#9: Beter kijken, meer zien
Kan het rustig en geduldig kijken naar ‘juridisch relevante’ films of zelfs het bedachtzaam lezen van literaire boeken de kwaliteit van de rechtenopleiding en van het rechtsbedrijf verbeteren? Dat is een lastige, misschien wel onbeantwoordbare vraag. In zekere zin heb ik daar altijd wel in geloofd. Ik ben er onzekerder over geworden, want het aanbod aan beelden en de invloed van (sociale) media is letterlijk overweldigend. Er wordt meer gekeken dan ooit en ik moet toegeven dat ik het postmoderne beeldlandschap maar voor een klein deel ken. Bovendien is er al jaren een lawine aan nieuws, documentaires en commentaren over de weerzinwekkende wreedheden in Gaza, Oekraïne en Soedan. En iedere dag zijn er ook filmpjes uit de VS, het Overzeese Land van de Beeldcultuur, waar de rechtsstaat in hoog tempo instort. Misschien is de volgende overweging te veel door mijn eigen verleden getekend. We weten inmiddels: ‘nostalgie is ook niet meer wat het geweest is’. Toch is het idee en ideaal van ‘wijze’, meertalige juristen, die niet alleen het recht, maar ook de samenleving en zichzelf kennen, ook nu nog aansprekend.
Er is zeker stevig en zelfs filosofisch nagedacht over de mogelijke ‘impact’ van literatuur en films op de rechtspleging. De uiterst productieve auteur Martha Nussbaum publiceerde in 1995 een voor haar doen dun boek ‘Poetic Justice. The Literary Imagination and Public Life’. Daarin stelt ze dat het lezen van literaire boeken, zoals ‘Hard Times’ van Charles Dickens of ‘Song of Myself’ van Walt Whitman, de belevingswereld van publieke officials als rechters en advocaten inderdaad kan verrijken en verdiepen. Hun eigen sociale kring is beperkt; vaak komen juristen uit de (hogere) middenklassen. De noodzakelijke sensitiviteit kan worden gewekt door het intensief kennisnemen van het lot van degenen, die onderaan de maatschappelijke ladder terechtkwamen. Vooral een onderlinge uitwisseling van lees- of kijkervaringen kan zorgen voor een completer en humaner inzicht. In de lijn van moraalfilosoof Adam Smith stelt Nussbaum: zo kun je een ‘judicious spectator’ worden, een oordeelkundig en rechtvaardig waarnemer, een moreel en professioneel kundig rechtsbeoefenaar.
In Nederland besteedde de destijds befaamde prof. Jan Leijten in 1991 aandacht aan deze kwestie in zijn afscheidsrede ‘We need stories’. De oudere lezers zullen deze naam kennen en de jongeren moeten hem beslist googelen. Leijten was een geestige, zeer belezen en erg verstrooide man. Hij bracht het ver in de juridische hiërarchie (AG bij de HR), maar schreef ook erg tegendraadse en uitdagende stukjes (een soort blogs) en boeken. In deze rede stelt hij dat dat we niet naar al die losse regels en leerstukken van het recht moeten kijken, maar dat we verhalen nodig hebben om ze in een levend verband te zien. We moeten die verhalen tot ons laten doordringen, om tot juiste interpretaties te komen en om uiteindelijk om goed te kunnen ondersteunen en oordelen.
