoegdheden, als bedoeld in artikel 124, eerste lid, aan andere organen dan die, genoemd in artikel 125, alleen door provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad geschieden.

Artikel 129 - Verkiezing vertegenwoordigend orgaan

  1. De leden van provinciale staten en van de gemeenteraad worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders, tevens ingezetenen van de provincie onderscheidenlijk de gemeente, die voldoen aan de vereisten die gelden voor de verkiezing van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Voor het lidmaatschap gelden dezelfde vereisten.
  2. De leden worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  3. De artikelen 53, tweede lid, en 59 zijn van toepassing. Artikel 57a is van overeenkomstige toepassing.
  4. De zittingsduur van provinciale staten en de gemeenteraad is vier jaren, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen.
  5. De wet bepaalt welke betrekkingen niet gelijktijdig met het lidmaatschap kunnen worden uitgeoefend. De wet kan bepalen, dat beletselen voor het lidmaatschap voortvloeien uit verwantschap of huwelijk en dat het verrichten van bij de wet aangewezen handelingen tot het verlies van het lidmaatschap kan leiden.
  6. De leden stemmen zonder last.

Artikel 130 - Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders

De wet kan het recht de leden van de gemeenteraad te kiezen en het recht lid van de gemeenteraad te zijn toekennen aan ingezetenen, die geen Nederlander zijn, mits zij tenminste voldoen aan de vereisten die gelden voor ingezetenen die tevens Nederlander zijn.

Artikel 131 - Benoeming commissaris Koning

De commissaris van de Koning en de burgemeester worden bij koninklijk besluit benoemd.

Artikel 132 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen

  1. De wet regelt de inrichting van provincies en gemeenten, alsmede de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen.

  2. De wet regelt het toezicht op deze besturen.

  3. Besluiten van deze besturen kunnen slechts aan voorafgaand toezicht worden onderworpen in bij of krachtens de wet te bepalen gevallen.

  4. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden bij koninklijk besluit wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

  5. De wet regelt de voorzieningen bij in gebreke blijven ten aanzien van regeling en bestuur, gevorderd krachtens artikel 124, tweede lid. Bij de wet kunnen met afwijking van de artikelen 125 en 127 voorzieningen worden getroffen voor het geval het bestuur van een provincie of een gemeente zijn taken grovelijk verwaarloost.

  6. De wet bepaalt welke belastingen door de besturen van provincies en gemeenten kunnen worden geheven en regelt hun financiële verhouding tot het Rijk.

Artikel 133 - Waterschappen

  1. De opheffing en instelling van waterschappen, de regeling van hun taken en inrichting, alsmede de samenstelling van hun besturen, geschieden volgens bij de wet te stellen regels bij provinciale verordening, voor zover bij of krachtens de wet niet anders is bepaald.

  2. De wet regelt de verordenende en andere bevoegdheden van de besturen van de waterschappen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen.

  3. De wet regelt het provinciale en overige toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 134 - Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

  1. Bij of krachtens de wet kunnen openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere openbare lichamen worden ingesteld en opgeheven.

  2. De wet regelt de taken en de inrichting van deze openbare lichamen, de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen. Bij of krachtens de wet kan aan hun besturen verordenende bevoegdheid worden verleend.

  3. De wet regelt het toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 135 - Gemeenschappelijke regelingen

De wet geeft regels ter voorziening in zaken waarbij twee of meer openbare lichamen zijn betrokken. Daarbij kan in de instelling van een nieuw openbaar lichaam worden voorzien, in welk geval artikel 134, tweede en derde lid, van toepassing is.

Artikel 136 - Geschillen

De geschillen tussen openbare lichamen worden bij koninklijk besluit beslist, tenzij deze behoren tot de kennisneming van de rechterlijke macht of hun beslissing bij de wet aan anderen is opgedragen.
HOOFDSTUK 8

Herziening grondwet INLEIDING

Artikel 137 - Grondwetswijziging

  1. De wet verklaart, dat een verandering in de Grondwet, zoals zij die voorstelt, in overweging zal worden genomen.

  2. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, een voorstel voor zodanige wet splitsen.

  3. Na de bekendmaking van de wet, bedoeld in het eerste lid, wordt de Tweede Kamer ontbonden.

  4. Nadat de nieuwe Tweede Kamer is samengekomen, overwegen beide kamers in tweede lezing het voorstel tot verandering, bedoeld in het eerste lid. Zij kunnen dit alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  5. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen een voorstel tot verandering splitsen.

Artikel 138 - Aanpassing niet gewijzigde bepalingen

  1. Voordat de in tweede lezing aangenomen voorstellen tot verandering in de Grondwet door de Koning worden bekrachtigd, kunnen bij de wet:

    a. de aangenomen voorstellen en de ongewijzigd gebleven bepalingen van de Grondwet voor zoveel nodig aan elkaar worden aangepast;

    b. de indeling in en de plaats van hoofdstukken, paragrafen en artikelen, alsmede de opschriften worden gewijzigd.

  2. Een voorstel van wet, houdende voorzieningen als bedoeld in het eerste lid onder a, kunnen de kamers alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 139 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De veranderingen in de Grondwet, door de Staten-Generaal aangenomen en door de Koning bekrachtigd, treden terstond in werking, nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 140 - Handhaving bestaande regelgeving

Bestaande wetten en andere regelingen en besluiten die in strijd zijn met een verandering in de Grondwet, blijven gehandhaafd, totdat daarvoor overeenkomstig de Grondwet een voorziening is getroffen.

Artikel 141 - Bekendmaking herziene Grondwet

De tekst van de herziene Grondwet wordt bij koninklijk besluit bekendgemaakt, waarbij hoofdstukken, paragrafen en artikelen kunnen worden vernummerd en verwijzingen dienovereenkomstig kunnen worden veranderd.

Artikel 142 - Aanpassing Grondwet aan Statuut

De Grondwet kan bij de wet met het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in overeenstemming worden gebracht. De artikelen 139, 140 en141 zijn van overeenkomstige toepassing.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

T. Kooijmans

ARTIKEL 16 - Nulla poena

INHOUD
  1. Historische ontwikkeling
  2. Reikwijdte van artikel 16 als grondwetsbepaling; strafbaar feit
  3. Inhoud: legaliteit ten aanzien van strafbaarheid en sanctie
  4. Relevant verdragsrecht
  5. Beperkingen en uitzonderingen; additioneel artikel IX
  6. Jurisprudentie
  7. Literatuur
  8. Historische versies
 

Editie maart 2013[1]

1. Historische ontwikkeling

Hoewel de bepaling van artikel 16 Grondwet (Gw) eerst in 1983 in de Grondwet is opgenomen, betreft het een oud beginsel dat in letterlijk dezelfde bewoordingen vanaf 1881 in (het in 1886 in werking getreden) artikel 1, eerste lid, Wetboek van Strafrecht (Sr) te vinden is.[2] Met de codificatie in aanvankelijk het Wetboek van Strafrecht en later ook de Grondwet is specifiek voor het materiële strafrecht tot uitdrukking gebracht dat overheidsoptreden waarbij macht wordt uitgeoefend jegens burgers, een voorafgaande wettelijke grondslag moet hebben.[3] Het aldus verwoorde legaliteitsbeginsel heeft zijn functie van hoeksteen (in de zin van dragende pijler) van de democratische rechtsstaat en – daarmee ook – van hoeksteen van het strafrecht verworven in het Verlichtingsdenken. Om die reden is het beginsel prominent aanwezig in La Déclaration des Droits de l’Homme et du Citoyen van 1789.[4]


In de Proeve werd nog niet voorgesteld een bepaling als die van artikel 16 in de Grondwet op te nemen. De Staatscommissie-Cals/Donner was evenwel van mening dat een dergelijke bepaling in de Grondwet wenselijk was. Onder verwijzing naar artikel 7 EVRM betoogde zij dat een nadere rechtsbasis voor toetsing van wettelijke voorschriften aan het legaliteitsbeginsel in de Grondwet geboden zou moeten worden. Een minderheid van de staatscommissie vond dit niet nodig: de mogelijkheid van een dergelijke toetsing aan artikel 1 Sr en artikel 7 EVRM was voldoende.[5] Bij de grondwetsherziening van 1983 klonken nog echo’s door van die minderheid in de staatscommissie. De Raad van State achtte het voorgestelde artikel overbodig en ook in de Tweede Kamer werd twijfel geuit aan de noodzaak het als een grondrecht op te nemen.[6] Toch werden de bewindslieden – die een parlementaire meerderheid aan hun zijde hadden – er hierdoor niet van ‘overtuigd, dat het opnemen van een zo belangrijk beginsel in de Grondwet moet worden nagelaten’.[7]

2. Reikwijdte van artikel 16 als grondwets-
    bepaling; strafbaar feit

Door de herhaling van artikel 1 lid 1 Sr in artikel 16 Gw kan niet dan via (de in Hoofdstuk 8 van de Grondwet voorziene procedure van) een grondwetswijziging van het materieelstrafrechtelijk legaliteitsbeginsel worden afgeweken. In zoverre is sprake van een zekere, formele toegevoegde waarde als grondrecht. De wet in formele zin waarin strafbepalingen zijn opgenomen, kan echter door het toetsingsverbod van artikel 120 Gw niet aan artikel 16 Gw worden getoetst.[8] Aan laatstgenoemde situatie zou wellicht een einde kunnen komen nu er op initiatiefvan het kamerlid Halsema in de eerste lezing van de procedure van grondwetsherziening een wet in het Staatsblad is verschenen die de invoering in overweging neemt van de bevoegdheid tot toetsing van wetten aan een aantal bepalingen van de Grondwet door de rechter, welke bevoegdheid de mogelijkheid incorporeert dat wetgeving in formele zin aan artikel 16 Gw wordt getoetst.[9]

