CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • G. Leenknegt
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • A.A.L. Beers en K.T. Meijer
  • B.C. van Beers
  • B.M.J. van der Meulen
  • B.P. Vermeulen
  • B.W.N. de Waard
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • E.J. Janse de Jonge
  • E.J. Koops
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • F. Fleurke
  • F.C.M.A. Michiels
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx en A.C.M. Meuwese
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard en J. Uzman
  • G. Leenknegt
  • G. Overkleeft-Verburg
  • G. van der Schyff en B.M.J. van der Meulen
  • J. Kiewiet en G.F.M. van der Tang †
  • J. Uzman
  • J. Uzman en G. Boogaard
  • J.C.A. de Poorter
  • J.L.M. Gribnau en M.R.T Pauwels
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • J.W.A. Fleuren
  • K.T. Meijer
  • M. Adams
  • Mijke Houwerzijl & Nuna Zekic
  • Mijke Houwerzijl en Frank Vlemminx
  • P. Jacobs
  • S. Daniëls
  • S. Jellinghaus en E. Huisman
  • S.C. van Bijsterveld
  • S.C. van Bijsterveld en B.P. Vermeulen
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • T. Kooijmans
  • T. Peters
  • W. van der Woude
  • W.J.M. Voermans
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

HOOFDSTUK 1

Grondrechten

INLEIDING

Artikel 1 - Gelijke behandeling

Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Artikel 2 - Nederlandschap en vreemdelingen

  1. De wet regelt wie Nederlander is.
  2. De wet regelt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen.
  3. Uitlevering kan slechts geschieden krachtens verdrag. Verdere voorschriften omtrent uitlevering worden bij de wet gegeven.
  4. Ieder heeft het recht het land te verlaten, behoudens in de gevallen, bij de wet bepaald.

Artikel 3 - Gelijke benoembaarheid

Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.

Artikel 4 - Kiesrecht

Iedere Nederlander heeft gelijkelijk recht de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen alsmede tot lid van deze organen te worden verkozen, behoudens bij de wet gestelde beperkingen en uitzonderingen.

Artikel 5 - Petitierecht

Ieder heeft het recht verzoeken schriftelijk bij het bevoegd gezag in te dienen.

Artikel 6 - Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging

  1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 7 - Vrijheid van meningsuiting

  1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- of televisieuitzending.
  3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar regelen ter bescherming van de goede zeden.
  4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.

Artikel 8 - Recht tot vereniging

Het recht tot vereniging wordt erkend. Bij de wet kan dit recht worden beperkt in het belang van de openbare orde.

Artikel 9 - Recht tot vergadering en betoging

  1. Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 10 - Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer

  1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.
  2. De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens.
  3. De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.

Artikel 11 - Onaantastbaarheid van het lichaam

Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.

Artikel 12 - Binnentreden woning

  1. Het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen.
  2. Voor het binnentreden overeenkomstig het eerste lid zijn voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden vereist, behoudens bij de wet gestelde uitzonderingen.
  3. Aan de bewoner wordt zo spoedig mogelijk een schriftelijk verslag van het binnentreden verstrekt. Indien het binnentreden in het belang van de nationale veiligheid of dat van de strafvordering heeft plaatsgevonden, kan volgens bij de wet te stellen regels de verstrekking van het verslag worden uitgesteld. In de bij de wet te bepalen gevallen kan de verstrekking achterwege worden gelaten, indien het belang van de nationale veiligheid zich tegen verstrekking blijvend verzet.

Artikel 13 - Vertrouwelijke communicatie

  1. Het briefgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, op last van de rechter.
  2. Het telefoon- en telegraafgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, door of met machtiging van hen die daartoe bij de wet zijn aangewezen.

Artikel 14 - Onteigening

  1. Onteigening kan alleen geschieden in het algemeen belang en tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander naar bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.
  2. De schadeloosstelling behoeft niet vooraf verzekerd te zijn, wanneer in geval van nood onverwijld onteigening geboden is.
  3. In de gevallen bij of krachtens de wet bepaald bestaat recht op schadeloosstelling of tegemoetkoming in de schade, indien in het algemeen belang eigendom door het bevoegd gezag wordt vernietigd of onbruikbaar gemaakt of de uitoefening van het eigendomsrecht wordt beperkt.

Artikel 15 - Vrijheidsontneming

  1. Buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen.
  2. Hij aan wie anders dan op rechterlijk bevel zijn vrijheid is ontnomen, kan aan de rechter zijn invrijheidstelling verzoeken. Hij wordt in dat geval door de rechter gehoord binnen een bij de wet te bepalen termijn. De rechter gelast de onmiddellijke invrijheidstelling, indien hij de vrijheidsontneming onrechtmatig oordeelt.
  3. De berechting van hem aan wie met het oog daarop zijn vrijheid is ontnomen, vindt binnen een redelijke termijn plaats.
  4. Hij aan wie rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, kan worden beperkt in de uitoefening van grondrechten voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt.

Artikel 16 - Nulla poena

Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.

Artikel 17 - Wettelijk toegekende rechter

Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent.

Artikel 18 - Rechtsbijstand

  1. Ieder kan zich in rechte en in administratief beroep doen bijstaan.
  2. De wet stelt regels omtrent het verlenen van rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen.

Artikel 19 - Werkgelegenheid en arbeidskeuze

  1. Bevordering van voldoende werkgelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de rechtspositie van hen die arbeid verrichten en omtrent hun bescherming daarbij, alsmede omtrent medezeggenschap.
  3. Het recht van iedere Nederlander op vrije keuze van arbeid wordt erkend, behoudens de beperkingen bij of krachtens de wet gesteld.

Artikel 20 - Bestaanszekerheid

  1. De bestaanszekerheid der bevolking en spreiding van welvaart zijn voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de aanspraken op sociale zekerheid.
  3. Nederlanders hier te lande, die niet in het bestaan kunnen voorzien, hebben een bij de wet te regelen recht op bijstand van overheidswege.

Artikel 21 - Milieubescherming

De zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu.

Artikel 22 - Volksgezondheid en woongelegenheid

  1. De overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid.
  2. Bevordering van voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  3. Zij schept voorwaarden voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding.

Artikel 23 - Onderwijs

  1. Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.
  2. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.
  3. Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld.
  4. In elke gemeente wordt van overheidswege voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal openbare scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven, al dan niet in een openbare school.
  5. De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.
  6. Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.
  7. Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.
  8. De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten-Generaal.
HOOFDSTUK 2

Regering INLEIDING

Artikel 24 - Koningschap

Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau.

Artikel 25 - Erfopvolging

Het koningschap gaat bij overlijden van de Koning krachtens erfopvolging over op zijn wettige nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft, met plaatsvervulling volgens dezelfde regel. Bij gebreke van eigen nakomelingen gaat het koningschap op gelijke wijze over op de wettige nakomelingen eerst van zijn ouder, dan van zijn grootouder, in de lijn van erfopvolging, voor zover de overleden Koning niet verder bestaand dan in de derde graad van bloedverwantschap.

Artikel 26 - Status ongeboren kind Koning

Het kind, waarvan een vrouw zwanger is op het ogenblik van het overlijden van de Koning, wordt voor de erfopvolging als reeds geboren aangemerkt. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

Artikel 27 - Afstand koningschap

Afstand van het koningschap leidt tot erfopvolging overeenkomstig de regels in de voorgaande artikelen gesteld. Na de afstand geboren kinderen en hun nakomelingen zijn van de erfopvolging uitgesloten.

Artikel 28 - Afstand koningschap door huwelijk

  1. De Koning, een huwelijk aangaande buiten bij de wet verleende toestemming, doet daardoor afstand van het koningschap.
  2. Gaat iemand die het koningschap van de Koning kan beërven een zodanig huwelijk aan, dan is hij met de uit dit huwelijk geboren kinderen en hun nakomelingen van de erfopvolging uitgesloten.
  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake van een voorstel van wet, strekkende tot het verlenen van toestemming, in verenigde vergadering.

Artikel 29 - Uitsluiting troonopvolging

  1. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden daartoe nopen, kunnen bij een wet een of meer personen van de erfopvolging worden uitgesloten.

  2. Het voorstel daartoe wordt door of vanwege de Koning ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 30 - Benoemde Koning

  1. Wanneer vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal ontbreken, kan deze worden benoemd bij een wet. Het voorstel wordt door of vanwege de Koning ingediend. Na de indiening van het voorstel worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  2. Indien bij overlijden van de Koning of bij afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt, worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers komen binnen vier maanden na het overlijden of de afstand in verenigde vergadering bijeen ten einde te besluiten omtrent de benoeming van een Koning. Zij kunnen een opvolger alleen benoemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 31 - Erfopvolging benoemde koning

  1. Een benoemde Koning kan krachtens erfopvolging alleen worden opgevolgd door zijn wettige nakomelingen.

  2. De bepalingen omtrent de erfopvolging en het eerste lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op een benoemde opvolger, zolang deze nog geen Koning is.

Artikel 32 - Inhuldiging Koning

Nadat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen, wordt hij zodra mogelijk beëdigd en ingehuldigd in de hoofdstad Amsterdam in een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Hij zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt. De wet stelt nadere regels vast.

