CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • G. Leenknegt
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • A.A.L. Beers en K.T. Meijer
  • B.C. van Beers
  • B.M.J. van der Meulen
  • B.P. Vermeulen
  • B.W.N. de Waard
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • E.J. Janse de Jonge
  • E.J. Koops
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • F. Fleurke
  • F.C.M.A. Michiels
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx en A.C.M. Meuwese
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard en J. Uzman
  • G. Leenknegt
  • G. Overkleeft-Verburg
  • G. van der Schyff en B.M.J. van der Meulen
  • J. Kiewiet en G.F.M. van der Tang †
  • J. Uzman
  • J. Uzman en G. Boogaard
  • J.C.A. de Poorter
  • J.L.M. Gribnau en M.R.T Pauwels
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • J.W.A. Fleuren
  • K.T. Meijer
  • M. Adams
  • Mijke Houwerzijl & Nuna Zekic
  • Mijke Houwerzijl en Frank Vlemminx
  • P. Jacobs
  • S. Daniëls
  • S. Jellinghaus en E. Huisman
  • S.C. van Bijsterveld
  • S.C. van Bijsterveld en B.P. Vermeulen
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • T. Kooijmans
  • T. Peters
  • W. van der Woude
  • W.J.M. Voermans
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

HOOFDSTUK 1

Grondrechten

INLEIDING

Artikel 1 - Gelijke behandeling

Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Artikel 2 - Nederlandschap en vreemdelingen

  1. De wet regelt wie Nederlander is.
  2. De wet regelt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen.
  3. Uitlevering kan slechts geschieden krachtens verdrag. Verdere voorschriften omtrent uitlevering worden bij de wet gegeven.
  4. Ieder heeft het recht het land te verlaten, behoudens in de gevallen, bij de wet bepaald.

Artikel 3 - Gelijke benoembaarheid

Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.

Artikel 4 - Kiesrecht

Iedere Nederlander heeft gelijkelijk recht de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen alsmede tot lid van deze organen te worden verkozen, behoudens bij de wet gestelde beperkingen en uitzonderingen.

Artikel 5 - Petitierecht

Ieder heeft het recht verzoeken schriftelijk bij het bevoegd gezag in te dienen.

Artikel 6 - Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging

  1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 7 - Vrijheid van meningsuiting

  1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- of televisieuitzending.
  3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar regelen ter bescherming van de goede zeden.
  4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.

Artikel 8 - Recht tot vereniging

Het recht tot vereniging wordt erkend. Bij de wet kan dit recht worden beperkt in het belang van de openbare orde.

Artikel 9 - Recht tot vergadering en betoging

  1. Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 10 - Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer

  1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.
  2. De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens.
  3. De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.

Artikel 11 - Onaantastbaarheid van het lichaam

Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.

Artikel 12 - Binnentreden woning

  1. Het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen.
  2. Voor het binnentreden overeenkomstig het eerste lid zijn voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden vereist, behoudens bij de wet gestelde uitzonderingen.
  3. Aan de bewoner wordt zo spoedig mogelijk een schriftelijk verslag van het binnentreden verstrekt. Indien het binnentreden in het belang van de nationale veiligheid of dat van de strafvordering heeft plaatsgevonden, kan volgens bij de wet te stellen regels de verstrekking van het verslag worden uitgesteld. In de bij de wet te bepalen gevallen kan de verstrekking achterwege worden gelaten, indien het belang van de nationale veiligheid zich tegen verstrekking blijvend verzet.

Artikel 13 - Vertrouwelijke communicatie

  1. Het briefgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, op last van de rechter.
  2. Het telefoon- en telegraafgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, door of met machtiging van hen die daartoe bij de wet zijn aangewezen.

Artikel 14 - Onteigening

  1. Onteigening kan alleen geschieden in het algemeen belang en tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander naar bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.
  2. De schadeloosstelling behoeft niet vooraf verzekerd te zijn, wanneer in geval van nood onverwijld onteigening geboden is.
  3. In de gevallen bij of krachtens de wet bepaald bestaat recht op schadeloosstelling of tegemoetkoming in de schade, indien in het algemeen belang eigendom door het bevoegd gezag wordt vernietigd of onbruikbaar gemaakt of de uitoefening van het eigendomsrecht wordt beperkt.

Artikel 15 - Vrijheidsontneming

  1. Buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen.
  2. Hij aan wie anders dan op rechterlijk bevel zijn vrijheid is ontnomen, kan aan de rechter zijn invrijheidstelling verzoeken. Hij wordt in dat geval door de rechter gehoord binnen een bij de wet te bepalen termijn. De rechter gelast de onmiddellijke invrijheidstelling, indien hij de vrijheidsontneming onrechtmatig oordeelt.
  3. De berechting van hem aan wie met het oog daarop zijn vrijheid is ontnomen, vindt binnen een redelijke termijn plaats.
  4. Hij aan wie rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, kan worden beperkt in de uitoefening van grondrechten voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt.

Artikel 16 - Nulla poena

Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.

Artikel 17 - Wettelijk toegekende rechter

Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent.

Artikel 18 - Rechtsbijstand

  1. Ieder kan zich in rechte en in administratief beroep doen bijstaan.
  2. De wet stelt regels omtrent het verlenen van rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen.

Artikel 19 - Werkgelegenheid en arbeidskeuze

  1. Bevordering van voldoende werkgelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de rechtspositie van hen die arbeid verrichten en omtrent hun bescherming daarbij, alsmede omtrent medezeggenschap.
  3. Het recht van iedere Nederlander op vrije keuze van arbeid wordt erkend, behoudens de beperkingen bij of krachtens de wet gesteld.

Artikel 20 - Bestaanszekerheid

  1. De bestaanszekerheid der bevolking en spreiding van welvaart zijn voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de aanspraken op sociale zekerheid.
  3. Nederlanders hier te lande, die niet in het bestaan kunnen voorzien, hebben een bij de wet te regelen recht op bijstand van overheidswege.

Artikel 21 - Milieubescherming

De zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu.

Artikel 22 - Volksgezondheid en woongelegenheid

  1. De overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid.
  2. Bevordering van voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  3. Zij schept voorwaarden voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding.

Artikel 23 - Onderwijs

  1. Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.
  2. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.
  3. Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld.
  4. In elke gemeente wordt van overheidswege voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal openbare scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven, al dan niet in een openbare school.
  5. De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.
  6. Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.
  7. Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.
  8. De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten-Generaal.
HOOFDSTUK 2

Regering INLEIDING

Artikel 24 - Koningschap

Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau.

Artikel 25 - Erfopvolging

Het koningschap gaat bij overlijden van de Koning krachtens erfopvolging over op zijn wettige nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft, met plaatsvervulling volgens dezelfde regel. Bij gebreke van eigen nakomelingen gaat het koningschap op gelijke wijze over op de wettige nakomelingen eerst van zijn ouder, dan van zijn grootouder, in de lijn van erfopvolging, voor zover de overleden Koning niet verder bestaand dan in de derde graad van bloedverwantschap.

Artikel 26 - Status ongeboren kind Koning

Het kind, waarvan een vrouw zwanger is op het ogenblik van het overlijden van de Koning, wordt voor de erfopvolging als reeds geboren aangemerkt. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

Artikel 27 - Afstand koningschap

Afstand van het koningschap leidt tot erfopvolging overeenkomstig de regels in de voorgaande artikelen gesteld. Na de afstand geboren kinderen en hun nakomelingen zijn van de erfopvolging uitgesloten.

Artikel 28 - Afstand koningschap door huwelijk

  1. De Koning, een huwelijk aangaande buiten bij de wet verleende toestemming, doet daardoor afstand van het koningschap.
  2. Gaat iemand die het koningschap van de Koning kan beërven een zodanig huwelijk aan, dan is hij met de uit dit huwelijk geboren kinderen en hun nakomelingen van de erfopvolging uitgesloten.
  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake van een voorstel van wet, strekkende tot het verlenen van toestemming, in verenigde vergadering.

Artikel 29 - Uitsluiting troonopvolging

  1. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden daartoe nopen, kunnen bij een wet een of meer personen van de erfopvolging worden uitgesloten.

  2. Het voorstel daartoe wordt door of vanwege de Koning ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 30 - Benoemde Koning

  1. Wanneer vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal ontbreken, kan deze worden benoemd bij een wet. Het voorstel wordt door of vanwege de Koning ingediend. Na de indiening van het voorstel worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  2. Indien bij overlijden van de Koning of bij afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt, worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers komen binnen vier maanden na het overlijden of de afstand in verenigde vergadering bijeen ten einde te besluiten omtrent de benoeming van een Koning. Zij kunnen een opvolger alleen benoemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 31 - Erfopvolging benoemde koning

  1. Een benoemde Koning kan krachtens erfopvolging alleen worden opgevolgd door zijn wettige nakomelingen.

  2. De bepalingen omtrent de erfopvolging en het eerste lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op een benoemde opvolger, zolang deze nog geen Koning is.

Artikel 32 - Inhuldiging Koning

Nadat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen, wordt hij zodra mogelijk beëdigd en ingehuldigd in de hoofdstad Amsterdam in een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Hij zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt. De wet stelt nadere regels vast.

Artikel 33 - Koningschap en meerderjarigheid

De Koning oefent het koninklijk gezag eerst uit, nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

Artikel 34 - Ouderlijk gezag minderjarige Koning

De wet regelt het ouderlijk gezag en de voogdij over de minderjarige Koning en het toezicht daarop. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 35 - Buiten staat verklaring

  1. Wanneer de ministerraad van oordeel is dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, bericht hij dit onder overlegging van het daartoe gevraagde advies van de Raad van State aan de Staten-Generaal, die daarop in verenigde vergadering bijeenkomen.

  2. Delen de Staten-Generaal dit oordeel, dan verklaren zij dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen. Deze verklaring wordt bekend gemaakt op last van de voorzitter der vergadering en treedt terstond in werking.

  3. Zodra de Koning weer in staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, wordt dit bij de wet verklaard. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Terstond na de bekendmaking van deze wet hervat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag.

