#6: Bram Fischer, advocaat van het verzet tegen apartheid
Bram Fischer van Jean van de Velde, met Peter Paul Muller in de titelrol van de advocaat Bram Fischer, is een klassiek rechtbankdrama, gebaseerd op ware gebeurtenissen ten tijde van het apartheidsregime in Zuid-Afrika. Deze film uit 2017 werd goed ontvangen en won destijds twee gouden kalveren. Lof was er niet alleen voor het acteerwerk van Muller, maar ook voor de onbevangen wijze waarop de Zuid-Afrikaanse acteur Sello Motloung de rol van Nelson Mandela vertolkt.
De film behandelt een van de grote rechtszaken die de felle, zware en principiële strijd tegen het apartheidsregime hebben gekenmerkt. Het gaat om de Rivonia Trial, de strafzaak in 1963-1964 tegen de leiders van uMkhonto we Sizwe (Speer van de Natie), de paramilitaire vleugel van het ANC die door Nelson Mandela was opgericht. Hun belangrijkste raadsman werd de Afrikaner Bram Fischer, een gerespecteerd en vooraanstaand advocaat, voorzitter van de Johannesburg Bar Council, en lid van diezelfde Bar Council sinds 1942.
Wat maakt Bram Fischer (1908-1975) tot een fascinerend personage? Hij is een gespleten karakter: hij verdient zijn geld als corporate lawyer, dienstbaar aan grote bedrijven als het diamantbedrijf De Beers dat over de ruggen van zwarte Zuid-Afrikanen die in de mijnen moeten werken enorme winsten maakt. “Jij bent mijn diamant, Fischer”, vertrouwt cliënt De Beers hem aan het begin van de film toe. Fischer beseft maar al te goed dat hij handlanger is van een kapitalistisch systeem waarvan hij als communist niets moet weten. “Advocaten zijn speeltjes van de rijken”, legt Fischer zijn dochter uit. De discrepantie tussen Fischers levensstijl als begunstigde van het systeem én zijn idealen die daarmee lijnrecht in strijd zijn, levert een interessante spanning op.
Maar die spanning wordt pas echt op de spits gedreven als duidelijk wordt hoezeer Fischer in het geheim betrokken is bij de ondergrondse strijd tegen het apartheidsregime die door Mandela en anderen wordt gevoerd. Hij is simpelweg een van hen. Dus als Fischer ervoor kiest om de verdediging te voeren van Mandela en anderen in het Rivonia-proces kun je je afvragen hoe ethisch dat is: een advocaat moet immers niet alleen partijdig, maar ook onafhankelijk zijn. Dat gebrek aan onafhankelijkheid zal Fischer tijdens het Rivonia-proces overigens nog danig in de problemen brengen, als de aanklager daar lucht van lijkt te krijgen. Meer zal ik er hier niet over zeggen, kijk vooral zelf naar de film.
Laat ik in plaats daarvan ingaan op iets waarover de film niet gaat, namelijk op het memorabele strafproces tegen Bram Fischer zelf, een proces dat aanvangt op het moment dat deze film is afgelopen. Bram Fischer wordt in 1964 gearresteerd en vervolgd voor zijn clandestiene communistische verzetsactiviteiten die door het regime waren verboden. Zijn felle strijd tegen het apartheidsregime wordt hem als witte Afrikaner uit een vooraanstaande familie extra kwalijk genomen. Fischer betaalde, met steun van anderen, een borg waardoor hij op vrije voeten mocht deelnemen aan zijn proces. Dat de rechter hiermee akkoord ging had Fischer hoogstwaarschijnlijk te danken aan zijn witte huid en zijn reputatie.
Maar begin 1965 schendt Fischer plotseling de voorwaarden van de borg. Hij duikt onder en zal maandenlang spoorloos blijven. In de rechtszaal zal een van zijn advocaten namens hem een brief voorlezen, waarin Fischer stelt dat hij zich tot zijn illegale daad verplicht voelde om het monsterlijke apartheidsregime te kunnen blijven bevechten.
De gehoorzaamheidsplicht aan recht en regels – en dus ook aan de voorwaarden van de borg – houden volgens Fischer op, als het rechtssysteem zelf de vorm van groot onrecht heeft aangenomen. Dan ontstaat de morele plicht tot verzet, dezelfde “morele plicht om op te treden” waaraan koning Willem-Alexander op 1 juli 2023 refereerde toen hij vergiffenis vroeg voor de rol van zijn voorouders bij de instandhouding van het juridisch en racistisch onrecht van het koloniale slavernijverleden en eerherstel verleende aan Tula, de leider van de slavenopstand op Curaçao in 1795.
Mandela noemde Fischers schending van de borg, waarmee hij zijn bevoorrechte positie als Afrikaner definitief prijsgaf, “a class of its own”. Gevolg was wel dat Fischer uit de Orde van Advocaten werd gestoten. Deze royering door zijn eigen vakgenoten heeft Fischer diep geraakt. Het trof hem zelfs harder dan de levenslange gevangenisstraf die hem uiteindelijk ten deel zou vallen en waaraan hij in 1975, ernstig ziek en uitgeput, zou bezwijken.
Fischer ging vergeefs tegen zijn ‘disbarment’ in beroep. Zijn advocaat was Sydney Kentridge, ooit zijn junior in eerdere processen waarin hij anti-apartheidsstrijders had verdedigd. Voor wie meer wil weten van de grote, uiterst boeiende processen die de anti-apartheidsstrijd hebben gekenmerkt, kan ik The Mandela Brief, Sydney Kentridge and the Trials of Apartheid van Thomas Grant van harte aanbevelen.
Na het eindvonnis in de zaak Bram Fischer kreeg Kentridge zijn cliënt, voorbeeld en vriend nooit meer te zien. Wel kreeg hij nog Fischers aktetas toegestuurd. Deze koffer schonk Sydney aan zijn zoon, de beroemde kunstenaar William Kentridge die de koffer met regelmaat een plek geeft in zijn installaties en theaterstukken. Wat Fischer betreft, die werd op 16 oktober 2003 opnieuw als advocaat tot de Johannesburg Bar toegelaten. Bij wijze van rehabilitatie, 28 jaar na zijn dood.
Het levensverhaal van Bram Fischer, zoals deels vertolkt in de film, is in de huidige tijd weer verrassend actueel. Welke houding dien je aan te nemen als je profiteert van een systeem, waarin structurele ongelijkheid tussen mensen op basis van huidskleur (‘ras’), of herkomst tot een vaste norm is verheven? De burgermoed van de mens en advocaat Bram Fischer kan in tijden van moreel nihilisme, ‘white supremacy’ en egoïsme een bron van troost en inspiratie vormen.
Reacties