CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • G. Leenknegt
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • A.A.L. Beers en K.T. Meijer
  • B.C. van Beers
  • B.M.J. van der Meulen
  • B.P. Vermeulen
  • B.W.N. de Waard
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • E.J. Janse de Jonge
  • E.J. Koops
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • F. Fleurke
  • F.C.M.A. Michiels
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx en A.C.M. Meuwese
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard en J. Uzman
  • G. Leenknegt
  • G. Overkleeft-Verburg
  • G. van der Schyff en B.M.J. van der Meulen
  • J. Kiewiet en G.F.M. van der Tang †
  • J. Uzman
  • J. Uzman en G. Boogaard
  • J.C.A. de Poorter
  • J.L.M. Gribnau en M.R.T Pauwels
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • J.W.A. Fleuren
  • K.T. Meijer
  • M. Adams
  • Mijke Houwerzijl & Nuna Zekic
  • Mijke Houwerzijl en Frank Vlemminx
  • P. Jacobs
  • S. Daniëls
  • S. Jellinghaus en E. Huisman
  • S.C. van Bijsterveld
  • S.C. van Bijsterveld en B.P. Vermeulen
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • T. Kooijmans
  • T. Peters
  • W. van der Woude
  • W.J.M. Voermans
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

HOOFDSTUK 1

Grondrechten

INLEIDING

Artikel 1 - Gelijke behandeling

Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Artikel 2 - Nederlandschap en vreemdelingen

  1. De wet regelt wie Nederlander is.
  2. De wet regelt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen.
  3. Uitlevering kan slechts geschieden krachtens verdrag. Verdere voorschriften omtrent uitlevering worden bij de wet gegeven.
  4. Ieder heeft het recht het land te verlaten, behoudens in de gevallen, bij de wet bepaald.

Artikel 3 - Gelijke benoembaarheid

Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.

Artikel 4 - Kiesrecht

Iedere Nederlander heeft gelijkelijk recht de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen alsmede tot lid van deze organen te worden verkozen, behoudens bij de wet gestelde beperkingen en uitzonderingen.

Artikel 5 - Petitierecht

Ieder heeft het recht verzoeken schriftelijk bij het bevoegd gezag in te dienen.

Artikel 6 - Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging

  1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 7 - Vrijheid van meningsuiting

  1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- of televisieuitzending.
  3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar regelen ter bescherming van de goede zeden.
  4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.

Artikel 8 - Recht tot vereniging

Het recht tot vereniging wordt erkend. Bij de wet kan dit recht worden beperkt in het belang van de openbare orde.

Artikel 9 - Recht tot vergadering en betoging

  1. Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 10 - Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer

  1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.
  2. De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens.
  3. De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.

Artikel 11 - Onaantastbaarheid van het lichaam

Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.

Artikel 12 - Binnentreden woning

  1. Het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen.
  2. Voor het binnentreden overeenkomstig het eerste lid zijn voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden vereist, behoudens bij de wet gestelde uitzonderingen.
  3. Aan de bewoner wordt zo spoedig mogelijk een schriftelijk verslag van het binnentreden verstrekt. Indien het binnentreden in het belang van de nationale veiligheid of dat van de strafvordering heeft plaatsgevonden, kan volgens bij de wet te stellen regels de verstrekking van het verslag worden uitgesteld. In de bij de wet te bepalen gevallen kan de verstrekking achterwege worden gelaten, indien het belang van de nationale veiligheid zich tegen verstrekking blijvend verzet.

Artikel 13 - Vertrouwelijke communicatie

  1. Het briefgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, op last van de rechter.
  2. Het telefoon- en telegraafgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, door of met machtiging van hen die daartoe bij de wet zijn aangewezen.

Artikel 14 - Onteigening

  1. Onteigening kan alleen geschieden in het algemeen belang en tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander naar bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.
  2. De schadeloosstelling behoeft niet vooraf verzekerd te zijn, wanneer in geval van nood onverwijld onteigening geboden is.
  3. In de gevallen bij of krachtens de wet bepaald bestaat recht op schadeloosstelling of tegemoetkoming in de schade, indien in het algemeen belang eigendom door het bevoegd gezag wordt vernietigd of onbruikbaar gemaakt of de uitoefening van het eigendomsrecht wordt beperkt.

Artikel 15 - Vrijheidsontneming

  1. Buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen.
  2. Hij aan wie anders dan op rechterlijk bevel zijn vrijheid is ontnomen, kan aan de rechter zijn invrijheidstelling verzoeken. Hij wordt in dat geval door de rechter gehoord binnen een bij de wet te bepalen termijn. De rechter gelast de onmiddellijke invrijheidstelling, indien hij de vrijheidsontneming onrechtmatig oordeelt.
  3. De berechting van hem aan wie met het oog daarop zijn vrijheid is ontnomen, vindt binnen een redelijke termijn plaats.
  4. Hij aan wie rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, kan worden beperkt in de uitoefening van grondrechten voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt.

Artikel 16 - Nulla poena

Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.

Artikel 17 - Wettelijk toegekende rechter

Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent.

Artikel 18 - Rechtsbijstand

  1. Ieder kan zich in rechte en in administratief beroep doen bijstaan.
  2. De wet stelt regels omtrent het verlenen van rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen.

Artikel 19 - Werkgelegenheid en arbeidskeuze

  1. Bevordering van voldoende werkgelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de rechtspositie van hen die arbeid verrichten en omtrent hun bescherming daarbij, alsmede omtrent medezeggenschap.
  3. Het recht van iedere Nederlander op vrije keuze van arbeid wordt erkend, behoudens de beperkingen bij of krachtens de wet gesteld.

Artikel 20 - Bestaanszekerheid

  1. De bestaanszekerheid der bevolking en spreiding van welvaart zijn voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de aanspraken op sociale zekerheid.
  3. Nederlanders hier te lande, die niet in het bestaan kunnen voorzien, hebben een bij de wet te regelen recht op bijstand van overheidswege.

Artikel 21 - Milieubescherming

De zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu.

Artikel 22 - Volksgezondheid en woongelegenheid

  1. De overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid.
  2. Bevordering van voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  3. Zij schept voorwaarden voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding.

Artikel 23 - Onderwijs

  1. Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.
  2. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.
  3. Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld.
  4. In elke gemeente wordt van overheidswege voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal openbare scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven, al dan niet in een openbare school.
  5. De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.
  6. Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.
  7. Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.
  8. De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten-Generaal.
HOOFDSTUK 2

Regering INLEIDING

Artikel 24 - Koningschap

Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau.

Artikel 25 - Erfopvolging

Het koningschap gaat bij overlijden van de Koning krachtens erfopvolging over op zijn wettige nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft, met plaatsvervulling volgens dezelfde regel. Bij gebreke van eigen nakomelingen gaat het koningschap op gelijke wijze over op de wettige nakomelingen eerst van zijn ouder, dan van zijn grootouder, in de lijn van erfopvolging, voor zover de overleden Koning niet verder bestaand dan in de derde graad van bloedverwantschap.

Artikel 26 - Status ongeboren kind Koning

Het kind, waarvan een vrouw zwanger is op het ogenblik van het overlijden van de Koning, wordt voor de erfopvolging als reeds geboren aangemerkt. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

Artikel 27 - Afstand koningschap

Afstand van het koningschap leidt tot erfopvolging overeenkomstig de regels in de voorgaande artikelen gesteld. Na de afstand geboren kinderen en hun nakomelingen zijn van de erfopvolging uitgesloten.

Artikel 28 - Afstand koningschap door huwelijk

  1. De Koning, een huwelijk aangaande buiten bij de wet verleende toestemming, doet daardoor afstand van het koningschap.
  2. Gaat iemand die het koningschap van de Koning kan beërven een zodanig huwelijk aan, dan is hij met de uit dit huwelijk geboren kinderen en hun nakomelingen van de erfopvolging uitgesloten.
  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake van een voorstel van wet, strekkende tot het verlenen van toestemming, in verenigde vergadering.

Artikel 29 - Uitsluiting troonopvolging

  1. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden daartoe nopen, kunnen bij een wet een of meer personen van de erfopvolging worden uitgesloten.

  2. Het voorstel daartoe wordt door of vanwege de Koning ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 30 - Benoemde Koning

  1. Wanneer vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal ontbreken, kan deze worden benoemd bij een wet. Het voorstel wordt door of vanwege de Koning ingediend. Na de indiening van het voorstel worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  2. Indien bij overlijden van de Koning of bij afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt, worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers komen binnen vier maanden na het overlijden of de afstand in verenigde vergadering bijeen ten einde te besluiten omtrent de benoeming van een Koning. Zij kunnen een opvolger alleen benoemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 31 - Erfopvolging benoemde koning

  1. Een benoemde Koning kan krachtens erfopvolging alleen worden opgevolgd door zijn wettige nakomelingen.

  2. De bepalingen omtrent de erfopvolging en het eerste lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op een benoemde opvolger, zolang deze nog geen Koning is.

Artikel 32 - Inhuldiging Koning

Nadat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen, wordt hij zodra mogelijk beëdigd en ingehuldigd in de hoofdstad Amsterdam in een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Hij zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt. De wet stelt nadere regels vast.

Artikel 33 - Koningschap en meerderjarigheid

De Koning oefent het koninklijk gezag eerst uit, nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

Artikel 34 - Ouderlijk gezag minderjarige Koning

De wet regelt het ouderlijk gezag en de voogdij over de minderjarige Koning en het toezicht daarop. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 35 - Buiten staat verklaring

  1. Wanneer de ministerraad van oordeel is dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, bericht hij dit onder overlegging van het daartoe gevraagde advies van de Raad van State aan de Staten-Generaal, die daarop in verenigde vergadering bijeenkomen.

  2. Delen de Staten-Generaal dit oordeel, dan verklaren zij dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen. Deze verklaring wordt bekend gemaakt op last van de voorzitter der vergadering en treedt terstond in werking.

  3. Zodra de Koning weer in staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, wordt dit bij de wet verklaard. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Terstond na de bekendmaking van deze wet hervat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag.

  4. De wet regelt zo nodig het toezicht over de persoon van de Koning indien hij buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 36 - Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag

De Koning kan de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk neerleggen en die uitoefening hervatten krachtens een wet, waarvan het voorstel door of vanwege hem wordt ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 37 - Uitoefening koninklijk gezag door regent

  1. Het koninklijk gezag wordt uitgeoefend door een regent:
    a. zolang de Koning de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt;
    b. indien een nog niet geboren kind tot het koningschap geroepen kan zijn;
    c. indien de Koning buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen;
    d. indien de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk heeft neergelegd;
    e. zolang na het overlijden van de Koning of na diens afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt.

  2. De regent wordt benoemd bij de wet. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  3. In de gevallen, genoemd in het eerste lid onder c en d, is de nakomeling van de Koning die zijn vermoedelijke opvolger is, van rechtswege regent indien hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

  4. De regent zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt, in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal. De wet geeft nadere regels omtrent het regentschap en kan voorzien in de opvolging en de vervanging daarin. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  5. Op de regent zijn de artikelen 35 en 36 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38 - Uitoefening koninklijk gezag door RvS

Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk gezag is voorzien, wordt dit uitgeoefend door de Raad van State.

Artikel 39 - Lidmaatschap koninklijk huis

De wet regelt, wie lid is van het koninklijk huis.

Artikel 40 - Uitkering koninklijk huis

  1. De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het Rijk uitkeringen naar regels bij de wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het koninklijk huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen.

  2. De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, zijn vrij van persoonlijke belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of zijn vermoedelijke opvolger krachtens erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van het koninklijk huis vrij van de rechten van successie, overgang en schenking. Verdere vrijdom van belasting kan bij de wet worden verleend.

  3. De kamers der Staten-Generaal kunnen voorstellen van in de vorige leden bedoelde wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 41 - Inrichting huis Koning

De Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis in.

Artikel 42 - Ministeriële verantwoordelijkheid

  1. De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.

  2. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.

Artikel 43 - Regering en ministers

De minister-president en de overige ministers worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.

Artikel 44 - Ministeries

  1. Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.

  2. Ook kunnen ministers worden benoemd die niet belast zijn met de leiding van een ministerie.

Artikel 45 - Ministerraad

  1. De ministers vormen te zamen de ministerraad.

  2. De minister-president is voorzitter van de ministerraad.

  3. De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid.

Artikel 46 - Staatssecretarissen

  1. Bij koninklijk besluit kunnen staatssecretarissen worden benoemd en ontslagen.

  2. Een staatssecretaris treedt in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister.

Artikel 47 - Ondertekening en contraseign

Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.

Artikel 48 - Ontslag en benoeming ministers

Het koninklijk besluit waarbij de minister-president wordt benoemd, wordt mede door hem ondertekend. De koninklijke besluiten waarbij de overige ministers en de staatssecretarissen worden benoemd of ontslagen, worden mede door de minister-president ondertekend.

Artikel 49 - Ambtseed minister en staatssecretaris

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de ministers en de staatssecretarissen bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.
HOOFDSTUK 3

Staten-Generaal INLEIDING

Artikel 50 - Vertegenwoordiging

De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk.

Artikel 51 - Eerste en Tweede Kamer

  1. De Staten-Generaal bestaan uit de Tweede Kamer en de Eerste Kamer.

  2. De Tweede Kamer bestaat uit honderdvijftig leden.

  3. De Eerste Kamer bestaat uit vijfenzeventig leden.

  4. Bij een verenigde vergadering worden de kamers als één beschouwd.

Artikel 52 - Zittingsduur

  1. De zittingsduur van beide kamers is vier jaren.
  2. Indien voor de provinciale staten bij de wet een andere zittingsduur dan vier jaren wordt vastgesteld, wordt daarbij de zittingsduur van de Eerste Kamer in overeenkomstige zin gewijzigd.

Artikel 53 - Evenredige vertegenwoordiging

  1. De leden van beide kamers worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  2. De verkiezingen worden gehouden bij geheime stemming.

Artikel 54 - Verkiezing Tweede Kamer

  1. De leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen ten aanzien van Nederlanders die geen ingezetenen zijn.

  2. Van het kiesrecht is uitgesloten hij die wegens het begaan van een daartoe bij de wet aangewezen delict bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste een jaar en hierbij tevens is ontzet van het kiesrecht.

Artikel 55 - Verkiezing Eerste Kamer

De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten. De verkiezing wordt, behoudens in geval van ontbinding der kamer, gehouden binnen drie maanden na de verkiezing van de leden van provinciale staten.

Artikel 56 - Vereisten voor lidmaatschap

Om lid van de Staten-Generaal te kunnen zijn is vereist dat men Nederlander is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.

Artikel 57 - Incompatibiliteiten

  1. Niemand kan lid van beide kamers zijn.

  2. Een lid van de Staten-Generaal kan niet tevens zijn minister, staatssecretaris, lid van de Raad van State, lid van de Algemene Rekenkamer, Nationale ombudsman of substituut-ombudsman, of lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij de Hoge Raad.