Laten we de proef op de som nemen en gaan kijken. Bijvoorbeeld naar de recente Frans-Belgische film ‘On vous croit’, die zich vooral in een groot glazen gerechtsgebouw afspeelt. De eerste scène laat een kaal winderig plein zien, waar een moeder met haar zestienjarige dochter en tienjarige zoon op de tram staat te wachten. De jongen wil niet mee en het kost heel veel moeite om hem binnenboord te krijgen. Het blijkt om een zitting bij een vrouwelijke familierechter te gaan. Inzet is een mogelijke herziening van een omgangsregeling na echtscheiding. De (biologische) vader heeft de kinderen al twee jaar niet mogen zien en vindt dat onjuist en onrechtvaardig. In de loop van pleidooien en de getuigenissen van de beide ouders komt langzaamaan het verborgen, gewelddadige verhaal naar boven. De jongen is door de vader misbruikt en aangerand. Er is ook een strafzaak gestart, maar die loopt uiterst traag. De acteurs spelen levensecht, het lijkt een documentaire, indringend, schokkend, rauw. De juridische officials – bijna allemaal vrouwen – moeten terughoudend en zorgvuldig opereren, maar één van hen heeft gezegd: ‘Het duurt hier allemaal te lang. Maar wij geloven jullie’ (On vous croit). Zelden zag ik een zo indringende en realistische film over de betekenis en de beperking van rechterlijke procedures.
( Nog een tip. Een mooie, verzorgde, kleurrijke film uit 2025 is Napoli, New York. Twee kinderen verstoppen zich net na de oorlog in een zeeschip en varen als verstekeling mee naar New York. De oudere zus van het meisje is daar al eerder naar toe gereisd. Wanneer ze haar opsporen, blijkt ze in de gevangenis te zitten, op verdenking van moord. Dit leidt tot een geruchtmakend proces, met veel protesten vanuit de Italiaanse gemeenschap. Uiteindelijk wordt die daad gezien al een ‘crime passionel’ en komt ze er af met een lichte straf. Erg boeiend).
Tekst en context
In de rechtspraktijk wemelt het van teksten: contracten, dagvaardingen, vonnissen, pleitnotities, testamenten etc. Ook in de juridische opleiding staan teksten centraal: wetboeken, dikke leerboeken en jurisprudentiebundels. Als ik het goed heb, is de fameuze beeldcultuur nog nauwelijks doorgedrongen in het curriculum, behalve in vaak nogal povere power-point presentaties. Natuurlijk komt ook de casuïstiek aan de orde, maar in de behandeling daarvan gaat het om een specifieke rechtsvraag. Het vaak complexe, verwarrende en emotionele verhaal ‘achter de casus’ verdwijnt achter de coulissen. Om een mogelijk lange beschouwing (te) kort samen te vatten deze stelling: de juristerij is te tekstueel en te weinig contextueel. De verhalen achter de juridische constructies moeten ook verteld en getoond worden.
Een zee aan films
Ook als je niet al te lang zoekt, blijkt er een rijk reservoir te bestaan aan films, die allerlei aspecten van de veelvormige juridische werkelijkheid in beeld brengen. Samen met anderen organiseerde ik twee keer een ‘juridisch filmfestival’, beide keren ruim twintig films, met informatieve inleidingen en gedachtewisseling en reflectie achteraf. De eerste keer was midden in Utrecht (2002), de tweede keer aan de rand van het land, in Vlissingen (2012).
In het laatste geval was er een officiële jury (met o.m. oud-minister Winnie Sorgdrager en thrillerschrijver en Neerlandicus René Appel) die een soort canon van recht- en rechtspraakfilms opstelde. De eerste plaats was voor een klassieker, namelijk 12 Angry Men, een film van Sidney Lumet uit 1956. Twaalf witte mannen zitten in een hete kamer om te beslissen over het lot van een achttienjarige zwarte jongen uit een achterstandsbuurt in New York. Hij wordt ervan beschuldigd zijn vader, die hem mishandelde, te hebben neergestoken. Het bewijs (getuigen, forensische sporen) tegen hem lijkt sterk. Verschillende juryleden denken dat het daarom snel zal gaan. Elf van de twaalf mannen zeggen meteen dat de jongen ‘schuldig’ is. Dat betekent dat hij de doodstraf zal krijgen. Er is één man, een architect, die zich verzet (een glansrol van Henry Fonda). Dan ontspint zich een heftig psychologisch spel. Die ene man weet gaandeweg maar bijzonder moeizaam de anderen te overtuigen, dat er bij alle bewijsmiddelen ‘gerede twijfels’ mogelijk zijn. Uiteindelijk is de conclusie dat het bewijs niet ‘beyond reasonable doubt’ is: de jongen wordt vrijgesproken. Het bijzondere van dit juryberaad is dat er tegelijk een beeld van de Amerikaanse maatschappij oprijst: rassenhaat, conformisme en conflicten met de eigen kinderen blijken een rol te spelen in de oordeelsvorming. De film maakte toen al duidelijk hoe fataal een ‘tunnelvisie’ kan uitwerken.