  4. De wet regelt zo nodig het toezicht over de persoon van de Koning indien hij buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 36 - Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag

De Koning kan de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk neerleggen en die uitoefening hervatten krachtens een wet, waarvan het voorstel door of vanwege hem wordt ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 37 - Uitoefening koninklijk gezag door regent

  1. Het koninklijk gezag wordt uitgeoefend door een regent:
    a. zolang de Koning de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt;
    b. indien een nog niet geboren kind tot het koningschap geroepen kan zijn;
    c. indien de Koning buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen;
    d. indien de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk heeft neergelegd;
    e. zolang na het overlijden van de Koning of na diens afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt.

  2. De regent wordt benoemd bij de wet. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  3. In de gevallen, genoemd in het eerste lid onder c en d, is de nakomeling van de Koning die zijn vermoedelijke opvolger is, van rechtswege regent indien hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

  4. De regent zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt, in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal. De wet geeft nadere regels omtrent het regentschap en kan voorzien in de opvolging en de vervanging daarin. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  5. Op de regent zijn de artikelen 35 en 36 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38 - Uitoefening koninklijk gezag door RvS

Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk gezag is voorzien, wordt dit uitgeoefend door de Raad van State.

Artikel 39 - Lidmaatschap koninklijk huis

De wet regelt, wie lid is van het koninklijk huis.

Artikel 40 - Uitkering koninklijk huis

  1. De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het Rijk uitkeringen naar regels bij de wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het koninklijk huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen.

  2. De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, zijn vrij van persoonlijke belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of zijn vermoedelijke opvolger krachtens erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van het koninklijk huis vrij van de rechten van successie, overgang en schenking. Verdere vrijdom van belasting kan bij de wet worden verleend.

  3. De kamers der Staten-Generaal kunnen voorstellen van in de vorige leden bedoelde wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 41 - Inrichting huis Koning

De Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis in.

Artikel 42 - Ministeriële verantwoordelijkheid

  1. De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.

  2. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.

Artikel 43 - Regering en ministers

De minister-president en de overige ministers worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.

Artikel 44 - Ministeries

  1. Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.

  2. Ook kunnen ministers worden benoemd die niet belast zijn met de leiding van een ministerie.

Artikel 45 - Ministerraad

  1. De ministers vormen te zamen de ministerraad.

  2. De minister-president is voorzitter van de ministerraad.

  3. De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid.

Artikel 46 - Staatssecretarissen

  1. Bij koninklijk besluit kunnen staatssecretarissen worden benoemd en ontslagen.

  2. Een staatssecretaris treedt in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister.

Artikel 47 - Ondertekening en contraseign

Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.

Artikel 48 - Ontslag en benoeming ministers

Het koninklijk besluit waarbij de minister-president wordt benoemd, wordt mede door hem ondertekend. De koninklijke besluiten waarbij de overige ministers en de staatssecretarissen worden benoemd of ontslagen, worden mede door de minister-president ondertekend.

Artikel 49 - Ambtseed minister en staatssecretaris

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de ministers en de staatssecretarissen bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.
HOOFDSTUK 3

Staten-Generaal INLEIDING

Artikel 50 - Vertegenwoordiging

De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk.

Artikel 51 - Eerste en Tweede Kamer

  1. De Staten-Generaal bestaan uit de Tweede Kamer en de Eerste Kamer.

  2. De Tweede Kamer bestaat uit honderdvijftig leden.

  3. De Eerste Kamer bestaat uit vijfenzeventig leden.

  4. Bij een verenigde vergadering worden de kamers als één beschouwd.

Artikel 52 - Zittingsduur

  1. De zittingsduur van beide kamers is vier jaren.
  2. Indien voor de provinciale staten bij de wet een andere zittingsduur dan vier jaren wordt vastgesteld, wordt daarbij de zittingsduur van de Eerste Kamer in overeenkomstige zin gewijzigd.

Artikel 53 - Evenredige vertegenwoordiging

  1. De leden van beide kamers worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  2. De verkiezingen worden gehouden bij geheime stemming.

Artikel 54 - Verkiezing Tweede Kamer

  1. De leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen ten aanzien van Nederlanders die geen ingezetenen zijn.

  2. Van het kiesrecht is uitgesloten hij die wegens het begaan van een daartoe bij de wet aangewezen delict bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste een jaar en hierbij tevens is ontzet van het kiesrecht.

Artikel 55 - Verkiezing Eerste Kamer

De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten. De verkiezing wordt, behoudens in geval van ontbinding der kamer, gehouden binnen drie maanden na de verkiezing van de leden van provinciale staten.

Artikel 56 - Vereisten voor lidmaatschap

Om lid van de Staten-Generaal te kunnen zijn is vereist dat men Nederlander is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.

Artikel 57 - Incompatibiliteiten

  1. Niemand kan lid van beide kamers zijn.

  2. Een lid van de Staten-Generaal kan niet tevens zijn minister, staatssecretaris, lid van de Raad van State, lid van de Algemene Rekenkamer, Nationale ombudsman of substituut-ombudsman, of lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij de Hoge Raad.

  3. Niettemin kan een minister of staatssecretaris, die zijn ambt ter beschikking heeft gesteld, dit ambt verenigen met het lidmaatschap van de Staten-Generaal, totdat omtrent die beschikbaarstelling is beslist.

  4. De wet kan ten aanzien van andere openbare betrekkingen bepalen dat zij niet gelijktijdig met het lidmaatschap van de Staten-Generaal of van een der kamers kunnen worden uitgeoefend.

Artikel 57a - Zwangerschap en ziekte

De wet regelt de tijdelijke vervanging van een lid van de Staten-Generaal wegens zwangerschap en bevalling, alsmede wegens ziekte.

Artikel 58 - Geloofsbrieven

Elke kamer onderzoekt de geloofsbrieven van haar nieuwbenoemde leden en beslist met inachtneming van bij de wet te stellen regels de geschillen welke met betrekking tot de geloofsbrieven of de verkiezing zelf rijzen.

Artikel 59 - Kiesrecht en verkiezingen

Alles, wat verder het kiesrecht en de verkiezingen betreft, wordt bij de wet geregeld.

Artikel 60 - Ambtsaanvaarding

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de leden van de kamers bij de aanvaarding van hun ambt in de vergadering een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

Artikel 61 - Voorzitter en griffier

  1. Elk der kamers benoemt uit de leden een voorzitter.

  2. Elk der kamers benoemt een griffier. Deze en de overige ambtenaren van de kamers kunnen niet tevens lid van de Staten-Generaal zijn.

Artikel 62 - Verenigde vergadering

De voorzitter van de Eerste Kamer heeft de leiding van de verenigde vergadering.

Artikel 63 - Geldelijke voorzieningen

Geldelijke voorzieningen ten behoeve van leden en gewezen leden van de Staten-Generaal en van hun nabestaanden worden bij de wet geregeld. De kamers kunnen een voorstel van wet ter zake alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 64 - Ontbinding Kamers

  1. Elk der kamers kan bij koninklijk besluit worden ontbonden.

  2. Het besluit tot ontbinding houdt tevens de last in tot een nieuwe verkiezing voor de ontbonden kamer en tot het samenkomen van de nieuw gekozen kamer binnen drie maanden.

  3. De ontbinding gaat in op de dag waarop de nieuw gekozen kamer samenkomt.

  4. De wet stelt de zittingsduur van een na ontbinding optredende Tweede Kamer vast; de termijn mag niet langer zijn dan vijf jaren. De zittingsduur van een na ontbinding optredende Eerste Kamer eindigt op het tijdstip waarop de zittingsduur van de ontbonden kamer zou zijn geëindigd.

Artikel 65 - Troonrede

Jaarlijks op de derde dinsdag van september of op een bij de wet te bepalen eerder tijdstip wordt door of namens de Koning in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal een uiteenzetting van het door de regering te voeren beleid gegeven.

Artikel 66 - Openbaarheid vergaderingen

  1. De vergaderingen van de Staten-Generaal zijn openbaar.

  2. De deuren worden gesloten, wanneer een tiende deel van het aantal aanwezige leden het vordert of de voorzitter het nodig oordeelt.

  3. Door de kamer, onderscheidenlijk de kamers in verenigde vergadering, wordt vervolgens beslist of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd en besloten.

Artikel 67 - Quorum

  1. De kamers mogen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering alleen beraadslagen of besluiten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden ter vergadering aanwezig is.

  2. Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen.

  3. De leden stemmen zonder last.

  4. Over zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, wanneer één lid dit verlangt.

Artikel 68 - Inlichtingenplicht bewindslieden

De ministers en de staatssecretarissen geven de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat.

Artikel 69 - Aanwezigheid bewindslieden

  1. De ministers en de staatssecretarissen hebben toegang tot de vergaderingen en kunnen aan de beraadslaging deelnemen.

  2. Zij kunnen door de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn.

  3. Zij kunnen zich in de vergaderingen doen bijstaan door de personen, daartoe door hen aangewezen.

Artikel 70 - Recht van enquête

Beide kamers hebben, zowel ieder afzonderlijk als in verenigde vergadering, het recht van onderzoek (enquête), te regelen bij de wet.

Artikel 71 - Parlementaire onschendbaarheid

De leden van de Staten-Generaal, de ministers, de staatssecretarissen en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging, kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergaderingen van de Staten-Generaal of van commissies daaruit hebben gezegd of aan deze schriftelijk hebben overgelegd.

Artikel 72 - Reglement van orde

De kamers stellen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering een reglement van orde vast.

HOOFDSTUK 4

Adviesorganen INLEIDING

Artikel 73 - Taak Raad van State

  1. De Raad van State of een afdeling van de Raad wordt gehoord over voorstellen van wet en ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur, alsmede over voorstellen tot goedkeuring van verdragen door de Staten-Generaal. In bij de wet te bepalen gevallen kan het horen achterwege blijven.

  2. De Raad of een afdeling van de Raad is belast met het onderzoek van de geschillen van bestuur die bij koninklijk besluit worden beslist en draagt de uitspraak voor.

  3. De wet kan aan de Raad of een afdeling van de Raad de uitspraak in geschillen van bestuur opdragen.

Artikel 74 - Rechtspositie leden

  1. De Koning is voorzitter van de Raad van State. De vermoedelijke opvolger van de Koning heeft na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar van rechtswege zitting in de Raad. Bij of krachtens de wet kan aan andere leden van het koninklijk huis zitting in de Raad worden verleend.

  2. De leden van de Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  3. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  4. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Raad worden geschorst of ontslagen.