  3. Niettemin kan een minister of staatssecretaris, die zijn ambt ter beschikking heeft gesteld, dit ambt verenigen met het lidmaatschap van de Staten-Generaal, totdat omtrent die beschikbaarstelling is beslist.

  4. De wet kan ten aanzien van andere openbare betrekkingen bepalen dat zij niet gelijktijdig met het lidmaatschap van de Staten-Generaal of van een der kamers kunnen worden uitgeoefend.

Artikel 57a - Zwangerschap en ziekte

De wet regelt de tijdelijke vervanging van een lid van de Staten-Generaal wegens zwangerschap en bevalling, alsmede wegens ziekte.

Artikel 58 - Geloofsbrieven

Elke kamer onderzoekt de geloofsbrieven van haar nieuwbenoemde leden en beslist met inachtneming van bij de wet te stellen regels de geschillen welke met betrekking tot de geloofsbrieven of de verkiezing zelf rijzen.

Artikel 59 - Kiesrecht en verkiezingen

Alles, wat verder het kiesrecht en de verkiezingen betreft, wordt bij de wet geregeld.

Artikel 60 - Ambtsaanvaarding

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de leden van de kamers bij de aanvaarding van hun ambt in de vergadering een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

Artikel 61 - Voorzitter en griffier

  1. Elk der kamers benoemt uit de leden een voorzitter.

  2. Elk der kamers benoemt een griffier. Deze en de overige ambtenaren van de kamers kunnen niet tevens lid van de Staten-Generaal zijn.

Artikel 62 - Verenigde vergadering

De voorzitter van de Eerste Kamer heeft de leiding van de verenigde vergadering.

Artikel 63 - Geldelijke voorzieningen

Geldelijke voorzieningen ten behoeve van leden en gewezen leden van de Staten-Generaal en van hun nabestaanden worden bij de wet geregeld. De kamers kunnen een voorstel van wet ter zake alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 64 - Ontbinding Kamers

  1. Elk der kamers kan bij koninklijk besluit worden ontbonden.

  2. Het besluit tot ontbinding houdt tevens de last in tot een nieuwe verkiezing voor de ontbonden kamer en tot het samenkomen van de nieuw gekozen kamer binnen drie maanden.

  3. De ontbinding gaat in op de dag waarop de nieuw gekozen kamer samenkomt.

  4. De wet stelt de zittingsduur van een na ontbinding optredende Tweede Kamer vast; de termijn mag niet langer zijn dan vijf jaren. De zittingsduur van een na ontbinding optredende Eerste Kamer eindigt op het tijdstip waarop de zittingsduur van de ontbonden kamer zou zijn geëindigd.

Artikel 65 - Troonrede

Jaarlijks op de derde dinsdag van september of op een bij de wet te bepalen eerder tijdstip wordt door of namens de Koning in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal een uiteenzetting van het door de regering te voeren beleid gegeven.

Artikel 66 - Openbaarheid vergaderingen

  1. De vergaderingen van de Staten-Generaal zijn openbaar.

  2. De deuren worden gesloten, wanneer een tiende deel van het aantal aanwezige leden het vordert of de voorzitter het nodig oordeelt.

  3. Door de kamer, onderscheidenlijk de kamers in verenigde vergadering, wordt vervolgens beslist of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd en besloten.

Artikel 67 - Quorum

  1. De kamers mogen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering alleen beraadslagen of besluiten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden ter vergadering aanwezig is.

  2. Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen.

  3. De leden stemmen zonder last.

  4. Over zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, wanneer één lid dit verlangt.

Artikel 68 - Inlichtingenplicht bewindslieden

De ministers en de staatssecretarissen geven de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat.

Artikel 69 - Aanwezigheid bewindslieden

  1. De ministers en de staatssecretarissen hebben toegang tot de vergaderingen en kunnen aan de beraadslaging deelnemen.

  2. Zij kunnen door de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn.

  3. Zij kunnen zich in de vergaderingen doen bijstaan door de personen, daartoe door hen aangewezen.

Artikel 70 - Recht van enquête

Beide kamers hebben, zowel ieder afzonderlijk als in verenigde vergadering, het recht van onderzoek (enquête), te regelen bij de wet.

Artikel 71 - Parlementaire onschendbaarheid

De leden van de Staten-Generaal, de ministers, de staatssecretarissen en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging, kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergaderingen van de Staten-Generaal of van commissies daaruit hebben gezegd of aan deze schriftelijk hebben overgelegd.

Artikel 72 - Reglement van orde

De kamers stellen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering een reglement van orde vast.

HOOFDSTUK 4

Adviesorganen INLEIDING

Artikel 73 - Taak Raad van State

  1. De Raad van State of een afdeling van de Raad wordt gehoord over voorstellen van wet en ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur, alsmede over voorstellen tot goedkeuring van verdragen door de Staten-Generaal. In bij de wet te bepalen gevallen kan het horen achterwege blijven.

  2. De Raad of een afdeling van de Raad is belast met het onderzoek van de geschillen van bestuur die bij koninklijk besluit worden beslist en draagt de uitspraak voor.

  3. De wet kan aan de Raad of een afdeling van de Raad de uitspraak in geschillen van bestuur opdragen.

Artikel 74 - Rechtspositie leden

  1. De Koning is voorzitter van de Raad van State. De vermoedelijke opvolger van de Koning heeft na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar van rechtswege zitting in de Raad. Bij of krachtens de wet kan aan andere leden van het koninklijk huis zitting in de Raad worden verleend.

  2. De leden van de Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  3. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  4. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Raad worden geschorst of ontslagen.

  5. De wet regelt overigens hun rechtspositie

Artikel 75 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Raad van State.

  2. Bij de wet kunnen aan de Raad of een afdeling van de Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 76 - Algemene rekenkamer

De Algemene Rekenkamer is belast met het onderzoek van de ontvangsten en uitgaven van het Rijk.

Artikel 77 - Rechtpositie leden rekenkamer

  1. De leden van de Algemene Rekenkamer worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Hoge Raad worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 78 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Algemene Rekenkamer.

  2. Bij de wet kunnen aan de Algemene Rekenkamer ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 78a - Nationale ombudsman

  1. De Nationale ombudsman verricht op verzoek of uit eigen beweging onderzoek naar gedragingen van bestuursorganen van het Rijk en van andere bij of krachtens de wet aangewezen bestuursorganen.
  2. De Nationale ombudsman en een substituut-ombudsman worden voor een bij de wet te bepalen termijn benoemd door de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Tweede Kamer der Staten-Generaal worden geschorst of ontslagen. De wet regelt overigens hun rechtspositie.
  3. De wet regelt de bevoegdheid en werkwijze van de Nationale ombudsman.
  4. Bij of krachtens de wet kunnen aan de Nationale ombudsman ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 79 - Vaste colleges van advies

  1. Vaste colleges van advies in zaken van wetgeving en bestuur van het Rijk worden ingesteld bij of krachtens de wet.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van deze colleges.

  3. Bij of krachtens de wet kunnen aan deze colleges ook andere dan adviserende taken worden opgedragen.

Artikel 80 - Openbaarmaking advies

  1. De adviezen van de in dit hoofdstuk bedoelde colleges worden openbaar gemaakt volgens regels bij de wet te stellen.

  2. Adviezen, uitgebracht ter zake van voorstellen van wet die door of vanwege de Koning worden ingediend, worden, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen, aan de Staten-Generaal overgelegd.

HOOFDSTUK 5

Wetgeving en bestuur INLEIDING

Artikel 81 - Wetgevende macht

De vaststelling van wetten geschiedt door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk.

Artikel 82 - Indienen wetsvoorstel

  1. Voorstellen van wet kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Voorstellen van wet waarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en, voor zover de betreffende artikelen van hoofdstuk 2 dit toelaten, door de verenigde vergadering.

  3. Voorstellen van wet, in te dienen door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering, worden bij haar door een of meer leden aanhangig gemaakt.

Artikel 83 - Toezending wetsvoorstel TK

Voorstellen van wet, ingediend door of vanwege de Koning, worden gezonden aan de Tweede Kamer of, indien daarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, aan deze vergadering.

Artikel 84 - Wijziging wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet, ingediend door of vanwege de Koning, niet door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering is aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en vanwege de regering worden gewijzigd.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden gewijzigd.

Artikel 85 - Toezending wetsvoorstel EK

Zodra de Tweede Kamer een voorstel van wet heeft aangenomen of tot indiening van een voorstel heeft besloten, zendt zij het aan de Eerste Kamer, die het voorstel overweegt zoals het door de Tweede Kamer aan haar is gezonden. De Tweede Kamer kan een of meer van haar leden opdragen een door haar ingediend voorstel in de Eerste Kamer te verdedigen.

Artikel 86 - Intrekking wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet niet door de Staten-Generaal is aangenomen, kan het door of vanwege de indiener worden ingetrokken.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden ingetrokken.

Artikel 87 - Aanneming en bekrachtiging

  1. Een voorstel wordt wet, zodra het door de Staten-Generaal is aangenomen en door de Koning is bekrachtigd.

  2. De Koning en de Staten-Generaal geven elkaar kennis van hun besluit omtrent enig voorstel van wet.

Artikel 88 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de wetten. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 89 - Algemene maatregel van bestuur

  1. Algemene maatregelen van bestuur worden bij koninklijk besluit vastgesteld.

  2. Voorschriften, door straffen te handhaven, worden daarin alleen gegeven krachtens de wet. De wet bepaalt de op te leggen straffen.

  3. De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de algemene maatregelen van bestuur. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

  4. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op andere vanwege het Rijk vastgestelde algemeen verbindende voorschriften.

Artikel 90 - Bevordering internationale rechtsorde

De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde.

Artikel 91 - Goedkeuring verdrag

  1. Het Koninkrijk wordt niet aan verdragen gebonden en deze worden niet opgezegd zonder voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. De wet bepaalt de gevallen waarin geen goedkeuring is vereist.

  2. De wet bepaalt de wijze waarop de goedkeuring wordt verleend en kan voorzien in stilzwijgende goedkeuring.

  3. Indien een verdrag bepalingen bevat welke afwijken van de Grondwet dan wel tot zodanig afwijken noodzaken, kunnen de kamers de goedkeuring alleen verlenen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 92 - Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties

Met inachtneming, zo nodig, van het bepaalde in artikel 91, derde lid, kunnen bij of krachtens verdrag aan volkenrechtelijke organisaties bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak worden opgedragen.

Artikel 93 - Verbindende kracht verdrag

Bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 94 - Verdrag boven wet

Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 95 - Bekendmaking verdrag

De wet geeft regels omtrent de bekendmaking van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 96 - Oorlogsverklaring

  1. Het Koninkrijk wordt niet in oorlog verklaard dan na voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal.

  2. De toestemming is niet vereist, wanneer het overleg met de Staten-Generaal ten gevolge van een feitelijk bestaande oorlogstoestand niet mogelijk is gebleken.

  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  4. Het bepaalde in het eerste en het derde lid is van overeenkomstige toepassing voor een verklaring dat een oorlog beëindigd is.

Artikel 97 - Krijgsmacht

  1. Ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk, alsmede ten behoeve van de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde, is er een krijgsmacht.

  2. De regering heeft het oppergezag over de krijgsmacht.

Artikel 98 - Samenstelling krijgsmacht

  1. De krijgsmacht bestaat uit vrijwillig dienenden en kan mede bestaan uit dienstplichtigen.

  2. De wet regelt de verplichte militaire dienst en de bevoegdheid tot opschorting van de oproeping in werkelijke dienst.

Artikel 99 - Gewetensbezwaren militaire dienst

De wet regelt vrijstelling van militaire dienst wegens ernstige gewetensbezwaren.

Artikel 99a - Civiele verdediging

Volgens bij de wet te stellen regels kunnen plichten worden opgelegd ten behoeve van de civiele verdediging.

Artikel 100 - Inlichtingen over krijgsmacht

  1. De regering verstrekt de Staten-Generaal vooraf inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. Daaronder is begrepen het vooraf verstrekken van inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht voor humanitaire hulpverlening in geval van gewapend conflict.

  2. Het eerste lid geldt niet, indien dwingende redenen het vooraf verstrekken van inlichtingen verhinderen. In dat geval worden inlichtingen zo spoedig mogelijk verstrekt.

Artikel 101 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 20 juli 1995

Artikel 102 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 22 juni 2000

Artikel 103 - Uitzonderingstoestand

  1. De wet bepaalt in welke gevallen ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid bij koninklijk besluit een door de wet als zodanig aan te wijzen uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd; zij regelt de gevolgen.

  2. Daarbij kan worden afgeweken van de grondwetsbepalingen inzake de bevoegdheden van de besturen van provincies, gemeenten en waterschappen, van de grondrechten geregeld in de artikelen 6, voor zover dit de uitoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen van het in dit artikel omschreven recht betreft, 7, 8, 9, 12, tweede en derde lid, en 13, alsmede van artikel 113, eerste en derde lid.

  3. Terstond na de afkondiging van een uitzonderingstoestand en voorts, zolang deze niet bij koninklijk besluit is opgeheven, telkens wanneer zij zulks nodig oordelen beslissen de Staten-Generaal omtrent het voortduren daarvan; zij beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 104 - Belastingheffing

Belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet. Andere heffingen van het Rijk worden bij de wet geregeld.

 
 

Artikel 105 - Recht van begroting

  1. De begroting van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt bij de wet vastgesteld.

  2. Jaarlijks worden voorstellen van algemene begrotingswetten door of vanwege de Koning ingediend op het in artikel 65 bedoelde tijdstip.

  3. De verantwoording van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt aan de Staten-Generaal gedaan overeenkomstig de bepalingen van de wet. De door de Algemene Rekenkamer goedgekeurde rekening wordt aan de Staten-Generaal overgelegd.

  4. De wet stelt regels omtrent het beheer van de financiën van het Rijk.

Artikel 106 - Geldstelsel

De wet regelt het geldstelsel.

Artikel 107 - Codificatie

  1. De wet regelt het burgerlijk recht, het strafrecht en het burgerlijk en strafprocesrecht in algemene wetboeken, behoudens de bevoegdheid tot regeling van bepaalde onderwerpen in afzonderlijke wetten.

  2. De wet stelt algemene regels van bestuursrecht vast.

Artikel 108 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 25 februari 1999

Artikel 109 - Rechtspositie ambtenaren

De wet regelt de rechtspositie van de ambtenaren. Zij stelt tevens regels omtrent hun bescherming bij de arbeid en omtrent medezeggenschap.

 

Artikel 110 - Openbaarheid van bestuur

De overheid betracht bij de uitvoering van haar taak openbaarheid volgens regels bij de wet te stellen.

 

Artikel 111 - Ridderorden

Ridderorden worden bij de wet ingesteld.
HOOFDSTUK 6

Rechtspraak INLEIDING

Artikel 112 - Civiele en administratieve rechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is opgedragen de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen.

  2. De wet kan de berechting van geschillen die niet uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, opdragen hetzij aan de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren. De wet regelt de wijze van behandeling en de gevolgen van de beslissingen.

Artikel 113 - Strafrechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van strafbare feiten.

