Terug naar overzicht

Pleidooi voor duurzaamheid in private rechtsverhoudingen


In een opmerkelijk arrest van 22 oktober 2021 heeft het Belgische Hof van Cassatie geoordeeld dat een rechter geen rekening kan (en mag) houden met het algemeen belang bij het afwegen van private belangen. De zaak in kwestie betrof een klassiek burengeschil: de overhangende takken. Het Hof oordeelt dat de waarde van de betreffende bomen voor de omgeving van geen tel is voor de vraag of de vordering van de buurman tot snoeiing van de bomen misbruik van recht uitmaakt. Wat in eerste instantie vooral een privaatrechtelijk geschil lijkt, blijkt bij nader inzien aan de kern van de rechtsstaat te raken.

Zoals wel vaker vormden ook in dit arrest bomen het voorwerp van een burenruzie. De beuken en platanen van buur X respecteerden de wettelijke afstandsregels van het Veldwetboek niet en dus vorderde buur Y de rooiing ervan. De vrederechter (het Belgische equivalent van de Nederlandse kantonrechter) stelde een deskundige aan die vaststelde dat een ingrijpende snoei van de bomen het voortbestaan van de bomen in gevaar zou brengen. De vrederechter veroordeelde partij X dan ook enkel tot bepaalde voorzorgsmaatregelen om de overschrijding van de perceelsgrens binnen de perken te houden. Partij Y was niet tevreden met het vonnis, en tekende beroep aan. Zijn vordering werd echter afgewezen op grond van misbruik van recht: ook al ondervindt partij Y wel degelijk hinder, namelijk het ontnemen van zonlicht ende creatie van vochtigheid op de bodem en de grote bladval in de herfst, dit weegt niet op tegen het belang van de bomen voor de omgeving. De naburige percelen waren weliswaar private eigendommen, maar lagen ook langs een weg door een park dat een belangrijke groene long bood voor de stedelijke omgeving. Overwegingen van algemeen belang wogen zwaar door in het oordeel van de bodemrechter. Partij Y zette echter door en bracht de zaak tot voor het Hof van Cassatie.

In het arrest van 22 oktober 2021 besliste het Hof van Cassatie dat wanneer een rechter moet beoordelen of een partij misbruik van recht pleegt door zich op een bepaald recht te beroepen ten opzichte van een andere partij, uitsluitend de private belangen van de partijen tegenover elkaar kunnen worden afgewogen.

Er is sprake van rechtsmisbruik wanneer het gediende belang kennelijk onevenredig is met het geschade belang of wanneer het nadeel voor de ene partij disproportioneel is ten opzichte van het voordeel van de andere partij. Deze proportionaliteitstoets kan er niet toe leiden dat een vordering (tot snoeiing of rooiing van bomen) kennelijk onevenredig is omwille van de nadelige gevolgen voor het algemeen belang. Enkel de nadelige gevolgen van de ene partij en het voordeel voor de andere partij worden in de weegschaal gelegd.

Voor het Hof is er dus geen plaats voor het algemeen belang in een strikt privaatrechtelijk geschil. De bodemrechter was bij de proportionaliteitstoets een stap verder/te ver gegaan. In onze huidige maatschappelijke context kan een eenvoudige belangenafweging niet volstaan, aldus de bodemrechter, en zijn de gevolgen voor de mens, het milieu en de omgeving, met andere woorden “de collectieve dimensie van de uitoefening van het recht in kwestie” evenzeer van belang.

Voor het Belgische Hof van Cassatie is het dus blijkbaar van generlei belang dat de bomen in kwestie waardevol zijn vanuit milieuperspectief. Het duurzaamheidsargument werd verworpen en het Hof oordeelde dat een rechter geen rekening moet (en zelfs mag) houden met de impact op het algemeen belang. Wanneer een rechter wél rekening houdt met de ruimere maatschappelijke gevolgen van de uitoefening van een recht, miskent hij volgens het Hof immers het algemeen rechtsbeginsel van het verbod op rechtsmisbruik.