  5. De wet regelt overigens hun rechtspositie

Artikel 75 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Raad van State.

  2. Bij de wet kunnen aan de Raad of een afdeling van de Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 76 - Algemene rekenkamer

De Algemene Rekenkamer is belast met het onderzoek van de ontvangsten en uitgaven van het Rijk.

Artikel 77 - Rechtpositie leden rekenkamer

  1. De leden van de Algemene Rekenkamer worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Hoge Raad worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 78 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Algemene Rekenkamer.

  2. Bij de wet kunnen aan de Algemene Rekenkamer ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 78a - Nationale ombudsman

  1. De Nationale ombudsman verricht op verzoek of uit eigen beweging onderzoek naar gedragingen van bestuursorganen van het Rijk en van andere bij of krachtens de wet aangewezen bestuursorganen.
  2. De Nationale ombudsman en een substituut-ombudsman worden voor een bij de wet te bepalen termijn benoemd door de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Tweede Kamer der Staten-Generaal worden geschorst of ontslagen. De wet regelt overigens hun rechtspositie.
  3. De wet regelt de bevoegdheid en werkwijze van de Nationale ombudsman.
  4. Bij of krachtens de wet kunnen aan de Nationale ombudsman ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 79 - Vaste colleges van advies

  1. Vaste colleges van advies in zaken van wetgeving en bestuur van het Rijk worden ingesteld bij of krachtens de wet.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van deze colleges.

  3. Bij of krachtens de wet kunnen aan deze colleges ook andere dan adviserende taken worden opgedragen.

Artikel 80 - Openbaarmaking advies

  1. De adviezen van de in dit hoofdstuk bedoelde colleges worden openbaar gemaakt volgens regels bij de wet te stellen.

  2. Adviezen, uitgebracht ter zake van voorstellen van wet die door of vanwege de Koning worden ingediend, worden, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen, aan de Staten-Generaal overgelegd.

HOOFDSTUK 5

Wetgeving en bestuur INLEIDING

Artikel 81 - Wetgevende macht

De vaststelling van wetten geschiedt door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk.

Artikel 82 - Indienen wetsvoorstel

  1. Voorstellen van wet kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Voorstellen van wet waarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en, voor zover de betreffende artikelen van hoofdstuk 2 dit toelaten, door de verenigde vergadering.

  3. Voorstellen van wet, in te dienen door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering, worden bij haar door een of meer leden aanhangig gemaakt.

Artikel 83 - Toezending wetsvoorstel TK

Voorstellen van wet, ingediend door of vanwege de Koning, worden gezonden aan de Tweede Kamer of, indien daarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, aan deze vergadering.

Artikel 84 - Wijziging wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet, ingediend door of vanwege de Koning, niet door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering is aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en vanwege de regering worden gewijzigd.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden gewijzigd.

Artikel 85 - Toezending wetsvoorstel EK

Zodra de Tweede Kamer een voorstel van wet heeft aangenomen of tot indiening van een voorstel heeft besloten, zendt zij het aan de Eerste Kamer, die het voorstel overweegt zoals het door de Tweede Kamer aan haar is gezonden. De Tweede Kamer kan een of meer van haar leden opdragen een door haar ingediend voorstel in de Eerste Kamer te verdedigen.

Artikel 86 - Intrekking wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet niet door de Staten-Generaal is aangenomen, kan het door of vanwege de indiener worden ingetrokken.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden ingetrokken.

Artikel 87 - Aanneming en bekrachtiging

  1. Een voorstel wordt wet, zodra het door de Staten-Generaal is aangenomen en door de Koning is bekrachtigd.

  2. De Koning en de Staten-Generaal geven elkaar kennis van hun besluit omtrent enig voorstel van wet.

Artikel 88 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de wetten. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 89 - Algemene maatregel van bestuur

  1. Algemene maatregelen van bestuur worden bij koninklijk besluit vastgesteld.

  2. Voorschriften, door straffen te handhaven, worden daarin alleen gegeven krachtens de wet. De wet bepaalt de op te leggen straffen.

  3. De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de algemene maatregelen van bestuur. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

  4. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op andere vanwege het Rijk vastgestelde algemeen verbindende voorschriften.

Artikel 90 - Bevordering internationale rechtsorde

De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde.

Artikel 91 - Goedkeuring verdrag

  1. Het Koninkrijk wordt niet aan verdragen gebonden en deze worden niet opgezegd zonder voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. De wet bepaalt de gevallen waarin geen goedkeuring is vereist.

  2. De wet bepaalt de wijze waarop de goedkeuring wordt verleend en kan voorzien in stilzwijgende goedkeuring.

  3. Indien een verdrag bepalingen bevat welke afwijken van de Grondwet dan wel tot zodanig afwijken noodzaken, kunnen de kamers de goedkeuring alleen verlenen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 92 - Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties

Met inachtneming, zo nodig, van het bepaalde in artikel 91, derde lid, kunnen bij of krachtens verdrag aan volkenrechtelijke organisaties bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak worden opgedragen.

Artikel 93 - Verbindende kracht verdrag

Bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 94 - Verdrag boven wet

Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 95 - Bekendmaking verdrag

De wet geeft regels omtrent de bekendmaking van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 96 - Oorlogsverklaring

  1. Het Koninkrijk wordt niet in oorlog verklaard dan na voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal.

  2. De toestemming is niet vereist, wanneer het overleg met de Staten-Generaal ten gevolge van een feitelijk bestaande oorlogstoestand niet mogelijk is gebleken.

  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  4. Het bepaalde in het eerste en het derde lid is van overeenkomstige toepassing voor een verklaring dat een oorlog beëindigd is.

Artikel 97 - Krijgsmacht

  1. Ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk, alsmede ten behoeve van de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde, is er een krijgsmacht.

  2. De regering heeft het oppergezag over de krijgsmacht.

Artikel 98 - Samenstelling krijgsmacht

  1. De krijgsmacht bestaat uit vrijwillig dienenden en kan mede bestaan uit dienstplichtigen.

  2. De wet regelt de verplichte militaire dienst en de bevoegdheid tot opschorting van de oproeping in werkelijke dienst.

Artikel 99 - Gewetensbezwaren militaire dienst

De wet regelt vrijstelling van militaire dienst wegens ernstige gewetensbezwaren.

Artikel 99a - Civiele verdediging

Volgens bij de wet te stellen regels kunnen plichten worden opgelegd ten behoeve van de civiele verdediging.

Artikel 100 - Inlichtingen over krijgsmacht

  1. De regering verstrekt de Staten-Generaal vooraf inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. Daaronder is begrepen het vooraf verstrekken van inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht voor humanitaire hulpverlening in geval van gewapend conflict.

  2. Het eerste lid geldt niet, indien dwingende redenen het vooraf verstrekken van inlichtingen verhinderen. In dat geval worden inlichtingen zo spoedig mogelijk verstrekt.

Artikel 101 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 20 juli 1995

Artikel 102 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 22 juni 2000

Artikel 103 - Uitzonderingstoestand

  1. De wet bepaalt in welke gevallen ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid bij koninklijk besluit een door de wet als zodanig aan te wijzen uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd; zij regelt de gevolgen.

  2. Daarbij kan worden afgeweken van de grondwetsbepalingen inzake de bevoegdheden van de besturen van provincies, gemeenten en waterschappen, van de grondrechten geregeld in de artikelen 6, voor zover dit de uitoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen van het in dit artikel omschreven recht betreft, 7, 8, 9, 12, tweede en derde lid, en 13, alsmede van artikel 113, eerste en derde lid.

  3. Terstond na de afkondiging van een uitzonderingstoestand en voorts, zolang deze niet bij koninklijk besluit is opgeheven, telkens wanneer zij zulks nodig oordelen beslissen de Staten-Generaal omtrent het voortduren daarvan; zij beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 104 - Belastingheffing

Belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet. Andere heffingen van het Rijk worden bij de wet geregeld.

 
 

Artikel 105 - Recht van begroting

  1. De begroting van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt bij de wet vastgesteld.

  2. Jaarlijks worden voorstellen van algemene begrotingswetten door of vanwege de Koning ingediend op het in artikel 65 bedoelde tijdstip.

  3. De verantwoording van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt aan de Staten-Generaal gedaan overeenkomstig de bepalingen van de wet. De door de Algemene Rekenkamer goedgekeurde rekening wordt aan de Staten-Generaal overgelegd.

  4. De wet stelt regels omtrent het beheer van de financiën van het Rijk.

Artikel 106 - Geldstelsel

De wet regelt het geldstelsel.

Artikel 107 - Codificatie

  1. De wet regelt het burgerlijk recht, het strafrecht en het burgerlijk en strafprocesrecht in algemene wetboeken, behoudens de bevoegdheid tot regeling van bepaalde onderwerpen in afzonderlijke wetten.

  2. De wet stelt algemene regels van bestuursrecht vast.

Artikel 108 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 25 februari 1999

Artikel 109 - Rechtspositie ambtenaren

De wet regelt de rechtspositie van de ambtenaren. Zij stelt tevens regels omtrent hun bescherming bij de arbeid en omtrent medezeggenschap.

 

Artikel 110 - Openbaarheid van bestuur

De overheid betracht bij de uitvoering van haar taak openbaarheid volgens regels bij de wet te stellen.

 

Artikel 111 - Ridderorden

Ridderorden worden bij de wet ingesteld.
HOOFDSTUK 6

Rechtspraak INLEIDING

Artikel 112 - Civiele en administratieve rechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is opgedragen de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen.

  2. De wet kan de berechting van geschillen die niet uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, opdragen hetzij aan de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren. De wet regelt de wijze van behandeling en de gevolgen van de beslissingen.

Artikel 113 - Strafrechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van strafbare feiten.

  2. Tuchtrechtspraak door de overheid ingesteld wordt bij de wet geregeld.

  3. Een straf van vrijheidsontneming kan uitsluitend door de rechterlijke macht worden opgelegd.

  4. Voor berechting buiten Nederland en voor het oorlogsstrafrecht kan de wet afwijkende regels stellen.

Artikel 114 - Doodstraf

De doodstraf kan niet worden opgelegd.

Artikel 115 - Administratief beroep

Ten aanzien van de in artikel 112, tweede lid, bedoelde geschillen kan administratief beroep worden opengesteld.