  2. Tuchtrechtspraak door de overheid ingesteld wordt bij de wet geregeld.

  3. Een straf van vrijheidsontneming kan uitsluitend door de rechterlijke macht worden opgelegd.

  4. Voor berechting buiten Nederland en voor het oorlogsstrafrecht kan de wet afwijkende regels stellen.

Artikel 114 - Doodstraf

De doodstraf kan niet worden opgelegd.

Artikel 115 - Administratief beroep

Ten aanzien van de in artikel 112, tweede lid, bedoelde geschillen kan administratief beroep worden opengesteld.

Artikel 116 - Rechterlijke macht

  1. De wet wijst de gerechten aan die behoren tot de rechterlijke macht.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de rechterlijke macht.

  3. De wet kan bepalen, dat aan rechtspraak door de rechterlijke macht mede wordt deelgenomen door personen die niet daartoe behoren.

  4. De wet regelt het toezicht door leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast uit te oefenen op de ambtsvervulling door zodanige leden en door de personen bedoeld in het vorige lid.

Artikel 117 - Rechtspositie leden rechterlijke macht

  1. De leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal bij de Hoge Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet bepaald kunnen zij door een bij de wet aangewezen, tot de rechterlijke macht behorend gerecht worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 118 - Hoge Raad

  1. De leden van de Hoge Raad der Nederlanden worden benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. De Hoge Raad is in de gevallen en binnen de grenzen bij de wet bepaald, belast met de cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van het recht.

  3. Bij de wet kunnen aan de Hoge Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 119 - Ambtsmisdrijven

De leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreden terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.

Artikel 120 - Toetsingsverbod

De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.

Artikel 121 - Openbaarheid terechtzittingen

Met uitzondering van de gevallen bij de wet bepaald vinden de terechtzittingen in het openbaar plaats en houden de vonnissen de gronden in waarop zij rusten. De uitspraak geschiedt in het openbaar.

Artikel 122 - Gratie

  1. Gratie wordt verleend bij koninklijk besluit na advies van een bij de wet aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.

  2. Amnestie wordt bij of krachtens de wet verleend.

HOOFDSTUK 7

Decentralisatie INLEIDING

Artikel 123 - Instelling provincies en gemeenten

  1. Bij de wet kunnen provincies en gemeenten worden opgeheven en nieuwe ingesteld.

  2. De wet regelt de wijziging van provinciale en gemeentelijke grenzen.

Artikel 124 - Autonomie en medebewind

  1. Voor provincies en gemeenten wordt de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake hun huishouding aan hun besturen overgelaten.

  2. Regeling en bestuur kunnen van de besturen van provincies en gemeenten worden gevorderd bij of krachtens de wet.

Artikel 125 - Organen decentrale besturen

  1. Aan het hoofd van de provincie en de gemeente staan provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad. Hun vergaderingen zijn openbaar, behoudens bij de wet te regelen uitzonderingen.

  2. Van het bestuur van de provincie maken ook deel uit gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning, van het bestuur van de gemeente het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester.

Artikel 126 - Ambtsinstructie commissaris koning

Bij de wet kan worden bepaald, dat de commissaris van de Koning wordt belast met de uitvoering van een door de regering te geven ambtsinstructie.

Artikel 127 - Vaststelling verordening

Provinciale staten en de gemeenteraad stellen, behoudens bij de wet of door hen krachtens de wet te bepalen uitzonderingen, de provinciale onderscheidenlijk de gemeentelijke verordeningen vast.

Artikel 128 - Toekenning bevoegdheden

Behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 123, kan de toekenning van bevoegdheden, als bedoeld in artikel 124, eerste lid, aan andere organen dan die, genoemd in artikel 125, alleen door provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad geschieden.

Artikel 129 - Verkiezing vertegenwoordigend orgaan

  1. De leden van provinciale staten en van de gemeenteraad worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders, tevens ingezetenen van de provincie onderscheidenlijk de gemeente, die voldoen aan de vereisten die gelden voor de verkiezing van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Voor het lidmaatschap gelden dezelfde vereisten.
  2. De leden worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  3. De artikelen 53, tweede lid, en 59 zijn van toepassing. Artikel 57a is van overeenkomstige toepassing.
  4. De zittingsduur van provinciale staten en de gemeenteraad is vier jaren, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen.
  5. De wet bepaalt welke betrekkingen niet gelijktijdig met het lidmaatschap kunnen worden uitgeoefend. De wet kan bepalen, dat beletselen voor het lidmaatschap voortvloeien uit verwantschap of huwelijk en dat het verrichten van bij de wet aangewezen handelingen tot het verlies van het lidmaatschap kan leiden.
  6. De leden stemmen zonder last.

Artikel 130 - Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders

De wet kan het recht de leden van de gemeenteraad te kiezen en het recht lid van de gemeenteraad te zijn toekennen aan ingezetenen, die geen Nederlander zijn, mits zij tenminste voldoen aan de vereisten die gelden voor ingezetenen die tevens Nederlander zijn.

Artikel 131 - Benoeming commissaris Koning

De commissaris van de Koning en de burgemeester worden bij koninklijk besluit benoemd.

Artikel 132 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen

  1. De wet regelt de inrichting van provincies en gemeenten, alsmede de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen.

  2. De wet regelt het toezicht op deze besturen.

  3. Besluiten van deze besturen kunnen slechts aan voorafgaand toezicht worden onderworpen in bij of krachtens de wet te bepalen gevallen.

  4. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden bij koninklijk besluit wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

  5. De wet regelt de voorzieningen bij in gebreke blijven ten aanzien van regeling en bestuur, gevorderd krachtens artikel 124, tweede lid. Bij de wet kunnen met afwijking van de artikelen 125 en 127 voorzieningen worden getroffen voor het geval het bestuur van een provincie of een gemeente zijn taken grovelijk verwaarloost.

  6. De wet bepaalt welke belastingen door de besturen van provincies en gemeenten kunnen worden geheven en regelt hun financiële verhouding tot het Rijk.

Artikel 133 - Waterschappen

  1. De opheffing en instelling van waterschappen, de regeling van hun taken en inrichting, alsmede de samenstelling van hun besturen, geschieden volgens bij de wet te stellen regels bij provinciale verordening, voor zover bij of krachtens de wet niet anders is bepaald.

  2. De wet regelt de verordenende en andere bevoegdheden van de besturen van de waterschappen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen.

  3. De wet regelt het provinciale en overige toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 134 - Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

  1. Bij of krachtens de wet kunnen openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere openbare lichamen worden ingesteld en opgeheven.

  2. De wet regelt de taken en de inrichting van deze openbare lichamen, de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen. Bij of krachtens de wet kan aan hun besturen verordenende bevoegdheid worden verleend.

  3. De wet regelt het toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 135 - Gemeenschappelijke regelingen

De wet geeft regels ter voorziening in zaken waarbij twee of meer openbare lichamen zijn betrokken. Daarbij kan in de instelling van een nieuw openbaar lichaam worden voorzien, in welk geval artikel 134, tweede en derde lid, van toepassing is.

Artikel 136 - Geschillen

De geschillen tussen openbare lichamen worden bij koninklijk besluit beslist, tenzij deze behoren tot de kennisneming van de rechterlijke macht of hun beslissing bij de wet aan anderen is opgedragen.
HOOFDSTUK 8

Herziening grondwet INLEIDING

Artikel 137 - Grondwetswijziging

  1. De wet verklaart, dat een verandering in de Grondwet, zoals zij die voorstelt, in overweging zal worden genomen.

  2. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, een voorstel voor zodanige wet splitsen.

  3. Na de bekendmaking van de wet, bedoeld in het eerste lid, wordt de Tweede Kamer ontbonden.

  4. Nadat de nieuwe Tweede Kamer is samengekomen, overwegen beide kamers in tweede lezing het voorstel tot verandering, bedoeld in het eerste lid. Zij kunnen dit alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  5. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen een voorstel tot verandering splitsen.

Artikel 138 - Aanpassing niet gewijzigde bepalingen

  1. Voordat de in tweede lezing aangenomen voorstellen tot verandering in de Grondwet door de Koning worden bekrachtigd, kunnen bij de wet:

    a. de aangenomen voorstellen en de ongewijzigd gebleven bepalingen van de Grondwet voor zoveel nodig aan elkaar worden aangepast;

    b. de indeling in en de plaats van hoofdstukken, paragrafen en artikelen, alsmede de opschriften worden gewijzigd.

  2. Een voorstel van wet, houdende voorzieningen als bedoeld in het eerste lid onder a, kunnen de kamers alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 139 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De veranderingen in de Grondwet, door de Staten-Generaal aangenomen en door de Koning bekrachtigd, treden terstond in werking, nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 140 - Handhaving bestaande regelgeving

Bestaande wetten en andere regelingen en besluiten die in strijd zijn met een verandering in de Grondwet, blijven gehandhaafd, totdat daarvoor overeenkomstig de Grondwet een voorziening is getroffen.

Artikel 141 - Bekendmaking herziene Grondwet

De tekst van de herziene Grondwet wordt bij koninklijk besluit bekendgemaakt, waarbij hoofdstukken, paragrafen en artikelen kunnen worden vernummerd en verwijzingen dienovereenkomstig kunnen worden veranderd.

Artikel 142 - Aanpassing Grondwet aan Statuut

De Grondwet kan bij de wet met het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in overeenstemming worden gebracht. De artikelen 139, 140 en141 zijn van overeenkomstige toepassing.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

J. Kiewiet en G.F.M. van der Tang †

ARTIKEL 137 - Grondwetswijziging

INHOUD
  1. Achtergrond en geschiedenis van de procedure: de grondwet als maatschappelijk verdrag
  2. Hoever reikt de bevoegdheid van de grondwetgever?
  3. Hoe verloopt de eerste lezing? (eerste lid)
  4. Splitsing in eerste lezing: omvang van het splitsingsrecht (tweede lid)
  5. Tweede Kamerontbinding en volksraadpleging (derde lid)
  6. Voorgestelde alternatieven voor het stelsel van twee lezingen
  7. Hoe verloopt de tweede lezing? (vierde lid)
  8. De obstakels in de tweede lezing: de versterkte meerderheid en de Eerste Kamer
  9. Splitsing in tweede lezing (vijfde lid)
  10. Literatuur
  11. Historische versies
 

Editie december 2015[1]

1 Achtergrond en geschiedenis van de procedure:
   de grondwet als maatschappelijk verdrag

De herzieningsprocedure van de Grondwet is ‘het slot op de brandkast’.[2] Grondwetsherziening is een verschijnsel dat met de moderne grondwet in de laatste decennia van de 18e eeuw opkwam.[3] De Grondwet – de brandkast waarin de belangrijkste staatsregeling opgeborgen is – geeft in tegenstelling tot gewone wetten zelf aan hoe zij gewijzigd kan worden. De brandkast is voorzien van twee sloten. Het eerste slot is de ‘verklaringswet‘ (behandeld in nr. 3). Deze wet in de zin van artikel 81 Grondwet drukt de voorgenomen wijziging van de Grondwet uit. Nadat de verklaringswet is aangenomen moet het tweede slot ontgrendeld worden: de Tweede Kamer wordt ontbonden om zo het volk te kunnen raadplegen (nr. 5) en vervolgens moet in tweede lezing het wijzigingsvoorstel uit de verklaringswet (nr. 7) met twee derde van de uitgebrachte stemmen door Tweede en Eerste Kamer aangenomen worden (nr. 8). Wijziging van de Grondwet geschiedt dus door middel van een ingewikkeld combinatieslot: een omslachtige procedure van twee lezingen met tussentijdse ontbinding en nieuwe verkiezing van de Tweede Kamer. Als noviteit is in 1983 het splitsingsrecht van herzieningsvoorstellen in de Grondwet opgenomen. Dit splitsingsrecht in eerste lezing (behandeld in nr. 4) en tweede lezing (nr. 9) speelt in de praktijk geen grote rol, maar dient volledigheidshalve wel in dit grondwetcommentaar besproken te worden.
 
Hoe zwaar moet het slot op wijziging van de Grondwet zijn? De procedure van grondwetsherziening heeft steeds ter discussie gestaan. Er zijn diverse pogingen ondernomen om de procedure te hervormen, die echter steeds zonder resultaat zijn gebleven.Deze pogingen hadden in hoofdzaak betrekking op een tweetal aspecten van de grondwetsherziening. In de eerste plaats alternatieven voor het stelsel van twee lezingen met tussentijdse ontbinding van de Staten‑Generaal (behandeld in nr. 6). Er is geopperd om een grondwetkamer in te stellen, maar ook wordt voor afschaffing van de tweede lezing gepleit.
 
Het tweede aspect betreft het vereiste van een twee derde meerderheid in tweede lezing en het aandeel van de Eerste Kamer in de herzieningsprocedure (nr. 8).[4] Het veto dat in het verleden 17 (van destijds 50 leden) en tegenwoordig 26 leden van de Eerste Kamer tegen een voorgenomen grondwetsherziening kunnen uitspreken, verhindert dat breed gedragen grondwetswijzigingen worden doorgevoerd. Daarnaast staat recentelijk ter discussie hoeveel tijd mag verstrijken tussen de behandeling in eerste lezing en de indiening in tweede lezing (nr. 7).
 
Het stelsel van grondwetsherziening steunt op twee uitgangspunten: het verschaffen van legitimatie door het volk aan de Grondwet en het garanderen van voldoende stabiliteit bij het wijzigen van de Grondwet.[5] Deze uitgangspunten zijn al terug te vinden in de grondwetten van 1814 en 1815 en gaan terug op wat in de decennia daaraan vooraf in‑ revolutionaire en niet‑revolutionaire ‑ grondwetten uitwerking gevonden had.
 
Deze uitgangspunten pasten geheel in het toenmalige denken over de plaats van de grondwet in het staatsbestel.[6] Onder veel politieke denkers en staatsrechtbeoefenaars werd de gedachte aangehangen dat de grondwet een contract was. In de 17e en 18e eeuwse leer van het maatschappelijk verdrag werd de inhoud van dit verdrag, als een aan de staat en de regeringsvorm ten grondslag liggende overeenkomst, beschouwd als een hoger recht dan het overige recht van de staat: de voorwaarden die aan de statelijke gezagsuitoefening werden gesteld gingen dus vooraf aan de wetten die op grond van de door het verdrag ontstane gezagstitel werden uitgevaardigd. Er werd dus een principieel onderscheid gemaakt tussen het fundamentele, constitutionele recht en het overige recht.[7]
 
Het fundamentele, constitutionele recht werd door de constituerende macht die bij het soevereine volk berust tot stand gebracht. De geconstitueerde, wetgevende macht werd daarentegen door de representanten uitgeoefend.[8] Van daaruit was het nog maar een kleine stap de inhoud van het maatschappelijk verdrag vast te leggen in een staatsdocument van bijzondere orde. Zo werd de Franse Déclaration des Droits de l'Homme et du Citoyen, die niet alleen mensenrechten, maar ook beginselen van staatsbestuur proclameerde, beschouwd als niets anders dan het ‘contrat social’ zelf. Hetzelfde geldt voor een reeks grondwetten uit die tijd, zoals de Staatsregeling voor het Bataafsche Volk van 1798. Artikel 72 van de Burgerlijke en Staatkundige Grondregels spreekt van ‘dit heiligst Pand zijner aangenomen Grondstellingen van het Maatschappelijk Verdrag’.
 
