CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • G. Leenknegt
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • A.A.L. Beers en K.T. Meijer
  • B.C. van Beers
  • B.M.J. van der Meulen
  • B.P. Vermeulen
  • B.W.N. de Waard
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • E.J. Janse de Jonge
  • E.J. Koops
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • F. Fleurke
  • F.C.M.A. Michiels
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx en A.C.M. Meuwese
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard en J. Uzman
  • G. Leenknegt
  • G. Overkleeft-Verburg
  • G. van der Schyff en B.M.J. van der Meulen
  • J. Kiewiet en G.F.M. van der Tang †
  • J. Uzman
  • J. Uzman en G. Boogaard
  • J.C.A. de Poorter
  • J.L.M. Gribnau en M.R.T Pauwels
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • J.W.A. Fleuren
  • K.T. Meijer
  • M. Adams
  • Mijke Houwerzijl & Nuna Zekic
  • Mijke Houwerzijl en Frank Vlemminx
  • P. Jacobs
  • S. Daniëls
  • S. Jellinghaus en E. Huisman
  • S.C. van Bijsterveld
  • S.C. van Bijsterveld en B.P. Vermeulen
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • T. Kooijmans
  • T. Peters
  • W. van der Woude
  • W.J.M. Voermans
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

HOOFDSTUK 1

Grondrechten

INLEIDING

Artikel 1 - Gelijke behandeling

Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Artikel 2 - Nederlandschap en vreemdelingen

  1. De wet regelt wie Nederlander is.
  2. De wet regelt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen.
  3. Uitlevering kan slechts geschieden krachtens verdrag. Verdere voorschriften omtrent uitlevering worden bij de wet gegeven.
  4. Ieder heeft het recht het land te verlaten, behoudens in de gevallen, bij de wet bepaald.

Artikel 3 - Gelijke benoembaarheid

Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.

Artikel 4 - Kiesrecht

Iedere Nederlander heeft gelijkelijk recht de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen alsmede tot lid van deze organen te worden verkozen, behoudens bij de wet gestelde beperkingen en uitzonderingen.

Artikel 5 - Petitierecht

Ieder heeft het recht verzoeken schriftelijk bij het bevoegd gezag in te dienen.

Artikel 6 - Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging

  1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 7 - Vrijheid van meningsuiting

  1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- of televisieuitzending.
  3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar regelen ter bescherming van de goede zeden.
  4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.

Artikel 8 - Recht tot vereniging

Het recht tot vereniging wordt erkend. Bij de wet kan dit recht worden beperkt in het belang van de openbare orde.

Artikel 9 - Recht tot vergadering en betoging

  1. Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 10 - Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer

  1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.
  2. De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens.
  3. De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.

Artikel 11 - Onaantastbaarheid van het lichaam

Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.

Artikel 12 - Binnentreden woning

  1. Het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen.
  2. Voor het binnentreden overeenkomstig het eerste lid zijn voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden vereist, behoudens bij de wet gestelde uitzonderingen.
  3. Aan de bewoner wordt zo spoedig mogelijk een schriftelijk verslag van het binnentreden verstrekt. Indien het binnentreden in het belang van de nationale veiligheid of dat van de strafvordering heeft plaatsgevonden, kan volgens bij de wet te stellen regels de verstrekking van het verslag worden uitgesteld. In de bij de wet te bepalen gevallen kan de verstrekking achterwege worden gelaten, indien het belang van de nationale veiligheid zich tegen verstrekking blijvend verzet.

Artikel 13 - Vertrouwelijke communicatie

  1. Het briefgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, op last van de rechter.
  2. Het telefoon- en telegraafgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, door of met machtiging van hen die daartoe bij de wet zijn aangewezen.

Artikel 14 - Onteigening

  1. Onteigening kan alleen geschieden in het algemeen belang en tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander naar bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.
  2. De schadeloosstelling behoeft niet vooraf verzekerd te zijn, wanneer in geval van nood onverwijld onteigening geboden is.
  3. In de gevallen bij of krachtens de wet bepaald bestaat recht op schadeloosstelling of tegemoetkoming in de schade, indien in het algemeen belang eigendom door het bevoegd gezag wordt vernietigd of onbruikbaar gemaakt of de uitoefening van het eigendomsrecht wordt beperkt.

Artikel 15 - Vrijheidsontneming

  1. Buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen.
  2. Hij aan wie anders dan op rechterlijk bevel zijn vrijheid is ontnomen, kan aan de rechter zijn invrijheidstelling verzoeken. Hij wordt in dat geval door de rechter gehoord binnen een bij de wet te bepalen termijn. De rechter gelast de onmiddellijke invrijheidstelling, indien hij de vrijheidsontneming onrechtmatig oordeelt.
  3. De berechting van hem aan wie met het oog daarop zijn vrijheid is ontnomen, vindt binnen een redelijke termijn plaats.
  4. Hij aan wie rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, kan worden beperkt in de uitoefening van grondrechten voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt.

Artikel 16 - Nulla poena

Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.

Artikel 17 - Wettelijk toegekende rechter

Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent.

Artikel 18 - Rechtsbijstand

  1. Ieder kan zich in rechte en in administratief beroep doen bijstaan.
  2. De wet stelt regels omtrent het verlenen van rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen.

Artikel 19 - Werkgelegenheid en arbeidskeuze

  1. Bevordering van voldoende werkgelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de rechtspositie van hen die arbeid verrichten en omtrent hun bescherming daarbij, alsmede omtrent medezeggenschap.
  3. Het recht van iedere Nederlander op vrije keuze van arbeid wordt erkend, behoudens de beperkingen bij of krachtens de wet gesteld.

Artikel 20 - Bestaanszekerheid

  1. De bestaanszekerheid der bevolking en spreiding van welvaart zijn voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de aanspraken op sociale zekerheid.
  3. Nederlanders hier te lande, die niet in het bestaan kunnen voorzien, hebben een bij de wet te regelen recht op bijstand van overheidswege.

Artikel 21 - Milieubescherming

De zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu.

Artikel 22 - Volksgezondheid en woongelegenheid

  1. De overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid.
  2. Bevordering van voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  3. Zij schept voorwaarden voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding.

Artikel 23 - Onderwijs

  1. Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.
  2. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.
  3. Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld.
  4. In elke gemeente wordt van overheidswege voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal openbare scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven, al dan niet in een openbare school.
  5. De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.
  6. Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.
  7. Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.
  8. De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten-Generaal.
HOOFDSTUK 2

Regering INLEIDING

Artikel 24 - Koningschap

Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau.

Artikel 25 - Erfopvolging

Het koningschap gaat bij overlijden van de Koning krachtens erfopvolging over op zijn wettige nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft, met plaatsvervulling volgens dezelfde regel. Bij gebreke van eigen nakomelingen gaat het koningschap op gelijke wijze over op de wettige nakomelingen eerst van zijn ouder, dan van zijn grootouder, in de lijn van erfopvolging, voor zover de overleden Koning niet verder bestaand dan in de derde graad van bloedverwantschap.

Artikel 26 - Status ongeboren kind Koning

Het kind, waarvan een vrouw zwanger is op het ogenblik van het overlijden van de Koning, wordt voor de erfopvolging als reeds geboren aangemerkt. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

Artikel 27 - Afstand koningschap

Afstand van het koningschap leidt tot erfopvolging overeenkomstig de regels in de voorgaande artikelen gesteld. Na de afstand geboren kinderen en hun nakomelingen zijn van de erfopvolging uitgesloten.

Artikel 28 - Afstand koningschap door huwelijk

  1. De Koning, een huwelijk aangaande buiten bij de wet verleende toestemming, doet daardoor afstand van het koningschap.
  2. Gaat iemand die het koningschap van de Koning kan beërven een zodanig huwelijk aan, dan is hij met de uit dit huwelijk geboren kinderen en hun nakomelingen van de erfopvolging uitgesloten.
  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake van een voorstel van wet, strekkende tot het verlenen van toestemming, in verenigde vergadering.

Artikel 29 - Uitsluiting troonopvolging

  1. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden daartoe nopen, kunnen bij een wet een of meer personen van de erfopvolging worden uitgesloten.

  2. Het voorstel daartoe wordt door of vanwege de Koning ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 30 - Benoemde Koning

  1. Wanneer vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal ontbreken, kan deze worden benoemd bij een wet. Het voorstel wordt door of vanwege de Koning ingediend. Na de indiening van het voorstel worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  2. Indien bij overlijden van de Koning of bij afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt, worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers komen binnen vier maanden na het overlijden of de afstand in verenigde vergadering bijeen ten einde te besluiten omtrent de benoeming van een Koning. Zij kunnen een opvolger alleen benoemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 31 - Erfopvolging benoemde koning

  1. Een benoemde Koning kan krachtens erfopvolging alleen worden opgevolgd door zijn wettige nakomelingen.

  2. De bepalingen omtrent de erfopvolging en het eerste lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op een benoemde opvolger, zolang deze nog geen Koning is.

Artikel 32 - Inhuldiging Koning

Nadat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen, wordt hij zodra mogelijk beëdigd en ingehuldigd in de hoofdstad Amsterdam in een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Hij zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt. De wet stelt nadere regels vast.

Artikel 33 - Koningschap en meerderjarigheid

De Koning oefent het koninklijk gezag eerst uit, nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

Artikel 34 - Ouderlijk gezag minderjarige Koning

De wet regelt het ouderlijk gezag en de voogdij over de minderjarige Koning en het toezicht daarop. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 35 - Buiten staat verklaring

  1. Wanneer de ministerraad van oordeel is dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, bericht hij dit onder overlegging van het daartoe gevraagde advies van de Raad van State aan de Staten-Generaal, die daarop in verenigde vergadering bijeenkomen.

  2. Delen de Staten-Generaal dit oordeel, dan verklaren zij dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen. Deze verklaring wordt bekend gemaakt op last van de voorzitter der vergadering en treedt terstond in werking.

  3. Zodra de Koning weer in staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, wordt dit bij de wet verklaard. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Terstond na de bekendmaking van deze wet hervat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag.

  4. De wet regelt zo nodig het toezicht over de persoon van de Koning indien hij buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 36 - Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag

De Koning kan de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk neerleggen en die uitoefening hervatten krachtens een wet, waarvan het voorstel door of vanwege hem wordt ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 37 - Uitoefening koninklijk gezag door regent

  1. Het koninklijk gezag wordt uitgeoefend door een regent:
    a. zolang de Koning de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt;
    b. indien een nog niet geboren kind tot het koningschap geroepen kan zijn;
    c. indien de Koning buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen;
    d. indien de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk heeft neergelegd;
    e. zolang na het overlijden van de Koning of na diens afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt.

  2. De regent wordt benoemd bij de wet. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  3. In de gevallen, genoemd in het eerste lid onder c en d, is de nakomeling van de Koning die zijn vermoedelijke opvolger is, van rechtswege regent indien hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

  4. De regent zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt, in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal. De wet geeft nadere regels omtrent het regentschap en kan voorzien in de opvolging en de vervanging daarin. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  5. Op de regent zijn de artikelen 35 en 36 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38 - Uitoefening koninklijk gezag door RvS

Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk gezag is voorzien, wordt dit uitgeoefend door de Raad van State.

Artikel 39 - Lidmaatschap koninklijk huis

De wet regelt, wie lid is van het koninklijk huis.

Artikel 40 - Uitkering koninklijk huis

  1. De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het Rijk uitkeringen naar regels bij de wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het koninklijk huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen.

  2. De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, zijn vrij van persoonlijke belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of zijn vermoedelijke opvolger krachtens erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van het koninklijk huis vrij van de rechten van successie, overgang en schenking. Verdere vrijdom van belasting kan bij de wet worden verleend.

  3. De kamers der Staten-Generaal kunnen voorstellen van in de vorige leden bedoelde wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 41 - Inrichting huis Koning

De Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis in.

Artikel 42 - Ministeriële verantwoordelijkheid

  1. De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.

  2. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.

Artikel 43 - Regering en ministers

De minister-president en de overige ministers worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.

Artikel 44 - Ministeries

  1. Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.

  2. Ook kunnen ministers worden benoemd die niet belast zijn met de leiding van een ministerie.

Artikel 45 - Ministerraad

  1. De ministers vormen te zamen de ministerraad.

  2. De minister-president is voorzitter van de ministerraad.

  3. De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid.

Artikel 46 - Staatssecretarissen

  1. Bij koninklijk besluit kunnen staatssecretarissen worden benoemd en ontslagen.

  2. Een staatssecretaris treedt in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister.

Artikel 47 - Ondertekening en contraseign

Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.

Artikel 48 - Ontslag en benoeming ministers

Het koninklijk besluit waarbij de minister-president wordt benoemd, wordt mede door hem ondertekend. De koninklijke besluiten waarbij de overige ministers en de staatssecretarissen worden benoemd of ontslagen, worden mede door de minister-president ondertekend.

Artikel 49 - Ambtseed minister en staatssecretaris

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de ministers en de staatssecretarissen bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.
HOOFDSTUK 3

Staten-Generaal INLEIDING

Artikel 50 - Vertegenwoordiging

De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk.

Artikel 51 - Eerste en Tweede Kamer

  1. De Staten-Generaal bestaan uit de Tweede Kamer en de Eerste Kamer.

  2. De Tweede Kamer bestaat uit honderdvijftig leden.

  3. De Eerste Kamer bestaat uit vijfenzeventig leden.

  4. Bij een verenigde vergadering worden de kamers als één beschouwd.

Artikel 52 - Zittingsduur

  1. De zittingsduur van beide kamers is vier jaren.
  2. Indien voor de provinciale staten bij de wet een andere zittingsduur dan vier jaren wordt vastgesteld, wordt daarbij de zittingsduur van de Eerste Kamer in overeenkomstige zin gewijzigd.

Artikel 53 - Evenredige vertegenwoordiging

  1. De leden van beide kamers worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  2. De verkiezingen worden gehouden bij geheime stemming.

Artikel 54 - Verkiezing Tweede Kamer

  1. De leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen ten aanzien van Nederlanders die geen ingezetenen zijn.

  2. Van het kiesrecht is uitgesloten hij die wegens het begaan van een daartoe bij de wet aangewezen delict bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste een jaar en hierbij tevens is ontzet van het kiesrecht.

Artikel 55 - Verkiezing Eerste Kamer

De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten. De verkiezing wordt, behoudens in geval van ontbinding der kamer, gehouden binnen drie maanden na de verkiezing van de leden van provinciale staten.

Artikel 56 - Vereisten voor lidmaatschap

Om lid van de Staten-Generaal te kunnen zijn is vereist dat men Nederlander is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.

Artikel 57 - Incompatibiliteiten

  1. Niemand kan lid van beide kamers zijn.

  2. Een lid van de Staten-Generaal kan niet tevens zijn minister, staatssecretaris, lid van de Raad van State, lid van de Algemene Rekenkamer, Nationale ombudsman of substituut-ombudsman, of lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij de Hoge Raad.

