CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • G. Leenknegt
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • A.A.L. Beers en K.T. Meijer
  • B.C. van Beers
  • B.M.J. van der Meulen
  • B.P. Vermeulen
  • B.W.N. de Waard
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • E.J. Janse de Jonge
  • E.J. Koops
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • F. Fleurke
  • F.C.M.A. Michiels
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx en A.C.M. Meuwese
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard en J. Uzman
  • G. Leenknegt
  • G. Overkleeft-Verburg
  • G. van der Schyff en B.M.J. van der Meulen
  • J. Kiewiet en G.F.M. van der Tang †
  • J. Uzman
  • J. Uzman en G. Boogaard
  • J.C.A. de Poorter
  • J.L.M. Gribnau en M.R.T Pauwels
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • J.W.A. Fleuren
  • K.T. Meijer
  • M. Adams
  • Mijke Houwerzijl & Nuna Zekic
  • Mijke Houwerzijl en Frank Vlemminx
  • P. Jacobs
  • S. Daniëls
  • S. Jellinghaus en E. Huisman
  • S.C. van Bijsterveld
  • S.C. van Bijsterveld en B.P. Vermeulen
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • T. Kooijmans
  • T. Peters
  • W. van der Woude
  • W.J.M. Voermans
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

HOOFDSTUK 1

Grondrechten

INLEIDING

Artikel 1 - Gelijke behandeling

Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Artikel 2 - Nederlandschap en vreemdelingen

  1. De wet regelt wie Nederlander is.
  2. De wet regelt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen.
  3. Uitlevering kan slechts geschieden krachtens verdrag. Verdere voorschriften omtrent uitlevering worden bij de wet gegeven.
  4. Ieder heeft het recht het land te verlaten, behoudens in de gevallen, bij de wet bepaald.

Artikel 3 - Gelijke benoembaarheid

Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.

Artikel 4 - Kiesrecht

Iedere Nederlander heeft gelijkelijk recht de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen alsmede tot lid van deze organen te worden verkozen, behoudens bij de wet gestelde beperkingen en uitzonderingen.

Artikel 5 - Petitierecht

Ieder heeft het recht verzoeken schriftelijk bij het bevoegd gezag in te dienen.

Artikel 6 - Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging

  1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 7 - Vrijheid van meningsuiting

  1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- of televisieuitzending.
  3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar regelen ter bescherming van de goede zeden.
  4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.

Artikel 8 - Recht tot vereniging

Het recht tot vereniging wordt erkend. Bij de wet kan dit recht worden beperkt in het belang van de openbare orde.

Artikel 9 - Recht tot vergadering en betoging

  1. Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 10 - Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer

  1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.
  2. De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens.
  3. De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.

Artikel 11 - Onaantastbaarheid van het lichaam

Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.

Artikel 12 - Binnentreden woning

  1. Het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen.
  2. Voor het binnentreden overeenkomstig het eerste lid zijn voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden vereist, behoudens bij de wet gestelde uitzonderingen.
  3. Aan de bewoner wordt zo spoedig mogelijk een schriftelijk verslag van het binnentreden verstrekt. Indien het binnentreden in het belang van de nationale veiligheid of dat van de strafvordering heeft plaatsgevonden, kan volgens bij de wet te stellen regels de verstrekking van het verslag worden uitgesteld. In de bij de wet te bepalen gevallen kan de verstrekking achterwege worden gelaten, indien het belang van de nationale veiligheid zich tegen verstrekking blijvend verzet.

Artikel 13 - Vertrouwelijke communicatie

  1. Het briefgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, op last van de rechter.
  2. Het telefoon- en telegraafgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, door of met machtiging van hen die daartoe bij de wet zijn aangewezen.

Artikel 14 - Onteigening

  1. Onteigening kan alleen geschieden in het algemeen belang en tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander naar bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.
  2. De schadeloosstelling behoeft niet vooraf verzekerd te zijn, wanneer in geval van nood onverwijld onteigening geboden is.
  3. In de gevallen bij of krachtens de wet bepaald bestaat recht op schadeloosstelling of tegemoetkoming in de schade, indien in het algemeen belang eigendom door het bevoegd gezag wordt vernietigd of onbruikbaar gemaakt of de uitoefening van het eigendomsrecht wordt beperkt.

Artikel 15 - Vrijheidsontneming

  1. Buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen.
  2. Hij aan wie anders dan op rechterlijk bevel zijn vrijheid is ontnomen, kan aan de rechter zijn invrijheidstelling verzoeken. Hij wordt in dat geval door de rechter gehoord binnen een bij de wet te bepalen termijn. De rechter gelast de onmiddellijke invrijheidstelling, indien hij de vrijheidsontneming onrechtmatig oordeelt.
  3. De berechting van hem aan wie met het oog daarop zijn vrijheid is ontnomen, vindt binnen een redelijke termijn plaats.
  4. Hij aan wie rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, kan worden beperkt in de uitoefening van grondrechten voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt.

Artikel 16 - Nulla poena

Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.

Artikel 17 - Wettelijk toegekende rechter

Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent.

Artikel 18 - Rechtsbijstand

  1. Ieder kan zich in rechte en in administratief beroep doen bijstaan.
  2. De wet stelt regels omtrent het verlenen van rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen.

Artikel 19 - Werkgelegenheid en arbeidskeuze

  1. Bevordering van voldoende werkgelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de rechtspositie van hen die arbeid verrichten en omtrent hun bescherming daarbij, alsmede omtrent medezeggenschap.
  3. Het recht van iedere Nederlander op vrije keuze van arbeid wordt erkend, behoudens de beperkingen bij of krachtens de wet gesteld.

Artikel 20 - Bestaanszekerheid

  1. De bestaanszekerheid der bevolking en spreiding van welvaart zijn voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de aanspraken op sociale zekerheid.
  3. Nederlanders hier te lande, die niet in het bestaan kunnen voorzien, hebben een bij de wet te regelen recht op bijstand van overheidswege.

Artikel 21 - Milieubescherming

De zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu.

Artikel 22 - Volksgezondheid en woongelegenheid

  1. De overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid.
  2. Bevordering van voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  3. Zij schept voorwaarden voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding.

Artikel 23 - Onderwijs

  1. Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.
  2. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.
  3. Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld.
  4. In elke gemeente wordt van overheidswege voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal openbare scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven, al dan niet in een openbare school.
  5. De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.
  6. Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.
  7. Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.
  8. De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten-Generaal.
HOOFDSTUK 2

Regering INLEIDING

Artikel 24 - Koningschap

Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau.

Artikel 25 - Erfopvolging

Het koningschap gaat bij overlijden van de Koning krachtens erfopvolging over op zijn wettige nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft, met plaatsvervulling volgens dezelfde regel. Bij gebreke van eigen nakomelingen gaat het koningschap op gelijke wijze over op de wettige nakomelingen eerst van zijn ouder, dan van zijn grootouder, in de lijn van erfopvolging, voor zover de overleden Koning niet verder bestaand dan in de derde graad van bloedverwantschap.

Artikel 26 - Status ongeboren kind Koning

Het kind, waarvan een vrouw zwanger is op het ogenblik van het overlijden van de Koning, wordt voor de erfopvolging als reeds geboren aangemerkt. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

Artikel 27 - Afstand koningschap

Afstand van het koningschap leidt tot erfopvolging overeenkomstig de regels in de voorgaande artikelen gesteld. Na de afstand geboren kinderen en hun nakomelingen zijn van de erfopvolging uitgesloten.

Artikel 28 - Afstand koningschap door huwelijk

  1. De Koning, een huwelijk aangaande buiten bij de wet verleende toestemming, doet daardoor afstand van het koningschap.
  2. Gaat iemand die het koningschap van de Koning kan beërven een zodanig huwelijk aan, dan is hij met de uit dit huwelijk geboren kinderen en hun nakomelingen van de erfopvolging uitgesloten.
  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake van een voorstel van wet, strekkende tot het verlenen van toestemming, in verenigde vergadering.

Artikel 29 - Uitsluiting troonopvolging

  1. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden daartoe nopen, kunnen bij een wet een of meer personen van de erfopvolging worden uitgesloten.

  2. Het voorstel daartoe wordt door of vanwege de Koning ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 30 - Benoemde Koning

  1. Wanneer vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal ontbreken, kan deze worden benoemd bij een wet. Het voorstel wordt door of vanwege de Koning ingediend. Na de indiening van het voorstel worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  2. Indien bij overlijden van de Koning of bij afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt, worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers komen binnen vier maanden na het overlijden of de afstand in verenigde vergadering bijeen ten einde te besluiten omtrent de benoeming van een Koning. Zij kunnen een opvolger alleen benoemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 31 - Erfopvolging benoemde koning

  1. Een benoemde Koning kan krachtens erfopvolging alleen worden opgevolgd door zijn wettige nakomelingen.

  2. De bepalingen omtrent de erfopvolging en het eerste lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op een benoemde opvolger, zolang deze nog geen Koning is.

Artikel 32 - Inhuldiging Koning

Nadat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen, wordt hij zodra mogelijk beëdigd en ingehuldigd in de hoofdstad Amsterdam in een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Hij zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt. De wet stelt nadere regels vast.

Artikel 33 - Koningschap en meerderjarigheid

De Koning oefent het koninklijk gezag eerst uit, nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

Artikel 34 - Ouderlijk gezag minderjarige Koning

De wet regelt het ouderlijk gezag en de voogdij over de minderjarige Koning en het toezicht daarop. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 35 - Buiten staat verklaring

  1. Wanneer de ministerraad van oordeel is dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, bericht hij dit onder overlegging van het daartoe gevraagde advies van de Raad van State aan de Staten-Generaal, die daarop in verenigde vergadering bijeenkomen.

  2. Delen de Staten-Generaal dit oordeel, dan verklaren zij dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen. Deze verklaring wordt bekend gemaakt op last van de voorzitter der vergadering en treedt terstond in werking.

  3. Zodra de Koning weer in staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, wordt dit bij de wet verklaard. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Terstond na de bekendmaking van deze wet hervat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag.

  4. De wet regelt zo nodig het toezicht over de persoon van de Koning indien hij buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 36 - Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag

De Koning kan de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk neerleggen en die uitoefening hervatten krachtens een wet, waarvan het voorstel door of vanwege hem wordt ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 37 - Uitoefening koninklijk gezag door regent

  1. Het koninklijk gezag wordt uitgeoefend door een regent:
    a. zolang de Koning de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt;
    b. indien een nog niet geboren kind tot het koningschap geroepen kan zijn;
    c. indien de Koning buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen;
    d. indien de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk heeft neergelegd;
    e. zolang na het overlijden van de Koning of na diens afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt.