Artikel 33 - Koningschap en meerderjarigheid

De Koning oefent het koninklijk gezag eerst uit, nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

Artikel 34 - Ouderlijk gezag minderjarige Koning

De wet regelt het ouderlijk gezag en de voogdij over de minderjarige Koning en het toezicht daarop. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 35 - Buiten staat verklaring

  1. Wanneer de ministerraad van oordeel is dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, bericht hij dit onder overlegging van het daartoe gevraagde advies van de Raad van State aan de Staten-Generaal, die daarop in verenigde vergadering bijeenkomen.

  2. Delen de Staten-Generaal dit oordeel, dan verklaren zij dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen. Deze verklaring wordt bekend gemaakt op last van de voorzitter der vergadering en treedt terstond in werking.

  3. Zodra de Koning weer in staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, wordt dit bij de wet verklaard. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Terstond na de bekendmaking van deze wet hervat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag.

  4. De wet regelt zo nodig het toezicht over de persoon van de Koning indien hij buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 36 - Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag

De Koning kan de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk neerleggen en die uitoefening hervatten krachtens een wet, waarvan het voorstel door of vanwege hem wordt ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 37 - Uitoefening koninklijk gezag door regent

  1. Het koninklijk gezag wordt uitgeoefend door een regent:
    a. zolang de Koning de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt;
    b. indien een nog niet geboren kind tot het koningschap geroepen kan zijn;
    c. indien de Koning buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen;
    d. indien de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk heeft neergelegd;
    e. zolang na het overlijden van de Koning of na diens afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt.

  2. De regent wordt benoemd bij de wet. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  3. In de gevallen, genoemd in het eerste lid onder c en d, is de nakomeling van de Koning die zijn vermoedelijke opvolger is, van rechtswege regent indien hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

  4. De regent zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt, in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal. De wet geeft nadere regels omtrent het regentschap en kan voorzien in de opvolging en de vervanging daarin. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  5. Op de regent zijn de artikelen 35 en 36 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38 - Uitoefening koninklijk gezag door RvS

Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk gezag is voorzien, wordt dit uitgeoefend door de Raad van State.

Artikel 39 - Lidmaatschap koninklijk huis

De wet regelt, wie lid is van het koninklijk huis.

Artikel 40 - Uitkering koninklijk huis

  1. De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het Rijk uitkeringen naar regels bij de wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het koninklijk huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen.

  2. De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, zijn vrij van persoonlijke belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of zijn vermoedelijke opvolger krachtens erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van het koninklijk huis vrij van de rechten van successie, overgang en schenking. Verdere vrijdom van belasting kan bij de wet worden verleend.

  3. De kamers der Staten-Generaal kunnen voorstellen van in de vorige leden bedoelde wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 41 - Inrichting huis Koning

De Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis in.

Artikel 42 - Ministeriële verantwoordelijkheid

  1. De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.

  2. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.

Artikel 43 - Regering en ministers

De minister-president en de overige ministers worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.

Artikel 44 - Ministeries

  1. Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.

  2. Ook kunnen ministers worden benoemd die niet belast zijn met de leiding van een ministerie.

Artikel 45 - Ministerraad

  1. De ministers vormen te zamen de ministerraad.

  2. De minister-president is voorzitter van de ministerraad.

  3. De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid.

Artikel 46 - Staatssecretarissen

  1. Bij koninklijk besluit kunnen staatssecretarissen worden benoemd en ontslagen.

  2. Een staatssecretaris treedt in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister.

Artikel 47 - Ondertekening en contraseign

Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.

Artikel 48 - Ontslag en benoeming ministers

Het koninklijk besluit waarbij de minister-president wordt benoemd, wordt mede door hem ondertekend. De koninklijke besluiten waarbij de overige ministers en de staatssecretarissen worden benoemd of ontslagen, worden mede door de minister-president ondertekend.

Artikel 49 - Ambtseed minister en staatssecretaris

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de ministers en de staatssecretarissen bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.
HOOFDSTUK 3

Staten-Generaal INLEIDING

Artikel 50 - Vertegenwoordiging

De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk.

Artikel 51 - Eerste en Tweede Kamer

  1. De Staten-Generaal bestaan uit de Tweede Kamer en de Eerste Kamer.

  2. De Tweede Kamer bestaat uit honderdvijftig leden.

  3. De Eerste Kamer bestaat uit vijfenzeventig leden.

  4. Bij een verenigde vergadering worden de kamers als één beschouwd.

Artikel 52 - Zittingsduur

  1. De zittingsduur van beide kamers is vier jaren.
  2. Indien voor de provinciale staten bij de wet een andere zittingsduur dan vier jaren wordt vastgesteld, wordt daarbij de zittingsduur van de Eerste Kamer in overeenkomstige zin gewijzigd.

Artikel 53 - Evenredige vertegenwoordiging

  1. De leden van beide kamers worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  2. De verkiezingen worden gehouden bij geheime stemming.

Artikel 54 - Verkiezing Tweede Kamer

  1. De leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen ten aanzien van Nederlanders die geen ingezetenen zijn.

  2. Van het kiesrecht is uitgesloten hij die wegens het begaan van een daartoe bij de wet aangewezen delict bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste een jaar en hierbij tevens is ontzet van het kiesrecht.

Artikel 55 - Verkiezing Eerste Kamer

De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten. De verkiezing wordt, behoudens in geval van ontbinding der kamer, gehouden binnen drie maanden na de verkiezing van de leden van provinciale staten.

Artikel 56 - Vereisten voor lidmaatschap

Om lid van de Staten-Generaal te kunnen zijn is vereist dat men Nederlander is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.

Artikel 57 - Incompatibiliteiten

  1. Niemand kan lid van beide kamers zijn.

  2. Een lid van de Staten-Generaal kan niet tevens zijn minister, staatssecretaris, lid van de Raad van State, lid van de Algemene Rekenkamer, Nationale ombudsman of substituut-ombudsman, of lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij de Hoge Raad.

  3. Niettemin kan een minister of staatssecretaris, die zijn ambt ter beschikking heeft gesteld, dit ambt verenigen met het lidmaatschap van de Staten-Generaal, totdat omtrent die beschikbaarstelling is beslist.

  4. De wet kan ten aanzien van andere openbare betrekkingen bepalen dat zij niet gelijktijdig met het lidmaatschap van de Staten-Generaal of van een der kamers kunnen worden uitgeoefend.

Artikel 57a - Zwangerschap en ziekte

De wet regelt de tijdelijke vervanging van een lid van de Staten-Generaal wegens zwangerschap en bevalling, alsmede wegens ziekte.

Artikel 58 - Geloofsbrieven

Elke kamer onderzoekt de geloofsbrieven van haar nieuwbenoemde leden en beslist met inachtneming van bij de wet te stellen regels de geschillen welke met betrekking tot de geloofsbrieven of de verkiezing zelf rijzen.

Artikel 59 - Kiesrecht en verkiezingen

Alles, wat verder het kiesrecht en de verkiezingen betreft, wordt bij de wet geregeld.

Artikel 60 - Ambtsaanvaarding

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de leden van de kamers bij de aanvaarding van hun ambt in de vergadering een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

Artikel 61 - Voorzitter en griffier

  1. Elk der kamers benoemt uit de leden een voorzitter.

  2. Elk der kamers benoemt een griffier. Deze en de overige ambtenaren van de kamers kunnen niet tevens lid van de Staten-Generaal zijn.

Artikel 62 - Verenigde vergadering

De voorzitter van de Eerste Kamer heeft de leiding van de verenigde vergadering.

Artikel 63 - Geldelijke voorzieningen

Geldelijke voorzieningen ten behoeve van leden en gewezen leden van de Staten-Generaal en van hun nabestaanden worden bij de wet geregeld. De kamers kunnen een voorstel van wet ter zake alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 64 - Ontbinding Kamers

  1. Elk der kamers kan bij koninklijk besluit worden ontbonden.

  2. Het besluit tot ontbinding houdt tevens de last in tot een nieuwe verkiezing voor de ontbonden kamer en tot het samenkomen van de nieuw gekozen kamer binnen drie maanden.

  3. De ontbinding gaat in op de dag waarop de nieuw gekozen kamer samenkomt.

  4. De wet stelt de zittingsduur van een na ontbinding optredende Tweede Kamer vast; de termijn mag niet langer zijn dan vijf jaren. De zittingsduur van een na ontbinding optredende Eerste Kamer eindigt op het tijdstip waarop de zittingsduur van de ontbonden kamer zou zijn geëindigd.

Artikel 65 - Troonrede

Jaarlijks op de derde dinsdag van september of op een bij de wet te bepalen eerder tijdstip wordt door of namens de Koning in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal een uiteenzetting van het door de regering te voeren beleid gegeven.

Artikel 66 - Openbaarheid vergaderingen

  1. De vergaderingen van de Staten-Generaal zijn openbaar.

  2. De deuren worden gesloten, wanneer een tiende deel van het aantal aanwezige leden het vordert of de voorzitter het nodig oordeelt.

  3. Door de kamer, onderscheidenlijk de kamers in verenigde vergadering, wordt vervolgens beslist of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd en besloten.

Artikel 67 - Quorum

  1. De kamers mogen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering alleen beraadslagen of besluiten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden ter vergadering aanwezig is.