  3. Niettemin kan een minister of staatssecretaris, die zijn ambt ter beschikking heeft gesteld, dit ambt verenigen met het lidmaatschap van de Staten-Generaal, totdat omtrent die beschikbaarstelling is beslist.

  4. De wet kan ten aanzien van andere openbare betrekkingen bepalen dat zij niet gelijktijdig met het lidmaatschap van de Staten-Generaal of van een der kamers kunnen worden uitgeoefend.

Artikel 57a - Zwangerschap en ziekte

De wet regelt de tijdelijke vervanging van een lid van de Staten-Generaal wegens zwangerschap en bevalling, alsmede wegens ziekte.

Artikel 58 - Geloofsbrieven

Elke kamer onderzoekt de geloofsbrieven van haar nieuwbenoemde leden en beslist met inachtneming van bij de wet te stellen regels de geschillen welke met betrekking tot de geloofsbrieven of de verkiezing zelf rijzen.

Artikel 59 - Kiesrecht en verkiezingen

Alles, wat verder het kiesrecht en de verkiezingen betreft, wordt bij de wet geregeld.

Artikel 60 - Ambtsaanvaarding

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de leden van de kamers bij de aanvaarding van hun ambt in de vergadering een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

Artikel 61 - Voorzitter en griffier

  1. Elk der kamers benoemt uit de leden een voorzitter.

  2. Elk der kamers benoemt een griffier. Deze en de overige ambtenaren van de kamers kunnen niet tevens lid van de Staten-Generaal zijn.

Artikel 62 - Verenigde vergadering

De voorzitter van de Eerste Kamer heeft de leiding van de verenigde vergadering.

Artikel 63 - Geldelijke voorzieningen

Geldelijke voorzieningen ten behoeve van leden en gewezen leden van de Staten-Generaal en van hun nabestaanden worden bij de wet geregeld. De kamers kunnen een voorstel van wet ter zake alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 64 - Ontbinding Kamers

  1. Elk der kamers kan bij koninklijk besluit worden ontbonden.

  2. Het besluit tot ontbinding houdt tevens de last in tot een nieuwe verkiezing voor de ontbonden kamer en tot het samenkomen van de nieuw gekozen kamer binnen drie maanden.

  3. De ontbinding gaat in op de dag waarop de nieuw gekozen kamer samenkomt.

  4. De wet stelt de zittingsduur van een na ontbinding optredende Tweede Kamer vast; de termijn mag niet langer zijn dan vijf jaren. De zittingsduur van een na ontbinding optredende Eerste Kamer eindigt op het tijdstip waarop de zittingsduur van de ontbonden kamer zou zijn geëindigd.

Artikel 65 - Troonrede

Jaarlijks op de derde dinsdag van september of op een bij de wet te bepalen eerder tijdstip wordt door of namens de Koning in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal een uiteenzetting van het door de regering te voeren beleid gegeven.

Artikel 66 - Openbaarheid vergaderingen

  1. De vergaderingen van de Staten-Generaal zijn openbaar.

  2. De deuren worden gesloten, wanneer een tiende deel van het aantal aanwezige leden het vordert of de voorzitter het nodig oordeelt.

  3. Door de kamer, onderscheidenlijk de kamers in verenigde vergadering, wordt vervolgens beslist of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd en besloten.

Artikel 67 - Quorum

  1. De kamers mogen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering alleen beraadslagen of besluiten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden ter vergadering aanwezig is.

  2. Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen.

  3. De leden stemmen zonder last.

  4. Over zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, wanneer één lid dit verlangt.

Artikel 68 - Inlichtingenplicht bewindslieden

De ministers en de staatssecretarissen geven de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat.

Artikel 69 - Aanwezigheid bewindslieden

  1. De ministers en de staatssecretarissen hebben toegang tot de vergaderingen en kunnen aan de beraadslaging deelnemen.

  2. Zij kunnen door de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn.

  3. Zij kunnen zich in de vergaderingen doen bijstaan door de personen, daartoe door hen aangewezen.

Artikel 70 - Recht van enquête

Beide kamers hebben, zowel ieder afzonderlijk als in verenigde vergadering, het recht van onderzoek (enquête), te regelen bij de wet.

Artikel 71 - Parlementaire onschendbaarheid

De leden van de Staten-Generaal, de ministers, de staatssecretarissen en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging, kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergaderingen van de Staten-Generaal of van commissies daaruit hebben gezegd of aan deze schriftelijk hebben overgelegd.

Artikel 72 - Reglement van orde

De kamers stellen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering een reglement van orde vast.

HOOFDSTUK 4

Adviesorganen INLEIDING

Artikel 73 - Taak Raad van State

  1. De Raad van State of een afdeling van de Raad wordt gehoord over voorstellen van wet en ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur, alsmede over voorstellen tot goedkeuring van verdragen door de Staten-Generaal. In bij de wet te bepalen gevallen kan het horen achterwege blijven.

  2. De Raad of een afdeling van de Raad is belast met het onderzoek van de geschillen van bestuur die bij koninklijk besluit worden beslist en draagt de uitspraak voor.

  3. De wet kan aan de Raad of een afdeling van de Raad de uitspraak in geschillen van bestuur opdragen.

Artikel 74 - Rechtspositie leden

  1. De Koning is voorzitter van de Raad van State. De vermoedelijke opvolger van de Koning heeft na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar van rechtswege zitting in de Raad. Bij of krachtens de wet kan aan andere leden van het koninklijk huis zitting in de Raad worden verleend.

  2. De leden van de Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  3. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  4. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Raad worden geschorst of ontslagen.

  5. De wet regelt overigens hun rechtspositie

Artikel 75 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Raad van State.

  2. Bij de wet kunnen aan de Raad of een afdeling van de Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 76 - Algemene rekenkamer

De Algemene Rekenkamer is belast met het onderzoek van de ontvangsten en uitgaven van het Rijk.

Artikel 77 - Rechtpositie leden rekenkamer

  1. De leden van de Algemene Rekenkamer worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Hoge Raad worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 78 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Algemene Rekenkamer.

  2. Bij de wet kunnen aan de Algemene Rekenkamer ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 78a - Nationale ombudsman

  1. De Nationale ombudsman verricht op verzoek of uit eigen beweging onderzoek naar gedragingen van bestuursorganen van het Rijk en van andere bij of krachtens de wet aangewezen bestuursorganen.
  2. De Nationale ombudsman en een substituut-ombudsman worden voor een bij de wet te bepalen termijn benoemd door de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Tweede Kamer der Staten-Generaal worden geschorst of ontslagen. De wet regelt overigens hun rechtspositie.
  3. De wet regelt de bevoegdheid en werkwijze van de Nationale ombudsman.
  4. Bij of krachtens de wet kunnen aan de Nationale ombudsman ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 79 - Vaste colleges van advies

  1. Vaste colleges van advies in zaken van wetgeving en bestuur van het Rijk worden ingesteld bij of krachtens de wet.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van deze colleges.

  3. Bij of krachtens de wet kunnen aan deze colleges ook andere dan adviserende taken worden opgedragen.

Artikel 80 - Openbaarmaking advies

  1. De adviezen van de in dit hoofdstuk bedoelde colleges worden openbaar gemaakt volgens regels bij de wet te stellen.

  2. Adviezen, uitgebracht ter zake van voorstellen van wet die door of vanwege de Koning worden ingediend, worden, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen, aan de Staten-Generaal overgelegd.

HOOFDSTUK 5

Wetgeving en bestuur INLEIDING

Artikel 81 - Wetgevende macht

De vaststelling van wetten geschiedt door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk.

Artikel 82 - Indienen wetsvoorstel

  1. Voorstellen van wet kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Voorstellen van wet waarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en, voor zover de betreffende artikelen van hoofdstuk 2 dit toelaten, door de verenigde vergadering.

  3. Voorstellen van wet, in te dienen door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering, worden bij haar door een of meer leden aanhangig gemaakt.

Artikel 83 - Toezending wetsvoorstel TK

Voorstellen van wet, ingediend door of vanwege de Koning, worden gezonden aan de Tweede Kamer of, indien daarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, aan deze vergadering.

Artikel 84 - Wijziging wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet, ingediend door of vanwege de Koning, niet door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering is aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en vanwege de regering worden gewijzigd.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden gewijzigd.

Artikel 85 - Toezending wetsvoorstel EK

Zodra de Tweede Kamer een voorstel van wet heeft aangenomen of tot indiening van een voorstel heeft besloten, zendt zij het aan de Eerste Kamer, die het voorstel overweegt zoals het door de Tweede Kamer aan haar is gezonden. De Tweede Kamer kan een of meer van haar leden opdragen een door haar ingediend voorstel in de Eerste Kamer te verdedigen.

Artikel 86 - Intrekking wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet niet door de Staten-Generaal is aangenomen, kan het door of vanwege de indiener worden ingetrokken.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden ingetrokken.

Artikel 87 - Aanneming en bekrachtiging

  1. Een voorstel wordt wet, zodra het door de Staten-Generaal is aangenomen en door de Koning is bekrachtigd.

  2. De Koning en de Staten-Generaal geven elkaar kennis van hun besluit omtrent enig voorstel van wet.

Artikel 88 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de wetten. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 89 - Algemene maatregel van bestuur

  1. Algemene maatregelen van bestuur worden bij koninklijk besluit vastgesteld.

  2. Voorschriften, door straffen te handhaven, worden daarin alleen gegeven krachtens de wet. De wet bepaalt de op te leggen straffen.

  3. De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de algemene maatregelen van bestuur. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

  4. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op andere vanwege het Rijk vastgestelde algemeen verbindende voorschriften.

Artikel 90 - Bevordering internationale rechtsorde

De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde.

Artikel 91 - Goedkeuring verdrag

  1. Het Koninkrijk wordt niet aan verdragen gebonden en deze worden niet opgezegd zonder voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. De wet bepaalt de gevallen waarin geen goedkeuring is vereist.

  2. De wet bepaalt de wijze waarop de goedkeuring wordt verleend en kan voorzien in stilzwijgende goedkeuring.

  3. Indien een verdrag bepalingen bevat welke afwijken van de Grondwet dan wel tot zodanig afwijken noodzaken, kunnen de kamers de goedkeuring alleen verlenen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 92 - Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties

Met inachtneming, zo nodig, van het bepaalde in artikel 91, derde lid, kunnen bij of krachtens verdrag aan volkenrechtelijke organisaties bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak worden opgedragen.

Artikel 93 - Verbindende kracht verdrag

Bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 94 - Verdrag boven wet

Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 95 - Bekendmaking verdrag

De wet geeft regels omtrent de bekendmaking van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 96 - Oorlogsverklaring

  1. Het Koninkrijk wordt niet in oorlog verklaard dan na voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal.

  2. De toestemming is niet vereist, wanneer het overleg met de Staten-Generaal ten gevolge van een feitelijk bestaande oorlogstoestand niet mogelijk is gebleken.

  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  4. Het bepaalde in het eerste en het derde lid is van overeenkomstige toepassing voor een verklaring dat een oorlog beëindigd is.

Artikel 97 - Krijgsmacht

  1. Ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk, alsmede ten behoeve van de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde, is er een krijgsmacht.

  2. De regering heeft het oppergezag over de krijgsmacht.

Artikel 98 - Samenstelling krijgsmacht

  1. De krijgsmacht bestaat uit vrijwillig dienenden en kan mede bestaan uit dienstplichtigen.

  2. De wet regelt de verplichte militaire dienst en de bevoegdheid tot opschorting van de oproeping in werkelijke dienst.

Artikel 99 - Gewetensbezwaren militaire dienst

De wet regelt vrijstelling van militaire dienst wegens ernstige gewetensbezwaren.

Artikel 99a - Civiele verdediging

Volgens bij de wet te stellen regels kunnen plichten worden opgelegd ten behoeve van de civiele verdediging.

Artikel 100 - Inlichtingen over krijgsmacht

  1. De regering verstrekt de Staten-Generaal vooraf inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. Daaronder is begrepen het vooraf verstrekken van inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht voor humanitaire hulpverlening in geval van gewapend conflict.

  2. Het eerste lid geldt niet, indien dwingende redenen het vooraf verstrekken van inlichtingen verhinderen. In dat geval worden inlichtingen zo spoedig mogelijk verstrekt.

Artikel 101 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 20 juli 1995

Artikel 102 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 22 juni 2000

Artikel 103 - Uitzonderingstoestand

  1. De wet bepaalt in welke gevallen ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid bij koninklijk besluit een door de wet als zodanig aan te wijzen uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd; zij regelt de gevolgen.

  2. Daarbij kan worden afgeweken van de grondwetsbepalingen inzake de bevoegdheden van de besturen van provincies, gemeenten en waterschappen, van de grondrechten geregeld in de artikelen 6, voor zover dit de uitoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen van het in dit artikel omschreven recht betreft, 7, 8, 9, 12, tweede en derde lid, en 13, alsmede van artikel 113, eerste en derde lid.

  3. Terstond na de afkondiging van een uitzonderingstoestand en voorts, zolang deze niet bij koninklijk besluit is opgeheven, telkens wanneer zij zulks nodig oordelen beslissen de Staten-Generaal omtrent het voortduren daarvan; zij beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 104 - Belastingheffing

Belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet. Andere heffingen van het Rijk worden bij de wet geregeld.

 
 

Artikel 105 - Recht van begroting

  1. De begroting van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt bij de wet vastgesteld.

  2. Jaarlijks worden voorstellen van algemene begrotingswetten door of vanwege de Koning ingediend op het in artikel 65 bedoelde tijdstip.

  3. De verantwoording van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt aan de Staten-Generaal gedaan overeenkomstig de bepalingen van de wet. De door de Algemene Rekenkamer goedgekeurde rekening wordt aan de Staten-Generaal overgelegd.

  4. De wet stelt regels omtrent het beheer van de financiën van het Rijk.

Artikel 106 - Geldstelsel

De wet regelt het geldstelsel.

Artikel 107 - Codificatie

  1. De wet regelt het burgerlijk recht, het strafrecht en het burgerlijk en strafprocesrecht in algemene wetboeken, behoudens de bevoegdheid tot regeling van bepaalde onderwerpen in afzonderlijke wetten.

  2. De wet stelt algemene regels van bestuursrecht vast.

Artikel 108 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 25 februari 1999

Artikel 109 - Rechtspositie ambtenaren

De wet regelt de rechtspositie van de ambtenaren. Zij stelt tevens regels omtrent hun bescherming bij de arbeid en omtrent medezeggenschap.

 

Artikel 110 - Openbaarheid van bestuur

De overheid betracht bij de uitvoering van haar taak openbaarheid volgens regels bij de wet te stellen.

 

Artikel 111 - Ridderorden

Ridderorden worden bij de wet ingesteld.
HOOFDSTUK 6

Rechtspraak INLEIDING

Artikel 112 - Civiele en administratieve rechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is opgedragen de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen.