 Het begrip ‘strafbaar feit’ is bij de grondwetsherziening van 1983 niet aan de orde gekomen in verband met de behandeling van artikel 16 maar wel in het kader van artikel 113. Toen is echter weinig helderheid geboden. Beide artikelen staan wel met elkaar in verband. Artikel 113 behoudt de berechting van ‘strafbare feiten’ voor aan de rechter. Onder strafbare feiten moeten worden verstaan feiten die in enigerlei algemene regeling strafbaar zijn gesteld: gedragingen die op straffe verboden zijn. Het gaat om feiten die in algemene strafwetgeving als het Wetboek van Strafrecht, dan wel in wetten of lagere algemene regelingen strafbaar zijn gesteld.[10] De formele classificatie is aldus bepalend. Met ‘strafbare feiten’ in de zin van artikel 113 worden derhalve geen feiten bedoeld die (louter[11]) via het bestuursrecht kunnen worden bestraft.[12] Zonder nadere redengeving is dan niet aannemelijk dat aan het adjectief ‘strafbaar’ in artikel 16 Gw een ruimere, materiële betekenis moet worden toegeschreven. Dat hetzelfde begrip in twee grondwetsartikelen een verschillende betekenis zou hebben, is namelijk niet zonder meer begrijpelijk en evenmin wenselijk. Daarmee wil echter niet gezegd zijn dat het beginsel achter artikel 16 Gw niet dezelfde werking zou kunnen worden toegedicht voor andere vormen van bestraffing dan die binnen het strafrecht.[13] Deze stand van zaken illustreert de geringe normatieve kracht die (de tekst van) de Grondwet – althans op dit punt – heeft voor het strafrecht.[14]
 
Het ligt voor de hand bij de uitleg van het begrip ‘strafbaar feit’ in de eerste plaats terug te grijpen op de regeling waaraan het artikel ontleend is, het Wetboek van Strafrecht.[15] Strafbare feiten zijn feiten waartegen strafvervolging mogelijk is; ook samenspanning, voorbereiding, poging en deelneming vallen eronder.[16]

3. Inhoud: legaliteit ten aanzien van strafbaarheid
    en sanctie

Groenhuijsen somt als grondslagen van het materieelstrafrechtelijke legaliteitsbeginsel op het schuldgezichtspunt (een persoon mag niet worden bestraft als hij niet wist noch kon weten dat wat hij deed, strafbaar was), het wetsbegrip (wetgeving bevat algemene regels, die bij herhaling doch zonder terugwerkende kracht kunnen worden toegepast op in beginsel alle (categorieën) burgers), het mensbeeld van de homo economicus (een rationele, calculerende burger kiest in dit mensbeeld voor strafbaar gedrag als naar verwachting de voordelen ervan de nadelen overtreffen), het strafbegrip (publieke leedtoevoeging met als doel dat de betrokkene voortaan meer geneigd zal zijn tot normconform gedrag), de rechtsstaatgedachte (publieke machtsuitoefening moet onderworpen zijn aan rechtsregels), het vrijheidsbegrip (toegestaan is datgene dat niet verboden is) en het rechtszekerheidsbegrip (het individu moet de rechtsgevolgen van (voorgenomen) handelingen kunnen berekenen).[17][18] Groenhuijsen illustreert dat het autoritaire strafrecht in Nazi-Duitsland gebaseerd is op dezelfde gezichtspunten, die in de opvatting van dat regime eenzelfde functie hebben in de verhouding tot het legaliteitsbeginsel.[19] Met het kennelijke oogmerk om in de toekomst uitwassen te voorkomen die samenhangen met het op een dergelijke wijze hanteren van gezichtspunten die aan legaliteit ten grondslag liggen, betoogt dat een materiële invulling van het ‘rechtsbeschermingsverschaffende grondschema van onze rechtsstaat’ vereist is, en wel in drieërlei zin: verantwoordelijkheid als normatief begrip (materiële maatstaven terug te voeren op in elk geval rechtvaardigheid), verantwoording afleggen over het gebruik van bevoegdheden en verantwoordelijk stellen in de zin van het opleggen van sancties indien onrechtmatig is opgetreden. Dit laatste element illustreert dat materieelrechtelijke en formeelrechtelijke aspecten van legaliteit als voorwaarde voor strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, tot op zekere hoogte hand in hand gaan.[20]

 Naar algemene opvatting kent het in artikel 16 Gw en artikel 1, eerste lid, Sr gecodificeerde materieelstrafrechtelijke legaliteitsbeginsel vier deelnormen[21], die tezamen ook wel worden aangeduidals nullum crimen, nulla poena sine praevia lege poenali. Als zodanig betreft het een door Von Feuerbach geformuleerd product van de Verlichting dat op strafrechtelijk terrein de rechtsstaatgedachte belichaamt.[22] Als eerste deelnorm wordt wel genoemdnullum crimen sine lege. Dit betreft een tot de wetgever gerichte instructienorm die inhoudt dat justitiabelen slechts mogen worden gestraft wegens gedrag dat als zodanig voorafgaand aan het plegen ervan door de wetgever als strafbaar gedrag is omschreven met een zekere mate van duidelijkheid en precisie. Gelet op dit laatste wordt het zogenoemde lex certa-beginsel (ook wel aangeduid als bepaaldheidsgebod of Bestimmtheitsgebot) geacht onderdeel uit te maken van deze deelnorm.[23] De tweede deelnorm betreft Nulla poena sine lege.Dit is een vooral tot de rechter[24] gerichte instructienorm dat hij voor het plegen van het feit geen andere en/of zwaardere straf kan opleggen dan die waarin is voorzien ten tijde van het begaan van dat feit. Zoals Kelk het uitdrukt: ‘ook het sanctiestelsel behoeft codificatie’.[25] Naar de letter van van de (Grond)wet is het nulla poena sine lege-beginsel (geen straf zonder wet) niet opgenomen in artikel 16. Niettemin wordt dit beginsel naar algemene opvatting wel geacht daarin te zijn besloten.[26] In het verlengde van de eerste twee deelnormen ligt nulla poena sine lege praevia als derde deelnorm: het verbod van terugwerkende kracht, zijnde een instructienorm voor wetgever en rechter dat zij geen feiten binnen de reikwijdte van de strafwet brengen die zijn begaan vóór de inwerkingtreding van die wet. De vierde deelnorm betreft het analogieverbod en het verbod van te extensieve interpretatie: een rechter mag een delictsomschrijving of een bestanddeel daarvan niet zodanig ruim uitleggen dat een gedraging of omstandigheid onder de reikwijdte van die delictsomschrijving wordt gebracht terwijl de bewoordingen daarvan geen aanleiding daartoe geven.[27]
 
Zoals hierboven naar voren kwam, richt (zowel artikel, eerste lid, Sr als) artikel 16 Gw zich in zijn beschermende functie ten dele tot de wetgever en ten dele tot de rechter. Als algemene noemer kan worden opgemerkt dat het nulla poena-beginsel de wetgever en de rechter opdraagt de inzichtelijkheid en voorspelbaarheid van het materiële strafrecht te garanderen.[28] Die inzichtelijkheid en voorspelbaarheid vormen de grondslag van het verwijt dat de burger in de op te leggen straf binnen ons schuldstrafrecht[29] moet kunnen worden gemaakt.[30] Zo bezien krijgt artikel 16 Gw betekenis voor alle kwesties aangaande de vormgeving van strafrechtelijke aansprakelijkheid van burgers, ook al beperkt binnen het strafrecht de wettelijke strafbepaling zich tot de aanwijzing van het strafbare gedrag en de (maximale) sanctie. Daarmee zijn doorgaans echter nog niet alle voorwaarden voor strafbaarheid vervuld en evenmin is daarmee de mogelijke sanctie concreet bepaald. Ook voor de vormgeving van die nadere voorwaarden en de mogelijke sanctionering in het materiële strafrecht heeft artikel 16 Gw betekenis.
 