  2. De regent wordt benoemd bij de wet. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  3. In de gevallen, genoemd in het eerste lid onder c en d, is de nakomeling van de Koning die zijn vermoedelijke opvolger is, van rechtswege regent indien hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

  4. De regent zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt, in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal. De wet geeft nadere regels omtrent het regentschap en kan voorzien in de opvolging en de vervanging daarin. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  5. Op de regent zijn de artikelen 35 en 36 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38 - Uitoefening koninklijk gezag door RvS

Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk gezag is voorzien, wordt dit uitgeoefend door de Raad van State.

Artikel 39 - Lidmaatschap koninklijk huis

De wet regelt, wie lid is van het koninklijk huis.

Artikel 40 - Uitkering koninklijk huis

  1. De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het Rijk uitkeringen naar regels bij de wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het koninklijk huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen.

  2. De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, zijn vrij van persoonlijke belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of zijn vermoedelijke opvolger krachtens erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van het koninklijk huis vrij van de rechten van successie, overgang en schenking. Verdere vrijdom van belasting kan bij de wet worden verleend.

  3. De kamers der Staten-Generaal kunnen voorstellen van in de vorige leden bedoelde wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 41 - Inrichting huis Koning

De Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis in.

Artikel 42 - Ministeriële verantwoordelijkheid

  1. De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.

  2. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.

Artikel 43 - Regering en ministers

De minister-president en de overige ministers worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.

Artikel 44 - Ministeries

  1. Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.

  2. Ook kunnen ministers worden benoemd die niet belast zijn met de leiding van een ministerie.

Artikel 45 - Ministerraad

  1. De ministers vormen te zamen de ministerraad.

  2. De minister-president is voorzitter van de ministerraad.

  3. De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid.

Artikel 46 - Staatssecretarissen

  1. Bij koninklijk besluit kunnen staatssecretarissen worden benoemd en ontslagen.

  2. Een staatssecretaris treedt in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister.

Artikel 47 - Ondertekening en contraseign

Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.

Artikel 48 - Ontslag en benoeming ministers

Het koninklijk besluit waarbij de minister-president wordt benoemd, wordt mede door hem ondertekend. De koninklijke besluiten waarbij de overige ministers en de staatssecretarissen worden benoemd of ontslagen, worden mede door de minister-president ondertekend.

Artikel 49 - Ambtseed minister en staatssecretaris

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de ministers en de staatssecretarissen bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.
HOOFDSTUK 3

Staten-Generaal INLEIDING

Artikel 50 - Vertegenwoordiging

De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk.

Artikel 51 - Eerste en Tweede Kamer

  1. De Staten-Generaal bestaan uit de Tweede Kamer en de Eerste Kamer.

  2. De Tweede Kamer bestaat uit honderdvijftig leden.

  3. De Eerste Kamer bestaat uit vijfenzeventig leden.

  4. Bij een verenigde vergadering worden de kamers als één beschouwd.

Artikel 52 - Zittingsduur

  1. De zittingsduur van beide kamers is vier jaren.
  2. Indien voor de provinciale staten bij de wet een andere zittingsduur dan vier jaren wordt vastgesteld, wordt daarbij de zittingsduur van de Eerste Kamer in overeenkomstige zin gewijzigd.

Artikel 53 - Evenredige vertegenwoordiging

  1. De leden van beide kamers worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  2. De verkiezingen worden gehouden bij geheime stemming.

Artikel 54 - Verkiezing Tweede Kamer

  1. De leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen ten aanzien van Nederlanders die geen ingezetenen zijn.

  2. Van het kiesrecht is uitgesloten hij die wegens het begaan van een daartoe bij de wet aangewezen delict bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste een jaar en hierbij tevens is ontzet van het kiesrecht.

Artikel 55 - Verkiezing Eerste Kamer

De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten. De verkiezing wordt, behoudens in geval van ontbinding der kamer, gehouden binnen drie maanden na de verkiezing van de leden van provinciale staten.

Artikel 56 - Vereisten voor lidmaatschap

Om lid van de Staten-Generaal te kunnen zijn is vereist dat men Nederlander is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.

Artikel 57 - Incompatibiliteiten

  1. Niemand kan lid van beide kamers zijn.

  2. Een lid van de Staten-Generaal kan niet tevens zijn minister, staatssecretaris, lid van de Raad van State, lid van de Algemene Rekenkamer, Nationale ombudsman of substituut-ombudsman, of lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij de Hoge Raad.

  3. Niettemin kan een minister of staatssecretaris, die zijn ambt ter beschikking heeft gesteld, dit ambt verenigen met het lidmaatschap van de Staten-Generaal, totdat omtrent die beschikbaarstelling is beslist.

  4. De wet kan ten aanzien van andere openbare betrekkingen bepalen dat zij niet gelijktijdig met het lidmaatschap van de Staten-Generaal of van een der kamers kunnen worden uitgeoefend.

Artikel 57a - Zwangerschap en ziekte

De wet regelt de tijdelijke vervanging van een lid van de Staten-Generaal wegens zwangerschap en bevalling, alsmede wegens ziekte.

Artikel 58 - Geloofsbrieven

Elke kamer onderzoekt de geloofsbrieven van haar nieuwbenoemde leden en beslist met inachtneming van bij de wet te stellen regels de geschillen welke met betrekking tot de geloofsbrieven of de verkiezing zelf rijzen.

Artikel 59 - Kiesrecht en verkiezingen

Alles, wat verder het kiesrecht en de verkiezingen betreft, wordt bij de wet geregeld.

Artikel 60 - Ambtsaanvaarding

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de leden van de kamers bij de aanvaarding van hun ambt in de vergadering een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

Artikel 61 - Voorzitter en griffier

  1. Elk der kamers benoemt uit de leden een voorzitter.

  2. Elk der kamers benoemt een griffier. Deze en de overige ambtenaren van de kamers kunnen niet tevens lid van de Staten-Generaal zijn.

Artikel 62 - Verenigde vergadering

De voorzitter van de Eerste Kamer heeft de leiding van de verenigde vergadering.

Artikel 63 - Geldelijke voorzieningen

Geldelijke voorzieningen ten behoeve van leden en gewezen leden van de Staten-Generaal en van hun nabestaanden worden bij de wet geregeld. De kamers kunnen een voorstel van wet ter zake alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 64 - Ontbinding Kamers

  1. Elk der kamers kan bij koninklijk besluit worden ontbonden.

  2. Het besluit tot ontbinding houdt tevens de last in tot een nieuwe verkiezing voor de ontbonden kamer en tot het samenkomen van de nieuw gekozen kamer binnen drie maanden.

  3. De ontbinding gaat in op de dag waarop de nieuw gekozen kamer samenkomt.

  4. De wet stelt de zittingsduur van een na ontbinding optredende Tweede Kamer vast; de termijn mag niet langer zijn dan vijf jaren. De zittingsduur van een na ontbinding optredende Eerste Kamer eindigt op het tijdstip waarop de zittingsduur van de ontbonden kamer zou zijn geëindigd.

Artikel 65 - Troonrede

Jaarlijks op de derde dinsdag van september of op een bij de wet te bepalen eerder tijdstip wordt door of namens de Koning in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal een uiteenzetting van het door de regering te voeren beleid gegeven.

Artikel 66 - Openbaarheid vergaderingen

  1. De vergaderingen van de Staten-Generaal zijn openbaar.

  2. De deuren worden gesloten, wanneer een tiende deel van het aantal aanwezige leden het vordert of de voorzitter het nodig oordeelt.

  3. Door de kamer, onderscheidenlijk de kamers in verenigde vergadering, wordt vervolgens beslist of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd en besloten.

Artikel 67 - Quorum

  1. De kamers mogen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering alleen beraadslagen of besluiten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden ter vergadering aanwezig is.

  2. Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen.

  3. De leden stemmen zonder last.

  4. Over zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, wanneer één lid dit verlangt.

Artikel 68 - Inlichtingenplicht bewindslieden

De ministers en de staatssecretarissen geven de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat.

Artikel 69 - Aanwezigheid bewindslieden

  1. De ministers en de staatssecretarissen hebben toegang tot de vergaderingen en kunnen aan de beraadslaging deelnemen.

  2. Zij kunnen door de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn.

  3. Zij kunnen zich in de vergaderingen doen bijstaan door de personen, daartoe door hen aangewezen.

Artikel 70 - Recht van enquête

Beide kamers hebben, zowel ieder afzonderlijk als in verenigde vergadering, het recht van onderzoek (enquête), te regelen bij de wet.

Artikel 71 - Parlementaire onschendbaarheid

De leden van de Staten-Generaal, de ministers, de staatssecretarissen en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging, kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergaderingen van de Staten-Generaal of van commissies daaruit hebben gezegd of aan deze schriftelijk hebben overgelegd.

Artikel 72 - Reglement van orde

De kamers stellen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering een reglement van orde vast.

HOOFDSTUK 4

Adviesorganen INLEIDING

Artikel 73 - Taak Raad van State

  1. De Raad van State of een afdeling van de Raad wordt gehoord over voorstellen van wet en ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur, alsmede over voorstellen tot goedkeuring van verdragen door de Staten-Generaal. In bij de wet te bepalen gevallen kan het horen achterwege blijven.

  2. De Raad of een afdeling van de Raad is belast met het onderzoek van de geschillen van bestuur die bij koninklijk besluit worden beslist en draagt de uitspraak voor.

  3. De wet kan aan de Raad of een afdeling van de Raad de uitspraak in geschillen van bestuur opdragen.

Artikel 74 - Rechtspositie leden

  1. De Koning is voorzitter van de Raad van State. De vermoedelijke opvolger van de Koning heeft na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar van rechtswege zitting in de Raad. Bij of krachtens de wet kan aan andere leden van het koninklijk huis zitting in de Raad worden verleend.

  2. De leden van de Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  3. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  4. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Raad worden geschorst of ontslagen.

  5. De wet regelt overigens hun rechtspositie

Artikel 75 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Raad van State.

  2. Bij de wet kunnen aan de Raad of een afdeling van de Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 76 - Algemene rekenkamer

De Algemene Rekenkamer is belast met het onderzoek van de ontvangsten en uitgaven van het Rijk.

Artikel 77 - Rechtpositie leden rekenkamer

  1. De leden van de Algemene Rekenkamer worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Hoge Raad worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 78 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Algemene Rekenkamer.

  2. Bij de wet kunnen aan de Algemene Rekenkamer ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 78a - Nationale ombudsman

  1. De Nationale ombudsman verricht op verzoek of uit eigen beweging onderzoek naar gedragingen van bestuursorganen van het Rijk en van andere bij of krachtens de wet aangewezen bestuursorganen.
  2. De Nationale ombudsman en een substituut-ombudsman worden voor een bij de wet te bepalen termijn benoemd door de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Tweede Kamer der Staten-Generaal worden geschorst of ontslagen. De wet regelt overigens hun rechtspositie.
  3. De wet regelt de bevoegdheid en werkwijze van de Nationale ombudsman.
  4. Bij of krachtens de wet kunnen aan de Nationale ombudsman ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 79 - Vaste colleges van advies

  1. Vaste colleges van advies in zaken van wetgeving en bestuur van het Rijk worden ingesteld bij of krachtens de wet.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van deze colleges.

