Terug naar overzicht

Recente ontwikkelingen met betrekking tot de plaats van religie in de Amerikaanse publieke ruimte


In juni van dit jaar gaf de Statewide Virtual Charter School Board van de Amerikaanse staat Oklahoma toestemming voor de oprichting van de eerste (digitale) Charter School gebaseerd op een religieuze grondslag. Een Charter School is een particuliere school die volledig met publiek geld wordt bekostigd en gewoonlijk – maar niet in dit geval – algemeen toegankelijk is. De bekendmaking van dit nieuws leidde in de Verenigde Staten tot grote ophef. Americans United for Separation of Church and State kondigde, gesteund door de ACLU, direct aan alle openstaande juridische wegen te bewandelen om deze beslissing aan te vechten. Het is voorzienbaar dat de Katholieke St. Isidore of Seville Catholic Virtual School er uiteindelijk niet zal komen, omdat op de beslissing van de Statewide Virtual Charter School Board in juridische zin nog wel het nodige valt af te dingen.

De grote ophef die ontstond na de beslissing van de Virtual Charter School Board lijkt daar evenwel niet zo veel mee te maken te hebben en vooral te zijn ingegeven door de zorgen die sommige Amerikanen hebben over de plaats van religie in de publieke ruimte en in het bijzonder over de vermeende (religieus) conservatieve koers van de Amerikaanse Supreme Court. Een koers die onder andere tot de ontmanteling van de scheiding van kerk en staat zou leiden. Naar verwachting zal het Supreme Court in de nabije toekomst worden gevraagd een oordeel uit te spreken over de vraag of de overheid Charter Schools, zoals de St. Isidore of Seville Catholic Virtual School, kan (en moet) bekostigen.

De relatie tussen kerk en staat in de Verenigde Staten wordt in juridische zin bepaald door het eerste amendement bij de Amerikaanse Grondwet die zowel een verbod bevat voor de overheid om een staatskerk in te richten (establishment clause), als het recht beschermt op de vrije uitoefening van religieuze overtuigingen (free exercise clause).

Gedurende de Amerikaanse geschiedenis heeft het Supreme Court in het eerste amendement verschillende neutraliteitsconcepties gelezen. Waarbij vooral sinds de Tweede Wereldoorlog is gekozen voor een zeer strikte scheiding van kerk en staat. Die jurisprudentie leidde er voor een belangrijk deel toe dat religieuze uitingen naar het privédomein werden verwezen. Daarnaast kwam zij erop neer dat de overheid in financiële zin geen religieuze activiteiten mocht ondersteunen. En dus zeker ook geen school op religieuze grondslag mocht bekostigen.

Volgens tegenstanders van deze jurisprudentie heeft het Supreme Court daarmee een spanning in het eerste amendement gebracht die daar niet thuishoort. Door de overheid te verbieden religieuze activiteiten direct of indirect te ondersteunen, werd het voor veel gelovigen in de praktijk onmogelijk om in vrijheid en op voet van gelijkheid hun godsdienstvrijheid te beleven. Bijvoorbeeld: een niet religieuze instelling kan wel een door de overheid gesponseerde school beginnen, terwijl een religieuze instelling dat alleen kan door haar religieuze principes los te laten. Op basis van dit soort argumenten is het Supreme Court vanaf de jaren ‘90 langzaam meer ruimte gaan zien voor de overheid om ook (indirecte) financiële ondersteuning te bieden aan het religieus geïnspireerde particuliere onderwijs.

De jurisprudentie van het Supreme Court ten aanzien van de scheiding van kerk en staat was, mede door de geleidelijke beweging naar een ruimere interpretatie, lang niet altijd consistent, of navolgbaar. Vorig jaar oordeelde het Supreme Court dat het voortaan een nieuwe maatstaf zou hanteren bij de interpretatie van de establishment clause en free exercise clause. Een maatstaf die vooral is georiënteerd op een historische interpretatie van het amendement en tegelijkertijd beoogt de reikwijdte van de establishment clause en free exercise clause weer met elkaar te verenigen. Als uitwerking van deze lijn stelde het Supreme Court dat de scheiding van kerk en staat vooral bedoeld is om religieuze dwang door de overheid tegen te gaan. Daarmee lijkt ook de weg vrij om staten nog meer ruimte te bieden om religieuze activiteiten financieel te ondersteunen.

De meest recente jurisprudentie met betrekking tot de scheiding van kerk en staat is dus vooral een voortzetting van een ontwikkeling die al eerder is ingezet. Wat met dit soort jurisprudentie evenwel ook duidelijk wordt, is dat neutraliteitsconcepties samenhangen en botsen met opvattingen over nationale eenheid. Jefferson en Madison geloofden bijvoorbeeld dat nationale eenheid alleen bereikt kon worden als de staat zich niet al te nadrukkelijk zou verbinden met een uitgesproken religieuze moraal. Er moest een scheidsmuur tussen kerk en staat bestaan. Casus als die van de St. Isidore of Seville Catholic Virtual School laten de worsteling van de Verenigde Staten op dit punt zien. Een worsteling die zich laat vatten in de vraag hoe in een groot land met scherpe sociaal-maatschappelijke tegenstellingen en omvangrijke migratiestromen de eenheid bewaard kan worden. Bij de beantwoording van die vraag zal het Supreme Court, bewust van zijn constitutionele positie, een belangrijke rol hebben te spelen.

Stefan Philipsen schrijft deze bijdrage op persoonlijke titel en dankt prof. Charles J. Russo voor de informatie die hij verschafte

Over de auteurs

Stefan Philipsen

Stefan Philipsen is coördinerend wetgevingsjurist bij het ministerie van OCW

Reacties

Recente blogs
De belofte van de rechtsstaat: een deugdelijke rechtscultuur
Zomerreeks 2024: Constitutionele momenten
Constitutionele momenten #3: Een naderend constitutioneel moment? Over de werking van de vertrouwensregel en hoorzittingen met kandidaat-bewindspersonen
Zomerreeks 2024: Constitutionele momenten
Constitutionele momenten #2: Over de democratische grenzen van het betogingsrecht: een kantiaanse denkoefening