Uit de tekst van artikel 16 Gw vloeit met zoveel woorden voort dat de strafbaarheid ter zake van bepaalde gedragingen moet berusten op een aanwijzing als zodanig door de wetgever. Een grondslag in een wet in formele zin is niet vereist op grond van artikel 16 Gw, maar wel gelet op artikel 89 Gw.[31] De strafrechter controleert het vereiste van een wettelijke strafbepaling bij zijn kwalificatiebeslissing.[32] Als geen (verbindende) strafbepaling voorhanden is, dan wordt de verdachte ter zake van de bewezen verklaarde gedraging ontslagen van alle rechtsvervolging.[33] In geval van veroordeling moet de strafrechter in zijn uitspraak de betreffende strafbepaling aanwijzen.[34]
 
De regel van artikel 16 Gw drukt aldus uit dat het primaat bij de bepaling van hetgeen strafbaar is bij de wetgever ligt, en niet bij de rechter. Niet alleen is de wetgever het democratisch gelegitimeerde orgaan, maar ook de eis van gelijkheid van allen voor de wet (de algemene en gelijke toepassing op gelijke gevallen) dwingt tot dit primaat.[35] Zo geformuleerd richt artikel 16 zich ook tot de rechter als geadresseerde van de regel en heeft de rechter zich te onthouden van het creëren van strafbaarheid op grond van een analogische interpretatie van strafbepalingen, als aangenomen moet worden dat de wetgever zich niet over de strafbaarheid van het analoge geval heeft uitgelaten.[36] En hoewel het nulla poena-beginsel minder sterke werking heeft bij rechterlijke beslissingen ten voordele van de verdachte, moet worden aangenomen dat het op gespannen voet zou staan met dat beginsel indien de rechter, bij wege van algemene uitspraak, de door de wetgever aangenomen strafbaarheid van bepaald gedrag in bepaalde situaties zou opheffen door middel van het aanvaarden van ongeschreven rechtvaardigingsgronden.[37]
 
Dit laatste verklaart vermoedelijk waarom het arrest inzake de Huizer veearts – in welk arrest de ongeschreven rechtvaardigingsgrond van het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid een centrale rol vervult – als een witte raaf moet worden beschouwd.[38] Ook bijvoorbeeld euthanasie is niet op basis van een rechterlijke uitspraak in het algemeen en zonder meer gerechtvaardigd. Wel is aanvankelijk een geschreven rechtvaardigingsgrond – overmacht in de zin van noodtoestand: artikel 40 Sr – opgerekt.[39] Artikel 16 Gw dwingt er evenwel toe om de beslissing om euthanasie onder omstandigheden niet meer strafbaar te achten, aan de wetgever te laten. De wetgever heeft zijn verantwoordelijkheid op dit punt inmiddels genomen en heeft voorzien in een regeling in artikel 293, tweede lid, Sr die bewerkstelligt dat de arts die handelt overeenkomstig de procedurele regeling waaraan in artikel 293, tweede lid, Sr wordt gerefereerd, straffeloos blijft.[40]
 
In het verlengde van de eis van voorspelbaarheid van strafbaarheid ligt de eis dat de wettelijke strafbepaling (en de inwerkingtreding daarvan) aan het begaan van het strafbare gedrag vooraf moet gaan. Het is de wetgever verboden aan een strafbepaling terugwerkende kracht te verlenen. In dit aspect van het nulla poena-beginsel is artikel 16 Gw de uitdrukking van een algemene rechtsstatelijke regel dat de onderdaan belastende voorschriften geen terugwerkende kracht hebben.[41] Toch ligt het zwaartepunt ervan in het materiële strafrecht en ook daar heeft het niet een absolute werking.[42]
 
Een volgend aspect dat ten aanzien van de voorafgaande wettelijke strafbepaling als voorwaarde voor strafbaarheid aandacht vraagt, is dat de strafbepaling voldoende moet zijn bekendgemaakt. Zie artikel 88 en artikel 89, derde lid, Gw en voor gedecentraliseerde wetgevers bijvoorbeeld artikel 139, eerste lid, Gemeentewet. De met de eis van kenbaarheid van strafbaarheid verbonden voorwaarde van bekendmaking impliceert dat strafbaarheid alleen kan bestaan ter zake van in Nederland bekendgemaakte (en in de Nederlandse taal geformuleerde) strafbepalingen.[43]
 
Een internationaal geïnspireerde strafbaarstelling op grond van bijvoorbeeld een verdrag moet derhalve in een Nederlandse strafbepaling worden vertaald.[44] Een dergelijke wijze van strafbaarstelling ten aanzien van door de Europese Unie uitgevaardigde regelgeving is soms betrekkelijk eenvoudig. Zo bevat de Wet op de economische delicten (WED) in artikel 1 sub 4 als strafbaarstelling een aantal overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens EU-Verordeningen. Toch is in bredere zin de toenemende ‘europeanisering’ van het (materiële) strafrecht niet onproblematisch vanuit het perspectief van legaliteitsbeginsel. In de literatuur wordt in dit verband aandacht gevraagd voor de plicht die op grond van Europese regelgeving op de nationale wetgever rust, om vaag, open of ruim geformuleerde strafbaarstellingen te introduceren, terwijl de strafrechter op zijn beurt verplicht is om het nationale recht zoveel mogelijk in overeenstemming met het Europese recht uit te leggen, (zelfs) ook indien de nationale wetsgeschiedenis in een andere richting wijst dan het resultaat dat met conforme interpretatie wordt bereikt.[45]
 
De eis van inzichtelijkheid van het materiële strafrecht gaat verder dan de enkele eis van een geschreven wettelijke strafbepaling. Die inzichtelijkheid gaat alsnog verloren als de strafbepaling in haar bewoordingen voor de burger te vaag is om daaruit op eenvoudige wijze te kunnen afleiden welk gedrag strafbaar is. Artikel 16 Gw vraagt dan ook, net zoals zijn strafrechtelijke evenknie van artikel 1, eerste lid, Sr, om een zo nauwkeu­rig mogelijke delictsomschrijving. Hierboven kwam al aan de orde dat dit ook wel wordt uitgedrukt met de termen lex certa, Bestimmtheitsgebot en ‘bepaaldheidsgebod’.[46] Zeer nauwkeurige delictsomschrijvingen zijn niet altijd te realiseren: open omschrijvin­gen van het strafbare gedrag zijn nogal eens onvermijdelijk.[47] Dergelijke begrippen zijn wel vaak op grond van een onderliggend geheel van normen in regelgeving en jurisprudentie nader geëxpliciteerd.[48] Daarbij speelt de rechterlijke interpretatie van dergelijke delictsomschrijvingen een belangrijke rol.
 
Hiervoor is reeds aan de orde gesteld dat niet elke methode van interpretatie in verband met artikel 16 Gw acceptabel wordt geacht: algemeen wordt aanvaard dat toepassing van strafbepalingen naar analogie niet is toegestaan ten nadele van de verdachte.[49] Meer in het algemeen kan worden opgemerkt dat een interpretatie van een delictsomschrijving die de voorspelbaarheid van strafbaarheid ter zake van bepaald gedrag geweld aandoet, niet is toegelaten. De Hoge Raad heeft in dit verband in 2000 in het zogenoemde Krulsla-arrest geoordeeld dat het bepaaldheidsgebod inhoudt dat de burger moet kunnen weten ter zake van welke gedragingen hij kan worden gestraft; de rechtszekerheid eist dit. Daarom mag, aldus de Hoge Raad, van de wetgever worden verlangd dat hij met het oog daarop op een zo duidelijk mogelijke wijze delicten omschrijft. Daarbij moet volgens het rechtscollege niet uit het oog worden verloren dat de wetgever soms met een zekere vaagheid, bestaande in het bezigen van algemene termen, delicten omschrijft om te voorkomen dat gedragingen die strafwaardig zijn buiten het bereik van de delictsomschrijving vallen. Die vaagheid kan onvermijdelijk zijn, omdat niet altijd te voorzien is op welke wijze de te beschermen belangen in de toekomst zullen worden geschonden en omdat, indien dit wel is te voorzien, delictsomschrijvingen anders te verfijnd worden met als gevolg dat de overzichtelijkheid wegvalt en daarmee het belang van de algemene duidelijkheid van de wetgeving schade lijdt. Daarbij merkt het rechtscollege op dat, indien het om professionele marktdeelnemers gaat, mag worden verlangd dat deze zich terdege laten informeren over de beperkingen waaraan hun gedragingen zijn onderworpen.[50] Voorts kan uit de rechtspraak van de Hoge Raad worden afgeleid dat ook de omschrijving (in de verbodsbepaling of strafbepaling) van de plaats waar het verboden gedrag plaatsvindt, kan bijdragen aan het oordeel dat de desbetreffende norm voldoende concreet is omschreven.[51] Op zichzelf is dit laatste voor discussie vatbaar: de enkele omschrijving van een plaats waar in vage bewoordingen omschreven gedrag ontoelaatbaar wordt geacht, maakt niet duidelijk(er) welk gedrag dan precies strafbaar is. Het is vermoedelijk tegen deze achtergrond dat de Hoge Raad in het arrest Onbehoorlijk gedrag dan ook overwoog dat ‘het voorts betreft een norm die, in de bewoordingen van het Europese Hof voor de rechten van de mens in zijn arrest van 26 april 1979, NJ 1980, 146, is ‘inevitably couched in terms which,... are vague and whose interpretation and application are questions of practice’.’[52] Dit standpunt spreekt (meer) aan omdat er, zoals De Hullu terecht oordeelt, bij het hier in het geding zijnde openbaar vervoerdelict vermoedelijk honderden gedragingen zijn waarvan het de bedoeling is dat ze onder de norm vallen en de wetgever dan ook bijna niet anders kan dan de delictsomschrijving open formuleren.[53] Waar uit het Krulsla-arrest kan worden afgeleid dat de Hoge Raad het bepaaldheidsgebod op zichzelf erkent, kan uit het voorgaande evenwel ook worden afgeleid dat de voorzienbaarheid van strafrechtelijke aansprakelijkheid lang niet altijd een rol van betekenis speelt.[54]
 