  2. De wet kan de berechting van geschillen die niet uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, opdragen hetzij aan de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren. De wet regelt de wijze van behandeling en de gevolgen van de beslissingen.

Artikel 113 - Strafrechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van strafbare feiten.

  2. Tuchtrechtspraak door de overheid ingesteld wordt bij de wet geregeld.

  3. Een straf van vrijheidsontneming kan uitsluitend door de rechterlijke macht worden opgelegd.

  4. Voor berechting buiten Nederland en voor het oorlogsstrafrecht kan de wet afwijkende regels stellen.

Artikel 114 - Doodstraf

De doodstraf kan niet worden opgelegd.

Artikel 115 - Administratief beroep

Ten aanzien van de in artikel 112, tweede lid, bedoelde geschillen kan administratief beroep worden opengesteld.

Artikel 116 - Rechterlijke macht

  1. De wet wijst de gerechten aan die behoren tot de rechterlijke macht.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de rechterlijke macht.

  3. De wet kan bepalen, dat aan rechtspraak door de rechterlijke macht mede wordt deelgenomen door personen die niet daartoe behoren.

  4. De wet regelt het toezicht door leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast uit te oefenen op de ambtsvervulling door zodanige leden en door de personen bedoeld in het vorige lid.

Artikel 117 - Rechtspositie leden rechterlijke macht

  1. De leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal bij de Hoge Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet bepaald kunnen zij door een bij de wet aangewezen, tot de rechterlijke macht behorend gerecht worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 118 - Hoge Raad

  1. De leden van de Hoge Raad der Nederlanden worden benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. De Hoge Raad is in de gevallen en binnen de grenzen bij de wet bepaald, belast met de cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van het recht.

  3. Bij de wet kunnen aan de Hoge Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 119 - Ambtsmisdrijven

De leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreden terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.

Artikel 120 - Toetsingsverbod

De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.

Artikel 121 - Openbaarheid terechtzittingen

Met uitzondering van de gevallen bij de wet bepaald vinden de terechtzittingen in het openbaar plaats en houden de vonnissen de gronden in waarop zij rusten. De uitspraak geschiedt in het openbaar.

Artikel 122 - Gratie

  1. Gratie wordt verleend bij koninklijk besluit na advies van een bij de wet aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.

  2. Amnestie wordt bij of krachtens de wet verleend.

HOOFDSTUK 7

Decentralisatie INLEIDING

Artikel 123 - Instelling provincies en gemeenten

  1. Bij de wet kunnen provincies en gemeenten worden opgeheven en nieuwe ingesteld.

  2. De wet regelt de wijziging van provinciale en gemeentelijke grenzen.

Artikel 124 - Autonomie en medebewind

  1. Voor provincies en gemeenten wordt de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake hun huishouding aan hun besturen overgelaten.

  2. Regeling en bestuur kunnen van de besturen van provincies en gemeenten worden gevorderd bij of krachtens de wet.

Artikel 125 - Organen decentrale besturen

  1. Aan het hoofd van de provincie en de gemeente staan provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad. Hun vergaderingen zijn openbaar, behoudens bij de wet te regelen uitzonderingen.

  2. Van het bestuur van de provincie maken ook deel uit gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning, van het bestuur van de gemeente het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester.

Artikel 126 - Ambtsinstructie commissaris koning

Bij de wet kan worden bepaald, dat de commissaris van de Koning wordt belast met de uitvoering van een door de regering te geven ambtsinstructie.

Artikel 127 - Vaststelling verordening

Provinciale staten en de gemeenteraad stellen, behoudens bij de wet of door hen krachtens de wet te bepalen uitzonderingen, de provinciale onderscheidenlijk de gemeentelijke verordeningen vast.

Artikel 128 - Toekenning bevoegdheden

Behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 123, kan de toekenning van bevoegdheden, als bedoeld in artikel 124, eerste lid, aan andere organen dan die, genoemd in artikel 125, alleen door provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad geschieden.

Artikel 129 - Verkiezing vertegenwoordigend orgaan

  1. De leden van provinciale staten en van de gemeenteraad worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders, tevens ingezetenen van de provincie onderscheidenlijk de gemeente, die voldoen aan de vereisten die gelden voor de verkiezing van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Voor het lidmaatschap gelden dezelfde vereisten.
  2. De leden worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  3. De artikelen 53, tweede lid, en 59 zijn van toepassing. Artikel 57a is van overeenkomstige toepassing.
  4. De zittingsduur van provinciale staten en de gemeenteraad is vier jaren, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen.
  5. De wet bepaalt welke betrekkingen niet gelijktijdig met het lidmaatschap kunnen worden uitgeoefend. De wet kan bepalen, dat beletselen voor het lidmaatschap voortvloeien uit verwantschap of huwelijk en dat het verrichten van bij de wet aangewezen handelingen tot het verlies van het lidmaatschap kan leiden.
  6. De leden stemmen zonder last.

Artikel 130 - Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders

De wet kan het recht de leden van de gemeenteraad te kiezen en het recht lid van de gemeenteraad te zijn toekennen aan ingezetenen, die geen Nederlander zijn, mits zij tenminste voldoen aan de vereisten die gelden voor ingezetenen die tevens Nederlander zijn.

Artikel 131 - Benoeming commissaris Koning

De commissaris van de Koning en de burgemeester worden bij koninklijk besluit benoemd.

Artikel 132 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen

  1. De wet regelt de inrichting van provincies en gemeenten, alsmede de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen.

  2. De wet regelt het toezicht op deze besturen.

  3. Besluiten van deze besturen kunnen slechts aan voorafgaand toezicht worden onderworpen in bij of krachtens de wet te bepalen gevallen.

  4. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden bij koninklijk besluit wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

  5. De wet regelt de voorzieningen bij in gebreke blijven ten aanzien van regeling en bestuur, gevorderd krachtens artikel 124, tweede lid. Bij de wet kunnen met afwijking van de artikelen 125 en 127 voorzieningen worden getroffen voor het geval het bestuur van een provincie of een gemeente zijn taken grovelijk verwaarloost.

  6. De wet bepaalt welke belastingen door de besturen van provincies en gemeenten kunnen worden geheven en regelt hun financiële verhouding tot het Rijk.

Artikel 133 - Waterschappen

  1. De opheffing en instelling van waterschappen, de regeling van hun taken en inrichting, alsmede de samenstelling van hun besturen, geschieden volgens bij de wet te stellen regels bij provinciale verordening, voor zover bij of krachtens de wet niet anders is bepaald.

  2. De wet regelt de verordenende en andere bevoegdheden van de besturen van de waterschappen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen.

  3. De wet regelt het provinciale en overige toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 134 - Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

  1. Bij of krachtens de wet kunnen openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere openbare lichamen worden ingesteld en opgeheven.

  2. De wet regelt de taken en de inrichting van deze openbare lichamen, de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen. Bij of krachtens de wet kan aan hun besturen verordenende bevoegdheid worden verleend.

  3. De wet regelt het toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 135 - Gemeenschappelijke regelingen

De wet geeft regels ter voorziening in zaken waarbij twee of meer openbare lichamen zijn betrokken. Daarbij kan in de instelling van een nieuw openbaar lichaam worden voorzien, in welk geval artikel 134, tweede en derde lid, van toepassing is.

Artikel 136 - Geschillen

De geschillen tussen openbare lichamen worden bij koninklijk besluit beslist, tenzij deze behoren tot de kennisneming van de rechterlijke macht of hun beslissing bij de wet aan anderen is opgedragen.
HOOFDSTUK 8

Herziening grondwet INLEIDING

Artikel 137 - Grondwetswijziging

  1. De wet verklaart, dat een verandering in de Grondwet, zoals zij die voorstelt, in overweging zal worden genomen.

  2. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, een voorstel voor zodanige wet splitsen.

  3. Na de bekendmaking van de wet, bedoeld in het eerste lid, wordt de Tweede Kamer ontbonden.

  4. Nadat de nieuwe Tweede Kamer is samengekomen, overwegen beide kamers in tweede lezing het voorstel tot verandering, bedoeld in het eerste lid. Zij kunnen dit alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  5. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen een voorstel tot verandering splitsen.

Artikel 138 - Aanpassing niet gewijzigde bepalingen

  1. Voordat de in tweede lezing aangenomen voorstellen tot verandering in de Grondwet door de Koning worden bekrachtigd, kunnen bij de wet:

    a. de aangenomen voorstellen en de ongewijzigd gebleven bepalingen van de Grondwet voor zoveel nodig aan elkaar worden aangepast;

    b. de indeling in en de plaats van hoofdstukken, paragrafen en artikelen, alsmede de opschriften worden gewijzigd.

  2. Een voorstel van wet, houdende voorzieningen als bedoeld in het eerste lid onder a, kunnen de kamers alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 139 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De veranderingen in de Grondwet, door de Staten-Generaal aangenomen en door de Koning bekrachtigd, treden terstond in werking, nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 140 - Handhaving bestaande regelgeving

Bestaande wetten en andere regelingen en besluiten die in strijd zijn met een verandering in de Grondwet, blijven gehandhaafd, totdat daarvoor overeenkomstig de Grondwet een voorziening is getroffen.

Artikel 141 - Bekendmaking herziene Grondwet

De tekst van de herziene Grondwet wordt bij koninklijk besluit bekendgemaakt, waarbij hoofdstukken, paragrafen en artikelen kunnen worden vernummerd en verwijzingen dienovereenkomstig kunnen worden veranderd.

Artikel 142 - Aanpassing Grondwet aan Statuut

De Grondwet kan bij de wet met het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in overeenstemming worden gebracht. De artikelen 139, 140 en141 zijn van overeenkomstige toepassing.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels

ARTIKEL 12 - Binnentreden woning

INHOUD
  1. Reikwijdte artikel 12 als grondwetsbepaling: huisrecht
  2. Historische ontwikkeling
  3. Eerste lid: enkele begrippen en delegatiemogelijkheden
  4. Tweede lid: Vormvereisten voorafgaand aan binnentreden
  5. Derde lid: Vormvereiste na afloop van binnentreden
  6. Wetgeving
  7. Horizontale werking van artikel 12 Grondwet
  8. Artikel 12 Grondwet in relatie tot de kraker
  9. Jurisprudentie
  10. Literatuur
  11. Historische versies
 

Editie januari 2014[1]

1. Reikwijdte artikel 12 als grondwetsbepaling:
    huisrecht

Het huisrecht is, net als het recht op bescherming van de integriteit van het lichaam (artikel 11) en het brief- en telefoongeheim (artikel 13), een uitwerking van het algemene recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer (artikel 10). In die zin is artikel 12 een lex specialis ten opzichte van de generalis artikel 10 Gw. Het begrip `huisrecht' doelt op de constitutionele waarborg tegen inbreuk door de overheid op de huisvrede. De huisvrede betreft de ongestoorde rust en vrede binnen de woning.[2]
 
Naarmate de technologische ontwikkelingen toenemen, wordt er meer aandacht besteed aan de risico’s hiervan voor de privacy in het algemeen en het huisrecht in het bijzonder. Reeds in 2005 schreven Koops en Prinsen dat ‘het huis steeds elektronischer [wordt] en langzaamaan [wordt] ingebed in een intern en extern computernetwerk. Als de scheiding tussen huis en buitenwereld vervaagt, zijn de fysieke muren niet langer een daadwerkelijke afscherming van binnenshuis en buitenshuis’. Wat binnen de woning gebeurt, kan ook van buitenaf steeds makkelijker gevolgd en vastgelegd worden. Voor Koops en Prinsen maakt het voor de bescherming van de privacy van het huiselijke leven weinig uit of de persoonlijke levenssfeer wordt geschonden door binnendringende lichaamsdelen in de woning of door kennisneming van buitenaf. Zij pleiten voor een elektronisch huisrecht en aanpassing van artikel 12.[3]In tegenstelling tot de voorstellen tot herzieningen in het verleden, waarbij het steeds ging om aanpassing van artikel 12 aan de praktijk, bepleiten Koops en Prinsen voor het eerst om aanpassing van artikel 12 om juist de onschendbaarheid van het privéleven binnen de woning beter te beschermen.
 
Zover is het nog niet, maar er zijn wel verschuivingen in de reikwijdte van het huisrecht dat artikel 12 beoogt te beschermen. De Hoge Raad heeft in het bekende ‘arm-arrest’ geoordeeld dat het bij binnentreden moet gaan om een menselijke handeling.[4] Het gaat om het geheel of gedeeltelijk, fysiek binnentreden, al dan niet met gebruik van geweld.[5] Het is daarbij voldoende dat de functionaris met één ledemaat de woning betreedt.[6]
 
Zoals hierboven is vermeld kan de overheid ook van buitenaf op diverse manieren kennis nemen van het leven dat zich binnen de woning afspeelt en aldus van buitenaf een inbreuk maken op de huisvrede. De overheid hoeft niet meer fysiek binnen te treden om opsporingshandelingen te verrichten en/of bepaalde aspecten van iemands leven waar te nemen. We denken daarbij aan richtmicrofoons, het op afstand binnendringen in een computer, het hacken van een computer en het op afstand aanzetten van bijvoorbeeld de ingebouwde camera van de computer.
 
De wetgever heeft bepaald dat het opnemen van vertrouwelijke communicatie gelijk staat aan het binnentreden in de woning ter plaatsing van afluisterapparatuur.[7] Ook het stelselmatig van buitenaf observeren van wat zich binnen de woning afspeelt, wordt gelijk gesteld aan het binnentreden van een woning.[8] De vraagt rijst of beide activiteiten onder artikel 12 vallen, nu enerzijds de wetgever aangeeft dat beide activiteiten gelijk gesteld worden aan binnentreden, maar anderzijds beide activiteiten geen fysiek binnentreden in de woning behelzen. Nu artikel 12 de huisvrede beoogt te beschermen tegen inbreuken van buitenaf, zoals de Hoge Raad heeft aangegeven in het arm-arrest, zijn wij van mening dat de vraag positief beantwoord dient te worden. De bescherming tegen het onnodig en willekeurig binnentreden van een woning zonder toestemming mag niet omzeild worden door middel van technologie, die (per definitie) heimelijk wordt ingezet. Artikel 12 dient hiertegen bescherming te bieden, door middel van het formuleren van specifieke waarborgen.
 
De afbakening tussen het algemene begrip privacy en het enger geformuleerd begrip huisvrede wordt steeds lastiger te maken, naarmate de technologie zich verder ontwikkelt. Naar onze mening valt de grens tussen de bescherming van de generalis artikel 10 en de specialis artikel 12 te liggen bij de weliswaar steeds glaziger wordende muren van de woning. Indien zonder toestemming van de bewoner van buitenaf een inbreuk op de huisvrede wordt gemaakt, ongeacht of dit een fysieke of digitale inbreuk is, dient artikel 12 bescherming te bieden.