Hoewel veel natuurrechtdenkers het maatschappelijk verdrag hadden opgevat als een in beginsel voor alle tijden geldend contract, werd er toch vanuit gegaan dat onder omstandigheden wijziging mogelijk moest zijn. Dit kon echter slechts met eenparigheid van stemmen geschieden omdat immers alle soevereine individuen partijen waren in het oorspronkelijk verdrag.[9] Dat was natuurlijk praktisch onuitvoerbaar. Maar een vrijwel onveranderbare grondwet zou, zoals de eerste ontwerpers van grondwetten inzagen, onvermijdelijk in botsing zou komen met eisen van praktische politiek. De mogelijkheid van wijziging, vanzelfsprekend volgens een procedure door de grondwet zelf aangewezen, moest daarom worden toegelaten. De eis van unanimiteit was niet alleen praktisch onhaalbaar, maar ook theoretisch onverenigbaar met het recht van het soevereine volk om bij meerderheidsbesluit wijziging te brengen in door het volk zelf geconstitueerde staatsregeling. Bij wijze van compromis kwam men uit op de eis van een versterkte meerderheid.[10]
 
De grondwetten van 1814 en 1815 waren ver verwijderd van het natuurrechtelijke grondwetsbegrip als sociaal contract en de revolutionaire leer van de volkssoevereiniteit; zij sloten in sommige opzichten nadrukkelijk aan bij de talrijke grondwetten die wél door dat denken waren geïnspireerd. Ook zij verlangden voor een wijziging een gekwalificeerde meerderheid. De ratio lag in een historische opvatting omtrent de grondwet: de gedachte dat een deel van het recht, in de volksovertuiging geworteld, aan de willekeur van de overheid onttrokken dient te zijn. In deze opvatting paste tevens de eis dat in de ‘historische rechten en vrijheden’ geen wijziging mocht worden gebracht dan nadat de kiezers in de voorgestelde bepalingen waren gekend.[11] De Grondwet van 1814 werkte die premisse uit door voor haar wijziging een behandeling in twee lezingen te eisen. De ‘verklaringswet’ (artikel 142) diende aan de kiezers, dat wil zeggen de leden van de provinciale staten, te worden toegezonden. De staten voegden vervolgens aan de leden der Staten‑Generaal een gelijk aantal buitengewone leden toe. Deze tijdelijk toegevoegde leden waren slechts verkozen om zich over de voorgestelde wijzigingen uit te spreken. De aldus verdubbelde Staten‑Generaal kon in de tweede lezing slechts met een meerderheid van twee derden van het aantal aanwezige leden tot de herziening besluiten. Ook de Grondwet van 1815 voorzag in twee lezingen en handhaafde de procedure voorts in zoverre dat in artikel 230 verdubbeling van de Tweede Kamer werd voorgeschreven; verdubbeling van de Eerste Kamer (waarvan de leden door de Koning voor het leven werden benoemd) lag niet in de rede. Voor de tweede lezing in de Tweede Kamer gold echter een quorum van twee derde, terwijl voor aanvaarding der voorstellen een meerderheid van 3/4 der aanwezige leden werd verlangd (artikel 232).[12]
 
Deze strenge eisen kwamen voort uit de overweging dat, zoals Van Hogendorp het in de staatscommissie van 1815 uitdrukte, ‘er zulke delicate punten zijn, bijv. die van de vrijheid van geweten’ die niet door een twee derde meerderheid ‘in den wal geschoven’ mogen kunnen worden.[13] Thorbecke vroeg zich af of grondwetswijziging zo niet te moeilijk was gemaakt: ‘Welligt duchtte men in 1815 de nieuwigheidszucht onzer zuidelijke broeders,[14] waarmee Thorbecke het deel van het koninkrijk bedoelde dat het huidige België beslaat en tot 1830 onderdeel van Nederland zou zijn.
 
De Grondwet van 1848 handhaafde de kenmerkende elementen van de eerdere procedures: de vereisten van twee lezingen en een versterkte meerderheid in tweede lezing. Het systeem van de ‘toegevoegde leden’ werd echter verlaten. In plaats daarvan werd, in navolging van de Belgische Grondwet van 1831, de ontbinding der kamers na afloop van de eerste lezing voorgeschreven.[15] De woorden ‘zoo als zij het vaststelt’ in artikel 196 van de Grondwet van 1848 geven aan dat de Tweede Kamer in eerste lezing gebruik kon maken van haar – bij dezelfde herziening verworven – recht van amendement. In tweede lezing kon daarentegen geen wijziging meer in het voorstel worden gebracht. Voor aanvaarding was twee derde van de uitgebrachte stemmen in beide kamers nodig (artikel 197). Voor de tweede lezing werd de Eerste Kamer derhalve op gelijke voet met de Tweede Kamer geplaatst. Het bijzonder quorum van twee derde verviel.
 
De huidige procedure van grondwetsherziening is nagenoeg dezelfde als die van de artikelen 196 en 197 van de Grondwet van 1848. De grondwetgever heeft in 1983 nadrukkelijk vastgehouden aan de bestaande procedure. Als belangrijkste elementen van dit stelsel werden in de memorie van toelichting genoemd:
a. Evenals een wet in formele zin komt ook een grondwetsherziening tot stand in samenwerking tussen regering en Staten‑Generaal.
b. De zittende Staten‑Generaal zijn niet bevoegd (samen met de regering) een grondwetsherziening tot stand te brengen; zij kunnen wel meewerken aan een wet die verklaart dat er grond bestaat bepaalde veranderingen in overweging te nemen.
c. Na afkondiging van deze wet, houdende de voorgestelde veranderingen inhoudt, worden de beide kamers ontbonden en vinden verkiezingen plaats.
d. De nieuw optredende Staten‑Generaal nemen het voorstel in behandeling en kunnen het slechts met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen aannemen; recht van amendement bestaat in deze fase niet.[16]

2 Hoever reikt de bevoegdheid van de
   grondwetgever?

Alle bepalingen in de Nederlandse Grondwet zijn vatbaar voor wijziging. De bevoegdheid tot wijziging van de Grondwet is dus onbeperkt. In andere staten kent die bevoegdheid wel begrenzingen. Zo bepaalt artikel 79, derde lid, van de grondwet van de Bondsrepubliek Duitsland dat een wijziging die de onderverdeling van de bond in landen, de principiële medewerking van de landen bij de wetgeving dan wel de in de artikelen 1 en 20 neergelegde ‘Verfassungsgrundsätze’, waaronder het beginsel van de menselijke waardigheid, de volkssoevereiniteit, het legaliteitsbeginsel en het recht van verzet aantast, ontoelaatbaar is. Ook de Franse grondwet kent, in artikel 89, alinea 5, een dergelijk absoluut verbod: ‘La forme républicaine du Gouvernement ne peut faire l'objet d'une révision.’
 
Naast deze absolute grondwetswijzigingsverboden zijn er voorwaardelijke verboden. Deze voorwaardelijke verboden betreffen gevallen waarin bepaalde omstandigheden zich voordoen. Zo verbiedt artikel 196 van de Belgische grondwet een herziening van de grondwet in te zetten of voort te zetten in oorlogstijd of wanneer de Kamers verhinderd zijn vrij bijeen te komen op het federale grondgebied. Ook artikel 89, alinea 4, van de Franse grondwet bevat een soortgelijk voorschrift. Daarnaast bepaalt artikel 197 van de Belgische grondwet dat tijdens een regentschap geen verandering in de grondwet mag worden aangebracht wat betreft de grondwettelijke macht van de Koning en de artikelen 85 tot 88, 91 tot 95, 106 en 197 van de grondwet. Dit voorwaardelijk verbod herinnert aan artikel 233 van de Grondwet van 1815: ‘Geene verandering in de grondwet of in de erfopvolging, mag gedurende een regentschap worden gemaakt’, dat bij de partiële herziening van 1884 zo werd gewijzigd dat het verbod in het toenmalige artikel 198 alleen nog verandering in de troonopvolging betrof. In 1922 verdween ook dit laatste verbod uit de Grondwet.
 
Mag nu de conclusie getrokken worden dat, in afwijking van de aangehaalde buitenlandse voorbeelden, de bevoegdheid van de Nederlandse grondwetgever rechtens onbegrensd is?Weliswaar mogen alle bepalingen van de Grondwet, inbegrepen de wijzigingsvoorschriften, in een herziening worden betrokken,[17] maar dat wil niet zeggen dat zij door de grondwetgever naar believen kunnen worden veranderd. Zijn bevoegdheid is materieel beperkt door algemene rechtsbeginselen, door internationale verdragen en door Europees recht. Ook moet gewezen worden op het voorschrift van artikel 5, tweede lid, Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden: ‘De Grondwet neemt de bepalingen van het Statuut in acht.’ Op dit laatste punt wordt in het commentaar bij artikel 142 Grondwet ingegaan.
 
Een lastige kwestie is of de herzieningsprocedure ook onderwerp van grondwetswijziging kan zijn. De Grondwet spreekt zich niet uit over de vraag of de herzieningsprocedure in Hoofdstuk 8 aan andere herzieningsvoorschriften gebonden is dan de overige Grondwetsartikelen die onder het regime van de grondwettelijke herzieningsbepalingen vallen. De Grondwet legt dus geen beperking op aan de tot herziening bevoegde organen om de herzieningsprocedure te wijzigen. De conclusie lijkt dus gerechtvaardigd dat ook de herzieningsprocedure onderwerp van herziening kan zijn.[18]

3 Hoe verloopt de eerste lezing? (eerste lid)

De eerste fase van de procedure van grondwetsherziening begint met de indiening van het ontwerp van de in het eerste lid bedoelde ‘eerstelezingswet’. Deze wet bevat de voorgestelde veranderingen in de Grondwet en verklaart dat die veranderingen in overweging zullen worden genomen. Bij meer uitgebreide herzieningen worden de voorstellen doorgaans over meerdere wetsontwerpen verdeeld. Vroeger richtte men zich daarbij op de indeling van de Grondwet in hoofdstukken; bij latere herzieningen werd het onderwerp van de herzieningsvoorstellen als uitgangspunt genomen.[19] De herziening van 1887 bijvoorbeeld resulteerde in twaalf, die van 1983 in niet minder dan 39 wetsontwerpen, waarvan er 33 de eindstreep haalden.
 
De verklaringswet is een wet in de zin van artikel 81 Gw. De Tweede Kamer kan derhalve gebruik maken van haar recht van initiatief.[20] De behandeling van het ontwerp verloopt op dezelfde wijze als de behandeling van andere formele wetten, met dien verstande dat de Tweede Kamer, naast het reguliere recht van amendement (wat onder meer blijkt uit de zinsnede ‘zoals zij die voorstelt’), tevens het splitsingsrecht toekomt (zie het tweede lid). Na bekrachtiging wordt de verklaringswet op de gewone wijze afgekondigd.
 
Het eerste lid bevat enige redactionele wijziging ten opzichte van wat er in artikel 210 van de Grondwet van 1972 bepaald werd. De eerste volzin van dat artikel luidde: ‘Elk voorstel tot verandering in de Grondwet wijst de voorgestelde verandering uitdrukkelijk aan’.[21] Blijkens de memorie van toelichting kon dit uit 1814 stammende voorschrift wel worden gemist; de strekking werd voldoende weergegeven door de woorden ‘zoals zij die voorstelt’ [22] Ook het, niet minder oude, vereiste dat de noodzakelijkheid – ‘dat er grond bestaat’ ‑‑ om een herzieningsvoorstel in overweging te nemen bij de wet wordt verklaard kon zonder bezwaar uit de Grondwet verdwijnen.

4 Splitsing in eerste lezing: omvang van het
   splitsingsrecht (tweede lid)

In het verleden kwam het meerdere malen voor dat wijzigingsontwerpen, waarin veranderingen, zonder direct onderling verband, van verschillende grondwetsartikelen waren samengenomen (verzamelontwerpen) in tweede lezing werden verworpen, omdat tegen een of enkele der voorgestelde veranderingen bezwaar bestond. Aldus motiveerde de regering in 1976 haar voorstel inzake splitsing van wetsvoorstellen in het kader van de grondwetsherziening. Bij wijze van voorbeeld verwees zij naar het gebeurde in 1937, toen de bevoegdheid tot het aanstellen van ministers zonder portefeuille en van staatssecretarissen niet in de Grondwet kon worden opgenomen, omdat geen voldoende meerderheid te behalen viel voor het denkbeeld maatregelen tegen revolutionaire volksvertegenwoordigers mogelijk te maken. Een voorstel daartoe was in hetzelfde wetsontwerp opgenomen.[23]
 
Wat houdt het splitsingsrecht in? Het gaat om een bevoegdheid van de Tweede Kamer om, op voorstel van de regering of van een of meer van haar leden, een aanhangig wetsvoorstel in twee of meer wetsvoorstellen uiteen te laten vallen, die vervolgens de voor die voorstellen voorgeschreven procedure in eerste of tweede lezing volgen. Het betreft een zelfstandige bevoegdheid van de Kamer; medewerking van de regering aan het splitsingsvoorstel zelf is dus niet vereist. Wel kan de regering over een dergelijk voorstel het onaanvaardbaar uitspreken. Ook kan zij weigeren een voorstel tot verandering dat tegen haar zin is gesplitst te bekrachtigen,[24] terwijl ook intrekking tot de mogelijkheden behoort ‑ echter alleen in eerste lezing.[25] Dat de regering gebruik zal maken van haar bevoegdheid de Kamer een voorstel tot splitsing te doen, ligt wat de eerste lezing betreft niet voor de hand; zij kan een door haar ingediend wetsvoorstel immers intrekken en nieuwe, ‘gesplitste’ voorstellen indienen.[26]
 
In het oorspronkelijke wetsontwerp was, op aanbeveling van de Staatscommissie Cals/Donner,[27] slechts voorzien in een splitsingsrecht in tweede lezing.[28] Bij de behandeling van het regeringsvoorstel in de Tweede Kamer werd vrij algemeen aangedrongen op uitbreiding van het splitsingsrecht tot de eerste lezing. Erkend moet worden dat een ruime interpretatie van het splitsingsrecht in eerste lezing kan leiden tot een niet minder ruime interpretatie in tweede lezing, waardoor het ‑ juist in die fase ‑ zijn beperkt karakter verliest en uitmondt in een verkapt recht van amendement.[29] Het splitsingsrecht is op te vatten als een combinatie van het recht van amendement en initiatief.[30] De eerste lezing, waar het recht van amendement wel bestaat, biedt de kamer weliswaar meer vrijheid van interpretatie, maar zeker niet de mogelijkheid om, ongeacht het verband tussen de in een voorstel tot verandering vervatte bepalingen, een voorstel willekeurig te splitsen. Uit de wetshistorie blijkt dit zeker niet.
 
