Terug naar overzicht

#7: Dead Poets Society: burgers en dichters in recht en rechtspraak


‘O Captain! My Captain!’ Zo heet een beroemd gedicht van Walt Whitman over Abraham Lincoln. Het is ook de bijnaam die leerlingen van een prestigieuze kostschool in de film Dead Poets Society (1989) gebruiken voor hun leraar Engels, John Keating. Wat maakt deze leraar – gespeeld door Robin Williams – nu zo bijzonder? In zijn lessen houdt Keating er onorthodoxe methoden op na. Terwijl de school bekendstaat om strikte discipline, moedigt hij zijn leerlingen aan om hun creativiteit te omarmen en zelfstandig te denken, los van rigide normen en vastgeroeste tradities.

Seize the day, boys! Make your lives extraordinary’, aldus Keating, wijzend op een vitrine met klassenfoto’s uit langvervlogen tijden. Wie verstandig is, zorgt dat hij niet vergeet ‘het merg uit het leven te zuigen’, voordat zijn laatste uur geslagen heeft. De vorming van een authentieke persoonlijkheid is volgens Keating daarvoor cruciaal. ‘You must strive to find your own voice, and the longer you wait to begin, the less likely you are to find it at all’, aldus Keating. Voor het vinden van zo’n ‘eigen stem’ zou literatuur en met name de dichtkunst hoogst behulpzaam kunnen zijn.

De tweespalt die in Dead Poets Society wordt geschetst tussen een vastgeroest burgerbestaan enerzijds en een vrij en authentiek poëtisch leven anderzijds resoneert met een typologie van ‘burgers’ en ‘dichters’ die lijkt te zijn verankerd in een wijdverbreid cultureel bewustzijn. De ideaaltypische burger is conformistisch, gezagsgetrouw en wars van zelfreflectie. Hij voelt zich veilig in de massa en ontleent zijn identiteit aan zijn rol binnen maatschappelijke instituties — het gezin, de kerk, de staat.

Daartegenover staat de figuur van de dichter. Waar de burger leeft binnen de veilige grenzen van algemene conventies en een gedeelde moraal, weigert de dichter zich zomaar te voegen naar de maatschappelijke orde. Als geen ander representeert hij een authentiek bestaan, los van de schijnzekerheden die door de burger zo vast worden omklemd. Hij belichaamt een zekere geestelijke adel en verheft zich boven burgerlijke middelmaat en luie zelfgenoegzaamheid – niet omdat hij zich superieur waant, maar uit trouw aan een diepere waarheidszin en zijn persoonlijke geweten.

Burgerlijke en dichterlijke rechtsvinding

De dialectiek van dichterschap en burgerdom laat zich ook in juridische kwesties vaak herkennen. Neem bijvoorbeeld de toeslagenaffaire – een schandaal van alweer enkele jaren gelden dat nog altijd nadreunt en telkens opnieuw weer verbijstering en verbazing opwekt. Vanwege kleine administratieve fouten werden veel ontvangers van kinderopvangtoeslag verplicht tot enorme terugbetalingen, waardoor zij hun leven – en dat van hun gezin – soms geheel in de soep zagen lopen. Hadden de betrokken bestuursrechters niet iets meer ‘dichter’ moeten zijn, en minder ‘burger’?

Keer op keer leek het wel alsof de bestuursrechters bij hun uitspraken hun ‘authentieke zelf’ volkomen hadden uitgeschakeld. Zelfs de meest disproportionele en apert onrechtvaardige terugvorderingsbeslissingen lieten zij aanvankelijk onaangetast. Daarbij verscholen zij zich over het algemeen achter een wettelijk systeem dat geen ruimte zou bieden aan uitzonderingen en waarvan zij slechts de onpersoonlijke toepassers zouden zijn. ‘When you read, don’t just consider what the author thinks, consider what you think’, aldus Keating in

Dead Poets Society. Aan precies die les leken de betrokken rechters geen enkele boodschap te hebben.

Een ‘burgerlijke’ visie op recht en rechtsvinding is op zichzelf heel aantrekkelijk. En voor velen bovendien hoogst comfortabel. In de ‘burgerlijke’ opvatting is de eigen persoon van de juridische beslisser volkomen indifferent. Zijn eigen handen wassend in onschuld presenteert hij zich als de passieve vertegenwoordiger van een onpersoonlijk regelsysteem. Op die manier blijft hij zelf gemakkelijk buiten schot. Zich schuilhoudend achter juridisch-technische vormen behoudt hij een veilige afstand tot moeilijke vragen over politiek en moraal. Zo komt hij maximaal tegemoet aan een burgerlijk verlangen naar rust, veiligheid en een voorspelbare orde.

‘Think for yourselves!’