  2. Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen.

  3. De leden stemmen zonder last.

  4. Over zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, wanneer één lid dit verlangt.

Artikel 68 - Inlichtingenplicht bewindslieden

De ministers en de staatssecretarissen geven de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat.

Artikel 69 - Aanwezigheid bewindslieden

  1. De ministers en de staatssecretarissen hebben toegang tot de vergaderingen en kunnen aan de beraadslaging deelnemen.

  2. Zij kunnen door de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn.

  3. Zij kunnen zich in de vergaderingen doen bijstaan door de personen, daartoe door hen aangewezen.

Artikel 70 - Recht van enquête

Beide kamers hebben, zowel ieder afzonderlijk als in verenigde vergadering, het recht van onderzoek (enquête), te regelen bij de wet.

Artikel 71 - Parlementaire onschendbaarheid

De leden van de Staten-Generaal, de ministers, de staatssecretarissen en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging, kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergaderingen van de Staten-Generaal of van commissies daaruit hebben gezegd of aan deze schriftelijk hebben overgelegd.

Artikel 72 - Reglement van orde

De kamers stellen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering een reglement van orde vast.

HOOFDSTUK 4

Adviesorganen INLEIDING

Artikel 73 - Taak Raad van State

  1. De Raad van State of een afdeling van de Raad wordt gehoord over voorstellen van wet en ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur, alsmede over voorstellen tot goedkeuring van verdragen door de Staten-Generaal. In bij de wet te bepalen gevallen kan het horen achterwege blijven.

  2. De Raad of een afdeling van de Raad is belast met het onderzoek van de geschillen van bestuur die bij koninklijk besluit worden beslist en draagt de uitspraak voor.

  3. De wet kan aan de Raad of een afdeling van de Raad de uitspraak in geschillen van bestuur opdragen.

Artikel 74 - Rechtspositie leden

  1. De Koning is voorzitter van de Raad van State. De vermoedelijke opvolger van de Koning heeft na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar van rechtswege zitting in de Raad. Bij of krachtens de wet kan aan andere leden van het koninklijk huis zitting in de Raad worden verleend.

  2. De leden van de Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  3. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  4. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Raad worden geschorst of ontslagen.

  5. De wet regelt overigens hun rechtspositie

Artikel 75 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Raad van State.

  2. Bij de wet kunnen aan de Raad of een afdeling van de Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 76 - Algemene rekenkamer

De Algemene Rekenkamer is belast met het onderzoek van de ontvangsten en uitgaven van het Rijk.

Artikel 77 - Rechtpositie leden rekenkamer

  1. De leden van de Algemene Rekenkamer worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Hoge Raad worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 78 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Algemene Rekenkamer.

  2. Bij de wet kunnen aan de Algemene Rekenkamer ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 78a - Nationale ombudsman

  1. De Nationale ombudsman verricht op verzoek of uit eigen beweging onderzoek naar gedragingen van bestuursorganen van het Rijk en van andere bij of krachtens de wet aangewezen bestuursorganen.
  2. De Nationale ombudsman en een substituut-ombudsman worden voor een bij de wet te bepalen termijn benoemd door de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Tweede Kamer der Staten-Generaal worden geschorst of ontslagen. De wet regelt overigens hun rechtspositie.
  3. De wet regelt de bevoegdheid en werkwijze van de Nationale ombudsman.
  4. Bij of krachtens de wet kunnen aan de Nationale ombudsman ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 79 - Vaste colleges van advies

  1. Vaste colleges van advies in zaken van wetgeving en bestuur van het Rijk worden ingesteld bij of krachtens de wet.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van deze colleges.

  3. Bij of krachtens de wet kunnen aan deze colleges ook andere dan adviserende taken worden opgedragen.

Artikel 80 - Openbaarmaking advies

  1. De adviezen van de in dit hoofdstuk bedoelde colleges worden openbaar gemaakt volgens regels bij de wet te stellen.

  2. Adviezen, uitgebracht ter zake van voorstellen van wet die door of vanwege de Koning worden ingediend, worden, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen, aan de Staten-Generaal overgelegd.

HOOFDSTUK 5

Wetgeving en bestuur INLEIDING

Artikel 81 - Wetgevende macht

De vaststelling van wetten geschiedt door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk.

Artikel 82 - Indienen wetsvoorstel

  1. Voorstellen van wet kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Voorstellen van wet waarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en, voor zover de betreffende artikelen van hoofdstuk 2 dit toelaten, door de verenigde vergadering.

  3. Voorstellen van wet, in te dienen door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering, worden bij haar door een of meer leden aanhangig gemaakt.

Artikel 83 - Toezending wetsvoorstel TK

Voorstellen van wet, ingediend door of vanwege de Koning, worden gezonden aan de Tweede Kamer of, indien daarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, aan deze vergadering.

Artikel 84 - Wijziging wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet, ingediend door of vanwege de Koning, niet door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering is aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en vanwege de regering worden gewijzigd.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden gewijzigd.

Artikel 85 - Toezending wetsvoorstel EK

Zodra de Tweede Kamer een voorstel van wet heeft aangenomen of tot indiening van een voorstel heeft besloten, zendt zij het aan de Eerste Kamer, die het voorstel overweegt zoals het door de Tweede Kamer aan haar is gezonden. De Tweede Kamer kan een of meer van haar leden opdragen een door haar ingediend voorstel in de Eerste Kamer te verdedigen.

Artikel 86 - Intrekking wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet niet door de Staten-Generaal is aangenomen, kan het door of vanwege de indiener worden ingetrokken.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden ingetrokken.

Artikel 87 - Aanneming en bekrachtiging

  1. Een voorstel wordt wet, zodra het door de Staten-Generaal is aangenomen en door de Koning is bekrachtigd.

  2. De Koning en de Staten-Generaal geven elkaar kennis van hun besluit omtrent enig voorstel van wet.

Artikel 88 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de wetten. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 89 - Algemene maatregel van bestuur

  1. Algemene maatregelen van bestuur worden bij koninklijk besluit vastgesteld.

  2. Voorschriften, door straffen te handhaven, worden daarin alleen gegeven krachtens de wet. De wet bepaalt de op te leggen straffen.

  3. De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de algemene maatregelen van bestuur. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

  4. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op andere vanwege het Rijk vastgestelde algemeen verbindende voorschriften.

Artikel 90 - Bevordering internationale rechtsorde

De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde.

Artikel 91 - Goedkeuring verdrag

  1. Het Koninkrijk wordt niet aan verdragen gebonden en deze worden niet opgezegd zonder voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. De wet bepaalt de gevallen waarin geen goedkeuring is vereist.

  2. De wet bepaalt de wijze waarop de goedkeuring wordt verleend en kan voorzien in stilzwijgende goedkeuring.

  3. Indien een verdrag bepalingen bevat welke afwijken van de Grondwet dan wel tot zodanig afwijken noodzaken, kunnen de kamers de goedkeuring alleen verlenen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 92 - Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties

Met inachtneming, zo nodig, van het bepaalde in artikel 91, derde lid, kunnen bij of krachtens verdrag aan volkenrechtelijke organisaties bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak worden opgedragen.

Artikel 93 - Verbindende kracht verdrag

Bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 94 - Verdrag boven wet

Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 95 - Bekendmaking verdrag

De wet geeft regels omtrent de bekendmaking van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 96 - Oorlogsverklaring

  1. Het Koninkrijk wordt niet in oorlog verklaard dan na voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal.

  2. De toestemming is niet vereist, wanneer het overleg met de Staten-Generaal ten gevolge van een feitelijk bestaande oorlogstoestand niet mogelijk is gebleken.

  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  4. Het bepaalde in het eerste en het derde lid is van overeenkomstige toepassing voor een verklaring dat een oorlog beëindigd is.

Artikel 97 - Krijgsmacht

  1. Ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk, alsmede ten behoeve van de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde, is er een krijgsmacht.

  2. De regering heeft het oppergezag over de krijgsmacht.

Artikel 98 - Samenstelling krijgsmacht

  1. De krijgsmacht bestaat uit vrijwillig dienenden en kan mede bestaan uit dienstplichtigen.

  2. De wet regelt de verplichte militaire dienst en de bevoegdheid tot opschorting van de oproeping in werkelijke dienst.

Artikel 99 - Gewetensbezwaren militaire dienst

De wet regelt vrijstelling van militaire dienst wegens ernstige gewetensbezwaren.

Artikel 99a - Civiele verdediging

Volgens bij de wet te stellen regels kunnen plichten worden opgelegd ten behoeve van de civiele verdediging.

Artikel 100 - Inlichtingen over krijgsmacht

  1. De regering verstrekt de Staten-Generaal vooraf inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. Daaronder is begrepen het vooraf verstrekken van inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht voor humanitaire hulpverlening in geval van gewapend conflict.

  2. Het eerste lid geldt niet, indien dwingende redenen het vooraf verstrekken van inlichtingen verhinderen. In dat geval worden inlichtingen zo spoedig mogelijk verstrekt.

Artikel 101 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 20 juli 1995

Artikel 102 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 22 juni 2000

Artikel 103 - Uitzonderingstoestand

  1. De wet bepaalt in welke gevallen ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid bij koninklijk besluit een door de wet als zodanig aan te wijzen uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd; zij regelt de gevolgen.