Het splitsingsrecht in eerste lezing is geregeld in het tweede lid. Voor de volledigheid: voor het besluit tot splitsing van een wetsontwerp volstaat een gewone meerderheid. Het splitsingsrecht komt uitsluitend toe aan de Tweede Kamer. Toekenning van het recht aan de Eerste Kamer zou, zo meende de regering, niet stroken met haar staatsrechtelijke positie als kamer van heroverweging, die belangrijke politieke rechten als het recht van initiatief en van amendement (waarmee het splitsingsrecht nauw is verwant) mist.[31] Opgemerkt zij dat de regering zich op dit standpunt stelde in antwoord op vragen uit de Tweede Kamer naar aanleiding van haar voorstel inzake het splitsingsrecht in tweede lezing. Het argument lijkt echter mutatis mutandis ook op de eerste lezing van toepassing. Aan het splitsingsrecht komt geen grote praktische betekenis toe. Een enkele keer is er een voorstel tot splitsing gedaan,[32] maar een splitsingsvoorstel is tot nu toe nog nooit aanvaard.

5 Kamerontbinding en volksraadpleging (derde lid)

Bij de grondwetsherziening van 1995 werd artikel 137, derde lid, Grondwet gewijzigd [33] Dit artikel bepaalt sindsdien dat niet de beide Kamers, maar alleen de Tweede Kamer wordt ontbonden. De achtergrond van deze wijziging ligt in de herziening van het kiesstelsel van de Eerste Kamer in 1983. Niet langer werd de helft, maar worden alle leden van de Eerste Kamer door de leden van de Provinciale Staten gekozen.[34] Daardoor komt de Eerste Kamer niet in een nieuwe samenstelling na een ontbindingsverkiezing bijeen. Immers, alleen als de leden van de Provinciale Staten tussentijds opnieuw verkozen zouden worden, zou er een andere samenstelling van de Eerste Kamer zijn.
 
In 1985 werd door de Eerste Kamer de motie van het lid Vis aangenomen.[35] Die motie hield in dat gelijktijdige ontbinding van beide Kamers bij grondwetsherziening niet dwingend is voorgeschreven, wat zou blijken uit de totstandkomingsgeschiedenis van de ontbindingsbepaling tijdens de grondwetsherziening.[36] De motie-Vis verzocht de regering de ontbindingsverkiezing wegens grondwetsherziening uit te stellen tot 1987.[37] Dit schoot de regering in het verkeerde keelgat; de ontbinding van de Kamers zou gelijktijdig moeten plaatsvinden want een niet gelijktijdige ontbinding zou in strijd zijn met de de bedoeling en strekking van artikel 137, derde lid, Grondwet. De Raad van State onderschreef dit standpunt van de regering.[38] Uiteindelijk werd voor een erg probaat middel gekozen: in plaats van het opnemen van een Grondwetsbepaling die de verplichte gelijktijdige ontbinding van de Kamers voorschreef, werd er in 1993 door de regering voor gekozen om de ontbinding van de Eerste Kamer in haar geheel te schrappen.[39]
 
Opmerkelijk is dat bij de grondwetsherziening van 1995 ook voor de Eerste Kamer vastgehouden werd aan gekwalificeerde meerderheid van twee derde van de uitgebrachte stemmen. Zonder ontbinding van de Eerste Kamer is er – in tegenstelling tot de Tweede Kamer – geen sprake van volksinvloed op de voorgestelde wijzigingen van de Grondwet. Waarom zou dan toch aan de gekwalificeerde meerderheid vastgehouden moeten worden? Hier lijkt het beginsel van de stabiliteit van de Grondwet boven dat van de volksinvloed gesteld te worden. Dat dit in de praktijk de fatale uitwerking heeft dat slechts 26 van de 75 Eerste Kamerleden grondwetsherzieningen kunnen verwerpen, waar zij gedurende de afgelopen decennia diverse malen gebruik van hebben gemaakt, mag niet onvermeld blijven.[40]
 
Het derde lid van artikel 137 heeft een scharnierfunctie in de herzieningsprocedure. Het markeert de overgang van de eerste naar de tweede lezing, van de ‘verklarings’ naar de ‘overwegingfase’, en geeft daarnaast uitdrukking aan de grondgedachte van de herzieningsbepalingen, namelijk dat op de kiezers moet worden ‘teruggegrepen’.[41] Zoals bij nr. 1 gesteld, hadden de grondwetten van 1814 en 1815 die eis gerealiseerd door de toevoeging te verlangen van buitengewone aan de gewone leden der Staten-Generaal. Bij de herziening van 1848 werd met dit stelsel ‑ en de daarin vervatte gedachte van een speciale ‘grondwetskamer’ – gebroken. De nieuwe methode was die van verkiezing van beide Kamers in hun geheel door middel van Kamerontbinding. De nieuw gekozen Kamers zouden elk voor zich over de herziening beslissen en vervolgens als ‘gewone’ Kamers kunnen blijven functioneren.[43] Het instituut van de Kamerontbinding, bij dezelfde herziening om een andere reden ingevoerd, was bij uitstek het middel om de kiezers zich over de voorgestelde herziening te doen uitspreken. De ‘volksstem’ had te meer gewicht door het ontbreken van het recht van amendement in tweede lezing.[43] Gebleken is echter dat deze volksstem, waar het de Grondwet betreft, zich zelden of nooit laat horen. De kiezers worden immers niet uitdrukkelijk om een oordeel gevraagd over de voorliggende voorstellen: het gaat primair om de samenstelling van de nieuwe Tweede Kamer, de politieke geschilpunten, de lijstrekkers en de samenstelling van het nieuwe kabinet.[44] De grondwetswijzigingen worden volgens Van den Berg ‘verdonkermaand’.[45]
 
Dit effect wordt versterkt door de praktijk om de ontbinding wegens Grondwetsherziening te doen samenvallen met het tijdstip waarop de normale zittingsperiode van de Tweede Kamer eindigt. Bij gebrek aan een grondwettelijk voorschrift over de termijn waarbinnen ontbinding moet plaatsvinden, is het aldus gebruik geworden de aanvaarde eerstelezingswetten op te sparen voordat tot ontbinding van de kamers wordt overgegaan.[46] Tijdens de parlementaire behandeling van wetsontwerp 14 213 is de invoering bepleit van een tijdslimiet waarbinnen, na de afkondiging van deze wetten, de ontbinding moet volgen. Bij nr. 7 wordt uitgebreid ingegaan op de problematiek van de tijdslimiet. De regering meende echter dat de grondwetgever er te veel door zou worden vastgelegd. Zou hij behoefte hebben aan een gespreide behandeling van de herzieningsvoorstellen, dan werkt een dergelijk voorschrift bijzonder onpraktisch.[47]
 
De ontbinding wegens grondwetsherziening geschiedt bij koninklijk besluit. Ook is artikel 64 Gw. van toepassing, met dien verstande dat de ontbinding wegens grondwetsherziening niet ter beslissing van de regering staat, maar dwingend is voorgeschreven. Voor de ontbinding wordt door de Grondwet geen termijn gesteld.[48] Vermelding verdient het voorval in 2006.[49] Op 30 november 2006 was de Tweede Kamer bij koninklijk besluit van 4 september ontbonden op grond van artikel 64 Grondwet. Die ontbinding was noodzakelijk omdat het kabinet-Balkenende II in juni 2006 was gevallen en stond dus niet in relatie met de grondwetsherziening. Echter, na 4 september werden door de Eerste Kamer op 31 oktober en 14 november 2006 nog twee eerstelezingswetsvoorstellen afgehandeld; de verklaringswetten verschenen op 14 en 17 november in het Staatsblad. Vervolgens stelde de regering in een koninklijk besluit van 15 november dat de ontbinding van de Tweede Kamer mede plaatsvond op grond van artikel 137, derde lid, van de Grondwet. De kandidaatstelling voor de Tweede Kamerverkiezing was echter al op 10 oktober geweest. Op dat moment was niet bekend of er een tweede lezing zou komen. Het besluit van 15 november 2006 was evident in strijd met de opvatting van de regering dat eerstelezingswetten tot stand moeten zijn gekomen voor de kandidaatstelling voor de verkiezingen.[50] De Raad van State bracht over deze kwestie een kritisch advies uit, maar beoordeelde de handelswijze van de regering niet ‘inconstitutioneel’.[51]

6 Voorgestelde alternatieven voor het stelsel
   van twee lezingen

Het stelsel van 1848 beoogt weliswaar te verhinderen dat grondwetsherziening overhaast en lichtvaardig geschiedt, maar hanteert daarvoor een omslachtige procedure van twee lezingen met tussentijdse ontbinding en nieuwe verkiezing van de Tweede Kamer. Daardoor zouden de parlementaire werkzaamheden van de Tweede Kamer onderbroken worden. Echter, vervroegde ontbinding van de Tweede Kamer voor een grondwetsherzieningsprocedure is sinds 1948 niet meer voorgekomen.[52] Ook is er een kanttekening vanuit democratisch oogpunt te maken: de kiezers hebben hooguit de gelegenheid om zich over de voorstellen uit te spreken.[53]
 
De kritiek op de herzieningsprocedure richtte zich voornamelijk op deze twee aspecten. Soms lag de nadruk op haar onbuigzaamheid, soms op haar democratisch tekort. Zo ontwierp in 1918 de Staatscommissie‑Ruys de Beerenbrouck een stelsel met slechts één lezing, waarbij voor aanvaarding van een herzieningsvoorstel een twee derde meerderheid in beide kamers vereist zou zijn. Wanneer in een van de Kamers, of in beide, het ontwerp slechts een gewone meerderheid zou behalen, zou het voorstel worden onderworpen aan een referendum, waarbij voor aanvaarding een meerderheid van twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen zou moeten worden verkregen. De voorstellen van de staatscommissie werden door het kabinet‑Ruys de Beerenbrouck in 1921 ongewijzigd overgenomen. Bij de behandeling in de Tweede Kamer kwam het tot een groot aantal amendementen. Daaronder bevond zich een amendement‑Marchant/Oud, dat zich zowel richtte tegen de mogelijkheid om via een gekwalificeerde meerderheid in de kamers een herziening door te zetten zonder raadpleging der kiezers, als tegen het vereiste van een twee derde meerderheid bij de volksstemming. Zowel de ingediende amendementen als het regeringsvoorstel werden door de Tweede Kamer verworpen.[54] Het ontbindingsvoorschrift betekent nu vooral een rem op overhaaste en lichtvaardige grondwetsherzieningen en houdt nog steeds in theorie de mogelijkheid voor de kiezers in stand om zich over de grondwetsherziening uit te spreken.[55] Dat laatste blijft van belang omdat alle bepalingen van de Grondwet onderwerp van herziening kunnen zijn. Het volk moet zich kunnen uitspreken over de voorgenomen grondwetsherziening, want door de materieel vrijwel onbeperkte wijzigingsbevoegdheid (de materiële beperkingen zijn bij nr. 2 besproken) kan een inhoudelijk volledig andere Grondwet tot stand komen. Instemming van het volk met de herzieningsvoorstellen blijft daarom vereist.
 
In het verleden zijn  werd door de Staatscommissies‑Beel (1946) en ‑Van Schaik (1950)[56]  werd in plaats van ontbinding vanwege grondwetsherziening een aparte grondwetskamer voor de tweede lezing bepleit.[57] In de door het kabinet‑Drees in 1951 overgenomen voorstellen van de Staatscommissie‑Van Schaik werd de bestaande gang van zaken wat betreft de eerste lezing gehandhaafd. Voor de tweede lezing werd wederom een Kamer voor Grondwetsherziening voorgesteld met als doel de normale parlementaire arbeid niet te verstoren; de vereiste gekwalificeerde meerderheid werd echter op twee derde gesteld. Ook dit regeringsvoorstel werd door de Tweede Kamer afgewezen. Als bezwaar werd onder meer naar voren gebracht dat een belangrijke taak van de Staten‑Generaal in handen zou worden gelegd van volksvertegenwoordigers die buiten het praktische parlementaire werk staan.[58] Dat was nu juist het argument voor de grondwetskamer van de Staatscommissie van Schaik geweest.
 
Na de frontale aanvallen op het stelsel van twee lezingen met tussentijdse ontbinding zijn in latere jaren de oude alternatieven (grondwetskamer en referendum) nog wel overwogen en nieuwe voorgesteld.[59] Echter, uiteindelijk hebben zowel de Proeve van een nieuwe grondwet als de Staatscommissie‑Cals/Donner en, in de voetspoor daarvan, de Nota inzake het grondwetsherzieningsbeleid nadruk gelegd op de bijzondere waarborgen van het bestaande stelsel.[60] Als voornaamste bezwaar tegen de grondwetskamer beschouwde de staatscommissie dat grondwetgeving en gewone wetgeving nauw met elkaar zijn verweven. De regering beschouwde het een illusie te menen, dat de kiezers bij het kiezen van een grondwetskamer zich sterker zouden laten leiden door hun oordeel over de aanhangige herzieningsvoorstellen dan bij de verkiezingen wegens grondwetsherziening volgens het bestaande stelsel. Ten aanzien van het referendum meende de regering dat er onvoldoende grond was te veronderstellen dat deze methode het element van volksraadpleging in de procedure beter tot zijn recht zou doen komen. Er was kennelijk voldoende vertrouwen in de ‘democratische waarborg’ van de verplichte ontbinding: de suggestie van de Raad van State in zijn advies over de Nota om van tussentijdse ontbinding en verkiezingen af te zien, vond geen bijval. Recentelijk werd wederom geopperd een grondwetkamer in te stellen; in het winnende voorstel van de Grondwetstrijd 2014 werd een voorstel voor de oprichting van een grondwetkamer gedaan.[61]
 
Ook een recenter pleidooi voor afschaffing van de tweede lezing vond weinig weerklank in de Tweede Kamer. Tijdens het slotdebat over de voorstellen van de commssie-Deetman over de ontbrekende belangstelling voor Grondwetswijzigingsvoorstellen bij de Tweede Kamerverkiezingen stelde het Tweede Kamerlid Jurgens voor om de verplichte ontbinding van beide Kamers te schrappen. De motie-Jurgens werd echter verworpen.[62] Toch verstomt de roep niet om de wijziging van de Grondwet in één lezing te behandelen. Onlangs spraken Elzinga, Hirsch Ballin en Van der Woude zich uit voor het behandelen van de herzieningsvoorstellen in één lezing die met twee derde aangenomen moet worden.[63]

7 Hoe verloopt de tweede lezing? (vierde lid)

De strekking van het vierde lid is dat na de ontbinding de nieuwe kamers de in eerste lezing aangenomen en door de Koning bekrachtigde voorstellen dienen te overwegen. Deze overweging gebeurt aan de hand van wetsvoorstellen waarin de teksten van de eerstelezingswetten zijn opgenomen. De wetsvorm is niet door de Grondwet voorgeschreven. Bij alle herzieningen sinds 1840 werd zij echter gehanteerd. Opgemerkt is dat dit gebruik ongewenste consequenties heeft ten aanzien van de behandeling in de ministerraad, de advisering door de Raad van State en de parlementaire behandeling. Ook de verwarring rond het tijdstip van de inwerkingtreding van de veranderingen (zie ook artikel 139) zou door de keuze voor de wetsvorm zijn veroorzaakt.[64]
 
