CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • G. Leenknegt
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • A.A.L. Beers en K.T. Meijer
  • B.C. van Beers
  • B.M.J. van der Meulen
  • B.P. Vermeulen
  • B.W.N. de Waard
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • E.J. Janse de Jonge
  • E.J. Koops
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • F. Fleurke
  • F.C.M.A. Michiels
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx en A.C.M. Meuwese
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard en J. Uzman
  • G. Leenknegt
  • G. Overkleeft-Verburg
  • G. van der Schyff en B.M.J. van der Meulen
  • J. Kiewiet en G.F.M. van der Tang †
  • J. Uzman
  • J. Uzman en G. Boogaard
  • J.C.A. de Poorter
  • J.L.M. Gribnau en M.R.T Pauwels
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • J.W.A. Fleuren
  • K.T. Meijer
  • M. Adams
  • Mijke Houwerzijl & Nuna Zekic
  • Mijke Houwerzijl en Frank Vlemminx
  • P. Jacobs
  • S. Daniëls
  • S. Jellinghaus en E. Huisman
  • S.C. van Bijsterveld
  • S.C. van Bijsterveld en B.P. Vermeulen
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • T. Kooijmans
  • T. Peters
  • W. van der Woude
  • W.J.M. Voermans
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

HOOFDSTUK 1

Grondrechten

INLEIDING

Artikel 1 - Gelijke behandeling

Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Artikel 2 - Nederlandschap en vreemdelingen

  1. De wet regelt wie Nederlander is.
  2. De wet regelt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen.
  3. Uitlevering kan slechts geschieden krachtens verdrag. Verdere voorschriften omtrent uitlevering worden bij de wet gegeven.
  4. Ieder heeft het recht het land te verlaten, behoudens in de gevallen, bij de wet bepaald.

Artikel 3 - Gelijke benoembaarheid

Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.

Artikel 4 - Kiesrecht

Iedere Nederlander heeft gelijkelijk recht de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen alsmede tot lid van deze organen te worden verkozen, behoudens bij de wet gestelde beperkingen en uitzonderingen.

Artikel 5 - Petitierecht

Ieder heeft het recht verzoeken schriftelijk bij het bevoegd gezag in te dienen.

Artikel 6 - Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging

  1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 7 - Vrijheid van meningsuiting

  1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- of televisieuitzending.
  3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar regelen ter bescherming van de goede zeden.
  4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.

Artikel 8 - Recht tot vereniging

Het recht tot vereniging wordt erkend. Bij de wet kan dit recht worden beperkt in het belang van de openbare orde.

Artikel 9 - Recht tot vergadering en betoging

  1. Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 10 - Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer

  1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.
  2. De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens.
  3. De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.

Artikel 11 - Onaantastbaarheid van het lichaam

Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.

Artikel 12 - Binnentreden woning

  1. Het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen.
  2. Voor het binnentreden overeenkomstig het eerste lid zijn voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden vereist, behoudens bij de wet gestelde uitzonderingen.
  3. Aan de bewoner wordt zo spoedig mogelijk een schriftelijk verslag van het binnentreden verstrekt. Indien het binnentreden in het belang van de nationale veiligheid of dat van de strafvordering heeft plaatsgevonden, kan volgens bij de wet te stellen regels de verstrekking van het verslag worden uitgesteld. In de bij de wet te bepalen gevallen kan de verstrekking achterwege worden gelaten, indien het belang van de nationale veiligheid zich tegen verstrekking blijvend verzet.

Artikel 13 - Vertrouwelijke communicatie

  1. Het briefgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, op last van de rechter.
  2. Het telefoon- en telegraafgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, door of met machtiging van hen die daartoe bij de wet zijn aangewezen.

Artikel 14 - Onteigening

  1. Onteigening kan alleen geschieden in het algemeen belang en tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander naar bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.
  2. De schadeloosstelling behoeft niet vooraf verzekerd te zijn, wanneer in geval van nood onverwijld onteigening geboden is.
  3. In de gevallen bij of krachtens de wet bepaald bestaat recht op schadeloosstelling of tegemoetkoming in de schade, indien in het algemeen belang eigendom door het bevoegd gezag wordt vernietigd of onbruikbaar gemaakt of de uitoefening van het eigendomsrecht wordt beperkt.

Artikel 15 - Vrijheidsontneming

  1. Buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen.
  2. Hij aan wie anders dan op rechterlijk bevel zijn vrijheid is ontnomen, kan aan de rechter zijn invrijheidstelling verzoeken. Hij wordt in dat geval door de rechter gehoord binnen een bij de wet te bepalen termijn. De rechter gelast de onmiddellijke invrijheidstelling, indien hij de vrijheidsontneming onrechtmatig oordeelt.
  3. De berechting van hem aan wie met het oog daarop zijn vrijheid is ontnomen, vindt binnen een redelijke termijn plaats.
  4. Hij aan wie rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, kan worden beperkt in de uitoefening van grondrechten voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt.

Artikel 16 - Nulla poena

Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.

Artikel 17 - Wettelijk toegekende rechter

Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent.

Artikel 18 - Rechtsbijstand

  1. Ieder kan zich in rechte en in administratief beroep doen bijstaan.
  2. De wet stelt regels omtrent het verlenen van rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen.

Artikel 19 - Werkgelegenheid en arbeidskeuze

  1. Bevordering van voldoende werkgelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de rechtspositie van hen die arbeid verrichten en omtrent hun bescherming daarbij, alsmede omtrent medezeggenschap.
  3. Het recht van iedere Nederlander op vrije keuze van arbeid wordt erkend, behoudens de beperkingen bij of krachtens de wet gesteld.

Artikel 20 - Bestaanszekerheid

  1. De bestaanszekerheid der bevolking en spreiding van welvaart zijn voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de aanspraken op sociale zekerheid.
  3. Nederlanders hier te lande, die niet in het bestaan kunnen voorzien, hebben een bij de wet te regelen recht op bijstand van overheidswege.

Artikel 21 - Milieubescherming

De zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu.

Artikel 22 - Volksgezondheid en woongelegenheid

  1. De overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid.
  2. Bevordering van voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  3. Zij schept voorwaarden voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding.

Artikel 23 - Onderwijs

  1. Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.
  2. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.
  3. Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld.
  4. In elke gemeente wordt van overheidswege voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal openbare scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven, al dan niet in een openbare school.
  5. De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.
  6. Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.
  7. Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.
  8. De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten-Generaal.
HOOFDSTUK 2

Regering INLEIDING

Artikel 24 - Koningschap

Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau.

Artikel 25 - Erfopvolging

Het koningschap gaat bij overlijden van de Koning krachtens erfopvolging over op zijn wettige nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft, met plaatsvervulling volgens dezelfde regel. Bij gebreke van eigen nakomelingen gaat het koningschap op gelijke wijze over op de wettige nakomelingen eerst van zijn ouder, dan van zijn grootouder, in de lijn van erfopvolging, voor zover de overleden Koning niet verder bestaand dan in de derde graad van bloedverwantschap.

Artikel 26 - Status ongeboren kind Koning

Het kind, waarvan een vrouw zwanger is op het ogenblik van het overlijden van de Koning, wordt voor de erfopvolging als reeds geboren aangemerkt. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

Artikel 27 - Afstand koningschap

Afstand van het koningschap leidt tot erfopvolging overeenkomstig de regels in de voorgaande artikelen gesteld. Na de afstand geboren kinderen en hun nakomelingen zijn van de erfopvolging uitgesloten.

Artikel 28 - Afstand koningschap door huwelijk

  1. De Koning, een huwelijk aangaande buiten bij de wet verleende toestemming, doet daardoor afstand van het koningschap.
  2. Gaat iemand die het koningschap van de Koning kan beërven een zodanig huwelijk aan, dan is hij met de uit dit huwelijk geboren kinderen en hun nakomelingen van de erfopvolging uitgesloten.
  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake van een voorstel van wet, strekkende tot het verlenen van toestemming, in verenigde vergadering.

Artikel 29 - Uitsluiting troonopvolging

  1. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden daartoe nopen, kunnen bij een wet een of meer personen van de erfopvolging worden uitgesloten.

  2. Het voorstel daartoe wordt door of vanwege de Koning ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 30 - Benoemde Koning

  1. Wanneer vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal ontbreken, kan deze worden benoemd bij een wet. Het voorstel wordt door of vanwege de Koning ingediend. Na de indiening van het voorstel worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  2. Indien bij overlijden van de Koning of bij afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt, worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers komen binnen vier maanden na het overlijden of de afstand in verenigde vergadering bijeen ten einde te besluiten omtrent de benoeming van een Koning. Zij kunnen een opvolger alleen benoemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 31 - Erfopvolging benoemde koning

  1. Een benoemde Koning kan krachtens erfopvolging alleen worden opgevolgd door zijn wettige nakomelingen.

  2. De bepalingen omtrent de erfopvolging en het eerste lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op een benoemde opvolger, zolang deze nog geen Koning is.

Artikel 32 - Inhuldiging Koning

Nadat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen, wordt hij zodra mogelijk beëdigd en ingehuldigd in de hoofdstad Amsterdam in een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Hij zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt. De wet stelt nadere regels vast.

Artikel 33 - Koningschap en meerderjarigheid

De Koning oefent het koninklijk gezag eerst uit, nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

Artikel 34 - Ouderlijk gezag minderjarige Koning

De wet regelt het ouderlijk gezag en de voogdij over de minderjarige Koning en het toezicht daarop. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 35 - Buiten staat verklaring

  1. Wanneer de ministerraad van oordeel is dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, bericht hij dit onder overlegging van het daartoe gevraagde advies van de Raad van State aan de Staten-Generaal, die daarop in verenigde vergadering bijeenkomen.

  2. Delen de Staten-Generaal dit oordeel, dan verklaren zij dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen. Deze verklaring wordt bekend gemaakt op last van de voorzitter der vergadering en treedt terstond in werking.

  3. Zodra de Koning weer in staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, wordt dit bij de wet verklaard. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Terstond na de bekendmaking van deze wet hervat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag.

  4. De wet regelt zo nodig het toezicht over de persoon van de Koning indien hij buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 36 - Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag

De Koning kan de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk neerleggen en die uitoefening hervatten krachtens een wet, waarvan het voorstel door of vanwege hem wordt ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 37 - Uitoefening koninklijk gezag door regent

  1. Het koninklijk gezag wordt uitgeoefend door een regent:
    a. zolang de Koning de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt;
    b. indien een nog niet geboren kind tot het koningschap geroepen kan zijn;
    c. indien de Koning buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen;
    d. indien de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk heeft neergelegd;
    e. zolang na het overlijden van de Koning of na diens afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt.