Artikel 116 - Rechterlijke macht

  1. De wet wijst de gerechten aan die behoren tot de rechterlijke macht.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de rechterlijke macht.

  3. De wet kan bepalen, dat aan rechtspraak door de rechterlijke macht mede wordt deelgenomen door personen die niet daartoe behoren.

  4. De wet regelt het toezicht door leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast uit te oefenen op de ambtsvervulling door zodanige leden en door de personen bedoeld in het vorige lid.

Artikel 117 - Rechtspositie leden rechterlijke macht

  1. De leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal bij de Hoge Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet bepaald kunnen zij door een bij de wet aangewezen, tot de rechterlijke macht behorend gerecht worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 118 - Hoge Raad

  1. De leden van de Hoge Raad der Nederlanden worden benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. De Hoge Raad is in de gevallen en binnen de grenzen bij de wet bepaald, belast met de cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van het recht.

  3. Bij de wet kunnen aan de Hoge Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 119 - Ambtsmisdrijven

De leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreden terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.

Artikel 120 - Toetsingsverbod

De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.

Artikel 121 - Openbaarheid terechtzittingen

Met uitzondering van de gevallen bij de wet bepaald vinden de terechtzittingen in het openbaar plaats en houden de vonnissen de gronden in waarop zij rusten. De uitspraak geschiedt in het openbaar.

Artikel 122 - Gratie

  1. Gratie wordt verleend bij koninklijk besluit na advies van een bij de wet aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.

  2. Amnestie wordt bij of krachtens de wet verleend.

HOOFDSTUK 7

Decentralisatie INLEIDING

Artikel 123 - Instelling provincies en gemeenten

  1. Bij de wet kunnen provincies en gemeenten worden opgeheven en nieuwe ingesteld.

  2. De wet regelt de wijziging van provinciale en gemeentelijke grenzen.

Artikel 124 - Autonomie en medebewind

  1. Voor provincies en gemeenten wordt de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake hun huishouding aan hun besturen overgelaten.

  2. Regeling en bestuur kunnen van de besturen van provincies en gemeenten worden gevorderd bij of krachtens de wet.

Artikel 125 - Organen decentrale besturen

  1. Aan het hoofd van de provincie en de gemeente staan provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad. Hun vergaderingen zijn openbaar, behoudens bij de wet te regelen uitzonderingen.

  2. Van het bestuur van de provincie maken ook deel uit gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning, van het bestuur van de gemeente het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester.

Artikel 126 - Ambtsinstructie commissaris koning

Bij de wet kan worden bepaald, dat de commissaris van de Koning wordt belast met de uitvoering van een door de regering te geven ambtsinstructie.

Artikel 127 - Vaststelling verordening

Provinciale staten en de gemeenteraad stellen, behoudens bij de wet of door hen krachtens de wet te bepalen uitzonderingen, de provinciale onderscheidenlijk de gemeentelijke verordeningen vast.

Artikel 128 - Toekenning bevoegdheden

Behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 123, kan de toekenning van bevoegdheden, als bedoeld in artikel 124, eerste lid, aan andere organen dan die, genoemd in artikel 125, alleen door provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad geschieden.

Artikel 129 - Verkiezing vertegenwoordigend orgaan

  1. De leden van provinciale staten en van de gemeenteraad worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders, tevens ingezetenen van de provincie onderscheidenlijk de gemeente, die voldoen aan de vereisten die gelden voor de verkiezing van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Voor het lidmaatschap gelden dezelfde vereisten.
  2. De leden worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  3. De artikelen 53, tweede lid, en 59 zijn van toepassing. Artikel 57a is van overeenkomstige toepassing.
  4. De zittingsduur van provinciale staten en de gemeenteraad is vier jaren, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen.
  5. De wet bepaalt welke betrekkingen niet gelijktijdig met het lidmaatschap kunnen worden uitgeoefend. De wet kan bepalen, dat beletselen voor het lidmaatschap voortvloeien uit verwantschap of huwelijk en dat het verrichten van bij de wet aangewezen handelingen tot het verlies van het lidmaatschap kan leiden.
  6. De leden stemmen zonder last.

Artikel 130 - Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders

De wet kan het recht de leden van de gemeenteraad te kiezen en het recht lid van de gemeenteraad te zijn toekennen aan ingezetenen, die geen Nederlander zijn, mits zij tenminste voldoen aan de vereisten die gelden voor ingezetenen die tevens Nederlander zijn.

Artikel 131 - Benoeming commissaris Koning

De commissaris van de Koning en de burgemeester worden bij koninklijk besluit benoemd.

Artikel 132 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen

  1. De wet regelt de inrichting van provincies en gemeenten, alsmede de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen.

  2. De wet regelt het toezicht op deze besturen.

  3. Besluiten van deze besturen kunnen slechts aan voorafgaand toezicht worden onderworpen in bij of krachtens de wet te bepalen gevallen.

  4. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden bij koninklijk besluit wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

  5. De wet regelt de voorzieningen bij in gebreke blijven ten aanzien van regeling en bestuur, gevorderd krachtens artikel 124, tweede lid. Bij de wet kunnen met afwijking van de artikelen 125 en 127 voorzieningen worden getroffen voor het geval het bestuur van een provincie of een gemeente zijn taken grovelijk verwaarloost.

  6. De wet bepaalt welke belastingen door de besturen van provincies en gemeenten kunnen worden geheven en regelt hun financiële verhouding tot het Rijk.

Artikel 133 - Waterschappen

  1. De opheffing en instelling van waterschappen, de regeling van hun taken en inrichting, alsmede de samenstelling van hun besturen, geschieden volgens bij de wet te stellen regels bij provinciale verordening, voor zover bij of krachtens de wet niet anders is bepaald.

  2. De wet regelt de verordenende en andere bevoegdheden van de besturen van de waterschappen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen.

  3. De wet regelt het provinciale en overige toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 134 - Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

  1. Bij of krachtens de wet kunnen openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere openbare lichamen worden ingesteld en opgeheven.

  2. De wet regelt de taken en de inrichting van deze openbare lichamen, de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen. Bij of krachtens de wet kan aan hun besturen verordenende bevoegdheid worden verleend.

  3. De wet regelt het toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 135 - Gemeenschappelijke regelingen

De wet geeft regels ter voorziening in zaken waarbij twee of meer openbare lichamen zijn betrokken. Daarbij kan in de instelling van een nieuw openbaar lichaam worden voorzien, in welk geval artikel 134, tweede en derde lid, van toepassing is.

Artikel 136 - Geschillen

De geschillen tussen openbare lichamen worden bij koninklijk besluit beslist, tenzij deze behoren tot de kennisneming van de rechterlijke macht of hun beslissing bij de wet aan anderen is opgedragen.
HOOFDSTUK 8

Herziening grondwet INLEIDING

Artikel 137 - Grondwetswijziging

  1. De wet verklaart, dat een verandering in de Grondwet, zoals zij die voorstelt, in overweging zal worden genomen.

  2. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, een voorstel voor zodanige wet splitsen.

  3. Na de bekendmaking van de wet, bedoeld in het eerste lid, wordt de Tweede Kamer ontbonden.

  4. Nadat de nieuwe Tweede Kamer is samengekomen, overwegen beide kamers in tweede lezing het voorstel tot verandering, bedoeld in het eerste lid. Zij kunnen dit alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  5. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen een voorstel tot verandering splitsen.

Artikel 138 - Aanpassing niet gewijzigde bepalingen

  1. Voordat de in tweede lezing aangenomen voorstellen tot verandering in de Grondwet door de Koning worden bekrachtigd, kunnen bij de wet:

    a. de aangenomen voorstellen en de ongewijzigd gebleven bepalingen van de Grondwet voor zoveel nodig aan elkaar worden aangepast;

    b. de indeling in en de plaats van hoofdstukken, paragrafen en artikelen, alsmede de opschriften worden gewijzigd.

  2. Een voorstel van wet, houdende voorzieningen als bedoeld in het eerste lid onder a, kunnen de kamers alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 139 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De veranderingen in de Grondwet, door de Staten-Generaal aangenomen en door de Koning bekrachtigd, treden terstond in werking, nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 140 - Handhaving bestaande regelgeving

Bestaande wetten en andere regelingen en besluiten die in strijd zijn met een verandering in de Grondwet, blijven gehandhaafd, totdat daarvoor overeenkomstig de Grondwet een voorziening is getroffen.

Artikel 141 - Bekendmaking herziene Grondwet

De tekst van de herziene Grondwet wordt bij koninklijk besluit bekendgemaakt, waarbij hoofdstukken, paragrafen en artikelen kunnen worden vernummerd en verwijzingen dienovereenkomstig kunnen worden veranderd.

Artikel 142 - Aanpassing Grondwet aan Statuut

De Grondwet kan bij de wet met het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in overeenstemming worden gebracht. De artikelen 139, 140 en141 zijn van overeenkomstige toepassing.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

G. Boogaard en J. Uzman

ARTIKEL 119 - Ambtsmisdrijven

INHOUD
  1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis
  2. Internationaal recht
  3. Procedure en praktijk
  4. Jurisprudentie
  5. Literatuur
  6. Historische versies
 

Editie januari 2016

1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis

Artikel 119 regelt berechting door een bijzondere instantie, een forum privilegiatum, van politieke ambtsdragers die van een ambtsmisdrijf worden verdacht: zij staan terecht voor de Hoge Raad, die in eerste en enige aanleg maar wel met tien raadsheren rechtspreekt.[1] Het initiatief ligt exclusief in handen van de regering en de Tweede Kamer: alleen zij kunnen besluiten om tot vervolging over te gaan. Doen zij dat, dan geldt het strafrechtelijke opportuniteitsbeginsel niet meer. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is verplicht om de door de Kamer of regering in een last nauwkeurig omschreven feiten te vervolgen,[2] waarna de Hoge Raad einduitspraak moet doen.[3]
 