De tweede plek was in 2012 voor het Oscar winnende, Argentijnse erg spannende rechtbankdrama ‘El Secreto de Sus Oyos. Maar op mij maakte een toen nieuwe Franse film ‘Presumé Coupable’ (2011) de diepste indruk. Het gaat om een man, die van grootschalig kindermisbruik beschuldigd wordt. De film begint met het helse tumult van de politie-inval in het huis van de verdachte en zijn gezin, ’s ochtends vroeg. De beschuldigde blijkt deurwaarder te zijn, een juridische functionaris dus. Een fanatieke, jonge openbare aanklager zit er als een jachthond achteraan. De ex-deurwaarder komt in een treurige, onheilspellende, oude bajes terecht. Hij verzet zich uit alle macht, ook via een lange hongerstaking. Uiteindelijk – eigenlijk te laat – krijgt hij goede rechtshulp. Heel langzaamaan wordt duidelijk dat de (valse) aangiften zijn gedaan door een familie, die wraak wil nemen, omdat zij met deze deurwaarder te maken hadden gehad. Na lange tijd komt de man vrij; hij is gebroken en zijn gezin ook. Net als de Nederlandse film over Lucia de B. is deze Franse ‘Schuld Voorondersteld’ tamelijk nauwgezet gebaseerd op ‘ware gebeurtenissen’. Als iets het verantwoordelijkheidsbesef van juristen zou kunnen en moeten wekken, is het goed kijken naar zo’n film. Ik gebruikte hem ook als docent voor internationale studenten en hopelijk denken zij er aan terug.
Indirecte en rechtstreekse waarneming
Het advies van Nussbaum om na een film of boek met elkaar kijk- en leeservaringen uit te wisselen en zo aan gezamenlijke reflectie te doen, onderschrijf ik van harte. Natuurlijk kan dit maar een bescheiden bijdrage aan de noodzakelijk (morele) vorming leveren, maar sommige films kunnen als een bommetje inslaan. Dat was in mijn eigen geval zo bij het zien van de film ‘One Flew Over The Cuckoo’s Nest’ (nu opnieuw in roulatie) in 1975. Ik was 22 en studeerde rechten en filosofie in Amsterdam. Deze film bleek een beslissende ervaring. Ik zag de geestige en grimmige film, met de grandioze Jack Nicholson als uitdager van de onderdrukkende atmosfeer op een psychiatrische afdeling. Ik dacht: dat moet toch anders en menselijker kunnen. En dat denk ik nog steeds. Kort daarna ging ik acht maanden als stagiair werken bij het pas opgerichte Krisiscentrum, midden in de stad. Zo leerde ik via een confrontatie met verwarde en moedeloze mensen de achterkant en de rafelrand van de grote stad kennen. Daar ben ik ook nu nog dankbaar voor. Later deed ik langdurig onderzoek in de intramurale psychiatrie en schreef er drie boeken over. En inderdaad: het is binnen de geestelijke gezondheidszorg wel anders, soms heel wat beter geworden, al blijven de aloude risico’s aanwezig.
De indirecte waarneming – via het scherm – kan waardevol en verrijkend zijn, maar kan de rechtstreekse ervaring niet vervangen.
Reacties