  2. De regent wordt benoemd bij de wet. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  3. In de gevallen, genoemd in het eerste lid onder c en d, is de nakomeling van de Koning die zijn vermoedelijke opvolger is, van rechtswege regent indien hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

  4. De regent zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt, in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal. De wet geeft nadere regels omtrent het regentschap en kan voorzien in de opvolging en de vervanging daarin. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  5. Op de regent zijn de artikelen 35 en 36 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38 - Uitoefening koninklijk gezag door RvS

Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk gezag is voorzien, wordt dit uitgeoefend door de Raad van State.

Artikel 39 - Lidmaatschap koninklijk huis

De wet regelt, wie lid is van het koninklijk huis.

Artikel 40 - Uitkering koninklijk huis

  1. De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het Rijk uitkeringen naar regels bij de wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het koninklijk huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen.

  2. De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, zijn vrij van persoonlijke belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of zijn vermoedelijke opvolger krachtens erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van het koninklijk huis vrij van de rechten van successie, overgang en schenking. Verdere vrijdom van belasting kan bij de wet worden verleend.

  3. De kamers der Staten-Generaal kunnen voorstellen van in de vorige leden bedoelde wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 41 - Inrichting huis Koning

De Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis in.

Artikel 42 - Ministeriële verantwoordelijkheid

  1. De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.

  2. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.

Artikel 43 - Regering en ministers

De minister-president en de overige ministers worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.

Artikel 44 - Ministeries

  1. Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.

  2. Ook kunnen ministers worden benoemd die niet belast zijn met de leiding van een ministerie.

Artikel 45 - Ministerraad

  1. De ministers vormen te zamen de ministerraad.

  2. De minister-president is voorzitter van de ministerraad.

  3. De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid.

Artikel 46 - Staatssecretarissen

  1. Bij koninklijk besluit kunnen staatssecretarissen worden benoemd en ontslagen.

  2. Een staatssecretaris treedt in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister.

Artikel 47 - Ondertekening en contraseign

Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.

Artikel 48 - Ontslag en benoeming ministers

Het koninklijk besluit waarbij de minister-president wordt benoemd, wordt mede door hem ondertekend. De koninklijke besluiten waarbij de overige ministers en de staatssecretarissen worden benoemd of ontslagen, worden mede door de minister-president ondertekend.

Artikel 49 - Ambtseed minister en staatssecretaris

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de ministers en de staatssecretarissen bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.
HOOFDSTUK 3

Staten-Generaal INLEIDING

Artikel 50 - Vertegenwoordiging

De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk.

Artikel 51 - Eerste en Tweede Kamer

  1. De Staten-Generaal bestaan uit de Tweede Kamer en de Eerste Kamer.

  2. De Tweede Kamer bestaat uit honderdvijftig leden.

  3. De Eerste Kamer bestaat uit vijfenzeventig leden.

  4. Bij een verenigde vergadering worden de kamers als één beschouwd.

Artikel 52 - Zittingsduur

  1. De zittingsduur van beide kamers is vier jaren.
  2. Indien voor de provinciale staten bij de wet een andere zittingsduur dan vier jaren wordt vastgesteld, wordt daarbij de zittingsduur van de Eerste Kamer in overeenkomstige zin gewijzigd.

Artikel 53 - Evenredige vertegenwoordiging

  1. De leden van beide kamers worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  2. De verkiezingen worden gehouden bij geheime stemming.

Artikel 54 - Verkiezing Tweede Kamer

  1. De leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen ten aanzien van Nederlanders die geen ingezetenen zijn.

  2. Van het kiesrecht is uitgesloten hij die wegens het begaan van een daartoe bij de wet aangewezen delict bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste een jaar en hierbij tevens is ontzet van het kiesrecht.

Artikel 55 - Verkiezing Eerste Kamer

De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten. De verkiezing wordt, behoudens in geval van ontbinding der kamer, gehouden binnen drie maanden na de verkiezing van de leden van provinciale staten.

Artikel 56 - Vereisten voor lidmaatschap

Om lid van de Staten-Generaal te kunnen zijn is vereist dat men Nederlander is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.

Artikel 57 - Incompatibiliteiten

  1. Niemand kan lid van beide kamers zijn.

  2. Een lid van de Staten-Generaal kan niet tevens zijn minister, staatssecretaris, lid van de Raad van State, lid van de Algemene Rekenkamer, Nationale ombudsman of substituut-ombudsman, of lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij de Hoge Raad.

  3. Niettemin kan een minister of staatssecretaris, die zijn ambt ter beschikking heeft gesteld, dit ambt verenigen met het lidmaatschap van de Staten-Generaal, totdat omtrent die beschikbaarstelling is beslist.

  4. De wet kan ten aanzien van andere openbare betrekkingen bepalen dat zij niet gelijktijdig met het lidmaatschap van de Staten-Generaal of van een der kamers kunnen worden uitgeoefend.

Artikel 57a - Zwangerschap en ziekte

De wet regelt de tijdelijke vervanging van een lid van de Staten-Generaal wegens zwangerschap en bevalling, alsmede wegens ziekte.

Artikel 58 - Geloofsbrieven

Elke kamer onderzoekt de geloofsbrieven van haar nieuwbenoemde leden en beslist met inachtneming van bij de wet te stellen regels de geschillen welke met betrekking tot de geloofsbrieven of de verkiezing zelf rijzen.

Artikel 59 - Kiesrecht en verkiezingen

Alles, wat verder het kiesrecht en de verkiezingen betreft, wordt bij de wet geregeld.

Artikel 60 - Ambtsaanvaarding

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de leden van de kamers bij de aanvaarding van hun ambt in de vergadering een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

Artikel 61 - Voorzitter en griffier

  1. Elk der kamers benoemt uit de leden een voorzitter.

  2. Elk der kamers benoemt een griffier. Deze en de overige ambtenaren van de kamers kunnen niet tevens lid van de Staten-Generaal zijn.

Artikel 62 - Verenigde vergadering

De voorzitter van de Eerste Kamer heeft de leiding van de verenigde vergadering.

Artikel 63 - Geldelijke voorzieningen

Geldelijke voorzieningen ten behoeve van leden en gewezen leden van de Staten-Generaal en van hun nabestaanden worden bij de wet geregeld. De kamers kunnen een voorstel van wet ter zake alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 64 - Ontbinding Kamers

  1. Elk der kamers kan bij koninklijk besluit worden ontbonden.

  2. Het besluit tot ontbinding houdt tevens de last in tot een nieuwe verkiezing voor de ontbonden kamer en tot het samenkomen van de nieuw gekozen kamer binnen drie maanden.

  3. De ontbinding gaat in op de dag waarop de nieuw gekozen kamer samenkomt.

  4. De wet stelt de zittingsduur van een na ontbinding optredende Tweede Kamer vast; de termijn mag niet langer zijn dan vijf jaren. De zittingsduur van een na ontbinding optredende Eerste Kamer eindigt op het tijdstip waarop de zittingsduur van de ontbonden kamer zou zijn geëindigd.

Artikel 65 - Troonrede

Jaarlijks op de derde dinsdag van september of op een bij de wet te bepalen eerder tijdstip wordt door of namens de Koning in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal een uiteenzetting van het door de regering te voeren beleid gegeven.

Artikel 66 - Openbaarheid vergaderingen

  1. De vergaderingen van de Staten-Generaal zijn openbaar.

  2. De deuren worden gesloten, wanneer een tiende deel van het aantal aanwezige leden het vordert of de voorzitter het nodig oordeelt.

  3. Door de kamer, onderscheidenlijk de kamers in verenigde vergadering, wordt vervolgens beslist of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd en besloten.

Artikel 67 - Quorum

  1. De kamers mogen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering alleen beraadslagen of besluiten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden ter vergadering aanwezig is.

  2. Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen.

  3. De leden stemmen zonder last.

  4. Over zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, wanneer één lid dit verlangt.

Artikel 68 - Inlichtingenplicht bewindslieden

De ministers en de staatssecretarissen geven de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat.

Artikel 69 - Aanwezigheid bewindslieden

  1. De ministers en de staatssecretarissen hebben toegang tot de vergaderingen en kunnen aan de beraadslaging deelnemen.

  2. Zij kunnen door de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn.

  3. Zij kunnen zich in de vergaderingen doen bijstaan door de personen, daartoe door hen aangewezen.

Artikel 70 - Recht van enquête

Beide kamers hebben, zowel ieder afzonderlijk als in verenigde vergadering, het recht van onderzoek (enquête), te regelen bij de wet.

Artikel 71 - Parlementaire onschendbaarheid

De leden van de Staten-Generaal, de ministers, de staatssecretarissen en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging, kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergaderingen van de Staten-Generaal of van commissies daaruit hebben gezegd of aan deze schriftelijk hebben overgelegd.

Artikel 72 - Reglement van orde

De kamers stellen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering een reglement van orde vast.

HOOFDSTUK 4

Adviesorganen INLEIDING

Artikel 73 - Taak Raad van State

  1. De Raad van State of een afdeling van de Raad wordt gehoord over voorstellen van wet en ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur, alsmede over voorstellen tot goedkeuring van verdragen door de Staten-Generaal. In bij de wet te bepalen gevallen kan het horen achterwege blijven.

  2. De Raad of een afdeling van de Raad is belast met het onderzoek van de geschillen van bestuur die bij koninklijk besluit worden beslist en draagt de uitspraak voor.

  3. De wet kan aan de Raad of een afdeling van de Raad de uitspraak in geschillen van bestuur opdragen.

Artikel 74 - Rechtspositie leden

  1. De Koning is voorzitter van de Raad van State. De vermoedelijke opvolger van de Koning heeft na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar van rechtswege zitting in de Raad. Bij of krachtens de wet kan aan andere leden van het koninklijk huis zitting in de Raad worden verleend.

  2. De leden van de Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  3. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  4. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Raad worden geschorst of ontslagen.

  5. De wet regelt overigens hun rechtspositie

Artikel 75 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Raad van State.