Wellicht is het tegen deze laatste achtergrond dat Mevis en De Lange in hun noot onder het Mensenroof-arrest van 2001 betogen dat aan de grammaticale interpretatiemethode ‘een zekere preponderante betekenis toekomt’.[55] Volgens deze auteurs dankt deze interpretatiemethode haar betekenis aan haar achtergrond die gevormd wordt door de band met het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel zoals dat in artikel 1, eerste lid, Sr is neergelegd en in 1983 als grondrecht in artikel 16 Gw is herhaald. De kern van het legaliteitsbeginsel wordt in deze visie gevormd door de waarborg die daarin besloten ligt dat de essentie van de strafrechtelijke aansprakelijkheid bij algemene, op rechtsgelijkheid en rechtseenheid gerichte regel, afkomstig van een democratisch gecontroleerde wetgever, wordt vastgelegd. De grammaticale interpretatie staat hier in het licht van het respect dat van de rechter wordt gevraagd voor de invloed en het woord van de wetgever.[56][57]
 
Hoewel dat laatste niet onjuist is, maakt dat de taak van de rechter er niet eenvoudiger op in de gevallen waarin hij bijvoorbeeld wordt geconfronteerd met delictsomschrijvingen met een catch all-karakter zoals de strafbaarstelling van witwassen (artikel 420bis-420quater Sr).[58] Als (opzet)witwassen is onder meer strafbaar gesteld het verwerven van een voorwerp, wetende dat[59] het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf. Voor schuldwitwassen geldt dat de dader redelijkerwijs moet vermoeden dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf. Op het eerste gezicht vertonen deze op 14 december 2001 in werking getreden witwasbepalingen weliswaar gelijkenis met de ‘klassieke’ helingsbepalingen (artikel 416-417bis Sr), maar de witwasbepalingen kennen een ruimer bereik doordat a) van wetenschap (bij opzetwitwassen als bedoeld in artikel 420bis Sr) onderscheidenlijk een redelijk vermoeden (bij schuldwitwassen als bedoeld in artikel 420quater) van de criminele herkomst van het voorwerp ten tijde van de verwerving ervan nog geen sprake behoeft te zijn; als die wetenschap of dat vermoeden later ontstaat, treedt op dat moment in beginsel strafbaarheid in;[60] b) onder ‘een door misdrijf verkregen goed’ in de zin van de helingsbepalingen niet valt het indirect verkregene[61] en c) de ‘heler-steler-regel’ – men kan niet een door hemzelf gestolen goed helen – niet van toepassing is.[62] Het is daarom mogelijk om (de revenuen van) een eigen misdrijf wit te wassen. Bepaalde onwenselijke consequenties – vooral: een te ruim toepassingsbereik van de betreffende strafbepalingen – die onder meer hiervan het gevolg zijn, zijn in een reeks van beslissingen van de Hoge Raad teruggedrongen.[63] Van een vruchtbare ‘dialoog’[64] tussen wetgever en rechter zou vervolgens sprake kunnen zijn als de wetgever deze beslissingen zou aangrijpen om de reikwijdte van de witwasbepalingen op legislatief niveau aan een nieuwe beoordeling te onderwerpen.[65]
 
Tegen de achtergrond van het voorgaande kan worden geoordeeld dat het legaliteitsbeginsel van artikel 16 Gw een in acht te nemen grens stelt aan de ontwikkeling waarbij door de wetgever steeds meer aan de rechtsvormende taak van de rechter wordt overgelaten. In een tijd van toenemende maatschappelijke divergentie en multiculturaliteit, die ook moet doorwerken in het materiële strafrecht, is dat niet onproblematisch.[66] Zo stelt De Jong zich op het standpunt dat het vertrouwen dat in het materiële strafrecht geformuleerde voorwaarden voor strafbaarheid en straffeloosheid niet ad hoc of naar willekeur worden gewijzigd of verruimd, als belangrijkste functie van het legaliteitsbeginsel binnen het materiële strafrecht weliswaar nog altijd kan bogen op consensus onder de verschillende schrijvers maar dat het beginsel zelf intussen allesbehalve een rustig bezit is.[67] De ‘tekortkoming’ van het materieelstrafrechtelijk legaliteitsbeginsel hangt volgens deze auteur samen met de omstandigheid dat het beginsel niet langer kan worden verondersteld spijkerharde, algemene grenzen te kunnen stellen aan de rechterlijke interpretatievrijheid.[68] Iedere toepassing van een gegeven norm is afhankelijk van een interpretatie waarin de norm wordt betrokken op de ter juridische waardering voorliggende feiten van het geval, aldus oordeelt De Jong terecht: ‘Vanwege deze afhankelijkheid van interpretatie legt de norm in de toepassing op een nieuwe set feiten ook zijn eigen betekenis en toepassingsbereik in de waagschaal. Hierdoor wordt de abstracte betekenis van de norm geactualiseerd telkens wanneer zij wordt toegepast in concrete gevallen. Deze betekenisactualisering doet geen afbreuk aan de gelding en het gezag van de norm, maar slaat wel de theoretische bodem weg onder een legalistisch denkpatroon volgens hetwelk normen vastliggende betekenissen, waaronder de te beoordelen feiten zich in doorsnee gevallen eenvoudig laten rangschikken. Dit denkpatroon is te machinaal en dus niet adequaat: de betekenis van een norm ligt niet vast, zij ligt zelfs niet in de norm besloten. Dit impliceert dat aan de eisen van het legaliteitsbeginsel nooit volledig kan worden voldaan.’

4. Relevant verdragsrecht

Het nulla poena-beginsel vindt internationaal bescherming in artikel 7 EVRM en artikel 15 IVBPR. Het is ook opgenomen in artikel 11, tweede lid, Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, alsmede in artikel 49, eerste lid, Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De bepalingen van het Handvest zijn op basis van artikel 51 gericht tot de instellingen, organen en instanties van de EU met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, alsmede, uitsluitend wanneer zij het recht van de EU ten uitvoer brengen van de lidstaten. Hoewel dit laatste een belangrijke beperking is, wijst Ouwerkerk erop dat er tegelijkertijd rekening mee moet worden gehouden dat lidstaten geregeld Unierecht ten uitvoer brengen, zonder zich daarvan bewust te zijn.[69]

Met name artikel 7 EVRM is hier van belang.[70] Als men uitsluitend de eisen van inzichtelijkheid en voorspelbaarheid van strafbaarheid benadrukt, is er geen reden om onder alle omstandigheden vast te houden aan de eis dat strafbaarheid slechts gebaseerd kan worden op een wettelijk voorschrift. Zo werd door het EHRM aangenomen dat in het Verenigd Koninkrijk strafbaarheid van verkrachting binnen het huwelijk voorzienbaar was, ook al had die strafbaarheid zich uitsluitend in de jurisprudentie ontwikkeld.[71] In de continentale rechtstraditie is deze benadering niet bruikbaar omdat daarmee aan het in die traditie sterk beleefde primaat van de democratisch gelegitimeerde wetgever afbreuk wordt gedaan.
 
Ook is de reikwijdte van artikel 7 EVRM breder dan die van artikel 16 Gw. Hiervoor onder 3 is uiteengezet dat artikel 16 Gw slechts betrekking heeft op hetgeen naar nationaal recht onder strafrecht wordt begrepen. Artikel 7 EVRM daarentegen correleert met artikel 6 EVRM. Het in laatstgenoemd artikel opgenomen begrip criminal charge strekt zich niet alleen uit tot hetgeen naar nationaal recht als strafrecht wordt aangeduid, maar ook tot het opleggen van bestraffende sancties in het bestuursrecht. Daardoor wordt de werking van artikel 7 EVRM ook dienovereenkomstig vergroot.[72]
 
Evenals de Hoge Raad stelthet EHRM zich in vaste jurisprudentie – ten aanzien van het onder meer in artikel 7 EVRM verwoorde law-begrip – op het standpunt dat een zekere mate van vaagheid onvermijdelijk is om rigiditeit te voorkomen en het voorschrift ook te kunnen laten functioneren bij gewijzigde omstandigheden. Dat wettelijke voorschriften soms vaag zijn, is volgens het EHRM een logisch gevolg van het uitgangspunt dat wetten een algemeen toepassingsbereik dienen te hebben.[73] Dat een door een lidstaat gehanteerde delictsomschrijving door het EHRM als te vaag wordt bestempeld, komt slechts hoogst sporadisch voor.[74]
 
Artikel 16 betreft elke strafbepaling die bij wet in materiële zin is gesteld. Het gaat dus ook om strafbepalingen, opgesteld door een andere wetgever dan die in formele zin. In dit opzicht loopt het wetsbegrip van dit grondwetsartikel parallel aan dat van het EVRM en IVBPR.[75]