Ironisch genoeg kwam de rechtspraak in de toeslagenaffaire juist door die technische, onpersoonlijke en vermeend risicomijdende opstelling enorm onder vuur te liggen. Geen wonder, daarom, dat er naar aanleiding van de toeslagenaffaire al snel allerlei dikke rapporten verschenen waarin werd gereflecteerd op wat er mis was gegaan. Jarenlang ging er haast geen week voorbij of er vonden allerlei studiemiddagen, reflectiebijeenkomsten en andere bezinningsmomenten plaats waarbij werd onderzocht hoe het voortaan anders zou kunnen – zelfs zoveel dat er uiteindelijk een zekere vermoeidheid rondom het thema leek te ontstaan.

Een vrij breed gedragen conclusie van al die discussies is in ieder geval dat een snelle transitie nodig is van een ‘bureaucratische’ naar een ‘responsieve rechtsstaat’. Waar rechters en bestuurders zich in een bureaucratische rechtsstaat vooral richten op algemene regeltoepassing, staan in een responsieve rechtsstaat juist flexibiliteit en maatwerk voorop. De responsieve benadering oriënteert zich meer dan voorheen op concrete omstandigheden en zou daarom vragen om een creatievere omgang met de juridische doctrine. Uiteindelijk is het daarbij de bedoeling dat het recht om mensen draait en niet andersom.

Voor risicomijdend conformisme en het strikt verbergen van de eigen persoonlijke verantwoordelijkheid achter wetten, regels en andere juridische vormen is daarbij voortaan geen plaats meer. Of het nu gaat om het civiel-, het straf- of het bestuursrecht: in zogenaamde ‘buikpijndossiers’, aldus voorzitter van de Raad voor de rechtspraak Henk Naves, zal de rechter voortaan meer moed moeten tonen. Waar rechters ervaren dat het recht als regelsysteem ‘in de dagelijkse praktijk knelt’ en tot aperte onrechtvaardigheden leidt, zal hij eigenwijs moeten zijn en tegen het gebruikelijke normenkader in moeten gaan.

Now, my class, you will learn to think for yourselves again’, drukt Keating zijn leerlingen op het hart. Zojuist heeft hij de klas de opdracht gegeven een aantal pagina’s uit een leerboek te scheuren die het wonder van de dichtkunst naar zijn zin veel te schools benaderen. ‘Rip it out! I want it gone. Leave nothing of it’, aldus Keating. Henk Naves en de zijnen bepleiten welbeschouwd iets soortgelijks. Ook wat hen betreft zouden rechters en andere juridische beslissers zich af en toe dichters moeten betonen en zich niet langer klakkeloos moeten voegen naar de eisen van het burgerdom. ‘Think for yourselves’, luidt paradoxaal genoeg het nieuwe gebod.

‘Nooit van de beperktheid der vormen verlost’

Is het dichterschap de oplossing voor alle problemen? Dat nu ook weer niet. In Dead Poets Society maken Keating en zijn leerlingen van alles mee en veel van hun activiteiten dragen zeker bij aan persoonlijke groei. Vooral leerling Neil Perry voelt zich diep geraakt door Keatings ideeën. Hij ontdekt zijn liefde voor acteren, maar zijn autoritaire vader staat dit niet toe. Overweldigd door wanhoop pleegt Neil zelfmoord. Is hij nu slachtoffer van een autoritair systeem en een controlerende vader? Of is het juist de slaafse navolging van zijn grote voorbeeld John Keating die hem uiteindelijk fataal wordt? Voor beide valt wellicht wel wat te zeggen.

There’s a time for daring and there’s a time for caution, and a wise man understands which is called for’, aldus Keating ergens in de film tegen zijn leerlingen. Het dichterlijke leven is een mooie gedachte, maar in het werkelijke leven kan niemand alleen dichter zijn. Ook de dichter is ‘nooit van de beperktheid der vormen verlost’, schreef Menno ter Braak in dit verband ooit uiterst treffend. Zuivere dichters bestaan niet, al is het maar omdat hun denken wordt gevormd door de taal die hun door het burgerdom wordt aangereikt. Dichters blijven daarom hoe dan ook toch ook ‘burgers, die zich vergeefs van hun burgerlijke grammaire trachten te ontslaan’.

De figuur van John Keating in Dead Poets Society maakt op pijnlijke wijze duidelijk waar Ter Braak het in dit verband over heeft. In al zijn ogenschijnlijke authenticiteit voldoet Keating in alle opzichten aan een archetype dat we in oppervlakkige Hollywoodfilms maar al te vaak voorbij zien komen. Daarbij gaat het om de vertrouwde en door de commercie inmiddels tot de laatste druppel uitgemolken figuur van de buitenstaander die met onorthodoxe methoden het verstarde systeem opschudt. De zogenaamd authentieke, maar in feite nogal clichématige eenling die zich verzet tegen een rigide systeem, schoolboeken verscheurend en klimmend op bureautafels.