  2. Bij de wet kunnen aan de Raad of een afdeling van de Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 76 - Algemene rekenkamer

De Algemene Rekenkamer is belast met het onderzoek van de ontvangsten en uitgaven van het Rijk.

Artikel 77 - Rechtpositie leden rekenkamer

  1. De leden van de Algemene Rekenkamer worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Hoge Raad worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 78 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Algemene Rekenkamer.

  2. Bij de wet kunnen aan de Algemene Rekenkamer ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 78a - Nationale ombudsman

  1. De Nationale ombudsman verricht op verzoek of uit eigen beweging onderzoek naar gedragingen van bestuursorganen van het Rijk en van andere bij of krachtens de wet aangewezen bestuursorganen.
  2. De Nationale ombudsman en een substituut-ombudsman worden voor een bij de wet te bepalen termijn benoemd door de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Tweede Kamer der Staten-Generaal worden geschorst of ontslagen. De wet regelt overigens hun rechtspositie.
  3. De wet regelt de bevoegdheid en werkwijze van de Nationale ombudsman.
  4. Bij of krachtens de wet kunnen aan de Nationale ombudsman ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 79 - Vaste colleges van advies

  1. Vaste colleges van advies in zaken van wetgeving en bestuur van het Rijk worden ingesteld bij of krachtens de wet.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van deze colleges.

  3. Bij of krachtens de wet kunnen aan deze colleges ook andere dan adviserende taken worden opgedragen.

Artikel 80 - Openbaarmaking advies

  1. De adviezen van de in dit hoofdstuk bedoelde colleges worden openbaar gemaakt volgens regels bij de wet te stellen.

  2. Adviezen, uitgebracht ter zake van voorstellen van wet die door of vanwege de Koning worden ingediend, worden, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen, aan de Staten-Generaal overgelegd.

HOOFDSTUK 5

Wetgeving en bestuur INLEIDING

Artikel 81 - Wetgevende macht

De vaststelling van wetten geschiedt door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk.

Artikel 82 - Indienen wetsvoorstel

  1. Voorstellen van wet kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Voorstellen van wet waarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en, voor zover de betreffende artikelen van hoofdstuk 2 dit toelaten, door de verenigde vergadering.

  3. Voorstellen van wet, in te dienen door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering, worden bij haar door een of meer leden aanhangig gemaakt.

Artikel 83 - Toezending wetsvoorstel TK

Voorstellen van wet, ingediend door of vanwege de Koning, worden gezonden aan de Tweede Kamer of, indien daarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, aan deze vergadering.

Artikel 84 - Wijziging wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet, ingediend door of vanwege de Koning, niet door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering is aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en vanwege de regering worden gewijzigd.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden gewijzigd.

Artikel 85 - Toezending wetsvoorstel EK

Zodra de Tweede Kamer een voorstel van wet heeft aangenomen of tot indiening van een voorstel heeft besloten, zendt zij het aan de Eerste Kamer, die het voorstel overweegt zoals het door de Tweede Kamer aan haar is gezonden. De Tweede Kamer kan een of meer van haar leden opdragen een door haar ingediend voorstel in de Eerste Kamer te verdedigen.

Artikel 86 - Intrekking wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet niet door de Staten-Generaal is aangenomen, kan het door of vanwege de indiener worden ingetrokken.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden ingetrokken.

Artikel 87 - Aanneming en bekrachtiging

  1. Een voorstel wordt wet, zodra het door de Staten-Generaal is aangenomen en door de Koning is bekrachtigd.

  2. De Koning en de Staten-Generaal geven elkaar kennis van hun besluit omtrent enig voorstel van wet.

Artikel 88 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de wetten. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 89 - Algemene maatregel van bestuur

  1. Algemene maatregelen van bestuur worden bij koninklijk besluit vastgesteld.

  2. Voorschriften, door straffen te handhaven, worden daarin alleen gegeven krachtens de wet. De wet bepaalt de op te leggen straffen.

  3. De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de algemene maatregelen van bestuur. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

  4. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op andere vanwege het Rijk vastgestelde algemeen verbindende voorschriften.

Artikel 90 - Bevordering internationale rechtsorde

De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde.

Artikel 91 - Goedkeuring verdrag

  1. Het Koninkrijk wordt niet aan verdragen gebonden en deze worden niet opgezegd zonder voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. De wet bepaalt de gevallen waarin geen goedkeuring is vereist.

  2. De wet bepaalt de wijze waarop de goedkeuring wordt verleend en kan voorzien in stilzwijgende goedkeuring.

  3. Indien een verdrag bepalingen bevat welke afwijken van de Grondwet dan wel tot zodanig afwijken noodzaken, kunnen de kamers de goedkeuring alleen verlenen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 92 - Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties

Met inachtneming, zo nodig, van het bepaalde in artikel 91, derde lid, kunnen bij of krachtens verdrag aan volkenrechtelijke organisaties bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak worden opgedragen.

Artikel 93 - Verbindende kracht verdrag

Bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 94 - Verdrag boven wet

Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 95 - Bekendmaking verdrag

De wet geeft regels omtrent de bekendmaking van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 96 - Oorlogsverklaring

  1. Het Koninkrijk wordt niet in oorlog verklaard dan na voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal.

  2. De toestemming is niet vereist, wanneer het overleg met de Staten-Generaal ten gevolge van een feitelijk bestaande oorlogstoestand niet mogelijk is gebleken.

  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  4. Het bepaalde in het eerste en het derde lid is van overeenkomstige toepassing voor een verklaring dat een oorlog beëindigd is.

Artikel 97 - Krijgsmacht

  1. Ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk, alsmede ten behoeve van de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde, is er een krijgsmacht.

  2. De regering heeft het oppergezag over de krijgsmacht.

Artikel 98 - Samenstelling krijgsmacht

  1. De krijgsmacht bestaat uit vrijwillig dienenden en kan mede bestaan uit dienstplichtigen.

  2. De wet regelt de verplichte militaire dienst en de bevoegdheid tot opschorting van de oproeping in werkelijke dienst.

Artikel 99 - Gewetensbezwaren militaire dienst

De wet regelt vrijstelling van militaire dienst wegens ernstige gewetensbezwaren.

Artikel 99a - Civiele verdediging

Volgens bij de wet te stellen regels kunnen plichten worden opgelegd ten behoeve van de civiele verdediging.

Artikel 100 - Inlichtingen over krijgsmacht

  1. De regering verstrekt de Staten-Generaal vooraf inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. Daaronder is begrepen het vooraf verstrekken van inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht voor humanitaire hulpverlening in geval van gewapend conflict.

  2. Het eerste lid geldt niet, indien dwingende redenen het vooraf verstrekken van inlichtingen verhinderen. In dat geval worden inlichtingen zo spoedig mogelijk verstrekt.

Artikel 101 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 20 juli 1995

Artikel 102 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 22 juni 2000

Artikel 103 - Uitzonderingstoestand

  1. De wet bepaalt in welke gevallen ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid bij koninklijk besluit een door de wet als zodanig aan te wijzen uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd; zij regelt de gevolgen.

  2. Daarbij kan worden afgeweken van de grondwetsbepalingen inzake de bevoegdheden van de besturen van provincies, gemeenten en waterschappen, van de grondrechten geregeld in de artikelen 6, voor zover dit de uitoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen van het in dit artikel omschreven recht betreft, 7, 8, 9, 12, tweede en derde lid, en 13, alsmede van artikel 113, eerste en derde lid.

  3. Terstond na de afkondiging van een uitzonderingstoestand en voorts, zolang deze niet bij koninklijk besluit is opgeheven, telkens wanneer zij zulks nodig oordelen beslissen de Staten-Generaal omtrent het voortduren daarvan; zij beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 104 - Belastingheffing

Belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet. Andere heffingen van het Rijk worden bij de wet geregeld.

 
 

Artikel 105 - Recht van begroting

  1. De begroting van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt bij de wet vastgesteld.

  2. Jaarlijks worden voorstellen van algemene begrotingswetten door of vanwege de Koning ingediend op het in artikel 65 bedoelde tijdstip.

  3. De verantwoording van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt aan de Staten-Generaal gedaan overeenkomstig de bepalingen van de wet. De door de Algemene Rekenkamer goedgekeurde rekening wordt aan de Staten-Generaal overgelegd.

  4. De wet stelt regels omtrent het beheer van de financiën van het Rijk.

Artikel 106 - Geldstelsel

De wet regelt het geldstelsel.

Artikel 107 - Codificatie

  1. De wet regelt het burgerlijk recht, het strafrecht en het burgerlijk en strafprocesrecht in algemene wetboeken, behoudens de bevoegdheid tot regeling van bepaalde onderwerpen in afzonderlijke wetten.

  2. De wet stelt algemene regels van bestuursrecht vast.

Artikel 108 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 25 februari 1999

Artikel 109 - Rechtspositie ambtenaren

De wet regelt de rechtspositie van de ambtenaren. Zij stelt tevens regels omtrent hun bescherming bij de arbeid en omtrent medezeggenschap.

 

Artikel 110 - Openbaarheid van bestuur

De overheid betracht bij de uitvoering van haar taak openbaarheid volgens regels bij de wet te stellen.

 

Artikel 111 - Ridderorden

Ridderorden worden bij de wet ingesteld.
HOOFDSTUK 6

Rechtspraak INLEIDING

Artikel 112 - Civiele en administratieve rechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is opgedragen de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen.

  2. De wet kan de berechting van geschillen die niet uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, opdragen hetzij aan de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren. De wet regelt de wijze van behandeling en de gevolgen van de beslissingen.

Artikel 113 - Strafrechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van strafbare feiten.

  2. Tuchtrechtspraak door de overheid ingesteld wordt bij de wet geregeld.

  3. Een straf van vrijheidsontneming kan uitsluitend door de rechterlijke macht worden opgelegd.

  4. Voor berechting buiten Nederland en voor het oorlogsstrafrecht kan de wet afwijkende regels stellen.

Artikel 114 - Doodstraf

De doodstraf kan niet worden opgelegd.

Artikel 115 - Administratief beroep

Ten aanzien van de in artikel 112, tweede lid, bedoelde geschillen kan administratief beroep worden opengesteld.

Artikel 116 - Rechterlijke macht

  1. De wet wijst de gerechten aan die behoren tot de rechterlijke macht.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de rechterlijke macht.

  3. De wet kan bepalen, dat aan rechtspraak door de rechterlijke macht mede wordt deelgenomen door personen die niet daartoe behoren.