  2. Daarbij kan worden afgeweken van de grondwetsbepalingen inzake de bevoegdheden van de besturen van provincies, gemeenten en waterschappen, van de grondrechten geregeld in de artikelen 6, voor zover dit de uitoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen van het in dit artikel omschreven recht betreft, 7, 8, 9, 12, tweede en derde lid, en 13, alsmede van artikel 113, eerste en derde lid.

  3. Terstond na de afkondiging van een uitzonderingstoestand en voorts, zolang deze niet bij koninklijk besluit is opgeheven, telkens wanneer zij zulks nodig oordelen beslissen de Staten-Generaal omtrent het voortduren daarvan; zij beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 104 - Belastingheffing

Belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet. Andere heffingen van het Rijk worden bij de wet geregeld.

 
 

Artikel 105 - Recht van begroting

  1. De begroting van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt bij de wet vastgesteld.

  2. Jaarlijks worden voorstellen van algemene begrotingswetten door of vanwege de Koning ingediend op het in artikel 65 bedoelde tijdstip.

  3. De verantwoording van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt aan de Staten-Generaal gedaan overeenkomstig de bepalingen van de wet. De door de Algemene Rekenkamer goedgekeurde rekening wordt aan de Staten-Generaal overgelegd.

  4. De wet stelt regels omtrent het beheer van de financiën van het Rijk.

Artikel 106 - Geldstelsel

De wet regelt het geldstelsel.

Artikel 107 - Codificatie

  1. De wet regelt het burgerlijk recht, het strafrecht en het burgerlijk en strafprocesrecht in algemene wetboeken, behoudens de bevoegdheid tot regeling van bepaalde onderwerpen in afzonderlijke wetten.

  2. De wet stelt algemene regels van bestuursrecht vast.

Artikel 108 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 25 februari 1999

Artikel 109 - Rechtspositie ambtenaren

De wet regelt de rechtspositie van de ambtenaren. Zij stelt tevens regels omtrent hun bescherming bij de arbeid en omtrent medezeggenschap.

 

Artikel 110 - Openbaarheid van bestuur

De overheid betracht bij de uitvoering van haar taak openbaarheid volgens regels bij de wet te stellen.

 

Artikel 111 - Ridderorden

Ridderorden worden bij de wet ingesteld.
HOOFDSTUK 6

Rechtspraak INLEIDING

Artikel 112 - Civiele en administratieve rechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is opgedragen de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen.

  2. De wet kan de berechting van geschillen die niet uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, opdragen hetzij aan de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren. De wet regelt de wijze van behandeling en de gevolgen van de beslissingen.

Artikel 113 - Strafrechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van strafbare feiten.

  2. Tuchtrechtspraak door de overheid ingesteld wordt bij de wet geregeld.

  3. Een straf van vrijheidsontneming kan uitsluitend door de rechterlijke macht worden opgelegd.

  4. Voor berechting buiten Nederland en voor het oorlogsstrafrecht kan de wet afwijkende regels stellen.

Artikel 114 - Doodstraf

De doodstraf kan niet worden opgelegd.

Artikel 115 - Administratief beroep

Ten aanzien van de in artikel 112, tweede lid, bedoelde geschillen kan administratief beroep worden opengesteld.

Artikel 116 - Rechterlijke macht

  1. De wet wijst de gerechten aan die behoren tot de rechterlijke macht.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de rechterlijke macht.

  3. De wet kan bepalen, dat aan rechtspraak door de rechterlijke macht mede wordt deelgenomen door personen die niet daartoe behoren.

  4. De wet regelt het toezicht door leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast uit te oefenen op de ambtsvervulling door zodanige leden en door de personen bedoeld in het vorige lid.

Artikel 117 - Rechtspositie leden rechterlijke macht

  1. De leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal bij de Hoge Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet bepaald kunnen zij door een bij de wet aangewezen, tot de rechterlijke macht behorend gerecht worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 118 - Hoge Raad

  1. De leden van de Hoge Raad der Nederlanden worden benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. De Hoge Raad is in de gevallen en binnen de grenzen bij de wet bepaald, belast met de cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van het recht.

  3. Bij de wet kunnen aan de Hoge Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 119 - Ambtsmisdrijven

De leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreden terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.

Artikel 120 - Toetsingsverbod

De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.

Artikel 121 - Openbaarheid terechtzittingen

Met uitzondering van de gevallen bij de wet bepaald vinden de terechtzittingen in het openbaar plaats en houden de vonnissen de gronden in waarop zij rusten. De uitspraak geschiedt in het openbaar.

Artikel 122 - Gratie

  1. Gratie wordt verleend bij koninklijk besluit na advies van een bij de wet aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.

  2. Amnestie wordt bij of krachtens de wet verleend.

HOOFDSTUK 7

Decentralisatie INLEIDING

Artikel 123 - Instelling provincies en gemeenten

  1. Bij de wet kunnen provincies en gemeenten worden opgeheven en nieuwe ingesteld.

  2. De wet regelt de wijziging van provinciale en gemeentelijke grenzen.

Artikel 124 - Autonomie en medebewind

  1. Voor provincies en gemeenten wordt de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake hun huishouding aan hun besturen overgelaten.

  2. Regeling en bestuur kunnen van de besturen van provincies en gemeenten worden gevorderd bij of krachtens de wet.

Artikel 125 - Organen decentrale besturen

  1. Aan het hoofd van de provincie en de gemeente staan provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad. Hun vergaderingen zijn openbaar, behoudens bij de wet te regelen uitzonderingen.

  2. Van het bestuur van de provincie maken ook deel uit gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning, van het bestuur van de gemeente het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester.

Artikel 126 - Ambtsinstructie commissaris koning

Bij de wet kan worden bepaald, dat de commissaris van de Koning wordt belast met de uitvoering van een door de regering te geven ambtsinstructie.

Artikel 127 - Vaststelling verordening

Provinciale staten en de gemeenteraad stellen, behoudens bij de wet of door hen krachtens de wet te bepalen uitzonderingen, de provinciale onderscheidenlijk de gemeentelijke verordeningen vast.

Artikel 128 - Toekenning bevoegdheden

Behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 123, kan de toekenning van bevoegdheden, als bedoeld in artikel 124, eerste lid, aan andere organen dan die, genoemd in artikel 125, alleen door provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad geschieden.

Artikel 129 - Verkiezing vertegenwoordigend orgaan

  1. De leden van provinciale staten en van de gemeenteraad worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders, tevens ingezetenen van de provincie onderscheidenlijk de gemeente, die voldoen aan de vereisten die gelden voor de verkiezing van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Voor het lidmaatschap gelden dezelfde vereisten.
  2. De leden worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  3. De artikelen 53, tweede lid, en 59 zijn van toepassing. Artikel 57a is van overeenkomstige toepassing.
  4. De zittingsduur van provinciale staten en de gemeenteraad is vier jaren, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen.
  5. De wet bepaalt welke betrekkingen niet gelijktijdig met het lidmaatschap kunnen worden uitgeoefend. De wet kan bepalen, dat beletselen voor het lidmaatschap voortvloeien uit verwantschap of huwelijk en dat het verrichten van bij de wet aangewezen handelingen tot het verlies van het lidmaatschap kan leiden.
  6. De leden stemmen zonder last.

Artikel 130 - Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders

De wet kan het recht de leden van de gemeenteraad te kiezen en het recht lid van de gemeenteraad te zijn toekennen aan ingezetenen, die geen Nederlander zijn, mits zij tenminste voldoen aan de vereisten die gelden voor ingezetenen die tevens Nederlander zijn.

Artikel 131 - Benoeming commissaris Koning

De commissaris van de Koning en de burgemeester worden bij koninklijk besluit benoemd.

Artikel 132 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen

  1. De wet regelt de inrichting van provincies en gemeenten, alsmede de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen.

  2. De wet regelt het toezicht op deze besturen.

  3. Besluiten van deze besturen kunnen slechts aan voorafgaand toezicht worden onderworpen in bij of krachtens de wet te bepalen gevallen.

  4. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden bij koninklijk besluit wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

  5. De wet regelt de voorzieningen bij in gebreke blijven ten aanzien van regeling en bestuur, gevorderd krachtens artikel 124, tweede lid. Bij de wet kunnen met afwijking van de artikelen 125 en 127 voorzieningen worden getroffen voor het geval het bestuur van een provincie of een gemeente zijn taken grovelijk verwaarloost.

  6. De wet bepaalt welke belastingen door de besturen van provincies en gemeenten kunnen worden geheven en regelt hun financiële verhouding tot het Rijk.

Artikel 133 - Waterschappen

  1. De opheffing en instelling van waterschappen, de regeling van hun taken en inrichting, alsmede de samenstelling van hun besturen, geschieden volgens bij de wet te stellen regels bij provinciale verordening, voor zover bij of krachtens de wet niet anders is bepaald.

  2. De wet regelt de verordenende en andere bevoegdheden van de besturen van de waterschappen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen.

  3. De wet regelt het provinciale en overige toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 134 - Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

  1. Bij of krachtens de wet kunnen openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere openbare lichamen worden ingesteld en opgeheven.