Het huidige artikel 119 is het restant van een oorspronkelijk veel ruimere regeling: in 1814 was de kring van ambtsdragers groter[4] en stonden zij ook voor de ‘commune delicten’, begaan gedurende de ambtstermijn, in eerste en enige aanleg terecht voor de Hoge Raad.[5] In 1848 werd het forum privilegiatum beperkt tot de vervolging van ambtsmisdrijven en in 1983 tot de hoogste politieke ambten: bewindslieden en Kamerleden. De bijzondere voorwaarde voor vervolging is altijd beperkt geweest tot de ambtsmisdrijven. Wel was in 1814 slechts ‘uitdrukkelijk verlof van de Staten-Generaal’ vereist en verschoof het initiatief pas in 1848 naar Tweede Kamer en regering, die het vervolgingsmonopolie nog altijd hebben. Wat de oorspronkelijke ratio voor artikel 119 is geweest en of de motivering in de loop der tijd is veranderd, valt niet eenvoudig vast te stellen. De schets van Van Hogendorp bevat reeds min of meer het huidige artikel. Een aanklacht tegen een hoge ambtsdrager, zo lichtte Van Hogendorp aan zijn Staatscommissie toe, moet met zoveel mogelijk plechtigheid worden bijgezet. Bovendien moest worden voorkomen dat iedereen zo maar aanklachten kon indienen.[6] De commissie vreesde evenwel gesteggel over de definitie van een ambtsmisdrijf en adviseerde de algemene regeling voor het forum privilegiatum die in de Grondwet van 1814 terecht is gekomen.[7] Van oudsher lijkt de regeling dus een waarborg tegen politieke processen, wat goed zou passen bij de uit de Franse tijd stammende argwaan tegen machtsmisbruik door en via de rechterlijke macht. Thorbecke wijst bij zijn behandeling van de geschiedenis van het forum privilegiatum bijvoorbeeld op de Franse Grondwet van 1791 waarin strafrechtelijke vervolging van politieke ambtsdagers nooit het middel mocht worden ‘om lastige afgevaardigden van hunne zetels te trekken.’[8] Wat daar verder ook van zij, heel lang heeft de behoefte aan een dergelijke waarborg in het Koninkrijk der Nederlanden niet geleefd. Al in 1884 meent Buys, als hij zich afvraagt wat toch in 1814 de bedoeling van het forum privilegiatum kan zijn geweest, dat het motief ‘uitsluitend in de hoge waardigheid van de aangeklaagden’ moet hebben gelegen. Hij brandmerkt de regeling daarom als een eigenlijk niet te rechtvaardigen privilege: ‘hoe meer men bij de beoordeling van misdrijven, door hoge staatsambtenaren gepleegd, aan de gewone regelen van strafrecht en strafvordering kan vasthouden, hoe meer waarborgen dat de openbare mening vrede zal hebben met de te wijzen vonnissen.’[9] In 1976 noemde Bos het uitgangspunt van de regeling zelfs gevaarlijk, als zou aan gewone rechtbanken en het Openbaar Ministerie de vervolging en berechting van ambtsmisdrijven niet kunnen worden toevertrouwd.[10] Ter gelegenheid van de laatste grondwetsherziening werd dan ook aangedrongen op het volledig afschaffen van het forum privilegiatum. De regering, en uiteindelijk ook de meerderheid van de kamers meenden echter dat een bijzondere regeling voor de vervolging en berechting van ambtsmisdrijven van hoge politieke ambtsdragers nog wel gerechtvaardigd is. De vereiste toestemming zou de hoogste politieke ambtsdragers nog altijd beschermen tegen ‘lichtvaardige vervolging’. Berechting in één instantie is bovendien geen gunst, maar draagt er vooral aan bij dat de betrokken ambtsdrager niet te lang het middelpunt van politieke opschudding is en het politieke leven niet te lang door zijn proces wordt ontregeld.[11]
 
Gegeven deze moderne rechtvaardiging van het forum privilegiatum, is het de vraag waarom de processen tegen het Kamerlid Wilders (PVV) over met diens vermeende uitingsdelicten niet zijn gevoerd bij de Hoge Raad. Het betreft immers onmiskenbaar delicten met een politiek motief en deze processen hebben, voorzichtig gezegd, enige impact op het politieke leven.[12] Door gesteggel over de definitie van een ambtsmisdrijf, zoals de Staatscommissie-Van Hogendorp vreesde, is artikel 119 Grondwet echter niet van toepassing.[13] Of dit valt toe te juichen omdat berechting volgens de gewone regels bijdraagt aan de legitimatie van vonnissen over Kamerleden, zoals Buijs beweerde, valt nog te bezien.

2. Internationaal recht

De klassieke regeling van het forum privilegiatum stuit inmiddels op twee punten op het internationale recht. Het eerste punt is het recht op een hoger beroep voor wie werd veroordeeld voor een strafbaar feit, sinds 1966 erkend in artikel 14, vijfde lid, van het IVBPR. Bij dit artikel heeft het Koninkrijk der Nederlanden echter een internationaalrechtelijk voorbehoud gemaakt: ‘Het Koninkrijk handhaaft de wettelijke bevoegdheid van de Hoge Raad der Nederlanden om in enige instantie ambtsmisdrijven ten laste gelegd aan bepaalde categorieën van personen te berechten.’ Ter toelichting argumenteerde de regering dat de rechtszekerheid in deze procedure niet wordt gediend met een extra instantie, maar met een verdubbeling van het aantal rechters.[14] Artikel 2 van het nog te ratificeren[15] Zevende Protocol bij het EVRM bevat ook een recht op een hoger beroep in strafzaken. Lid 2 zondert echter de gevallen waarin ‘de betrokkene in eerste aanleg werd berecht door het hoogste gerecht’ daarvan uit.
 
Het tweede punt waarop het internationale recht doorwerkt op artikel 119 Grondwet betreft de procedurele dimensie van mensenrechten, zoals die met name tot ontwikkeling is gekomen in de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Staten zijn bijvoorbeeld niet meer alleen inhoudelijk verplicht om het recht op leven van hun onderdanen te respecteren en zelf niet te folteren, maar dienen onder de artikelen 2 en 3 EVRM ook adequaat te reageren op incidenten. Wordt een arrestant bijvoorbeeld dood aangetroffen in de politiecel, dan is een Staat verplicht om daar voldoende en onafhankelijk onderzoek naar te doen en eventuele strafvervolging in te stellen, indien dat is aangewezen.[16] In dit licht was niets doen geen optie toen op 27 oktober 2005 elf vreemdelingen omkwamen bij de brand in het cellencomplex op Schiphol. De Onderzoeksraad Voor Veiligheid deed onderzoek[17] en naar aanleiding van de resultaten daarvan traden de ministers Donner (Justitie) en Dekker (VROM) in september 2006 af. Niet iedereen vond dat voldoende. Er werd aangifte gedaan tegen ex-minister Verdonk, wegens strafbare nalatigheid, en geklaagd over de beslissing van de Officier van Justitie, die in verband met artikel 119 Grondwet vervolging had geweigerd. Voor de Hoge Raad werd aangevoerd dat in dit geval het politieke vervolgingsmonopolie moest worden doorbroken door de mensenrechten. De Hoge Raad wees dit argument af met een abstracte toets: de regeling van artikel 119 Grondwet is in zichzelf niet in strijd met het internationale recht.[18] De zaak werd voortgezet voor het EHRM, dat een concrete toets verrichte. Het hof constateerde dat in deze zaak, vooral door het onderzoek van de Onderzoeksraad Voor Veiligheid, voldaan was aan de procedurele vereisten van het EVRM.[19] De vraag of het in een ander concreet geval wel aan de nationale rechter is om artikel 119 Grondwet te doorbreken en een politieke ambtsdrager te laten vervolgen, is dus nog niet volledig beantwoord. Daarbij sluimeren overigens twee andere constitutionele kwesties van formaat: mag de rechter een verdrag dat niet met twee-derden-meerderheid is goedgekeurd, zoals het EVRM, voorrang verlenen boven de Grondwet?[20] En zo ja: gaat het vervolgens bevelen van vervolging van een minister de rechtsvormende taak van de rechter niet enorm te buiten?[21]

3. Praktijk en procedure

Het forum privilegiatum moet als procesrechtelijke regeling goed onderscheiden worden van de strafrechtelijke ministeriële verantwoordelijkheid die pas later, in 1840, werd ingevoerd. Het eerste gaat over de vraag waar en hoe politieke ambtsdragers terecht staan, het tweede heeft betrekking op een specifieke categorie, relatief vage ambtsmisdrijven die alleen ministers kunnen plegen: het verrichten van of medewerken aan daden ‘waardoor de Grondwet of de wetten mogten geschonden of niet opgevolgd zijn.’[22] Ze hebben wel met elkaar te maken. Allereerst geldt voor de strafrechtelijke ministeriële verantwoordelijkheid uiteraard de regeling van het forum privilegatum. Als ministers verdacht worden van het schenden van de Grondwet, dan staan ze daarvoor in eerste en enige aanleg terecht voor de Hoge Raad. Bovendien was juist de invoering van de strafrechtelijke ministeriële verantwoordelijkheid, met zijn vage delictsomschrijvingen en betekenis in de ontwikkeling van het parlementair stelsel, een belangrijke reden om in 1848 het bestaande vereiste van ‘verlof van de Staten-Generaal’ aan te scherpen tot het huidige politieke vervolgingsmonopolie. De strafrechtelijke ministeriële verantwoordelijkheid als zodanig is inmiddels verdwenen uit de Grondwet.[23] Desondanks bezorgt de gedeeltelijke overlap tussen het algemene forum privilegiatum voor politieke ambtsdragers en de specifieke regeling van de strafrechtelijke ministeriele verantwoordelijkheid het huidige artikel 119 de naam ‘nooit te zijn toegepast’.[24] Die conclusie geldt echter alleen ten aanzien van de strafrechtelijke ministeriële verantwoordelijkheid. Daarvan zijn geen voorbeelden bekend, met name omdat al in 1848 een veel effectiever parlementair wapen werd ingevoerd: de politieke ministeriele verantwoordelijkheid.[25] Kamer noch regering hebben ooit een bevel tot vervolging van een hoge politieke ambtsdrager gegeven. Voorbeelden van het berechten van gewone delicten van politieke ambtsdragers in eerste en enige aanleg door de Hoge Raad als forum privilegitum zijn er wel degelijk.[26] Het meest geprofileerde daarvan is de veroordeling van G.Ch.C. Pels Rijcken (1810-1889), minister van Marine in het conservatieve kabinet Van Zuylen van Nijevelt (1866-1868). Hij moest zich tegenover tien raadsheren van de Hoge Raad verantwoorden voor zijn loslopende hond terwijl de burgemeester van Den Haag in het kader van de bestrijding van veetyfus het aanlijnen van de viervoeter juist had bevolen.[27] Duidelijk geen voorbeeld van een ambtsmisdrijf, maar wel van een afwijkende rechtsgang voor bijzondere personen die gewone delicten plegen.
 