  4. De wet regelt het toezicht door leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast uit te oefenen op de ambtsvervulling door zodanige leden en door de personen bedoeld in het vorige lid.

Artikel 117 - Rechtspositie leden rechterlijke macht

  1. De leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal bij de Hoge Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet bepaald kunnen zij door een bij de wet aangewezen, tot de rechterlijke macht behorend gerecht worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 118 - Hoge Raad

  1. De leden van de Hoge Raad der Nederlanden worden benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. De Hoge Raad is in de gevallen en binnen de grenzen bij de wet bepaald, belast met de cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van het recht.

  3. Bij de wet kunnen aan de Hoge Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 119 - Ambtsmisdrijven

De leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreden terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.

Artikel 120 - Toetsingsverbod

De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.

Artikel 121 - Openbaarheid terechtzittingen

Met uitzondering van de gevallen bij de wet bepaald vinden de terechtzittingen in het openbaar plaats en houden de vonnissen de gronden in waarop zij rusten. De uitspraak geschiedt in het openbaar.

Artikel 122 - Gratie

  1. Gratie wordt verleend bij koninklijk besluit na advies van een bij de wet aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.

  2. Amnestie wordt bij of krachtens de wet verleend.

HOOFDSTUK 7

Decentralisatie INLEIDING

Artikel 123 - Instelling provincies en gemeenten

  1. Bij de wet kunnen provincies en gemeenten worden opgeheven en nieuwe ingesteld.

  2. De wet regelt de wijziging van provinciale en gemeentelijke grenzen.

Artikel 124 - Autonomie en medebewind

  1. Voor provincies en gemeenten wordt de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake hun huishouding aan hun besturen overgelaten.

  2. Regeling en bestuur kunnen van de besturen van provincies en gemeenten worden gevorderd bij of krachtens de wet.

Artikel 125 - Organen decentrale besturen

  1. Aan het hoofd van de provincie en de gemeente staan provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad. Hun vergaderingen zijn openbaar, behoudens bij de wet te regelen uitzonderingen.

  2. Van het bestuur van de provincie maken ook deel uit gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning, van het bestuur van de gemeente het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester.

Artikel 126 - Ambtsinstructie commissaris koning

Bij de wet kan worden bepaald, dat de commissaris van de Koning wordt belast met de uitvoering van een door de regering te geven ambtsinstructie.

Artikel 127 - Vaststelling verordening

Provinciale staten en de gemeenteraad stellen, behoudens bij de wet of door hen krachtens de wet te bepalen uitzonderingen, de provinciale onderscheidenlijk de gemeentelijke verordeningen vast.

Artikel 128 - Toekenning bevoegdheden

Behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 123, kan de toekenning van bevoegdheden, als bedoeld in artikel 124, eerste lid, aan andere organen dan die, genoemd in artikel 125, alleen door provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad geschieden.

Artikel 129 - Verkiezing vertegenwoordigend orgaan

  1. De leden van provinciale staten en van de gemeenteraad worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders, tevens ingezetenen van de provincie onderscheidenlijk de gemeente, die voldoen aan de vereisten die gelden voor de verkiezing van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Voor het lidmaatschap gelden dezelfde vereisten.
  2. De leden worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  3. De artikelen 53, tweede lid, en 59 zijn van toepassing. Artikel 57a is van overeenkomstige toepassing.
  4. De zittingsduur van provinciale staten en de gemeenteraad is vier jaren, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen.
  5. De wet bepaalt welke betrekkingen niet gelijktijdig met het lidmaatschap kunnen worden uitgeoefend. De wet kan bepalen, dat beletselen voor het lidmaatschap voortvloeien uit verwantschap of huwelijk en dat het verrichten van bij de wet aangewezen handelingen tot het verlies van het lidmaatschap kan leiden.
  6. De leden stemmen zonder last.

Artikel 130 - Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders

De wet kan het recht de leden van de gemeenteraad te kiezen en het recht lid van de gemeenteraad te zijn toekennen aan ingezetenen, die geen Nederlander zijn, mits zij tenminste voldoen aan de vereisten die gelden voor ingezetenen die tevens Nederlander zijn.

Artikel 131 - Benoeming commissaris Koning

De commissaris van de Koning en de burgemeester worden bij koninklijk besluit benoemd.

Artikel 132 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen

  1. De wet regelt de inrichting van provincies en gemeenten, alsmede de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen.

  2. De wet regelt het toezicht op deze besturen.

  3. Besluiten van deze besturen kunnen slechts aan voorafgaand toezicht worden onderworpen in bij of krachtens de wet te bepalen gevallen.

  4. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden bij koninklijk besluit wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

  5. De wet regelt de voorzieningen bij in gebreke blijven ten aanzien van regeling en bestuur, gevorderd krachtens artikel 124, tweede lid. Bij de wet kunnen met afwijking van de artikelen 125 en 127 voorzieningen worden getroffen voor het geval het bestuur van een provincie of een gemeente zijn taken grovelijk verwaarloost.

  6. De wet bepaalt welke belastingen door de besturen van provincies en gemeenten kunnen worden geheven en regelt hun financiële verhouding tot het Rijk.

Artikel 133 - Waterschappen

  1. De opheffing en instelling van waterschappen, de regeling van hun taken en inrichting, alsmede de samenstelling van hun besturen, geschieden volgens bij de wet te stellen regels bij provinciale verordening, voor zover bij of krachtens de wet niet anders is bepaald.

  2. De wet regelt de verordenende en andere bevoegdheden van de besturen van de waterschappen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen.

  3. De wet regelt het provinciale en overige toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 134 - Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

  1. Bij of krachtens de wet kunnen openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere openbare lichamen worden ingesteld en opgeheven.

  2. De wet regelt de taken en de inrichting van deze openbare lichamen, de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen. Bij of krachtens de wet kan aan hun besturen verordenende bevoegdheid worden verleend.

  3. De wet regelt het toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 135 - Gemeenschappelijke regelingen

De wet geeft regels ter voorziening in zaken waarbij twee of meer openbare lichamen zijn betrokken. Daarbij kan in de instelling van een nieuw openbaar lichaam worden voorzien, in welk geval artikel 134, tweede en derde lid, van toepassing is.

Artikel 136 - Geschillen

De geschillen tussen openbare lichamen worden bij koninklijk besluit beslist, tenzij deze behoren tot de kennisneming van de rechterlijke macht of hun beslissing bij de wet aan anderen is opgedragen.
HOOFDSTUK 8

Herziening grondwet INLEIDING

Artikel 137 - Grondwetswijziging

  1. De wet verklaart, dat een verandering in de Grondwet, zoals zij die voorstelt, in overweging zal worden genomen.

  2. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, een voorstel voor zodanige wet splitsen.

  3. Na de bekendmaking van de wet, bedoeld in het eerste lid, wordt de Tweede Kamer ontbonden.

  4. Nadat de nieuwe Tweede Kamer is samengekomen, overwegen beide kamers in tweede lezing het voorstel tot verandering, bedoeld in het eerste lid. Zij kunnen dit alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  5. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen een voorstel tot verandering splitsen.

Artikel 138 - Aanpassing niet gewijzigde bepalingen

  1. Voordat de in tweede lezing aangenomen voorstellen tot verandering in de Grondwet door de Koning worden bekrachtigd, kunnen bij de wet:

    a. de aangenomen voorstellen en de ongewijzigd gebleven bepalingen van de Grondwet voor zoveel nodig aan elkaar worden aangepast;

    b. de indeling in en de plaats van hoofdstukken, paragrafen en artikelen, alsmede de opschriften worden gewijzigd.

  2. Een voorstel van wet, houdende voorzieningen als bedoeld in het eerste lid onder a, kunnen de kamers alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 139 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De veranderingen in de Grondwet, door de Staten-Generaal aangenomen en door de Koning bekrachtigd, treden terstond in werking, nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 140 - Handhaving bestaande regelgeving

Bestaande wetten en andere regelingen en besluiten die in strijd zijn met een verandering in de Grondwet, blijven gehandhaafd, totdat daarvoor overeenkomstig de Grondwet een voorziening is getroffen.

Artikel 141 - Bekendmaking herziene Grondwet

De tekst van de herziene Grondwet wordt bij koninklijk besluit bekendgemaakt, waarbij hoofdstukken, paragrafen en artikelen kunnen worden vernummerd en verwijzingen dienovereenkomstig kunnen worden veranderd.

Artikel 142 - Aanpassing Grondwet aan Statuut

De Grondwet kan bij de wet met het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in overeenstemming worden gebracht. De artikelen 139, 140 en141 zijn van overeenkomstige toepassing.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

J.W.A. Fleuren

ARTIKEL 142 - Aanpassing Grondwet aan Statuut

INHOUD
  1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis
  2. Afwijken van de Grondwet bij Statuut
  3. Voorrang van het Statuut op de Grondwet
  4. Is aanpassing van de Grondwet aan het Statuut verplicht?
  5. Aanpassing bij wet of bij gewone grondwetsherziening
  6. Aanpassing bij gewone wet of bij rijkswet
  7. Van overeenkomstige toepassing zijnde artikelen
  8. Jurisprudentie
  9. Literatuur
  10. Historische versies 
 