  2. De wet regelt de taken en de inrichting van deze openbare lichamen, de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen. Bij of krachtens de wet kan aan hun besturen verordenende bevoegdheid worden verleend.

  3. De wet regelt het toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 135 - Gemeenschappelijke regelingen

De wet geeft regels ter voorziening in zaken waarbij twee of meer openbare lichamen zijn betrokken. Daarbij kan in de instelling van een nieuw openbaar lichaam worden voorzien, in welk geval artikel 134, tweede en derde lid, van toepassing is.

Artikel 136 - Geschillen

De geschillen tussen openbare lichamen worden bij koninklijk besluit beslist, tenzij deze behoren tot de kennisneming van de rechterlijke macht of hun beslissing bij de wet aan anderen is opgedragen.
HOOFDSTUK 8

Herziening grondwet INLEIDING

Artikel 137 - Grondwetswijziging

  1. De wet verklaart, dat een verandering in de Grondwet, zoals zij die voorstelt, in overweging zal worden genomen.

  2. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, een voorstel voor zodanige wet splitsen.

  3. Na de bekendmaking van de wet, bedoeld in het eerste lid, wordt de Tweede Kamer ontbonden.

  4. Nadat de nieuwe Tweede Kamer is samengekomen, overwegen beide kamers in tweede lezing het voorstel tot verandering, bedoeld in het eerste lid. Zij kunnen dit alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  5. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen een voorstel tot verandering splitsen.

Artikel 138 - Aanpassing niet gewijzigde bepalingen

  1. Voordat de in tweede lezing aangenomen voorstellen tot verandering in de Grondwet door de Koning worden bekrachtigd, kunnen bij de wet:

    a. de aangenomen voorstellen en de ongewijzigd gebleven bepalingen van de Grondwet voor zoveel nodig aan elkaar worden aangepast;

    b. de indeling in en de plaats van hoofdstukken, paragrafen en artikelen, alsmede de opschriften worden gewijzigd.

  2. Een voorstel van wet, houdende voorzieningen als bedoeld in het eerste lid onder a, kunnen de kamers alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 139 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De veranderingen in de Grondwet, door de Staten-Generaal aangenomen en door de Koning bekrachtigd, treden terstond in werking, nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 140 - Handhaving bestaande regelgeving

Bestaande wetten en andere regelingen en besluiten die in strijd zijn met een verandering in de Grondwet, blijven gehandhaafd, totdat daarvoor overeenkomstig de Grondwet een voorziening is getroffen.

Artikel 141 - Bekendmaking herziene Grondwet

De tekst van de herziene Grondwet wordt bij koninklijk besluit bekendgemaakt, waarbij hoofdstukken, paragrafen en artikelen kunnen worden vernummerd en verwijzingen dienovereenkomstig kunnen worden veranderd.

Artikel 142 - Aanpassing Grondwet aan Statuut

De Grondwet kan bij de wet met het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in overeenstemming worden gebracht. De artikelen 139, 140 en141 zijn van overeenkomstige toepassing.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

G. Boogaard

ARTIKEL 116 - Rechterlijke macht

INHOUD
1.      Historische ontwikkeling en actuele betekenis
2.      Het begrip ‘rechterlijke macht’
3.      Institutionele onafhankelijkheid van de rechterlijke
         macht
4.      Jury’s en lekenrechtspraak
5.      Historische versies
6.      Literatuur

Editie maart 2016
 

1.   Historische ontwikkeling en actuele betekenis

Van oudsher bevatte de Nederlandse Grondwet een regeling waarin de rechterlijke macht als overheidsfunctie (naast de wetgevende macht en de uitvoerende macht) werd opgedragen aan het orgaancomplex rechterlijke macht. Vroeger werd daarbij ook voorzien in de hoofdstructuur van de gewone rechterlijke macht: rechtbanken, gerechtshoven en Hoge Raad.[1]De grondwetsherziening van 1983 maakte hieraan een einde, omdat, zoals de Staatscommissie Cals/Donner dat uitdrukte, ‘de aan de trias politica-leer herinnerende functionele onderscheiding tussen wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht weinig bijdraagt onder de huidige verhoudingen tot verduidelijking van de staatsrechtelijke structuur’.[2]In de tegenwoordige Grondwet heeft het begrip rechterlijke macht daarom primair de institutionele betekenis uit artikel 116, eerste lid, Grondwet: een verzameling gerechten. Welke gerechten dat precies zijn, is verder volledig aan de formele wetgever. ‘Rechterlijke macht’ werd in 1983 eigenlijk een predikaat[3]dat de wetgever aan rechtsprekende instanties kan toekennen.

De keuze om het begrip rechterlijke macht af te doen met een institutioneel competentievoorschrift, werd ingegeven door de wens vooral niet in de weg te lopen. De regering was met name beducht enige constitutionele ‘hinderpaal’ te codificeren voor de verdere erkenning van de bestuursrechtspraak en de integratie van bestuursrechters in de (gewone) rechterlijke macht.[4]De consequentie van deze wens is dat de Grondwet niet meer waarborgt dat de typische rechtspraak (burengeschillen en strafzaken) bij de gewone rechterlijke macht behoort te blijven. Naar de tekst genomen, is het niet meer verboden dat de wetgever op een dag besluit de Kiesraad officieel tot rechterlijke macht te promoveren, de leden ervan voor het leven te benoemen en hen vervolgens met de berechting van strafbare feiten te belasten. Deze consequentie is onder ogen gezien, maar dergelijke wensen werden dermate onwaarschijnlijk geacht dat ertegen geen voorziening behoefde te worden getroffen.[5]De terechte vraag bij dit soort redeneringen blijft altijd of de Grondwet niet alleen gewenste ontwikkelingen moet faciliteren, maar juist ook waarborgen moet bevatten tegen onwaarschijnlijke doch ongewenste situaties.[6]

Artikel 116 Grondwet heeft wel een waarborgfunctie binnen de zogenaamde institutionele onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, met name ten opzichte van de regering. Het is immers specifiek de wetgever die telkens de opdracht of de mogelijkheid krijgt om de rechterlijke organisatie met algemene regels te regelen. Weliswaar maakt de Grondwet juridisch-technisch gezien delegatie mogelijk doordat het tweede lid het werkwoord ‘regelen’ vervoegt, maar juist gezien de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht als constitutioneel beginsel, geldt hier grote terughoudendheid. Een bevoegdheid aan de minister delegeren, bijvoorbeeld, om in te grijpen in het takenpakket van een specifieke rechtbankpresident of in de details van de financiering van een individuele rechtbank, zou in strijd komen met de institutionele onafhankelijkheid uit artikel 116 Grondwet. De rechterlijke macht mag alleen met algemene regels en betrokkenheid van de volksvertegenwoordiging worden geregeld. Dit soort kwesties speelt tegenwoordig ten aanzien van de Raad voor de Rechtspraak. Hoewel deze Raad juist ook bedoeld is als buffer tussen het Ministerie van Veiligheid en Justitie en de rechterlijke macht, vallen er onder artikel 116 Grondwet de nodige kanttekeningen te plaatsen bij ingrijpende bestuur- en beheersbevoegdheden van de Raad.[7]Zie voor de institutionele onafhankelijkheid verder hieronder, bij nummer 3.
 

2.   Het begrip ‘rechterlijke macht’

De rechterlijke macht in de zin van de Grondwet valt uiteen in door de wetgever aan te wijzen ‘gerechten’ (eerste lid) en – kennelijk – in ‘leden’. Artikel 116, vierde lid, spreekt van leden van de rechterlijke macht ‘met rechtspraak belast’ – daarmee verwijzend naar leden van de rechterlijke macht die niet met rechtspraak zijn belast. Dat zijn met name de leden van het Openbaar Ministerie (ook wel de staande magistratuur genoemd) maar de griffier van de Hoge Raad is ook een lid van de rechterlijke macht, niet met rechtspraak belast. De meeste waarborgen gelden uiteraard voor de leden van de rechterlijke macht die met rechtspraak zijn belast, zie artikel 117 Grondwet. Om hier het beeld compleet te maken: de leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast zijn niet alleen met rechtspraak belast. Zij houden zich in voorkomende gevallen tevens bezig met zogenaamde ‘voluntaire jurisdictie’: bevoegdheden met een meer bestuurlijk karakter die om bijzondere redenen toch aan de rechterlijke macht zijn opgedragen, zoals de benoeming van een curator. Ten slotte kent de Grondwet in artikel 116, derde lid, ook nog niet-leden van de rechterlijke macht die wel met rechtspraak zijn belast: de lekenrechters. Zie voor deze ‘personen met rechtspraak belast’ hieronder, bij nummer 4.