  3. Bij of krachtens de wet kunnen aan deze colleges ook andere dan adviserende taken worden opgedragen.

Artikel 80 - Openbaarmaking advies

  1. De adviezen van de in dit hoofdstuk bedoelde colleges worden openbaar gemaakt volgens regels bij de wet te stellen.

  2. Adviezen, uitgebracht ter zake van voorstellen van wet die door of vanwege de Koning worden ingediend, worden, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen, aan de Staten-Generaal overgelegd.

HOOFDSTUK 5

Wetgeving en bestuur INLEIDING

Artikel 81 - Wetgevende macht

De vaststelling van wetten geschiedt door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk.

Artikel 82 - Indienen wetsvoorstel

  1. Voorstellen van wet kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Voorstellen van wet waarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en, voor zover de betreffende artikelen van hoofdstuk 2 dit toelaten, door de verenigde vergadering.

  3. Voorstellen van wet, in te dienen door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering, worden bij haar door een of meer leden aanhangig gemaakt.

Artikel 83 - Toezending wetsvoorstel TK

Voorstellen van wet, ingediend door of vanwege de Koning, worden gezonden aan de Tweede Kamer of, indien daarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, aan deze vergadering.

Artikel 84 - Wijziging wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet, ingediend door of vanwege de Koning, niet door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering is aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en vanwege de regering worden gewijzigd.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden gewijzigd.

Artikel 85 - Toezending wetsvoorstel EK

Zodra de Tweede Kamer een voorstel van wet heeft aangenomen of tot indiening van een voorstel heeft besloten, zendt zij het aan de Eerste Kamer, die het voorstel overweegt zoals het door de Tweede Kamer aan haar is gezonden. De Tweede Kamer kan een of meer van haar leden opdragen een door haar ingediend voorstel in de Eerste Kamer te verdedigen.

Artikel 86 - Intrekking wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet niet door de Staten-Generaal is aangenomen, kan het door of vanwege de indiener worden ingetrokken.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden ingetrokken.

Artikel 87 - Aanneming en bekrachtiging

  1. Een voorstel wordt wet, zodra het door de Staten-Generaal is aangenomen en door de Koning is bekrachtigd.

  2. De Koning en de Staten-Generaal geven elkaar kennis van hun besluit omtrent enig voorstel van wet.

Artikel 88 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de wetten. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 89 - Algemene maatregel van bestuur

  1. Algemene maatregelen van bestuur worden bij koninklijk besluit vastgesteld.

  2. Voorschriften, door straffen te handhaven, worden daarin alleen gegeven krachtens de wet. De wet bepaalt de op te leggen straffen.

  3. De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de algemene maatregelen van bestuur. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

  4. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op andere vanwege het Rijk vastgestelde algemeen verbindende voorschriften.

Artikel 90 - Bevordering internationale rechtsorde

De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde.

Artikel 91 - Goedkeuring verdrag

  1. Het Koninkrijk wordt niet aan verdragen gebonden en deze worden niet opgezegd zonder voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. De wet bepaalt de gevallen waarin geen goedkeuring is vereist.

  2. De wet bepaalt de wijze waarop de goedkeuring wordt verleend en kan voorzien in stilzwijgende goedkeuring.

  3. Indien een verdrag bepalingen bevat welke afwijken van de Grondwet dan wel tot zodanig afwijken noodzaken, kunnen de kamers de goedkeuring alleen verlenen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 92 - Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties

Met inachtneming, zo nodig, van het bepaalde in artikel 91, derde lid, kunnen bij of krachtens verdrag aan volkenrechtelijke organisaties bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak worden opgedragen.

Artikel 93 - Verbindende kracht verdrag

Bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 94 - Verdrag boven wet

Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 95 - Bekendmaking verdrag

De wet geeft regels omtrent de bekendmaking van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 96 - Oorlogsverklaring

  1. Het Koninkrijk wordt niet in oorlog verklaard dan na voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal.

  2. De toestemming is niet vereist, wanneer het overleg met de Staten-Generaal ten gevolge van een feitelijk bestaande oorlogstoestand niet mogelijk is gebleken.

  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  4. Het bepaalde in het eerste en het derde lid is van overeenkomstige toepassing voor een verklaring dat een oorlog beëindigd is.

Artikel 97 - Krijgsmacht

  1. Ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk, alsmede ten behoeve van de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde, is er een krijgsmacht.

  2. De regering heeft het oppergezag over de krijgsmacht.

Artikel 98 - Samenstelling krijgsmacht

  1. De krijgsmacht bestaat uit vrijwillig dienenden en kan mede bestaan uit dienstplichtigen.

  2. De wet regelt de verplichte militaire dienst en de bevoegdheid tot opschorting van de oproeping in werkelijke dienst.

Artikel 99 - Gewetensbezwaren militaire dienst

De wet regelt vrijstelling van militaire dienst wegens ernstige gewetensbezwaren.

Artikel 99a - Civiele verdediging

Volgens bij de wet te stellen regels kunnen plichten worden opgelegd ten behoeve van de civiele verdediging.

Artikel 100 - Inlichtingen over krijgsmacht

  1. De regering verstrekt de Staten-Generaal vooraf inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. Daaronder is begrepen het vooraf verstrekken van inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht voor humanitaire hulpverlening in geval van gewapend conflict.

  2. Het eerste lid geldt niet, indien dwingende redenen het vooraf verstrekken van inlichtingen verhinderen. In dat geval worden inlichtingen zo spoedig mogelijk verstrekt.

Artikel 101 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 20 juli 1995

Artikel 102 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 22 juni 2000

Artikel 103 - Uitzonderingstoestand

  1. De wet bepaalt in welke gevallen ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid bij koninklijk besluit een door de wet als zodanig aan te wijzen uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd; zij regelt de gevolgen.

  2. Daarbij kan worden afgeweken van de grondwetsbepalingen inzake de bevoegdheden van de besturen van provincies, gemeenten en waterschappen, van de grondrechten geregeld in de artikelen 6, voor zover dit de uitoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen van het in dit artikel omschreven recht betreft, 7, 8, 9, 12, tweede en derde lid, en 13, alsmede van artikel 113, eerste en derde lid.

  3. Terstond na de afkondiging van een uitzonderingstoestand en voorts, zolang deze niet bij koninklijk besluit is opgeheven, telkens wanneer zij zulks nodig oordelen beslissen de Staten-Generaal omtrent het voortduren daarvan; zij beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 104 - Belastingheffing

Belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet. Andere heffingen van het Rijk worden bij de wet geregeld.

 
 

Artikel 105 - Recht van begroting

  1. De begroting van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt bij de wet vastgesteld.

  2. Jaarlijks worden voorstellen van algemene begrotingswetten door of vanwege de Koning ingediend op het in artikel 65 bedoelde tijdstip.

  3. De verantwoording van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt aan de Staten-Generaal gedaan overeenkomstig de bepalingen van de wet. De door de Algemene Rekenkamer goedgekeurde rekening wordt aan de Staten-Generaal overgelegd.

  4. De wet stelt regels omtrent het beheer van de financiën van het Rijk.

Artikel 106 - Geldstelsel

De wet regelt het geldstelsel.

Artikel 107 - Codificatie

  1. De wet regelt het burgerlijk recht, het strafrecht en het burgerlijk en strafprocesrecht in algemene wetboeken, behoudens de bevoegdheid tot regeling van bepaalde onderwerpen in afzonderlijke wetten.

  2. De wet stelt algemene regels van bestuursrecht vast.

Artikel 108 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 25 februari 1999

Artikel 109 - Rechtspositie ambtenaren

De wet regelt de rechtspositie van de ambtenaren. Zij stelt tevens regels omtrent hun bescherming bij de arbeid en omtrent medezeggenschap.

 

Artikel 110 - Openbaarheid van bestuur

De overheid betracht bij de uitvoering van haar taak openbaarheid volgens regels bij de wet te stellen.

 

Artikel 111 - Ridderorden

Ridderorden worden bij de wet ingesteld.
HOOFDSTUK 6

Rechtspraak INLEIDING

Artikel 112 - Civiele en administratieve rechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is opgedragen de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen.

  2. De wet kan de berechting van geschillen die niet uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, opdragen hetzij aan de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren. De wet regelt de wijze van behandeling en de gevolgen van de beslissingen.

Artikel 113 - Strafrechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van strafbare feiten.

  2. Tuchtrechtspraak door de overheid ingesteld wordt bij de wet geregeld.

  3. Een straf van vrijheidsontneming kan uitsluitend door de rechterlijke macht worden opgelegd.

  4. Voor berechting buiten Nederland en voor het oorlogsstrafrecht kan de wet afwijkende regels stellen.

Artikel 114 - Doodstraf

De doodstraf kan niet worden opgelegd.

Artikel 115 - Administratief beroep

Ten aanzien van de in artikel 112, tweede lid, bedoelde geschillen kan administratief beroep worden opengesteld.

Artikel 116 - Rechterlijke macht

  1. De wet wijst de gerechten aan die behoren tot de rechterlijke macht.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de rechterlijke macht.

  3. De wet kan bepalen, dat aan rechtspraak door de rechterlijke macht mede wordt deelgenomen door personen die niet daartoe behoren.

  4. De wet regelt het toezicht door leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast uit te oefenen op de ambtsvervulling door zodanige leden en door de personen bedoeld in het vorige lid.

Artikel 117 - Rechtspositie leden rechterlijke macht

  1. De leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal bij de Hoge Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet bepaald kunnen zij door een bij de wet aangewezen, tot de rechterlijke macht behorend gerecht worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 118 - Hoge Raad

  1. De leden van de Hoge Raad der Nederlanden worden benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. De Hoge Raad is in de gevallen en binnen de grenzen bij de wet bepaald, belast met de cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van het recht.

  3. Bij de wet kunnen aan de Hoge Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 119 - Ambtsmisdrijven

De leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreden terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.

Artikel 120 - Toetsingsverbod

De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.

Artikel 121 - Openbaarheid terechtzittingen

Met uitzondering van de gevallen bij de wet bepaald vinden de terechtzittingen in het openbaar plaats en houden de vonnissen de gronden in waarop zij rusten. De uitspraak geschiedt in het openbaar.

Artikel 122 - Gratie

  1. Gratie wordt verleend bij koninklijk besluit na advies van een bij de wet aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.