Dat er in Nederland nog nooit een hoge politieke ambtsdrager voor een ambtsmisdrijf voor de Hoge Raad heeft gestaan, ligt zeker niet aan de bonte verzameling pogingen die daartoe in de loop der tijd zijn gedaan. De bontheid van de verzameling wordt niet in de laatste plaats veroorzaakt door het rommelige en roestige karakter van de procedure, die nog hoofdzakelijk uit 1855 stamt. Reeds Buys, Heemskerk en Oud[28] klaagden over de laksheid waarmee de materie is geregeld en de hoeveelheid grotere en kleinere vragen die daardoor niet met de in het strafrecht gewenste zekerheid kunnen worden beantwoord.[29] Ook de huidige lezer van de Wet op de Ministeriële Verantwoordelijkheid (Wmv) zal niet alles onmiddellijk duidelijk zijn. Zo spreekt de regeling van ‘Hoofden der Ministeriële Departementen’ terwijl waarschijnlijk niet is bedoeld om ministers zonder portefeuille (ingevoerd in 1938) uit te zonderen.[30] Sinds jaar en dag (1925/1953) werkt de Tweede Kamer bovendien met specialistische Commissies en niet meer met de generalistische, gelote ‘Afdelingen’ waar de Wmv nog over spreekt. Evenmin is het nog gebruikelijk om in Koninkrijksverband te spreken van ‘overzeesche bezittingen’ (artikel 16, tweede lid, Wmv). Het gebruik van de regeling vereist dus meer dan gebruikelijke teleologische interpretatie en analoge toepassing.
 
Voor de materiële reikwijdte is artikel 76 van de Wet RO de kernbepaling. Het artikel bepaalt dat de Hoge Raad in eerste instantie en tevens in hoogste ressort kennis neemt van de ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen van ministers, staatssecretarissen en Kamerleden. Bovend’Eert meent dat de toevoeging van ambtsovertredingen ‘op gespannen voet staat met de tekst van de Grondwet’, die immers alleen van ambtsmisdrijven spreekt.[31] Van spanning is echter geen sprake.[32] Toen de Grondwet nog expliciet de bepaling bevatte om het forum privilegiatum bij gewone wet uit te breiden, tekende Buijs daarbij al aan dat dit een overbodige bevestiging was van wat de wetgever ook los van die bepaling vermocht te doen.[33] De relevante ambtsmisdrijven vloeien allereerst voort uit de strafrechtelijke ministeriële verantwoordelijkheid: de zorgplicht voor de uitvoering van de Grondwet en de andere wetten, voor zover die van de Kroon afhangt.[34] Deze zorgplicht is uitgewerkt in twee ambtsmisdrijven die alleen ministers kunnen plegen: de artikelen 355 en 356 Wetboek van Strafrecht. Het bereik van deze categorie misdrijven is door zijn ruime delictsomschrijvingen uitermate groot. Een minister waarvan de Tweede Kamer meent dat die zonder goede redenen niet in de vergadering verschijnt of weigert inlichten te verschaffen waar een individueel Kamerlid om vraagt, kan wegens schending van artikel 68 en 69 Grondwet worden vervolgd en van de Hoge Raad drie jaar gevangenisstraf krijgen. Naar aanleiding van deze categorie ambtsmisdrijven scherpte de grondwetgever in 1848 het vervolgingsmonopolie aan. Naast deze duidelijk politiek geprofileerde ambtsmisdrijven, is er een tweede categorie die bestaat uit de relevante ambtsmisdrijven uit titel XXVII van het tweede boek van het Wetboek van Strafrecht (artikel 355-380) en de relevante ambtsovertredingen uit titel VIII van het derde boek van het Wetboek van Strafrecht (artikel 462-468a). Deze delicten kunnen niet alleen door ministers maar ook door Kamerleden worden begaan, omdat de laatsten voor de gelegenheid door artikel 84, eerste lid, Wetboek van Strafrecht onder het begrip ‘ambtenaar’ worden gebracht. Te denken valt in deze categorie aan de klassieke ambtsmisdrijven die elke ambtenaar kan begaan, zoals verduistering van geld of bewijsstukken, vervalsing van boeken of afpersing door machtsmisbruik. De derde categorie gevallen die door artikel 76, tweede lid, Wet RO[35] onder de regeling van artikel 119 Grondwet wordt gebracht, betreft de gewone delicten die zijn begaan onder de strafverzwarende omstandigheid uit artikel 44 Wetboek van Strafrecht: feiten waarbij een ambtenaar een bijzondere ambtsplicht schendt of gebruik maakt van een ‘macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken.’ Een typisch voorbeeld in deze categorie is de schending van een ambtsgeheim, zoals bedoeld in artikel 272, eerste lid, Wetboek van Strafrecht.[36] Een minister die te gedetailleerd verslag doet van een vergadering van de ministerraad of Kamerleden die de begroting laten uitlekken, maken zich in beginsel schuldig aan dit artikel en vallen dus onder artikel 119 Grondwet. De grens van deze derde categorie gevallen is niet altijd duidelijk. Zo kan de vraag worden opgeworpen of Wilders (PVV) met zijn islamkritiek niet zozeer gebruik maakt van het podium dat het Kamerlidmaatschap hem biedt, dat op zijn vervolging voor een uitingsdelict via artikel 44 Wetboek van Strafrecht het forum privilegiatum en het politieke vervolgingsmonopolie uit artikel 119 Grondwet van toepassing zijn.[37]
 
Bij de te volgen procedure voor het geven van een last tot vervolging, staat de eerder genoemde Wet Ministeriële Verantwoordelijkheid uit 1855 centraal. Deze procedure is vooral te begrijpen in relatie tot de eerste categorie ambtsmisdrijven: de ruim geformuleerde delicten uit 355 en 356 Wetboek van Strafrecht over ministers die hun zorgplicht ten aanzien van de Grondwet schenden. Om daar lichtvaardige vervolging van ministers tegen te gaan, werpt de Wmv een aantal drempels op en kent de wet de verdachte minister een aantal waarborgen toe. Allereerst moeten vijf Kamerleden hun naam onder een aanklacht zetten (artikel 7 Wmv).[38] Is dat het geval dan moet de betrokken minister binnen 24 uur worden geïnformeerd en wordt de behandeling minstens acht dagen stil gelegd (artikel 8 Wmv). Vervolgens besluit de voltallige Kamer of er een commissie van onderzoek moet komen voor het ‘opsporen en verzamelen van alle bescheiden, inlichtingen en bewijzen, die tot opheldering van de feiten, in de aanklacht vermeld, kunnen leiden’ (artikel 11 Wmv). De betrokken minister heeft het recht om ‘op zijn verlangen’ door deze commissie te worden gehoord (artikel 14 Wmv) Criteria om al dan niet tot een dergelijke onderzoekscommissie te besluiten, bevat de Wmv niet. Dat geldt wel voor de beoordeling van de vraag of er ‘genoegzame gronden tot vervolging’ zijn. Daarvoor moet de Tweede Kamer de aangeklaagde feiten niet alleen aan het recht toetsen, maar ook aan de ‘zedelijkheid en het staatsbelang’ (artikel 18 Wmv). Er geldt hier zeker geen beginselplicht tot vervolging, of iets wat daarop lijkt. Van oudsher lijkt eerder het omgekeerde het geval. Oud schrijft in1967 nog over de materie alsof het vervolgen van hoge politieke ambtsdragers een laatste redmiddel moet blijven en zelfs dan nog een testimonium paupertatis blijft: een bewijs van onvermogen van de politieke ambten om geschillen zelf op te lossen en aan de kiezer te verantwoorden.[39]
 
Procedurele moeilijkheden ontstaan wanneer het niet gaat om parlementariërs die het op een minister voorzien hebben, maar om de berechting van ambtsmisdrijven van Kamerleden in de tweede en derde categorie ambtsmisdrijven. Artikel 483, tweede lid, Wetboek van Strafvordering verklaart de procedure uit de Wmv ‘van overeenkomstige toepassing’ op de vervolging van Kamerleden. Specifieke voorzieningen voor de complicaties die samenhangen met Tweede Kamerleden die over elkaars vervolging moeten besluiten, zijn er niet. Moeilijkheden ontstaan er ook wanneer er geen bekende verdachte is, zoals de Wmv lijkt te veronderstellen, maar alleen een mogelijk ambtsmisdrijf. Over een monopolie op de opsporing van een ambtsmisdrijf zegt artikel 119 Grondwet niets, terwijl de Commissie Prinsjesdagstukken, ingesteld door het Presidium van de Tweede Kamer om onderzoek te doen naar het voortdurend lekken van de inhoud van het koffertje, in 2010 concludeerde dat de commissie van onderzoek uit de Wmv in ieder geval onvoldoende is om binnen de maximale termijn een fatsoenlijk opsporingsonderzoek te laten doen naar een gelekte begroting.[40] De praktijk zoekt dan ook naar andere wegen. Zo doet het Presidium weleens aangifte of een beroep op de Rijksrecherche. Sancties voor Kamerleden volgen dan niet van de Hoge Raad, maar worden opgelegd door de eigen fractievoorzitter.[41] Wij menen dat dit een constitutioneel gezonde ontwikkeling is. Artikel 119 verbiedt in ieder geval geen onderzoek naar ambtsmisdrijven door het Openbaar Ministerie, zeker niet als er vanuit de Kamer aangifte wordt gedaan. De recente keuze van het Openbaar Ministerie om het onderzoek naar het lek uit de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CIVD/‘Commissie Stiekem’), op basis van een aangifte door de voorzitter van de CIVD, lijkt het begin van een andere ontwikkeling. In dat licht valt te betreuren dat de Commissie Schouten, die vervolgens optrad als onderzoekscommissie in de zin van de Wmv, zich in haar rapport uit januari 2016 niet wat nadrukkelijker gebogen heeft of de vraag of het Openbaar Ministerie zich terecht onbevoegd achtte.[42] 
 