De Grondwet schrijft niet voor wanneer de indiening in tweede lezing moet plaatsvinden, maar in de praktijk gebeurt dit op of kort na de dag dat de nieuw gekozen Tweede Kamer voor het eerst bijeenkomt.[65] De vraag is hoe lang de indiening in tweede lezing op zich mag laten wachten. Indiening van de tweede lezingsvoorstellen vond tot 1983 meestal plaats op de dag of een dag later waarop de nieuw gekozen Tweede Kamer voor het eerst bijeenkwam.[66] Sinds 1983 duurt het echter steeds langer voordat voorstellen in tweede lezing bij de Tweede Kamer worden ingediend. Toch is nog steeds het uitgangspunt dat in beginsel de tweede lezing moet worden afgerond door de Tweede Kamer die gekozen is na de afronding van de eerste lezing zodat de kans het grootst is dat de nieuw gekozen Tweede Kamer de behandeling kan afronden, zonder dat bijvoorbeeld vervroegde verkiezingen afronding verhinderen.[67] In 2002 wachtte de regering met de indiening zo lang dat de parlementaire behandeling in 2003 nog niet afgesloten was toen de Tweede Kamer ontbonden werd. Het uitgangspunt dat de tweede lezing moet worden afgerond door de na de afronding van de eerste lezing nieuw gekozen Tweede Kamer werd in het debat tussen de regering en beide Kamers naar aanleiding van het advies van de Raad van State bekrachtigd.[68] Nadien is de wenselijkheid van dit standpunt in een debat met de Eerste Kamer bevestigd,[69] Vervolgens lukte het na de verkiezingen van 22 november 2006 nog steeds niet om de tweedelezingsvoorstellen op de eerste zittingsdag van de nieuwe Kamer af te ronden. Aangevoerd werd dat het advies van de Raad van State nog niet beschikbaar was.[70]
 
Bij het voorstel-inzake de invoering van de toetsing van wetten aan een aantal bepalingen van de Grondwet door de rechter (het ‘voorstel-Halsema’) duurde het vijf jaar voordat het voorstel in tweede lezing werd ingediend.[71] Het uitgangspunt dat de tweede lezing moet worden afgerond door de Tweede Kamer die gekozen is na de afronding van de eerste lezing wordt hiermee geschonden.[72] Naast de besproken koppeling van de reguliere Tweede Kamerverkiezingen aan de grondwetsherziening wordt met de steeds langere tijd tussen de ontbindingsverkiezing van de Tweede Kamer en de indiening in tweede lezing het volksraadplegende karakter van de Tweede Kamerverkiezing steeds verder uitgehold. In het Tweede Kamerdebat over het voorstel-Halsema wordt door Tweede Kamerlid Taverne aangevoerd dat de tweede lezing ertoe dient dat grondwetswijziging zo belangrijk en zwaarwichtig gevonden wordt dat het oordeel van de Kamer in één zittingsperiode niet voldoende wordt geacht.[73] Deze interpretatie is in tegenspraak met het doel van de volksraadpleging dat de verplichte Tweede Kamerontbinding dient.
 
Aangenomen wordt dat op de regering de verplichting rust de wetsvoorstellen in tweede lezing in te dienen, tenzij het een oorspronkelijk initiatiefvoorstel betreft waarvan vaststaat dat de initiatiefnemers ook voor de indiening in tweede lezing zullen zorgdragen.[74] De plicht tot indiening strekt zich ook uit tot de voorstellen die in eerste lezing zijn gesplitst. Gelet op de redactie van het vierde lid zou verdedigbaar zijn dat de eerstelezingswetten rechtens bij de Tweede Kamer aanhangig zijn. Dit standpunt, zo meende de regering in de toelichting bij wetsontwerp 14 213, roept echter ten aanzien van de behandeling in tweede lezing allerlei procedurele vragen op. De regering is tot indiening verplicht. Desondanks moet de regering dat zij de wenselijkheid van de betreffende herziening kenbaar maken.[75] Zelfs kan de regering, aangezien de wetsvorm ook geldt voor de herzieningsvoorstellen in de tweede lezing, weigeren deze na aanneming door de Kamers te bekrachtigen. Intrekking van een aanhangig wetsontwerp in deze fase wordt echter, uitgaande van de plicht tot indiening, in strijd met de bedoeling van de Grondwet geacht.[76]
 
In de tweede lezing bestaat geen recht van amendement. Dat volgt uit de redactie van het vierde lid (‘overwegen het voorstel’) en uit de woorden ‘zoals zij die voorstelt’ in het eerste lid. De Kamers zijn uitsluitend bevoegd tot aanneming of verwerping van het voorstel zoals dit na de eerste lezing luidt en vervolgens – in theorie – aan de kiezer is voorgelegd. Zou de Tweede Kamer ook in deze fase het recht van amendement toekomen, dan zou een herziening tot stand kunnen komen buiten de kiezers om. Dat zou in strijd zijn met het besproken uitgangspunt dat het volk zich over de voorgenomen herziening uitspreekt. Een tweede belangrijk verschil met de eerste lezing is dat voor aanvaarding van het voorstel een meerderheid nodig is van twee derden van de uitgebrachte stemmen in beide Kamers. Daarbij moet worden opgemerkt dat de Grondwet spreekt over een twee derde meerderheid van uitgebrachte stemmen. Het aantal uitgebrachte stemmen kan dus een lager getal zijn dan hetzelfde percentage van de leden van de Kamers.[77]

8 De obstakels in de tweede lezing: de versterkte
   meerderheid en de Eerste Kamer

De huidige eis van een versterkte meerderheid in tweede lezing dateert van 1848. Bij de herziening van dat jaar ging het er primair om de geldende voorschriften omtrent grondwetswijziging ‑ de omslachtige procedure van 1815 – te ‘zuiveren’, zonder nochtans de zaak ‘te gemakkelijk’ te maken. De uiteindelijk aanvaarde regeling heeft voortdurend aan kritiek blootgestaan. Reeds de Staatscommissie‑Heemskerk (1883) achtte het wenselijk een einde te maken aan de anomalie dat (destijds) 14 leden (nu 26 leden) van de Eerste Kamer een door hen niet gewenste herziening konden tegenhouden.[78] Ook Buijs had ernstig bezwaar tegen de gekwalificeerde meerderheid. Hij vroeg zich of hoe nog enige kracht kon uitgaan van een staatsregeling die tot tweemaal toe plechtig door de meerderheid was veroordeeld: ‘Met eene afstemming van grondwetsherziening door het veto van de minderheid wordt een tijdvak van politieke ellende en machteloosheid ingeleid, dat niemand zijn vaderland zal willen toewenschen.’[79]
 
Vooral aan het begin van de 20e eeuw werd de rigiditeit van de Grondwet meer en meer als een probleem gezien. De eis van een versterkte meerderheid een belangrijke rol op de vergadering van de Nederlandse Juristenvereniging van 1914, waar de vraag aan de orde was of het verschil tussen wet en grondwet dient te worden gehandhaafd. Preadviseur Ph. Kleintjes beantwoordde de vraag ontkennend;  J.A. van Hamel en J.A. Loeff kwamen met een bevestigend antwoord en de meerderheid van de aanwezigen stemde met hen in.[80] Gezegd werd dat de grondwetgever tot onmacht gedoemd werd – de herziening van 1887 had dat wel duidelijk gemaakt[81] ‑ en nodigde de wetgever uit tot grondwetsschending. De stroeve wijzigingsprocedure had de Grondwet gemaakt tot ‘een blok aan het been der natie’.[82] De discussie was geopend door de Groningse hoogleraar Krabbe (1856‑1936). In 1906, hetzelfde jaar waarin zijn Die Lehre der Rechtssouveränität het licht zag, publiceerde hij een artikel in De Gids,[83] waarin hij betoogde dat de gepretendeerde heerschappij van de Grondwet niets anders was dan de tirannie van een kleine minderheid. Krabbe pleitte voor opheffing van de eis van een versterkte meerderheid en de invoering van een verplicht referendum bij grondwetsherziening. Zijn Leidse collega J. Oppenheim (1849‑1924) kwam in zijn artikel ‘De suprematie der Grondwet’ (1907) met een uitgebreid ‘zondenregister’ van grondwetsschendingen. Ook hij zag nog maar weinig grond voor handhaving van de rigiditeit, achtte deze in elk geval voor de eerbied voor de Grondwet niet bevorderlijk.[84] Heden ten dage zijn er meerdere voorbeelden van bewuste omzeiling van de Grondwet.[85] Voorbeelden zijn de dualisering van het gemeentebestuur, waarin het college van burgemeester en wethouders in een min of meer nevengeschikte verhouding zijn komen te staan tot de gemeenteraad, terwijl de Grondwet stelt dat de raad aan het hoofd staat van de gemeente. Verder kan worden gewezen op de perikelen rondom de Tijdelijke referendumwet, waarbij de Grondwet na afwijzing van het grondwetsherzieningsvoorstel tot invoering van het referendum (de ‘Nacht van Wiegel’) expliciet werd omzeild door een rechtens niet bindend maar feitelijk wel bindend referendum via een gewone wet mogelijk te maken.
 
Regelmatig is voorgesteld verandering te brengen in de grondwettelijke eis van de tweede lezing. Daarbij was het vaak om meer dan alleen de eis van een versterkte meerderheid te doen. Evenals in de hierboven besproken voorstellen inzake een grondwetskamer speelde vaak de wens mee de invloed van de Eerste Kamer in de tweede lezing terug te dringen. Dat is begrijpelijk want het gaat niet louter om de mogelijkheid ‑ meermalen in praktijk gebracht[86] ‑ van een veto van een minderheid over een voorgestelde herziening, maar om een veto uitgesproken door een minderheid van een Kamer, waarvan de samenstelling niet direct beïnvloed kan worden door het mogelijke oordeel van de kiezers over de voorgestelde herziening.[87] Hier lijken de uitgangspunten van de herzieningsprocedure, de verzekering van volksinvloed op de grondwetsherziening en een waarborg tegen lichtvaardige verandering, hevig met elkaar in conflict. In de regeringsvoorstellen van 1907 en 1913 werd getracht beide beginselen met elkaar te verzoenen, in zoverre aan de ontbinding van de Eerste Kamer wegens grondwetsherziening een ontbinding van provinciale staten werd gekoppeld. Beide pogingen leden schipbreuk.[88] De andere weg was die van reductie van de invloed van de Eerste Kamer. Het instrument dat zich daarvoor in de voorstellen van de staatscommissies van 1883, 1905 en 1910 aandiende, was de verenigde vergadering. De besluitvorming in tweede lezing zou plaatsvinden bij volstrekte meerderheid van het grondwettelijk ledental. Minder ver ging het regeringsvoorstel uit 1913: in de verenigde vergadering kon een wijzigingsvoorstel slechts worden aangenomen indien het werd gesteund door een volstrekte meerderheid van het aantal leden van beide kamers afzonderlijk. Aldus zou worden voorkomen dat een herziening tot stand kon komen door een combinatie van een meerderheid uit de ene en een minderheid uit de andere kamer. Met de andere onder het kabinet‑Heemskerk ingediende herzieningsvoorstellen werd dit voorstel tijdens het kabinet‑Cort van der Linden ingetrokken.
 
Ook de Staatscommissie‑Cals/Donner opteerde voor besluitvorming in tweede lezing in verenigde vergadering, met dien verstande dat voor aanvaarding der voorstellen een twee derde meerderheid nodig zou zijn. Dit voorstel ging er van uit dat beide Kamers rechtstreeks zouden worden gekozen. Mocht het commissievoorstel ook de Eerste Kamer rechtstreeks te doen verkiezen geen doorgang vinden, dan zouden zowel het ontbindingsvoorschrift als de eis van een twee derde meerderheid slechts betrekking hebben op de Tweede Kamer. De ‑ niet ontbonden ‑ Eerste Kamer zou, in verband met het aan de Tweede Kamer toegedachte splitsingsrecht, nog wel bij de tweede lezing betrokken worden, maar een eenvoudige meerderheid zou voldoende zijn.[89] Blijkens de Nota inzake het grondwetsherzieningsbeleid gingen deze voorstellen van de staatscommissie de regering niet ver genoeg: de Eerste Kamer heeft haar functie van kamer van heroverweging reeds voldoende kunnen vervullen bij de eerste lezing. Zij ware derhalve niet meer bij de behandeling van een herziening in tweede lezing te betrekken.[90] De regering zwichtte echter voor de wens van de Tweede Kamer, uitgesproken door aanvaarding van de motie‑De Kwaadsteniet, dat de Eerste Kamer de haar naar geschreven en ongeschreven recht toekomende bevoegdheden diende te behouden[91] en liet de gedachte aan uitschakeling van de Eerste Kamer bij de tweede lezing varen.[92] Tijdens de behandeling van wetsontwerp 14 213 werd nog voorzichtig getornd aan de positie van de Eerste Kamer in de tweede lezing, maar de regering liet de suggesties, in de richting van ‑ opnieuw ‑ een verenigde vergadering, voor wat zij waren.[93] Derhalve, zo is door Heida opgemerkt, blijft het mogelijk dat een voorstel tot grondwetsherziening, in tweede lezing na verkiezingen door de rechtstreeks gekozen Tweede Kamer met twee derde meerderheid aangenomen, door een minderheid van de niet rechtstreeks gekozen Eerste‑Kamerleden wordt getorpedeerd.[94]

9 Splitsing in tweede lezing (vijfde lid)

Het splitsingsrecht van de Tweede Kamer kwam al in nr. 4 ter sprake in verband met splitsing van eerstelezingswetten. De opmerkingen over de inhoud van dit recht die ik daar maakte, zijn mede van toepassing op splitsing in tweede lezing, met dien verstande dat, zoals artikel 137, vijfde lid, het wil, voor een daartoe strekkend besluit een twee derde meerderheid nodig is. Bij de bespreking van het vierde lid kwam reeds naar voren dat intrekking van tweede‑lezingsvoorstellen als ongeoorloofd moet worden beschouwd. Het is verdedigbaar dat dit mede geldt voor voorstellen die in tweede lezing door de Kamer zijn gesplitst.
 
Hierboven werd opgemerkt dat het oorspronkelijke regeringsvoorstel uitsluitend voorzag in splitsing in tweede lezing. De in de toelichting en tijdens de parlementaire behandeling gemaakte voorbehouden omtrent de beperkte strekking van deze bevoegdheid en de omzichtigheid waarmee zij dient te worden gehanteerd lijken, nu volgens de definitieve regeling ook in eerste lezing kan worden gesplitst, a fortiori op de tweede lezing van toepassing te zijn. Naar het oordeel van Kortmann zou het beter zijn geweest indien het onderscheid tussen het ‑ voor een ruimere interpretatie vatbare ‑ splitsingsrecht in eerste lezing en het beperktere splitsingsrecht in tweede lezing in de tekst van de Grondwet tot uitdrukking was gebracht.[95] Duidelijk lijkt evenwel dat uit de verwerping van het amendement‑Van Mierlo/Franssen, dat aan splitsing in tweede lezing de voorwaarde verbond dat tussen de te splitsen bepalingen geen rechtstreeks verband bestaat, niet mag worden geconcludeerd dat in tweede lezing een ruime interpretatie van het splitsingsrecht, waardoor het gelijkenis zou gaan vertonen met het recht van amendement, geoorloofd is. Dan zou splitsing in tweede lezing onherroepelijk in strijd komen met het uitgangspunt van de procedure dat de kiezers zich uitspreken over de voorgestelde verandering van de Grondwet.
 