Editie december 2015

1 Historische ontwikkeling en actuele betekenis

Op 29 december 1954 is het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in werking getreden.[1] Sindsdien is niet meer de Grondwet, maar het Statuut de hoogste constitutionele regeling van nationale origine binnen het Koninkrijk.[2] De voorloper van het huidige artikel 142 Grondwet is in 1956 in de Grondwet opgenomen in het licht van de aan artikel 5, tweede lid, van het Statuut ten grondslag liggende rechtsopvatting dat het Statuut voorgaat op de Grondwet en dat bepalingen van de Grondwet derhalve rechtskracht missen voor zover zij in strijd zijn met het Statuut, ongeacht of het grondwetsbepalingen betreft die gelden voor het gehele Koninkrijk dan wel uitsluitend voor het land Nederland (zie hierna, paragraaf 3). In de gedachtegang van de grondwetgever van 1956 wordt de Grondwet, voor zover zij afwijkt van het Statuut, automatisch door het Statuut aangevuld, gewijzigd of krachteloos gemaakt - dus materieel veranderd -, zodat een aanpassing van de tekst van de Grondwet aan het Statuut geen wijziging in het geldend recht brengt en dus louter een formele betekenis heeft (zie hierna, paragraaf 3). Om deze reden achtte de grondwetgever het niet nodig om voor een dergelijke aanpassing de normale procedure van grondwetsherziening voor te schrijven en werd in 1956 in artikel 213, eerste lid, Grondwet de bepaling opgenomen dat de tekst van de Grondwet bij de wet in overeenstemming kan worden gebracht met het Statuut ‘zoals dit thans luidt of nader mocht komen te luiden’. Dit opende de mogelijkheid om in de toekomst de tekst van de Grondwet door middel van een wet (dan wel rijkswet: zie hierna, paragraaf 6) aan te passen aan zowel het Statuut zoals dat op 29 december 1954 in werking was getreden, als aan eventuele latere wijzigingen van het Statuut. Bij de grondwetsherziening van 1983 heeft de bepaling van het voormalige artikel 213 zijn huidige redactie gekregen en is het vernummerd tot artikel 142. De expliciete verwijzing naar het vigerende en toekomstige Statuut is bij die gelegenheid geschrapt. Voorts rept artikel 142 in plaats van ‘De tekst van de Grondwet’ van ‘De Grondwet’ als het object dat bij wet met het Statuut in overeenstemming kan worden gebracht (zie hierna, paragraaf 8). De memorie van toelichting tekent bij deze redactiewijziging aan dat daarin duidelijker tot uitdrukking komt ‘dat het hier niet alleen om een puur tekstuele, maar ook om een inhoudelijke aanpassing gaat’.[3] De achtergrond van deze opmerking is niet geheel duidelijk. Was bij de regering de herinnering weggezakt aan de aan artikel 5, tweede lid, van het Statuut ten grondslag liggende rechtsopvatting dat het Statuut en niet de Grondwet geldt voor zover zij met elkaar onverenigbaar zijn? Het kan echter ook zijn dat deze rechtsopvatting vanzelf sprak, maar dat de gedachte dat een hogere regeling die voorgaat op een lagere, deze laatste materieel aanvult of anderszins wijzigt, inmiddels als een verouderde voorstelling van zaken werd gezien en dat de regering van oordeel was dat een herziening die de Grondwet in overeenstemming brengt met reeds geldend recht, niettemin een inhoudelijke wijziging is. Een derde mogelijkheid is dat de regering de wetgever die de Grondwet wil aanpassen aan het Statuut, meer armslag heeft willen bieden door hem een keuze toe te staan in het geval de Grondwet inhoudelijk op verschillende wijzen in een overeenstemming met het Statuut kan worden gebracht. Dit laatste is wellicht de meest zinvolle uitleg.


Ondertekening van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden door Koningin Juliana, 15 december 1954. Foto: www.comitekoninkrijksrelaties.org

Wat ook precies de achtergrond moge zijn van de redactie die het artikel bij de grondwetsherziening van 1983 heeft gekregen, de aan artikel 5, tweede lid, van het Statuut ten grondslag liggende rechtsopvatting blijft van cruciaal belang voor een goed begrip van artikel 142 Grondwet. Aangezien het Statuut voorgaat op de Grondwet, heeft een verandering van de Grondwet die haar in overeenstemming brengt met het Statuut, slechts een beperkte betekenis en mag deze verandering derhalve bij wet in plaats van bij gewone grondwetsherziening plaatsvinden. Dit laat onverlet dat het de grondwetgever te allen tijde vrijstaat om voor aanpassing van de Grondwet aan het Statuut de gewone procedure van grondwetsherziening te kiezen (zie hierna, paragraaf 5).
 
In de praktijk is (de voorloper van) artikel 142 Grondwet nog nooit toegepast. In de aanloop naar de op 10 oktober 2010 in werking getreden Statuutswijziging waarbij de Nederlandse Antillen zijn opgeheven en de Caribische eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn ondergebracht bij het land Nederland, heeft de Raad van State in overweging gegeven om de procedure van artikel 142 Grondwet toe te passen om de nieuwe staatkundige positie van deze drie eilanden in de Grondwet te vertalen,[4] maar de regering zag in deze Statuutswijziging geen afwijking van de Grondwet[5] en achtte artikel 142 Grondwet niet aan de orde.[6] 
 

2 Afwijken van de Grondwet bij Statuut

Voor een gewone wijziging van de Grondwet schrijft artikel 137 Grondwet een zware procedure voor, die bestaat uit twee lezingen en tussentijdse verkiezingen voor de Tweede Kamer (tot de grondwetsherziening van 1995 ook voor de Eerste Kamer), waarbij in tweede lezing een gekwalificeerde meerderheid van twee derde van het aantal uitgebrachte stemmen in beide Kamers der Staten-Generaal vereist is. Aangezien Statuutsbepalingen die niet stroken met de Grondwet het constitutionele regime eveneens wijzigen, is voor het tot stand brengen van dergelijke bepalingen een bijzondere procedure voorgeschreven. Al in 1948 was in de Grondwet een voorziening opgenomen die voor Nederland de mogelijkheid opende om een van de Grondwet afwijkend Statuut te aanvaarden bij een met een meerderheid van twee derde van de uitgebrachte stemmen in beide Kamers te aanvaarden wet.[7] Met het oog op toekomstige wijzigingen van het Statuut, is in 1954 in artikel 55, derde lid, van het Statuut een bijzonder procedurevoorschrift opgenomen voor de behandeling van een voorstel tot wijziging van het Statuut dat afwijkt van de Grondwet. Een normale wijziging van het Statuut geschiedt bij een rijkswet die door de regering niet mag worden bekrachtigd dan nadat zij door ieder van de Caribische landen van het Koninkrijk (tegenwoordig zijn dit Aruba, Curaçao en Sint Maarten) is aanvaard bij een landsverordening die door de Staten met twee derde van de uitgebrachte stemmen - of anders in twee lezingen - is goedgekeurd. Bevat het voorstel van rijkswet tot wijziging van het Statuut bepalingen die afwijken van de Grondwet, dan moet dit voorstel bovendien behandeld worden op de wijze als voorgeschreven voor een herziening van de Grondwet (dus volgens de procedure van artikel 137 Grondwet), met dien verstande dat in tweede lezing een gewone meerderheid der uitgebrachte stemmen in beide Kamers der Staten-Generaal volstaat. De afwijking van de normale procedure van grondwetsherziening vindt haar rechtvaardiging in enerzijds de wens om de toekomstige rechtsontwikkeling in het Koninkrijk niet al te zeer te belemmeren en anderzijds de verzwaring die gelegen is in de omstandigheid dat wijziging van het Statuut niet kan plaatsvinden zonder dat zij door ieder van de Caribische landen van het Koninkrijk bij landsverordening wordt aanvaard.[8]
 
Om twee redenen is bij de totstandkoming van het Statuut niet gekozen voor het alternatief om ten aanzien van een voorstel van rijkswet tot wijziging van het Statuut waarbij wordt afgeweken van de Grondwet, geen twee lezingen voor te schrijven, maar wel te bepalen dat een dergelijk voorstel slechts kan worden aangenomen met een meerderheid van twee derde van de uitgebrachte stemmen in beide Kamers der Staten-Generaal.[9] De regering vreesde, ten eerste, dat dit alternatief op onvoldoende steun in de Staten-Generaal kon rekenen, en, ten tweede, dat de Caribische Koninkrijkspartners (destijds Suriname en de Nederlandse Antillen) er dan op zouden staan dat de eis van een meerderheid van twee derde ook zou gelden voor de landsverordeningen waarbij het voorstel werd aanvaard. Dit laatste zou betekenen dat een van de Grondwet afwijkende wijziging van het Statuut door een handjevol Statenleden geblokkeerd kon worden.[10] 
 

3 Voorrang van het Statuut op de Grondwet

Artikel 5, tweede lid, van het Statuut
Aangezien artikel 142 Gw moet worden begrepen in het licht van artikel 5, tweede lid, van het Statuut, is het zinvol wat uitvoeriger stil te staan bij de aan dit artikellid ten grondslag liggende rechtsopvatting over de verhouding tussen Statuut en Grondwet. De tekst van het Statuut, zoals dat op 29 december 1954 in werking is getreden, is ontworpen en vastgesteld door de Rondetafelconferentie Nederland-Suriname-Nederlandse Antillen, die in april 1952 van start was gegaan. Zowel in de aanloop naar, als tijdens deze conferentie heeft steeds de bedoeling voorgezeten dat het te ontwerpen Statuut van hogere orde zou zijn dan de Grondwet en dus de Grondwet opzij zou zetten indien het Statuut van de Grondwet zou afwijken. Bij voortduring hebben de Nederlandse gedelegeerden jegens de vertegenwoordigers van de andere rijksdelen verzekerd dat het Statuut vanwege zijn hogere orde voor zou gaan op de Grondwet en de Grondwet krachteloos zou maken voor zover de Grondwet in strijd kwam met het Statuut. Een redenering zoals die ten grondslag ligt aan het in artikel 120 Gw vervatte toetsingsverbod, namelijk dat de hogere rang van de Grondwet ten opzichte van de wet in formele zin niet impliceert dat de rechter de wet wegens ongrondwettigheid buiten toepassing mag laten, is ten aanzien van de verhouding Statuut-Grondwet nooit overwogen.[11] De door de conferentie vastgestelde officiële toelichting op het Statuut,[12] is eveneens duidelijk. De hogere rang van het Statuut vloeit voort uit artikel 5, tweede lid, van het Statuut: ‘De Grondwet neemt de bepalingen van het Statuut in acht.’ De officiële toelichting tekent aan dat in dit artikellid ‘tot uitdrukking [is] gebracht, dat, indien de Grondwet op bepaalde punten niet mocht stroken met het Statuut, de regeling van het Statuut prevaleert. De Grondwet zal met de bepalingen van het Statuut in overeenstemming moeten worden gebracht.’[13] Deze toelichting stelt buiten kijf dat het Statuut niet alleen in rang boven de Grondwet staat,[14] maar ook voorgaat op de Grondwet voor zover deze niet verenigbaar mocht zijn met het Statuut.[15] Bij de parlementaire behandeling van de wet waarbij Nederland het Statuut heeft aanvaard (zie hiervóór, paragraaf 2) sprak het zowel voor de regering als voor de meeste woordvoerders in de Staten-Generaal vanzelf dat het Statuut, voor zover het bepalingen bevatte of in de toekomst zou gaan bevatten die afweken van de Grondwet, voorrang had op de Grondwet en het grondwettelijk regime automatisch wijzigde.[16]
 