  2. Amnestie wordt bij of krachtens de wet verleend.

HOOFDSTUK 7

Decentralisatie INLEIDING

Artikel 123 - Instelling provincies en gemeenten

  1. Bij de wet kunnen provincies en gemeenten worden opgeheven en nieuwe ingesteld.

  2. De wet regelt de wijziging van provinciale en gemeentelijke grenzen.

Artikel 124 - Autonomie en medebewind

  1. Voor provincies en gemeenten wordt de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake hun huishouding aan hun besturen overgelaten.

  2. Regeling en bestuur kunnen van de besturen van provincies en gemeenten worden gevorderd bij of krachtens de wet.

Artikel 125 - Organen decentrale besturen

  1. Aan het hoofd van de provincie en de gemeente staan provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad. Hun vergaderingen zijn openbaar, behoudens bij de wet te regelen uitzonderingen.

  2. Van het bestuur van de provincie maken ook deel uit gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning, van het bestuur van de gemeente het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester.

Artikel 126 - Ambtsinstructie commissaris koning

Bij de wet kan worden bepaald, dat de commissaris van de Koning wordt belast met de uitvoering van een door de regering te geven ambtsinstructie.

Artikel 127 - Vaststelling verordening

Provinciale staten en de gemeenteraad stellen, behoudens bij de wet of door hen krachtens de wet te bepalen uitzonderingen, de provinciale onderscheidenlijk de gemeentelijke verordeningen vast.

Artikel 128 - Toekenning bevoegdheden

Behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 123, kan de toekenning van bevoegdheden, als bedoeld in artikel 124, eerste lid, aan andere organen dan die, genoemd in artikel 125, alleen door provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad geschieden.

Artikel 129 - Verkiezing vertegenwoordigend orgaan

  1. De leden van provinciale staten en van de gemeenteraad worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders, tevens ingezetenen van de provincie onderscheidenlijk de gemeente, die voldoen aan de vereisten die gelden voor de verkiezing van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Voor het lidmaatschap gelden dezelfde vereisten.
  2. De leden worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  3. De artikelen 53, tweede lid, en 59 zijn van toepassing. Artikel 57a is van overeenkomstige toepassing.
  4. De zittingsduur van provinciale staten en de gemeenteraad is vier jaren, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen.
  5. De wet bepaalt welke betrekkingen niet gelijktijdig met het lidmaatschap kunnen worden uitgeoefend. De wet kan bepalen, dat beletselen voor het lidmaatschap voortvloeien uit verwantschap of huwelijk en dat het verrichten van bij de wet aangewezen handelingen tot het verlies van het lidmaatschap kan leiden.
  6. De leden stemmen zonder last.

Artikel 130 - Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders

De wet kan het recht de leden van de gemeenteraad te kiezen en het recht lid van de gemeenteraad te zijn toekennen aan ingezetenen, die geen Nederlander zijn, mits zij tenminste voldoen aan de vereisten die gelden voor ingezetenen die tevens Nederlander zijn.

Artikel 131 - Benoeming commissaris Koning

De commissaris van de Koning en de burgemeester worden bij koninklijk besluit benoemd.

Artikel 132 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen

  1. De wet regelt de inrichting van provincies en gemeenten, alsmede de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen.

  2. De wet regelt het toezicht op deze besturen.

  3. Besluiten van deze besturen kunnen slechts aan voorafgaand toezicht worden onderworpen in bij of krachtens de wet te bepalen gevallen.

  4. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden bij koninklijk besluit wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

  5. De wet regelt de voorzieningen bij in gebreke blijven ten aanzien van regeling en bestuur, gevorderd krachtens artikel 124, tweede lid. Bij de wet kunnen met afwijking van de artikelen 125 en 127 voorzieningen worden getroffen voor het geval het bestuur van een provincie of een gemeente zijn taken grovelijk verwaarloost.

  6. De wet bepaalt welke belastingen door de besturen van provincies en gemeenten kunnen worden geheven en regelt hun financiële verhouding tot het Rijk.

Artikel 133 - Waterschappen

  1. De opheffing en instelling van waterschappen, de regeling van hun taken en inrichting, alsmede de samenstelling van hun besturen, geschieden volgens bij de wet te stellen regels bij provinciale verordening, voor zover bij of krachtens de wet niet anders is bepaald.

  2. De wet regelt de verordenende en andere bevoegdheden van de besturen van de waterschappen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen.

  3. De wet regelt het provinciale en overige toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 134 - Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

  1. Bij of krachtens de wet kunnen openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere openbare lichamen worden ingesteld en opgeheven.

  2. De wet regelt de taken en de inrichting van deze openbare lichamen, de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen. Bij of krachtens de wet kan aan hun besturen verordenende bevoegdheid worden verleend.

  3. De wet regelt het toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 135 - Gemeenschappelijke regelingen

De wet geeft regels ter voorziening in zaken waarbij twee of meer openbare lichamen zijn betrokken. Daarbij kan in de instelling van een nieuw openbaar lichaam worden voorzien, in welk geval artikel 134, tweede en derde lid, van toepassing is.

Artikel 136 - Geschillen

De geschillen tussen openbare lichamen worden bij koninklijk besluit beslist, tenzij deze behoren tot de kennisneming van de rechterlijke macht of hun beslissing bij de wet aan anderen is opgedragen.
HOOFDSTUK 8

Herziening grondwet INLEIDING

Artikel 137 - Grondwetswijziging

  1. De wet verklaart, dat een verandering in de Grondwet, zoals zij die voorstelt, in overweging zal worden genomen.

  2. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, een voorstel voor zodanige wet splitsen.

  3. Na de bekendmaking van de wet, bedoeld in het eerste lid, wordt de Tweede Kamer ontbonden.

  4. Nadat de nieuwe Tweede Kamer is samengekomen, overwegen beide kamers in tweede lezing het voorstel tot verandering, bedoeld in het eerste lid. Zij kunnen dit alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  5. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen een voorstel tot verandering splitsen.

Artikel 138 - Aanpassing niet gewijzigde bepalingen

  1. Voordat de in tweede lezing aangenomen voorstellen tot verandering in de Grondwet door de Koning worden bekrachtigd, kunnen bij de wet:

    a. de aangenomen voorstellen en de ongewijzigd gebleven bepalingen van de Grondwet voor zoveel nodig aan elkaar worden aangepast;

    b. de indeling in en de plaats van hoofdstukken, paragrafen en artikelen, alsmede de opschriften worden gewijzigd.

  2. Een voorstel van wet, houdende voorzieningen als bedoeld in het eerste lid onder a, kunnen de kamers alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 139 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De veranderingen in de Grondwet, door de Staten-Generaal aangenomen en door de Koning bekrachtigd, treden terstond in werking, nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 140 - Handhaving bestaande regelgeving

Bestaande wetten en andere regelingen en besluiten die in strijd zijn met een verandering in de Grondwet, blijven gehandhaafd, totdat daarvoor overeenkomstig de Grondwet een voorziening is getroffen.

Artikel 141 - Bekendmaking herziene Grondwet

De tekst van de herziene Grondwet wordt bij koninklijk besluit bekendgemaakt, waarbij hoofdstukken, paragrafen en artikelen kunnen worden vernummerd en verwijzingen dienovereenkomstig kunnen worden veranderd.

Artikel 142 - Aanpassing Grondwet aan Statuut

De Grondwet kan bij de wet met het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in overeenstemming worden gebracht. De artikelen 139, 140 en141 zijn van overeenkomstige toepassing.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

J. Uzman en G. Boogaard

ARTIKEL 112 - Civiele en administratieve rechtspraak

INHOUD
 
1.    Historische ontwikkeling en actuele betekenis
2.    Het begrip ‘rechterlijke macht’
3.    Het begrip ‘berechting’
4.    ‘Burgerlijke rechten en schuldvorderingen’
5.    Niet uit burgerlijke rechtsbetrekking voortvloeiende
       rechten
6.    Artikel 6 EVRM en ‘civil rights and obligations’
7.    Politieke kwesties
8.    Jurisprudentie
9.    Literatuur
10. Historische versies
 
Editie april 2016
 

1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis

In 1818 geeft de burgemeester van Den Bosch de politie opdracht om een molen te sluiten. De eigenaren van de molen dagvaarden de burgemeester vervolgens voor de civiele rechter om die sluiting ongedaan te krijgen. Maar kan dat wel? De burgemeester vindt van niet. Eisers mogen in zijn ogen niet worden ontvangen in hun vordering omdat de kwestie er één voor het bestuur en niet voor de rechter is. De ‘handelwijze van requiranten was strijdig met de goede orde en eerbied, welke burgers aan hun regeering […] verschuldigd zijn’.[1] Rechtbank en, in hoger beroep, gerechtshof zien dat anders: het gaat om de uitoefening van ‘regten van eigendom’ en een dergelijke ‘questie’ behoort ‘bij uitsluiting tot […] de beslissing der rechterlijke macht’.[2]
 
Zie hier het strijdpunt waaraan artikel 112, net als zijn voorgangers, een eind probeert te maken. Het gaat in de eerste plaats om een bevoegdheidsartikel. Het stelt buiten twijfel dat het tot de competentie van de rechterlijke macht behoort om civielrechtelijke geschillen te beslechten. De historische context van de bepaling kenmerkt zich echter vooral door discussie tussen de drie staatsmachten over de bevoegdheid van de rechterlijke macht om bestuurlijk optreden te beoordelen. Hoewel de ‘gewone rechter’ onrechtmatige overheidsdaden reeds ten tijde van de Republiek der Verenigde Nederlanden berechtte, is de bevoegdheid daartoe nooit onomstreden geweest.[3] Bij toetsing van bestuursdaden gaat het om  ‘politique’ zaken die de Hoven van Justitie ‘gansch niet bevoegd zijn zich aan te trekken’, aldus de Staten van Holland in 1674.[4] Tegen het begin van de achttiende eeuw kreeg het bestuur, onder Franse invloed, zélf het primaat bij de beslechting van geschillen tussen burger en overheid. Artikel  165 van de Grondwet 1815, een voorloper van artikel 112,  breekt radicaal met dit ‘Fransche systeem’ dat ‘met onzen volksgeest […] in flagranten strijd’ was.[5] ‘Alle twistgedingen over eigendom of daaruit voortspruitende regten, over schuldvordering of burgerlijke rechten’ werden bij uitsluiting ter beslechting aan de rechterlijke macht opgedragen. De vraag hoe ver deze trendbreuk ten aanzien van het overheidsaansprakelijkheidsrecht nu precies ging bleef echter de inzet van stevig debat, waarover hierna meer.[6] Kortweg gaat sindsdien het debat over twee kwesties: is het de wetgever grondwettelijk toegestaan om de berechting van (delen van) het onrechtmatige overheidsdaadsrecht op te dragen aan bijzondere colleges? En in hoeverre kan de rechter zich, met een beroep op artikel 112 Grondwet, onttrekken aan het beoordelen van zogenaamde political questions: geschillen die geacht moeten worden tot het exclusieve domein van de politieke staatsinstellingen te behoren? Op beide vragen wordt hierna nog ingegaan.
 