5. Beperkingen en uitzonderingen; additioneel
    artikel IX

Naar de absolute formulering van artikel 16 Gw laat het artikel geen beperkingen of inbreuken toe. Ook de tekst van artikel 103 Gw, artikel 15 EVRM en artikel 4 IVBPR inzake de uitzonderingstoestanden laat geen uitzonderingen toe.[76] Deze onmogelijkheid moet worden begrepen tegen de achtergrond van de strekking van de onderhavige bepaling. Omdat en voor zover zij de burger tegen de straffende overheid wil beschermen, bestaat evenwel geen bezwaar tegen uitzonderingen op bepaalde normen die uit het artikel voortvloeien, voor zover deze strekken ten voordele van de verdachte. Dat geldt met name in geval de wet na de strafbare gedraging ten gunste van de verdachte is gewijzigd. Artikel 1 lid 2 Sr staat uitdrukkelijk toe de nieuwe bepaling met terugwerkende kracht toe te passen.[77] Strikt genomen moet met Knigge worden geoordeeld dat bij artikel 1 lid 2 Sr geen sprake is van een uitzondering op artikel 1 lid 1 Sr.[78] Als de voor de verdachte gunstigste bepalingen in de oude wet zijn neergelegd, moet zowel op grond van artikel 1 lid 1 Sr als op basis van artikel 1 lid 2 Sr de oude wet worden toegepast. Als daarentegen de nieuwe wet de gunstigste bepalingen bevat, verzet tekst noch ratio van artikel 1 lid 1 Sr zich tegen toepassing van de nieuwe wet. Er is dan namelijk sprake van een voorafgaande strafbepaling en de toepassing van de gunstigste bepaling strijdt niet met de rechtszekerheidsgedachte. ‘Ware het anders, dan zou artikel 1 lid 2 ongrondwettig zijn, immers niet alleen afwijken van artikel 1 lid 1, maar ook van het gelijkluidende artikel 16 Gr.w.’[79]

Iets kwestieuzer is het opzij zetten van het verbod van terugwerkende kracht bij de strafbaarstelling van gedragingen die een grove schending van ook internationaal beschermde rechten van individuen opleveren. Bij de toenemende inzet van strafrechtelijke berechting als methode van optreden tegen deze schendingen achteraf – via onder meer het Joegoslaviëtribunaal, het Rwandatribunaal en het Internationaal strafhof – is dit aspect opnieuw manifest geworden.[80] De gedachte is dat elke ‘rechtschapen’ burger bepaalde fundamentele normen, zoals het respect voor andermans leven, ‘verinnerlijkt’ heeft en de strafbaarstelling van schendingen van dergelijke normen derhalve slechts naar de letter terugwerkende kracht heeft. Over de inzichtelijkheid van strafbaarheid ten tijde van het handelen bestaat, gegeven de aard van de handeling, in wezen geen twijfel, zo is de redenering. Desondanks achtte de regering het bij het opnemen van artikel 16 in de Grondwet in 1983 wenselijk om via additioneel artikel IX te voorkomen dat de terugwerkende kracht van de strafbaarstelling van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid, gepleegd tijdens de Tweede Wereldoorlog en strafbaar gesteld in het Besluit Buitengewoon Strafrecht,[81] in conflict zou komen met artikel 16 Gw. In artikel 27a Besluit Buitengewoon Strafrecht wordt ten aanzien van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de men­selijkheid, gepleegd tijdens de Tweede Wereldoorlog, bepaald dat deze onder de omschrijvingen van het Handvest van het Internationaal Militair Tribunaal van Neuren­berg van 1945 vallen.[82] De regering twijfelde (na advies van de Raad van State) niet aan de rechtskracht van het Besluit – het heeft kracht van wet – maar wilde strijdigheid vermij­den. Voor de internationale berechting in het kader van bijvoorbeeld het Joegoslaviëtribunaal heeft het additioneel artikel geen betekenis: ter zake gelden bepalingen van internationaal recht.

6. Jurisprudentie

- HR 14 februari 1916, NJ 1916/681
- HR 23 mei 1921, NJ 1921/564 m.nt. T
- HR 20 februari 1933, NJ 1933/918 m.nt. T
- EHRM 26 april 1979, NJ 1980/146 m.nt. E.A. Alkema (Sunday Times v. United Kingdom)
- HR 27 november 1984, NJ 1985/106 m.nt. ThWvV
- HR 2 april 1985, NJ 1985/796
- HR 18 september 1989, NJ 1990/291 m.nt. ‘tH
- HR 23 oktober 1990, NJ 1991/542 m.nt. Sch
- HR 26 mei 1992, NJ 1992/568 m.nt. ‘tH
- EHRM 25 mei 1993, appl.nr. 3/1992/348/421 (Kokkinakis v. Greece)
- HR 8 maart 1994, NJ 1994/412
- HR 21 juni 1994, NJ 1994/656 m.nt. Sch
- EHRM 22 november 1995, NJ 1997/1 m.nt. Kn (C.R. v. United Kingdom)
- EHRM 15 november 1996, appl.nr. 45/1995/551/637 (Cantoni v. France)
- HR 24 juni 1997, NJ 1998/70 m.nt. ’tH
- HR 21 april 1998, NJ 1998/781 m.nt. JdH
- HR 31 oktober 2000, NJ 2001/14
- EHRM 22 maart 2001, appl.nos. 34044/96, 35532/97, 44801/98 (Streletz, Kessler and Krenz v. Germany)
- HR 20 november 2001, NJ 2003/632 m.nt. R. de Lange en Pme
- HR 24 december 2002, NJ 2003/167 m.nt. Sch
- HR 18 januari 2005, NJ 2006/11
- HvJ EU 3 mei 2005, NJ 2006/2 m.nt. M.R. Mok (Berlusconi)
- HR 28 maart 2006, NJ 2006/237
- HR 8 juli 2008, NJ 2011/91 m.nt. A.H. Klip
- HR 30 juni 2009, NJ 2009/481 m.nt. N. Keijzer
- EHRM 17 september 2009, appl.nr. 10249/03 (Scoppola v. Italy)
- HR 12 juli 2011, NJ 2012/78 m.nt. N. Keijzer
- HR 8 november 2011, NJ 2012/202 m.nt. N. Keijzer
- HR 31 januari 2012, LJN BQ9251
- HR 31 januari 2012, LJN BQ6575
- HR 8 januari 2013, LJN BX6909
- HvJ EU 26 februari 2013, zaak C-617/10 (Fransson)
- HR 12 maart 2013, LJN BZ2653

7. Literatuur

- J. Altena-Davidsen, ‘De reikwijdte van de plicht tot conforme interpretatie in het strafrecht tegen de achtergrond van de verhouding tussen de Europese en de nationale rechtsorde’, Ars Aequi 2012, p. 552-561
- P.C. Bogert, ‘Proceduralisering als rechtsgoederenbescherming. Iets over conflicterende normenstelsels en bijzondere strafuitsluitingsgronden’, in: P.C. Bogert & T. Kooijmans (red.), Over de grens van het legaliteitsbeginsel, Deventer: Gouda Quint 2000, p. 97-115
- P.C. Bogert, Voor rechtvaardiging en schulduitsluiting: de bijzondere strafuitsluiting in strafrechtsdogmatisch en wetgevingstechnisch perspectief (diss. Rotterdam), Deventer: Kluwer 2005
- M. Boot, Nullum Crimen Sine Lege and the Subject Matter Jurisdiction of the International Criminal Court (diss. Tilburg), Antwerpen: Intersentia 2002
- M.J. Borgers, ‘Wetshistorische interpretatie in de strafrechtspraak’, in: M.S. Groenhuijsen & J.B.H.M. Simmelink (red.), Glijdende schalen (De Hullu-bundel), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2003, p. 51-69
- M.J. Borgers, ‘De grenzen van het Rijk in Europa en de grenzen van de interpretatievrijheid van de strafrechter’, DD 2004, 44, p. 590-601
- M.J. Borgers, De communicatieve strafrechter (preadvies NJV), Deventer: Kluwer 2011
- G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, zevende druk, bewerkt door M.J. Borgers, Deventer: Kluwer 2011
- W.N. Ferdinandusse, J.W. Kleffner & P.A. Nollkaemper, ‘Origineel of reproductie, internationale strafbaarstellingen in de Nederlandse rechtsorde’, NJB 2002, p. 341-349
- P.J.A. von Feuerbach, Lehrbuch des gemeinen in Deutschland gültigen peinlichen rechts, Giessen: Heyer 1808
- M.S. Groenhuijsen, ‘Legaliteit als probleem’, NJB 1982, p. 277-287
- M.S. Groenhuijsen, Straf en wet (oratie Tilburg), Arnhem: Gouda Quint 1987
- M.S. Groenhuijsen & F.G.H. Kristen, ‘Het Bestimmtheitsgebot bepaald’, DD 31 (2001), p. 330-346
- A.C. ’t Hart, ‘Het nulla-poenabeginsel’, in: A.K. Koekkoek, W. Konijnenbelt, F.C.L.M. Crijns, H.J.M. Jeukens (red.), Grondrechten (Jeukens-bundel), Nijmegen: Ars Aequi Libri 1982, p. 332-345
- D. Hazewinkel-Suringa, Inleiding tot de studie van het Nederlandse strafrecht, vijftiende druk, bewerkt door J. Remmelink, Deventer: Gouda Quint 1996
- J. de Hullu, ‘Het legaliteitsbeginsel in de Straatsburgse spiegel’, in: C.H. Brants & C. Kelk (red.), Er is meer (Swart-bundel), Deventer: Gouda Quint 1996, p. 181-190
- J. de Hullu, Materieel strafrecht, vijfde druk, Deventer: Kluwer 2012
- D.H. de Jong & G. Knigge, Het materiële strafrecht, veertiende druk, Deventer: Kluwer 2003
- F. de Jong, Daad-Schuld (diss. Utrecht), Den Haag Bju 2009
- C. Kelk, ‘Het nulla poena-beginsel behoeft opfrissing’, in: M.M. Dolman, P.D. Duyx & H.G. van der Wilt (red.), Geleerde lessen (Stolwijk-bundel), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2007, p. 95-111
- G. Knigge, Verandering van wetgeving (diss. Groningen), Arnhem: Gouda Quint, 1984
- G. Knigge, ‘Van gewijzigd inzicht; de ontwikkeling van het strafrechtelijk overgangsrecht’, in: J.P. Balkema e.a. (red.), Gedenkboek Honderd jaar Wetboek van Strafrecht, Arnhem: Gouda Quint, 1986, p. 171-188
- T. Kooijmans, Op maat geregeld? (diss. Rotterdam), Deventer: Kluwer 2002
- T. Kooijmans, ‘De toepasselijkheid van artikel 1 lid 2 Sr bij wijzigingen in het sanctiestelsel’, DD 2006, 69, p. 987-1006
- T. Kooijmans & M.J. Borgers, ‘Doorpakken bij het afpakken? Over de aftrek van kosten, de flexibilisering van het boeteplafond en de verhoging van de strafmaxima van de witwasdelicten, ter bestrijding van financieel-economische criminaliteit’, DD 2012, 65, p. 683-701
- F.G.H. Kristen, ‘Het legaliteitsbeginsel in het strafrecht’, Ars Aequi 2010, p. 641-645
- P.A.M. Mevis, Constitutioneel strafrecht (oratie Rotterdam), Deventer: Gouda Quint 1998
- P.A.M. Mevis, ‘Introductie: de betekenis van het legaliteitsbeginsel in de rechtsontwikkeling naar een eigentijds strafrecht’, in: P.C. Bogert & T. Kooijmans (red.), Over de grens van het legaliteitsbeginsel, Deventer: Gouda Quint 2000, p. 1-35
- J.S. Nan, Het lex certa-beginsel (diss. Tilburg), Den Haag: Sdu 2011
- J.W. Ouwerkerk, ‘Het feitsbegrip bij ne bis in idem en eendaadse samenloop: Tussen nationale uitlegging en internationale verplichtingen’, DD 2012, 47, p. 490-507
- K. Rozemond, ‘Legaliteit in het materiële strafrecht’, RM Themis 1999, p. 117-130
- Staatscommissie Grondwet, Rapport Staatscommissie Grondwet (te kennen via www.rijksoverheid.nl)
-  W.J.M. Voermans, Legaliteit als middel tot een doel (preadvies NJV), Deventer: Kluwer 2011