De grondwetsherziening van 1956
De wordingsgeschiedenis van de in 1956 in de Grondwet opgenomen voorloper van het huidige artikel 142 bevestigt en bestendigt deze rechtsopvatting over de verhouding tussen Statuut en Grondwet.[17] De regering verdedigde het door haar voorgestelde artikel dat het mogelijk maakt om de tekst van de Grondwet bij wet met het Statuut in overeenstemming te brengen met het argument dat, voor zover het Statuut bepalingen bevat of in de toekomst zal bevatten die niet stroken met de Grondwet, ‘het Statuut materieel reeds de Grondwet aanvult of anderszins wijzigt’.[18] Voor een aanpassing van de Grondwet die geen nieuw recht schept, maar er slechts voor dient te zorgen dat ook uit de Grondwet het geldende recht kan worden afgelezen,[19] achtte zij de gewone, zware procedure van grondwetsherziening niet nodig. Hoewel verschillende Kamerleden bezwaren koesterden tegen aanpassing van de Grondwet bij wet, dus buiten de gewone procedure van grondwetsherziening om, werd de opvatting dat het Statuut zelf de Grondwet materieel aanvult en wijzigt voor zover het Statuut bepalingen bevat die afwijken van de Grondwet, door het overgrote deel van de Staten-Generaal onderschreven.[20] In de woorden van een senator die het door de regering voorgestelde artikel liever niet in de Grondwet zag: ‘Materieel maakt het niets uit, of men de Grondwet wijzigt; het Statuut prevaleert boven de Grondwet, zodat de wijziging van de Grondwet materieel toch al heeft plaatsgehad.’[21]
 
Het Harmonisatiewet-arrest
Hoewel in de staatsrechtelijke literatuur algemeen erkend wordt dat uit artikel 5, tweede lid, van het Statuut volgt dat het Statuut in de normenhiërarchie boven de Grondwet staat,[22] dreigt de aan dit artikellid ten grondslag liggende rechtsopvatting dat het Statuut en niet de Grondwet geldt indien beide van elkaar afwijken en dat de rechter dus in een voorkomend geval het Statuut in plaats van de Grondwet dient toe te passen, in vergetelheid te raken.[23] Ook de Hoge Raad lijkt zich in het op 14 april 1989 gewezen Harmonisatiewet-arrest niet van deze rechtsopvatting bewust te zijn geweest. Voor zover hier van belang, heeft de Hoge Raad in dit arrest geoordeeld dat het de rechter niet is toegestaan om een wet in formele zin te toetsen aan het Statuut.[24] Omdat sommige auteurs uit dit arrest afleiden dat de rechter evenmin bevoegd is om de Grondwet aan het Statuut te toetsen [25] wordt hier nader op dit oordeel van de Hoge Raad ingegaan.
 
De motivering waarmee de Hoge Raad in het Harmonisatiewet-arrest rechterlijke toetsing van de wet aan het Statuut heeft verworpen, is tweeledig. Het eerste argument meent de Hoge Raad te kunnen ontlenen aan artikel 49 van het Statuut. Dit artikel bepaalt dat bij rijkswet regels kunnen worden gesteld omtrent de verbindendheid van ‘wetgevende maatregelen’ die in strijd zijn met het Statuut, een internationale regeling, een rijkswet of een algemene maatregel van rijksbestuur. De Hoge Raad leest in dit artikel een verbod voor de rechter om de wet aan het Statuut te toetsen, zolang hem deze bevoegdheid niet bij rijkswet is verleend. Hoewel de Hoge Raad wets- en rechtshistorische argumenten aanvoert voor deze lezing, is zij in werkelijkheid volstrekt onhistorisch. Uit de wordingsgeschiedenis van artikel 49 blijkt dat dit artikel in het Statuut is opgenomen in de veronderstelling dat de rechter bij conflicten tussen de in het artikel bedoelde ‘wetgevende maatregelen’ en bepalingen van Koninkrijksrecht zal gaan beslissen welk voorschrift voorgaat. Het artikel wilde slechts veiligstellen dat (in de toekomst) bij rijkswet regels konden worden gesteld wanneer er zich in de praktijk vragen van voorrang zouden voordoen die lastig te beantwoorden waren of waarop de in de rechtspraak gegeven antwoorden ongewenst werden geacht (zou de rechter bijvoorbeeld een wet in formele zin of zelfs de Grondwet, voor zover deze slechts voor het land Nederland gold, mogen toetsen aan een algemene maatregel van rijksbestuur?). Tot aan het Harmonisatiewet-arrest is de door de Hoge Raad aan artikel 49 van het Statuut gegeven uitleg dan ook door niemand of nagenoeg niemand verdedigd.[26] Als tweede argument voor zijn oordeel heeft de Hoge Raad aangevoerd dat er sinds de afkondiging van het Statuut sprake zou zijn van ‘een traditie van niet-toetsing’. Deze traditie is echter eerder door het Harmonisatiewet-arrest zelf gecreëerd dan dat zij voordien bestond. Na de totstandkoming van het Statuut is weliswaar door sommige staatsrechtgeleerden betoogd dat het de rechter op grond, of naar analogie, van de grondwetsbepaling over de onschendbaarheid van de wet[27] niet vrij zou staan om een wet in formele zin aan een rijkswet en het Statuut te toetsen - nimmer hanteerden zij het argument dat artikel 49 van het Statuut deze toetsing zou verbieden -,[28] maar in de eerste decennia hadden de wetgever,[29] de grondwetgever[30] en de rechter[31] aan dit (omstreden[32]) betoog geen boodschap.[33] Kortom, de motivering waarmee de Hoge Raad aan de rechter de bevoegdheid heeft ontzegd om de wet aan het Statuut te toetsen, is aantoonbaar onjuist.
 
Gelet op de onhoudbaarheid van de argumentatie waarmee de Hoge Raad in het Harmonisatiewet-arrest heeft geoordeeld dat de wet niet aan het Statuut getoetst mag worden, ligt het voor de hand om dit verbod, zolang het in de jurisprudentie gehandhaafd blijft,[34] te beperken tot de verhouding tussen wet en Statuut en niet uit te breiden tot de verhouding tussen Grondwet en Statuut. De aan artikel 5, tweede lid, van het Statuut ten grondslag liggende, en bij de grondwetsherziening van 1956 bevestigde, rechtsopvatting dat in geval van strijd het Statuut en niet de Grondwet geldt, had voor de Hoge Raad juist reden moeten zijn om te oordelen dat de rechter a fortiori bevoegd is om de wet aan het Statuut te toetsen. Als nu uit het Harmonisatiewet-arrest wordt afgeleid dat de rechter niet bevoegd is om de Grondwet aan het Statuut te toetsen, dan worden de zaken op hun kop gezet. Bovendien zou het postuleren van een dergelijk toetsingsverbod voorbijgaan aan de omstandigheid dat de Grondwet nooit systematisch in overeenstemming is gebracht met het Statuut (zie hierna, paragraaf 4), zodat niet uitgesloten kan worden dat een toetsingsverbod op enig moment tot problemen leidt.[35] 
 

4 Is aanpassing van de Grondwet aan het
   Statuut verplicht?

De aan artikel 5, tweede lid, van het Statuut ten grondslag liggende rechtsopvatting dat het Statuut van hogere orde is dan de Grondwet en de Grondwet in geval van afwijking vanzelf aanvult of anderszins wijzigt, roept de vraag op of het daarenboven verplicht is de Grondwet zelf - hetzij via een (rijks)wet, hetzij via een gewone grondwetsherziening - aan te passen aan het Statuut. Van Helsdingen, die zeer nauw bij de totstandkoming van het Statuut betrokken is geweest, heeft verdedigd dat in artikel 5, tweede lid, van het Statuut geen bevestigend antwoord op deze vraag gelezen moet worden, aangezien aan het voorschrift dat de Grondwet de bepalingen van het Statuut in acht neemt, reeds voldaan wordt doordat het Statuut in geval van afwijking de Grondwet materieel aanvult of anderszins wijzigt.[36] Deze uitleg neemt afstand van de opmerking in de officiële toelichting op het Statuut dat de Grondwet met de bepalingen van het Statuut in overeenstemming zal moeten worden gebracht.[37] De constitutionele praktijk sluit aan bij de door Van Helsdingen voorgestane uitleg. Tijdens de parlementaire behandeling van de in 1956 in de Grondwet opgenomen voorloper van artikel 142 Gw repte de regering weliswaar nu en dan van een verplichting om de Grondwet met de bepalingen van het Statuut in overeenstemming te brengen,[38] maar andere keren bestempelde zij een tekstuele aanpassing van de Grondwet aan het Statuut als juridisch niet noodzakelijk, hoogstens wenselijk.[39] Ook verschillende Kamerleden lieten zich in deze zin uit.[40] In ieder geval maakte de regering geen haast met een systematische aanpassing van de Grondwet aan het Statuut[41] en uiteindelijk is de Grondwet slechts op onderdelen met het Statuut in overeenstemming gebracht.[42] 
 

5 Aanpassing bij wet of bij gewone
   grondwetsherziening

Artikel 142 Gw is facultatief geformuleerd. Het woord ‘kan’ in dit artikel brengt tot uitdrukking dat het in overeenstemming brengen van de Grondwet met het Statuut mag geschieden bij wet. De grondwetgever blijft dus vrij om de aanpassing van de Grondwet aan het Statuut via een gewone grondwetsherziening te bewerkstelligen.[43]
 
Het lag in de bedoeling van de grondwetgever van 1956 dat de gewone procedure van grondwetsherziening in ieder geval zou worden gevolgd, indien een aanpassing van de Grondwet aan het Statuut een verdergaande strekking zou hebben dan het louter in overeenstemming brengen van de tekst van de Grondwet met het reeds geldende recht.[44] Nu sinds de grondwetsherziening van 1983 de bepaling van artikel 142 Gw niet langer rept van ‘De tekst van de Grondwet’, maar van ‘De Grondwet’, rijst de vraag of in deze redactiewijziging een verruiming gelezen moet worden van de mogelijkheden om de Grondwet bij de wet in overeenstemming te brengen met het Statuut. De parlementaire geschiedenis van deze grondwetsherziening geeft geen duidelijk antwoord op deze vraag (zie hiervóór, paragraaf 1). Hoe dit ook zij, indien de procedure van aanpassing bij wet wordt gevolgd, dan is het de wetgever die beoordeelt of deze aanpassing bij wet mag geschieden.[45]
 

