#3: Een strafbare schending van een taboe
Il y a longtemps que je t’aime (2008) – Philippe Claudel
Op een Frans vliegveld haalt Léa haar zus Juliette op. Ze hebben elkaar lang niet gezien. Juliette is arts. Ze heeft een gevangenisstraf van vijftien jaar uitgezeten. Ze werd veroordeeld voor het om het leven brengen van haar zesjarige zoon Pierre. Ze is net vrij. Ze heeft geen woning en geen werk. Ze staat nog onder toezicht.
Juliette trekt voorlopig bij Léa in. Léa woont met man, twee geadopteerde dochters en schoonvader in Nancy. Juliette probeert met vallen en opstaan een eigen leven op te bouwen. Ze stuit op weerstand en onbegrip. Sociaal is ze zoekend, van schuw naar bescheiden. Behoedzaam wint ze vertrouwen.
Raadselachtig blijft waarom Juliette haar kind om het leven heeft gebracht. Pas aan het slot wordt duidelijk dat Juliette wist dat haar zoon een ernstige ziekte had waaraan hij spoedig zou overlijden. Zij kon de ondraaglijke lijdensweg van haar kind niet verdragen en beëindigde zijn leven. Dat had ze al die jaren verzwegen, voor justitie en familie. In de film klinkt herhaaldelijk de melodie van een Frans liedje over een verloren liefde, “À la claire fontaine”.
In recensies van deze film op internet gaat het over de indringende wijze waarop de regie van Claudel en het spel van de acteurs de aandacht vestigen op zo’n re-integratieproces in familie en samenleving, verweven met complexe levensvragen. Deze film laat ook zien wat een taboe in de samenleving over zulke vragen kan betekenen in het leven van mensen. Bij de verschijning in 2008 nodigde de film in Frankrijk en daarbuiten uit tot reflectie op de rechtsontwikkeling als het gaat om keuzes van mensen in relatie tot het levenseinde bij uitzichtloos lijden. Dat is in 2026 niet anders.
In Frankrijk, waar net als in Nederland het woord euthanasie wordt gebruikt voor levensbeëindiging op verzoek van een patiënt door een arts, is euthanasie niet toegestaan. Vragen over menswaardig sterven houden de gemoederen in Frankrijk al behoorlijk lang bezig. In 2002 kwam er een regeling over het afzien en beëindigen van medisch handelen, en in 2016 een regeling over palliatieve zorg. In 2025 werd hulp bij zelfdoding bij wet geregeld. De omstandigheden waaronder hulp bij zelfdoding in Frankrijk toelaatbaar is, zijn aanzienlijk beperkter dan de omstandigheden waaronder in Nederland euthanasie wettelijk mogelijk is. In Frankrijk is een voorwaarde voor hulp bij zelfdoding dat het bij een patiënt gaat om een ernstige, ongeneeslijke en levensbedreigende ziekte in een zeer vergevorderd of terminaal stadium die gepaard gaat met hardnekkig of ondraaglijk lijden.
Over het debat en de gevoeligheid van het onderwerp is in de loop der jaren in de Franse media geregeld verslag gedaan. Zo stond in Le Monde op 27 mei 2025:
“Après un long parcours semé d’embûches, le texte sur l’aide active à mourir a été voté par l’Assemblée nationale le 27 mai. Ce projet de réforme fracture profondément le Parlement, le gouvernement et la société, où les avis divergent sur l’opportunité de permettre l’assistance au suicide ou l’euthanasie des personnes atteintes de maladies incurables.”
oftewel:
“Na een lang en moeizaam traject is het wetsvoorstel over hulp bij zelfdoding op 27 mei door de Nationale Assemblee aangenomen. Dit hervormingsvoorstel zorgt voor een diepe kloof tussen het parlement, de regering en de samenleving, waar de meningen uiteenlopen over de vraag of hulp bij zelfdoding of euthanasie van mensen met een ongeneeslijke ziekte moet worden toegestaan.”
In de verslaglegging in de Franse media worden met enige regelmaat vergelijkingen gemaakt met de situatie in andere landen, zoals: euthanasie is in Europa geregeld in Spanje (2021), Luxemburg (2009), België (2002) en Nederland (2001), en hulp bij zelfdoding in Oostenrijk (2022), Duitsland (2020), Italië (2019) en Zwitserland (1942).
De situatie waarbinnen euthanasie in Nederland is geregeld, begint constitutioneel bij de Grondwet, die de grondrechten en de democratische rechtsstaat waarborgt (Algemene bepaling). Onze geschreven grondrechten staan niet alleen in het eerste hoofdstuk van onze Grondwet, maar ook in het EVRM en zijn Protocollen dat in Nederland tot het constitutionele recht behoort, en in het EU-Handvest. Het Handvest verwoordt in Titel I dat de menselijke waardigheid onschendbaar is en moet worden geëerbiedigd en beschermd, en in Titel II dat eenieder recht heeft op vrijheid en veiligheid van zijn persoon. Art. 2 EVRM en art. 2 EU-Handvest beschermen het recht op leven. Soortgelijke bepalingen staan sinds 1948 in art. 1 en art. 3 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.