8. Historische versies

Geen eerdere versies.

Noten

  1. Voor dit commentaar op artikel 16 Gw is mede geput uit tekstfragmenten van de commentaren uit de tweede en derde druk (van de hand van P.W.C. Akkermans respectievelijk P.A.M. Mevis & T. Blom).
  2. Artikel 1 lid 1 Sr: ‘Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling’. Zie ook artikel 4 Wet AB: ‘De wet verbindt alleen voor het toekomende en heeft geene terugwerkende kracht’. Zie over deze bepalingen uitvoerig G. Knigge, Verandering van wetgeving (diss. Groningen), Arnhem: Gouda Quint, 1984.
  3. Vgl. W.J.M. Voermans, Legaliteit als middel tot een doel (preadvies NJV), Deventer: Kluwer 2011, p. 7-14 en 93, alsmede S. Verheijen & L. Verlinden, ‘Zonder lex certa geen legaliteit?’, in: C.J.H. Jansen & J.J.J. Sillen (red.), In extenso, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2012, p. 77-95, i.h.b. p. 78-79.
  4. Zie F.G.H. Kristen, ‘Het legaliteitsbeginsel in het strafrecht’, Ars Aequi 2010, p. 641-645.
  5. Staatscommissie-Cals/Donner Tweede rapport, p. 81-82. Ook in wetsvoorstel 11 051 (Bijl. Hand. II 1970/71) was het materieelstrafrechtelijk legaliteitsbeginsel opgenomen, en wel in artikel 9e.
  6. Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 4, p. 70 (Nng, Ia, p. 71); Handelingen II 1976-77, p. 1985 en 1987 (Abma, SGP) (Nng, Ia, p. 375-380).
  7. Bijl. Hand. II 1970/71 11 051, nr. 3, p. 20.
  8. Vgl. HR 8 maart 1994, NJ 1994/412. Zie ook het commentaar bij artikel 120.
  9. Stb. 2009, 120. Zie Kamerstukken II 2009/10, 32 334, nr. 2 voor dit grondwetsvoorstel in tweede lezing. Vgl. Rapport Staatscommissie Grondwet, p. 43-49 (te kennen via www.rijksoverheid.nl).
  10. Kamerstukken II 1979/80, 16 162, nrs. 3-4, p. 6-7, 11 en 38 (MvT).
  11. Vgl. o.a. artikel 5:44 Awb.
  12. Kamerstukken II 1979/80, 16 162, nr. 3, p. 6, 11 en 39 (MvT).
  13. Zo bepaalt artikel 5:4 lid 2 Awb dat een bestuurlijke sanctie slechts wordt opgelegd indien de overtreding en de sanctie bij of krachtens een aan de gedraging voorafgaand wettelijk voorschrift zijn omschreven.
  14. P.A.M. Mevis, Constitutioneel strafrecht (oratie Rotterdam), Deventer: Gouda Quint 1998, p. 10.
  15. Via artikel 91 Sr heeft het beginsel ook buiten de grenzen van het wetboek rechtskracht. Artikel 16 heeft alleen betrekking op het materiële strafrecht, niet op het strafprocesrecht: Hand. II 1976/77, p. 2214-2215 (Nng, Ia, p. 494-497); Kamerstukken I 1976/77, 13 872, nr. 55b, p. 11-12 (Nng, Ib, p. 48-49). Onder de werking van artikel 16 valt eveneens de strafopleg­ging.
  16. Vgl. artikel 78 Sr en artikel 129 Sv.
  17. M.S. Groenhuijsen, Straf en wet (oratie Tilburg), Arnhem: Gouda Quint 1987, p. 26-31.
  18. M.J. Borgers, De communicatieve strafrechter (preadvies NJV), Deventer: Kluwer 2011, p. 105 noemt als voornaamste grondslagen het verschaffen van rechtszekerheid en het bieden van rechtsbescherming tegen machtsmisbruik door de overheid.
  19. Groenhuijsen 1987, p. 33-38.
  20. Kristen 2010, p. 641-642.
  21. Zie uitgebreid J. de Hullu, Materieel strafrecht, vijfde druk, Deventer: Kluwer 2012, p. 80-108.
  22. P.J.A. von Feuerbach, Lehrbuch des gemeinen in Deutschland gültigen peinlichen rechts, Giessen: Heyer 1801, par. 12 e.v. Zie ook A.C. ’t Hart, ‘Het nulla-poenabeginsel’, in: A.K. Koekkoek, W. Konijnenbelt, F.C.L.M. Crijns, H.J.M. Jeukens (red.), Grondrechten (Jeukens-bundel), Nijmegen: Ars Aequi Libri 1982, p. 332-345 en D.H. de Jong & G. Knigge, Het materiële strafrecht, veertiende druk, Deventer: Kluwer 2003, p. 31-32.
  23. Zie daarover uitvoerig J.S. Nan, Het lex certa-beginsel (diss. Tilburg), Den Haag: Sdu 2011.
  24. Terecht merkt Kristen 2010, p. 642 op dat deze instructienorm zich voorts richt tot ‘de executieve’ wanneer deze wil overgaan tot buitengerechtelijke afdoening (bijvoorbeeld bij wijze van strafbeschikking), alsmede tot de wetgever die een delictsomschrijving moet voorzien van een strafbedreiging.
  25. C. Kelk, ‘Het nulla poena-beginsel behoeft opfrissing’, in: M.M. Dolman, P.D. Duyx & H.G. van der Wilt (red.), Geleerde lessen (Stolwijk-bundel), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2007, p. 95-111, i.h.b. p. 96.
  26. D. Hazewinkel-Suringa, Inleiding tot de studie van het Nederlandse strafrecht, vijftiende druk, bewerkt door J. Remmelink, Deventer: Gouda Quint 1996, p. 483-485. Zie ook T. Kooijmans, Op maat geregeld? (diss. Rotterdam), Deventer: Kluwer 2002, p. 257.
  27. Kristen 2010, p. 643. Volgens J.W. Fokkens, ‘aant. 5 bij art. 1 Sr’, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink, Wetboek van strafrecht, Deventer: Kluwer z.j. zal in het algemeen sprake zijn van een analogische uitleg als wat voor het ene bijzondere fenomeen geldt ook geacht wordt voor het andere te gelden gelet op de grote gelijkenis tussen beide gevallen.
  28. K. Rozemond, ‘Legaliteit in het materiële strafrecht’, RM Themis 1999, p. 117-130.
  29. Kort gezegd, brengt ons ‘schuldstrafrecht’ met zich dat een persoon niet mag worden bestraft als hij (bij gebreke van een inzichtelijke strafwetgeving) niet wist noch kon weten dat wat hij deed, strafbaar was.
  30. Vgl. reeds HR 14 februari 1916, NJ 1916/681.
  31. Het scheppen van misdrijven is wel aan de wetgever in formele zin voorbehouden. Aan de lagere wetgever is wel de mogelijkheid gelaten om de inrichting van de eigen rechtsorde met strafrecht te handhaven, maar dat betreft dan per definitie overtredingen. Vgl. artikel 154 lid 4 Gemeentewet en artikel 28 Invoeringswet Wetboek van Strafrecht.
  32. Het tweede vraagpunt vermeld in artikel 350 Sv.
  33. Artikel 352 lid 2 Sv.
  34. Artikel 358 lid 4 Sv.
  35. Zie nader P.A.M. Mevis, ‘Introductie: de betekenis van het legaliteitsbeginsel in de rechtsontwikkeling naar een eigentijds strafrecht’, in: P.C. Bogert & T. Kooijmans (red.), Over de grens van het legaliteitsbeginsel, Deventer: Gouda Quint 2000, p. 1-35.
  36. Geen rechter zal overigens in zijn uitspraak een redenering per analogiam opnemen. Hij zal het oordeel ‘verpakken’ in een extensieve interpretatie van de (bestanddelen van een) strafbepaling. Een dergelijke interpretatie kan tegen de achtergrond van het legaliteitsbeginsel evenzeer worden bekritiseerd in geval de voorspelbaarheid van de strafbepaling en het primaat van de wetgever er te zeer in worden aangetast. Zie voor een klassiek voorbeeld van extensieve interpretatie HR 23 mei 1921, NJ 1921/564 m.nt. T (diefstal van elektriciteit) en voor een eigentijds voorbeeld HR 31 januari 2012, LJN BQ9251 (diefstal virtueel amulet en masker) en HR 31 januari 2012, LJN BQ6575 (diefstal sms-berichten en belminuten).
  37. Vgl. De Hullu 2012, p. 343-345 en Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 343-374.
  38. HR 20 februari 1933, NJ 1933/918 m.nt. T. De verdachte veearts was in feitelijke aanleg veroordeeld omdat hij de Veewet zou hebben overtreden door koeien ‘in verdachte toestand te brengen’ door ze in de buurt van zieke, aan mond- en klauwzeer lijdende koeien te plaatsen. Hij betoogde dat hij als veearts goed en verantwoord had gehandeld: omdat de koeien de ziekte toch niet zouden kunnen ontlopen en doordat ze op deze manier werden besmet, zou het belang van deze koeien en van de veestapel in het algemeen het beste zijn gediend. De Hoge Raad casseerde de veroordelende uitspraak omdat (mogelijk) de ‘onrechtmatigheid der gepleegde handeling in het gegeven geval blijkt te ontbreken’.
  39. O.a. HR 27 november 1984, NJ 1985/106 m.nt. ThWvV; HR 21 juni 1994, NJ 1994/656 m.nt. Sch en HR 24 december 2002, NJ 2003/167 m.nt. Sch. Zie nader M.S. Groenhuijsen & F. van Laanen, ‘Euthanasia in the broader framework of Dutch penal policies’, in: M.S. Groenhuijsen & F. van Laanen (eds.), Euthanasia in International and Comparative Perspective, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2006, p. 195-225.
  40. Zie nader P.C. Bogert, ‘Proceduralisering als rechtsgoederenbescherming. Iets over conflicterende normenstelsels en bijzondere strafuitsluitingsgronden’, in: Bogert & Kooijmans 2000, p. 97-115, en idem, Voor rechtvaardiging en schulduitsluiting: de bijzondere strafuitsluiting in strafrechtsdogmatisch en wetgevingstechnisch perspectief (diss. Rotterdam), Deventer: Kluwer 2005, p. 71-77 en 194-197.
  41. Zie ook artikel 93 Gw en artikel 4 Wet AB. Zie voor de uitzondering hierna onder 6.