Onduidelijkheid ten aanzien van de procedure is er ook voor de gang van zaken die kan leiden tot een last tot vervolging bij koninklijk besluit. Alleen voor het geval de regering een (voormalige) collega wil laten vervolgen, is bepaald dat de feiten nauwkeurig moeten zijn omschreven en het besluit aan de Staten-Generaal moet worden meegedeeld (artikel 5 Wmv). De praktijk laat ook verschillende oplossingen zien. Naar het lekken uit de ministerraad door minister Bomhoff liet minister-president Balkenende onderzoek doen door het Openbaar Ministerie. ‘Op advies van het OM’ werd vervolgens besloten ‘geen aangifte te doen’.[43] De opvolging van de verwijten van De Roy van Zuydewijn verliep weer anders. Hij werd gehoord door minister van Justitie Donner en iemand van het OM, waarna de minister de Kamer berichtte dat hij geen grond had gevonden om een voordracht te doen voor het vervolgen.[44]
 
Duidelijkheid is er inmiddels wel ten aanzien van burgers die via de zogenaamde ‘artikel 12-procedure’ de vervolging van – doorgaans – een minister willen bereiken. De term ‘artikel 12-procedure’ verwijst naar de artikelen 12 en verder van het Wetboek van Strafvordering, waarin een regeling is getroffen voor rechtsbescherming tegen het strafvorderlijke opportuniteitsbeginsel. Rechtstreeks belanghebbenden kunnen via de rechter alsnog proberen vervolging af te dwingen. Deze regeling is echter geen uitzondering op artikel 119 Grondwet. Klagers over het niet-vervolgen van ministeriële ambtsmisdrijven verklaart de Hoge Raad[45] dan ook zonder veel omhaal (kennelijk) niet-ontvankelijk.[46]

4. Jurisprudentie

- EHRM 22 juni 2000, nr. 32492/96 e.v. (Coëme e.a. t. België)
- EHRM 29 september 2009, nr. 19221/08 (Van Melle e.a. t. Nederland)
 
- Hof Amsterdam 16 februari 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ8826
 
- HR 9 januari 1868, 133 (Pels Rijcken), niet gepubliceerd
- HR 19 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA8454, NJ 2008/26 m. nt. E.A. Alkema
 
- Kamerstukken II 2015/16, 34 340, nr. 2 (verslag commissie van onderzoek, ‘Commissie Schouten’)

5. Literatuur

- J.T. K. Bos, ‘Vervolging en opsporing door de P-G’, NJB 1976, blz. 589-596
- P.P.T. Bovend’Eert, ‘Kamerlid en ambtsmisdrijven’ NJB 1991, p. 1666-1667
- J.L.W. Broeksteeg e.a., ‘Strafrechtelijke aansprakelijkheid van ministers: ruime verantwoordelijkheid, beperkte vervolgbaarheid’, NJB 2000, p. 965-972
- J.L. de Wijkerslooth & J. Simonis, 'De vervolgbaarheid van ministers en staatssecretarissen', NJB 2004, p. 672-678 (afl. 13)

6. Historische versies

Art. 104 Gw. 1814: De leden van de vergadering der Staten‑Generaal, de Hoofden der ministeriële departementen, de leden van den Raad van State, de Commissarissen van den Souvereinen Vorst in de Provincien of Landschappen staan te regt voor den Hoogen Raad, wegens alle misdrijven in de waarneming hunner functien begaan. Zij mogen echter deswege nimmer in regten betrokken worden, dan na dat door de vergadering van de Staten Generaal daartoe uitdrukkelijk verlof verleend zal zijn.
Art. 105 Gw. 1814: De Hooge Raad neemt ook kennis van en beoordeeld alle commune delicten door gemelde personen, gedurende den tijd hunner functiën begaan, gelijk mede tot deszelfs cognitie behooren de misdrijven der leden van zoodanige andere hooge kollegien en ambtenaren, als bij de wet nader zal worden bepaald.
Art. 177 Gw. 1815: De leden van de Staten‑Generaal, de hoofden der departementen van algemeen bestuur, de leden van den Raad van State, de Commissarissen van den Koning in de Provincien, staan te regt voor den Hoogen Raad, wegens alle misdrijven, gedurende den tijd hunner functien begaan. Wegens misdrijven in het uitoefenen van derzelver functien begaan, worden zij nimmer in regten betrokken, dan nadat door de vergadering der Staten‑Generaal daartoe uitdrukkelijk verlof is verleend (art. 175 Gw. 1840).
Art. 178 Gw. 1815: Bij de wet wordt nader bepaald welke andere ambtenaren en leden van hooge kollegien, wegens misdaden door hen gedurende den tijd hunner functien begaan, voor den Hoogen Raad te regt staan (art. 176 Gw. 1840).
Art. 77 Gw. 1840: Over de aanklagten ter zake van deze verantwoordelijkheid, oordeelt de Hooge Raad der Nederlanden, naar de voorschriften der wet.
Art. 159 Gw. 1848: De leden der Staten‑Generaal, de hoofden der ministeriele departementen, de gouverneurs‑generaal of de hooge ambtenaren onder een anderen naam met gelijke magt bekleed in de kolonien of bezittingen des Rijks in andere werelddeelen, de leden van den Raad van State en de Commissarissen de Konings in de provincie staan, wegens ambtsmisdrijven, ter vervolging hetzij van Koningswege, hetzij van wege de Tweede Kamer, te regt voor den Hoogen Raad.
Art. 160 Gw. 1848: De wet bepaalt welke andere ambtenaren en leden van hooge collegien, wegens ambtsmisdrijven, voor den Hoogen Raad te regt staan.
Art. 164 Gw. 1887: De leden der Staten‑Generaal, de hoofden der ministeriele departementen, de gouverneurs‑generaal en de hooge ambtenaren onder anderen naam met gelijke magt bekleed in de kolonien of bezittingen des Rijks in andere werelddeelen, de leden van den Raad van State, en de Commissarissen des Konings in de provincien staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hunne aftreding, te regt voor den Hoogen Raad ter vervolging hetzij van 's Konings wege, hetzij van wege de Tweede Kamer.
De wet kan bepalen, dat nog andere ambtenaren en leden van hooge collegien wegens ambtsmisdrijven voor den Hoogen Raad te regt staan.
Art. 165 Gw. 1922: De leden der Staten‑Generaal, de hoofden der ministerieele departementen, de Gouverneur‑Generaal van Nederlandsch‑Indië en de Gouverneurs van Suriname en van Curaçao, de leden van den Raad van State en de Commissarissen des Konings in de provinciën staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hunne aftreding, terecht voor den Hoogen Raad ter vervolging hetzij van 's Konings wege, hetzij van wege de Tweede Kamer.
De wet kan bepalen, dat nog andere ambtenaren en leden van hooge colleges wegens ambtsmisdrijven voor den Hoogen Raad terecht staan.
Art. 171 Gw. 1938: De leden der Staten‑Generaal, de ministers, de Gouverneur‑Generaal van Nederlandsch‑Indië en de Gouverneurs van Suriname en van Curaçao, de leden van den Raad van State, en de Commissarissen des Konings in de provinciën staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hunne aftreding, terecht voor den Hoogen Raad ter vervolging hetzij van 's Konings wege, hetzij vanwege de Tweede Kamer.
De wet kan bepalen, dat nog andere ambtenaren en leden van hooge colleges wegens ambtsmisdrijven voor den Hoogen Raad terecht staan.
Art. 171 Gw. 1948 (art. 178 Gw. 1953) verving de woorden `Nederlands‑Indië' resp. `Curaçao' door `Indonesië' en `de Nederlanse Antillen'.
Art. 178 Gw. 1956: De leden der Staten‑Generaal, de ministers, de Gouverneurs van Suriname, van de Nederlandse Antillen en van Nederlands Nieuw‑Guinea, de leden van de Raad van State, en de Commissarissen des Konings in de provinciën staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreding, terecht voor de Hoge Raad ter vervolging hetzij van 's Konings wege, hetzij vanwege de Tweede Kamer.
De wet kan bepalen, dat nog andere ambtenaren en leden van hoge colleges wegens ambtsmisdrijven voor de Hoge Raad terecht staan.
Art. 178 Gw. 1963: De leden der Staten‑Generaal, de ministers, de Gouverneurs van Suriname en van de Nederlandse Antillen, de leden van de Raad van State, en de Commissarissen des Konings in de provinciën staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreding, terecht voor de Hoge Raad ter vervolging hetzij van 's Konings wege, hetzij vanwege de Tweede Kamer.
De wet kan bepalen, dat nog andere ambtenaren en leden van hoge colleges wegens ambtsmisdrijven voor de Hoge Raad terecht staan.
   