Een menselijke vrijheid om te sterven ligt, naar de huidige stand van de dynamische verdragsinterpretatie van het EVRM, niet besloten in het recht op leven van art. 2 EVRM, net zo min als een recht van een individu om te kiezen voor de dood in plaats van voor het leven (EHRM 29 april 2002, rov. 39, 2346/02, Pretty/Verenigd Koninkrijk). Het recht op leven belet echter niet dat in een lidstaat euthanasie niet langer strafbaar wordt gesteld, mits er passende en toereikende waarborgen zijn om misbruik tegen te gaan en het recht op leven te respecteren (EHRM 4 oktober 2022, rov. 138-139, 78017/17, Mortier/België). Conceptueel wordt vrijheid om te sterven mede benaderd vanuit een afweging van positieve verplichtingen van de staat op basis van art. 2 EVRM en het recht op privéleven op basis van art. 8 EVRM van degene die in vrijheid en menswaardig wenst te sterven, of ten aanzien van wie wordt overwogen een levensverlengende behandeling te beëindigen (GC EHRM 5 juni 2015, rov. 140-143, 46043/14, Lambert/Frankrijk). Zo beantwoordde het EHRM de vraag of op een staat een positieve verplichting rust om de noodzakelijke maatregelen te treffen voor het toestaan van een menswaardige zelfdoding, mede aan de hand van de positieve verplichting om tegen te gaan dat een mens niet in vrijheid en niet met “full understanding of what is involved” kiest voor zelfdoding (EHRM 20 januari 2011, 31322/07, Haas/Zwitserland, rov. 54).
Het EHRM verwoordt in zijn rechtspraak over deze onderwerpen dat het maatschappelijke debat en de rechtsontwikkeling in de lidstaten van de Raad van Europa over de beëindiging van een behandeling, hulp bij zelfdoding en euthanasie worden meegewogen. Dat is essentieel voor een optimale en toekomstbestendige wisselwerking tussen internationaal en nationaal recht bij de uitleg en toepassing van grondrechten door instituties in de leefsituatie. Het juridische, maatschappelijke en politieke debat over deze onderwerpen blijft zich ontwikkelen. Recent was er in Nederland een internetconsultatie over een initiatiefconceptwetsvoorstel om de strafbaarstelling van euthanasie en hulp bij zelfdoding uit het Wetboek van Strafrecht te schrappen. Over deze kwestie gaat het proefschrift van Saskia Knol uit 2025 (Strafbaarstelling van euthanasie).
Voor mij gaat Il y a longtemps que je t’aime ook over de rol van juristen in het juridische en maatschappelijke debat over de menselijke vrijheid en de menselijke waardigheid in relatie tot een zelf gekozen levenseinde, of in relatie tot een situatie waarin van ouders wordt gevraagd in te voelen wat hun ernstig en ongeneeslijk zieke jonge kind zou kiezen. In Nederland is er sinds 2024 een mede door juristen tot stand gebrachte regeling over levensbeëindiging bij kinderen van 1-12 jaar. Met deze regeling is bedoeld tegemoet te komen aan gevallen waarin palliatieve zorg geen uitkomst biedt. Kan een kind dat ongeneeslijk ziek is en uitzichtloos en ondraaglijk lijdt niet zelf om euthanasie verzoeken, dan hebben in Nederland de ouders een stem. De “diepe kloof” die Le Monde in het Franse debat signaleert, komt tot onder de huid bij het zien van deze film. Voorafgaand aan het onthullende slot toont het scenario een aaneenschakeling van sensitieve beelden over de menselijke vrijheid en de menselijke waardigheid. Variërend van vrolijk, grappig, verdrietig, tot zelfbewust, onzeker, alledaags, bijzonder, boos, bang en liefdevol. De wanhoop van deze moeder – die besefte dat het in haar land niet mogelijk was om aan het voortschrijdend uitzichtloos lijden van haar kind een einde te laten maken door een arts, en die zelf als arts de middelen had om dat lijden actief te beëindigen – agendeert dilemma’s van artsen, patiënten en hun naasten. Het zijn dilemma’s over het recht op leven en privéleven, over de – beperkt door het recht van de democratische rechtsstaat beschermde – vrijheid om menswaardig te sterven, maar ook over grondrechten en beroepsuitoefening van mensen werkzaam in de gezondheidszorg.
De film roept de vraag op wat een taboe op dit debat betekent voor een wanhopig mens in een uitzichtloze noodsituatie. Hoe kan vanuit grondrechten in de democratische rechtsstaat worden bevorderd dat juridische en andere dilemma’s en keuzes in de maatschappij open onder ogen kunnen worden gezien, met aandacht voor perspectieven van patiënten, hun naasten, artsen en andere hulpverleners? Menige complexe en veelzijdige vraag over de menselijke vrijheid en de menselijke waardigheid in relatie tot het levenseinde bij uitzichtloos lijden is in Nederland en Europa al in rechtsregels uitgemond die in de leefsituatie rechtsbescherming kunnen bieden. De film “Il y a longtemps que je t’aime” kan juristen inspiratie bieden om constitutionele en rechtsstatelijke aspecten in het juridische en maatschappelijke debat te belichten en eraan bij te dragen dat niet wanhoop maar menselijke waardigheid het levenseinde domineert.
Reacties