De tekst van de Grondwet laat, zoals gezegd, de wetgever in beginsel vrij om te bepalen welk gerecht zich onderdeel van de rechterlijke macht mag noemen. Daarbij en daarmee had de grondwetgever echter wel een bedoeling en een verwachting. De verwachting was dat de rechtbanken, gerechtshoven en Hoge Raad ook officieel rechterlijke macht zouden blijven. De bedoeling was dat de wetgever daarnaast alle andere ‘rechterlijke instanties die binnen onze rechtsorde duurzaam een rechterlijke taak vervullen’ zou gaan aanwijzen als gerechten van de rechterlijke macht.[8]De fractie van D66 vond deze werkwijze eigenlijk een vorm van ‘wetgeving bij Memorie van Toelichting,’[9]maar dat verwijt wierp de regering verre van zich. Het was eenvoudig ‘aan te nemen’ dat de wetgever alle rechtspraak op termijn het predikaat rechterlijke macht zou verlenen.’[10]Ondertussen maakt de parlementaire gedachtewisseling niet heel duidelijk wanneer iets een rechterlijke instantie is die duurzaam met een rechterlijke taak is belast. Daarvoor zijn materiele definities van ‘rechterlijke instantie’ en ‘rechterlijke taak’ vereist, en die heeft de grondwetgever niet gegeven. De genoemde voorbeelden verhelderen mogelijk nog enigszins. Van de Kiesraad meende de regering dat die wel incidenteel maar onvoldoende duurzaam een rechterlijke taak vervult.[11]Een rechterlijke instantie was de Kiesraad vervolgens wel, omdat het orgaan een ‘niet tot het bestuur behorende instantie’ is.[12]Het seponeren van een strafzaak door het Openbaar Ministerie was daarentegen dan weer geen voorbeeld van de uitoefening van een rechterlijke taak.[13]

In artikel 2 Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO) wijst de wetgever de gerechten aan die tot de rechterlijke macht behoren: de rechtbanken, de gerechtshoven en de Hoge Raad. De verwachting van de grondwetgever is dus uitgekomen. De wetgever heeft niet van de gelegenheid gebruik gemaakt om de boel radicaal om te gooien. De bedoeling van de grondwetgever is evenwel maar beperkt gerealiseerd. Weliswaar is de bestuursrechtspraak in eerste aanleg voor het overgrote deel geïntegreerd in de rechtbanken van de gewone rechterlijke macht, maar alleen in fiscale zaken wordt het hoger beroep daartegen ook binnen de rechterlijke macht afgedaan. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (algemeen bestuursrecht, omgevingsrecht, vreemdelingenzaken), de Centrale Raad van Beroep (sociale zekerheid, ambtenarenrecht) en het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (economisch bestuursrecht) zijn onmiskenbaar rechterlijke instanties, duurzaam met een rechterlijke taak belast. Toch zijn ze door de wetgever in de afgelopen 25 jaar niet onder het begrip rechterlijke macht gebracht. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft zich zelfs buiten de Raad voor de Rechtspraak weten te houden. Plannen om één en ander te veranderen zijn er wel met regelmaat geweest.[14]Het meest recente plan is een wetsvoorstel[15] tot afschaffing van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven, onder overheveling van hun taken naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Daarmee blijft het rechtspraak buiten de rechterlijke macht. Dat geldt niet voor de Centrale Raad van Beroep, die in het voorstel ook wordt opgeheven. Hun taken zouden moeten worden verdeeld over de vier gerechtshoven van de gewone rechterlijke macht. De rechters van de Centrale Raad verzetten zich stevig tegen dit voornemen en hebben een alternatief geformuleerd: omvorming van de Centrale Raad tot een specialistisch gerechtshof binnen de gewone rechterlijke macht.[16]Dat voorstel correspondeert veel beter met de bedoeling van de grondwetgever van 1983 om de gerechten die duurzaam aan bestuursrechtspraak doen, in de rechterlijke macht onder te brengen.

3.   Institutionele onafhankelijkheid van de
      rechterlijke macht

Het codificatieartikel, tegenwoordig artikel 107 Grondwet, bevat nog altijd een verplichting voor de wetgever om het strafprocesrecht, het civiel procesrecht en het bestuursprocesrecht in algemene zin te regelen. Vóór 1983 hoorde daar de wetgevingsplicht bij om de inrichting van de rechterlijke macht met een algemeen wetboek te regelen. In 1983 is daarvoor het huidige artikel 116, tweede lid, Grondwet gekomen. Deze historische achtergrond maakt dat de regeling van de rechterlijke organisatie niet alleen een bevoegdheid van de formele wetgever is, maar ook zijn opdracht. In het licht van de institutionele onafhankelijkheid van de rechterlijke macht (de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht als instituut), met name ten opzichte van de regering, is het bovendien van bijzonder gewicht dat de wetgever zélf de rechterlijke organisatie met algemene regels regelt. Beide omstandigheden kleuren de omvang van de delegatiebevoegdheid uit artikel 116, tweede lid, Grondwet. Net als bij artikel 23 Grondwet (recht op en vrijheid van onderwijs) en artikel 104 Grondwet (belastingen worden geheven ‘uit kracht van een wet’) mag de grondwettelijke delegatieterminologie bij dit artikel evenmin onverkort worden toegepast. Er gelden specifieke beperkingen.[17]Het ware beter geweest als de grondwetgever dit duidelijker had aangegeven door ook in artikel 116 de woorden ‘uit kracht van wet’ te gebruiken.

Allereerst moet een beperking worden aangenomen ten aanzien van de delegatie (of attributie) van rechtsprekende bevoegdheden aan decentrale organen. Als typische functie van de centrale overheid is gedecentraliseerde rechtspraak uitgesloten. Er kunnen wel bijzondere opsporingsambtenaren (strafrechtelijke handhaving), gemeentelijke bezwaarcommissies (verlengde besluitvorming) en zelfs gemeentelijke ombudsmannen (klachtrecht) zijn, maar nooit gemeentelijke rechters. Het uitgangspunt dat rechtspraak niet kan worden gedecentraliseerd, werd vroeger helder verzekerd door de bepaling dat ‘in het gehele Rijk rechtgesproken werd uit naam des konings’. Nadat deze bepaling in 1983 verviel is het uitgangspunt van rechtspraak als exclusieve bevoegdheid van de centrale overheid vooral ‘connex’ geworden aan de bepaling over de Hoge Raad, artikel 118 Grondwet. Maar ook tijdens de parlementaire behandeling van artikel 116 Grondwet werd het overwogen.[18] In lijn hiermee moet delegatie aan decentrale organen van de regeling van de rechtspraak eveneens uitgesloten worden geacht, zelfs als arrondissementen of ressorten geografisch samenvallen met provinciegrenzen.
Delegatie van de regeling van de rechterlijke organisatie binnen het centrale overheidsverband is in beginsel wel mogelijk en heeft ook altijd plaatsgevonden. In het licht van de institutionele onafhankelijkheid van de rechterlijke macht ten opzichte van de regering moet evenwel zeer terughoudend worden omgegaan met dergelijke delegatie. Tijdens de herziening van de Grondwet werd de delegatiebevoegdheid in ieder geval niet verstrekkender verdedigd dan met de destijds bestaande praktijk waarin de minister de taakverdeling binnen en tussen de gerechten zou moeten kunnen regelen en dat het aantal rechters van een gerecht en territoriale competenties door anderen dan de formele wetgever worden bepaald.[19]In het algemeen geldt dat de institutionele onafhankelijkheid van de rechterlijke macht altijd beter is gediend met vooraf gestelde algemene regels van de formele wetgever dan met gedetailleerde regelingen of met concretiserende maatregelen van het bestuur. Een waardevol gedachtenexperiment, op dit punt,[20]is dat het in werkelijk gelijkwaardige verhoudingen binnen de Trias Politica even ondenkbaar zou moeten zijn dat de regering bij Koninklijk Besluit het Reglement van Orde van de Tweede Kamer aanpast (of de Tweede Kamer het Regelement van Orde van de Ministerraad) als dat de regering zich intensief kan bemoeien met de interne gang van zaken in de rechterlijke macht. Of, in de richting van het parlement: wat artikel 72 Grondwet niet wil dat u geschiedt, zo doe dat ook de rechterlijke macht niet.
 

4.   Jury’s en lekenrechtspraak

Artikel 116, derde lid, staat de wetgever toe om het mogelijk te maken dat leken deelnemen aan de rechtspraak. Leken mogen echter nooit de afhandeling van een zaak volledig overnemen. De aanduiding ‘lekenrechtspraak’ is hier enigszins misleidend. Zogenaamde leken hoeven weliswaar niet over academische kwalificaties in de rechtsgeleerdheid te beschikken, maar hun betrokkenheid is door de grondwetgever juist omstandig gemotiveerd met hun specifieke deskundigheid. In dat licht onthoudt de Grondwet hen het volwaardige lidmaatschap van de rechterlijke macht. Zij hoeven niet voor het leven te worden benoemd, en kunnen dus periodiek worden herbeoordeeld op hun deskundigheid. Wel schermt de Grondwet deze ‘personen, met rechtspraak belast’ in artikel 116, vierde lid, af tegen controle en toezicht van instanties buiten de rechterlijke macht. In die zin verschillen zij niet van de met rechtspraak belaste leden van de rechtelijke macht. Zie voor het rechterlijk tuchtrecht verder ons commentaar op artikel 117 Grondwet.