2. Historische ontwikkeling

Het huisrecht werd, als oudste onderdeel van de juridische bescherming van het privéleven[9], voor het eerst wettelijk geregeld in artikel 39 van de Staatsregeling van 1798. Sindsdien heeft het huisrecht met onderbreking van de Grondwet 1814 voortdurend in de Grondwet gestaan.
 
Vanaf 1815 was het huisrechtartikel negatief geformuleerd: niemand mocht de woning van een ingezetene zijns ondanks binnentreden, tenzij voorzien van een last en volgens bepaalde vormen. Artikel 158 Gw 1887 draaide de zaak om en meldde positief geformuleerd, dat het binnentreden onder bepaalde voorwaarden wel was toegestaan. Geconcludeerd kan worden dat de bescherming van het grondrecht op onschendbaarheid van het privéleven binnen de woning sinds 1815 niet absoluut is.[10] Ingevolge artikel 12 Gw bepaalt de wet of een gedelegeerde regeling in welke gevallen er door wie tegen de wil van de bewoner in een woning kan worden binnengetreden. Het tweede lid stelt enige vormvereisten aan zo'n binnentreding tegen de wil van de bewoner en het derde lid stelt een vormvereiste na afloop van het binnentreden. Aldus biedt deze bepaling wel enige duidelijkheid over de eisen die aan rechtmatig binnentreden tegen de wil van de bewoner worden gesteld, maar niet over de inhoud van het huisrecht als zodanig. Het huisrecht is niet meer dan een waarborg tegen onnodig of willekeurig binnentreden van woningen.[11]
 
In 1983 is artikel 12 opnieuw herzien. De wijzigingen die bij die herziening ten opzichte van de voorganger van artikel 12 Gw, artikel 172 Gw 1972, zijn aangebracht, werden door de regering in haar memorie van toelichting gemotiveerd met de stelling dat sinds de totstandkoming van artikel 172 Gw in 1887 in wetgeving en rechtspraktijk veranderingen hadden plaatsgevonden, die tot gevolg hebben gehad, dat de tekst van het oude artikel niet meer in alle opzichten op een bevredigende wijze met de bestaande werkelijkheid correspondeerde.[12] Wijzigingen in de grondwetsbepalingen over het huisrecht waren sinds 1887 over het algemeen eerder op aanpassing van het grondwetsartikel aan de praktijk gericht dan op het bereiken van betere bescherming van de onschendbaarheid van het privéleven binnen de woning.[13] Concreet hield de grondwetswijziging van artikel 12 in 1983 in dat de last verdween en dat de vormen, waaraan de uitoefening van deze bevoegdheid gebonden is, werden vastgelegd in artikel 12 zelf. Deze, in artikel 12, nieuw genoemde vormvereisten zijn de voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden, alsmede het verstrekken van een schriftelijk verslag van het binnentreden aan de bewoner na afloop van het binnentreden.
 
De herziening van artikel 12 in 1987 was nodig om tegemoet te komen aan problemen die in de praktijk waren gerezen met betrekking tot de ongeclausuleerde verplichting voor ambtenaren om aan de vereisten van artikel 12, tweede lid, te voldoen in situaties waarin snel binnentreden vereist was. Hoewel in theorie artikel 103 Gw in een uitzonderingstoestand afwijking van het voorschrift van het tweede en derde lid van artikel 12 toelaat, werd bij de herziening van 1987 de beperkingsclausule “behoudens bij de wet gestelde uitzonderingen” in artikel 12, tweede lid opgenomen, zodat de wet ook voor andere dan uitzonderingssituaties mogelijkheden tot afwijking van de in dat lid gestelde vormvereisten biedt. Zie daarover aantekening 5 sub b.
 
Vanwege het feit dat er een groot aantal wetten bestond waarin binnentredingsbepalingen waren opgenomen, waarbij de omstandigheden, redenen en vormvereisten met betrekking tot binnentreding per wet sterk verschilden, is in 1994 de Algemene wet op het binnentreden (hierna Awbi) ingevoerd.[14]In samenhang daarmee zijn de bestaande binnentredingsbepalingen in vele wetten herzien. Over de verhouding Grondwet, strafvorderlijke bepalingen en de Awbi wordt verwezen naar aantekening 7 sub a.
Tijdens de grondwetsherziening van 2002 is artikel 12 aangepast met het doel enkele onzekerheden, gelegen in de formulering van de zinsnede ‘tegen de wil van de bewoner’, weg te nemen. Daarnaast bleek de formulering van het vereiste om binnen redelijke termijn een schriftelijk verslag van het binnentreden aan de bewoners te verstrekken in de praktijk te absoluut, wat aanleiding gaf dit vereiste te verplaatsen naar het nieuw geformuleerde derde lid en te voorzien van een expliciete afstel- en uitstelmogelijkheid voor de formele wetgever voor bepaalde doeleinden.[15]

3. Eerste lid: enkele begrippen en
    delegatiemogelijkheden

In het eerste lid van artikel 12 is het huisrecht verwoord. Binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner kan alleen in die gevallen die bij of krachtens de wet zijn bepaald. Tot de grondwetswijziging van 1983 was vereist dat de gevallen waarin kon worden binnentreden bij wet waren bepaald. De formulering ‘bij wet bepaald’, strekt ertoe dat slechts de formele wetgever de gevallen mag aanwijzen waarbij kan worden binnengetreden. Omdat in de praktijk de meeste regelingen een min of meer algemeen kader schiepen waarbinnen binnentreden mogelijk was, koos de grondwetgever ervoor om na de wijziging van 1983 de formulering “bij of krachtens de wet” te hanteren. Bij deze formulering zijn zowel de formele wetgever als de andere regelgevers, mits de bevoegdheid door de formele wetgever voldoende specifiek aan hen is gedelegeerd, bevoegd om de gevallen waarin binnentreden is toegestaan in een regeling op te nemen.[16]Volgens de regering kon zo onzichtbare delegatie worden voorkomen en kwam het delegatieverbod in andere artikelen beter tot zijn recht.[17]Hoe concreet de gevallen, waarin binnengetreden kan worden tegen de wil van de bewoner, moeten worden aangeduid geeft de Grondwet niet aan. Het is dus aan de bevoegde organen, of de daarover oordelende rechter, om te bepalen of een wettelijke bepaling voldoende specifiek is om te kunnen dienen als rechtsgeldige titel tot binnentreden.
Ook ten aanzien van de personen die bevoegd zijn tot het binnentreden kan delegatie plaatsvinden. Daardoor is een nadere specificatie van de personen die mogen binnentreden in een aantal andere wetten en regelingen terug te vinden.[18]
 
Het eerste lid van artikel 12 valt uiteen in de volgende onderdelen: a) zonder toestemming, b) woning, c) bewoner, d) functionaris en e) binnentreden. Deze onderdelen worden hieronder nader toegelicht.
 
a. Zonder toestemming
 
Tot de grondwetsherziening van 2002 stond in artikel 12 “tegen de wil van de bewoner” in plaats van “zonder toestemming”. Daardoor kon onzekerheid ontstaan over de vraag of artikel 12 zich ook uitstrekt tot die situaties waarbij van overheidswege wordt binnengetreden in een woning en er geen expliciete weigering van de bewoner is of de bewoner niet aanwezig is in de woning.[19]De Hoge Raad was van oordeel dat voldoende was dat er geen weigering of verhindering had plaatsgevonden; van toestemming hoefde dus niet te zijn gebleken.[20]Om deze onzekerheid weg te nemen werd aansluiting gezocht bij het in de Awbi gehanteerde begrip “zonder toestemming van de bewoner”.[21] Artikel 12 biedt dus alleen bescherming in die gevallen waarin de woning zonder toestemming van de bewoner wordt betreden. Wanneer toestemming door de bewoner is verleend, biedt artikel 12 geen bescherming.
 
De toestemming van de bewoner moet “een kenbare uiting (…) zijn van zijn vrijelijk genomen beslissing om de ambtenaar binnen te laten”[22]. De toestemming ontbreekt in ieder geval wanneer de bewoner het binnentreden weigert, dan wel niet in de gelegenheid is om zijn toestemming al dan niet te geven. Ook in het geval de bewoner zich er niet bewust van is geweest dat hij toestemming verleent aan een overheidsfunctionaris om de woning te betreden, is er geen sprake van toestemming in de zin van artikel 12.[23]Tot slot kan het gebruik van bepaalde methodes om toegang te verkrijgen tot de woning meebrengen dat moet worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een vrijelijk genomen beslissing om de ambtenaar binnen te laten. Daarbij kan worden gedacht aan schreeuwen, met de brievenbus klepperen, met veel geüniformeerde functionarissen, waaronder politie, aanwezig zijn voor de woning, waardoor de bewoner sneller geneigd is de functionarissen binnen te laten om een einde te maken aan de publieke vertoning. Maar ook het betreden van de woning door de achterdeur of het omzeilen van de centrale hal, waardoor de bewoner wordt verrast door het bezoek van de functionaris kan leiden tot de conclusie dat er geen toestemming door de bewoner kan worden verleend.[24]
 
Indien men zonder toestemming van de bewoner zijn woning wil betreden, dient er een wettelijke grondslag te zijn en dient er aan de vormvoorschriften van artikel 12, tweede en derde lid te zijn voldaan.[25]
 
b. Woning
 
Het begrip woning kent vele definities.[26] Om vast te stellen of er sprake is van een woning kan gekeken worden naar de uiterlijke kenmerken van een ruimte, zoals bouw en eventuele inrichting, maar ook de werkelijke bestemming van een ruimte kan daarbij een rol spelen.[27]Mevis definieert een woning als elke plaats waar privé-huiselijk leven plaatsvindt en hanteert daarmee een subjectieve definitie van het begrip woning. Hij hecht daarbij grote waarde aan het gebruik van de ruimte. Daarnaast speelt ook de beleving van de gebruiker en diens verklaring een rol bij de vaststelling of sprake is van een woning.[28]
 
De wetgever hanteert een meer objectieve definitie van het begrip woning; de ruimte moet kenbaar zijn als woning. Het gaat daarbij om ruimtes die tot exclusief verblijf voor een persoon of voor een beperkt aantal in een gemeenschappelijke huishouding levende personen ingericht en bestemd is.[29]De woning hoeft zich daarbij niet per sé in een woonhuis te bevinden. Immers, we zijn in Nederland ook bekend met andersoortige woningen, zoals woonboten en woonwagens. [Maar ook in het geval van delen van een schip ingericht om te bewonen, een tent, een caravan,[30]een keet of een barak, mits als zodanig in gebruik, kan er sprake zijn van een woning in de zin van artikel 12.[31] Ook een kamer van een kamerbewoner[32]en onder omstandigheden een vakantiehuis[33] en hotelkamer[34], kunnen worden aangemerkt als woning.[35] Het dient dus in ieder geval te gaan om een van de buitenwereld afgesloten plaats waar het privéleven van iemand plaatsvindt of placht plaats te vinden.[36] De rechtmatigheid van het bewonen speelt daarbij geen rol. Een kraakpand kan dus onder artikel 12 Gw worden aangemerkt als woning.[37]
 
Tot een woning behoren in ieder geval niet de ruimtes die in zijn geheel niet voor bewoning bestemd zijn en door middel van een eigen ingang kunnen worden betreden. Zo is bijvoorbeeld een bedrijfshal in beginsel geen ruimte die is aan te merken als woning in de zin van artikel 12.[38]In dat geval zou een beroep kunnen worden gedaan op artikel 8 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna EVRM). Dit artikel hanteert een breder begrip, namelijk “home”, waaronder ook bedrijfs- en kantoorpanden kunnen vallen.[39]Ook een cel van een gevangenis valt voor de inrichtingsdirectie niet onder de definitie van woning, omdat een cel dient voor gedwongen huisvesting van een gedetineerde en hem op basis van de wet zijn vrijheid is ontnomen. In het kader van de taak van de directeur om de orde en veiligheid te handhaven in de inrichting, is het dan ook noodzakelijk dat hij en zijn personeel te allen tijde toegang tot de cel hebben voor onderzoek en blijft artikel 12 Gw in die gevallen buiten toepassing.[40] Een legerkamer van een kazerne is evenmin aan te merken als een woning.[41]
 
Het voor korte duur niet bewonen van een ruimte, zoals bijvoorbeeld bij vakantie of opname in een ziekenhuis, verandert het karakter van de woning niet. Dat kan anders zijn indien er langdurig geen gebruik wordt gemaakt van de woning.[42]Anderzijds is in het geval van het voor korte duur bewonen soms (nog) geen sprake van een woning. Bij een huurder die slechts enkele uren zijn nieuwe woning bewoont zal minder snel worden ontkend dat er sprake is van een woning, dan in het geval van een kraker.[43]
 
c. Bewoner
 
Alleen de bewoner kan toestemming verlenen om zijn woning binnen te treden. De betekenis van het begrip bewoner ligt in het verlengde van het begrip woning; het gaat om diegene die de woning in gebruik heeft. Er kan dus sprake zijn van meerdere bewoners van een woning.[44] Indien er sprake is van meerdere bewoners, dan prevaleert de weigering van één bewoner boven de verleende toestemming van de andere bewoners.[45] De functionaris mag er vanuit gaan dat degene die hem te woord staat ook de bewoner is van de woning of gemachtigd is om namens de bewoner te spreken.[46]
 
In beginsel werd aangenomen dat kinderen, mits zij voldoende inzicht hebben in de implicaties die de gegeven toestemming met zich meebrengt, ook toestemming kunnen verlenen.[47]Toch adviseerde de Nationale ombudsman daar in 2008 anders over. Volgens hem kan toestemming tot binnentreden nooit worden verleend door kinderen. Daarvoor zal steeds toestemming dienen te worden verkregen van een volwassene, bij voorkeur de hoofdbewoner van de woning.#48!#
 
d. Functionaris
 
Met de grondwetsherziening van 1983 is de eis dat alleen “krachtens een bijzondere of algemene last van een macht door de wet aangewezen” vervangen door de eis dat mag worden binnengetreden “door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen”. Daarbij werd aansluiting gezocht met de praktijk waar de wetgever niet louter lastgevers aanwees, maar vaak zelf als lastgever optrad en aanwees welke functionarissen bevoegd zijn tot het binnentreden van woningen zonder toestemming van de bewoner.[49] Zie bijvoorbeeld artikel 2 en 3 van de Awbi en artikel 53 Vreemdelingenwet 2000. In enkele wetten wijst de wetgever toch nog algemene lastgevers aan. Zie bijvoorbeeld artikel 5:27 Algemene wet bestuursrecht en 125, vierde lid, Gemeentewet, waar het daartoe bevoegde bestuursorgaan, respectievelijk de bestuurscommissie, deelraad, dagelijks bestuur van een deelgemeente of de voorzitter van het dagelijks bestuur van een deelgemeente waaraan bevoegdheden van de raad het college, of de burgemeester zijn overgedragen worden aangewezen als lastdrager.
 