In 1980 is er nog enige opwinding geweest over de zogenoemde suggestie-Feij om in tweede termijn het wetsontwerp in tweede lezing bij voorrang af te handelen, zodat het splitsingsrecht al zou kunnen worden gebruikt voor de overige nog in tweede lezing aanhangige wetsontwerpen.[96] De Raad van State en de regering achtten de suggestie staatsrechtelijk geoorloofd,[97] maar deze werd later ingetrokken vanwege de in de bijzondere commissie Grondwet en Kieswet naar voren gebrachte grondwettigheids‑ en grondwetspolitieke bezwaren[98] (door de Tweede Kamer bevestigd door aanneming van een motie‑Patijn), kwam de regering tot de conclusie dat de suggestie niet diende te worden gevolgd.[99]
 
Bij de grondwetsherziening van 1987 is door het Tweede Kamerlid Wiebenga een voorstel tot splitsing in tweede lezing gedaan met betrekking tot het wetsvoorstel inzake de defensiebepalingen.[100] De vereiste twee derde meerderheid werd niet verkregen.

10 Literatuur

- P.W.C. Akkermans, P.J. Boukema & D.H.M. Meuwissen (red.), Grondwet en Grondwetsherziening; tekstenverzameling, Zwolle: Tjeenk Willink 1984
- P.J. Boukema en D.H.M. Meuwissen (red.), Grondwet en Grondwetsherziening, tekstenverzameling, Zwolle: Tjeenk Willink 1976
- A.D. Belinfante & J.L. de Reede, bewerkt door L. Dragstra, N.S. Efthymiou, A.W. Hins & R. de Lange, Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Deventer: Kluwer 2012
- J.Th.J. van den Berg, De aanspraak der Natie. Het Koninklijk recht van Kamerontbinding en de rol van de kiezer (oratie Maastricht), Maastricht: Universiteit Maastricht 2004
- G. van den Bergh, ‘Herziening der herziening’, in: Verzamelde staatsrechtelijke opstellen. Derde bundel, Alphen aan den Rijn 1957, p. 35‑57
- H.M.B. Breunese, ‘Grondwetsherziening op initiatief van de Tweede Kamer’, RegelMaat 2009, afl. 24, p. 107117
- H.M.B. Breunese, ‘De tweede lezing van het grondwetsvoorstel-Halsema: haastige spoed is soms wél goed’, TvCR 2010, p. 420-427
- J.LW. Broeksteeg, ‘Het plebiscitaire element in de procedure van Grondwetherziening’, p. 315-330, in: C.W. Noorlander, J.L.W. Broeksteeg, N.S. Efthymiou & H.G. Hoogers, Het volk regeert. Beschouwingen over de (Nederlandse) democratie in de 21e eeuw, Nijmegen: Wolf 2008, p. 317
- G. Burdeau, Traité de Science Politique, Titre IV. Le Statut du Pouvoir dans l'État, Paris: Librairie Générale de Droit et de Jurisprudence 1969
- H.T. Colenbrander, Ontstaan der Grondwet. Deel II, ’s Gravenhage: Martinus Nijhoff 1909
- L. Dragstra & G. Boogaard, ‘In vergaande staat van ontbinding’, RegelMaat 2007, p. 115-118
- Horst Dreier, Gilt das Grundgesetz ewig? Fünf Kapitel zum modernen Verfassungsstaat (Themen, Band 91), München: Carl Friedrich von Siemens Stiftung 2009
- D.J. Elzinga, ‘Saevis tranquillus in Undis. Zeven vuistregels voor de grondwetgever’, in: Symposium op 13 februari 2013 over: De grondwetsherziening van 1983: 30 jaar oud of 30 jaar jong?, Den Haag: Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2013, p. 26-38
-Karin Haan, Mathilde de Boer, Rik Dekker, Remco Nehmelman, Jan Willem van Rossem & Max Vetzo, ‘De ‘kiss of life’ voor de Grondwet. Een voorstel tot aanpassing van de wijzigingsprocedure van de Grondwet’, NJB 2014, afl. 25, p. 1681-1684
- H.P. Heida, ‘De procedure van grondwetsherziening en de suggestie‑Feij’, NJB 1981, p. 353‑363
- H.G. Hoogers, ‘De herziening herzien. Over de (on)vanzelfsprekendheid van het wijzigen van hoofdstuk 8 van de Grondwet’, RegelMaat, 2007, afl. 3, p. 99-114
- G. Jellinek, Verfassungsänderung und Verfassungswandlung, Berlin: Häring 1906
- A.K. Koekkoek, Bijdrage tot een christen democratische staatsleer (oratie Tilburg), Deventer: Kluwer 1982
- C.A.J.M. Kortmann, De Grondwetsherzieningen 1983 en 1987, Deventer: Kluwer 1987
- C.A.J.M. Kortmann/ P.P.T. Bovend'Eert, B.P. Vermeulen, J.L.W. Broeksteeg & C.N.J. Kortmann, Constitutioneel Recht. Deventer: Kluwer 2012
- Karin van Leeuwen, Uit het spoor van Thorbecke. Grondwetsherziening en staatsvernieuwing in Nederland, 1883-1983 (diss. Nijmegen), Amsterdam: Boom 2013
- H.Th.J.F. van Maarseveen & G.F.M. van der Tang, Over het verschijnsel grondwet, Rotterdam: Erasmus Universiteit 1973
- K. Loewenstein, Über Wesen, Technik und Grenzen der Verfassungsänderung, Berlin 1961.
-H.J. Morren, ‘Het initiatiefrecht van de Tweede Kamer’, TvO 1972, p. 131-134
- W.K.J.J. van Ommen Kloeke, ‘Enige opmerkingen over de uitvoering van artikel 204 der Grondwet’, Bestuursrechtwetenschappen 1948, p. 275 e.v.
- P.J. Oud, Honderd jaren, Een eeuw van staatkundige vormgeving in Nederland. 1840-1940, Assen: Van Gorcum 1970
- D.J. Elzinga, R. de Lange & H.G. Hoogers, Van der Pot. Handboek van het Nederlandse staatsrecht, Deventer: Kluwer 2014
- B.C. de Savornin Lohman, Over het begrip Grondwet, Utrecht: Oosthoek 1912
- G.F.M. van der Tang, ‘Artikel 137’, in: P.W.C. Akkermans & A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet. Een artikelsgewijs commentaar, Zwolle: Tjeenk Willink, p.1184-1199
- G.F.M. van der Tang, Grondwetsbegrip en grondwetsidee (diss. Rotterdam), Deventer: Gouda Quint 1998
- G.F.M. van der Tang, ‘Formele en materiële constitutie: de Grondwet als basiswet’, p. 53-74, in: De aard van grondwetsherzieningen (Publikaties van de Staatsrechtkring nr. 19), Deventer: Tjeenk Willink 2001
- G.F.M. van der Tang, ‘Constitutie en grondwet’, Regelmaat 2003, afl. 6, p. 236-243
- G.F.M. van der Tang, ‘Een Grondwet voor de politieke samenleving’, p. 85-112, in: De Grondwet herzien, 25 jaar later, Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving 2008
- G.F.M. van der Tang & C.M. Zoethout, ‘Maak van de Grondwet een Constitutie’, NJB 2006, afl. 18, p. 1003-1004
- J.R. Thorbecke, Aanteekening op de Grondwet, Amsterdam: Johannes Müller 1839
- H. Verkouteren, Grondwetsherziening, Baarn: Hollandia 1912
- K.C. Wheare, Modern Constitutions, London: Oxford University Press 1971

11 Historische versies

Eerste lid:
Art. 142 Gw 1814: Ingevalle, in het vervolg, eenige verandering of bijvoeging in de grondwet noodig zoude mogen zijn, zal deze noodzakelijkheid bij eene wet moeten verklaard en de verandering of bijvoeging zelve duidelijk aangewezen en uitgedrukt worden (art. 229 Gw 1815; art. 227 Gw 1840).
Art. 196 Gw 1848: Elk voorstel tot verandering in de Grondwet wijst de voorgestelde verandering uitdrukkelijk aan. De wet verklaart dat er grond bestaat om het voorstel, zoo als zij het vaststelt, in overweging te nemen (art. 194 Gw 1887; art. 197 Gw 1922; art. 202 Gw 1938; art. 203 Gw 1948; art. 210 Gw 1953).
 
Tweede lid:
Geen eerdere versies.
 
Derde en vierde lid:
Art. 143 Gw 1814: Deze wet, door den Souvereinen Vorst en de Staten Generaal vastgesteld zijnde, wordt vervolgens, op de gewone wijze, aan de Staten der Provincien of Landschappen gezonden, welke, binnen den tijd daartoe telkens bij zoodanige wet bepaald, aan de gewone leden der Staten Generaal een gelijk getal buitengewone toevoegen, die op dezelfde wijze als de gewone benoemd worden.
Art. 144 Gw 1814: De Souvereine Vorst en de alzoo in dubbelden getale zamengestelde vergadering van de Staten Generaal beslissen voorts in dezen op dezelfde wijze, als omtrent het vaststellen van gewone wetten hier voren is bepaald, met uitzondering alleen, dat er eene meerderheid van stemmen moet zijn, uitmakende ten minste twee derde der presente leden.
Art. 230 Gw 1815: Deze wet wordt aan de Staten der provincien gezonden, welke binnen den tijd daartoe telkens bij de wet bepaald, aan de gewone leden der tweede kamer van de Staten‑Generaal een gelijk getal buitengewone toevoegen, die op dezelfde wijze als de gewone benoemd worden (art. 228 Gw 1840).
Art. 232 Gw 1815: De tweede kamer der Staten‑Generaal, mag over geene voorstellen tot verandering of bijvoeging in de grondwet eenig besluit nemen, ten zij twee derde gedeelten der leden, die de vergadering uitmaken, tegenwoordig zijn.
De besluiten worden bij eene meerderheid van drie vierde gedeelte der tegenwoordige leden opgemaakt.
Voor het overige wordt in alles gevolgd hetgeen over het maken der wetten is bepaald (art. 230 Gw 1840).
Art. 197 Gw 1848: Na de afkondiging dezer wet worden de Kamers ontbonden. De nieuwe Kamers overwegen dat voorstel en kunnen niet dan met twee derden der uitgebragte stemmen de aan haar overeenkomstig voornoemde wet voorgestelde verandering aannemen (art. 195 Gw 1887; art. 198 Gw 1922; art. 203 Gw 1938; art. 204 Gw 1948; art. 211 Gw 1953).
Art. 137, derde lid, Gw 1983: Na de bekendmaking van de wet bedoeld in het eerste lid worden de kamers der Staten-Generaal ontbonden.
Art. 137, vierde lid, Gw 1983: De nieuwe kamers overwegen het voorstel en kunnen dit alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.
 
Vijfde lid:
Geen eerdere versies.