Ondertussen wordt er nauwelijks meer gebruik gemaakt van lekenrechtspraak. Na de afschaffing van de Ambtenarengerechten en de Raden van Beroep is de bezetting van de zogenaamde pachtkamers (meervoudige kamers van de sector kanton en een kamer voor hoger beroep daartegen in het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden) het duidelijkste voorbeeld. In pachtkamers worden telkens voor vijf jaren twee personen, niet zijnde rechterlijke ambtenaar, als deskundigen benoemd.[21]Voor de lekenbenoemingen in de pachtkamers van de rechtbanken consulteert de minister Gedeputeerde Staten en wordt ernaar gestreefd dat ‘in de pachtkamer noch het belang der pachters, noch het belang van de verpachters overheerst’ (artikel 48a, derde lid, Wet RO). Deze zorgplicht zal ongetwijfeld bijdragen aan de houdbaarheid van deze antieke regeling in het licht van artikel 6 EVRM. Een met lekenrechtspraak vergelijkbare logica speelt overigens bij een deel van de benoemingen van rechters- en raadsheren-plaatsvervangers vanwege een specifieke deskundigheid. Omdat zij ten minste ook over een diploma met civiel effect moeten beschikken, zijn zij ten opzichte van de gewone rechters geen leken in de zin van de Grondwet. Zij worden dan ook wel rechtsprekend lid van de rechterlijke macht en dus voor het leven benoemd. Anders dan rechters en raadsheren, worden plaatsvervangers echter niet aangesteld binnen een gerecht maar uitsluitend door de functionele autoriteit ervan opgeroepen voor dienst. Worden ze gedurende twee jaar niet opgeroepen, bijvoorbeeld omdat ze aan de redenen voor hun benoeming niet meer voldoen, dan kunnen plaatsvervangers door de Hoge Raad worden ontslagen.[22]

Het woordje ‘mede’ in artikel 116, vierde lid, Grondwet sluit sinds 1922 a-contrarionaar de letter en met zoveel woorden ook naar de bedoeling van de grondwetgever in 1983[23]de invoering van juryrechtspraak uit. Onder juryrechtspraak verstaat de grondwetgever namelijk een stelsel waarin een uit de burgerij gerekruteerd college de rechtspraak in een concreet geval volledig overneemt. Tijdens de herziening van de Grondwet is daar, onder verwijzing naar ‘ampele overwegingen’ van de Staatscommissie Cals/Donner ter zake, niet veel meer over gezegd dan dat het verbod op juryrechtspraak van kracht bleef.[24]

De ‘ampele overweging’ valt echter nogal tegen. De Staatscommissie Cals/Donner had als voordelen begrijpelijkheid van de rechtspraak en burgerparticipatie genoteerd, maar die voordelen vooral gerelativeerd en de nadelen opgesomd: als juryrechtspraak al praktisch haalbaar was dan zou de strafrechtpleging er wisselvalliger van worden. Zonder het argument volledig voor eigen rekening te nemen, kon volgens de Staatscommissie ‘niet het belang worden ontkend van een veelgehoord bezwaar’ dat gewone burgers veel te emotioneel zijn voor een evenwichtige strafrechtpleging.[25]Met deze verlichte regentenmentaliteit[26]van rationeel professionalisme boven onvoorspelbare emotie, bewees de Staatscommissie niet alleen dat juryrechtspraak geen onderdeel uitmaakt van de Nederlandse rechtstraditie, maar geeft het Eindrapport ook inzicht in de reden waarom. Hoewel de Nederlandse rechtspraak op veel punten schatplichtig is aan invloeden uit de Franse tijd, heeft de daarbij behorende juryrechtspraak in het Koninkrijk der Nederlanden nooit enige voet aan de grond gekregen.[27]Het onderwerp duikt in de rechtsgeleerde literatuur van tijd tot tijd nog wel eens in positieve zin op. Maar het ziet het er niet naar uit de roep om juryrechtspraak op korte termijn zal aanzwellen. In 2006 deed De Roos op verzoek van de Minister van Justitie nog een rechtsvergelijkend onderzoek naar de wenselijkheid van de invoering van juryrechtspraak in Nederland.[28]De Roos concludeerde negatief. Invoering zou een te grote breuk met de Nederlandse rechtscultuur opleveren terwijl het waarschijnlijk maar een beperkt effect zou hebben op het vertrouwen in de rechtspraak. Met name in Duitsland, waar een in Nederland inpasbaar stelsel wordt gehanteerd, is het vertrouwen in de rechterlijke macht niet aanwijsbaar groter. De Minister van Justitie berichtte de Tweede Kamer vervolgens geen invoering van de juryrechtspraak te overwegen.[29]
 

5.   Historische versies

Eerste lid:
Art. 101, aanhef en sub b, Gw. 1814: Ten einde aan de Ingezetenen dezer Landen te waarborgen de onschatbare voorregten van burgerlijke vrijheid en persoonlijke veiligheid, zullen de volgende regelen de grondslagen der wettelijke beschikkingen uitmaken. De regterlijke magt wordt alleen uitgeoefend door regtbanken, welke bij of ten gevolge dezer grondwet worden ingesteld.
Art. 166 Gw. 1815: De regterlijke magt wordt alleen geoefend door regtbanken, welke bij of ten gevolge dezer grondwet worden ingesteld (art. 164 Gw. 1840).
Art. 149 Gw. 1848: De regterlijke magt wordt alleen uitgeoefend door regters, welke de wet aanwijst (art. 155 Gw. 1887; art. 156, eerste volzin, Gw. 1922; art. 162, eerste volzin, Gw. 1938; art. 169, eerste volzin, Gw. 1953).
 
Tweede lid:
Art. 100 Gw. 1814: Er zal worden ingevoerd een algemeen Wetboek van burgerlijk regt, lijfstraffelijk regt, van den koophandel, en van de zamenstelling der regterlijke magt en de manier van procederen.
Art. 114 Gw. 1814: De wet regelt de judicature van de overtredingen op het stuk van alle belastingen zonder onderscheid.
Art. 163 Gw. 1815 (art. 161 Gw. 1840): Er zal worden ingevoerd een algemeen wetboek van burgerlijk regt, van koophandel, van lijfstraffelijk regt, van de zamenstelling der regterlijke magt, en van de manier van procederen.
Art. 187 Gw. 1815 (art. 184 Gw. 1840): De wet regelt de judicature wegens verschillen en overtredingen op het stuk van alle belastingen zonder onderscheid.
Art. 146 Gw. 1848: Er is een algemeen wetboek van burgerlijk regt, van koophandel, van strafregt, van burgerlijke regts‑ en van strafvordering, en van de zamenstelling der regterlijke magt.
De wet regelt insgelijks het regtsgebied over het krijgsvolk en de schutterijen.
Zij regelt ook de regtspraak over geschillen en overtredingen inzake aller belastingen.
Art. 150 Gw. 1887 (art. 151 Gw. 1922; art. 157 Gw. 1938; art. 164 Gw. 1953): Het burgerlijk en handelsregt, het burgerlijk en militair strafregt, de regtspleging en de inrigting der regterlijke Magt worden bij de wet geregeld in algemeene wetboeken, behoudens de bevoegdheid der wetgevende Magt om enkele onderwerpen in afzonderlijke wetten te regelen.
 
Derde lid:
Art. 156, tweede volzin, Gw. 1922: De wet kan bepalen, dat aan de berechting van door haar aan te wijzen gedingen als in artikel 154 bedoeld mede wordt deelgenomen door niet tot de rechterlijke macht behoorende personen (art. 162 Gw. 1938, behoudens dat in plaats van `art. 154' wordt gelezen `art. 160'; art. 169, tweede volzin, Gw. 1953, behoudens dat in plaats van `art. 154' wordt gelezen `art. 167').
 
Vierde lid:
Art. 107 Gw. 1814: De Hooge Raad heeft het toezigt op den geregelden loop en de afdoening der regtsgedingen; op de nakoming van de wetten, betreffende de administratie der Justitie en den vorm van regtspleging bij alle Hoven, Regtbanken en Regters, en kan derzelver handelingen, dispositien en vonnissen, daarmede openlijk strijdig, vernietigen en buiten effect stellen, zonder zich nogtans in de beoordeeling der zaken in te laten.
Art. 180 Gw. 1815: De Hooge Raad heeft het toezigt op den geregelden loop en de afdoening van regtsgedingen, mitsgaders op de nakoming der wetten bij alle hoven en regtbanken, en kan derzelver handelingen, dispositien en vonnissen, daarmede strijdig, vernietigen en buiten effect stellen, volgens de bepaling door de wet daaromtrent te maken (art. 178 Gw. 1840).
Art. 162 Gw. 1848: De Hooge Raad heeft het toezigt op den geregelden loop en de afdoening van regtsgedingen, alsmede op het nakomen der wetten bij alle regterlijke collegien. Hij kan hunne handelingen, beschikkingen en vonnissen, wanneer die met de wetten strijdig zijn, vernietigen en buiten werking stellen, volgens de bepaling door de wet daaromtrent te maken.
Art. 165 Gw. 1887: De Hooge Raad heeft het toezicht op den geregelden loop en de afdoening van regtsgedingen, alsmede op het nakomen der wetten door de leden der regterlijke Magt.
Hij kan hunne handelingen, beschikkingen en vonnissen, wanneer die met de wetten strijdig zijn, vernietigen en buiten werking stellen volgens de bepaling door de wet daaromtrent te maken, en behoudens de door de wet te stellen uitzonderingen.
De overige bevoegdheden van den Hoogen Raad worden geregeld bij de wet.
Art. 166 Gw. 1922: De Hooge Raad heeft het toezicht op den geregelden loop en de afdoening van rechtsgedingen, alsmede op het nakomen der wetten door de leden der rechterlijke macht en door de personen, bedoeld aan het slot van artikel 156. Hij kan hunne handelingen, beschikkingen en vonnissen, wanneer die met de wetten strijdig zijn, vernietigen en buiten werking stellen volgens de bepaling door de wet daaromtrent te maken, en behoudens de door de wet te stellen uitzonderingen.
De overige bevoegdheden van den Hoogen Raad worden geregeld bij de wet (art. 172 Gw. 1938, behoudens dat i.p.v. `art. 156' wordt gelezen `art. 162'; art. 179 Gw. 1953, behoudens dat i.p.v. `art. 156' wordt gelezen `art. 169').
 