Met betrekking tot de bevoegde functionarissen zijn in het bijzonder artikel 2 en 3 van de Awbi van belang. Bevoegd tot het binnentreden van woningen zonder toestemming van de bewoner zijn ingevolge artikel 2 Awbi in ieder geval rechters, rechterlijke colleges, leden van het Openbaar Ministerie, burgemeesters, gerechtsdeurwaarders en belastingdeurwaarders. Daarnaast zijn op grond van artikel 3 Awbi ook de advocaat-generaal bij het ressortsparket, de officier van justitie en de hulpofficier bevoegd om een machtiging tot binnentreden af te geven.
 
Een functionaris die een woning wederrechtelijk binnentreedt is strafbaar, op grond van artikel 370 Sr. Voor een dergelijke veroordeling is in ieder geval vereist dat er sprake is van een woning.[50]
 
e. Binnentreden
 
Ten aanzien van het binnentreden dient te worden vooropgesteld dat het moet gaan om een menselijke handeling.[51] De Hoge Raad overweegt verder ‘dat (…) bij de vaststelling van den inhoud der wettelijke voorschriften nopens het betreden of binnentreden van een woning voor ene van voormelde doeleinden de nadruk behoort te vallen op bescherming van den huisvrede tegen inbreuken van buitenaf, ongeacht het lichaamsdeel, dat hij, die inbreuk maakt binnen de woning, welker toegang hem geweigerd is, zoude willen brengen, waaraan niet af doet dat de wetgever bij zijn gebruik van de termen ‘betreden’ en ‘binnentreden’ blijkbaar voornamelijk heeft gedacht aan den vorm waarin in de praktijk de met de wettelijke waarborgen inbreuk zich het veelvuldigste zal voordoen’. Mevis trekt hieruit de conclusie ‘(…) dat in elk geval van ‘binnentreden’ sprake is als datgene waartoe in de bevoegdheid tot binnentreden is voorzien binnen de feitelijke grenzen van de woning wordt verricht. Zodanig binnentreden vangt aan zodra de feitelijke grenzen van de woning worden overschreden’.[52]
 
Bescherming tegen het gebruik van camera’s of opnameapparatuur biedt artikel 12 dus (nog[53]) niet.[54]Men kan daarvoor terugvallen op artikel 10, wat een bescherming van het recht op privacy garandeert.[55] 

4. Tweede lid: Vormvereisten voorafgaand
    aan binnentreden

Tot de grondwetswijziging van 1983 eiste de Grondwet dat de formele wet zou voorzien in nadere vormvoorschriften rondom het binnentreden. Elke formele wet die in de bevoegdheid tot binnentreden voorzag, regelde daarom ook de bijbehorende vormvoorschriften. Onderling bestonden vele, vaak kleine verschillen.[56] De wens tot unificatie, die ook al uit de vorige eeuw dateert[57], is in 1983 gehonoreerd doordat de Grondwet zelf sindsdien in drie vormvoorschriften voorziet: voorafgaan­de legitimatie en doelmededeling en notificatie aan de bewoner achteraf. Aanvankelijk waren deze plichten betrekkelijk absoluut geformuleerd. Daardoor ontstonden er in de praktijk problemen bij het adequaat optreden. Eerst bij circulaire, en later bij formele wet, meende de wetgever van artikel 12 te kunnen afwijken. Deze constructie leverde fundamentele staatsrechtelijke discussies op.[58] Op aandringen van de Raad van State is besloten in artikel 12, tweede lid, een opening tot afwijking bij formele wet op te nemen. De uitzonderingen zijn in de Awbi nader vormgegeven.
 
Voor de notificatie van artikel 12, derde lid geldt eenzelfde verhaal. Pas nadat in de Awbi, met name in artikel 11, uitzonderingen op de notificatie werden opgenomen, werden deze uitzonderingen ook in artikel 12, derde lid, opgenomen. Over de precieze formulering is in de discussie tussen regering en parlement behoorlijk de staf gebroken.
 
a. Legitimatie- en doelmededelingsplicht
 
Een wettelijke legitimatie- en doelmededelingsplicht bij binnentredingsbepalingen was lange tijd uitzondering.[59]Voor 1983 werd het bestaan van de doelmededelingsplicht slechts aangenomen als de wet daarin voorzag.[60] Bij de grondwetsherziening van 1983 zijn de legitimatie- en doelmededelingsplicht ingevoerd om meer inhoud te geven aan de bepaling dat de wetgever de vormen waaraan de uitoefening van de binnentredingsbevoegdheid gebonden is te regelen en ter compensatie van de groter geworden mogelijkheid tot delegatie voor de wetgever.[61]
 
Ervan uitgaande[62] dat de legitimatie‑ en doelmededelingsplicht beoogde de bewoner in staat te stellen een zo goed mogelijk oordeel omtrent de wenselijkheid van het binnentreden te vormen, moet gezien de vormgeving van artikel 12 vastgesteld worden dat deze doelstelling niet bereikt is. Immers deze vormvereisten behoeven volgens de letterlijke tekst van de wet alleen te worden nageleefd als reeds vaststaat dat overeenkomstig het eerste lid en dus tegen de wil van de bewoner binnengetreden zal worden.[63] Op dat moment zijn mededelingen aan de bewoner omtrent de hoedanigheid van de binnentreder en de reden van het binnentreden hooguit nog fatsoenlijk te noemen, maar voor de bewoner van weinig nut. Van meer betekenis zou een legitimatie‑ en doelmededelingsplicht voorafgaand aan de wilsbepaling door de bewoner zijn. Ook de Awbi garandeert niet expliciet dat een bewoner dient te worden medegedeeld wie hij waartoe toestemming verleent, alvorens hij zijn wil daaromtrent vormt. Artikel 1 van deze wet bevat immers niet een regeling van het verkrijgen van toestemming voor het binnentreden, maar een regeling van het binnentreden. Het zou beter zijn als de Awbi duidelijk maakt wanneer een ambtenaar mag aannemen dat hem toestemming is verleend tot binnentreden.[64] Een wettelijke verplichting tot een aan de wilsvorming door de bewoner voorafgaande legitimatie en doelvermelding kan daartoe een bijdrage leveren.[65]
 
Naar de letter van artikel 12 geldt de legitimatie- en doelmededelingsplicht alleen als er zonder toestemming de woning wordt binnengetreden. Echter, de Hoge Raad heeft in 2011 geoordeeld dat ‘degene die in een woning binnentreedt ingevolge artikel 1, eerste lid Awbi verplicht is zich voorafgaande te legitimeren en mededeling te doen van het doel van het binnentreden, ook als met toestemming van de bewoner wordt binnengetreden.[66]In de memorie van toelichting op de Awbi heeft de wetgever gesteld dat, gezien de strekking van het grondrecht inzake de onschendbaarheid van de woning, het onjuist zou zijn om diegene die medewerking geven aan ambtshandelingen in hun woning achter gesteld zouden worden op degenen die geen toestemming tot binnentreden geven.[67] Daarom werd ingevoerd dat ook bij toestemming tot binnentreden in een woning een legitimatie- en doelmededelingsplicht geldt. De vraag kan worden gesteld wat voor betekenis de hierboven aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad heeft of zou moeten hebben voor artikel 12. Zie voor de verhouding tussen de Grondwet en de Awbi aant. 7 sub a.
 
Ook indien de ambtenaar een schriftelijke machtiging tot binnentreden in de woning conform artikel 2 lid 1 Awbi heeft, is hij verplicht zich te legitimeren en mededeling te doen van het doel tot binnentreden.
De Awbi, die de legitimatieplicht in beginsel algemeen stelt en uitwerkt, bepaalt dat personen in dienst van een overheidsorgaan zich dienen te legitimeren met een bewijs dat hen wordt verstrekt door het orgaan onder welks verantwoordelijkheid zij werkzaam zijn. Dit bewijs bevat een foto van de houder en vermeldt diens naam en functie. Andere personen dan ambtenaren kunnen bij binnentreden zonder toestemming ter legitimatie een machtiging als bedoeld in artikel 2 Awbi gebruiken.
 
De legitimatieplicht en de plicht tot mededeling van het doel van het binnentreden rusten op degene die uit hoofde van een hem bij of krachtens de wet opgedragen taak in een woning binnentreedt.[68]
 
Binnentreden in een woning is zelden een doel in zichzelf. De bevoegdheid om tegen de wil van de bewoner een huis binnen te gaan, vormt de basis van waaruit vervolgbevoegdheden (inbeslagneming, aanhouding e.d.) uitgeoefend kunnen worden. Bij binnentreden tegen de wil van de bewoner beperkt de doelgebondenheid van de bevoegdheid tot binnentreden niet de bevoegdheden van de ambtenaar als hij eenmaal in de woning is.[69] Dat ligt anders bij binnentreden met toestemming, omdat op basis van het medegedeelde doel toestemming is verleend. Gebruikmaking van andere bevoegdheden, zou dan de schijn van misleiding kunnen wekken.[70]
           
b. Uitzonderingen
 
Grondrechten zijn niet absoluut.[71]Het tweede lid laat sinds de grondwetsherziening in 1987 uitzonderingen toe. Dat was nodig om tegemoet te komen aan problemen die in de praktijk waren gerezen met betrekking tot de ongeclausuleerde verplichting voor ambtenaren om aan de vereisten van artikel 12, tweede lid, te voldoen in situaties waarin snel binnentreden vereist was. Hoewel in theorie artikel 103 Gw in een uitzonderingstoestand afwijking van het voorschrift van het tweede en derde lid van artikel 12 toelaat, werd bij de herziening van 1987 de beperkingsclausule “behoudens bij de wet gestelde uitzonderingen” in artikel 12, tweede lid opgenomen, zodat de wet ook voor andere dan uitzonderingssituaties mogelijkheden tot afwijking van de in dat lid gestelde vormvereisten biedt. In artikel 1, tweede lid Awbi zijn drie uitzonderingen op de vormvereisten geregeld. In de situaties dat naleving:
·        naar redelijke verwachting ernstig of onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van personen of goederen,
·        feitelijk onmogelijk is, of
·        naar redelijke verwachting de strafvordering schaadt ten aanzien van misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten,
gelden de legitimatie- en doelmededelingsplicht slechts voor zover de naleving daarvan in die omstandigheden kan worden gevergd.
 
In het oorspronkelijke voorstel voor artikel 12 in 1976 waren legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden slechts geboden als de bewoner daarom vroeg. Daarom had de regering in het eerste lid het woord `desgevraagd' gebruikt. Bij een door de regering overgenomen amendement‑Waltmans is deze term uit het voorstel van artikel 12 geschrapt.[72] De stringente tekst die artikel 12 als gevolg van deze wijziging in het voorstel kreeg, leidde al snel na de inwerkingtreding van de Grondwet 1983 tot toepassingsproblemen. Dat was wellicht, althans gedeeltelijk, voorkomen als het amendement‑Waltmans achterwege was gebleven.[73]De ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie reageerden snel door middel van twee circulaires.[74]Zij maakten binnentreden zonder te voldoen aan vormvereisten mogelijk in de volgende gevallen:
·        bij afwezigheid van de bewoner;
·        bij uitzonderlijke omstandigheden, namelijk als een acute en ernstige bedreiging van de rechtsorde een terstond optreden gebiedt (noodtoestand, bijvoorbeeld in een woning);
·        als dat noodzakelijk is in het belang van de opsporing van misdrijven die een ernstig gevaar opleveren voor het leven of de gezondheid van personen.
 
Op deze circulaires volgde een uitgebreide discussie in de literatuur over de vraag of het hier ging om ongeoorloofde beperkingen op artikel 12 en vooral of artikel 12 rechtstreeks werkte.[75] Gezien de formulering van het tweede lid van artikel 12, moest men concluderen dat geen beperking was toegestaan en dus zeker niet via circulaires.
 
Het was niet direct de problematiek van de circulaires die aanleiding heeft gegeven tot de herziening van artikel 12 in 1987.[76]Artikel 1, tweede lid, voorstel-Awbi maakte het al mogelijk dat in sommige situaties kan worden binnengetreden zonder te voldoen aan vormvereisten, zelfs zonder toestemming van de bewoner. De Raad van State had in zijn advies bij dit voorstel echter opgemerkt, dat beperking van in de Grondwet gestelde voorschriften alleen mogelijk is op grond van in de Grondwet zelf opgenomen clausules dan wel op grond van het proces van rechtsvinding in niet voorziene gevallen. Hij voegde daar op basis van de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 12 aan toe dat de grondwetgever, was hij op de gestelde problematiek gestuit, een beperkingsmogelijkheid zou hebben opgenomen[77]Om een definitief einde te maken aan de spanning tussen artikel 12 en de binnentredingspraktijk – welke praktijk zijn weerslag had gevonden in het voorstel voor een Algemene wet – diende de regering op 5 juni 1985 een voorstel tot wijziging van artikel 12 in: de toevoeging van de clausule “behoudens bij de wet gestelde uitzonderingen” in het tweede lid maakte duidelijk dat uitzonderingen op de legitimatieplicht en de plicht tot mededeling van het doel van het binnentreden slechts bij wet mogen worden vastgesteld. Volgens de regering in haar memorie van toelichting bij dit herzieningsvoorstel, was deze aanpassing van artikel 12 in het belang van de rechtszekerheid, hoewel de bewindslieden van mening bleken dat uitzondering van deze verplichtingen ook zonder deze clausulering door de grondwetgever niet als een niet gewilde beperking behoefde te worden beschouwd. Met indiening van dit wijzigingsvoorstel gaf de regering gevolg aan het advies van de Raad van State bij het voorstel‑Awbi.[78]
 
Aan de strikt geformuleerde uitzonderingsbevoegdheid dient volgens de regering in haar memorie van toelichting slechts in drie gevallen toepassing te worden gegeven. Deze drie gevallen zijn die welke ook waren genoemd in de circulaires. De regering beperkte zich tot een competentiebepaling en wenste daarbij geen doelcriteria op te nemen. Formulering van dergelijke doeleinden was blijkens de memorie van antwoord te moeilijk en zou niet in een redelijke verhouding staan tot de betekenis van de bepaling over het binnentreden. Verder zou het opnemen van doelcriteria leiden tot een vage en algemene, waarschijnlijk ontoereikende omschrijving van de desbetreffende belangen, die geen waarborg meer biedt.[79]
 
De regering meende in de aanloop naar de herziening van artikel 12 in 1987 dat het tweede lid slechts aanvullende eisen stelt. Het ontbreken van een van de vormvereisten, in verband met het binnentreden tegen de wil van de bewoner, in een aantal wetten brengt in die visie geen strijdigheid met zich van die wettelijke bepalingen met artikel 12, tweede lid.[80] Vanuit dat uitgangspunt kon de regering gemakkelijk het standpunt huldigen dat artikel 12 rechtstreeks werkt. De Hoge Raad dacht daar anders over en oordeelde dat het ontbreken van een van de vormvereisten in een wettelijke bepaling over het binnentreden strijd oplevert met artikel 12, tweede lid.[81]
 
Met de komst van de Awbi lijkt alle spanning te zijn weggenomen, aangezien met de Awbi een systematisering en, waar mogelijk, eenmaking van de wettelijke bepalingen inzake het binnentreden wordt beoogd.[82]

5. Derde lid: vormvereiste na afloop van
    binnentreden

 
a. Schriftelijk verslag
 
De notificatieplicht na afloop van het binnentreden was tot de grondwetsherziening in 2002 verplicht gesteld in het tweede lid van artikel 12. Ook deze formulering bleek in de praktijk te absoluut geformuleerd. Met name bij hantering van de bijzondere opsporingsbevoegdheden was het niet wenselijk om de verdachte zo spoedig mogelijk op de hoogte te stellen van het binnentreden in zijn woning zonder zijn toestemming. Een en ander gebeurde heimelijk en in het kader van het onderzoek kan het van belang zijn deze gehanteerde opsporingsbevoegdheid nog een tijd niet bekend te maken.
 