Gezonde werkelijkheidszin is in Dead Poets Society ver te zoeken. Een aantal inspirerende woorden van Keating en zijn leerlingen transformeren zogenaamd tot vrijdenkende individuen. Maar welbeschouwd ontwikkelen zij zich in de loop van de film vooral als Keatings slaafse navolgers. ‘O Captain! My Captain!’ Als Keating uiteindelijk ontslagen wordt, gaan zijn leerlingen allemaal braaf op de tafel staan, precies zoals Keating het hun heeft opgedragen. De melodramatische slotscène kan de onzelfstandigheid van al die zelfbenoemde poëten nauwelijks verhullen.

Blijvende spanning

Een theorie over juridische oordeelsvorming waarin de dialectiek tussen burgerdom en dichterschap bijzonder scherp naar voren komt, is die van de Amsterdamse privatist Paul Scholten. Enerzijds, aldus Scholten, zal de rechter zijn oordeel moeten baseren op geldende rechtsbronnen en algemeen geaccepteerde methoden van juridische interpretatie. Maar anderzijds is verantwoorde juridische oordeelsvorming volgens Scholten toch ook altijd tot op zekere hoogte een creatief proces waarin de rechter zijn eigen rechtsgevoel zal moeten laten spreken en tot eigen morele afwegingen zal moeten komen.

Natuurlijk: rechterlijke gebondenheid aan juridische vormen vervult een belangrijke objectiverende functie en dient belangrijke juridische waarden van gelijkheid en rechtszekerheid. Maar uiteindelijk is een rechterlijke uitspraak ‘alleen dán verantwoord […] als de rechter kan getuigen: ik kán niet anders’. Met andere woorden: bij de toepassing van algemene rechtsregels in concrete gevallen geval zal hij uiteindelijk alleen beslissingen kunnen nemen waarvoor hij niet alleen als onpersoonlijk magistraat, maar ook als gewetensvol persoon geheel kan instaan.

In welke gevallen zal de rechter zich nu getrouw moeten voegen naar de vormen van het burgerdom? En wanneer zal hij zich juist dichter moeten betonen en dergelijke vormen naar zijn eigen hand moeten zetten? Dergelijke vragen zullen zich nooit in hun algemeenheid laten beantwoorden. Rechters en andere juridische beslissers zullen daarom telkens opnieuw moeten omgaan met het dilemma waarmee ook de leerlingen van John Keating zich dagelijks geconfronteerd zien.

Soms kan het nodig zijn de vormen van het burgerdom los te laten en op zoek te gaan naar een ‘authentiek zelf’ dat belangrijke beslissingen voortaan in eigen hand neemt. Voor zo’n zoektocht is vaak moed nodig, zeker in omgevingen waar rigide normen en vaste tradities de boventoon voeren. Maar soms is het even moedig te onderkennen dat burgerlijke vormen hoe dan ook onontkoombaar zijn, zelfs – of in sommige gevallen zelfs juist – voor wie er het hevigst tegen in opstand komt. Een waarlijk ‘authentiek zelf’ bestaat nu eenmaal niet, zelfs niet in het klaslokaal van John Keating.

 

————-

Een uitgebreidere versie van dit essay verschijnt binnenkort in Egbert Dommering & Niels Graaf (red.), De nieuwe Elite: Menno ter Braak in de eenentwintigste eeuw

Over de auteurs

Lukas van den Berge

Lukas van den Berge is verbonden aan de afdeling Staatsrecht, bestuursrecht en rechtstheorie van de Universiteit Utrecht.

Reacties

Andere blogs uit deze reeks
Winteravonden: film, grondwet en rechtsstaat
#6: Bram Fischer, advocaat van het verzet tegen apartheid
Winteravonden: film, grondwet en rechtsstaat
#5: Stop die vretende, vrijende en onbeschofte bourgeoisvrienden!
Winteravonden: film, grondwet en rechtsstaat
#4: De ongelijke strijd van David tegen Goliath bij milieurechtszaken
Winteravonden: film, grondwet en rechtsstaat
#3: Een strafbare schending van een taboe
Winteravonden: film, grondwet en rechtsstaat
#2: Zelfbeschikking in een geregisseerde werkelijkheid
Winteravonden: film, grondwet en rechtsstaat
#1: Nuremberg als afspiegeling van huidige ideeën over de rechtsstaat
Winteravonden: film, grondwet en rechtsstaat
Winteravonden: film, grondwet en rechtsstaat