  42. Voor het strafprocesrecht vloeit uit (het uitgangspunt van) artikel 4 Wet AB voort dat proceshandelingen worden beheerst door het recht dat geldt ten tijde van die handelingen (zie G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, zevende druk, bewerkt door M.J. Borgers, Deventer: Kluwer 2011, p. 32). Dat neemt niet weg dat de wetgever nogal eens activiteiten ontplooit die bewerkstelligen dat reeds afgesloten strafzaken onder het bereik van nieuwe (of gewijzigde) strafprocessuele instrumenten vallen.
  43. HR 24 juni 1997, NJ 1998/70 m.nt. ’tH. Vgl. HvJ EU 3 mei 2005, NJ 2006/2 m.nt. M.R. Mok (Berlusconi).
  44. De Hullu 2012, p. 80. W.N. Ferdinandusse, J.W. Kleffner & P.A. Nollkaemper, ‘Origineel of reproductie, internationale strafbaarstellingen in de Nederlandse rechtsorde’, NJB 2002, p. 341-349 stellen zich, mede onder verwijzing naar artikel 94 Gw, op het standpunt dat dit onvoldoende recht doet aan het huidige belang van het internationale strafrecht: ‘Internationale strafbepalingen zijn niet principieel van het algemene doorwerkingsregime uitgesloten en kunnen derhalve direct door de Nederlandse rechter worden toegepast’.
  45. Borgers 2011, p. 173; Kristen 2010, p. 644-645 en J. Altena-Davidsen, ‘De reikwijdte van de plicht tot conforme interpretatie in het strafrecht tegen de achtergrond van de verhouding tussen de Europese en de nationale rechtsorde’, Ars Aequi 2012, p. 552-561.
  46. Zie Nan 2011.
  47. Het standaardvoorbeeld betreft de volgende, in het arrest Onbehoorlijk gedrag (HR 2 april 1985, NJ 1985/796) vermelde verbodsbepaling: ‘Het is verboden (…) op enig gedeelte van de stations of in de treinen te vechten, handtastelijkheden te plegen, vuurwerk af te steken, anderen uit te schelden of lastig te vallen dan wel zich op andere wijze onbehoorlijk te gedragen’. Een ander voorbeeld betreft de in artikel 285b Sr vervatte strafbaarstelling van belaging.
  48. Zie bijv. HR 18 januari 2005, NJ 2006/11.
  49. ’t Hart 1982, p. 339-340.
  50. HR 31 oktober 2000, NJ 2001/14. Zie daarover M.S. Groenhuijsen & F.G.H. Kristen, ‘Het Bestimmtheitsgebot bepaald’, DD 31 (2001), p. 330-346.
  51. HR 2 april 1985, NJ 1985/796 en HR 28 maart 2006, NJ 2006/237.
  52. HR 2 april 1985, NJ 1985/796.
  53. De Hullu 2012, p. 90-91. Vgl. Borgers 2011, p. 114.
  54. Vgl. Borgers 2011, p. 148.
  55. HR 20 november 2001, NJ 2003/632. M.J. Borgers, ‘Wetshistorische interpretatie in de strafrechtspraak’, in: M.S. Groenhuijsen & J.B.H.M. Simmelink (red.), Glijdende schalen (De Hullu-bundel), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2003, p. 51-69, i.h.b. p. 65 oordeelt evenwel dat interpretatiemethoden onderling geen hiërarchie kennen. Zie ook idem, ‘De grenzen van het Rijk in Europa en de grenzen van de interpretatievrijheid van de strafrechter’, DD 2004, 44, p. 590-601, i.h.b. p. 595-596.
  56. In hun – primair op de wetsgeschiedenis van artikel 278 Sr gestoelde – kritiek op de uitleg die de Hoge Raad geeft aan het in die strafbepaling opgenomen bestanddeel ‘over de grenzen van het Rijk in Europa voeren’, zien deze auteurs eraan voorbij dat dit aldus geformuleerde bestanddeel juist mogelijk maakt dat daaronder (niet alleen de ‘uitvoer’ maar ook) de ‘invoer’ van personen valt. In zoverre kan derhalve niet worden volgehouden dat de Hoge Raad geen respect heeft gehad voor ‘het woord van de wetgever’.
  57. In HR 12 maart 2013, LJN BZ2653 kwam de Hoge Raad terug van zijn in het tongzoen-arrest (HR 21 april 1998, NJ 1998/781 m.nt. JdH) ingenomen standpunt dat het geven van een afgedwongen tongzoen kan worden aangemerkt als verkrachting in de zin van artikel 242 Sr. De verandering van standpunt werd door de Hoge Raad mede gerechtvaardigd door de omstandigheid dat het bestempelen van een tongzoen als verkrachting wel in strijd wordt geacht met het algemene spraakgebruik.
  58. Stb. 2001, 606.
  59. Voorwaardelijk opzet is hier toereikend: Kamerstukken II 2000/01, 27 159, nr. 5, p. 11.
  60. Vgl. HR 5 september 2006, NJ 2006, 612 m.nt. M.J. Borgers.
  61. Vgl. Kamerstukken II 1999/00, 27 159, nr. 3, p. 17.
  62. HR 2 oktober 2007, NJ 2008, 16 m.nt. M.J. Borgers.
  63. Zie o.a. HR 26 oktober 2010, NJ 2010/655 m.nt. N. Keijzer; HR 23 november 2010, NJ 2011/44 m.nt. N. Keijzer en HR 8 januari 2013, LJN BX6909; zie ook (voor een andere begrenzing van het bereik van de witwasbepalingen) HR 5 september 2006, NJ 2006/612 m.nt. M.J. Borgers en HR 2 oktober 2007, NJ 2008, 16 m.nt. M.J. Borgers.
  64. Borgers 2011, p. 171 spreekt in termen van een ‘interactionistische benadering’ waarin tot uitgangspunt wordt genomen dat het (materiële straf)recht als een ‘open systeem’ moet worden beschouwd waarin het toepassingsbereik van de wet mede afhankelijk is van de – aan bepaalde restricties gebonden – berechting van concrete gevallen door de rechter.
  65. Vgl. T. Kooijmans & M.J. Borgers, ‘Doorpakken bij het afpakken? Over de aftrek van kosten, de flexibilisering van het boeteplafond en de verhoging van de strafmaxima van de witwasdelicten, ter bestrijding van financieel-economische criminaliteit’, DD 2012, 65, p. 683-701, i.h.b. p. 697-701.
  66. Zie de noten van A.C. ’t Hart onder HR 18 september 1989, NJ 1990/291 en HR 26 mei 1992, NJ 1992/568.
  67. F. de Jong, Daad-Schuld (diss. Utrecht), Den Haag Bju 2009, p. 179. Vgl. M.S. Groenhuijsen, ‘Legaliteit als probleem’, NJB 1982, p. 277-287 en Groenhuijsen 1987.
  68. De Jong 2009, p. 245.
  69. J.W. Ouwerkerk, ‘Het feitsbegrip bij ne bis in idem en eendaadse samenloop: Tussen nationale uitlegging en internationale verplichtingen’, DD 2012, 47, p. 490-507, i.h.b. p. 498-499: ‘Ik roep in herinnering dat de strafbaarstelling van aan terrorisme gerelateerde misdrijven voor een belangrijk deel implementatiewetgeving betreft als gevolg van twee kaderbesluiten uit 2002 en 2008. Voorts wordt, bij wijze van voorbeeld, Unierecht ten uitvoer gebracht als een persoon wordt vervolgd voor het zonder vergunning invoeren in Nederland van LSD (hallucinogeen middel lyserginezuur), hetgeen immers als economisch delict strafbaar is gesteld ter implementatie van een EG-verordening (artikel 1 sub 1° WED juncto artikel 2 sub a Wet voorkoming misbruik chemicaliën).’ Zie ook HvJ EU 26 februari 2013, zaak C-617/10 (Fransson) over het ne bis in idem-beginsel.
  70. J. de Hullu, ‘Het legaliteitsbeginsel in de Straatsburgse spiegel’, in: C.H. Brants & C. Kelk (red.), Er is meer (Swart-bundel), Deventer: Gouda Quint 1996, p. 181-190. Zie ook Nan 2011, p. 124-148.
  71. EHRM 22 november 1995, NJ 1997/1 m.nt. Kn (C.R. v. United Kingdom).
  72. Kooijmans 2002, p. 260.
  73. Zie o.a. EHRM 25 mei 1993, appl.nr. 3/1992/348/421 (Kokkinakis v. Greece); EHRM 22 november 1995, NJ 1997/1 m.nt. Kn (C.R. v. United Kingdom); EHRM 15 november 1996, appl.nr. 45/1995/551/637 (Cantoni v. France) en EHRM 22 maart 2001, appl.nos. 34044/96, 35532/97, 44801/98 (Streletz, Kessler and Krenz v. Germany).
  74. In EHRM 25 juni 2009, appl.nr. 12157/05 (Liivik v. Estonia) oordeelde het EHRM dat de interpretatie en toepassing van intentional misuse by an official of his or her official position, if it causes significant damage betrekking hadden op dusdanig vage criteria dat deze onvoldoende duidelijk waren.
  75. EHRM 26 april 1979, NJ 1980/146 m.nt. E.A. Alkema (Sunday Times v. United Kingdom); HR 23 oktober 1990, NJ 1991/542 m.nt. Sch.
  76. Wel bevatten artikel 7 EVRM en artikel 49 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie de voorziening dat het in die artikelen vervatte legaliteisbeginsel niet in de weg staat aan de berechting en bestraffing van iemand die schuldig is aan een handelen of nalaten dat ten tijde van het handelen of nalaten een misdrijf was volgens de door de volkerengemeenschap erkende algemene beginselen.
  77. Zie nader Knigge 1984 en T. Kooijmans, ‘De toepasselijkheid van artikel 1 lid 2 Sr bij wijzigingen in het sanctiestelsel’, DD 2006, 69, p. 987-1006. Zie voorts EHRM 17 september 2009, appl.nr. 10249/03 (Scoppola v. Italy) en HR 12 juli 2011, NJ 2012/78 m.nt. N. Keijzer.
  78. G. Knigge, ‘Van gewijzigd inzicht; de ontwikkeling van het strafrechtelijk overgangsrecht’, in: J.P. Balkema e.a. (red.), Gedenkboek Honderd jaar Wetboek van Strafrecht, Arnhem: Gouda Quint, 1986, p. 171-188, i.h.b. p. 171. Zie ook Kooijmans 2006, p. 990. Vgl. De Hullu 2012, p. 125.
  79. Knigge 1986, p. 171.
  80. Zie uitvoerig M. Boot, Nullum Crimen Sine Lege and the Subject Matter Jurisdiction of the International Criminal Court (diss. Tilburg), Antwerpen: Intersentia 2002. Zie ook HR 8 juli 2008, NJ 2011/91 m.nt. A.H. Klip; HR 30 juni 2009, NJ 2009/481 m.nt. N. Keijzer en HR 8 november 2011, NJ 2012/202 m.nt. N. Keijzer.
  81. Besluit van 22 december 1943, Stb. D 61, later aangevuld bij wet van 10 juli 1947, Stb. H 233