Om de bepaling aan te passen aan de behoeften van de praktijk is de notificatieplicht bij de grondwetsherziening van 2002 verschoven naar het derde lid, waarbij werd bepaald dat uitzonderingen kunnen worden gemaakt, in die zin dat de notificatieplicht kan worden uitgesteld en zelfs afgesteld.

Het verslag wordt hetzij bij het verlaten van de woning, hetzij binnen redelijke termijn daarna aan de bewoner overhandigd of toegestuurd. De term `schriftelijk verslag' is ruimer en minder formeel dan de term `proces‑verbaal'. De eerste term laat de wetgever vrij in de wijze waarop hij het verslag ingericht wenst te zien. In de Awbi is van die vrijheid gebruik gemaakt door eisen te stellen aan het verslag en de termijn waarbinnen het dient te worden overhandigd. Artikel 10 van de Awbi stelt de eis dat het verslag onder andere ten minste vermeldt:
·        de naam en hoedanigheid van degene die binnentreedt;
·        de dagtekening van de machtiging en degene van wie de machtiging afkomstig is;
·        de wettelijke bepaling waarop het binnentreden berust en het doel waartoe is binnengetreden;
·        de plaats van de woning en naam van de bewoner.
 
Artikel 11, tweede lid van de Awbi stelt als hoofdregel dat het verslag uiterlijk op de vierde dag na het binnentreden aan de bewoner wordt uitgereikt of toegezonden.
 
b. Uitzonderingen: nationale veiligheid en strafvordering
 
Uitstelmogelijkheid
Tot 2002 liet artikel 12 geen uitzonderingen toe op de notificatieplicht. In de uitvoeringswet Awbi werd in artikel 11, tweede lid, tweede en derde volzin echter gesteld dat er geen verslag van het binnentreden aan de bewoner dient te worden verstrekt indien het doel waartoe wordt binnengetreden daartoe noodzaakt. In plaats van uiterlijk op de vierde dag na het binnentreden zoals geregeld in artikel 11 tweede lid, dient toezending te geschieden zodra het belang van dit doel dit toelaat[83]. De regering is van mening dat de uitstelmogelijkheid van artikel 11 tweede lid, tweede en derde volzin Awbi de constitutionele toets kan doorstaan, gelet op het feit dat aan de verplichting tot kennisgeving in artikel 12 (1987) geen termijn is gebonden.[84]
 
De Grondwet zelf formuleert vanaf 2002 twee doelcriteria die kunnen noodzaken tot uitstel van de notificatieplicht, te weten het belang van de nationale veiligheid en het belang van strafvordering. Met het belang van strafvordering wordt het belang van de gehele procedure in strafzaken bedoeld.      
 
Het belang van de nationale veiligheid[85]sluit aan bij de beperkingsgrond van artikel 8 EVRM en ziet met name op de taakstelling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.[86]In dat kader geeft artikel 34 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (hierna WID) aan dat de minister 5 jaar na beëindiging van de uitoefening van een bijzondere bevoegdheid, zoals het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner, moet onderzoeken of de betrokkene genotificeerd kan worden. De commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten heeft aangegeven dat het wenselijk is dat indien ambtsberichten over een onderzoek naar het openbaar ministerie zijn uitgebracht, de wettelijke termijn van 5 jaar niet wordt afgewacht, maar dat, met in achtneming van de strafvorderlijke belangen van het openbaar ministerie, reeds na het uitbrengen van de ambtsberichten wordt genotificeerd.[87]
 
Art 53 van de WID geeft een regeling voor de weigering van inzage van persoonsgegevens waar de uitstelmogelijkheid van de notificatieplicht bij aansluit.
 
Artikel 12 Gw laat bij de uitstelmogelijkheid van de notificatieplicht delegatie toe, gezien de bewoordingen ‘bij de wet te stellen regels’.
 
Afstelmogelijkheid
Binnen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten bestond de behoefte in de gevallen waarin wordt binnengetreden in het kader van de taakuitoefening van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, het uitbrengen van het verslag van binnentreden in een woning bij afwezigheid van de bewoner geheel achterwege te kunnen laten. Die behoefte had zijn oorsprong in het feit dat de geheimhouding van onder meer de werkwijze in een concreet geval cruciaal is voor een minimale mate van geheimhouding, waarbij de lange-termijndoeleinden, die tot de desbetreffende maatregelen hebben geleid, niet in gevaar worden gebracht. Voorts kunnen buitenlandse zusterdiensten worden afgeschrikt nauw met de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten samen te werken en intensief gegevens uit te wisselen, indien er daadwerkelijk en regelmatig zou worden genotificeerd.[88]
 
De wetgever achtte het noodzakelijk om deze afstelmogelijkheid strikt te binden aan voorwaarden die betrekking hebben op de aard en de ernst van het doel waarvoor wordt binnengetreden. Vandaar dat gekozen werd voor slechts één doelcriterium: het belang van de staat. Op dit doelcriterium werd kritiek geuit in die zin dat ‘het belang van de staat’ een containerbegrip is. De wetgever heeft later dit doelcriterium veranderd in ‘het belang van de nationale veiligheid’, zodat daarmee, net zoals bij de herformulering van artikel 13 Gw, beter werd aangesloten bij een van de gronden waarop het in artikel 8 EVRM neergelegde grondrecht kan worden beperkt.[89]
 
Het begrip nationale veiligheid is enger dan het begrip ‘belang van de staat’. De laatste aanduiding omvat de veiligheid van de staat, de eenheid van de Kroon en de betrekkingen van Nederland met andere landen.[90]De wetgever geeft aan dat uit de jurisprudentie van het EHRM met betrekking tot deze beperkingsgrond uit artikel 8 EVRM kan worden opgemaakt dat in de volgende gevallen de nationale veiligheid in het geding kan zijn: het schenden van staats- en militaire geheimen, de verspreiding van opruiende geschriften onder militairen, het oproepen tot en het goedkeuren van geweld, het verrichten van neo-nazistische activiteiten, het verrichten van terroristische activiteiten en de publicatie van (geheime informatie in) geschriften die schade kunnen toebrengen aan het functioneren van de staatsveiligheidsdienst van een land.[91]Met het criterium nationale veiligheid wordt volgens de wetgever in het kader van de uitstel- en afstelmogelijkheid van de notificatieplicht, samenvattend, alleen gedoeld op de taakuitoefening door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.[92]Afstel van de notificatieplicht is alleen toegestaan als het belang van de nationale veiligheid zich tegen verstrekking blijvend verzet. Hier past grote terughoudendheid.
 
Artikel 34, zevende lid, 7 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten bepaalt dat de verplichting aan de minister om 5 jaar na beëindiging van de uitoefening van een bijzondere bevoegdheid, zoals het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner, te onderzoeken of genotificeerd kan worden, vervalt als notificatie naar redelijke verwachting leidt tot onthulling van bronnen van een dienst, tot ernstige schade voor de betrekkingen met andere landen en met internationale organisaties tot onthulling van een specifieke toepassing van een methode of identiteit van degene die betrokken was bij die methode. De mogelijkheid om de notificatieplicht geheel achterwege te laten kan niet worden gedelegeerd.

6. Wetgeving


a. Algemene wet op binnentreden
 
Zoals gezegd is voor de uitvoering van artikel 12 Gw de Algemene wet op het binnentreden van groot belang. Daarin zijn de vormvoorschriften uit diverse wetten bij elkaar gebracht. De uitvoeringswet geeft dus zelf geen bevoegdheid tot binnentreden zonder toestemming van de bewoner; zij veronderstelt een elders geregelde, meestal doelgebonden, bevoegdheid: artikel 4 Awbi. De Awbi geeft inhoud aan de grondwettelijke beperkingsmogelijkheden in artikel 12, tweede en derde lid. De Awbi geeft ook nog tal van aanvullende voorschriften en eist in principe voor het binnentreden zonder toestemming van de bewoner een voorafgaande machtiging. Die eis stond vroeger in de Grondwet. Rechters, officieren van justitie, burgemeesters en gerechts- en belastingdeurwaarders zijn van het vereiste van een machtiging vrijgesteld.[93]In artikel 2, derde lid, Awbi is een uitzondering op het vereist van een machtiging opgenomen voor zover er ter voorkoming of bestrijding van ernstig en onmiddellijk gevaar voor personen of goederen moet worden binnengetreden.
 
Het is de bedoeling dat de Awbi als uniforme regeling fungeert voor alle wetten waarin de bevoegdheid tot het betreden van woningen zonder toestemming van de bewoner voorkomt.[94]In afzonderlijke wetten komen incidenteel op onderdelen afwijkende regelingen voor, zoals in de wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
 
b. Relevante verdragsbepalingen
 
Het huisrecht wordt ook door artikel 8 EVRM en artikel 17 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna IVBPR) beschermd. Anders dan bij de grondwettelijke bescherming van het huisrecht, maakt het verdragsrechtelijke huisrecht deel uit van het recht op privacy.
 
Artikel 8 EVRM spreekt in relatie tot het huisrecht over “respect for (…)his home”. Het artikel heeft dus niet alleen betrekking op het binnentreden; men moet het huisrecht respecteren. Daarmee biedt artikel 8 EVRM ook bescherming nadat is binnengetreden.[95] Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens geeft een ruime uitleg aan het begrip home. Daaronder dient niet alleen een privéwoning onder worden verstaan, maar ook ruimten waar zakelijke activiteiten plaatsvinden.[96]Immers, speelt een groot deel van het leven zich af op het werk, is er geen onderscheid te maken tussen privé‑en zakelijke communicaties en kunnen zakelijke activiteiten zowel thuis als op kantoor worden ontplooid.[97] De Hoge Raad heeft tot nu toe het begrip ‘woning’ beperkt uitgelegd.[98] Voor een beroep op de bescherming van het ‘huisrecht’ binnen een kantoor of bedrijf, zal daarom dienen te worden uitgeweken naar artikel 8 EVRM.[99] Artikel 8 EVRM kent ook beperkingsmogelijkheden ten aanzien van het recht op privacy.[100]Deze beperkingsmogelijkheden zijn zeer ruim geformuleerd. Zo kan het bijvoorbeeld gaan om beperkingen in het belang van de nationale veiligheid of de openbare veiligheid. De bescherming tegen willekeurige inbreuken op artikel 8 EVRM is dan ook gelegen in de eis van necessity. Alle inbreuken op het recht van privacy moeten daardoor in verhouding staan tot het te dienen doel van die beperking.[101]
 
Artikel 17 IVBPR beperkt zich ook slechts tot de privéwoning[102]en komt in grote mate overeen met de Nederlandse definitie van een woning. Onder woning moet in dit verband alle type woningen worden verstaan, ongeacht de titel (zoals eigendom of huur) of de manier waarop de woning wordt gebruikt (zoals hoofdwoning of vakantiehuis). Onder de bescherming van artikel 17 IVBPR vallen dus ook caravans en woonboten. Maar ook de tuin en de garage van een woning vallen onder de reikwijdte van ‘home’.[103]

7. Horizontale werking van artikel 12 Grondwet

In de literatuur wordt tot nog toe aangenomen dat artikel 12 geen horizontale werking kent. Aan dat standpunt liggen verscheidene argumenten ten grondslag. Allereerst heeft de grondwetgever zelf niet aangegeven of artikel 12 horizontale werking kent. Hij geeft slechts aan dat van geval tot geval moet worden bekeken of bepaalde grondrechten ook horizontale werking dienen te hebben.[104] In dit verband lijkt het bepaalde auteurs onwaarschijnlijk dat de wetgever burgers de bevoegdheid geeft om in bepaalde gevallen de woning tegen de wil van de bewoner te betreden. Daarnaast geeft artikel 12 geen bescherming van het eigendomsrecht, maar biedt het bescherming van de persoonlijke vrijheid.[105] Ook uit het bestaan van artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht werd een argument ontleent tegen de horizontale werking van artikel 12.[106] Daardoor is er sprake van een klassiek grondrecht; het beschermt de burger tegen inbreuken door de overheid. Wel dient bij de uitleg van privaat- en strafrechtelijke begrippen aansluiting te worden gezocht bij artikel 12.[107]
 
Desalniettemin kende het Hof van Amsterdam een dergelijke horizontale werking toe aan artikel 12.[108]Het Hof stelde dat “[h]et in de artikelen 10 en 12 van de Grondwet en artikel 8 van het EVRM neergelegde recht op respect voor ieders privéleven en woning (…) ook werking [heeft]tussen burgers onderling.”[109] Daarmee lijkt het Hof van Amsterdam artikel 12 over een kam te scheren met artikel 8 EVRM. Nadere onderbouwing ontbreekt echter en een dergelijke uitspraak is nadien niet meer voorgekomen. Of artikel 12 daadwerkelijk horizontale werking heeft staat dus nog niet geheel vast.

8. Artikel 12 Grondwet in relatie tot de kraker

Ten tijden van de woningnood in Nederland werden er door krakersverenigingen veelvuldig leegstaande panden gekraakt met als doel deze te bewonen. De krakersverenigingen voerde geregeld acties om aandacht te vragen voor de woningnood.[110] De grootste actie van de krakersverenigingen was de actie bij de inhuldiging van onze toenmalige Koningin Beatrix in 1980, onder de leuze ‘geen woning geen kroning’. Deze actie escaleerde in rellen tussen krakers en politie.[111]

Hoewel werd aangenomen dat artikel 12 geen horizontale werking heeft,[112]kunnen krakers zich op het huisrecht beroepen tegenover de civielrechtelijke eigenaar van het pand.[113]Dit kan op basis van artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht. De onrechtmatigheid van het bewonen is daarbij niet van belang.[114]Ook een niet als woning aangemerkt pand, zoals bijvoorbeeld een kantoorpand, kan daarbij gelden als woning, mits als dusdanig in gebruik.[115]In deze lacune voorziet artikel 429sexies Sr inmiddels ten dele.
 