2. Het begrip ‘rechterlijke macht’

Op het begrip ‘rechterlijke macht’ wordt hierna in het commentaar onder artikel 116 uitgebreider ingegaan. Vaststaat dat de Grondwet van 1983 de functionele benadering van haar voorgangers heeft ingeruild voor een zuiver institutionele. Het gaat dus niet meer om rechtspraak als functie van het overheidsapparaat (naast de wetgevende en de uitvoerende macht) in de Trias Politica, maar om het orgaancomplex dat traditioneel als rechterlijke macht wordt aangeduid. Dit orgaancomplex wordt niet door de Grondwet zelf gedefinieerd maar wordt, op de voet van artikel 116 Grondwet, ingevuld door de wetgever.[7] Met andere woorden: ‘rechterlijke macht’ is sinds 1983 een predikaat dat door de formele wetgever aan rechtsprekende instanties kan worden uitgereikt.[8]
 
Dit alles betekent concreet dat het aan de formele wetgever wordt overgelaten om te bepalen wie de bevoegdheid van artikel 112 Grondwet uitoefent. Dat kan de ‘reguliere’ rechterlijke macht zijn zoals wij die vandaag de dag kennen, maar dat hoeft niet noodzakelijkerwijs. De wetgever zou de berechting van geschillen over burgerlijke rechten in theorie ook kunnen opdragen aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven of een ander bestuursrechtelijk college, mits dit college bij wet wordt aangemerkt als behorend tot de rechterlijke macht. De regering benadrukte tijdens de parlementaire behandeling overigens dat dit niet voor de hand lag. Men zou ‘niet zomaar en zonder reden […] schuiven’ en het monopolie van de burgerlijke rechter intact laten.[9] De wetgever heeft deze verwachting van de regering waar gemaakt. Wel kan men zich afvragen of de institutionele onafhankelijkheid van de rechterlijke macht met deze regeling afdoende gewaarborgd is.[10]

Ten aanzien van de berechting van geschillen met het bestuur is het de wetgever uitdrukkelijk toegestaan om een stelsel van bestuursrechtspraak, geheel buiten de reguliere rechterlijke macht om, op te tuigen.[11] De wetgever heeft hier gretig gebruik van gemaakt. Dat past niet helemaal bij de tijdsgeest van 1983, toen de Staatscommissie Herziening Rechterlijke Organisatie nog een volledige integratie van gewone en administratieve rechtspraak adviseerde.[12] Het kabinet-Lubbers III stelde daarop een gefaseerde integrale herziening voor.[13] Dat leidde ertoe dat de bestuursrechtspraak in eerste aanleg grotendeels bij de rechtbanken van de gewone rechterlijke macht is ondergebracht. Het stelsel van hoger beroep is echter bij drie colleges buiten de rechterlijke macht geconcentreerd, namelijk de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Lange tijd is aangenomen dat deze regeling tijdelijk was en dat, ook ten aanzien van het hoger beroep, zou worden aangestuurd op integratie in de reguliere rechterlijke macht. Vanwege de gevoelige positie van de Raad van State in dit verband, besloot het kabinet-Lubbers III de kwestie van hoger beroep naar de derde fase van de herziening te schuiven teneinde realisering van de overige plannen niet in gevaar te brengen.[14] Voltooiing van deze fase is echter op de lange baan geschoven.[15] Inmiddels lijkt de gedachtevorming een andere kant op te gaan. Volgens de meest recente plannen, komt stroomlijning van het hoger beroep in het bestuursrecht neer op opheffing van het CBb en de Centrale Raad van Beroep, en de overheveling van taken naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, respectievelijk de gerechtshoven van de reguliere rechterlijke macht.[16] De (overigens vrijblijvende) verwachting van de grondwetgever, dat ook de rechtsbescherming tegen de overheid uiteindelijk zou worden opgedragen aan de rechterlijke macht is dan ook maar beperkt uitgekomen.
 

3. Het begrip ‘berechting’

De voorgangers van artikel 112 Grondwet spraken van ‘kennisneming’ of ‘beslissing’ van geschillen. De Grondwet van 1983 breekt met die terminologie en gaat over op ‘berechting’. De regering geeft daarover in de memorie van toelichting een enigszins Cruyffiaanse uitleg. Berechting zou, beter dan ‘kennisneming’ of ‘beslissing’ uitdrukken ‘dat het bij de betrokken werkzaamheid van de rechterlijke macht gaat om […] kennisneming en beslissing’.[17] Kennelijk was er toe dusver echter geen aanleiding voor verwarring.[18] Waarschijnlijk moet hier het woordje ‘en’ nadrukkelijk gelezen worden. Het gaat dus niet om kennisneming of beslissing, maar om kennisneming én beslissing van geschillen. Dit samenstel wordt dan het best uitgedrukt door de term ‘berechting’. Dan blijft het echter de vraag wat precies onder het onderdeel ‘beslissing’ moet worden verstaan. Duidelijk lijkt in de eerste plaats dat de rechter het geschil ook daadwerkelijk moet beslechten. Hij mag het niet bij kennisneming van het geschil laten, hij moet een oordeel vellen. Dat past bij het verbod van rechtsweigering van artikel 13 Wet Algemeene Bepalingen en artikel 26 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.[19]
 
Men kan echter verdergaan en zich afvragen of ‘beslissing’ en ‘berechting’ ook inhouden dat de rechter rechtsgevolgen aan zijn oordeel dient te verbinden. Artikel 112 Grondwet zou, in die optiek, een verbod aan de rechter bevatten: hij mag een kwestie niet slechts beoordelen zonder daaraan gevolgen te verbinden en moet zich voor het overige onthouden van commentaar. Men denke daarbij in de eerste plaats aan de, in het verleden door de rechter wel gevolgde praktijk van de rechter om te oordelen dat een wettelijk voorschrift in strijd is met het EVRM of het IVBPR zonder dat hij zich in staat achtte om daaraan gevolgen te verbinden aangezien dat zijn rechtsvormende taak te buiten zou gaan.[20] Deze opvatting is daarnaast relevant voor de toelaatbaarheid van het zogenaamde obiter dictum, waarbij de rechter een mening geeft die voor de geschilbeslechting niet noodzakelijk of relevant is.[21] Dit perspectief sluit aan bij het, hierna ook bij het commentaar onder artikel 120 Grondwet terugkerende, onderscheid tussen prüfen en entscheiden van Hans Kelsen ten aanzien van de toetsing van wettelijke voorschriften.[22] Wordt onder prüfen verstaan, het zuivere beoordelen van de rechtmatigheid van een voorschrift, onder entscheiden verstaat men het rechtens bindend vaststellen van de rechtmatigheid daarvan, met alle (rechts)gevolgen van dien. In sommige jurisdicties, waaronder de Amerikaanse, wordt in dat verband aangenomen dat de rechter pas bevoegd is om kennis te nemen van een vordering als deze ook voor berechting, en dus voor rechterlijk rechtsherstel, geschikt is.[23]
 
De gedachte dat artikel 112 Grondwet, ook in de Nederlandse context, een verbod op zuiver prüfen zou bevatten moet echter worden afgewezen. Aanknopingspunten in de Grondwet, de parlementaire behandeling of de rechtspraktijk zijn daarvoor niet te vinden. Daarbij komt dat de rechterlijke macht in Nederland, ook als aan een (toetsings)oordeel geen rechtsgevolgen worden verbonden, in de regel niet slechts prüft. Uiteindelijk leidt de juridische beoordeling van het geschil immers tot een dictum dat tussen partijen bindend de rechtsverhouding vastlegt. Daarmee is sprake van ‘berechting’ in de zin van artikel 112 Grondwet. Of de rechter zich, bij wijze van obiter dictum, ook een uitstapje mag veroorloven wordt eenvoudigweg niet door artikel 112 Grondwet geregeld.
 
Tot slot zij aangetekend dat het gebruik van de term ‘berechting’ in artikel 112 Grondwet niet suggereert dat aan de rechterlijke macht, of een deel daarvan zoals de Hoge Raad, door de wetgever geen andere taken kunnen worden opgedragen. Zie in dat verband bijvoorbeeld artikel 118, derde lid, Grondwet. Wel beperkt het artikel de berechting van een speciale categorie geschillen, namelijk die over burgerlijke rechten en schuldvorderingen, tot het exclusieve domein van de rechterlijke macht. Dit betekent dat andere vormen van geschilbeslechting zoals mediation en arbitrage zijn toegestaan, zolang maar geen sprake is van berechting in de zin van het rechtens bindend vaststellen van rechten en verplichtingen. Die berechting is voorbehouden aan de rechterlijke macht. Al blijft het, zoals gezegd, aan de wetgever om te bepalen wie of wat daartoe behoort.
 

4. ‘Burgerlijke rechten en schuldvorderingen’

Artikel 112 Grondwet is een bevoegdheidsartikel dat de rechterlijke macht exclusief competent verklaart op het terrein van het civiele recht. Zoals gezegd is het belang ervan in historisch opzicht echter voornamelijk gelegen in één bijzondere categorie zaken, namelijk het overheidsaansprakelijkheidsrecht. De bepaling is, net als haar voorgangers, een reactie op eeuwenlange strijd tussen het bestuur en de rechterlijke macht over de vraag wie het primaat had bij de rechtsbescherming tegen de overheid. Van fundamenteel belang was de introductie van artikel 165 Grondwet 1815, dat de beslissing in geschillen die gevolgen hadden voor privaatrechtelijk beschermde rechten van de burger, ‘bij uitsluiting’ toekende aan de rechterlijke macht. Zoals gezegd werd daarmee afstand genomen van het voor 1815 vigerende systeem waarbij de administratie zélf bepaalde of geschillen waarbij zij (in welke hoedanigheid dan ook) betrokken was, ter toetsing aan de rechter konden worden voorgelegd.
 
Een rustig bezit werd de kwestie daarna echter niet. In de literatuur woedde  gedurende bijna de gehele negentiende eeuw een felle strijd over de vraag hoe ver de trendbreuk van 1815 nu precies ging. Ruwweg lieten zich twee scholen onderscheiden. Aan de ene kant van het spectrum verdedigde Thorbecke dat de rol van het bestuur alleen werd teruggedrongen in zuiver klassieke civielrechtelijke geschillen.[24] De daadwerkelijke rechtsverhouding (‘fundamentum petendi’) tussen partijen was voor hem bepalend voor de bevoegdheid van de rechter. Aan de andere kant van het spectrum meende Buys dat niet het geschil zélf, maar het object van de rechtsstrijd (‘objectum litis’) bepalend was.[25] Zodra de eiser aan zijn vordering een burgerlijk recht ten grondslag stelt, is de rechter bevoegd. Het essentiële verschil tussen beide doctrines kan worden geïllustreerd aan de hand van een recent vonnis van Rechtbank Den Haag in de zogenaamde ‘klimaatzaak’ van Stichting Urgenda tegen de Staat.[26] Urgenda vorderde van de Staat dat deze alle noodzakelijke maatregelen zou treffen om ervoor te zorgen dat de uitstoot van broeikasgassen in Nederland in 2020 met een kwart zou zijn afgenomen ten opzichte van 1990. Centraal daarbij staat de inzet van (grotendeels) publiekrechtelijke bevoegdheden. Urgenda legde aan de vordering echter ten grondslag dat het nalaten deze maatregelen te nemen jegens haar een onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW opleverde. Volgens de leer van Thorbecke is het eerste beslissend: het gaat om een private rechtspersoon die de inzet van publiekrechtelijke bevoegdheden vordert. De achterliggende rechtsverhouding is dus publiekrechtelijk en niet privaatrechtelijk van aard. In de leer van Buys daarentegen is beslissend dat de vordering een privaatrechtelijke grondslag heeft. De burgerlijke rechter is dan bevoegd.
 