6.   Literatuur

- P.P.T. Bovend’Eert, Benoeming en ontslag van rechters(oratie KUN), 2000
- P.P.T. Bovend’Eert, Rechterlijke organisatie, rechters en rechtspraak, Deventer: Kluwer 2008
- P.M. van den Eijnden, Onafhankelijkheid van de rechter in constitutioneel perspectief (diss. KUN), Deventer: Kluwer 2011
- M.L. van Emmerik, J.P. Loof & Y.E. Schuurmans, Systeemwaarborgen voor de kernwaarden van de rechtspraak, Research Memoranda Raad voor de rechtspraak 2014/2.
- E.P. Muller & C.P.M. Cleiren, Rechterlijke macht, Deventer: Kluwer 2006.
  

Noten

  1. Zie voor een staatsrechtelijke analyse op dit punt: P.M. van den Eijnden, Onafhankelijkheid van de rechter in constitutioneel perspectief (diss. KUN), Deventer: Kluwer 2011, p. 160-168. De begrippen ‘gewone rechter’ versus de administratieve rechter zijn afkomstig uit de historische versies van het huidige artikel 112, tweede lid, Grondwet. Zie voor de internationaalrechtelijke dimensie (die voor een grondwetscommentaar te omvangrijk is geworden) eveneens haar proefschrift.
  2. Eindrapport van de Staatscommissie van advies inzake de Grondwet en de Kieswet (1971), hoofdstuk VII, par. 3 (p. 243).
  3. Dat woord werd bij de grondwetsherziening letterlijk gebruikt: Kamerstukken II 1980/81, 16 162, nr. 8, p. 19 (Nng, V, 92).
  4. Kamerstukken II 1980/81, 16 162, nr. 3, p. 2-3 (Nng, V, 6-7).
  5. Kamerstukken II 1980/81, 16 162, nr. 4, p. 36 (Nng, V, 39)
  6. C.A.J.M. Kortmann, De Grondwetsherziening 1983 en 1987, Deventer: Kluwer 1987, p. 325-329.
  7. P.P.T. Bovend’Eert, Rechterlijke organisatie, rechters en rechtspraak, Alphen aan den Rijn: Kluwer 2008, p. 225-229.
  8. Kamerstukken II 1980/81, 16 162, nr. 3, p. 2 (Nng, V, 6).
  9. Kamerstukken II 1980/81, 16 162, nr. 6, p. 11 (Nng, V, 68).
  10. Kamerstukken II 1980/81, 16 162, nr. 8, p. 18 (Nng, V, 91).
  11. Kamerstukken II 1980/81, 16 162, nr. 3, p. 5 (Nng, V, 9).
  12. Kamerstukken II 1980/81, 16 162, nr. 8, p. 7 (Nng, V, 80). Waarom dit precies zo uitvalt, is niet op voorhand duidelijk en wordt dat ook niet na lezing van de rest van de grondwetsgeschiedenis. Het is ook niet noodzakelijk zo. Kortmann meent bijvoorbeeld dat de Kiesraad wel degelijk een bij het bestuur behorende instantie is: C.A.J.M. Kortmann, De Grondwetsherziening 1983 en 1987, Deventer: Kluwer 1987, p. 326, noot 109.
  13. Kamerstukken II 1980/81, 16 162, nr. 8, p. 8 (Nng, V, 81).
  14. Een belangrijk voornemen was de zogenaamde ‘derde fase herziening rechterlijke macht’ waarin het hoger beroep in het bestuursrecht op de schop zou gaan. Die werd in 2004 afgeblazen.
  15. Kamerstukken II 2015/16, 34 389, nrs. 2 en 3.
  16. ‘Houd rechtspraak Centrale Raad van Beroep bij elkaar’, De Volkskrant, 26 februari 2016.
  17. Vgl. Kamerstukken II, 1980/81, 16 162, nr. 11, p. 2 (Nng, V, 150). Oud, (P.J. Oud, Het Constitutioneel Recht van het koninkrijk der Nederlanden, Deel II, Zwolle: Tjeenk Willink, 1970, p. 633) merkt ook op een Grondwettelijke codificatieplicht in wetboeken de delegatiebevoegdheden verder beperkt dan wanneer alleen regeling ‘bij of krachtens wet’ zou zijn voorgeschreven.
  18. Kamerstukken II 1980/81, 16 162, nr. 3, p. 3-4, (Nng, V, 7-8)
  19. Kamerstukken II 1980/81, 16 162, nr. 3, p. 17 (Nng, V, 21).
  20. P.P.T. Bovend’Eert, Rechterlijke organisatie, rechters en rechtspraak, Alphen aan den Rijn: Kluwer 2008, p. 28-32.
  21. Zie de artikelen 48, 48a, 69 en 69a van de Wet op de Rechterlijke Organisatie.
  22. Artikel 46m, derde lid, Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.
  23. Kamerstukken II 1980/81, 16 162, nr. 3, p. 18 (Nng, V, 22).
  24. Kamerstukken II 1980/81, 16 162, nr. 3, p. 18 (Nng, V, 22).
  25. Eindrapport van de Staatscommissie van advies inzake de Grondwet en de Kieswet (1971), hoofdstuk VII, par. 4 (p. 247-249).
  26. Henk te Velde, Van regentenmentaliteit tot populisme. Politieke tradities in Nederland, Amsterdam: Bert Bakker 2010. Vgl. op dit punt: E. Prakken, ‘Het grote taboe: burgerparticipatie in het strafproces’, in: Strafblad, december 2013, p. 445-449.
  27. G. F.M. Bossers, Welk eene natie, die de jurij gehad heeft en ze weder afschaft! De jury in de Nederlandse rechtspraktijk 1811-1813, (diss. UvA), Delft:Eburon 1987.
  28. Th. A. de Roos, Is de invoering van lekenrechtspraak in de Nederlandse strafrechtspleging gewenst?, Tilburg: Universiteit van Tilburg 2006. Vgl. Th. de Roos, ‘Democratischer strafrechtspraak? De betekenis van de inbreng van leken’, Ars Aequi, 2013/560 (juli/augustus), p. 560-565.
  29. Kamerstukken II 2006/07, 30 800 VI, 118.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    G. Boogaard, Commentaar op artikel 116 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2017 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Rechterlijke macht

De rechterlijke macht bestaat volgens de Wet op de rechterlijke organisatie uit de rechtbanken (op dit moment elf), de gerechtshoven (vier) en de Hoge Raad. Het onderscheid tussen de organen van de rechterlijke macht en de andere gerechten is van belang omdat de Grondwet de beslissing van privaatrechtelijke geschillen en de beslissing in strafzaken uitsluitend aan de rechterlijke macht opdraagt (artikelen 112 en 113 Grondwet). Ook biedt de Grondwet bijzondere waarborgen voor de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht (artikel 117 Grondwet).
 
Gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren zijn bijvoorbeeld de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die de hoogste algemene bestuursrechter is, de Centrale Raad van Beroep, die hoogste bestuursrechter in ambtenarenzaken en inzake sociale zekerheid is, en het College van Beroep voor het bedrijfsleven, de hoogste rechter in geschillen over de toepassing van de bedrijfseconomische en aanverwante wetgeving. De leden van deze gerechten hebben krachtens de wet wel een positie die in grote lijnen overeenkomt met die van leden van de rechterlijke macht, om ook hun onafhankelijkheid en deskundigheid te waarborgen.
 
Aan de rechtspraak door de rechterlijke macht kunnen ook personen deelnemen die niet tot de rechterlijke macht behoren. Zij worden wegens hun deskundigheid op een bepaald terrein bij een gerecht benoemd. Gewoonlijk krijgen zij niet een benoeming voor het leven (leden van de rechterlijke macht wel; artikel 117 Grondwet), maar voor een bepaalde tijd. Juryrechtspraak, zoals onder meer in de Verenigde Staten veel voorkomt, is onder de Nederlandse Grondwet niet mogelijk.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Rechterlijke macht

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Rechterlijke macht

Recente rechtspraak

Rechterlijke macht

Politiek

Rechterlijke macht

Video
Blogs
IN DE WERELD
Video

Rechterlijke macht

  • Rechter Wallace over rechtspraak
Rechter Wallace over rechtspraak
Rechter Wallace over rechtspraak
Blogs

Rechterlijke macht

In de wereld

Rechterlijke macht