Noten

  1. Artikel 76 Wet op de Rechterlijke Organisatie. Bij stakende stemmen gaat de verdachte vrijuit.
  2. Artikel 483, derde lid, Wetboek van Strafvordering. Vgl. de bepalingen die artikel 484 Wetboek van Strafvordering buiten toepassing verklaart.
  3. Zie voor een uitwerking van de strafprocesrechtelijke kant van de zaak met name: J.L. de Wijkerslooth en J. Simonis, ‘De vervolgbaarheid van ministers en staatssecretarissen’, NJB 2004 (afl. 13), p. 672-678.
  4. Het (strafrechtelijke) forum privilegiatum gold ook voor Staatsraden en Commissarissen van de Koning (artikel 104 Grondwet 1814, artikel 177 Grondwet 1815). Tussen 1848 en 1983 schaarde de Grondwet overigens de vergelijkbare functies uit het Rijk buiten Europa (m.n. de Gouveneurs-generaal) ook onder deze regeling.
  5. Artikel 105 Grondwet 1814, artikel 177 Grondwet 1815.
  6. H.T. Colenbrander, Ontstaan der Grondwet, Eerste Deel, Den Haag: Martinus Nijhoff 1908, p. 98. Digitaal beschikbaar en doorzoekbaar op: http://resources.huygens.knaw.nl/grondwet.
  7. Die overigens ook al voorkwam in Staatsregelingen van de Franse tijd.
  8. J.R. Thorbecke, Aanteekening op de Grondwet, Tweede Deel, (Nieuwe) Tweede uitgave, Den Haag, Martinus Nijhoff 1906, p. 176.
  9. J.T. Buijs, De Grondwet. Toelichting en kritiek, Deel II, Arnhem: Gouda Quint 1884, p. 449.
  10. J.T.K. Bos, Vervolging en opsporing door de Procureur-Generaal, NJB 1976, afl. 16, blz. 589-596.
  11. Kamerstukken II 1979/80, 16 164 (R 1147), nr. 8, p. 2. (Nng VI, 176).
  12. Voor berechting door de Hoge Raad is wel gepleit. Zie bijvoorbeeld: Y. Buruma in zijn noot in de NJ onder Hof Amsterdam, 21 januari 2009 ECLI:NL:GHAMS:2009:BH0496, NJ 2009/191.
  13. Meer in het bijzonder over de interpretatie van artikel 44 Wetboek van Strafrecht. Zie hieronder, nummer 3.
  14. Kamerstukken II 1975/76, 13 932 (R 1037), nr. 4, p. 63. Herhaald ter gelegenheid van de grondwetsherziening: Kamerstukken II 1979/80, 16 164 (R 1147), nr. 3, p. 4 (Nng VI, 149). J.L. de Wijkerslooth en J. Simonis ‘De vervolgbaarheid van ministers en staatssecretarissen’, NJB 2004 (afl. 13), p. 672-678), vinden dit overigens een schrale troost voor het verlies van een instantie.
  15. Het kabinet gaf in 2013 nog altijd van plan te zijn om het protocol te ratificeren, maar benadrukte ook dat het geen prioriteit had. Kamerstukken II 2012/13, 33 400 V, nr. 146, (antwoord op vraag 10).
  16. Hof Amsterdam 16 februari 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ8826.
  17. http://www.onderzoeksraad.nl/nl/onderzoek/13/brand-cellencomplex-schiphol-oost-nacht-van-26-op-27-oktober.
  18. HR 19 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA8454, NJ 2008/26 m. nt. E.A. Alkema.
  19. EHRM 29 september 2009, nr. 19221/08 (Van Melle e.a. t. Nederland).
  20. Zie artikel 120 Grondwet en ons commentaar daarbij onder punt 5.
  21. Advocaat-Generaal Langemeijer meende alvast dat de rechtsvormende taak van de rechter te buiten ging om artikel 119 Grondwet te doorbreken en alsnog vervolging van een minister te gelasten. Overweging 8.1 uit de Conclusie, ECLI:NL:PHR:2007:BA8454.
  22. Artikel 75 Grondwet 1840.
  23. Nog wel geregeld in de zorgplicht van artikel 1 Wmv en het ambtsmisdrijven uit de artikelen 355 en 356 Wetboek van Strafrecht. De belangrijkste consequentie, het contraseign, staat nog wel in de Grondwet: artikel 47.
  24. Zie bijvoorbeeld C.A.J.M. Kortmann, De Grondwetsherziening 1983 en 1987, Deventer: Kluwer 1987, p. 333, maar ook al J. Heemskerk Azn, De praktijk onzer Grondwet, Tweede Deel, Utrecht: J.L. Beijers 1881, p. 68.
  25. Zie verder het commentaar bij artikel 42, tweede lid, Grondwet.
  26. De hierna te noemen oud-minister Pels Rijcken (Hoge Raad 1868) is hiervan het meest bekende voorbeeld, maar een snelle blik in het NA-archief van de Raad levert meer namen op, zoals die van oud-senator L. Pincoffs (Hoge Raad 1880) en oud-Tweede Kamerlid Jhr. P.Th. van der Maesen de Sombreff (Hoge Raad 1867). In alle gevallen stonden deze ambtsdragers voor commune delicten terecht.
  27. Door een uitblijvende herziening van de Wet op de Rechterlijke Organisatie viel Pels Rijcken via het grondwettelijk overgangsrecht (tegenwoordig artikel 140 Grondwet) nog onder de oude regeling op basis van de Grondwet 1815. Zie verder: G. Boogaard en M.J.M. Verhulst, Het hondje van Pels Rijcken, NJB 2015/74, p. 122-123.
  28. J.T. Buijs, De Grondwet. Toelichting en kritiek, Deel II, Arnhem: Gouda Quint 1884, p. 454, J. Heemskerk Azn, De praktijk onzer Grondwet, Tweede Deel, Utrecht J.L. Beijers 1881, p. 160 en P.J. Oud, Het constitutioneel recht van het Koninkrijk der Nederlanden, Deel I, Zwolle: Tjeenk Willink 1967, p. 338-347.
  29. Dit bezwaar heeft inmiddels grondrechtelijke gewicht, sinds het EHRM onder artikel 6 EVRM een klacht tegen de Belgische vervolging van oud-minister Coëme gegrond verklaarde. Zie EHRM 22 juni 2000, nr. 32492/96 e.v. (Coëme e.a. t. België).
  30. De aanklacht van vijf PVV’ers (in oktober 2009) tegen minister Van der Laan (Wonen, Wijken en Integratie) in verband met diens weigering om ‘de kosten van een allochtoon’ uit te rekenen, werd uiteindelijk niet afgewezen omdat hij geen ministerie leidde maar omdat hij slechts een ‘programmaminister’ was. Kamerstukken II 2009/10, 32 158, nrs. 1-3.
  31. P.P.T. Bovend’Eert, Rechterlijke organisatie, rechters en rechtspraak, Alphen aan den Rijn: Kluwer, 2008, p. 299.
  32. Twijfels zijn er wel ten aanzien van de regeling van artikel 485 Wetboek van Strafvordering, dat regelt dat ook de mede-verdachten van het ambtsmisdrijf onder het forum privilegiatum vallen. Ook zij verliezen – reeds van oudsher - dus het recht op hoger beroep. Of dit ook onder het voorbehoud op artikel 14, vijfde lid, IVBPR valt, kan worden betwijfeld.
  33. J.T. Buijs, De Grondwet. Toelichting en kritiek, Deel II, Arnhem: Gouda Quint 1884, p. 453-454.Zie ook de toelichting van de regering bij het vervallen van dit artikel: Kamerstukken II 1979/80, 16 164 (R 1147), nr. 3, p. 7 (Nng VI, 152).
  34. Zie artikel 1 Wmv.
  35. Vergelijk artikel 483 Wetboek van Strafvordering.
  36. Denkbaar is om te stellen dat artikel 272 Sr ook in zichzelf een ‘ambtsmisdrijf’ betreft, hoewel het niet in de gelijknamige titel in het Wetboek van Strafrecht staat opgenomen. De grondwetgever volgt deze benadering niet maar somt alleen de relevante delicten uit de betreffende titels op. Kamerstukken II 1979/80, 16 164 (R 1147), nr. 3, p. 3 (Nng VI, 148).
  37. Tot nog toe menen het Hof Amsterdam en de Rechtbank Amsterdam dat dit niet het geval is.
  38. De Commissie-Schouten (2016) achtte het doorsturen van een onderzoeksdossier van het Openbaar Ministerie door het Presidium van de Tweede Kamer een alternatief voor dit vereiste.
  39. P. J. Oud, Het constitutioneel recht van het Koninkrijk der Nederlanden, Deel I, Zwolle: Tjeenk Willink 1967, p. 333-348.
  40. Commissie Prinsjesdagstukken, Publiek geheim, januari 2010, Bijlage bij: Kamerstukken II 2009/10, 32 173, nr. 2.
  41. De Kamerleden Tang (PvdA) en Voortman (GroenLinks) werden in 2009 en 2014 door hun fractievoorzitters ‘geschorst’ voor het lekken van respectievelijk de macro-economische verkenning en (achteraf onjuist) het lekken van de kandidaten voor de Nationale Ombudsman. Deze praktijk staat op gespannen voet met het lastverbod uit artikel 67, derde lid, van de Grondwet.
  42. Kamerstukken II 2015/16, 34 340, nr. 2 (verslag commissie van onderzoek ‘Commissie Schouten’).
  43. ‘Geen aangifte tegen Bomhoff’, NRC-Handelsblad 15 oktober 2003.
  44. Kamerstukken II 2002/03, 28 811, nr. 11.
  45. Normaliter is het gerechtshof in het rechtsgebied van de niet-vervolgende Officier van Justitie bevoegd. Artikel 13a Sv verklaart de procedure echter van mutatis mutandis toepassing op de feiten waarvan de Hoge Raad in eerste aanleg kennisneemt.
  46. Zie bijvoorbeeld HR 20 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2609 en HR 6 december 1985, ECLI:NL:HR:1985:AD3009, NJ 1986/244 m. nt. Th.W. van Veen.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    G. Boogaard en J. Uzman, Commentaar op artikel 119 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2017 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Ambtsmisdrijven

De berechting van ambtsmisdrijven begaan door leden van de kamers van de Staten-Generaal en door ministers en staatssecretarissen is opgedragen aan de Hoge Raad. Zowel de regering als de Tweede Kamer kan besluiten dat vervolging noodzakelijk is. De ambtsmisdrijven waar het om gaat zijn hoofdzakelijk opgenomen in de artikelen 355 en volgende van het Wetboek van Strafrecht. Daarin worden allerlei vormen van plichtsverzuim en frauduleus en onwettig handelen strafbaar gesteld. Ook het schenden van een ambtsgeheim of geheimhoudingsplicht behoort tot de ambtsmisdrijven.
 
De reële betekenis van deze grondwetsbepaling lijkt gering, aangezien er nog nooit vervolging wegens een ambtsmisdrijf is ingesteld tegen een kamerlid of bewindspersoon. Tegelijk is het principiële belang ervan groot: in een rechtsstaat zijn ook de hoogste politieke gezagsdragers gebonden aan de wet; misbruik van hun positie of bevoegdheden blijft niet ongestraft.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Ambtsmisdrijven

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Ambtsmisdrijven

Recente rechtspraak

Ambtsmisdrijven

Politiek

Ambtsmisdrijven

In oktober 2009 beschuldigde de PVV minister Van der Laan van het begaan van een ambtsmisdrijf. Dit omdat hij onvoldoende zou hebben geantwoord op de vragen die Kamerlid Fritsma stelde over de kosten van niet westerse allochten. 
Video
Blogs
IN DE WERELD
Blogs

Ambtsmisdrijven

In de wereld

Ambtsmisdrijven