Ook tussen de staatsmachten bleef het na 1815 schuren. De rechtspraak was niet helemaal duidelijk.[27] Diverse, zij het niet alle rechters achtten zich in elk geval, met artikel 165 Grondwet in de hand, bevoegd om kennis te nemen van geschillen over bestuurlijk handelen.[28] Het bestuur sloeg in 1822 terug met het zogenaamde Conflictenbesluit van Koning Willem I.[29] De regering bepaalde daarin dat het de Kroon was, en niet de rechter, die uiteindelijk beoordeelde of een daad van het bestuur door de rechter mocht worden getoetst. Het was immers de Koning die de Grondwet diende te handhaven, desnoods jegens de drie staatsmachten. In de literatuur is het bestaan van die bevoegdheid, en daarmee de grondwettigheid van het Conflictenbesluit, nooit aanvaard.[30] Ook het grote publiek was niet overtuigd.[31] In 1844 werd de regeling weer ingetrokken.[32]

Het duurde echter nog tot de eeuwwisseling alvorens de Hoge Raad definitief de omslag maakte en hij het objectum litis van Buys omarmde.[33] Dat gebeurde in het arrest Guldemond/Noordwijkerhout.[34] Sindsdien acht de burgerlijke rechter zich bevoegd om claims tegen de overheid in behandeling te nemen, ongeacht het (beweerdelijke) publiekrechtelijke karakter van de rechtsverhouding tussen partijen.[35] Dat kan in potentie leiden tot competentieconflicten met de bestuursrechter. De civiele rechter is immers slechts exclusief bevoegd om over burgerlijke rechten en schuldvorderingen recht te spreken. De wetgever is, op basis van het tweede lid van artikel 112 Grondwet, bevoegd om geschillen van publiekrechtelijke aard aan aparte bestuursrechtelijke colleges op te dragen. Waar het object van de vordering civielrechtelijk is ingekleed, maar de onderliggende rechtsverhouding publiekrechtelijk van aard is, kan dan sprake zijn van overlap. De burgerlijke rechter acht zich dan wel bevoegd, maar doet een stapje terug door de eisers niet-ontvankelijk te verklaren als toegang tot de bestuursrechter mogelijk is.[36] Mocht die route reeds zijn gevolgd, dan volgt de burgerlijke rechter het oordeel van de bestuursrechter, op grond van de leer van de formele rechtskracht.[37] In zoverre beschouwt de civiele rechter zijn aandeel in de rechtsbescherming tegen de overheid zuiver als aanvullend.
 

5. ‘Niet uit burgerlijke rechtsbetrekking
     voortvloeiende rechten’

Het civiele recht moge dan het grondwettelijke domein zijn van de rechterlijke macht, het tweede lid maakt duidelijk dat de wetgever voor de berechting van geschillen die niet uit burgerlijke rechtsbetrekking voortvloeien, keuzevrijheid heeft. Hij mag die geschillen ter beslechting aan de rechterlijke macht overdragen, maar hoeft dat niet te doen. Onduidelijk is echter hoe de categorieën wel en niet uit burgerlijke rechtsbetrekking voortvloeiend moeten worden afgebakend. Zoals hiervoor betoogd, maakt de huidige jurisprudentie van de burgerlijke rechter het mogelijk dat op hetzelfde handelen zowel het burgerlijke recht als het publiekrecht van toepassing is. Het tweede lid maakt in wezen duidelijk dat de keuze welk regime op dergelijke grensgebieden van toepassing is, er één voor de wetgever is. Zo staat het de wetgever grondwettelijk vrij te bepalen dat over de aansprakelijkheid van overheden voor het niet verlenen van een vergunning enkel geprocedeerd kan voor de bestuursrechter. Op basis van artikel 115 Grondwet zou hij in theorie zelfs kunnen bepalen dat de kwestie via het instrument van administratief beroep dient te worden afgedaan.[38] Dan moet wel worden voldaan aan de eisen die artikel 6 EVRM aan de rechtsbescherming op nationaal niveau stelt. Daarop wordt onder punt 6 ingegaan. De wetgever kan er voorts voor kiezen om de overlap tussen het domein van de burgerlijke rechter en de bestuursrechter te laten voortbestaan. De regering benadrukte tijdens de grondwetsherziening van 1983 dat het in elk geval niet de bedoeling was de bestaande jurisprudentie van de civiele rechter aan te tasten.[39]
 

6. Artikel 6 EVRM en ‘civil rights and obligations’

Het voorgaande betekent dat de Grondwet, op het terrein van de rechtsbescherming tegen de overheid, nauwelijks fundamentele waarborgen te bieden heeft. Toch zijn de handen van de wetgever op dit punt in belangrijke mate gebonden. Artikel 6 EVRM verplicht hem namelijk om ten aanzien van de vaststelling van ‘burgerlijke rechten en verplichtingen’ zorg te dragen voor een eerlijk proces bij een onafhankelijke en openbare instantie. In de rijke jurisprudentie van het EHRM is een indrukwekkende reeks aan waarborgen uit deze bepaling afgeleid.[40] Afgezien van de ‘strafrechtelijke tak’ van artikel 6 EVRM, zijn deze waarborgen, strikt genomen, echter uitsluitend van toepassing op geschillen over de vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen.
 
Dat maakt de vraag relevant hoe deze categorie zich verhoudt tot de terminologie die in de Grondwet wordt gehanteerd. Daarbij zij wel aangetekend dat doel en functie van artikel 6 EVRM een andere is dan van artikel 112 Grondwet. Artikel 112 is een competentiebepaling die het terrein van de burgerlijke rechten en schuldvorderingen exclusief toekent aan de civiele rechter en de wetgever exclusief bevoegd verklaart tot het vormgeven van de rechtsbescherming tegen de overheid. Artikel 6 EVRM daarentegen is een waarborgnorm die een subjectief recht op een eerlijk proces garandeert. Dat heeft gevolgen voor de wijze waarop de term ‘burgerlijke rechten en verplichtingen’ wordt geïnterpreteerd.

Waar de burgerlijke rechten van artikel 112 Grondwet formeel worden benaderd, kiest het EHRM met betrekking tot de civil rights and obligations voor een materiële, autonome benadering. Dit betekent dat het voor de toepasselijkheid van artikel 6, eerste lid, van het EVRM niet uitmaakt hoe de wetgever het begrip ‘burgerlijke rechten’ afbakent.  Niet de juridische classificatie volgens het nationale recht, maar de aard van de vordering in kwestie geeft de doorslag.[41] Merkt de wetgever een geschil als privaatrechtelijk aan, dan is artikel 6, eerste lid, EVRM doorgaans echter ook van toepassing.[42] Hoewel het Straatsburgse Hof huiverig is een alomvattende definitie te geven van wat naar zijn aard als ‘burgerlijk’ moet worden aangemerkt, geldt dat in de regel van doorslaggevend belang is of het geschil vermogensrechtelijke gevolgen voor de burger heeft.[43] Zo zijn geschillen in de sfeer van het socialezekerheidsrecht door het Hof wel onder de werking van artikel 6 EVRM gebracht.[44] Belangrijke uitzonderingen op dit uitgangspunt vormen echter belastingrechtelijke en vreemdelingenrechtelijke geschillen.[45] Daarnaast zijn geschillen over politieke rechten zoals het kiesrecht uitgezonderd van de werking van artikel 6 EVRM, ook als daar financiële aspecten mee gemoeid zouden zijn.[46] Een belangrijke uitzondering betrof in het verleden bovendien het ambtenarenrecht. Dat viel lange tijd grotendeels niet onder de werking van artikel 6, eerste lid, EVRM.[47] Sinds het arrest Vilho Eskelinen zijn daar belangrijke veranderingen in gekomen. Het uitgangspunt is nu dat ambtenarenzaken onder de reikwijdte van artikel 6 vallen, zij het dat de wetgever de bevoegdheid heeft om de toegang tot de rechter expliciet uit te sluiten voor bepaalde categorieën ambtenaren. Die beperking moet dan wel op objectieve gronden gerechtvaardigd zijn.[48]
 
Een vergelijking van de Nederlandse invulling van het begrip ‘burgerlijke rechten en schuldvorderingen’ uit artikel 112 Grondwet, met de Straatsburgse invulling van het begrip ‘civil rights and obligations’ uit artikel 6 EVRM, leert dat de Straatsburgse variant een aanzienlijk groter gebied bestrijkt. Zo omvat artikel 6 EVRM het ambtenaren- en het socialezekerheidsrecht, terwijl die gebieden in Nederland onder het bestuursrecht vallen. Dat is doorgaans geen probleem omdat de Nederlandse bestuursrechtspraak voldoet aan de waarborgen van artikel 6 EVRM. Wel doet het de vraag rijzen of de Nederlandse Grondwet niet ook ten aanzien van bestuursrechtelijke geschillen aanvulling verdient met een subjectief recht op een eerlijk proces.[49]
 

7. Politieke kwesties

Tot slot nog iets over de rol van artikel 112 Grondwet bij de afbakening van het domein van de rechter ten opzichte van de politieke staatsinstellingen. In een aantal landen –  de Verenigde Staten is verreweg het bekendste voorbeeld – vormt het rechterlijke bevoegdheidsartikel tevens aanleiding voor de rechter om zich onbevoegd te verklaren wanneer hij meent dat een hem voorgelegde rechtsvraag tot het exclusieve domein van een andere staatsmacht behoort.[50] Met andere woorden: aan de bepaling die de rechterlijke competentie regelt is een zogenaamde political question doctrine opgehangen.
 