6 Aanpassing bij gewone wet of bij
   rijkswet

De wet waarbij de Grondwet met het Statuut in overeenstemming wordt gebracht, is een gewone wet die tot stand komt volgens de procedure van de artikelen 81 tot en met 88 Gw, indien deze wet uitsluitend ziet op grondwetsbepalingen die slechts gelden voor het land Nederland. Indien de betrokken wet echter (ook) grondwetsbepalingen die aangelegenheden van het Koninkrijk regelen, in overeenstemming brengt met het Statuut, dan zal zij de vorm dienen te hebben van een rijkswet,[46] in welk geval de procedurevoorschriften van de artikelen 81 tot en met 88 Gw worden aangevuld met die welke vervat zijn in de artikelen 15 tot en met 22 van het Statuut.[47] 
 

7 Van overeenkomstige toepassing zijnde
   artikelen

Artikel 142 Grondwet verklaart de artikelen 139, 140 en 141 Grondwet van overeenkomstige toepassing indien de Grondwet bij de wet met het Statuut in overeenstemming wordt gebracht. Dit betekent dat de door deze aanpassingswet bewerkstelligde veranderingen in de Grondwet terstond in werking treden nadat deze wet is bekendgemaakt (artikel 139); de tekst van de aldus herziene Grondwet bij koninklijk besluit bekend wordt gemaakt, waarbij hoofdstukken, paragrafen en artikelen kunnen worden vernummerd en verwijzingen dienovereenkomstig kunnen worden veranderd (artikel 141); bestaande wetten en andere regelingen en besluiten die in strijd zijn met een door deze aanpassingswet aangebrachte verandering in de Grondwet, gehandhaafd blijven, totdat daarvoor overeenkomstig de Grondwet een voorziening is getroffen (artikel 140). Voor een toelichting op de artikelen 139, 140 en 141 Grondwet zij verwezen naar het commentaar op deze artikelen. 
 

8 Jurisprudentie

- Pres. Rb. ’s-Gravenhage 11 augustus 1988, zaak KG 88/1161 (Harmonisatiewet), AB 1988, 470; RegelMaat 1988, p. 149 e.v.; AA 1988, p. 776 e.v.
- HR 14 april 1989, zaak 13822 (Harmonisatiewet), NJ 1989, 469; AB 1989, 207; RegelMaat 1989, p. 80 e.v.; AA 1989, p. 578 e.v.; NJCM-Bulletin 1989, p. 581 e.v. 
 

9 Literatuur

- P.W.C. Akkermans (red.), De Grondwet. Een artikelsgewijs commentaar, W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle 1987
- C. Borman, Het Statuut voor het Koninkrijk, 3e druk, Kluwer, Deventer 2012
- J.W.A. Fleuren, Voorrang van rijksrecht op Nederlands recht in historisch perspectief. De wordings- en interpretatiegeschiedenis van de artikelen 5 lid 2 en 49 van het Statuut voor het Koninkrijk, in: Rechtsgeleerd Magazijn Themis 2012, p. 15-29
- W.H. van Helsdingen (m.m.v. Th.J. van der Peyl), Het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden. Wordingsgeschiedenis, commentaar en praktijk, Staatsdrukkerij- en Uitgeverijbedrijf, ’s-Gravenhage 1957
- H.G. Hoogers, De normenhiërarchie van het Koninkrijk der Nederlanden. Een bijdrage aan het constitutioneel Koninkrijksrecht, Wolf Legal Publishers, Nijmegen 2009
- M.T. Oosterhagen, Art. 142, in: P.W.C. Akkermans, A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet. Een artikelsgewijs commentaar, 2e druk, W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle 1992, p. 1223-1226 

10 Historische versies

Art. 213 Gw. 1956: De tekst van de Grondwet kan bij de wet met het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden zoals dit thans luidt of nader mocht komen te luiden in overeenstemming worden gebracht.
De artikelen 210, 211 en 212 zijn daarbij niet van toepassing.