Nochtans zou een rechter minstens rekening moeten kunnen houden met de impact voor het algemeen belang, als deel van alle omstandigheden van een zaak, wanneer hij beoordeelt of een bepaalde gedraging rechtsmisbruik uitmaakt; nu zou een rechter dit niet eens mogen doen, aldus het Hof.

Dergelijk standpunt is uiteraard nefast voor de transitie richting een meer duurzame leefomgeving. Het lijkt nochtans de evidentie zelve dat wanneer de uitoefening van een recht aan een proportionaliteitstoets wordt onderworpen, er ook aandacht is voor de eventuele nadelige gevolgen voor het algemeen belang. In een arrest van 16 november 1961 (!) oordeelde het Hof van Cassatie nog dat het algemeen belang mee in rekening wordt gebracht bij de beoordeling van rechtsmisbruik. Het Hof komt in het besproken arrest klaarblijkelijk terug op zijn eerdere rechtspraak.

Sinds 1 september 2021 vervangt artikel 3.134 BW de oude regeling voor overhangende takken uit artikel 37 Veldwetboek. De nieuwe bepaling is niet van toepassing op de besproken zaak en geldt enkel voor beplantingen aangebracht na de inwerkingtreding van de wet. Voortaan bepaalt artikel 3.134, tweede lid BW: “[…] Hij [de nabuur] kan eveneens eisen dat de eigenaar dit wegsnijdt, tenzij de rechter van oordeel is dat zulks rechtsmisbruik uitmaakt. De rechter houdt bij dat oordeel rekening met alle omstandigheden van het geval, met inbegrip van het algemeen belang. […]” (eigen nadruk). Wanneer een rechter oordeelt of een vordering tot snoeiing van overhangende takken rechtsmisbruik uitmaakt, houdt hij dus rekening met alle omstandigheden van de zaak, inclusief het algemeen belang. Het doel van de wetgever was daarbij onmiskenbaar om het leefmilieu en duurzaamheid in het algemeen een prominente plaats te geven.

Het arrest van de Franstalige sectie van de eerste kamer van het Hof van Cassatie staat haaks op de huidige maatschappelijke context en het belang van een duurzame, groene leefomgeving. Hoewel er in België geen juridisch erkend algemeen rechtsbeginsel bestaat dat de voorrang van het algemeen op het particulier belang vastlegt (Cass. 23 mei 1991), rijst de vraag of in huidige maatschappelijke context de aandacht voor duurzaamheid geen algemene gedragsregel zou moeten uitmaken in het Europese privaatrecht. De vraag stellen is ze beantwoorden. Ondergrens van iedere opvatting over wat rechtsstatelijkheid impliceert is legaliteit. Legaliteit – hier begrepen als trouw aan het recht – sluit een doelgerichte interpretatie van de wet die bovendien aansluit bij het inmiddels van toepassing zijnde artikel 3.134, tweede lid BW geenszins uit. Wil het recht zich ook in de toekomst als spil in complexe rechtsverhoudingen blijven manifesteren, dan is een dynamische en doelgerichte opvatting over de betekenis van het recht onvermijdelijk. Beginselen als proportionaliteit, die zich niet beperken tot privaatrechtelijke verhoudingen, kunnen daar een belangrijke rol in vervullen. Er is voor het Belgische Hof van Cassatie hier nog wel wat winst te boeken…

Over de auteurs

Dorothy Gruyaert

Dorothy Gruyaert is professor recht en duurzaamheid aan het Leuvense Institute for Property Law en het Leuven Centre for Public Law

Reacties

Recente blogs
De spiegel van ‘Dobbs’: wat valt er voor Nederland van te leren?
Een parlementaire gevaarzettingsdoctrine is een heilloze weg
Nudging en responsiviteit. Een pleidooi tegen technocratisch nudgingsbeleid