In theorie had artikel 112 Grondwet een soortgelijke rol in Nederland kunnen vervullen. Toch is dat niet gebeurd. Artikel 112 heeft het debat over politieke rechtspraak nooit echt weten te beheersen. Voor een belangrijk deel zat de afbakening van rechtspraak en ‘politiek’ in het negentiende eeuwse debat over de vraag of de jurisdictie van de rechterlijke macht zich uitstrekte over het optreden van het bestuur.[51] Dat grensconflict is inmiddels eenduidig ten faveure van de rechter beslecht.  Door de opkomst van het stelsel van bestuursrechtspraak, is de strijd over de bevoegdheid van de ‘gewone’ rechterlijke macht een achterhoedegevecht geworden. Het gaat nu vooral om de afbakening van de respectievelijke domeinen van bestuursrechter en burgerlijke rechter en niet zozeer van rechter en bestuur. De vigerende jurisprudentie van de Hoge Raad ten aanzien van de bevoegdheid van de civiele rechter maakt het voor deze bovendien moeilijk om politiek getinte geschillen met een beroep op zijn onbevoegdheid buiten de deur te houden.[52] Evenmin biedt de ontvankelijkheidsjurisprudentie op dit punt uitkomst.[53] Integendeel, de relatief ruime mogelijkheid om algemeen belang-acties aan de rechter voor te leggen, maakt dat met name de burgerlijke rechter geregeld met kwesties geconfronteerd wordt die in meer of mindere mate een politiek karakter dragen. Voorbeelden betreffen het buitenlands- en veiligheidsbeleid, het klimaatvraagstuk en de toegang van vrouwen tot partijpolitieke functies.[54] Dit alles betekent niet dat de Nederlandse rechter in het geheel geen manieren heeft gevonden om terughoudendheid te betrachten jegens de andere staatsmachten. De politieke gevoeligheid van een specifieke kwestie speelt echter in andere fasen van het proces van rechtsvinding dan die van de toegang tot de rechter. Het gaat dan enerzijds om terughoudendheid bij de inhoudelijke toetsing van het handelen van de Staat, zoals het geval is in kwesties van buitenlands beleid.[55] Anderzijds gaat het om terughoudendheid bij het beantwoorden van de vraag wat er zou moeten gebeuren als de rechter heeft vastgesteld dat de Staat onrechtmatig handelt.[56] Zo is hij niet genegen de Staat een bevel tot wetgeving te geven, en verklaarde hij in het verleden geregeld dat het aan de wetgever was om een door de rechter geconstateerde schending van het EVRM te verhelpen.[57]
 

8. Jurisprudentie

- EHRM 28 juni 1978, nr. 6232/73 (König t. Duitsland)
- EHRM 9 oktober 1979, nr. 6289/73 (Airey t. Ierland)
- EHRM 26 februari 1993, nr. 13023/97 (Salesi t. Italië)
- EHRM 21 oktober 1997, nr. 24194/94 (Pierre Bloch t. Frankrijk)
- EHRM 8 december 1999, NJ 2001/131 m.nt. EAA (Pellegrin t. Frankrijk)
- EHRM 12 juli 2001, nr. 44759/98, NJ 2004/435 m.nt. EAA (Ferrazzini t. Italië).
- EHRM 19 april 2007, NJ 2007/375 m.nt. EAA (Vilho Eskelinen t. Finland)
- HR 21 april 1898, W 1898, 7116 (Rhedense koe)
- HR 31 december 1915, NJ 1916, p. 407 (Guldemond/Noordwijkerhout)
- HR 15 december 1950, NJ 1951/221
- HR 26 maart 1971, NJ 1971/434 (Verkiezingsafspraak Elsloo).
- HR 16 mei 1986, NJ 1986/723 m.nt. MS (Heesch/Van den Akker).
- HR 28 februari 1992, NJ 1992/687 m.nt. MS (Changoe/Staat)
- HR 19 november 1999, NJ 2000/160 m.nt. TK (Tegelen).
- HR 17 december 1999, AB 2000/89 m.nt. PvB (Groningen/Raatgever)
- Rb Den Haag 24 juni 2015, AB 2015/336 (Urgenda/Staat).

9. Literatuur

- J.A.M. van Angeren, De gewone rechter en de bestuursrechtspraak, Deventer: Kluwer 2015.
- T. Barkhuysen, M.L. van Emmerik & J.H. Gerards, De toegang tot de rechter en een eerlijk proces in de Grondwet? Behoeft de Nederlandse Grondwet aanvulling met een recht op toegang tot de rechter en een eerlijk proces?, Deventer: Kluwer 2009.
- C.J. Bax, ‘Artikel 112’, in: A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet – Een systematisch en artikelsgewijs commentaar, Deventer: Kluwer 2000, pp. 520-524.
- L. van den Berge, ‘’Der Staat soll Rechtsstaat seyn’ Loeff, Struycken en de Duitse staatsfilosofie’, R.M. Themis 2014, pp. 80-88.
- P.P.T. Bovend’Eert & C.A.J.M. Kortmann, Rechterlijke organisatie, rechters en rechtspraak, Deventer: Kluwer 2013.
- Eindrapport Staatscommissie Herziening Rechterlijke Organisatie (Deel 1), Den Haag: 1984.
- P.M. van den Eijnden, Onafhankelijkheid van de rechter in constitutioneel perspectief (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2011.
- M. Kuijer, The blindfold of Lady Justice – Judicial independence and impartiality in the light of the requirements of article 6 ECHR (diss. Leiden), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2004.
- J.A. Loeff, ‘Wenschelijkheid van administratieve rechtspraak hier te lande’ Themis 1912, p. 144.
- G.E. van Maanen, De wonderbaarlijke geschiedenis van de onrechtmatige overheidsdaad in de 19deen 20steeeuw, Nijmegen: Ars Aequi Libri 1996.
- G.E. van Maanen & R. de Lange, Onrechtmatige overheidsdaad, Deventer: Kluwer 2005.
- J.V. Rypperda Wierdsma, Politie en Justitie. Een studie over Hollandschen staatsbouw tijdens de Republiek (diss. Leiden), Zwolle: Tijl 1937, p. 173.
- H. van Sonsbeeck, Proeve over de zelfstandigheid en onafhankelijkheid der regterlijke macht’, Zwolle: 1829.
- Staatscommissie Grondwet, Rapport (2010).
- A.A.H. Struycken, Administratie of rechter?, Arnhem: Gouda Quint 1910.
- P. Tjeenk Willink, Publiek-rechtelijke geschillen in de Republiek der Vereenigde Nederlanden (diss. Leiden), Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1893.

10. Historische versies

Eerste lid:
Art. 165 Gw 1815: ‘Alle twistgedingen over eigendom of daaruit voorspruitende regten, over schuldvordering of burgerlijke regten, behooren bij uitsluiting tot de kennis van de regterlijke macht’ (art. 163 Gw 1840).
Art. 148 Gw 1848: ‘Alle twistgedingen over eigendom of daaruit voortspruitende regten, over schuldvordering en andere burgerlijke regten, behooren bij uitsluiting tot de kennis van de regterlijke magt. Aan haar behoort insgelijks, behoudens de uitzonderingen door de wet te bepalen, de beslissing over burgerschapsregten’.
Art. 153 Gw 1887: ‘Alle twistgedingen over eigendom of daaruit voortspruitende regten, over schuldvordering en andere burgelijke regten behoren bij uitsluiting tot de kennisname van de regterlijke Magt’ (art. 154 Gw 1922; art. 160 Gw 1938; art. 167 Gw 1953).

Tweede lid:
Art. 154 Gw 1887: ‘De wet kan de beslissing van twistgedingen, niet behoorende tot die, vermeld in art. 153, hetzij aan den gewonen regter, hetzij aan een collegie met administratieve regtspraak belast, opdragen; zij regelt de wijze van behandeling en de gevolgen der beslissingen’ (art. 155 Gw 1922, behoudens dat i.p.v. 'art. 153' wordt gelezen 'art. 154'; art. 161 Gw. 1938, behoudens dat i.p.v. 'art. 153' wordt gelezen 'art. 160'; art. 168 Gw. 1953, behoudens dat i.p.v. 'art. 153' wordt gelezen 'art. 167').

   