Noten

  1. Uitgangspunt voor dit commentaar van J. Kiewiet is het commentaar van G.F.M. van der Tang (1943-2011) in: P.W.C. Akkermans en A.K. Koekkoek, De Grondwet. Een artikelsgewijs commentaar, Zwolle Tjeenk Willink 1992 (tweede druk). Kiewiet heeft op het grondige commentaar van Van der Tang voortgebouwd. In het bijzonder heeft hij de constitutioneelrechtelijke ontwikkelingen van de afgelopen twee decennia in het commentaar verwerkt en zijn enkele oudere discussies ingekort (steeds onder verwijzing naar het commentaar van Van der Tang uit 1992).
  2. Deze uitdrukking ontleen ik aan Karin van Leeuwen. De brandkast-vergelijking stamt van de Groningse hoogleraar E.H. s’Jacob in zijn artikel ‘Gevaar voor verstening der grondwet’, NJB 1951, nr. 26, p. 713–720, p. 714-715., die de grondwet omschreef als de ‘brandkast, waarin wij allerlei politieke afspraken opbergen om te voorkomen, dat daaraan telkens kan worden getornd.’ E.H. s’Jacob, ‘Gevaar voor verstening der grondwet’, NJB 1951, nr. 26, p. 713–720, p. 714-715,geciteerd bij Van Leeuwen 2013, p. 49.
  3. Van der Tang 1998, p. 162; Dreier 2009, p. 37.
  4. Heida 1981, p. 354.
  5. Deze twee hoofdgedachten komen nader aan de orde in Inleiding op Hoofdstuk 8.
  6. Van der Tang 1998, p. 162-168; Van der Tang 2001, p. 59.
  7. Van der Tang 1998, p. 148-152.
  8. Van der Tang 1998, p. 96-115.
  9. Van der Tang 1998, p. 162.
  10. Savornin Lohman 1912, p. 21 28; Van Maarseveen & Van der Tang 1973, p. 9-12.
  11. Van den Bergh 1957, p. 36-38; Savornin Lohman 1912, p. 49.
  12. In het debat over het aandeel van de Eerste Kamer in de tweede lezing werd nogal eens aan het ter zake zwijgen van art. 232 Gw. 1815 gerefereerd. Zo Oud 1970, p. 36-37; Van den Bergh 1957, p. 38-41. Bij de herziening van 1840 werd ervan uitgegaan dat ook het laatste lid van het artikel slechts betrekking had op de Tweede Kamer. Thorbecke echter meende dat de eis van een gekwalificeerde meerderheid mede gold voor de behandeling in de Eerste Kamer.
  13. Colenbrander 1909, p. 472.
  14. Thorbecke 1839, p. 311.
  15. Het regeringsvoorstel had voor de tweede lezing voorzien in een verenigde en verdubbelde vergadering van beide kamers welke op haar beurt zou worden ontbonden na de behandeling der voorstellen. De Tweede Kamer wilde echter van een dergelijke omslachtige regeling, die twee verplichte ontbindingen wegens grondwetsherziening zou hebben opgeleverd, niets weten. Oud 1970, p. 38.
  16. Kamerstukken II 1976/1977, 14 213, 3, p. 5-6 (Nng, VIII, p. 5-6).
  17. Hoogers 2007, p. 99-114. Hoogers waarschuwt dat het opnemen van volkssoevereiniteit in de Grondwet, zoals de Nationale Conventie in het rapport Een grondwet voor de 21ste eeuw, (z.p.) 2006, voorstelde, zich slecht verdraagt met de door de Nationale Conventie eveneens voorgestelde vereenvoudiging van de herzieningsprocedure (waarover hieronder te spreken). Hoogers ( 2007, p. 111) voert aan dat wijziging van de herzieningsprocedure door de tot grondwetsherziening bevoegde organen een moeilijk verdedigbare gedachte is omdat het de grondwetgever (het soevereine volk) is die de grondwetsherziener tot herziening machtigt.
  18. Hoogers wijst op de consequentie van dit standpunt. Hoogers 2007, p. 100: ‘Neemt men het bestaan van een dergelijke bevoegdheid [de bevoegdheid tot herziening van de procedure tot herziening, JK] aan, dan volgt daar immers uit dat de tot herziening van de Grondwet bevoegde organen in feite aan geen enkele grondwettelijke bepaling onderworpen zijn, zelfs niet aan de herzieningsartikelen.’
  19. Van Leeuwen 2013, p. 148.
  20. Breunese 2009, p. 116.
  21. Artikel 79, eerste lid, eerste volzin, van de Grondwet van de Bondsrepubliek Duitsland bevat nog wel een soortgelijke bepaling: ‘Das Grundgesetz kann nur durch ein Gesetz geändert werden, das den Wortlaut des Grundgesetzes ausdrücklich ändert oder ergänzt.‘
  22. Kamerstukken II 1976/1977, 14 213, 3, p. 7 (Nng, VIII, p. 7).
  23. Kamerstukken II 1976/1977, 14 213, 3, p. 6 (Nng, VIII, p. 6).
  24. Kamerstukken II 1976/1977, 14 213, 7, p. 3 (Nng, VIII, p. 30).
  25. Kortmann 1987, p. 374-375.
  26. Van der Pot/Elzinga, De Lange & Hoogers 2014, p. 196.
  27. Staatscommissie Cals/Donner Eindrapport, p. 335-336.
  28. Hierover uitgebreid Van der Tang 1992, p. 1190.
  29. Kortmann 1987, p. 376.
  30. Kortmann/Bovend’Eert e.a. 2012, p. 91.
  31. Kamerstukken II 1976/1977, 14 213, 9, p. 1 (Nng, VIII, p. 40).
  32. Zie o.a. Kamerstukken II 2005/2006, 30 442, 7.
  33. Stb. 1995, 403; Kamerstukken II 1992/1993, 23 575, 2-3, p. 1.
  34. Broeksteeg 2008, p. 316.
  35. Kamerstukken I 1984/1985, 18 179, 136d.
  36. Hoogers 2007, p. 106, voetnoot 24.
  37. Kamerstukken I 1984/1985, 18 179, 136d.
  38. Kamerstukken I 1985/86, 18 179, 89.
  39. Kamerstukken II 1992/93, 23 575, 2.
  40. Van der Pot/Elzinga, De Lange & Hoogers 2014, p. 198. Recente voorbeelden waarin grondwetsherzieningen in de Eerste Kamer sneuvelden, zijn de ‘Nacht van Wiegel’ in de nacht van dinsdag 18 op woensdag 19 mei 1999 en de ‘Nacht van Van Thijn’ op 22 maart 2005, waarin het resp. ging om grondwetswijzigingen betreffende het correctief referendum en de gekozen burgemeester. Van Leeuwen (2013, p. 56) bespreekt hoe in het verleden de ‘Heeren Zeventien’ in de vijftig leden tellende Eerste Kamer een grondwetsherziening konden blokkeren.
  41. Van den Bergh 1957, p. 455.
  42. Oud 1970, p. 38.
  43. Broeksteeg 2008, p. 317.
  44. Broeksteeg 2008, p. 318.
  45. Van den Berg 2004, p. 4-5.
  46. Belinfante & De Reede/Dragstra e.a. 2012, p. 161.
  47. Kamerstukken II 1976/1977, 14 213, 7, p. 6-7 (Nng, VIII, p. 33-34).
  48. Kortmann 1987, p. 18 e.v.; Kortmann/Bovend’Eert e.a. 2012, p. 92 .Zie voor de uiterste datum van behandeling van eerstelezingsvoorstellen door de Eerste Kamer o.a. Kamerstukken I 2001/2002, 28 051 en 28 081, 233a.
  49. Dragstra & Boogaard 2007, p. 115 e.v.; Kortmann/Bovend’Eert e.a. 2012, p. 92.
  50. Kamerstukken II 2006/2007 31 013, 4-6.
  51. Dragstra & Boogaard, 2007, p. 115-118.
  52. Haan e.a. 2014, p. 1682.
  53. Belinfante & De Reede 2012, p. 161.
  54. Oud 1970, p. 39-41.
  55. Belinfante & De Reede/Dragstra e.a. 2012, p. 162.
  56. Uitgebreider over deze voorstellen Van der Tang 1992, p. 1193.
  57. De winnaars Karin Haan, Mathilde de Boer, Rik Dekker, Remco Nehmelman, Jan Willem van Rossem en Max Vetzo van de Grondwetstrijd 2014, uitgeschreven door het Nationaal Comité 200 jaar Koninkrijk, bepleitten in hun winnende voorstel een grondwetkamer, Haan e.a. 2014, p. 1684.
  58. Bijlage Handelingen II 1951/1952, 2341, 2.
  59. Onder meer door Van den Bergh, in zijn rede ‘Herziening der Herziening’ (1957). Grondwetsherziening zou haar beslag kunnen krijgen in één lezing, bij gewone wet, gevolgd door een facultatief referendum, waarbij het aan volksstemming onderworpen voorstel slechts met drie vijfden van het aantal uitgebrachte stemmen zou kunnen worden aangenomen. Kranenburg stelde voor de tweede lezing te vervangen door een verplicht referendum (Kranenburg 1958, p. 554). Eenzelfde voorstel was gedaan door Krabbe in zijn Gidsartikel uit 1906. Zie ook Koekkoek 1982, p. 25-26.
  60. Uitgebreider hierover Van der Tang 1992, p. 1194.
  61. Bijlage Handelingen II 1973/1974, 12 944, 2, p. 15 16; 5, p. 2; 6, p. 10.
  62. Van der Pot/Elzinga, De Lange & Hoogers 2014, p. 197, voetnoot 44; Kamerstukken II 1993/1994 21 427, 96; Kamerstukken II 1993/1994, 23 575.
  63. Elzinga (2013, p. 38) is voorstander van het afschaffen van de tweede lezing en een behandeling in één lezing waarin het wijzigingsvoorstel met twee derde aangenomen moet worden. Dat zou, volgens Elzinga (2013, p. 38), ‘veel kou uit de lucht kunnen halen en voorwaarden kunnen scheppen voor meer evenwichtige omgang met de Grondwet.’ Ook Ernst Hirsch Ballin en Wytze van der Woude spreken de voorkeur uit voor het schrappen van de tweede lezing en het behouden van de twee derde meerderheid, Ernst Hirsch Ballin & Wytze van der Woude, ‘De vereiste van twee lezingen is te rigide’, SC Online, 25 maart 2014 (geraadpleegd op 19 juni 2015).
  64. Van Ommen Kloeke 1948, p. 279-280.
  65. Kortmann 1987, p. 24. In 1994 vond de indiening van de tweedelezingsvoorstellen pas plaats op 3 augustus 1994; de ‘nieuwe’ Tweede Kamer was al in mei 1994 bijeengekomen.
  66. Broeksteeg 2008, p. 319.
  67. Breunese 2009, p. 116.
  68. Kamerstukken II 2003/2004, 29200 VII, 36. De Raad van State laat zien dat de tijd tussen de ontbindingsverkiezing en indiening van de voorstellen in tweede lezing is toegenomen van 13 dagen in 1986 tot 212 dagen in 2002.
  69. Handelingen I 2004/2005 en Handelingen I 2007/2008, 34, p. 1416-1446.
  70. Belinfante & De Reede/Dragstra e.a. 2012, p. 163.
  71. Kamerstukken II 2014/2015, 32 334, 11.
  72. Breunese, 2010, p. 421.
  73. Kamerstukken II 2014/2015, 32 334, 11, p. 2.
  74. Kamerstukken II 1976/1977, 14 213, 3, p. 7 (Nng, VIII, p. 7). Zie over deze kwestie H.J. Morren, ‘Het initiatiefrecht van de Tweede Kamer’, TvO 1972, p. 131-134. Naar het oordeel van Kortmann is het voldoende dat, indien het gaat om een oorspronkelijk initiatiefvoorstel, enig Tweede Kamerlid zorg draagt voor het aanhangig maken en de verdediging van het voorstel in tweede lezing; het hoeft niet per se om de oorspronkelijke initiatiefnemers te gaan (Kortmann 1987, p. 374).
  75. Kamerstukken II 1976/1977, 14 213, 3, p. 7 (Nng, VIII, p. 7).
  76. Belinfante & De Reede/Dragstra e.a. 2012, p. 163; Kortmann 1987, p. 374; Kortmann/Bovend’Eert e.a. 2012, p. 93.
  77. Belinfante & De Reede/Dragstra e.a. 2012, p. 163.
  78. Ph. Kleintjes, ‘Behoort een verschil tussen wet en grondwet in stand te worden gehouden?’ Preadvies NJV, 1914, in: P.J. Boukema en D.H.M. Meuwissen 1976, p. 269-270.
  79. J.T. Buijs, De Grondwet. Toelichting en kritiek. Tweede deel , Arnhem: Gouda Quint 1887, p. 803, met instemming geciteerd Oud (Oud 1970, p. 40).
  80. De preadviezen zijn opgenomen in Boukema & Meuwissen 1976, p. 265-388.
  81. Van Leeuwen 2013, p. 31-32: ‘Met name op de grootste politieke pijnpunten bracht de herziening van 1887 niet de gewenste vergezichten. De kiesrechtkwestie vond slechts een tijdelijke oplossing in een schrapping van de voornaamste grondwettelijke belemmeringen voor uitbreiding van het kiesrecht. En op het terrein van het onderwijsartikel vond zelfs geen enkel wijzigingsvoorstel een meerderheid die voldoende groot was om de grondwet te veranderen, waarop de Tweede Kamer ten slotte met een gewone meerderheid besloot om het bestaande grondwetsartikel op een andere wijze uit te leggen. Pas in 1917 zouden beide kwesties een regeling vinden die de zich emanciperende confessionelen en socialisten kon bevredigen.’
  82. Verkouteren 1912, p. 30.
  83. ‘De heerschappij der Grondwet’, De Gids 1906, deel 4, p. 371 407 (opgenomen in Akkermans, Boukema & Meuwissen 1984, p. 9-47). Een beroemd vertoog tegen de Grondwet is ook de brochure ‘Ongezonde lektuur’, Groningen: Wolters 1913.
  84. J. Oppenheim RM 1907, p. 45-85, in: Boukema & Meuwissen 1976, p. 51-91.
  85. De Nationale Conventie noemt in haar rapport (Nationale Conventie 2006, p. 48, voetnoot 7) de voorbeelden van de dualisering van het gemeentebestuur die niet overeenkomt met de grondwettelijke plaats van de raad aan het hoofd van de gemeente en de omzeiling van de Grondwet door middel van de Tijdelijke referendumwet. Daarnaast kan ook het voorstel genoemd worden om de benoeming van de commissaris van de Koning en de burgemeester niet langer in de Grondwet te regelen, Kamerstukken II 2012/2013, 33 239, 5.
  86. Onder nr. 5 besproken.
  87. Heida 1981, p. 355-356.
  88. Heida 1981, p. 356.
  89. Staatscommissie Cals/Donner Eindrapport, p. 333-334.
  90. Kamerstukken II 1973/1974, 12 944, 2, p. 16-17.
  91. Kamerstukken II 1974/1975, 12 944, 22 (herdruk).
  92. Kamerstukken II 1974/1975, 13 472, 1, p. 1.
  93. Kamerstukken II 1976/1977, 14 213, 7, p. 5-6 (Nng, VIII, p. 32-33).
  94. Heida 1981, p. 357.
  95. Kortmann 1987, p. 376.
  96. Uitgebreid hierover Van der Tang 1992, p. 1198.
  97. Kamerstukken I 1979/1980, 14 213, 102, p. 1-12 (Nng, VIII, p. 116-126).
  98. Handelingen II 1979/1980, p. 2391-2401 (Nng, VIII, p. 130-145).
  99. Handelingen II 1980/1981, p. 238-239 (Nng, VIII, p. 148-149); zie ook Heida 1981, p. 361-363.
  100. Kamerstukken II 1986/1987, 19 554 (R 1308), 8.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    J. Kiewiet en G.F.M. van der Tang †, Commentaar op artikel 137 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2017 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Grondwetswijziging

De Nederlandse Grondwet is een zogenoemde rigid constitution: zij kan niet bij gewone wet worden gewijzigd. De gedachte daarachter is dat de fundamenten van onze democratische rechtsstaat, die in de Grondwet zijn vervat, niet te gemakkelijk moeten kunnen worden gewijzigd.  
 
Een voorstel tot herziening van de Grondwet wordt aanvankelijk als een gewoon wetsvoorstel behandeld. Daarbij heeft de Tweede Kamer de mogelijkheid het voorstel te splitsen, om te voorkomen dat kritiek op een deel van het wetsvoorstel het gehele voorstel in een later stadium laat sneuvelen. Nadat het voorstel is aangenomen door de beide kamers, wordt de Tweede Kamer ontbonden. De kiezer krijgt zo de gelegenheid een oordeel uit te spreken over de voorgenomen wijzigingen in de Grondwet. Na de verkiezingen stemmen beide kamers nogmaals over het voorstel. In de praktijk merkt de kiezer hiervan niet veel: de verkiezingen die nodig zijn voor grondwetsherziening worden gewoonlijk zo gepland dat zij samenvallen met de reguliere verkiezingen en er zijn weinig partijen die in hun campagne aandacht besteden aan de grondwetsherziening.
 
Bij de tweede lezing van het herzieningsvoorstel  is een tweederde meerderheid vereist voor aanname van het voorstel. Zo’n voorstel moet dus breed worden gedragen: gewoonlijk is de steun van alleen de coalitiepartijen in de kamers onvoldoende.
 
Een gevolg hiervan is dat in de Grondwet wel regelmatig kleinere (maar niet onbelangrijke) wijzigingen worden aangebracht, zoals de invoeging van een bepaling over de vervanging van kamerleden bij zwangerschap en ziekte (artikel 57a Grondwet). Meer fundamentele herzieningen, waarover de politieke opvattingen uiteen lopen, zijn veel moeilijker te realiseren. De Grondwet geeft richting aan de grote bewegingen in recht en politiek; zij beweegt zelf ook mee, maar doet dat behoedzaam.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Grondwetswijziging

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Grondwetswijziging

Over dit artikel zijn ons geen belangrijke en ‘klassieke’ rechterlijke uitspraken bekend.
Recente rechtspraak

Grondwetswijziging

Over dit artikel zijn ons geen recente rechterlijke uitspraken bekend.
Politiek

Grondwetswijziging

Video
Blogs
IN DE WERELD
Blogs

Grondwetswijziging

Prof. J. van de Berg schrijft over het grondwettelijk geknutsel in de Nederlandse maatschappij en roept op de betekenis van de Grondwet te heroverwegen.

Professor Hirsch Ballin bespreekt de waarde van grondwetsherziening in het licht van twee aangekondigde wijzigingen van de Grondwet.

In de wereld

Grondwetswijziging