Tot 2009 werd aangenomen dat de bevoegdheid voor de ontruiming van kraakpanden zijn grondslag vond in artikel 429sexies van het Wetboek van Strafrecht.[116]In zijn arrest van 9 oktober 2009[117] oordeelde de Hoge Raad echter dat hoewel artikel 429sexies van het Wetboek van Strafrecht het kraken van een pand dat nog niet al te lang leegstaat strafbaar stelt, het geen regeling bevat omtrent de ontruiming. Omdat de krakers, ondanks de onrechtmatigheid van het betrekken van de woning, een huisrecht toekomt ingevolge artikel 12 en artikel 8 EVRM, dient een inbreuk van dat recht gebaseerd te zijn op een formele wet. Nu dat niet het geval was, leidde de Hoge Raad daaruit af dat voor de ontruiming van de panden geen wettelijke grondslag was en dus in strijd met artikel 12 Grondwet en artikel 8 EVRM werd gehandeld. Naar aanleiding van deze uitspraak kon het dus voorkomen dat een eigenaar, die na vakantie wordt geconfronteerd met het feit dat zijn woning is gekraakt, een aparte civielrechtelijke procedure aan diende te spannen, alvorens hij de woning weer rechtmatig kon betreden.[118]
 
Van der Bijl verdedigde naar aanleiding van deze uitspraak het standpunt dat wellicht op basis van artikel 138 Sr een bevoegdheid tot ontruiming kon worden gevonden. Allereerst volgde uit memorie van toelichting van artikel 153 Grondwet (oud) dat op schending van het huisrecht een behoorlijke sanctie diende te worden gegeven. Verdedigbaar is dat onder een dergelijke sanctie beëindiging van de schending dient te worden verstaan. Daarnaast zou men aan kunnen nemen dat krakers zelf geen huisrecht kunnen vestigen, waardoor bij ontruiming het huisrecht van de kraker niet wordt geschonden, aldus Van Der Bijl.[119]
 
Inmiddels is voor de ontruiming van kraakpanden artikel 551a van het Wetboek van Strafvordering gecreëerd. Dit artikel geeft aan opsporingsambtenaren de bevoegdheid tot het betreden van plaatsen bij verdenking van overtreding van de artikel 138, 138a en 139 van het Wetboek van Strafrecht. Daarmee is dus een expliciete wettelijke grondslag voor ontruiming gegeven.[120]

9. Jurisprudentie

- EHRM 30 maart 1989, NJ 1991/552, m.nt. Dommering (Chapell).
- EHRM 16 december 1992, NJ 1993/400, m.nt. Dommering (Niemetz).
- EHRM 16 april 2002, AB 2002/277.

- HR 2 december 1935, NJ 1936/250 (Geweer arrest).
- HR 7 februari 1956, NJ 1956/147, m.nt. W.P. (Arm-arrest).
- HR 29 januari 1963, NJ 1963/276, m.nt. Van Berckel.
- HR 2 februari 1971, NJ 1971/385.
- HR 7 december 1971, NJ 1972/197.
- HR 25 oktober 1977, NJ 1978/137, m.nt. ThWvV.
- HR 1 mei 1979, NJ 1979/434.
- HR 8 april 1980, NJ 1980/330 (anti-kraakbepaling Arnhem).
- HR 17 februari 1981, NJ 1981/432.
- HR 1 oktober 1985, NJ 1986/349.
- HR 4 maart 1986, NJ 1986/612, m.nt. ThWvV.
- HR 3 oktober 1993, NJ 1996/219, m.nt. Knigge.
- HR 5 oktober 1993, NJ 1994/425.
- HR 3 oktober 1995, NJ 1996/219.
- HR 22 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5848.
- HR 4 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4943.
- HR 16 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8976.
- HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ1254.
- HR 28 oktober 2011, NJ 2013/153.
- HR 22 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT6402, NJ 2011/561.
 
- Hof Amsterdam 22 januari 1975, NJ 1975/256.
- Hof Amsterdam 8 januari 1998, NJ 2000/152.
- Hof Amsterdam 26 maart 1998, ECLI:NL:GHAMS:1998:AV9026.
- Hof Arnhem 12 september 1988, ECLI:NL:GHARN:1988:AW5402.
- Hof Arnhem 31 maart 2006, ECLI:NL:GHARN:2006:BC7934.
 
- Rb. Breda 1 juni 1965, NJ 1965/337.
 
- Nationale ombudsman 30 juni 1989, AB 1990/308, m.nt. P.A.M. Mevis.
- Nationale ombudsman 17 juni 1998, AB 1998/358.
- Nationale ombudsman 2 november 2007, AB 2008/310.

10. Literatuur

- O. van der Bijl, ‘Strafrechtelijk ontruimen: einde verhaal?’, NJB 2010/100, afl. 3, p. 151-155
- J. de Boer, ‘Artikel 8 EVRM’, in: Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (Handelingen Nederlandse Juristen-Vereniging 1990)
- P.J. Boukema, Boekbespreking van A.Q.C. Tak, Het huisrecht, RmTh 1974, p. 486 e.v.
- P.A.G.M. Cools e.a. (red.),Fiscale Encyclopedie Vakstudie Nederlands Internationaal Belastingrecht, artikel 17 IVBPR, aant. 3.2 ‘Zijn huis’, Deventer: Kluwer (08-04-2013)
- D.J. Elzinga & R. de Lange, Van der Pot. Handboek van het Nederlandse Staatsrecht, Deventer: Kluwer 2006
- B.J. Koops e.a., Recht naar binnen kijken, een toekomstverkenning van huisrecht, lichamelijke integriteit en nieuwe opsporingstechnieken, Den Haag: Sdu Uitgevers 2004
- B.J. Koops & M. Prinsen, ‘Glazen woning, transparant lichaam: Een toekomstblik op huisrecht en lichamelijke integriteit’, NJB 2005, afl. 12, p. 624-630
- F. de Graaf, Bescherming van persoonlijkheid, privéleven, persoonsgegevens, Alphen aan den Rijn: H.D. Tjeenk Willink 1977
- C.J.A.M. Kortmann, De grondwetsherzieningen 1983 en 1987, Deventer: Kluwer 1987
- J.A.W. Lensing, ‘Binnentredingsbepalingen in de herziene Grondwet’, NJCM Bulletin 1983, p. 256
-  P.A.M. Mevis, Binnen zonder kloppen? (diss. Nijmegen), Arnhem: Gouda Quint 1989
- G.P.M.F. Mols, Wie niet weg is is gezien. Justitieel onderzoek in en rondom de woning, in: C.H. Brants, C. Kelk en M. Moerings (red.), Er is meer. Opstellen over mensenrechten in internationaal en nationaal perspectief (Swart-bundel), Deventer 1996, p. 192-194
- Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht (losbl.), aant. 2 bij artikel 138 Sr, (01-05-2007)
- J. Silvis, ‘Konstitutioneel jongleren’, Recht en kritiek 1987, p. 321-325
- C.J. Staal, De vaststelling van de reikwijdte van de rechten van de mens,Nijmegen: Ars Aequi Libri 1995.
- A.Q.C. Tak, Het huisrecht (diss. Utrecht), Hoenderloo 1973
- A.Q.C. Tak, ‘Implementatie artikelen 12 en 13 Grondwet 1983’, in: M.C. Burkens & M.J. Sluijs (red.), Wetgeving ter uitvoering van hoofdstuk 1 van de Grondwet (Staatsrechtconferentie 1987), Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1988, p. 65-86
- Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen en Veiligheidsdiensten, Toezichtsrapport inzake het vervolgonderzoek naar de rechtmatigheid van de uitvoering van de notificatieplicht door de AIVD (CTIVD nr. 34, 29 mei 2013)
- F. Vellinga-Schootstra, Inbeslagneming en huiszoeking (diss. Groningen), Alphen aan den Rijn: Tjeenk Willink 1982
- H. Verkouteren, Artikel 153 Grondwet (diss. Amsterdam), Amsterdam: Spin 1880.
- P.J.J. Zoontjens, ‘Het huisrecht’, in: A.K. Koekkoek, W. Konijnenbeld & F.C.C.M. Crijns (red.), Grondrechten. Commentaar op hoofdstuk 1 van de herziene grondwet (Jeukens-bundel), Nijmegen: Ars Aequi Libri, p. 264-278

11.     Historische versies

Eerste en tweede lid:
Artikel 170 Gw 1815: Niemand mag in de woning van eenen ingezetene zijns ondanks treden, dan op last van eene magt, daartoe bij de wet bevoegd verklaard, en volgens de formen daarbij bepaald (artikel 168 Gw 1840).
Artikel 153 Gw 1848: Niemand mag de woning eens ingezeten diens ondanks binnentreden, dan op last eener magt, door de wet bevoegd verklaard dien last te geven, en volgens de vormen in de wet bepaald.
Artikel 158 Gw 1887: Het binnentreden in eene woning tegen den wil van den bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij de wet bepaald, krachtens eenen bijzonderen of algemeenen last van eene magt door de wet aangewezen.
De wet regelt de vormen, waaraan de uitoefening van deze bevoegdheid gebonden is (artikel 159 Gw. 1922; artikel 165 Gw 1938; artikel 172 Gw 1953).
Artikel 12 Gw 1983: 1. Het binnentreden in een woning tegen de wil van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen.
2. Voor het binnentreden overeenkomstig het voorgaande lid is voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden vereist. Aan de bewoner wordt een schriftelijk verslag van het binnentreden verstrekt.
Artikel 12 Gw 1987: 1. Het binnentreden in een woning tegen de wil van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen.
2. Voor het binnentreden overeenkomstig het voorgaande lid is voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden vereist, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen. Aan de bewoner wordt een schriftelijk verslag van het binnentreden verstrekt.
Derde lid:
Geen eerdere versies.

 