Noten

  1. Voorbeeld te vinden bij R. Kranenburg, Het Nederlandsch Staatsrecht Deel II, 5e (herziene) druk, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1938, p. 39.
  2. Ibid.
  3. Vgl. J.V. Rypperda Wierdsma, Politie en Justitie. Een studie over Hollandschen staatsbouw tijdens de Republiek (diss. Leiden), Zwolle: Tijl 1937, p. 173. Zie ook reeds: P. Tjeenk Willink, Publiek-rechtelijke geschillen in de Republiek der Vereenigde Nederlanden (diss. Leiden), Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1893.
  4. Kranenburg 1938, p. 34.
  5. Kranenburg 1938, p. 36.
  6. Hierop wordt onder 4 nader ingegaan.
  7. Zie in dat verband de Wet RO.
  8. Vgl. Kamerstukken II 1980/81, 16 162, nr. 8, p. 19 (Nng, V, 92).
  9. Kamerstukken II 1980/1981, 16 162 nr. 8, p. 3, 12.
  10. In het buitenland kwam het een enkele keer voor dat de wetgever op en hem onwelgevallige uitspraak van de rechter reageerde door deze rechter jurisdictie te ontnemen. Een voorbeeld daarvan betreft Canada, waar de Privy Council in de jaren dertig van de vorige eeuw werd ingeruild voor een nieuw Supreme Court als hoogste rechter omdat de wetgever de eerste te activistisch vond. Zie K. Roach, The Supreme Court on Trial – Judicial Activism or Democratic Dialogue, Toronto: Irwin Law 2001, pp. 41-44.
  11. Kamerstukken II 1979/1980, 16 162, nr. 3, p. 5, 17.
  12. Eindrapport Staatscommissie Herziening Rechterlijke Organisatie (Deel 1), Den Haag: 1984.
  13. Kamerstukken II 1988/1989, 21 048, nr. 3 e.v..
  14. Vgl. daarover het commentaar van P. de Haan, Th.G. Drupsteen & R. Fernhout, Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat (deel 2), Deventer: Kluwer 1998, p. 284.
  15. Zie Kamerstukken II 2003/2004, 25 425, nr. 7.
  16. Kamerstukken 2015/16, 34 389, nr, 2 (Wet organisatie hoogste bestuursrechtspraak).
  17. Kamerstukken 1979/1980, 16 162, nr. 3, p. 9.
  18. Vgl. o.m.: C.A.J.M. Kortmann, De Grondwetsherziening 1983, Deventer: Kluwer 1983, p. 286, die de MvT zonder de, hem soms zo tekenende ironie, aanhaalt.
  19. ] Zie nader: V.V.R. Van Bogaert, De rechter beoordeeld. Over aansprakelijkheid en verantwoordelijkheid in civiel- en staatsrechtelijk perspectief (diss. Groningen), Antwerpen: Maklu 2005, p. 68.
  20. Vgl. o.m. HR 12 mei 1999, NJ 2000/170 m.nt. Bloembergen (Arbeidskostenforfait). Daarover uitgebreid: J. Uzman, Constitutionele remedies bij schending van grondrechten (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 2013.
  21. Vgl. voor een bekend, onder art. 120 Grondwet nog te bespreken, voorbeeld: HR HR 14 april 1989 NJ 1989/469 (Harmonisatiewet).
  22. H. Kelsen, Allgemeine Staatslehre, Berlijn: Julius Springer 1925, p. 287; Zie tevens: L. Prakke, Toetsing in het publiekrecht (diss. UvA), Assen: Van Gorcum 1972, pp. 73-75; J.J.J. Sillen, Rechtsgevolgen van toetsing van wetgeving (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2010, p. 4.
  23. Vgl. US Supreme Court 4 juni 1923, 262 U.S. 447 (Frothingham v. Mellon), per Sutherland J.; U.S. Supreme Court 3 juli 1984, 468 U.S. 737 (Allen v. Wright).
  24. Aanteekening op de Grondwet, Deel II, p. 155.
  25. J.T. Buijs, De Grondwet. Toelichting en kritiek, Deel II, Arnhem: 1887, p. 295.
  26. Rb Den Haag 24 juni 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:7145, AB 2015/336 (Urgenda/Staat).
  27. A.Q.C. Tak, Hoofdlijnen van het Nederlandse bestuursprocesrecht, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1995, p. 331; G.E. van Maanen, De wonderbaarlijke geschiedenis van de onrechtmatige overheidsdaad in de 19de en 20ste eeuw, Nijmegen: Ars Aequi Libri 1996.
  28. Kranenburg 1938, p. 38-39.
  29. KB van 5 oktober 1822, Stb. 1822, 44.
  30. Kranenburg 1938, p. 43.
  31. H. van Sonsbeeck, Proeve over de zelfstandigheid en onafhankelijkheid der regterlijke macht’, Zwolle: 1829, p. 213.
  32. KB van 20 mei 1844, Stb. 1844, 25.
  33. Vgl. het arrest HR 21 april 1898, W 1898, 7116 (Rhedense koe) waarin de leer van fundamentum petendi nog een rol lijkt te spelen met HR 31 december 1915, NJ 1916, p. 407 (Guldemond/Noordwijkerhout) waarin de objectum litis-lijn centraal staat.
  34. Zie voorgaande voetnoot.
  35. Zie voor een enkele uitzondering: HR 26 maart 1971, NJ 1971/434 (Verkiezingsafspraak Elsloo).
  36. Vgl. o.a. HR 15 december 1950, NJ 1951/221; HR 28 februari 1992, NJ 1992/687 m.nt. MS (Changoe/Staat). De uitzondering vormt de vordering tot schadevergoeding uit onrechtmatige overheidsdaad. Zie in dat verband HR 17 december 1999, AB 2000/89 m.nt. PvB (Groningen/Raatgever). Op dat terrein intervenieerde de wetgever de afgelopen jaren uitgebreid. Zie o.a. de Wet Nadeelscompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten, Stb. 2013, 162. Vgl. in dat verband: A.J.H. van Suilen, ‘De voorgestelde regeling voor schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten’, NTFR 2011, 2828.
  37. HR 16 mei 1986, NJ 1986/723 m.nt. MS (Heesch/Van den Akker).
  38. Zie het commentaar bij art. 115.
  39. Kamerstukken II 1979/1980, 16 162, nr. 3, p. 15.
  40. Zie daarover o.a. M. Kuijer, The blindfold of Lady Justice – Judicial independence and impartiality in the light of the requirements of article 6 ECHR (diss. Leiden), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2004; P.M. van den Eijnden, Onafhankelijkheid van de rechter in constitutioneel perspectief (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2011.
  41. EHRM 28 juni 1978, nr. 6232/73 (König t. Duitsland).
  42. EHRM 9 oktober 1979, nr. 6289/73 (Airey t. Ierland).
  43. EHRM 12 juli 2001, nr. 44759/98, NJ 2004/435 m.nt. EAA (Ferrazzini t. Italië).
  44. EHRM 26 februari 1993, nr. 13023/97 (Salesi t. Italië).
  45. EHRM 12 juli 2001, nr. 44759/98, NJ 2004/435 m.nt. EAA (Ferrazzini t. Italië).
  46. EHRM 21 oktober 1997, nr. 24194/94 (Pierre Bloch t. Frankrijk).
  47. EHRM 8 december 1999, nr. 28541/95, NJ 2001/131 m.nt. EAA (Pellegrin t. Frankrijk).
  48. EHRM 19 april 2007, nr. 63235/00, NJ 2007/375 m.nt. EAA (Vilho Eskelinen t. Finland).
  49. T. Barkhuysen, M.L. van Emmerik & J.H. Gerards, De toegang tot de rechter en een eerlijk proces in de Grondwet? Behoeft de Nederlandse Grondwet aanvulling met een recht op toegang tot de rechter en een eerlijk proces?, Deventer: Kluwer 2009; Rapport Staatscommissie Grondwet (2010), pp. 60-63.
  50. Zo wordt de fameuze political question doctrine in de Verenigde Staten wel afgeleid uit artikel III van de Amerikaanse grondwet, dat spreekt van de bevoegdheid van de rechterlijke macht tot de beslechting van cases and controversies. Zie daarover o.m. R.E. Barkow, ‘More Supreme than Court – The Fall of the Political Question Doctrine and the Rise of Judicial Supremacy’, Columbia Law Review 2002, pp. 237-336, op p. 243, 320.
  51. En de daarmee samenhangende discussie of het bestuur onderworpen dient te zijn aan een stelsel van administratieve rechtspraak. In dat verband zij gerefereerd aan het legendarische debat tussen Loeff en Struycken. Zie A.A.H. Struycken, Administratie of rechter?, Arnhem: Gouda Quint 1910, en J.A. Loeff, ‘Wenschelijkheid van administratieve rechtspraak hier te lande’ Themis 1912, p. 144. Over dit debat: L. van den Berge, ‘’Der Staat soll Rechtsstaat seyn’ Loeff, Struycken en de Duitse staatsfilosofie’, R.M. Themis 2014, pp. 80-88.
  52. P. De Haan, Th.G. Drupsteen & r. Fernhout, Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat – Deel 2: Bestuurshandelingen en waarborgen, Deventer: Kluwer 1998, pp. 385-386. Een illustratie waarbij de Hoge Raad zich wél bevoegd achtte maar niet in ging op de vordering omdat hij deze niet toewijsbaar achtte betreft HR 19 november 1999, NJ 2000/160 m.nt. TK (Tegelen).
  53. Ibid.
  54. Vgl. Rb Den Haag 20 mei 1986, AAe 1987, 22 m.nt. Akkermans (Kruisraketten); HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9228, NJ 2015/376 m.nt. NJS (Srebrenica); Rb Den Haag 24 juni 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:7145, AB 2015/336 (Urgenda/Staat); HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4547, RvdW 2010/506 (SGP-arrest).
  55. Gerechtshof Den Haag 22 november 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BU5105 (RMS/Staat).
  56. Vgl. bijv. HR 19 november 1999, NJ 2000/160 m.nt. TK (Tegelen).
  57. HR 21 maart 2003, NJ 2003/691, m.nt. TK (Waterpakt/Staat); HR 12 mei 1999, NJ 2000/170 m.nt. ARB (Arbeidskostenforfait); HR 30 juni 2009, NJ 2009/349 m.nt. Schalken (Post-Salduz). Zie in dit verband ook onze dissertaties: G. Boogaard, Het wetgevingsbevel – Over constitutionele verhoudingen en manieren om een wetgever tot regelgeving aan te zetten (diss. UvA), Oisterwijk: Wolf Legal Publishers 2013; J. Uzman, Constitutionele remedies bij schending van grondrechten – Over effectieve rechtsbescherming, rechterlijk abstineren en de dialoog tussen rechter en wetgever (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 2013.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    J. Uzman en G. Boogaard, Commentaar op artikel 112 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2017 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Civiele en administratieve rechtspraak

De rechterlijke macht is, met uitsluiting van andere organen, bevoegd om geschillen over burgerlijke rechten en schuldvorderingen te berechten. De Grondwet garandeert op deze wijze dat, kort gezegd, privaatrechtelijke conflicten altijd kunnen worden voorgelegd aan een onafhankelijke rechter.
 
De gerechten die behoren tot de rechterlijke macht (artikel 116 Grondwet) zijn opgesomd in de Wet op de rechterlijke organisatie. Volgens die wet bestaat de rechterlijke macht uit de rechtbanken, de gerechtshoven en de Hoge Raad.
 
Wanneer het gaat om geschillen die niet uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, kan de wetgever bepalen welke instantie bevoegd is om een uitspraak te doen. Dat kan de rechterlijke macht zijn, maar ook een ander orgaan. Zo is bijvoorbeeld het beslissen van de meeste bestuursrechtelijke geschillen – geschillen waarin de uitoefening van bestuursbevoegdheden door overheidsorganen centraal staat – in eerste aanleg ook opgedragen aan de rechtbanken. Het hoger beroep in dergelijke zaken wordt in de meeste gevallen behandeld door bestuursrechtelijke colleges die niet tot de rechterlijke macht behoren, waaronder de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
 
De term ‘berechting’ duidt op het beslissen van de aan de rechter voorgelegde rechtsgeschillen. Niet alle taken die aan de rechter zijn opgedragen zijn aan te merken als berechting van een geschil. Een voorbeeld is de benoeming van een voogd bij uitspraak van de rechtbank.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Civiele en administratieve rechtspraak

2 reacties

18.02.2016 | Naam*

ik denk het ook. Overbodige meuk kopen, dat doen de meeste mesnen, toch heeft het vrij weinig zin. Vluchtigheid, waan van de dag. Uiteindelijk beklijft kwaliteit denk ik. Tenminste, dat is mijn vertrouwen.Dat wat je aandacht geeft, groeit.

13.11.2015 | M. de Vries

Waardevolle info. Alleen artikel 103 RO (10 raadsheren) moet lijkt me artikel 76 lid 4 Wet RO zijn.

Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Civiele en administratieve rechtspraak

Klassieke uitspraken

Hier leest u de klassieke uitspraken over artikel 112 van de Grondwet

Guldemond/Noordwijkerhout

31-12-1915
In dit arrest is door de Hoge Raad bepaald dat de exclusieve bevoegheid van de rechterlijke macht afhangt van het voorwerp van verschil, oftwel het recht waarin eiser vraagt te worden beschermd.

Recente rechtspraak

Civiele en administratieve rechtspraak

Politiek

Civiele en administratieve rechtspraak

Video
Blogs
IN DE WERELD
Video

Civiele en administratieve rechtspraak

  • Discussie over het imago van de bestuursrechtspraak
Discussie over het imago van de bestuursrechtspraak
Blogs

Civiele en administratieve rechtspraak

In de wereld

Civiele en administratieve rechtspraak