Noten

  1. Stb. 1954, 596.
  2. Kamerstukken II 1953-1954, 3517, p. 9.
  3. Kamerstukken II 1976-1977, 14 213, nr. 3, p. 10 (Nng, VIII, p. 10). Zie ook Kamerstukken II 1976-1977, 14 213, nr. 4, p. 13, 16 en 18 (Nng, VIII, p. 13, 16 en 18), nr. 6, p. 7 (Nng, VIII, p. 27), nr. 7, p. 8-9 (Nng, VIII, p. 35-36).
  4. Advies van de Raad van State van 18 september 2006, W04.06.0204/I/K/A, te raadplegen via www.raadvanstate.nl.
  5. Zie voor een kritische noot bij deze opvatting H.G. Hoogers, De herstructurering van het Koninkrijk als lakmoesproef. Kanttekeningen vanuit constitutioneel perspectief bij de opheffing van de Nederlandse Antillen, in: TvCR 2010, p. 256-285 en 376-403.
  6. Kamerstukken II 2009-2010, 32 213 (R 1903), nr. 6, p. 12; Kamerstukken I 2009-2010, 32 017 (R1884), enz., C, p. 31.
  7. Deze voorziening maakte onderdeel uit van het in 1948 aan de Grondwet toegevoegde en in 1956 weer verwijderde Veertiende Hoofdstuk, dat bijzondere bepalingen voor de overgang naar een nieuwe rechtsorde bevatte.
  8. Van Helsdingen 1957, p. 534-552.
  9. Vgl. art. 91, derde lid, Gw.
  10. Zie o.a. Kamerstukken II 1953-1954, 3517, nr. 7, p. 4; Handelingen II 1953-1954, p. 1431, alsmede Van Helsdingen 1957, p. 534-552.
  11. Fleuren 2012.
  12. Deze toelichting is, samen met het Statuut en het voorstel van wet tot aanvaarding van het Statuut, opgenomen in Kamerstukken II 1953-1954, 3517, nr. 2, p. 9-18.
  13. Kamerstukken II 1953-1954, 3517, nr. 2, p. 11.
  14. Kamerstukken II 1953-1954, 3537, nr. 2, p. 9.
  15. Indien het woord ‘prevaleren’ in de toelichting slechts ‘van hogere rang zijn’ zou betekenen, dan zou de zinsnede ‘indien de Grondwet op bepaalde punten niet mocht stroken met het Statuut’ onverklaarbaar zijn, aangezien de hogere orde van het Statuut ten opzichte van de Grondwet uiteraard niet afhangt van de vraag of de Grondwet strookt met het Statuut. Overigens wijst de regering er in Kamerstukken II 1955-1956, 4144 (R 22), nr. 3, p. 3 op dat ook in art. 5, eerste lid, van het Statuut tot uitdrukking komt dat het Statuut voorgaat op de Grondwet, aangezien dit artikellid bepaalt dat de aldaar genoemde onderwerpen worden geregeld in de Grondwet, voor zover het Statuut hierin niet voorziet.
  16. O.a. Handelingen II 1953-1954, p. 1393, 1396, 1403, 1416, 1420, 1421,1430, 1444, 1448, 1449; Kamerstukken I 1954-1955, 3517, nr. 15, p. 3-6; Handelingen I 1954-1955, p. 28-29, 41. Zie ook Fleuren 2012, p. 22.
  17. Deze voorloper heeft zijn wortels in de voorstellen van de Staatscommissie-Van Schaik: Interim-rapport van de Staatscommissie tot herziening van de Grondwet, ingesteld bij koninklijk besluit van 17 april 1950, no. 25, Staatsdrukkerij- en Uitgeverijbedrijf, ’s-Gravenhage 1951, p. 9, 11, 13.
  18. Kamerstukken II 1955-1956, 4144 (R 22), nr. 5, p. 2. Zie verder: ibidem, nr. 3, p. 3; Handelingen II 1955-1956, p. 756; Kamerstukken I 1955-1956, 4023 (R 10), enz., nr. 151a, p. 7; Handelingen I 1955-1956, p. 400.
  19. Kamerstukken I 1955-1956, 4023 (R 10), enz., nr. 151a, p. 7.
  20. Kamerstukken II 1955-1956, 4144 (R 22), nr. 4, p. 3; Handelingen 1955-1956, p. 736-737, 743, 747-748, 753, 761, 768; Kamerstukken I 1955-1956, 4023 (R 10), enz., nr. 151, p. 7-8; Handelingen I 1955-1956, p. 369, 374, 377.
  21. Handelingen II 1955-1956, p. 377.
  22. Zie voor een bloemlezing Hoogers 2009, p. 17-18 noot 20.
  23. Zie bijvoorbeeld P.J. Oud, Het constitutioneel recht van het Koninkrijk der Nederlanden, deel II, 2e druk, W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle 1970, p. 22, waar het standpunt wordt ingenomen dat de rechter de Grondwet niet aan het Statuut mag toetsen. Hier lijkt de auteur te zijn vergeten dat hij als Tweekamerlid voor de VVD bij de parlementaire behandeling van zowel de wet tot aanvaarding van het Statuut als de grondwetsherziening van 1956 had benadrukt dat de bepalingen van het Statuut en niet die van de Grondwet gelden indien deze van elkaar afwijken (Handelingen II 1953-1954, p. 1396; Handelingen II 1955-1956, p. 736-737; zie ook het Rapport van de Commissie van Advies inzake nadere Grondwetswijziging betreffende de Buitenlandse Betrekkingen (waar Oud deel van heeft uitgemaakt), Kamerstukken II 1955-1956, 4133 (R 19), nr. 4, p. 8.
  24. HR 14 april 1989, NJ 1989, 469 (Harmonisatiewet).
  25. B.M.J. van der Meulen, Art. 142, in: A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar, 3e druk, Kluwer, Deventer 2000, p. 613-614; conclusie A-G Langemeijer (zie aldaar noot 33) voor HR 7 november 2003, zaak R02/037HR (Nederlands-Antilliaans Uitleveringsbesluit), NJ 2004, 99; Hoogers 2009, p. 24-25 (zie echter ook p. 19 nt. 22). In de eerste twee drukken van het voorliggend Grondwetscommentaar wordt art. 142 Gw daarentegen uitdrukkelijk geplaatst in het licht van de rechtsopvatting dat het Statuut de Grondwet materieel aanvult of anderszins wijzigt indien beide van elkaar afwijken. Zie Akkermans 1987, p. 1115-1117 en Oosterhagen 1992.
  26. Zie voor een op gepubliceerde en ongepubliceerde bronnen gebaseerde analyse van de wordings- en interpretatiegeschiedenis van art. 49 Statuut: Fleuren 2012.
  27. Bij de grondwetsherziening van 1983 heeft dit grondwettelijk toetsingsverbod zijn huidige formulering gekregen: ‘De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten ...’ Zie het commentaar op art. 120.
  28. Het debat over de vraag in hoeverre de rechter mag toetsen aan het Statuut en ander rijksrecht, is o.a. gevoerd in het NJB van 1954 (p. 885-891), 1955 (p. 74-79, 221-227, 338-339, 433-440, 569-572, 703-706), 1988 (p. 1039-1042, 1043, 1309-1311) en 1989 (p. 326-328). Andere belangrijke bijdragen aan de discussie zijn: K. Bongenaar, Rijksrecht en rechterlijke toetsing. Beschouwingen over de Belastingregeling voor het Koninkrijk en haar verhouding tot Nederlandse belastingwetten, Institute for Fiscal and Financial Studies, Willemstad 1986; H.F. Munneke, Regels van Koninkrijksrecht en rechterlijke toetsing. Nederlandse en Antilliaanse rechters aan het woord, in: Tijdschrift voor Openbaar Bestuur 1989, p. 27-30. Zie voor meer literatuurverwijzingen Fleuren 2012, waar het debat in historisch perspectief wordt geplaatst.
  29. Zie de parlementaire geschiedenis van a) de wet waarbij Nederland het Statuut heeft aanvaard (Kamerstukken II 1953-1954, 3517, nr. 5, p. 5, nr. 7, p. 5; Handelingen II 1953-1954, p. 1401; Handelingen II 1953-1954, p. 1401 en 1427) en b) de Rijkswet belastingregeling voor het Koninkrijk (BRK) (Kamerstukken II 1962-1963, 7181 (R 344), nr. 3, p. 11 en 15, nr. 6, p. 1). Pas in 1984 stelt de regering zich, met een beroep op staatsrechtelijke literatuur waarin tegen een toetsingsbevoegdheid is geargumenteerd, bij de parlementaire behandeling van een wijziging van de BRK op het - in de Staten-Generaal niet onweersproken - standpunt dat de rechter een wet in formele zin niet mag toetsen aan een rijkswet of het Statuut (Kamerstukken II 1984-1985, 18 747 (R 1271), nr. 6, p. 3-4; Handelingen II 1984-1985, p. 5386-5387, 5397, 5474, 5502-5505, 5527; Handelingen I 1985-1986, p. 214, 217 en 224).
  30. Zie de parlementaire geschiedenis van het in 1956 in de Grondwet opgenomen art. 213, de voorloper van het huidige art. 142, waarnaar verwezen wordt in de noten 18 en 20).
  31. Zie o.a. de rechtspraak waarin de rechter Nederlandse fiscale wetten liet wijken voor de Rijkswet belastingregeling voor het Koninkrijk (BRK): Hof ’s-Gravenhage 4 januari 1971, zaak 72/1969 E IV, BNB 1971, 228; Hof ’s-Gravenhage 5 april 1984, zaak 36/84 M II, Fiscaal weekblad FED 1985, 80, voortgezet in HR 8 januari 1986, zaak 23 031, BNB 1986, 127. Zie ook het kortgeding-vonnis dat door de Hoge Raad in het Harmonisatiewet-arrest is vernietigd, waarin de Haagse rechtbankpresident tot de slotsom kwam dat aan de rechter de bevoegdheid toekwam om de wet aan het Statuut te toetsen (Pres. Rb. ’s-Gravenhage 11 augustus 1988, AB 1988, 470). Zie voorts Fleuren 2012, p. 22-26.
  32. Zie noot 28.
  33. Pas in 1984 stelt de regering zich, met een beroep op staatsrechtelijke literatuur waarin tegen een toetsingsbevoegdheid is geargumenteerd, bij de parlementaire behandeling van een wijziging van de BRK (zie ook noot 29) op het - in de Staten-Generaal niet onweersproken - standpunt dat de rechter een wet in formele zin niet mag toetsen aan een rijkswet of het Statuut (Kamerstukken II 1984-1985, 18 747 (R 1271), nr. 6, p. 3-4; Handelingen II 1984-1985, p. 5386-5387, 5397, 5474, 5502-5505, 5527; Handelingen I 1985-1986, p. 214, 217 en 224).
  34. In Rb. ’s-Gravenhage 11 juli 2012, zaak 407921 - HA ZA 11-2726 (Langstudeerdersmaatregel), ECLI:RBSGR:2012:BX0977, r.o. 5.22 conformeert de rechtbank zich weliswaar aan deze jurisprudentie, maar toont zij zich bereid de daaraan ten grondslag liggende argumenten te beoordelen.
  35. De overgangsrechtelijke bepaling van art. 56 Stat. biedt geen soelaas. Ten eerste maakt deze bepaling een uitzondering voor onderwerpen waarin het Statuut zelf voorziet, ten tweede moet in het licht van de aan art. 5, tweede lid, van het Statuut ten grondslag liggende rechtsopvatting worden aangenomen dat deze bepaling niet van toepassing is op de Grondwet (zie ook Van Helsdingen 1957, p. 553) en ten derde dient deze bepaling inmiddels als uitgewerkt te worden beschouwd (Borman 2012, p. 39). De overgangsrechtelijke bepaling van het in 2010 in het Statuut opgenomen art. 57a is evenmin van toepassing op de Grondwet.
  36. Van Helsdingen 1957, p. 292-296.
  37. Zie noot 13.
  38. Handelingen II 1955-1956, p. 756; Kamerstukken I 1955-1956, 4023 (R 10), enz., nr. 151a, p. 7; Handelingen I 1955-1956, p. 399-400. Zie ook Kamerstukken II 1955-1956, 4144 (R 22), nr. 4, p. 3, waar een aantal Kamerleden hetzelfde standpunt betrekt.
  39. Kamerstukken II 1955-1956, 4144 (R 22), nr. 3, p. 3; nr. 5, p. 2.
  40. Kamerstukken II 1955-1956, 4144 (R 22), nr. 4, p. 3; Handelingen 1955-1956, p. 736-737, 747-748, 753; Kamerstukken I 1955-1956, 4023 (R 10) enz, nr. 151, p. 8; Handelingen I 1955-1956, p. 377.
  41. Kamerstukken II 1955-1956, 4133 (R 19), nr. 3, p. 3 (te lezen in verband met nr. 4, p. 8); Kamerstukken II 1955-1956, 4144 (R 22), nr. 3, p. 3; Handelingen II 1955-1956, p. 756.
  42. Kamerstukken 1955-1956, 4144 (R 22), nr. 3, p. 3; Eindrapport van de Staatscommissie van advies inzake de Grondwet en de Kieswet, Staatsuitgeverij, ’s-Gravenhage 1971, p. 23-25. De discrepantie tussen art. 18 van het Statuut en art. 85 Gw, die door de regering al, naast andere afwijkingen, was genoemd in Kamerstukken II 1953-1954, 3517, nr. 3, p. 19, is altijd blijven bestaan. Zie voorts Hoogers 2009, p. 19 nt. 22. Overigens is het Statuut in de loop van de tijd enkele malen aangepast aan wijzigingen van de Grondwet: Borman 2012, p. 41-42.
  43. Handelingen I 1955-1956, p. 369 en 399.
  44. Kamerstukken II 1955-1956, 4144 (R 22), nr. 5, p. 2; Kamerstukken I 1955-1956, 4023 (R 10), enz., nr. 151a, p. 7; Handelingen I 1955-1956, p. 377 en 400.
  45. Zie ook Kamerstukken II 1955-1956, 4144 (R 22), nr. 5, p. 2; Handelingen II 1955-1956, p. 756, 761.
  46. Dit vloeit voort uit art. 5, derde lid, van het Statuut. Zie ook Hoogers 2009, p. 19.
  47. Zie over het verschijnsel rijkswetten: M. Nap, De wetgeving van het Koninkrijk der Nederlanden, Walburg Pers, Zutphen 2003; Borman 2012, p. 121-129.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    J.W.A. Fleuren, Commentaar op artikel 142 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2017 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Aanpassing Grondwet aan Statuut

De constitutionele verhoudingen tussen Nederland en de drie overige landen van het koninkrijk – de Caribische eilanden Aruba, Curaçao en Sint Maarten – zijn vastgelegd in het Statuut voor het Koninkrijk, dat ook de overkoepelende organieke structuur van het Koninkrijk en de bevoegdheden tot rijkswetgeving regelt. Dat Statuut heeft een hogere rang dan de Nederlandse Grondwet en de staatsregelingen van de drie eilanden. De Grondwet moet daarom in overeenstemming zijn met het Statuut.
 
Wanneer de Grondwet na wijziging van het Statuut niet met het Statuut overeenstemt, kan de Grondwet daaraan worden aangepast. Dat kan dan met een gewone wet; de zwaardere procedure van grondwetsherziening (artikel 137 Grondwet) is niet vereist. De reden daarvoor is dat wijzigingen van het Statuut die tot gevolg hebben dat onze Grondwet er niet langer mee overeenstemt, al in twee lezingen, met daartussen verkiezingen voor de Tweede Kamer, door de Staten-Generaal zijn aanvaard. Deze procedure is in het Statuut zelf vastgelegd.
 
Aanpassingen van de Grondwet aan het Statuut kunnen zowel van tekstuele als van inhoudelijke aard zijn. Zolang de Grondwet niet aan het Statuut is aangepast, dienen de bepalingen van de Grondwet te worden toegepast. Hetzelfde geldt voor gewone wetten: ook die blijven, wanneer zij in strijd zijn met het Statuut, van kracht tot de wetgever ze aanpast.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Aanpassing Grondwet aan Statuut

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Aanpassing Grondwet aan Statuut

Over dit artikel zijn ons geen belangrijke en ‘klassieke’ rechterlijke uitspraken bekend.
Recente rechtspraak

Aanpassing Grondwet aan Statuut

Over dit artikel zijn ons geen recente rechterlijke uitspraken bekend.
Politiek

Aanpassing Grondwet aan Statuut

Video
Blogs
IN DE WERELD
Blogs

Aanpassing Grondwet aan Statuut

In de wereld

Aanpassing Grondwet aan Statuut