Noten

  1. Voor dit commentaar op artikel 12 Grondwet is mede geput uit tekstfragmenten van de commentaren uit de tweede en derde druk (van de hand van C. Riezebos respectievelijk P.A.M. Mevis & T. Blom). Met name in de aantekeningen 1, 3 en 5 zijn grote delen overgenomen van het commentaar uit de tweede druk.
  2. A.Q.C. Tak, Het huisrecht, diss. RUU, Hoenderloo 1973, p. 23 e.v.
  3. B.J. Koops & M. Prinsen, NJB, afl. 12, 25 maart 2005, p. 624 – 630. Zie ook ITeR, nr. 70: Bert-Jaap Koops, e.a., Recht naar binnen kijken, een toekomstverkenning van huisrecht, lichamelijke integriteit en nieuwe opsporingstechnieken, Den Haag: Sdu Uitgevers 2004.
  4. HR 7 februari 1956, NJ 1956/147, m.nt. W.P.; A.Q.C. Tak, Het huisrecht, diss. RUU, Hoenderloo 1973, p. 23 e.v.
  5. Kamerstukken II 1984/85, 19073, nr. 3, p. 13 (MvT).
  6. HR 7 februari 1956, NJ 1956, 147, m.nt. W.P. (Arm-arrest).
  7. Zie art. 126lSv en Kamerstukken II 1996/97, 25403, nr. 3, p. 79.
  8. Kamerstukken II 1996/97, 25403, nr. 3, p. 70-71.
  9. Voor een beschrijving van de constitutionele ontwikkeling van het huisrecht: P.A.M. Mevis, Binnen zonder kloppen?, diss. KUN, Arnhem 1989, p. 123 132; F. de Graaf, Bescherming van persoonlijkheid, privéleven, persoonsgegevens, Alphen aan den Rijn 1977, p. 111 e.v.
  10. Vgl. P.A.M. Mevis, Binnen zonder kloppen?, diss. KUN, Arnhem 1989, p. 136.
  11. O.a. A.Q.C. Tak, Het huisrecht, diss. RUU, Hoenderloo 1973, p. 2.
  12. Kamerstukken II 1975/76, 13872, nr. 3, p. 43 (Nng, Ia, p. 43), met verwijzing naar het in noot 4 genoemde proefschrift van Tak.
  13. Kamerstukken II 1975/76, 13872, nr. 3, p. 43 (Nng, Ia, p. 43), met verwijzing naar het in noot 4 genoemde proefschrift van Tak.
  14. Stb. 1994, 572
  15. Kamerstukken II 1996/97, 25442, nr. 3, p. 1.
  16. Kamerstukken II 1975/76, 13872, nr. 3, p. 43 (MvT); D.J. Elzinga, D. de Lange & H.G. Hoogers, Van Der Pot – Handboek van het Nederlandse Staatsrecht, Deventer: Kluwer 2006, p. 404-405.
  17. Kamerstukken II 1976-77, 13872, nr. 7, p. 37 (MvA).
  18. Zie de functionaris, aantekening 4 sub d voor een nadere toelichting over de delegatiemogelijkheden ten aanzien van de personen.
  19. Kamerstukken II 1996/97, 25442, nr. 3, p. 1 (MvT).
  20. HR 7 december 1971, NJ 1972/197; HR 25 oktober 1977, NJ 1978/137, m.nt. ThWvV; HR 1 mei 1979, NJ 1979/434; HR 17 februari 1981, NJ 1981/432.F. Vellinga-Schootstra, Inbeslagneming en huiszoeking, diss. RUG, Alphen aan den Riin 1982, p. 43, 116-119 en 257-268. D.J. Elzinga, D. de Lange & H.G. Hoogers, Van Der Pot – Handboek van het Nederlandse Staatsrecht, Deventer: Kluwer 2006, p. 404.
  21. Kamerstukken II 1996/97, 25442, nr. 3, p. 1 (MvT).
  22. Kamerstukken II 1996/97, 25442, nr. 3, p. 2 (MvT).
  23. Hof Arnhem 31 maart 2006, ECLI:NL:GHARN:2006:BC7934.
  24. Nationale Ombudsman 2 november 2007, AB 2008, 310.
  25. Zie voor de vormvoorschriften aantekening 5 en aantekening 6.
  26. P.A.M. Mevis, Binnen zonder kloppen? diss. KUN, Arnhem 1989, p. 4-16. Zie ook -
  27. Kamerstukken II 1984/85, 19073, nr. 3, p. 20 (MvT).
  28. P.A.M. Mevis, Binnen zonder kloppen? diss. KUN, Arnhem 1989, p. 6-8.
  29. Kamerstukken II 1984/85, 19073, nr. 3, p. 20 (MvT).
  30. HR 5 oktober 1993, NJ 1994, 425.
  31. HR 5 oktober 1993, NJ 1994, 425.
  32. Nationale Ombudsman 30 juni 1989, AB 1990, 308, m.nt. P.A.M. Mevis; zie ook punt 2 van de noot bij dit arrest; HR 16 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8976.
  33. Hof Arnhem 12 september 1988, ECLI:NL:GHARN:1988:AW5402.
  34. In het geval van een hotelkamer is het hebben van een keuken daarbij wel een wezenlijk onderdeel. Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam 26 maart 1998, ECLI:NL:GHAMS:1998:AV9026.
  35. Kamerstukken I 1997/98, 25442, nr. 231b, p. 2 (MvA).
  36. Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het wetboek van Strafrecht (losbl.), aantekening 2 bij artikel 138 Sr, (01-05-2007); Nationale Ombudsman 30 juni 1989, AB 1990, 308, m.nt. P.A.M. Mevis; Kamerstukken I 1997/98, 25442, nr. 231b, p. 2 (MvA).
  37. Zie hierover meer in aantekening 9 in het kader van artikel 12 Grondwet in relatie tot de kraker.
  38. HR 22 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5848.
  39. EVRM 16 december 1992, NJ 1993/400; HR 3 oktober 1995, NJ 1996/219. Zie ook aantekening 7 sub b.
  40. HR 1 oktober 1985, NJ 1986/349.
  41. Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het wetboek van Strafrecht (losbl.), aantekening 2 bij artikel 138 Sr, (01-05-2007).
  42. Kamerstukken I 1997/98, 25442, nr. 231b, p. 2 (MvA).
  43. Zie hierover meer in aantekening 9 in het kader van artikel 12 Grondwet in relatie tot de kraker.
  44. Kamerstukken II 1984/85. 19073, nr. 3, p. 21 (MvT).
  45. Kamerstukken II 1984/85. 19073, nr. 3, p. 21 (MvT).
  46. Kamerstukken II 1984/85, 19073, nr. 3, p. 10 (MvT).
  47. Kamerstukken II 1984/85, 19073, nr. 3, p. 21 (MvT); Nationale Ombudsman 17 juni 1998, AB 1998, 358.
  48. Nationale Ombudsman 2 november 2007, AB 2008, 310.
  49. Kamerstukken II 1975/76, 13872, nr. 3 (MvT), p. 43.
  50. Hof Amsterdam 22 januari 1975, NJ 1975, 256.
  51. HR 7 februari 1956, NJ 1956/147, m.nt. W.P. (Arm-arrest).
  52. P.A.M. Mevis, Binnen zonder kloppen?, diss. KUN, Arnhem 1989, p. 24.
  53. Vgl aantekening 3.
  54. Rb. Breda 1 juni 1965, NJ 1965/337.
  55. http://www.nederlandrechtsstaat.nl/grondwet/artikel.html?artikel=10&categorie auteur trefwoord 1=1##artikel10
  56. Zie A.Q.C. Tak, Het huisrecht, diss. RUU, Hoenderloo 1973, die de verschillen tussen zo’n 172 verschillende wetten analyseerde.
  57. H. Verkouteren,, Artikel 153 Grondwet, (diss. Amsterdam), Amsterdam: Spin 1880.
  58. Zie voor een overzicht van de literatuur: P.A.M. Mevis, Binnen zonder kloppen?, diss. KUN, Arnhem 1989, p. 142-143.
  59. A.Q.C. Tak, Het huisrecht, diss. RUU, Hoenderloo 1973, p. 138 e.v. is van mening ‑‑ mede in verband met de veelheid van categorieën ambtenaren die binnentredingsbevoegheid hebben ‑‑ dat een legitimatieplicht slechts zinvol is als er een uniform legitimatiebewijs bestaat.
  60. HR 29 januari 1963, NJ 1963/276, m.nt. Van Berckel. Politieambtenaren waren na betrapping op heterdaad op grond van art. 96 Sv. Een buks ‘gevolgd’ in een woning ter inbeslagneming. Zij vroegen weliswaar toestemming tot binnentreding, maar vermeldden niet het doel daarvan. Dat laatste was volgens de Hoge Raad ‘een eis (…), die noch in dat artikel (art. 96 Cr). Noch in enig ander wettelijk voorschrift steun vindt’.
  61. Kamerstukken II 1975/76, 13872, nr. 3, p. 43-44.
  62. De memorie van toelichting op de grondwetswijziging van 1983 geeft geen uitsluitsel.
  63. Vgl. HR 22 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT6402, NJ 2011/ 561; waarbij geoordeeld is dat degene die in een woning binnentreedt ingevolge art. 1 eerste lid Awbi verplicht is zich voorafgaande te legitimeren en mededeling te doen van het doel van het binnentreden, ook als met toestemming van de bewoner wordt binnengetreden.
  64. Zie voor kritiek op de opzet van art. 1 AWB: P.A.M. Mevis, Binnen zonder kloppen?, diss. KUN, Arnhem 1989, p. 275‑289.
  65. Zie versie 2 van dit commentaar, alsmede P.A.M. Mevis, Binnen zonder kloppen?, diss. KUN, Arnhem 1989, p. 136. Daarmee is de legitimatie‑ en doelmededelingsplicht wellicht zelfs overbodig: P.A.M. Mevis, Binnen zonder kloppen?, diss. KUN, Arnhem 1989, p. 86, 90 en 137.
  66. Vgl. HR 22 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT6402, NJ 2011/561; Zie ook Kamerstukken II 1984/85, 19073, nr. 103, p. 11.
  67. Kamerstukken II 1984/85, 19073, nrs. 1-3, p. 11.
  68. Kamerstukken II 1984/85, 19073, nr. 3, p. 11, 12 en 26 (Nng, Ia, p. 11, 12 en 36).
  69. HR 2 december 1935, NJ 1936/250 (Geweer‑arrest).
  70. P.A.M. Mevis, Binnen zonder kloppen?, diss. KUN, Arnhem 1989, p. 63‑64.
  71. Kamerstukken II 1975/76, 13872, nrs. 1-5, p. 10 & 16.
  72. Kamerstukken II 1976/1977, 13872, nr. 15 (Nng, Ia, p. 228); Handelingen II 1976‑1977, p. 2206 (Nng, Ia, p. 483). Over het doel van het later geschrapte woord `desgevraagd': Kamerstukken II 1976/77, 13872, nr. 7, p. 37 e.v. (Nng, Ia, p. 205).
  73. J.A.W. Lensing, Binnentredingsbepalingen in de herziene Grondwet, NJCM‑Bulletin 1983, p. 256.
  74. Stcrt. 1983, 57 en 77.
  75. Zie over de rechtstreekse werking het commentaar bij art. 140; P.A.M. Mevis, Binnen zonder kloppen?, diss. KUN, Arnhem 1989, p. 139‑145.
  76. Vgl. A.Q.C. Tak, Implementatie artikelen 12 en 13 Grondwet 1983, in: M.C. Burkens & M.J. Sluijs, Wetgeving ter uitvoering van hoofdstuk 1 van de Grondwet (Staatsrechtconferentie 1987), Zwolle 1988, p. 67‑71. Verder over deze herziening -
  77. Kamerstukken II 1984/85, 19073, A‑C, p. 6.
  78. Kamerstukken II 1984/85, 19013, nr. 3, p. 5.
  79. Kamerstukken II 1984/85, 19013, nr. 3, p. 6; Kamerstukken II 1985/86, 19013, nr. 5, p. 8 e.v.
  80. Kamerstukken II 1985/86, 19013, nr. 5, p. 5.
  81. HR 4 maart 196, NJ 1986/612, m.nt. ThWvV.
  82. [1] Zie ook Kamerstukken II 1991/92, 22539, nr. 3.
  83. [1] Kamerstukken II 1996/97, 25442, nr. 3, p. 2.
  84. [1] Kamerstukken II 1996/97, 25442, nr. 3, p. 2.
  85. [1] Vgl. hieronder het stuk met betrekking tot nationale veiligheid in het kader van de afstel mogelijkheid.
  86. [1] Kamerstukken II 1997/98, 25442, nr. 5 en Kamerstukken II 1997/98, 25443, nr. 5.
  87. [1] Toezichtsrapport inzake het vervolgonderzoek naar de rechtmatigheid van de uitvoering van de notificatieplicht door de AIVD, CTIVD nr. 34, 29 mei 2013, p. 13-14.
  88. [1] Kamerstukken II, 1996/97, 25442, nr. 3, p. 3.
  89. [1] Kamerstukken II, 1997/98, 25 442, nr. 5 p. 3-4.
  90. [1] Kamerstukken II, 1999/00, 26158, nr. 5, p. 2.
  91. [1] Kamerstukken II, 1999/00, 26158, nr. 5, p. 2. Vgl. het overzicht van de op dit punt relevante jurisprudentie in: C.J. Staal, De vaststelling van de reikwijdte van de rechten van de mens, 1995, blz. 63.
  92. [1] Kamerstukken II 1997/98, 25442, nr. 5 en Kamerstukken II 1997/98, 25443, nr. 5
  93. [1] Zie voor de toepassing van deze bevoegdheid de circulaire Binnentreden door (gerechts)deurwaarders (Stcrt. 2000, 135).
  94. [1] Daartoe behoort sinds 1994 ook de Politiewet. Art. 8 Pol.w. voorziet in een bevoegdheid tot binnentreden in het kader van de hulpverlening.
  95. [1] J. de Boer, Artikel 8 EVRM, in: Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, Preadvies NJV 1990, p. 18-19.
  96. [1] EHRM 16 december 1992, NJ 1993/400, m.nt. Dommering (Niemetz); EHRM 30 maart 1989, NJ 1991/552, m.nt. Dommering (Chapell).
  97. [1] Annotatie E.J. Dommering onder EHRM 16 december 1992, NJ 1993/400 (Niemetz), pnt. 2.
  98. [1] HR 3 oktober 1993, NJ 1996/219, m.nt. Knigge.
  99. [1] Zie bijvoorbeeld EHRM 16 april 2002, AB 2002/277.
  100. [1] Zie tweede lid van artikel 8 EVRM.
  101. [1] Dit is de zogenaamde proportionaliteitstoets.
  102. [1] Zijn huis bij: Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, Artikel 17 IVBPR, aantekening 3.2, in: Fiscale Encyclopedie Vakstudie Nederlands Internationaal Belastingrecht, Deventer: Kluwer (08-04-2013).
  103. [1] Zijn huis bij: Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, Artikel 17 IVBPR, aantekening 3.2, in: Fiscale Encyclopedie Vakstudie Nederlands Internationaal Belastingrecht, Deventer: Kluwer (08-04-2013).
  104. [1] Kamerstukken II 1975/76, 13872, nr. 3, p. 15-16 (MvT); Kamerstukken II 1975/76, 13872, nr. 7, p. 10-11 (MvA).
  105. [1] A.Q.C. Tak, Het huisrecht, diss. RUU, Hoenderloo 1973, p. 20; P.J.J. Zoontjens, Het huisrecht, in Grondrechten (Jeukensbundel), p. 274;
  106. [1] D.J. Elzinga & R. de Lange, Van der Pot. Handboek van het Nederlandse Staatsrecht, Deventer: Kluwer 2006, p. 402-403; C.A.J.M. Kortmann, De grondwetsherzieningen van 1983 en 1987, Deventer: Kluwer 1987, p. 100.
  107. [1] P.J.J. Zoontjens, Het huisrecht, in Gronderechten (Jeukensbundel), p. 274; P.J. Boukema, Boekbespreking bij A.Q.C. Tak, Het huisrecht, RmTh 1974, p. 486 e.v.
  108. [1] Hof Amsterdam 8 januari 1998, NJ 2000/152.
  109. [1] Hof Amsterdam 8 januari 1998, NJ 2000/152.
  110. [1] Stadsarchief Amsterdam, De raadzaal bezet, .
  111. [1]Stadsarchief Amsterdam, Geen kroning, .
  112. [1] Zie aantekening 8.
  113. [1] HR 28 oktober 2011, NJ 2013/153.
  114. [1] HR 4 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4943.
  115. [1] HR 4 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4943; zie ook HR 2 februari 1971, NJ 1971/385 en HR 8 april 1980, NJ 1980/330 (anti-kraakbepaling Arnhem).
  116. [1] O. van der Bijl, Strafrechtelijk ontruimen: einde verhaal?, NJB 2010, 100.
  117. [1] HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ1254.
  118. [1] O. van der Bijl, Strafrechtelijk ontruimen: einde verhaal?, NJB 2010, 100.
  119. [1] O. van der Bijl, Strafrechtelijk ontruimen: einde verhaal?, NJB 2010, 100.
  120. [1] Zie ook Kamerstukken II 2008/09, 31560, nr. 11.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels, Commentaar op artikel 12 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2017 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Binnentreden woning

Door strikte voorwaarden te verbinden aan het binnentreden in een woning tegen de wil van de bewoner beschermt de Grondwet het zogenoemde huisrecht. Iedereen heeft het recht op privacy in zijn woning. Wanneer op dat recht inbreuk wordt gemaakt zonder de voorgeschreven procedure te volgen, is die inbreuk onrechtmatig. Een gevolg daarvan kan bijvoorbeeld zijn dat bewijsmateriaal dat daarbij is verzameld in het kader van een justitieel onderzoek onrechtmatig is verkregen.
 
Een woning is een plek die de bewoner als woning aanmerkt en die als zodanig daadwerkelijk in gebruik is. Dat zal vaak een woning in de gebruikelijke betekenis zijn, maar daarnaast kan in beginsel elke plek die iemand op een bepaald moment als woning beschouwt binnen de reikwijdte van artikel 12 vallen, zoals een woonboot, een caravan, een vakantiewoning of een hotelkamer. De woning hoeft niet het eigendom van de bewoner, noch een gehuurde ruimte te zijn. Ook illegale bewoning van een kraakpand valt onder de bescherming van deze bepaling. De Grondwet garandeert dat een inbreuk op het huisrecht dan volgens een correcte procedure dient te verlopen.
 
Het huisrecht biedt alleen bescherming tegen het daadwerkelijk fysiek binnengaan van een woning tegen de wil van de bewoner. Het heimelijk afluisteren en het gebruik van verborgen videocamera’s – het ‘virtueel’ binnendringen van een woning – vallen niet onder het huisrecht, maar wel onder de werking van artikel 10 Grondwet.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Binnentreden woning

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Binnentreden woning

The Bull-dog

HR 25 oktober 1977, NJ 1978, 137
Niet altijd kan worden gezegd dat de opsporingsbeambtenaar die door een geopende deur een woning binnentreedt zonder wetenschap van de bewoner tegen diens wilt handelt. (oud recht)

Recente rechtspraak

Binnentreden woning

Politiek

Binnentreden woning

Video
Blogs
IN DE WERELD
Video

Binnentreden woning

  • Is artikel 12 Grondwet belangrijk?
  • Kort verslag over uitspraak Hof over uitvoering Kraakwet
  • Verslag over verbod uitvoering Kraakwet
Is artikel 12 Grondwet belangrijk?
Het binnentreden van een woning zonder toestemming van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, zegt artikel 12 van de Grondwet. Dit betekent dat de overheid niet zomaar een woning mag binnengaan, als de bewoner dat niet wil. Maar wat nu als je een bedrijfspand hebt gekraakt met de bedoeling om daar te wonen? Heb je dan dezelfde bescherming? Aflevering 6 over de alledaagsheid van de Grondwet handelt over het huisrecht.
Blogs

Binnentreden woning

In de wereld

Binnentreden woning