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    T. Kooijmans, Commentaar op artikel 16 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2017 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Nulla poena

Het strafrecht voorziet in de zwaarste middelen waarover de overheid in een democratische rechtsstaat beschikt om de naleving van bepaalde normen te handhaven. Op grond daarvan kunnen aan bepaalde gedragingen geldelijke boetes en – soms langdurige – vrijheidsstraffen worden verbonden, of kan de maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) worden opgelegd.
 
Omdat strafrecht zo diep kan ingrijpen in de vrijheid van mensen, moet de wetgever nauwkeurig in de wet omschrijven welke gedragingen strafbaar zijn en welke sancties op die gedragingen kunnen volgen. Alleen als iemand kon weten – door kennis te nemen van de wet – dat zijn gedrag een overtreding van de wet zou opleveren, kan hem een straf worden opgelegd. In artikel 16 komt zo het legaliteitsbeginsel tot uitdrukking; het is, in identieke bewoordingen, ook opgenomen in artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht.
 
Een consequentie van het geschetste beginsel is dat de strafrechter de strafwet niet zodanig mag uitleggen dat gedragingen onder het bereik van de strafwet vallen die de wetgever er zelf niet onder heeft willen brengen. Analoge toepassing van een strafbepaling is in strijd met de grondbeginselen van de rechtsstaat. Toch komt het voor dat de wetgever in de omschrijving van een delict enige interpretatieruimte heeft moeten laten. Het is dan de taak van de rechter om de reikwijdte van de betreffende strafbepaling nader af te bakenen.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Nulla poena

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Nulla poena

Melk en water -arrest

HR 14-02-1916, NJ 1916, 681

In dit arrest introduceert de Hoge Raad het concept van Afwezigheid van alle schuld (AVAS), wanneer een verkoper onbewust melk verkoopt door zijn werkgever  in strijd met een verordering aangelengd met water.

Huizense veearts

HR 20 februari 1933, NJ 1933/918
De Hoge Raad bepaalt dat bij het plegen van een strafbaar feit soms een beroep kan worden gedaan op een ongeschreven rechtvaardigingsgrond: het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid.
 

Euthanasie

HR 27 november 1984, NJ 1985/106 
De Hoge Raad creërt maatstaven voor het geval van een arts die hulp bij zelfdoding verleent. Inmiddels heeft wetgever hier al wetgeving voor gemaakt. 
 

Sunday Times

EHRM 26 april 1979, NJ 1980/146 m.nt. E.A. Alkema

Het EHRM bepaalt dat indien de vrijheid van meningsuiting wordt beperkt, het recht op basis waarvan dit gebeurd voldoende kenbaar moet zijn en precies zijn geformuleerd.
 

Onbehoorlijk gedrag

HR 2 april 1985, NJ 1985/796
 

Krulsa

HR 31 oktober 2000, NJ 2001/14

Recente rechtspraak

Nulla poena

Witwasbepalingen

HR 8 januari 2013, LJN BX6909
Hoge Raad perkt bereik witwasbepalingen in

 

Tongzoen II

HR 12 maart 2013, LJN BZ2653
Hoge Raad wijzigt standpunt t.a.v. tongzoen
Politiek

Nulla poena

Video
Blogs
IN DE WERELD
Video

Nulla poena

  • Prof. Stolwijk over legaliteit in het strafrecht
  • Prof.mr. Stolwijk over legaliteit
Prof. Stolwijk over legaliteit in het strafrecht
Blogs

Nulla poena

In de wereld

Nulla poena